Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Aard en kenmerken van de planeten


Want zelfs grote adepten (ingewijden natuurlijk) kunnen, hoewel ze geoefende zieners zijn, slechts aanspraak maken op grondige bekendheid met de aard en uiterlijke vorm van planeten en hun bewoners die tot ons zonnestelsel behoren. Ze weten dat bijna alle planetaire werelden bewoond zijn, maar hebben alleen toegang – zelfs in de geest – tot die van ons stelsel; en ze zijn zich ook ervan bewust hoe moeilijk het is, zelfs voor hen, om zich volledig in verbinding te stellen met alleen al de bewustzijnsgebieden binnen ons stelsel, die echter verschillen van de bewustzijnstoestanden die op deze bol mogelijk zijn, d.w.z. op de drie gebieden van de keten van bollen boven onze aarde. Een dergelijke kennis en zo’n contact zijn voor hen mogelijk, omdat ze hebben geleerd hoe ze die bewustzijnsgebieden kunnen binnendringen, die zijn afgesloten voor de waarnemingen van gewone mensen; maar al zouden ze hun kennis overdragen, dan zou de wereld er niet wijzer van worden, omdat ze die ervaring van andere waarnemingsvormen mist, die als enige haar in staat zou stellen te begrijpen wat haar werd meegedeeld.   – De Geheime Leer, 2:797-8

Iedere planeet verkeert in wezen in een ander evolutiestadium en bezit spirituele eigenschappen die van die van elke andere planeet verschillen; ze heeft haar wortels in haar eigen spirituele gebied, en tijdens de hele evolutiereis van haar huidige pelgrimstocht zal dat ene spirituele gebied niet veranderen. Daarbij komt nog dat de ene planeet wat de tijd van haar evolutie betreft verder kan zijn dan een andere, of daarbij achterblijft, hoewel ze in feite spiritueel hoger of lager kan staan.

Er zijn dus twee manieren om evolutionaire vooruitgang te bekijken: bij de ene gaat het om een oudere hiërarchie van planeten met meer kosmische ervaring; en bij de andere om een planeet die wat kosmische ervaring betreft jonger is, maar die in haar huidige belichaming verder gevorderd kan zijn wat het aantal doorlopen ronden betreft. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat Jupiter in essentie of in kosmische ervaring spiritueel veel verder is gevorderd dan de planeetgeest van de aarde of van Mars; en toch is Jupiter in dit zonnemanvantara in haar huidige belichaming in haar cyclus van zeven ronden minder ver gevorderd dan de aarde in haar eigen cyclus. Bovendien is de aarde, vergeleken met Mars, in feite een grovere planeet; en ook in evolutie bevindt ze zich op een lager of stoffelijker punt van haar eigen planeetcyclus dan Mars in de hare.

Venus heeft meer ronden doorlopen in dit zonnemanvantara dan de aarde en is daarom in dit opzicht verder gevorderd; maar de planeetgeest van de aarde is niettemin spiritueel verder gevorderd omdat hij wat het aantal kosmische manvantara’s betreft ouder is.

De basisregel is als volgt: hoe dichter bij de zon, des te verder de planeet is gevorderd in haar evolutie en daarom des te hoger de daarop levende wezens zijn ontwikkeld. Hoe verder van de zon, des te etherischer en in één opzicht spiritueler de planeten zijn, maar minder geevolueerd in hun respectieve planeetmanvantara’s.

Daarom is Mars etherischer dan de aarde; Jupiter etherischer dan Mars; en Saturnus etherischer dan Jupiter. Maar Jupiter is in haar planetaire evolutie verder gevorderd dan Saturnus; Mars verder dan Jupiter; de aarde verder dan Mars, en Venus verder dan de aarde.

De reden is dat de zon, terwijl hij het voertuig van een god is, ook in zijn fysieke uitdrukkingsvorm het brandpunt is van de levenskracht van het zonnestelsel, en daarom de plaats waar de polsslag van het leven het sterkst is. We zien dat ook bij mensen: waar de fysieke gezondheid het meest robuust is in de dierlijke zin van het woord, blijft het spirituele gewoonlijk achter. De vergelijking gaat niet geheel op maar geeft de algemene gedachte weer. Heel dicht bij de zon staan, betekent daarom overspoeld worden door fysieke vitaliteit die de zon in een onuitputtelijke stroom uit zijn laagste delen doet vloeien.

De ‘mensen’ op Venus, bijvoorbeeld, zijn veel intelligenter dan de aardse mensen, maar ze zijn niet even spiritueel of even etherisch – en etherisch en spiritueel betekenen niet noodzakelijkerwijs hetzelfde. Venus is in haar laatste ronde en dat is de reden dat ze, hoewel dichter bij de zon dan de aarde, minder compact is, omdat haar substantie langzaam dematerialiseert naarmate de planeet vordert langs de opgaande boog van haar evolutie.

We nemen de planeet Venus waar, hoewel ze in haar zevende ronde is, terwijl wij nog maar in onze vierde ronde zijn, omdat het fysieke lichaam van Venus zich op ons kosmische gebied bevindt, zij het op het eerste subgebied of in de hoogste toestand van de stof die tot ons gebied behoort. Bedenk dat elk kosmisch gebied van substantie is verdeeld in zeven subgebieden. We bevinden ons allen op het zevende of laagste kosmische gebied; maar wij van de aarde zijn op het vierde subgebied daarvan.

Wanneer wij van bol D van deze aarde over Venus spreken, hebben we het natuurlijk over bol D van de Venusketen – de bol die wij kunnen zien. Omdat Venus bijna aan het einde van haar bolmanvantara is en al enig licht vanuit zichzelf verspreidt, is het wortelras dat op dit moment op bol D van Venus evolueert, het zesde of zevende van haar huidige zevende bolronde.

De uitspraak dat Venus stoffelijker is dan de aarde moet in die zin worden opgevat dat ze een jongere planeetgeest is, en duidt niet louter op een verschil tussen grove stof en ether – hoewel de stof waarin een planeetgeest zich hult natuurlijk overeenstemt met zijn graad van evolutie. Venus is grover dan de aarde, toch zijn haar mensheden verder ontwikkeld wat de hogere manasische eigenschappen betreft.* Aan de andere kant is zelfs de stof waaruit bol D van de Venusketen bestaat etherischer dan de stof van bol D van de aardketen en wel omdat Venus zich in haar zevende ronde en de aarde zich in haar vierde ronde bevindt. In feite is de aarde ouder dan Venus en daarom is zelfs de grofste stof van de aarde nu etherischer dan de grofste stof van de Venusketen was toen Venus in haar vierde ronde was.

*Vgl. De Geheime Leer, 1:667.

Dat Venus in haar zevende ronde is, wil niet zeggen dat de levensgolven op alle bollen van de Venusketen zich in de zevende ronde bevinden. De levensgolven die op de bollen A, B en C circuleren en ongetwijfeld op één of twee van de hogere bollen, bevinden zich in hun zevende ronde; niettemin zijn de levensgolven op de bollen E, F en G van de Venusketen, evenals haar hoogste bollen, nog niet in hun zevende ronde, omdat de levensenergieën van de zevende ronde van de Venusketen de ronde nog niet helemaal hebben voltooid, want ze zijn slechts door de bollen op de neergaande boog gegaan en hebben bol D van de Venusketen bereikt.

Wanneer de aarde en haar bewoners de zevende ronde zullen hebben bereikt, zullen ze in spiritueel en etherisch opzicht iets hoger staan dan waar de planeet Venus en haar bewoners nu staan. Maar relatief gesproken zullen de aardmensen in die verre toekomst wat intelligentie betreft iets lager staan dan de huidige bewoners van Venus. Intelligentie wordt verkregen door de harmonische vereniging van geest en stof; dan wordt manas, het kind, geboren uit het element dat latent innerlijk aanwezig is in zowel geest als stof.

Een aantal astronomen hebben op verschillende momenten lichtvlekken op Venus waargenomen, en zij moeten uitstekende waarnemers zijn geweest. Daarnaast is door hun critici verklaard dat als zulke lichten feitelijk zijn gezien, ze niet kunnen worden toegeschreven aan de zon, noch aan weerkaatst licht, maar moeten zijn ontstaan door een of ander vreemd voorval op of in de planeet zelf. En dat is juist, want er zijn gebieden op Venus waarvan men waarschijnlijk eens zal ontdekken dat ze kunstmatig worden verlicht.

Bovendien zendt Venus, omdat ze zich in haar laatste of zevende ronde bevindt, een aurisch licht uit dat voor onze ogen zichtbaar is. Enkele astronomen hebben dit waargenomen; sommigen hebben geprobeerd het mogelijke bestaan ervan te ontkennen omdat ze het niet kunnen verklaren. Dat licht komt echter niet van haar ‘goddelijke’ bewoners – men zou ze alleen voor de vorm goddelijk kunnen noemen – die verstandelijk veel goddelijker zijn dan wij, al zijn ze grover. De ‘fosforescentie’ komt voort uit de levenskracht van de planeet zelf. De aarde zal tegen het einde van haar zevende ronde waarschijnlijk iets helderder zijn dan Venus nu.

In werkelijkheid wordt elke op zichzelf bestaande entiteit, van atoom tot god, waaronder alle entiteiten op aarde en de andere planeten en op en in de zonnen, omgeven door een aurische atmosfeer die als licht wordt gezien door hen die het waarnemingsvermogen daarvoor hebben ontwikkeld. Het feit alleen dat wij dat licht niet kunnen zien, geeft ons niet het recht het bestaan ervan te ontkennen. De zon is in zijn stralenpracht een voorbeeld van een hemellichaam waarvan we het licht waarnemen. Verder zou ieder mens, als we ogen hadden om het te zien, een bol van licht lijken – licht dat uit ieder deel van zijn lichaam straalt, uit zijn ogen, uit zijn mond, uit zijn hele huid. Iedere planeet wordt op dezelfde manier omgeven door een aura van licht. Zelfs de maan, al is ze een dood lichaam, is omgeven door haar eigen fosforescerende licht; net zoals stof in ontbinding soms fosforesceert, hoewel dit gewoonlijk aan een andere oorzaak wordt toegeschreven. Hoe het ook zij, iedere op zichzelf bestaande entiteit straalt voortdurend energie uit, en licht is slechts een vorm van energie; als we deze energie visueel konden waarnemen, zouden we licht zien.

Dit doet denken aan het oude boeddhistische gezegde:

Stralende Venus trilt ver weg,
Het hogere zelf van de aarde,
En raakt ons met slechts één vinger aan.

Venus is een heel interessante planeet. Ze is waarschijnlijk op een aantal manieren heel nauw verbonden met de aarde; en er is gezegd dat waar Venus naartoe gaat, de aarde ook naartoe gaat, en omgekeerd. Het wordt als volgt geformuleerd in De Geheime Leer (2:31, 33):

Venus is de meest occulte, machtige en mysterieuze van alle planeten; haar invloed op en relatie met de aarde treedt het meest op de voorgrond. . . .

Volgens de occulte leer is deze planeet de oervorm van onze aarde, en haar spirituele prototype. . . .

‘Elke zonde die op aarde wordt begaan, wordt gevoeld door Usanas-Sukra. De goeroe van de daitya’s is de beschermgeest van de aarde en de mensen. Elke verandering op Sukra wordt gevoeld op en weerspiegeld door de aarde.’

Als we nadenken over de evolutionaire status van planeten, moeten we het spirituele niet verwarren met het etherische. Etherische zaken behoren tot de stof; spirituele zaken tot de geest. De bewoners van de aarde zijn spiritueler dan de bewoners van Saturnus en Jupiter, omdat ze meer geëvolueerd zijn, verder op het pad, hoewel de bewoners van Saturnus en Jupiter veel etherischer zijn dan wij. Onze mensheid en onze aarde bevinden zich in de opgaande fase van de cyclus, beginnen aan de lichtende boog; naarmate we spiritueel vooruitgaan, zullen dus onze aarde en wijzelf ook vooruitgaan in die zin dat we etherischer worden.

Deze opmerkingen worden gemaakt met het oog op de verschillende posities die de diverse planeten op de evolutieladder innemen. Er is een andere manier om het onderwerp spiritualiteit met betrekking tot de planeten te bekijken en deze betreft wat we hun essentiële spiritualiteit zouden kunnen noemen. Zo zouden Saturnus of Jupiter in wezen een spiritueler svabhava kunnen hebben dan de planeten dichter bij de zon, hoewel deze laatste, zoals gezegd, in hun evolutie verder zijn gevorderd. Het is zoiets als bij twee mensen: de ene, van wie de svabhava minder spiritueel is, kan zich niettemin in zijn eigen evolutie op een kleine opgaande boog bevinden, terwijl de essentieel spirituelere mens op zijn evolutiereis een kleine neergang kan doormaken.

Er is al op de algemene regel gewezen dat hoe dichter een planeet zich bij onze zon bevindt, des te grover en compacter ze fysiek is. Als een binnenplaneet minder compact is dan een buitenplaneet, betekent dit dat de binnenplaneet in haar planetaire evolutie een verder gevorderd stadium heeft bereikt. Bovendien trekken de planeten dichter naar de zon naarmate ze ouder worden. Hoewel de zon de woonplaats is van een god, is zijn vitale, magnetische en elektrische kracht voorzover het de stof betreft niettemin zo enorm vergeleken met de betrekkelijk nietige lichamen van de planeten, dat deze alleen al door zijn omvang de lichamen van de planeten grover maakt.

Vergeet niet dat onze fysieke zon die bol van de zonneketen van twaalf bollen is die overeenkomt met onze bol D van de aardketen. De substantie van deze fysieke zon, of zon van het vierde gebied, is de prakriti van dit kosmische gebied in zijn hoogste drie subgebieden of elementen; dat wil zeggen dat het hart van onze zichtbare zon een deel is van de moedersubstantie van dit laagste kosmische gebied, en dat hart wordt omringd door zijn sluier van substanties, en deze wordt op zijn beurt omringd door zijn sluier van substanties – de derde naar omlaag op de schaal. En deze laatste sluier is de verblindende aurische stof die de zon omgeeft. We kunnen een analogie trekken tussen de drie zonnesubstanties en de hoogste drie beginselen in de mens: het hart van onze zon komt overeen met onze atman, zijn sluier met onze buddhi en de volgende lagere sluier met ons manas.

Alle planeten doorlopen hun fase van stoffelijk bestaan, staan aan verleidingen bloot, net als wij van de aarde, vroeger en in de toekomst. Hoe hoger een planeet zich bevindt op de ladder van het bestaan, hoe minder zijwegen of kronkelpaden er natuurlijk zijn die de entiteiten op hun lange pelgrimstocht volgen. Er zijn planeten geweest waarvan de mensheden zijn ‘mislukt’, in die zin dat zulke planeten met hun krioelende mensheden niet zijn geslaagd en achteruitgingen – het was karma, een deel van het ontvouwen van hun evolutie dat zich zo voltrok. Maar deze gevallen zijn zeer zeldzaam.

Mercurius komt net uit de obscuratie tevoorschijn om aan haar laatste of zevende ronde te beginnen. Deze planeet is zelfs nog geheimzinniger dan Venus, en werd bij vele volkeren uit de oudheid nauw verbonden met de mysterieleringen over de toestanden na de dood. De Sanskrietnaam voor Mercurius is Budha (wijsheid), en de Grieken noemden deze planeet Hermes, die speciaal een toeziend oog houdt op de mystici, en de zielen naar de onderwereld ‘begeleidt’.*

*Vgl. Beginselen van de Esoterische Filosofie, hfst. 18.

De Geheime Leer, (2:48-9) bevat deze verhelderende passage:

De mensen van Budha (Mercurius) zijn overdrachtelijk gesproken onsterfelijk door hun wijsheid. Dit wordt geloofd door allen die aannemen dat elke ster of planeet wordt bewoond. . . . Omdat de maan lager in rang is dan zelfs de aarde, om nog maar niets te zeggen over andere planeten, kunnen de aardse mensen die door haar zonen – de maanmensen of ‘voorvaderen’ – uit haar omhulsel of lichaam werden voortgebracht, niet onsterfelijk zijn. Ze kunnen niet verwachten werkelijke, zelfbewuste en intelligente mensen te worden, tenzij ze door andere scheppers, om zo te zeggen, worden voltooid. In de puranische legende is de zoon van de maan (Soma) daarom Budha (Mercurius), ‘de intelligente’ en de wijze, omdat hij de afstammeling is van Soma, de ‘heerser’ van de zichtbare maan, niet van Indu, de fysieke maan. Mercurius is dus in overdrachtelijke zin de oudere broer van de aarde – als het ware haar stiefbroer, de afstammeling van de geest – terwijl zij (de aarde) het nageslacht van het lichaam is.

De binnenplaneet van Mercurius, Vulcanus, zoals de astronomen dit voor hen hypothetische hemellichaam hebben genoemd, heeft haar baan tussen Mercurius en de zon. Volgens de esoterische leringen werd ze praktisch onzichtbaar gedurende het derde wortelras na de val van de mens tot fysieke voortplanting. Omdat we nu op de opgaande boog de graad van gebiedsontwikkeling hebben bereikt die overeenkomt met die van het derde wortelras, moet de planeet Vulcanus zich binnen een betrekkelijk korte cyclische periode weer gaan vertonen. Zelfs nu, terwijl ze in het algemeen onzichtbaar is door wat we haar etherische toestand kunnen noemen, zou men haar – als men met een telescoop naar haar zoekt – onder gunstige omstandigheden kunnen zien als ze de zonneschijf passeert.

Op 26 maart 1859 namen astronomen een donker hemellichaam waar dat zich voorbij de zonneschijf bewoog; dat lichaam is sindsdien echter niet meer gezien. Toch zijn er andere redenen, zoals de afwijkingen in gedeelten van de baan van Mercurius, die sommige astronomen ervan hebben overtuigd dat er werkelijk een binnenplaneet van Mercurius bestaat. Vulcanus is in zekere zin psychisch de hoogste van de zeven heilige planeten, hoewel ze niet de kleinste dichtheid heeft.

Wat de planeet Mars betreft, haar fysieke bol is jonger dan de aarde, maar op dit moment verkeert ze in obscuratie. Ze is meer dan alleen ‘in slaap’, want de overgrote meerderheid van haar levende entiteiten heeft zich naar hogere bollen van de planeetketen Mars begeven. Bepaalde wezens bleven daar echter achter toen haar bol D in obscuratie ging. Dat zijn de sishta’s, ‘overblijvers’, d.w.z. degenen die op een planeet dienen als levenszaden, totdat de terugkerende levensgolf in het volgende bolmanvantara deze wachtende lichamen vindt, die gereed zijn om in gebruik te worden genomen. Op het ogenblik hebben de vitale essenties van de planeetketen Mars haar fysieke bol D verlaten, omdat ze hun derde ronde daarop hebben beëindigd en naar haar andere bollen zijn gegaan. Er is een mysterie verbonden aan Mars en daarom noemt HPB in een bepaalde passage* over de zeven heilige planeten er slechts vier (Saturnus, Jupiter, Mercurius en Venus) en zinspeelt alleen op drie andere. Evenals de zon en de maan, die plaatsvervangers zijn voor twee verborgen planeten, behoort Mars – tot op zekere hoogte – tot die categorie.

*De Geheime Leer, 1:635.

Vaak komt het onderwerp naar voren of er leven is op de verschillende planeten van ons zonnestelsel, d.w.z. diverse rijken die overeenkomen met de rijken op aarde. Hoe zou er zoiets als materie kunnen zijn zonder leven? Hoe zouden de samenstellende elementen van een entiteit of wezen bijeen kunnen blijven als er niet een eenmakende en samenbindende energie zou zijn? Die energie is leven. De stof zelf is verdicht leven, vast geworden elektriciteit, en elektriciteit is slechts een vorm van leven. Er bestaat nergens zoiets als levenloze substantie. Er is niet eerst stof en dan leven als de tere vrucht daarvan, maar het leven komt eerst, universeel leven; en de stof verschijnt slechts nu en dan als een paddestoel die plots uit de grond opschiet.

Op onze kleine hoop stof die we aarde noemen, zien we niets dan materie, die in werkelijkheid het meest onsubstantiële is dat het intellect zich kan voorstellen. Wij geven er de belangrijkste plaats aan als de basis van het heelal, terwijl de stof in werkelijkheid maar een voorbijgaande fase van het leven is. Bedenk eens wat stof is, voornamelijk gaten, holten, lege ruimten, niet meer dan een spel van kosmische energieën, schuim op de Wateren van de Ruimte en even onbestendig en vergankelijk. Leven-Bewustzijn-Substantie, het kosmische drietal, is één: geen drie dingen, geen drie essentiële entiteiten, maar één met drie gezichten.*

*Deze gedachte vormt de basis van de christelijke drie-eenheid: niet drie goden, maar één God, en toch in werkelijkheid drie ‘personen’ – wat een feit is als men het goed begrijpt, maar een dwaas woordenspel als het niet wordt begrepen.

Op alle planeten zijn er levensfasen, net als hier op onze eigen planeet, de ouder van onze fysieke lichamen. Op elk ervan is of komt er een opeenvolgende reeks van opklimmende graden van entiteiten: drie elementalenrijken, een mineralenrijk, iets dat overeenkomt met ons plantenrijk, en ook iets overeenkomend met ons dierenrijk, en op enkele van de planeten een rijk dat overeenkomt met de mensheid. Want het leven zelf is overal omdat het de basis van de dingen is: het is zwaartekracht, het is samenhang, gedachte, lichaam, geest, verstand, ego – het is alles. De Geheime Leer (1:163) zegt het als volgt:

De grootste verwaandheid van onze tijd is dat men weigert toe te geven dat er in het hele zonnestelsel andere redelijk denkende wezens op het menselijke gebied zijn dan wijzelf. De wetenschap heeft alleen het recht te beweren dat er geen onzichtbare intelligenties onder dezelfde omstandigheden als wij leven. Ze kan niet zomaar de mogelijkheid ontkennen van het bestaan van werelden binnen werelden, onder omstandigheden die volkomen verschillen van die in onze wereld, noch kan ze ontkennen dat er een zekere beperkte communicatie kan bestaan tussen sommige van die werelden en de onze.

En verder in Deel 2 op blz. 798, voetnoot:

Geen enkel atoom in de hele Kosmos is zonder leven en bewustzijn; hoeveel te meer geldt dat dan voor zijn machtige bollen? – hoewel zij verzegelde boeken blijven voor ons mensen die zelfs in het bewustzijn van de levensvormen die het dichtst bij ons staan nauwelijks kunnen binnendringen?

Mensen zijn maar al te zeer geneigd te denken dat het leven op andere planeten (als men al erkent dat het bestaat) net is als op aarde, zodat de ‘mensen’ op Jupiter bijvoorbeeld lichamen van menselijk vlees zouden hebben en onze soort lucht zouden inademen. Enig nadenken toont aan dat zo’n gevolgtrekking onzinnig is. De bewoners van de andere planeten – planeten die nu bewoond zijn – moeten vormen hebben die nauw verband houden met, en door evolutie zijn aangepast aan hun planeet. Ze zouden inderdaad een grote verscheidenheid tonen en we zouden misschien niet zo gemakkelijk accepteren dat deze wezens intelligentie, gevoel en bewustzijn hebben. Sommigen zijn misschien plat, anderen bolvormig en weer anderen lang; de bewoners van Mercurius lijken misschien nog het meest op ons, terwijl die van Jupiter waarschijnlijk het meest van ons in vorm verschillen. De bewoners van Venus, die op het ogenblik een bewoonde planeet is, zijn astraal en eivormig. Venus staat hoger dan de aarde: zowel in natuurlijke als spirituele zin. De bewoners van sommige planeten bewegen zich zwevende, terwijl die van andere planeten van onze zonnefamilie zich helemaal niet bewegen: ze zijn statisch, ongeveer zoals de bomen bij ons, en toch zijn het hoogst intelligente, bewuste wezens.

De bewoners van andere planeten zouden ons als monsters voorkomen, eenvoudig omdat ons begrip te zwak is om de geschiedenis van hun evolutie te vatten – en feitelijk begrijpen wij wat dat betreft zelfs de geschiedenis van onze eigen evolutie niet. Aan de andere kant zouden wij mensen van de aarde, bijvoorbeeld, de bewoners van Mercurius ontwikkelde beesten toeschijnen, weerzinwekkend van vorm en afschuwelijk door de manier waarop we van onze vermogens gebruikmaken.

De bewoners van Jupiter zijn veel etherischer in hun fysieke bouw en weefsels dan die van de aarde of van Venus, maar veel minder ontwikkeld dan beide. We zouden ze kunnen beschrijven als lucht- of vuurvormig; reusachtige wezens die zich op hun eigen planeet even volmaakt thuis voelen als wij op de onze. De omstandigheden op Jupiter zijn zoals die heersen op een planeet die door een fase van evolutie gaat die de Ouden het ‘element vuur’ zouden hebben genoemd. Ze heeft nu echter dat stadium bijna voltooid en is zeer dicht genaderd tot de kritieke lijn die dat scheidt van het element lucht.*

*Vgl. De Mahatma Brieven, blz. 181:
‘Uw wetenschap heeft, dacht ik, een theorie dat als de aarde plotseling naar bijzonder koude gebieden zou worden verplaatst – bijvoorbeeld door van plaats te verwisselen met Jupiter – al onze zeeën en rivieren plotseling in vaste bergen zouden veranderen; de lucht – of beter gezegd, een deel van de ijle substanties die haar samenstellen – zou door de afwezigheid van warmte uit haar onzichtbare fluïdische toestand worden omgezet in vloeistoffen (die nu op Jupiter bestaan, maar waarvan men op aarde geen idee heeft). Stel u de omgekeerde toestand voor, of probeer u die in te denken, en u heeft de toestand zoals die op het ogenblik op Jupiter bestaat.’

Er zijn enkele wonderlijke mysteries verbonden met Jupiter. Het is een van de minst dichte planeten van ons zonnestelsel en wordt wat fysieke ijlheid betreft alleen overtroffen door Saturnus. Fysiek gesproken lijken veel van haar eigenschappen sterk op die van de zon; in feite is Jupiter een kind-zon, in de zin van een ‘kleine’ zon. Er is vloeistof op Jupiter, maar van een soort die in onze laboratoria niet zou worden herkend. We zouden de alchemie moeten bestuderen en haar beginselen goed moeten kennen om de eigenschappen van deze Jupiter-vloeistof te begrijpen. De atmosfeer van Jupiter is zeer zwaar en zeer dicht vergeleken met die van de aarde. Ze heeft een betrekkelijk zware kern, maar van vloeibare aard.

Het licht dat we van Jupiter ontvangen is bijna geheel en al weerkaatst zonlicht; maar het is in geringe mate ook het gevolg van de gloeiing van die planeet. Dit gloeien komt echter niet door haar hoogontwikkelde stadium, maar is toe te schrijven aan haar vurige aard. Met andere woorden, haar eigen licht heeft een fysieke oorzaak, terwijl het licht van planeten zoals Venus in zekere mate te danken is aan een aurisch licht dat zijzelf uitstralen.

In een van zijn brieven aan A.P. Sinnett* spreekt KH over de krachtige invloed van een raja-zon op Jupiter; en over het feit dat deze zon nog niet is wat de astronomen als een fysiek lichaam zouden beschouwen. Als ze hem met behulp van hun instrumenten zouden kunnen zien, zouden ze hem waarnemen als een punt dat praktisch geen afmetingen heeft – een layacentrum voorzover het het fysieke gebied van ons zonnestelsel betreft, en toch is deze raja-zon zeer veel groter in omvang dan Jupiter. Hun nauwe band is van grote invloed op het vraagstuk van de zogenaamde ‘fysieke kenmerken’ van het oppervlak van Jupiter, in het bijzonder de dichte, verhullende deken van ‘damp’ die haar volgens de astronomen zou omgeven.

*Vgl. De Mahatma Brieven, blz. 181:
‘Ons hele stelsel verandert onmerkbaar van plaats in de ruimte. Omdat de relatieve afstand tussen de planeten steeds gelijk blijft, en op geen enkele manier wordt beïnvloed door de verplaatsing van het hele stelsel, en omdat de afstand tussen dit laatste en de sterren en andere zonnen zo onmetelijk is dat er in honderden, ja duizenden jaren slechts weinig, zoal enige, waarneembare verandering wordt teweeggebracht, zal geen astronoom deze met de telescoop waarnemen vóór Jupiter en nog enkele andere planeten, waarvan de kleine lichtpunten nu miljoenen en miljoenen sterren (op 5.000 of 6.000 na) voor ons gezicht verbergen, ons plotseling een kijkje geven op enkele raja-zonnen die zij nu verbergen. Er staat zo’n koningsster precies achter Jupiter, die geen sterfelijk oog in deze, onze ronde ooit heeft gezien. Zou ze wel kunnen worden waargenomen, dan zou ze door de beste telescoop, met een sterkte die haar middellijn tienduizend keer vergroot, toch een klein puntje zonder afmeting lijken, dat door de helderheid van elke planeet in de schaduw wordt gesteld; niettemin is deze wereld duizenden keren zo groot als Jupiter. De heftige beroering van haar atmosfeer en zelfs haar rode vlek die de laatste tijd de wetenschap zo nieuwsgierig maakt, zijn het gevolg – (1) van die verplaatsing en (2) van de invloed van die raja-ster. Op haar huidige plaats in de ruimte, hoe onwaarneembaar klein ze ook is, zetten de metaalachtige substanties waaruit ze in hoofdzaak is samengesteld uit en gaan langzamerhand over in een ijl fluïdum – de toestand van onze eigen aarde en haar zes zusterbollen vóór de eerste ronde – en gaan deel uitmaken van haar atmosfeer.’

Men moet bedenken dat elke bol van een planeetketen tijdens zijn bolmanvantara door een dikke sluier van meteoorstof is omgeven; deze is grotendeels zeer fijn verdeeld, maar een deel ervan bestaat uit min of meer grote stukken. Neem Venus bijvoorbeeld, of Mercurius: elk is omgeven door haar eigen sluier van meteoorstof, die in één opzicht als stootkussen werkt en zo een bescherming vormt voor de planeet. Daarom zien we niet het ware gezicht van Venus of Mercurius. Bol D van Mars – die we zien – heeft op dit moment niet zo’n sluier, omdat de vitale essentie van die planeetketen bol D heeft verlaten en naar haar hogere bollen is overgegaan.

De sluier van meteoorstof is het toneel van zeer sterke elektromagnetische krachten die voortdurend actief zijn. Dit ‘meteorische continent’ dat onze eigen bol omgeeft, is verantwoordelijk voor ongeveer zeventig procent van onze warmte. Uit het hart van de zon emaneren krachten die de meteorische sluier bereiken die de aarde omgeeft, en wekken elektromagnetische stromen op die een deel van onze meteorologische verschijnselen voortbrengen. Zulke dingen als stormen worden veelal veroorzaakt door elektromagnetische actie en reactie tussen de inherente prana of de levenskrachten van de aarde en haar meteorische continent – een feit waar KH in dezelfde brief (blz. 175) op wees toen hij schreef dat ‘elke atmosferische verandering en verstoring is toe te schrijven aan het gecombineerde magnetisme van de twee grote massa’s waartussen onze atmosfeer wordt samengedrukt.’

Er is een nauwe analogie tussen de spoel van een dynamo en de aarde die draait binnen het haar omgevende continent van kosmisch stof. Zoals gezegd zijn de grote klimatologische veranderingen op aarde, zoals ijstijden, een rechtstreeks gevolg van dit continent van kosmisch stof. Zelfs zulke dingen als stormen, onweer, en zware regens, het noorderlicht en het zuiderlicht, en de veranderingen in temperatuur, kunnen in laatste instantie worden teruggevoerd tot de elektromagnetische uitwisselingen tussen de aarde zelf en dit bolvormige continent of deze sluier van meteoorstof.

De geheimen van de ware aard, bouw, kenmerken en bewegingen van de planeten van ons zonnestelsel zijn nog niet ontdekt. Eens zullen de astronomen tot de ontdekking komen dat deze bewegingen, zoals men ze nu begrijpt, grotendeels mayavisch, illusoir zijn, hoe vreemd dat misschien ook klinkt.

 


Bron van het occultisme, blz. 362-73

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag