Levensgolven en de binnenronden
Iedere spirituele individualiteit moet een gigantische
evolutiereis maken, een ontzaglijk lange rondreis volbrengen. Ten
eerste – vanaf het vroegste begin van de grote mahamanvantarische
rondwenteling moet de monade, op elk van de mensdragende planeten,
van de eerste tot de laatste, zeven opeenvolgende mensenrassen doorlopen.
. . . Elk van de zeven rassen vertakt zich vanuit de hoofdtak in zeven
zijtakken: en de mens moet beurtelings door elk van deze
evolueren voor hij naar het eerstvolgende hogere ras overgaat; en
dat – zevenmaal. . . . De zijtakken stellen uiteenlopende
mensensoorten voor – fysiek en spiritueel – en niemand
van ons kan ook maar één sport van de ladder overslaan.
. . . Bedenk alstublieft dat als ik het over de ‘mens’
heb, ik een mens van ons type bedoel. Er zijn talloze andere manvantarische
ketens van bollen – zowel in als buiten ons zonnestelsel –
die door intelligente wezens worden bewoond die de kroon of het hoogtepunt
zijn van het evolutionaire bestaan op hun respectieve ketens, waarvan
sommigen – fysiek en verstandelijk – lager, en anderen
onmetelijk veel hoger staan dan de mens van onze keten.
– De Mahatma Brieven,
blz. 129-30
De binnenronde is de reis die de evolutionaire levensgolven
of families van monaden rond de bollen van een planeetketen maken. Er
zijn twaalf van zulke levensgolven die van bol tot bol gaan, maar we
zullen hier onze opmerkingen beperken tot een beschouwing van de zeven
rupa- of gemanifesteerde bollen, of ronden, of levensgolven, enz., en
de hoogste vijf of arupa-bollen met hun levensgolven buiten beschouwing
laten. Elk van de zeven planetaire levensgolven gaat dus tijdens de
reis van de eerste tot de laatste bol van de zeven achtereenvolgens
door elke bol, beginnende bij A en eindigende bij G.
Op elke bol maakt de evolutiegolf zeven kringlopen
of rondgangen en elk daarvan is een wortelras. Op elke bol van de planeetketen
beginnen deze zeven wortelrassen in het laagste en eindigen in het hoogste
evolutiestadium. Wanneer de levensgolf overgaat van de ene naar de andere
bol in een ronde, is er tussen elke twee bollen een periode van betrekkelijke
rust, die van te lage aard is om een nirvana, en van te hoge om devachanisch
te worden genoemd; deze periode tussen de bollen duurt ongeveer één
tiende van de tijd die op elk van de zeven bollen in iedere ronde wordt
doorgebracht.
De ronden betekenen ook veranderingen in bewustzijn
als de menigten menselijke entiteiten van bol tot bol gaan, hetzij op
de neergaande of schaduwboog, of op de opgaande of lichtende boog. Elke
overgang van bol naar bol betekent òf een verdere afdaling in
het stoffelijke bestaan, òf een verdere opklimming uit het stoffelijke
bestaan naar een spirituelere toestand en dus naar een spirituelere
bol. Toch is een ronde ook de werkelijke reis van de menigten entiteiten
van de ene bol naar de volgende, ongeveer zoals de trek van vogels.
Wanneer vogels aan hun trek beginnen, stijgen ze eerst op in de lucht,
zwermen dan een tijdje rond, volgen daarbij een leider die tenslotte
de koers vindt, en dan vertrekken ze. Ze verlaten de oorden waar ze
hebben geleefd om pas terug te keren wanneer daarvoor het juiste seizoen
is aangebroken. Zwerm na zwerm vogels vliegt zo naar andere delen van
de aarde; en op bijna dezelfde manier trekken de families van entiteiten
die aan het eind van de bolronde op onze bol wonen naar de volgende
en hogere bol van de planeetketen. In alle gevallen is het werkelijk
een reis, hoewel het tegelijk ook een verandering van bewustzijn betekent.
De menselijke levensgolf is niet de enige die zeven
keer de planeetketen rondgaat van bol A naar bol G. Er zijn verschillende
andere evolutionaire levensgolven die elkaar in de tijd en dus ook in
de ruimte opvolgen. Wanneer onze menselijke levensgolf haar zevende
ras op aarde zal hebben bereikt in deze vierde ronde, en na de rustperiode
tussen de bollen naar bol E zal zijn gegaan, dan zal na een korte tijd,
kosmisch gesproken, haar plaats op bol D worden ingenomen door een andere
levensgolf die uit een menigte evoluerende monaden bestaat; en dat gebeurt
voordat wij als levensgolf ons verblijf op bol E hebben beëindigd.
Zoals al is gezegd zijn er zeven hoofdklassen van
monaden in zeven verschillende stadia of graden van evolutionaire groei.
De hoogste treedt, als ze haar reis op een nieuwe planeetketen begint,
bol A binnen – die door de drie klassen van elementalen al in
de ruimte om een layacentrum was gevormd – en begint daarin te
helpen aan de opbouw van die bol. Wanneer het werk van deze monadische
klasse op bol A is voltooid, in zeven rondgangen of wortelrassen, komt
de tweede klasse van monaden die begint te bouwen op het fundament dat
door de eerste monadische klasse is gelegd.
Intussen begint deze eerste klasse van monaden over
te gaan naar de volgende bol op de neergaande boog, bol B. Wanneer de
tweede klasse van monaden op bol A haar evolutiereis heeft beëindigd,
die uit zeven kringlopen of wortelrassen bestaat, wordt ze opgevolgd
door de derde klasse van monaden, terwijl de tweede klasse verdergaat
naar bol B. De tijdsperioden van evolutie zijn zo nauwkeurig op elkaar
afgestemd op de kosmische klok, dat wanneer dit gebeurt, de eerste klasse
van monaden haar werk op bol B heeft beëindigd en omlaag zal gaan
naar bol C; en zo verder langs de hele keten van zeven bollen, waarbij
alle zeven klassen van monaden elkaar successievelijk opvolgen. Elke
bol heeft een bepaalde rustperiode voordat een volgende evolutionaire
levensgolf aankomt.
Over de entiteiten of rondgaande levensgolven van
die bollen die hoger zijn dan onze bol D, is het misschien interessant
hier op te merken dat de ‘dieren’ op de bollen F en G en
bijna ook op bol E meer dan honderd keer zo hoog staan als de mensen
op deze aarde, omdat deze bollen op de opgaande boog zoveel verder geëvolueerd
zijn – dit betreft zowel de soorten entiteiten die daar leven
als hun spirituele niveau.
Elke klasse van monaden laat, als ze overgaat naar
de volgende bol, sishta’s of overblijvers achter als zaden voor
de volgende ronde, die zullen dienen als de eerste voertuigen voor de
eerst binnenkomende monaden op die bol. De levensgolven hebben, nadat
ze de keten in die ronde hebben doorlopen, hun nirvana tussen de bollen
G en A, en beginnen dan aan de volgende manvantarische ronde.
In een van zijn brieven aan A.P. Sinnett noemde
KH een ronde ‘de doorgang van een monade van bol ‘A’
naar bol ‘Z’ (of ‘G’) via de belichaming in
elk van de vier rijken, te weten als een mineraal, een plant, een dier
en een mens ofwel het devarijk’. De formulering ‘van bol
‘A’ tot bol ‘Z’ (of ‘G’)’
is van grote betekenis, want die geeft een aanwijzing voor het bestaan
van meer bollen dan de gemanifesteerde zeven.* Omdat het voor de mensen
van die tijd moeilijk was zelfs het idee van zevenvoudigheid te begrijpen,
was HPB genoodzaakt het bestaan van de hogere vijf bollen van een keten
verborgen te houden, behalve voor de intuïtieven.
*De Mahatma Brieven, blz. 89.
Een monade is in haar kern een monadische essentie,
een blijvende entiteit. De uitspraak dat de monade in haar evolutionaire
ontwikkeling van onzelfbewuste godsvonk tot zelfbewuste godheid door
elk van de rijken moet gaan, betekent niet dat deze rijken er zijn voordat
de monaden waaruit ze bestaan ze tot aanzijn brachten. Het betekent
veeleer dat de levensgolf van monaden zich aanvankelijk tot uitdrukking
brengt als het eerste rijk van de elementalen, vervolgens als het tweede
en dan als het derde elementalenrijk; dan gaat ze verder als het mineralen-,
planten- en dierenrijk en als het zevende, het mensen- of devarijk,
en tenslotte als de drie klassen van de dhyani-chohanische rijken. Wanneer
deze rijken eenmaal op aarde, of op een andere planeet of hemelbol zijn
gevestigd, bestaat het vruchtbare terrein waarop de evolutie zich kan
voortzetten; en op dat terrein komen en gaan de monaden tijdens hun
omzwervingen.
De eerste ronde wordt gekenmerkt door het in de
evolutie feitelijk verschijnen van de bollen; de vijf voorbereidende
stadia van vorm-ontwikkeling waren het werk van de drie klassen van
elementalen en van de twee oorspronkelijke vóór-elementale
stadia. Tijdens deze ronde moesten de monaden van de grond af het hele
fundament bouwen waarop de latere bovenbouw kon worden opgetrokken.
Daardoor werden ze de monaden die de embryonale bollen van de schaduwachtige
bolketen vormden, omdat ze zelf de bouwers waren. Alle klassen van monaden
moeten zonder uitzondering bij het begin beginnen en alle ervaringen
in die eerste ketenronde tot het einde toe doormaken. Hierdoor ontstaan
de tien klassen van monaden die op die manier samenwerken bij de bouw
van de bollen; en aan het einde van zo’n eerste ronde hebben ze
de twaalf bollen in hun embryonale vorm of gedaante geformeerd.
Na de eerste ronde wordt de manier waarop
de monaden de bollen binnengaan vanzelfsprekend gewijzigd, omdat de
sishta-voertuigen sinds de voorafgaande ronde al op hen wachten en de
monaden zich daarin slechts hoeven te belichamen zonder hun lichaam
van de grond af te moeten opbouwen, zoals in de eerste ronde moest worden
gedaan. In werkelijkheid is er echter geen verandering, het is veeleer
een weer opvatten van hun evolutionaire ontwikkeling op een bol op het
punt waar die was gebleven toen een bepaalde familie of levensgolf van
monaden die bol gedurende de vorige ronde had verlaten – geen
wijziging in methode, maar slechts een voortzetting van de evolutie
in lichamen die al wachtten.
De diverse rijken, van het elementalen- tot het
dhyani-chohanische rijk, komen dus in de eerste ronde tot aanzijn; en
bij het verlaten van een bol van de planeetketen laten ze sishta’s
achter, om de tweede ronde van dezelfde levensgolven af te wachten.
Nadat het overgrote deel van de levensgolf is vertrokken om de volgende
bol te gaan bewonen, blijven er dus op elke bol sishta’s achter
van alle verschillende klassen van monaden.
De eerste levensgolf die het layacentrum bereikt
dat bol A zal worden, bevat in zichzelf alle andere levensgolven; als
dus de eerst binnenkomende levensgolf haar zeven ringen of wortelrassen
op bol A heeft doorlopen, ontvouwt ze uit zichzelf de tweede levensgolf,
die haar plaats inneemt, en gaat het surplus van de eerste levensgolf
over naar bol B. Dit surplus – dat niet de projectie maar veeleer
het bol-B-aspect ervan is – moet niet worden gezien als slechts
een overvloed van levenskracht, want het hogere bevat altijd in zich
wat het op een lager gebied ontplooit. Dit levenssurplus bestaat immers
in werkelijkheid uit een stroom rondtrekkende monaden in allerlei stadia
of graden van evolutionaire ontwikkeling die, als eenheid beschouwd,
inderdaad een stroom van leven is. Dit betekent dat iedere overgang
van een levensgolf van de ene bol naar de volgende op het geschikte
kosmische manifestatiegebied die kenmerken en eigenschappen tevoorschijn
brengt die onmogelijk in de voorafgaande bol konden worden ontwikkeld.
Binnen de eerste bol zijn alle andere bollen dus bij wijze van spreken
ingekapseld*, omdat ze niet tot bestaan konden komen tenzij ze in de
eerste lagen besloten. We hebben dus zeven soorten levenssurplus die
bol A vormen, zes die bol B vormen, vijf die bol C vormen, en zo de
keten rond.
*In de middeleeuwen bestond er een vreemde theorie
die men niet begreep en die door de wetenschap was verworpen. Men
noemde die inkapseling. Het idee was dat Moeder Eva in de Hof van
Eden, ingekapseld in haar schoot alle zaden van de mensheid bewaarde,
die ze doorgaf aan haar kinderen, en de families daarvan bewaarden
op hun beurt in ingekapselde vorm de zaden van toekomstige generaties,
die ze weer doorgaven aan hun kinderen, enz. Wanneer we dit op de
juiste manier interpreteren, is dat precies wat HPB bedoelde toen
ze in De Geheime Leer (1:251), sprak over het ongewijzigde
kiemplasma – de theorie van Weismann.
Ook hier hebben de christenen de esoterische leer geantropomorfiseerd
en dus verminkt. In feite kwam niet alleen het dierenrijk voort uit
de oorspronkelijke mens, de ’Adam-Qadmon, maar ook het planten-
en het mineralenrijk en zelfs de drie elementalenrijken. Ze waren
alle in hem ingekapseld en hij bracht ze voort.
Op precies dezelfde manier kwamen de dieren tot
aanzijn uit het mensenrijk – het levenssurplus dat tevoorschijn
kwam uit het menselijk reservoir. De menselijke afstammingslijn zet
zich in haar genetische zuiverheid voort, hoewel ze van eeuw tot eeuw
evolueert, en werpt intussen de soorten af die zich in onontwikkelde
toestand daarin bevonden, lagere stadia dan het menselijke, en elke
eenheid van een dergelijk lager surplus is een lerende entiteit, bestemd
om in een toekomstig tijdperk het menselijke stadium te doorlopen. Dit
heeft betrekking op het ontwikkelingsproces dat op de neergaande boog
plaatsvond; maar wanneer het laagste punt van de boog is bereikt, houden
evolutie en emanatie op en begint het tegenovergestelde proces van involutie
langs de opgaande boog. De ‘uitademing’ op deze kleinere
schaal eindigt en de ‘inademing’ begint.
Elk zaad is het lichaam van een evoluerende entiteit,
van een psychisch levensatoom, een elementaal. Natuurlijk heeft ieder
levensatoom in essentie alles in zich wat een mens of een god
in zich heeft. Toch kan geen enkel levensatoom op enig gebied meer tot
uitdrukking brengen dan zijn tot op dat moment ontwikkelde vermogens
toelaten, net zomin als een mens op dit ogenblik een god kan zijn, omdat
hij de god in zich nog niet heeft ontwikkeld. Iedere levende cel, iedere
voortplantingscel, in het menselijk lichaam bevat latent niet alleen
de mogelijkheid tot het goddelijke maar ook een groot aantal lagere
quasi-psychische levensimpulsen die, als ze tot uitdrukking konden komen,
een lager schepsel zouden voortbrengen, of dat nu een olifant, een giraffe,
of een of andere ‘speling’ van de natuur is. In de mens
van deze tijd brengen zulke cellen geen nieuwe levende soorten tot ontwikkeling,
omdat de evolutionaire drang voor de rest van deze ronde is uitgewerkt
en involutie zijn plaats heeft ingenomen.
De uitdrukking levenssurplus kan eveneens worden
gebruikt in verband met de groei van een zaad tot een plant. Uit het
zaad stroomt het levenssurplus, in technische zin, dat het
zaad bevat: eerst de groene loot, dan de stam, takken en bladeren, en
tenslotte de vruchten die nieuwe zaden voortbrengen. Surplus betekent
hier dat wat tevoorschijn stroomt uit wat binnenin is opgesloten. De
groei van een mens uit een menselijke kiem is ook illustratief voor
dit proces: uit het zaad komt het embryo, dat in de wereld komt als
een kind en opgroeit tot volwassenheid, door van binnenuit de tot dan
toe latente krachten en vermogens van denken en hart, de morele en spirituele
eigenschappen, te ontvouwen.
We zien dus dat het levenssurplus, nadat de levensgolven
bol A in een bepaalde ronde hebben gevormd, niet slechts bestaat uit
wat is overgebleven in de gewone zin van het woord, maar in feite het
grootste deel is, het onmetelijke leven, de eigenschappen, krachten
en vermogens die opgeslagen liggen in bol A en die zich daar niet kunnen
manifesteren omdat het niet hun terrein is, en daarom dalen ze verder
af en brengen ze bol B, het volgende stadium, tot ontwikkeling. Wanneer
bol B in zekere mate is ontplooid in de eerste ronde, daalt hetzelfde
levenssurplus verder af en ontvouwt bol C. En zo verder de keten rond.
Wanneer de eerste ronde is voltooid, is er geen
sprake meer van een evolutie van wat innerlijk aanwezig is, van het
ontrollen van ongemanifesteerde bollen, omdat die nu ten tonele
zijn verschenen. Ze zijn er. En wanneer de levensgolven de keten opnieuw
betreden voor de tweede en alle daaropvolgende ronden, volgen ze slechts
de uitgestippelde wegen; natuurlijk evolueren ze, ontwikkelen ze het
levenssurplus in zichzelf, maar niet meer voor de bouw van de keten,
behalve als een verdere verbetering van de vroegere stadia.
Dit levenssurplus is precies wat de oude stoïcijnen
bedoelden toen ze spraken over de geest die vanuit zichzelf het volgende
element of gebied in de kosmos ontrolt dat, laten we zeggen, aether
was; en toen geest en aether zich hadden ontrold, daalde het levenssurplus
af en vormde het het derde, of spiritueel vuur; en vervolgens: lucht,
water, aarde. Hierna was het heelal voltooid.
Als de eerste ronde is geëindigd, zijn alle
bollen, of anders gezegd, de woningen of huizen van de planeetketen,
gevormd op het hoogste subgebied van hun eigen kosmische gebied van
het zonnestelsel. Vanaf dat moment bestaan alle volgende ronden,
tot de zevende of laatste toe, uit de verschillende circulerende
groepen monaden, die de woningen en huizen en levensomstandigheden binnentrekken
die gereed zijn en die wachten op alle klassen van monaden zoals ze
beurtelings op een bol verschijnen.
Wanneer in de eerste ronde de twaalf embryonale
bollen van deze schaduwketen zijn gevormd, waarop de aldus gebouwde
voertuigen leven volgens een door herhaling gevormde gewoonte, is de
weg voor de reizende pelgrim-monaden vertrouwd, zodat bij elke nieuwe
verschijning van de levensgolf de gang door de lagere gebieden steeds
sneller verloopt. Wanneer daarom een monade eenmaal haar vermogens en
krachten uit zichzelf heeft ontwikkeld, zodat ze zich kan manifesteren
als een mens, gaat ze in een latere cyclus heel snel door de lagere
rijken heen. Een volmaakte analogie hiervan zien we in de groei van
het microscopisch kleine menselijke zaad van embryo en foetus tot aan
de volwassenheid. Het reïncarnerende ego is niet zelfbewust actief
in het embryo, maar wordt zelfbewust op dit menselijke gebied wanneer
het kind voor het eerst tekenen van intelligentie en van innerlijke
vermogens vertoont. Hetzelfde geldt voor de tien of zeven klassen van
monaden als ze de diverse rijken doorlopen.
De monaden – die wij in essentie zijn –
hebben nu op hun evolutiereis een punt bereikt waarop de voortgang weer
traag en moeilijk wordt, omdat we overgaan van het menselijke naar het
goddelijke stadium. Dhyani-chohanschap is het volgende grote stadium
dat we zullen bereiken, wanneer de monade van ieder van ons meer en
meer van de goddelijke vermogens en krachten in ons tevoorschijn brengt.
De mensheid zal in de eonen van de toekomst langzaam vooruitgaan naar
een edeler mensheid, en na verloop van tijd zullen er geen mannen en
vrouwen als zodanig meer zijn; we zullen slechts ‘mensen’
zijn op weg om goden te worden. Eerst worden we menselijke dhyani-chohans
en dan, aan het einde van de zevende ronde, zullen we onze planeetketen
aarde verlaten als volledig ontwikkelde dhyani-chohanische entiteiten.
Die wezens die zich op onze aarde nu tot uitdrukking
brengen in het mensenrijk, manifesteerden zich op de maan in het dierenrijk.
Wanneer de aarde zich weer belichaamt als een nieuwe planeetketen, zijn
wij mensen de dhyani-chohans of goden van die toekomstige planeet, die
het kind van deze aarde zal zijn. De wezens die nu in het dierenrijk
zijn, zullen op die planeet de mensen zijn; en omdat onze karmische
banden met dat rijk zeer nauw en hecht zijn, zal dat ook het geval zijn
op die toekomstige planeet.
Als onze mensheid de allerhoogste graad van ontwikkeling
heeft bereikt die op deze aarde mogelijk is, zal ze tevens het uiterste
hebben bereikt dat in deze reeks van zeven ronden mogelijk is. Maar
de aarde zelf zal aan het einde van de zevende ronde de stadia van de
dood doormaken en de maan van de volgende planeetketen worden. Deze
toekomstige keten zal het totaal van de menigten levensatomen omvatten
– spirituele, verstandelijke, psychische, astrale en fysieke –
die nu de twaalf bollen van onze huidige planeetketen bezielen.
De monadische essentie moet elke graad of toestand
van stof doorlopen die bij de planeetketen hoort waaraan ze is gebonden;
ze begint bij de spirituele, daalt af door de etherische en gaat tenslotte
door de stoffelijke stadia, voordat de monade weer aan haar reis omhoog
op de opgaande boog begint. Het doel hiervan is dat de monadische essentie,
hoewel in haar diepste wezen een god, ervaring zal opdoen in deze nieuwe
fasen van evolutie van de levensstroom. Maar dat deel van de monadische
essentie dat deze ervaring verwerkt, is niet de monade zelf, maar veeleer
een projectie ervan die het ego wordt genoemd, een onvolmaakt ego dat
uit de vorige planeetketen is overgekomen.
Om te recapituleren: de monade moet aan het begin
van iedere wederbelichaming van een planeetketen – omdat ze eeuwig
een deel is van die keten, hoewel de keten zelf evolueert – door
alle lagere rijken heengaan en zo helpen om ze vorm te geven. In de
tweede ronde gaat ze veel sneller door deze rijken heen omdat de weg
gereed is. In de derde ronde beweegt ze zich nog sneller door de lagere
rijken, maar langzamer in de hogere. Op precies dezelfde manier is het
voor het reïncarnerende ego noodzakelijk de moederschoot in te
gaan als een levensvonk; en het moet alle stadia van de zwangerschap
doormaken, hoewel het zelf in essentie een spiritueel wezen is. Het
moet dit doen om een menselijk lichaam op te bouwen waarin het kan werken,
maar toch staat het gescheiden van het embryo, dat het met een deel
van zichzelf slechts tot leven wekt.
Als we aan de gang van de monade door de bollen
en tijdens de ronden denken als een proces van zwangerschap, dan kunnen
we zeggen dat de monade na het einde van de zevende ronde tenslotte
in haar eigen etherische gebieden wordt geboren. Zoals gezegd: de ontwikkeling
van het embryo is een goede illustratie. Hier zien we dat een spiritueel
wezen in de moederschoot door alle rijken van de natuur moet gaan: het
mineralenrijk, het plantenrijk, het dierenrijk en tenslotte het mensenrijk,
vóór het voor zichzelf een lichaam kan opbouwen om op
dit gebied te werken. In de verre toekomst zal de menselijke monade
geen lichaam van vlees meer nodig hebben, maar omdat ze dan op zeer
etherische gebieden van de kosmos leeft, zal ze voor zichzelf dienovereenkomstige
etherische voertuigen vormen. Overigens zijn onze lichamen zelf ook
evoluerende wezens, die op hun beurt tenslotte monaden worden.
Wanneer het monadische ego zijn zeven ronden heeft
volbracht, verlaat het de planeetketen als een dhyani-chohan, een planeetgeest,
om een van het leger gidsen van de mensheid en de lagere entiteiten
van de volgende planeetketen te worden. In die nieuwe keten zullen deze
dhyani-chohans niet door alle toestanden van stof hoeven te gaan, behalve
in de eerste ronde. Wanneer de monadische ego’s, de monaden, door
de eerste ronde zijn gegaan, hebben ze voldoende ervaring opgedaan met
de nieuwe toestanden van stof om hun positie te aanvaarden als gidsen
en spirituele leiders van de menigten minder geevolueerde wezens die
na hen komen.
Deze minder geëvolueerde wezens moeten door
elke fase of graad van stoffelijke substantie van die nieuwe planeetketen
gaan; en de hoogste klasse van deze onvolmaakt geëvolueerde ego’s
zal op haar beurt, wanneer de zeven ronden van de toekomstige planeetketen
zijn voltooid, haar verlaten als dhyani-chohans. Intussen zullen wij
zijn overgegaan naar een nog verhevener bestemming dan die bijzondere
toestand van dhyani-chohanschap die we aan het einde van de zeven ronden
van onze huidige keten zullen hebben bereikt.
Natuurlijk verschillen de vele toestanden van stoffelijke
substantie zelf niet van de lagere monadische entiteiten die in en door
een planeetketen evolueren, maar zijn in feite de grote menigten monadische
wezens zelf. Stof per se is een illusie. De essentie van stof bestaat
uit de menigte monadische essenties die sluimeren of schijnen te sluimeren
in de diverse toestanden van stoffelijke substantie. Stof en de menigten
monaden zijn daarom één; en deze menigten monaden zijn
in de kern van hun wezen zuiver bewustzijn. Daarom heeft stof per se
geen werkelijk bestaan, maar is slechts het product van deze menigten
monadische essenties – een onderwerp dat zowel mysterieus als
verbazingwekkend is.
Alle zeven bollen van een planeetketen bestaan uit
deze werkelijk ontelbare legers van monaden in hun verschillende graden
van evolutionaire ontwikkeling. Het mineralenrijk op onze aarde, bijvoorbeeld,
is niets anders dan een menigte monaden die door juist dát bewustzijnsstadium
heengaan. Een wat hogere klasse van monaden vormt het plantenrijk en
een nog verder gevorderde werkt door het dierenrijk. Een nog meer ontwikkelde
menigte vormt het mensenrijk, waarboven het leger van dhyani-chohans
staat, die de mensen van de planeetketen van de maan waren.
Ook ons eigen lichaam is opgebouwd uit menigten
monaden die door die fase van hun evolutionaire groei gaan; want ons
lichaam is slechts een hoger dier. Het luisterrijke buddhische licht
dat uit het hart van de monade straalt, maakt de menselijke ziel tot
een groeiende, evoluerende entiteit – oorspronkelijk voortgekomen
uit de monade, maar bestemd om aan het einde van de zeven ronden van
deze planeetketen van een niet-zelfbewuste godsvonk op te bloeien tot
zelfbewuste goddelijkheid.
Samenvattend: er zijn door de eeuwen heen en gelijktijdig
drie evolutionaire levensstromen, hetzij in een kosmos, een zon, een
planeet, een mens, of een atoom. En dat zijn de spirituele, de psychomentale
of tussenliggende (wat in de mens de menselijke ziel is), en de astraal-vitaal-fysieke.
Fundamenteel zijn deze drie één – een drie-eenheid,
hetzelfde uiteindelijke leven, dezelfde uiteindelijke substantie; en
toch schenkt de hoogste het leven aan de tussenliggende, en de tussenliggende
brengt vanuit zichzelf zijn eigen kind tevoorschijn, de vitaal-astrale,
die op zijn beurt is belichaamd in de fysieke.
Drie en een halve ronde lang is de algemene neiging
van alle bollen van de planeetketen gericht op een hogere mate van verstoffelijking;
de tweede helft van de periode van zeven ronden is er een overeenkomstige
opgang naar dematerialisatie, een meer etherisch worden van alle bollen
en van al hun entiteiten, bewoners en dingen.
In de eerste ronde gaat de levensgolf door alle
bollen van A tot G, en de afdaling van de entiteiten vindt plaats via
de bollen A, B, C, en de helft van de levenscyclus van onze bol D. Dan
begint er een klim naar de spirituele rijken langs de opgaande boog
gedurende de tweede helft van de cyclus op bol D en langs de bollen
E, F en G. In de tweede en derde ronde herhaalt dit proces zich door
gebieden en werelden van een steeds stoffelijker soort en type. De vierde
ronde is de laatste ronde in het proces van verstoffelijking, en die
afdaling duurt tot het midden van de levensevolutie op onze bol D is
bereikt. Dan begint een tegengestelde beweging naar een steeds hogere
mate van ijlheid en wordt de vroegere geleidelijke afdaling van de voorafgaande
drie en een halve ronde vervangen door een algemene opgang.
We bevinden ons nu in de vierde ronde en zijn de
kritieke periode gepasseerd die viel in het vierde onderras van het
vierde wortelras op bol D in deze ronde. We zijn al begonnen aan de
weg omhoog, hoewel we onze bol van de vierde ronde nog niet hebben verlaten;
de volgende drie ronden houden weer een voortdurende en steeds geleidelijke
beweging naar het spirituele in. Toch vindt er in elk van de drie komende
ronden een afdaling plaats langs de bollen tot onze aarde is bereikt
en dan weer een stijging langs de overige bollen. Maar in iedere volgende
ronde zal de afdaling naar bol D van een wat hogere of meer spirituele
aard zijn dan in de eraan voorafgaande ronde.
We zien dus dat een bol zich ontwikkelt in een tweevoudig
proces van involutie en evolutie. Ze werken samen en tegelijk, waarbij
iedere stap in de evolutie tevens een stap is in de involutie. De elementale
krachten die de energieën van een planeetketen vormen als ze afdalen
naar de fysieke substantie zijn tegelijkertijd een involutie van de
geest en een evolutie van de stof, die zich voortdurend en tegelijk
voltrekken. Op de opgaande boog is er een involutie of verdwijning van
de stof en een evolutie van de geest, het tegengestelde van wat op de
neergaande boog plaatsvond. Het zijn slechts twee kanten van hetzelfde
proces. Er is geen evolutie los van involutie, en ook is er nergens
involutie los van evolutie. Daarom kunnen we niet zeggen dat vanaf de
tweede helft van de ontwikkeling van de vierde bol – onze aarde
– gevolgd door die van de bollen E, F en G en verder langs de
opgaande boog, evolutie de enige of zelfs overheersende eigenschap of
kracht is die bij de opbouw werkt. We kunnen alleen zeggen dat op de
opgaande boog geest evolueert en stof involueert, zoals op de neergaande
boog stof evolueerde en geest involueerde.
Elke entiteit leeft in het grotere leven en bewustzijn
van een andere entiteit, waaruit ze werd geboren. Niets bestaat voor
zichzelf alleen. Alles grijpt in elkaar en is verweven met iets anders,
met de vitaliteit, mentaliteit, spiritualiteit, wil en het lichaam van
een andere entiteit. Zoals wij mensen uit kleinere wezens bestaan, die
de levensatomen zijn die onze diverse voertuigen samenstellen, zo zijn
wij de levensatomen van een nog verhevener entiteit. Onze hogere eigenschappen
– het innerlijke licht, de innerlijke visie en vermogens, alles
wat tot ons spirituele deel behoort – vormen de structuur waar
het hogere bewustzijn van de monade doorheen stroomt. Toch evolueren
deze innerlijke eigenschappen zelf evengoed als de lagere. Dit is nauwelijks
te vatten, tenzij we de aard van het bewustzijn begrijpen dat de grondslag
vormt van de kosmische structuur. Al het andere – stof, energie,
verandering, vooruitgang, de slaap en de waaktoestand – zijn slechts
fasen of gebeurtenissen in dit wonderlijke verhaal van het bewustzijn.
Bron
van het Occultisme, blz. 389-400
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag