Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Sishta’s en manu’s


De meest ontwikkelde (de maan)monaden bereiken het menselijke kiem-stadium in de eerste ronde; ze worden tegen het einde van de derde ronde aardse, hoewel heel etherische mensen, blijven op de bol tijdens de ‘obscuratie’periode als het zaad voor de toekomstige mensheid in de vierde ronde, en worden zo de pioniers van de mensheid bij het begin van de huidige vierde ronde. Anderen bereiken het menselijke stadium pas tijdens latere ronden, d.w.z. in de tweede, de derde, of in de eerste helft van de vierde ronde. En tenslotte zullen de meest vertraagden, dat zijn diegenen die na het keerpunt in het midden van de vierde ronde nog gebruikmaken van diervormen, tijdens dit manvantara helemaal geen mensen worden. Zij zullen pas bij het afsluiten van de zevende ronde de grens van het mens-zijn bereiken, om na pralaya op hun beurt in een nieuwe keten te worden binnengeleid – door oudere pioniers, de voorvaderen van de mensheid, of de zaad-mensheid (sishta), namelijk de mensen die aan het einde van deze ronden aan het hoofd van allen zullen staan.    – De Geheime Leer, 1:211

Er is in de theosofische literatuur betrekkelijk weinig geschreven over de sishta’s, hun eigenschappen en de belangrijke rol die ze in de natuur spelen.

Het Sanskrietwoord sishta komt van de werkwoordswortel sish, achterlaten, achterblijven, zodat het voltooid deelwoord sishta, overblijfsel, achtergelaten, enz., betekent. Het is interessant dat sishta ook kan worden afgeleid van de werkwoordswortel sas, beheersen, regeren, onderwijzen, zodat dit verleden deelwoord sishta, beheerst, goed geregeld en zodoende geleerd, uitverkoren, wijs, enz., betekent, en daarom hoogste of voornaamste. Het is heel merkwaardig dat het voltooid deelwoord van elk van deze werkwoordswortels betekenissen heeft die de esoterische leer noemt als de kenmerkende eigenschappen van de sishta’s zelf.

De sishta’s zijn dus de hoogste vertegenwoordigers van een levensgolf, of anders gezegd van een monadische klasse, die op een bol van een planeetketen achterblijven wanneer die bol zijn periode van obscuratie ingaat. Wanneer een levensgolf haar zeven rassen op een bol heeft voltooid, gaat het overgrote deel ervan over naar de volgende bol tijdens de ronde, maar ze laat haar hoogste vertegenwoordigers achter en dat zijn de sishta’s, de overblijvers, die daar worden achtergelaten om diezelfde levensgolf, bij haar terugkeer naar dezelfde bol, te voorzien van de levenszaden die haar in staat stellen zich weer te vermenigvuldigen.

Men moet de sishta’s niet verwarren met de manu’s. In diverse passages van De Geheime Leer spreekt HPB over de manu die een begin maakt met de evolutie van een levensgolf op een bol en dan een wortel-manu is, en over de manu die achterblijft wanneer de levensgolf een bol verlaat en dan een zaad-manu is. Dit toont duidelijk aan dat de manu’s en de sishta’s zeer nauw verbonden zijn, zozeer zelfs dat ze in bepaalde opzichten identiek zijn; toch zijn ze niet over de hele linie identiek.

De levensgolven maken, zoals gezegd, na elkaar hun rondgang langs de bollen van de keten, zodat de eerste klasse die op het evolutietoneel verschijnt het eerste elementalenrijk is, en wanneer het zijn zeven ringen of wortelrassen heeft doorlopen, doet het tweede elementalenrijk hetzelfde, op zijn beurt gevolgd door het derde, en wanneer dit laatste zijn ringen heeft voltooid, verschijnen de monaden van het mineralenrijk om hun zevenvoudige kringloop te volbrengen; ze worden opgevolgd door het planten-, het dieren- en het mensenrijk en tenslotte door het eerste, tweede en derde rijk van dhyani-chohans.

Wanneer een van deze tien rijken een bol verlaat om over te gaan naar de volgende bol van de keten, laat het zijn meest volledig ontwikkelde individuen als sishta’s achter, en maakt de aldus verlaten bol een korte periode van obscuratie door, waarna hij ontwaakt voor het binnenstromen van de eerste vertegenwoordigers van de volgende levensgolf of het volgende rijk. Intussen blijven de sishta’s van het voorafgaande rijk op de bol achter tot de grote meerderheid van hun eigen levensgolf, die nu op haar ronde langs de andere bollen trekt, terugkeert; en dan voelen deze sishta’s de binnenkomst of invloed van hun eigen terugkerende levensgolf en reageren daarop door in aantal toe te nemen en verschaffen zo de voertuigen waarin het overgrote deel van de levensgolf zich na verloop van tijd zal belichamen als het eerste wortelras van de nieuwe ronde op die bol.*

*In haar tijdschrift The Theosophist (maart 1886, blz. 352; CW 7:44&vn) schrijft H.P. Blavatsky dat er in de Veda’s ‘wordt gezegd dat aan het einde van elk manvantara de pralaya volgt, of de vernietiging van de wereld waarvan er maar één bekend is aan en verwacht wordt door de christenen – en dat de sishta’s, of overblijvers, worden achtergelaten, zeven rishi’s en één krijger, en alle zaden, voor de volgende menselijke ‘vloedgolf van de volgende ronde’.’

In een voetnoot hierbij verklaart ze dat volgens de hindoes deze acht personen sishta’s worden genoemd, omdat ze de enige overgeblevenen zijn nadat alle anderen zijn vernietigd. Dan voegt ze eraan toe: ‘Dit is de orthodoxe zienswijze. De geheime zienswijze spreekt over zeven ingewijden, die het dhyani-chohanschap hebben bereikt tegen het einde van het zevende ras op deze aarde, die tijdens haar ‘obscuratie’ op aarde worden achtergelaten met het zaad van ieder mineraal, iedere plant en ieder dier, dat geen tijd had om tot mens te evolueren voor de volgende ronde of wereldperiode’.

Men zou een fout maken als men aanneemt dat deze sishta’s òf snel evolueren, òf evolutionair totaal geen vooruitgang maken, want beide veronderstellingen zijn onjuist. Hoewel de sishta’s wanneer ze achterblijven altijd veel minder talrijk zijn dan het overgrote deel van de levensgolf, zetten ze niettemin, omdat ze de hoogste vertegenwoordigers van hun levensgolf zijn, hun evolutie voort, maar in een veel langzamer tempo dan wanneer de levensgolf zelf op de bol is; zodat ze gedurende de honderden miljoenen jaren voordat hun eigen levensgolf terugkeert, langzaam evolueren en zich regelmatig voortplanten, zij het in een quasi-passieve staat of toestand.

In het mensenrijk zijn deze sishta’s belichaamde, reïncarnerende ego’s en natuurlijk sterven ze en worden telkens weer herboren, en hebben de individuele ego’s precies dezelfde postmortale bestemming die ze altijd hebben gehad. Bovendien blijft de menselijke sishta-groep – die min of meer nauwkeurig als illustratie dient voor alle andere sishta-groepen – niet gelijk in aantal, eenvoudig omdat ze voortdurend geleidelijk in aantal toeneemt door voorlopers, individuen die hun levensgolf voorbijstreven en zo de bol weer bereiken waarop de sishta-groep zich bevindt, maar sneller dan de hoofdmassa van de levensgolf. Deze sishta’s, in ons geval de vijfde-ronders (en zeer zelden de zesde-ronders), blijven achter omdat ze hun vijfde ronde al hebben doorlopen en die daarom niet hoeven te herhalen; in feite kunnen ze hun evolutionaire ontwikkeling niet voortzetten tot de levensgolf hen inhaalt. Zo komt het dat de sishta’s voortdurend, zij het langzaam, in aantal toenemen en wel met iedere miljoen jaren die voorbijgaan iets sneller, tot de levensgolf hun bol weer bereikt.

Ik heb hier gesproken over de sishta-groepen die tijdens een ronde op de verschillende bollen van onze planeetketen achterblijven; maar omdat de natuur in haar structuur en werkingen het principe van de analogie volgt, kent zij andere soorten sishta’s dan de bol-sishta’s. Er zijn bijvoorbeeld sishta’s die van de ene stervende keten overgaan naar de volgende belichaming van dezelfde keten en daarom worden deze sishta-groepen de levenszaden of wortel-sishta’s genoemd, die het manvantarische drama in de eerste ronde op bol A van de nieuwe belichaming van de keten openen.

Omdat ze niet langer sishta’s zijn van evoluerende levensgolven die van bol tot bol van een keten gaan, zijn deze sishta-groepen die van de ene ketenbelichaming naar de volgende gaan niet zozeer in een lichaam gemanifesteerde individuele entiteiten, dan wel wat ik soms monadische bollen of monadische eieren heb genoemd.* Zo kan ook het menselijke ego, terwijl het in devachan is, worden gezien als een monadisch ei of een monadische bol, omdat het tijdens zijn gelukkige dromen binnen de spirituele monade – de devachani is gehuld in zijn aurische ei – werkelijk een soort monadisch ei is, waaruit de komende mens in het volgende aardse leven zal groeien. Natuurlijk geldt wat hier over het monadische ei van het mensenrijk wordt gezegd, in beginsel evengoed voor de sishta-groepen van alle andere negen rijken of monadische klassen tussen de ketenbelichamingen.

*Vgl. Beginselen van de Esoterische Filosofie, hfst. 42.

Wanneer de nieuwe keten zich dus vormt, zijn het altijd de hoogste vertegenwoordigers van alle klassen die, in samenwerking met de elementalen van hun eigen klasse of soort, als het ware de ontwerpende ‘architecten’ worden, die het bouwplan op deze elementalen afdrukken zodat deze hun respectieve werk kunnen doen bij de bouw van de bollen van een keten. Wanneer dit bouwschema met behulp van de elementalen is ontworpen, beginnen de lagere vertegenwoordigers van elk van de verschillende rijken zich te manifesteren en verrichten op hun beurt hun respectieve taak van het gereedmaken van de verschillende grondvormen waarin de hoogste vertegenwoordigers zich later, als de tijd daar is, kunnen manifesteren.

Wat de manu’s betreft geven de volgende fragmenten uit de geschriften van HPB de essentie van de leer weer:

Vaivasvata Manu (de manu van ons eigen vijfde ras en de mensheid in het algemeen) is de voornaamste gepersonifieerde vertegenwoordiger van de denkende mensheid van het vijfde wortelras; daarom wordt hij voorgesteld als de oudste zoon van de zon en een agnishvatta-voorouder. Omdat ‘manu’ is afgeleid van man, denken, is het beeld duidelijk. Het denken werkt eindeloos in op de menselijke hersenen. Manu is en bevat dus het potentieel van alle denkende vormen die op aarde zullen worden ontwikkeld uit deze bepaalde bron. . . .

Manu is misschien de synthese van de manasa, en hij is een enkelvoudig bewustzijn in die zin dat, terwijl alle cellen waaruit het menselijk lichaam bestaat verschillende en gevarieerde bewustzijnen zijn, er toch een eenheid van bewustzijn is die de mens is. Maar deze eenheid is, om zo te zeggen, niet een enkelvoudig bewustzijn: ze is de weerspiegeling van duizenden en miljoenen bewustzijnen die een mens in zich heeft opgenomen.

Maar manu is niet werkelijk een individualiteit, hij is de hele mensheid. Men kan zeggen dat manu een algemene naam is voor de pitri’s, de voorvaderen van de mensheid. Ze komen, zoals ik heb aangetoond, van de maanketen. Ze schenken het leven aan de mensheid, want nadat ze de eerste mensen zijn geworden, schenken ze het leven aan anderen door hun schaduwen te ontwikkelen, hun astrale zelven. . . . Maar zoals de maan haar licht van de zon ontvangt, zo ontvangen de afstammelingen van de maan-pitri’s hun hogere mentale licht van de zon of de ‘zoon van de zon’. Voorzover wij weten zou Vaivasvata Manu een avatara of een personificatie van mahat kunnen zijn, afgevaardigd door het universele denkvermogen om de denkende mensheid verder te leiden en de weg te wijzen.
      – Een Toelichting op de Geheime Leer, blz. 87-8

Manu verklaart dat hij is geschapen door Viraj of Vaisvanara (de geest van de mensheid); dit betekent dat zijn monade aan het begin van elke nieuwe kosmische activiteit emaneert uit het nooit rustende beginsel: die logos of universele monade (collectieve elohim) die uit zichzelf al die kosmische monaden uitstraalt, die de middelpunten van activiteit worden – voorouders van de talloze zonnestelsels en van de nog ongedifferentieerde menselijke monaden, van planeetketens en van elk wezen daarop. Elke kosmische monade is ‘Svayambhuva’, de zelf-geborene, die het krachtencentrum wordt, waaruit van binnenuit een planeetketen voortkomt (er zijn zeven van deze ketens in ons stelsel), en waarvan de uitstralingen weer evenzoveel Manu’s Svayambhuva worden (een geheimzinnige soortnaam, die veel meer betekent dan het schijnt); elk van deze wordt, als een menigte, de schepper van zijn eigen mensheid.
      – De Geheime Leer, 2:350-1

Omdat het woord manu is afgeleid van de Sanskrietwortel man, denken, nadenken over, is een manu dus tegelijkertijd een denkend individu en een menigte lagere individuen of ‘denkers’ waaruit hij bestaat. Ons fysieke lichaam is een individu en is toch samengesteld uit een enorm aantal kleinere individuen, die elk afzonderlijk als entiteit een eenheid zijn, en toch ontegenzeglijk behoren tot, en zijn opgenomen in het lichaam als geheel. Dit is een nauwkeurige beschrijving van wat een logos is op kosmische schaal. Met andere woorden, wat een kosmische logos in de kosmos is – namelijk zowel de kosmische purusha als een menigte lagere monaden waaruit hij bestaat – is een manu op de kleinere schaal van een keten of een bol.

HPB drukt dit feit op haar eigen onnavolgbare wijze zo uit:

Dat al die manu’s en rishi’s met één soortnaam worden aangeduid, is toe te schrijven aan het feit dat zij alle de gemanifesteerde energieën van één en dezelfde logos zijn, zowel de hemelse als de aardse boodschappers en uitingen van dat beginsel dat altijd in een toestand van werkzaamheid is; bewust in het tijdperk van de kosmische evolutie, onbewust (vanuit ons gezichtspunt) tijdens de kosmische rust, terwijl de logos slaapt in de schoot van dat wat ‘niet slaapt’, noch ooit waakt – want het is sat of het Zijn, en niet een wezen. Uit het komt de grote onzichtbare logos voort, die alle andere logoi evolueert, de oorspronkelijke manu, die het bestaan schenkt aan de andere manu’s, die gezamenlijk het heelal en alles erin emaneren, en die als aggregaat de gemanifesteerde logos vertegenwoordigen. Daarom vernemen we uit de ‘Toelichtingen’ dat, terwijl geen dhyani-chohan, zelfs niet de hoogste, zich volledig bewust kan zijn van ‘de toestand van de voorafgaande kosmische evolutie’, ‘de manu’s in eeuwigheid de kennis van hun ervaringen in alle kosmische evoluties behouden’.
     – De Geheime Leer, 2:350

Een manu is dus een lagere logos, van een bol of van een hele keten, afhankelijk van de schaal die we hanteren; en is de mensheid als eenheid en als het enorme aantal menselijke ego’s die in hun totaliteit de manu vormen. Daarom kunnen we over een levensgolf die haar evolutieproces op een bol begint, spreken als een wortel-manu, waaruit na verloop van tijd de zeven wortelrassen voortkomen; en we kunnen ook zeggen dat dezelfde levensgolf, wanneer ze de bol verlaat, de zaad-manu is, die verdergaat op haar ronde langs de andere bollen en weer een wortel-manu wordt wanneer ze die bol opnieuw bereikt.

Zoals eerder gezegd, zijn de manu’s en de sishta’s, hoewel zeer nauw verbonden, niet identiek, want de sishta’s zijn de verstgevorderde individuen van de zaad-manu; en het zijn deze sishta’s die de levenszaden worden wanneer hun manu hun bol weer bereikt en de wortel-manu wordt. De manu omvat dus niet alleen het geheel van de levensgolf maar ook de sishta’s.

In het licht van de voorafgaande alinea’s zal het gemakkelijker zijn de leringen te begrijpen zoals die door HPB zijn beschreven in de volgende passage uit haar artikel ‘The septenary principle in esotericism’. Wanneer ze over de zevenvoudige wet spreekt en over de talloze zinspelingen daarop overal in de literatuur van de oudheid, vraagt ze ‘Wie was manu, de zoon van Svayambhuva?’, en geeft daarop als toelichting het volgende antwoord:

De geheime leer vertelt ons dat deze manu geen mens was, maar hij symboliseerde de eerste mensenrassen, die met behulp van de dhyani-chohans (deva’s) aan het begin van de eerste ronde waren geëvolueerd. Maar in zijn Wetten (Boek I, 80) wordt ons gezegd dat er veertien manu’s zijn voor elke kalpa of elk ‘tijdperk tussen schepping en schepping’ (lees tijdperk tussen de ene kleine ‘pralaya’ en de volgende); en dat ‘er in de tegenwoordige goddelijke eeuw tot nu toe zeven manu’s zijn geweest.’ Zij die weten dat er zeven ronden zijn, waarvan we er drie achter ons hebben, terwijl we nu in de vierde zijn, en aan wie is geleerd dat er zeven ochtendschemeringen en zeven avondschemeringen of veertien manvantara’s zijn; dat aan het begin van iedere ronde en aan het einde en op en tussen de planeten er ‘een ontwaken in het illusoire leven’ is en ‘een ontwaken in het werkelijke leven’, en dat er bovendien ‘wortel-manu’s’ zijn en wat we zo gebrekkig moeten vertalen als ‘de zaad-manu’s’ – de zaden voor de mensenrassen van de toekomstige ronde (een mysterie dat slechts wordt onthuld aan hen die hun derde graad van inwijding hebben doorgemaakt); zij die dat alles hebben geleerd, zullen beter voorbereid zijn om de betekenis van het volgende te begrijpen . . . Zoals iedere planetaire ronde begint met het verschijnen van een ‘wortel-manu’ (dhyani-chohan) en sluit met een ‘zaad-manu’, zo verschijnt er een wortel- en een zaad-manu respectievelijk aan het begin en aan het einde van het menselijke tijdvak op een planeet.

Uit het voorafgaande is gemakkelijk te zien dat een manu-antarische periode betekent, zoals de term inhoudt, de tijd tussen het verschijnen van twee manu’s of dhyani-chohans; en dat daarom een kleiner manuantara de duur is van de zeven rassen op een bepaalde planeet, en een groot manvantara het tijdvak van één menselijke ronde langs de planeetketen. Bovendien dat ieder wortelras zijn manu heeft, want er is gezegd dat elk van de zeven manu’s 7 x 7 manu’s schept en dat er 49 wortelrassen zijn op de zeven planeten tijdens iedere ronde.
      – The Theosophist, juli 1883, blz. 254; CW 4:576-7

We zien hier dus opnieuw de fundamentele eenheid van al wat is en de onverbrekelijke natuurlijke banden die ons verbinden met alles wat het heelal in zich bevat. Niemand van ons kan alleen vooruitkomen of zijn pelgrimstocht alleen vervolgen – niet één van ons. We nemen talloze menigten wezens met ons mee, die verbonden zijn met alle delen van onze constitutie en evolutionair lager staan dan wij; en evenzo, maar op een andere schaal, zijn wij allen door onverbrekelijke banden verbonden met de spirituele wezens die in de kosmische hiërarchie hoger staan dan wijzelf. We moeten allen gezamenlijk vooruitgaan, zoals we in het hele verleden hebben gedaan; en in de hele toekomst zullen we verenigd vooruitgaan als een menigte monaden, een enorme kosmische rivier van levens.

 


Bron van het occultisme, blz. 409-16

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag