Sishta’s en manu’s
De meest ontwikkelde (de maan)monaden bereiken
het menselijke kiem-stadium in de eerste ronde; ze worden tegen het
einde van de derde ronde aardse, hoewel heel etherische mensen, blijven
op de bol tijdens de ‘obscuratie’periode als het zaad
voor de toekomstige mensheid in de vierde ronde, en worden zo de pioniers
van de mensheid bij het begin van de huidige vierde ronde. Anderen
bereiken het menselijke stadium pas tijdens latere ronden, d.w.z.
in de tweede, de derde, of in de eerste helft van de vierde ronde.
En tenslotte zullen de meest vertraagden, dat zijn diegenen die na
het keerpunt in het midden van de vierde ronde nog gebruikmaken van
diervormen, tijdens dit manvantara helemaal geen mensen worden. Zij
zullen pas bij het afsluiten van de zevende ronde de grens van het
mens-zijn bereiken, om na pralaya op hun beurt in een nieuwe
keten te worden binnengeleid – door oudere pioniers, de voorvaderen
van de mensheid, of de zaad-mensheid (sishta), namelijk de
mensen die aan het einde van deze ronden aan het hoofd van allen zullen
staan. – De Geheime Leer, 1:211
Er is in de theosofische literatuur betrekkelijk
weinig geschreven over de sishta’s, hun eigenschappen en de belangrijke
rol die ze in de natuur spelen.
Het Sanskrietwoord sishta komt van de werkwoordswortel
sish, achterlaten, achterblijven, zodat het voltooid deelwoord
sishta, overblijfsel, achtergelaten, enz., betekent. Het is interessant
dat sishta ook kan worden afgeleid van de werkwoordswortel sas,
beheersen, regeren, onderwijzen, zodat dit verleden deelwoord sishta,
beheerst, goed geregeld en zodoende geleerd, uitverkoren, wijs, enz.,
betekent, en daarom hoogste of voornaamste. Het is heel merkwaardig
dat het voltooid deelwoord van elk van deze werkwoordswortels betekenissen
heeft die de esoterische leer noemt als de kenmerkende eigenschappen
van de sishta’s zelf.
De sishta’s zijn dus de hoogste vertegenwoordigers
van een levensgolf, of anders gezegd van een monadische klasse, die
op een bol van een planeetketen achterblijven wanneer die bol zijn periode
van obscuratie ingaat. Wanneer een levensgolf haar zeven rassen op een
bol heeft voltooid, gaat het overgrote deel ervan over naar de volgende
bol tijdens de ronde, maar ze laat haar hoogste vertegenwoordigers achter
en dat zijn de sishta’s, de overblijvers, die daar worden achtergelaten
om diezelfde levensgolf, bij haar terugkeer naar dezelfde bol, te voorzien
van de levenszaden die haar in staat stellen zich weer te vermenigvuldigen.
Men moet de sishta’s niet verwarren met de
manu’s. In diverse passages van De Geheime Leer spreekt
HPB over de manu die een begin maakt met de evolutie van een levensgolf
op een bol en dan een wortel-manu is, en over de manu die achterblijft
wanneer de levensgolf een bol verlaat en dan een zaad-manu is. Dit toont
duidelijk aan dat de manu’s en de sishta’s zeer nauw verbonden
zijn, zozeer zelfs dat ze in bepaalde opzichten identiek zijn; toch
zijn ze niet over de hele linie identiek.
De levensgolven maken, zoals gezegd, na elkaar hun
rondgang langs de bollen van de keten, zodat de eerste klasse die op
het evolutietoneel verschijnt het eerste elementalenrijk is, en wanneer
het zijn zeven ringen of wortelrassen heeft doorlopen, doet het tweede
elementalenrijk hetzelfde, op zijn beurt gevolgd door het derde, en
wanneer dit laatste zijn ringen heeft voltooid, verschijnen de monaden
van het mineralenrijk om hun zevenvoudige kringloop te volbrengen; ze
worden opgevolgd door het planten-, het dieren- en het mensenrijk en
tenslotte door het eerste, tweede en derde rijk van dhyani-chohans.
Wanneer een van deze tien rijken een bol verlaat
om over te gaan naar de volgende bol van de keten, laat het zijn meest
volledig ontwikkelde individuen als sishta’s achter, en maakt
de aldus verlaten bol een korte periode van obscuratie door, waarna
hij ontwaakt voor het binnenstromen van de eerste vertegenwoordigers
van de volgende levensgolf of het volgende rijk. Intussen blijven de
sishta’s van het voorafgaande rijk op de bol achter tot de grote
meerderheid van hun eigen levensgolf, die nu op haar ronde langs de
andere bollen trekt, terugkeert; en dan voelen deze sishta’s de
binnenkomst of invloed van hun eigen terugkerende levensgolf en reageren
daarop door in aantal toe te nemen en verschaffen zo de voertuigen waarin
het overgrote deel van de levensgolf zich na verloop van tijd zal belichamen
als het eerste wortelras van de nieuwe ronde op die bol.*
*In haar tijdschrift The Theosophist (maart
1886, blz. 352; CW 7:44&vn) schrijft H.P. Blavatsky dat
er in de Veda’s ‘wordt gezegd dat aan het einde van elk
manvantara de pralaya volgt, of de vernietiging
van de wereld waarvan er maar één bekend is aan en verwacht
wordt door de christenen – en dat de sishta’s,
of overblijvers, worden achtergelaten, zeven rishi’s en één
krijger, en alle zaden, voor de volgende menselijke ‘vloedgolf
van de volgende ronde’.’
In een voetnoot hierbij verklaart ze dat volgens de
hindoes deze acht personen sishta’s worden genoemd, omdat ze
de enige overgeblevenen zijn nadat alle anderen zijn vernietigd. Dan
voegt ze eraan toe: ‘Dit is de orthodoxe zienswijze. De geheime
zienswijze spreekt over zeven ingewijden, die het dhyani-chohanschap
hebben bereikt tegen het einde van het zevende ras op deze aarde,
die tijdens haar ‘obscuratie’ op aarde worden achtergelaten
met het zaad van ieder mineraal, iedere plant en ieder dier, dat geen
tijd had om tot mens te evolueren voor de volgende ronde of wereldperiode’.
Men zou een fout maken als men aanneemt dat deze
sishta’s òf snel evolueren, òf evolutionair totaal
geen vooruitgang maken, want beide veronderstellingen zijn onjuist.
Hoewel de sishta’s wanneer ze achterblijven altijd veel minder
talrijk zijn dan het overgrote deel van de levensgolf, zetten ze niettemin,
omdat ze de hoogste vertegenwoordigers van hun levensgolf zijn, hun
evolutie voort, maar in een veel langzamer tempo dan wanneer de levensgolf
zelf op de bol is; zodat ze gedurende de honderden miljoenen jaren voordat
hun eigen levensgolf terugkeert, langzaam evolueren en zich regelmatig
voortplanten, zij het in een quasi-passieve staat of toestand.
In het mensenrijk zijn deze sishta’s belichaamde,
reïncarnerende ego’s en natuurlijk sterven ze en worden telkens
weer herboren, en hebben de individuele ego’s precies dezelfde
postmortale bestemming die ze altijd hebben gehad. Bovendien blijft
de menselijke sishta-groep – die min of meer nauwkeurig als illustratie
dient voor alle andere sishta-groepen – niet gelijk in aantal,
eenvoudig omdat ze voortdurend geleidelijk in aantal toeneemt door voorlopers,
individuen die hun levensgolf voorbijstreven en zo de bol weer bereiken
waarop de sishta-groep zich bevindt, maar sneller dan de hoofdmassa
van de levensgolf. Deze sishta’s, in ons geval de vijfde-ronders
(en zeer zelden de zesde-ronders), blijven achter omdat ze hun vijfde
ronde al hebben doorlopen en die daarom niet hoeven te herhalen; in
feite kunnen ze hun evolutionaire ontwikkeling niet voortzetten tot
de levensgolf hen inhaalt. Zo komt het dat de sishta’s voortdurend,
zij het langzaam, in aantal toenemen en wel met iedere miljoen jaren
die voorbijgaan iets sneller, tot de levensgolf hun bol weer bereikt.
Ik heb hier gesproken over de sishta-groepen die
tijdens een ronde op de verschillende bollen van onze planeetketen achterblijven;
maar omdat de natuur in haar structuur en werkingen het principe van
de analogie volgt, kent zij andere soorten sishta’s dan de bol-sishta’s.
Er zijn bijvoorbeeld sishta’s die van de ene stervende keten overgaan
naar de volgende belichaming van dezelfde keten en daarom worden deze
sishta-groepen de levenszaden of wortel-sishta’s genoemd,
die het manvantarische drama in de eerste ronde op bol A van de nieuwe
belichaming van de keten openen.
Omdat ze niet langer sishta’s zijn van evoluerende
levensgolven die van bol tot bol van een keten gaan, zijn deze sishta-groepen
die van de ene ketenbelichaming naar de volgende gaan niet zozeer in
een lichaam gemanifesteerde individuele entiteiten, dan wel wat ik soms
monadische bollen of monadische eieren heb genoemd.* Zo kan ook het
menselijke ego, terwijl het in devachan is, worden gezien als een monadisch
ei of een monadische bol, omdat het tijdens zijn gelukkige dromen binnen
de spirituele monade – de devachani is gehuld in zijn aurische
ei – werkelijk een soort monadisch ei is, waaruit de komende mens
in het volgende aardse leven zal groeien. Natuurlijk geldt wat hier
over het monadische ei van het mensenrijk wordt gezegd, in beginsel
evengoed voor de sishta-groepen van alle andere negen rijken of monadische
klassen tussen de ketenbelichamingen.
*Vgl. Beginselen van de Esoterische Filosofie,
hfst. 42.
Wanneer de nieuwe keten zich dus vormt, zijn het
altijd de hoogste vertegenwoordigers van alle klassen die, in samenwerking
met de elementalen van hun eigen klasse of soort, als het ware de ontwerpende
‘architecten’ worden, die het bouwplan op deze elementalen
afdrukken zodat deze hun respectieve werk kunnen doen bij de bouw van
de bollen van een keten. Wanneer dit bouwschema met behulp van de elementalen
is ontworpen, beginnen de lagere vertegenwoordigers van elk van de verschillende
rijken zich te manifesteren en verrichten op hun beurt hun
respectieve taak van het gereedmaken van de verschillende grondvormen
waarin de hoogste vertegenwoordigers zich later, als de tijd daar is,
kunnen manifesteren.
Wat de manu’s betreft geven de volgende fragmenten
uit de geschriften van HPB de essentie van de leer weer:
Vaivasvata Manu (de manu van ons eigen vijfde ras
en de mensheid in het algemeen) is de voornaamste gepersonifieerde
vertegenwoordiger van de denkende mensheid van het vijfde
wortelras; daarom wordt hij voorgesteld als de oudste zoon van de
zon en een agnishvatta-voorouder. Omdat ‘manu’
is afgeleid van man, denken, is het beeld duidelijk. Het
denken werkt eindeloos in op de menselijke hersenen. Manu is en bevat
dus het potentieel van alle denkende vormen die op aarde zullen worden
ontwikkeld uit deze bepaalde bron. . . .
Manu is misschien de synthese van de manasa, en hij
is een enkelvoudig bewustzijn in die zin dat, terwijl alle cellen
waaruit het menselijk lichaam bestaat verschillende en gevarieerde
bewustzijnen zijn, er toch een eenheid van bewustzijn is die de mens
is. Maar deze eenheid is, om zo te zeggen, niet een enkelvoudig bewustzijn:
ze is de weerspiegeling van duizenden en miljoenen bewustzijnen die
een mens in zich heeft opgenomen.
Maar manu is niet werkelijk een individualiteit,
hij is de hele mensheid. Men kan zeggen dat manu een algemene naam
is voor de pitri’s, de voorvaderen van de mensheid. Ze komen,
zoals ik heb aangetoond, van de maanketen. Ze schenken het leven aan
de mensheid, want nadat ze de eerste mensen zijn geworden, schenken
ze het leven aan anderen door hun schaduwen te ontwikkelen, hun astrale
zelven. . . . Maar zoals de maan haar licht van de zon ontvangt, zo
ontvangen de afstammelingen van de maan-pitri’s hun hogere mentale
licht van de zon of de ‘zoon van de zon’. Voorzover wij
weten zou Vaivasvata Manu een avatara of een personificatie
van mahat kunnen zijn, afgevaardigd
door het universele denkvermogen om de denkende mensheid verder te
leiden en de weg te wijzen.
– Een Toelichting op de Geheime
Leer, blz. 87-8
Manu verklaart dat hij is geschapen door Viraj
of Vaisvanara (de geest van de mensheid); dit betekent dat zijn monade
aan het begin van elke nieuwe kosmische activiteit emaneert uit het
nooit rustende beginsel: die logos of universele
monade (collectieve elohim) die uit zichzelf al
die kosmische monaden uitstraalt, die de middelpunten van activiteit
worden – voorouders van de talloze zonnestelsels en van de nog
ongedifferentieerde menselijke monaden, van planeetketens
en van elk wezen daarop. Elke kosmische monade is ‘Svayambhuva’,
de zelf-geborene, die het krachtencentrum
wordt, waaruit van binnenuit een planeetketen voortkomt (er zijn
zeven van deze ketens in ons stelsel), en waarvan de uitstralingen
weer evenzoveel Manu’s Svayambhuva worden (een geheimzinnige
soortnaam, die veel meer betekent dan het schijnt); elk van deze wordt,
als een menigte, de schepper van zijn eigen mensheid.
– De Geheime Leer, 2:350-1
Omdat het woord manu is afgeleid van de
Sanskrietwortel man, denken, nadenken over, is een manu dus
tegelijkertijd een denkend individu en een menigte lagere individuen
of ‘denkers’ waaruit hij bestaat. Ons fysieke lichaam is
een individu en is toch samengesteld uit een enorm aantal kleinere individuen,
die elk afzonderlijk als entiteit een eenheid zijn, en toch ontegenzeglijk
behoren tot, en zijn opgenomen in het lichaam als geheel. Dit is een
nauwkeurige beschrijving van wat een logos is op kosmische schaal. Met
andere woorden, wat een kosmische logos in de kosmos is – namelijk
zowel de kosmische purusha als een menigte lagere monaden waaruit hij
bestaat – is een manu op de kleinere schaal van een keten of een
bol.
HPB drukt dit feit op haar eigen onnavolgbare wijze
zo uit:
Dat al die manu’s en rishi’s met één
soortnaam worden aangeduid, is toe te schrijven aan het feit dat zij
alle de gemanifesteerde energieën van één
en dezelfde logos zijn, zowel de hemelse
als de aardse boodschappers en uitingen van dat beginsel dat altijd
in een toestand van werkzaamheid is; bewust in het tijdperk van de
kosmische evolutie, onbewust (vanuit ons gezichtspunt) tijdens de
kosmische rust, terwijl de logos slaapt in de schoot van dat
wat ‘niet slaapt’, noch ooit waakt – want het is
sat of het Zijn, en niet een
wezen. Uit het komt de grote onzichtbare
logos voort, die alle andere logoi evolueert, de oorspronkelijke
manu, die het bestaan schenkt aan de
andere manu’s, die gezamenlijk het heelal en alles erin emaneren,
en die als aggregaat de gemanifesteerde logos vertegenwoordigen.
Daarom vernemen we uit de ‘Toelichtingen’ dat, terwijl
geen dhyani-chohan, zelfs niet de hoogste, zich volledig bewust kan
zijn van ‘de toestand van de voorafgaande kosmische evolutie’,
‘de manu’s in eeuwigheid de kennis van hun ervaringen
in alle kosmische evoluties behouden’.
– De Geheime Leer, 2:350
Een manu is dus een lagere logos, van een bol of
van een hele keten, afhankelijk van de schaal die we hanteren; en is
de mensheid als eenheid en als het enorme aantal menselijke ego’s
die in hun totaliteit de manu vormen. Daarom kunnen we over een levensgolf
die haar evolutieproces op een bol begint, spreken als een wortel-manu,
waaruit na verloop van tijd de zeven wortelrassen voortkomen; en we
kunnen ook zeggen dat dezelfde levensgolf, wanneer ze de bol verlaat,
de zaad-manu is, die verdergaat op haar ronde langs de andere bollen
en weer een wortel-manu wordt wanneer ze die bol opnieuw bereikt.
Zoals eerder gezegd, zijn de manu’s en de
sishta’s, hoewel zeer nauw verbonden, niet identiek, want de sishta’s
zijn de verstgevorderde individuen van de zaad-manu; en het zijn deze
sishta’s die de levenszaden worden wanneer hun manu hun bol weer
bereikt en de wortel-manu wordt. De manu omvat dus niet alleen het geheel
van de levensgolf maar ook de sishta’s.
In het licht van de voorafgaande alinea’s
zal het gemakkelijker zijn de leringen te begrijpen zoals die door HPB
zijn beschreven in de volgende passage uit haar artikel ‘The septenary
principle in esotericism’. Wanneer ze over de zevenvoudige wet
spreekt en over de talloze zinspelingen daarop overal in de literatuur
van de oudheid, vraagt ze ‘Wie was manu, de zoon van Svayambhuva?’,
en geeft daarop als toelichting het volgende antwoord:
De geheime leer vertelt ons dat deze manu
geen mens was, maar hij symboliseerde de eerste mensenrassen, die
met behulp van de dhyani-chohans (deva’s) aan het begin van
de eerste ronde waren geëvolueerd. Maar in zijn Wetten
(Boek I, 80) wordt ons gezegd dat er veertien manu’s zijn voor
elke kalpa of elk ‘tijdperk tussen schepping en schepping’
(lees tijdperk tussen de ene kleine ‘pralaya’
en de volgende); en dat ‘er in de tegenwoordige goddelijke eeuw
tot nu toe zeven manu’s zijn geweest.’ Zij die
weten dat er zeven ronden zijn, waarvan we er drie achter ons hebben,
terwijl we nu in de vierde zijn, en aan wie is geleerd dat er zeven
ochtendschemeringen en zeven avondschemeringen of veertien manvantara’s
zijn; dat aan het begin van iedere ronde en aan het einde en op en
tussen de planeten er ‘een ontwaken in het illusoire
leven’ is en ‘een ontwaken in het werkelijke
leven’, en dat er bovendien ‘wortel-manu’s’
zijn en wat we zo gebrekkig moeten vertalen als ‘de zaad-manu’s’
– de zaden voor de mensenrassen van de toekomstige ronde
(een mysterie dat slechts wordt onthuld aan hen die hun derde graad
van inwijding hebben doorgemaakt); zij die dat alles hebben geleerd,
zullen beter voorbereid zijn om de betekenis van het volgende te begrijpen
. . . Zoals iedere planetaire ronde begint met het verschijnen van
een ‘wortel-manu’ (dhyani-chohan) en sluit met een ‘zaad-manu’,
zo verschijnt er een wortel- en een zaad-manu respectievelijk
aan het begin en aan het einde van het menselijke tijdvak op een planeet.
Uit het voorafgaande is gemakkelijk te zien dat een
manu-antarische periode betekent, zoals de term inhoudt,
de tijd tussen het verschijnen van twee manu’s of dhyani-chohans;
en dat daarom een kleiner manuantara de duur is van de zeven
rassen op een bepaalde planeet, en een groot manvantara het tijdvak
van één menselijke ronde langs de planeetketen. Bovendien
dat ieder wortelras zijn manu heeft, want er is gezegd dat elk van
de zeven manu’s 7 x 7 manu’s schept en dat er
49 wortelrassen zijn op de zeven planeten tijdens iedere ronde.
– The Theosophist, juli
1883, blz. 254; CW 4:576-7
We zien hier dus opnieuw de fundamentele eenheid
van al wat is en de onverbrekelijke natuurlijke banden die ons verbinden
met alles wat het heelal in zich bevat. Niemand van ons kan alleen vooruitkomen
of zijn pelgrimstocht alleen vervolgen – niet één
van ons. We nemen talloze menigten wezens met ons mee, die verbonden
zijn met alle delen van onze constitutie en evolutionair lager staan
dan wij; en evenzo, maar op een andere schaal, zijn wij allen door onverbrekelijke
banden verbonden met de spirituele wezens die in de kosmische hiërarchie
hoger staan dan wijzelf. We moeten allen gezamenlijk vooruitgaan,
zoals we in het hele verleden hebben gedaan; en in de hele toekomst
zullen we verenigd vooruitgaan als een menigte monaden, een enorme kosmische
rivier van levens.
Bron
van het Occultisme, blz. 409-16
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag