De transmigratie-leer
De vraag is gesteld of er enige grond bestaat
voor de populaire maar onjuiste leer in het oosten dat de zielen naar
dierlijke en onbezielde vormen transmigreren. De oorsprong van het
geloof ligt waarschijnlijk bij leraren die hun leerlingen meedelen
dat de atomen die door de ziel worden gebruikt tijdens het verblijf
in een lichaam, het stempel meekrijgen van de aard en de daden van
iedere ziel, en dat de ziel de plicht heeft zo te leven, te denken
en te handelen dat alle atomen die in het stoffelijke lichaam worden
gebruikt, evenzeer zullen groeien als het ego en niet in neerwaartse
richting zullen gaan, want als ze zo’n neerwaartse richting
krijgen, trekken de atomen wanneer de dood komt naar lagere vormen
en worden daar gedegradeerd, en in die zin is de mens lagere vormen
binnengegaan. Natuurlijk kan het menselijke ego niet een lagere vorm
binnengaan. Men moet als een ernstige en belangrijke zaak in gedachten
houden dat ieder atoom in het lichaam is verbonden met een eigen
leven, en een eigen specifiek bewustzijn heeft. Deze levens vormen
een klasse van elementalen en zijn daarom de overbrengers van een
belangrijk deel van ons karakter naar die vormen waarheen ze gaan.
Het komt overeen met het aansteken van vele kaarsen met één
vlam. Ze leven in ons en ontlenen een karakter aan ons, en omdat ze
elk ogenblik bij ons binnenkomen en ons verlaten, is onze plicht duidelijk.
Want door middel van deze atomen en levens voeren we in feite het
werk van de evolutie uit, en als leden die zich door een gelofte aan
het hogere zelf hebben verbonden, is het onze plicht met goede bedoelingen
bij te dragen aan de evolutie, of te worden blootgesteld aan een zwaar
karma als we bijdragen aan het verlagen van de atomen die door onze
medemensen en volgende rassen moeten worden gebruikt.
–W.Q.
Judge, ES Suggestions and Aids; Echoes 3:329-30
Wanneer de dood komt en het menselijke ego overgaat
naar zijn devachan, vallen alle voertuigen waarin hij in zijn aardse
leven was belichaamd uiteen, en de levensatomen waaruit deze omhulsels
waren opgebouwd, gaan naar die omgeving en toestanden waartoe ze psychomagnetisch
worden aangetrokken. Dit is de kern van de leer van de transmigratie
van levensatomen, waarvan men in het algemeen ten onrechte dacht dat
ze betekent dat de menselijke ziel na de dood afdaalt in lichamen van
dieren. Die gedachte is niet juist; het is geen feit in de natuur.
De grondregel is dat tijdens de perioden tussen
aardse levens de fysieke levensatomen van een mens door en binnen de
rijken van de natuur transmigreren. De individuele elementen of zielen
van deze atomen zijn in evolutionair opzicht niet zover gevorderd als
de dierlijke zielen van de dieren. Wanneer het lichaam van de mens bij
de dood uiteenvalt en de levensatomen waaruit het bestond aan hun transmigraties
beginnen, worden ze juist tot die lichamen of entiteiten aangetrokken,
menselijke, dierlijke, plantaardige, of minerale, waarheen ze door hun
eigen trillingsgetal op dat moment worden geleid. Het is geheel en al
een kwestie van psychomagnetische aantrekking.
Als een mens tijdens zijn leven een sterk op de
stof gericht bestaan heeft geleid, zullen horden van zijn levensatomen
worden aangetrokken tot de lichamen van varkens, luiaards, tijgers,
honden, vissen, en de hemel mag weten wat nog meer! Of ze helpen misschien
bij de opbouw van plantenlichamen. Dit is geen werkelijke degradatie.
Elk van deze elementalen is een uiterst kleine entiteit en gaat zelfs
door een scheikundig atoom op ongeveer dezelfde manier als een komeet
door ons eigen heelal zou gaan, waartoe ze wordt aangetrokken. Er bestaat
volstrekt geen toeval in de natuur. Alles is karmisch, in het groot
en in het klein. En deze levensatomen belichamen zich ontelbare keren
voordat ze weer worden aangetrokken door de overheersende magnetische
kracht van het reïncarnerende menselijke ego tot wie ze in het
vorige aardse leven behoorden. Dan verenigen ze zich en bouwen het nieuwe
lichaam op waarin dit terugkerende ego zijn woonplaats vindt in het
volgende leven op aarde.*
*Zie het belangrijke artikel: ‘Transmigration of
the life atoms’ van HPB in The Theosophist, augustus
1883, blz. 286-8; CW 5:109-17.
Sommige mensen zijn niet alleen zó dierlijk
in hun emotionele en psychische neigingen, maar worden ook zó
sterk aangetrokken tot wat we een dierlijk bestaan zouden kunnen noemen
dat – na het sterven en na de ‘tweede dood’ wanneer
het reïncarnerende ego zich van het kamarupa heeft gescheiden –
de energieën die dit kamarupa nog steeds doordringen zó
krachtig zijn in de hartstochtelijk psychische en grofstoffelijke betekenis
van het woord en zó hongeren naar een hernieuwd bestaan, dat
het niet ongewoon is dat deze bundels hartstochten en neigingen het
lichaam van sommige dieren binnengaan.
Dat is geen transmigratie van de menselijke
ziel, omdat die ziel allang naar haar devachan is vertrokken. Maar
het resterende deel staat zo laag op de menselijke schaal, dat al zijn
instincten gericht zijn op het dierlijke; en de levensatomen die deze
bundel van begeerten vormen, worden aangetrokken tot die dierlijke entiteiten
waarheen hun eigen neigingen ze dwingen te gaan. Hieruit moet duidelijk
zijn dat het niet voorkomt dat een menselijke ziel op natuurlijke wijze
in het lichaam van een dier reïncarneert.
Het proces van de wederbelichaming van een menselijke
monade begint met het tot leven wekken van een levensatoom, dat uitgroeit
tot het menselijke embryo, en tenslotte wordt geboren – tenzij
het om dwingende karmische redenen niet in staat is in zijn groei verder
te komen dan het stadium van een levensatoom en dus opnieuw moet streven
naar een menselijke wedergeboorte. Het is niet de hogere triade die
reïncarneert, want die treedt het lichaam niet binnen, hoewel haar
invloed in het lichaam aanwezig is, het hart en de hersenen aanraakt
en in het bijzonder in de hersenen de goddelijke vlam van het denken
ontsteekt. Terwijl de hogere triade zich boven het lichaam bevindt,
erboven zweeft, is het het lagere deel of de psychoastrale monade dat
werkelijk reïncarneert, d.w.z. het fysieke lichaam binnengaat.
Tijdens de afdaling van het reïncarnerende ego door de sferen op
weg naar een volgende incarnatie op aarde, verzamelt het in alle verschillende
rijken of werelden, waardoor het tevoren was omhooggegaan, de menigten
levensatomen die het daar heeft achtergelaten. Het vormt daaruit opnieuw
dezelfde uiterlijke sluiers voor zichzelf die het vroeger had en bouwt
zo de menselijke constitutie op voordat de fysieke wedergeboorte in
feite plaatsvindt – dezelfde levensatomen op elk gebied en van
elk beginsel van de menselijke constitutie. Het is dus de persoonlijkheid
die reïncarneert, terwijl de individualiteit die persoonlijkheid
slechts ‘overstraalt’ (overschaduwt is het populaire woord)
en van haar eigen goddelijke vuur vervult – tenminste zoveel als
de persoonlijkheid daarvan kan ontvangen.
Ons lichaam is opgebouwd uit dezelfde levensatomen
die in onze vorige incarnatie ons fysieke lichaam vormden; datzelfde
geldt niet alleen voor het lingasarira en de psycho-kamische beginselen,
maar ook voor de manasische en buddhische beginselen. Ieder levensatoom
draagt het stempel van zijn eigen overheersende impuls, waarvoor wij
als mensen echter strikt verantwoordelijk zijn. Vandaar de rechtvaardigheid
van karmische werkingen.
Kortom, als het reïncarnerende ego tevoorschijn
komt uit de monade, bouwt het sluiers of lichamen om zich heen die passen
bij het beginsel dat door zo’n sluier wordt omhuld, en zo is de
volledige zevenvoudige constitutie van de mens tenslotte voltooid wanneer
de afdalende entiteit door middel van haar laagste sluiers het menselijk
zaad beroert en daardoor tot leven wekt, en enige maanden later wordt
de baby geboren.
Over het mysterie van het menselijk bewustzijn en
de ingeboren vermogens van de fysieke cellen schrijft HPB in De
Geheime Leer (1:247) het volgende:
Deze innerlijke ziel van de fysieke cel – dit
‘spirituele plasma’, dat het kiemplasma beheerst –
is de sleutel die eens de poorten moet openen van de terra incognita
van de bioloog, die nu het duistere mysterie van de embryologie wordt
genoemd.
Dit heeft aanleiding gegeven tot de vraag of het
‘spirituele plasma’ het levensatoom is. Nee, het spirituele
plasma is de monadische essentie, de spirituele karakteristieke kwaliteit
die door het reïncarnerende ego werkt. Het levensatoom behoort
tot het astrale plasma. Er is erfelijkheid op alle gebieden: spirituele,
verstandelijke, psychische, astrale en elementale of fysieke, en er
zijn menigten levensatomen die overeenkomen met elk van deze gebieden.
Verder is een levensatoom niet de kiemcel. De menselijke
kiemcel bevat een ontelbaar aantal levensatomen. Een levensatoom is
een uiterst kleine entiteit, zelfs kleiner dan een elektron; en er zijn
uiterst kleine astrale entiteiten die elk het brandpunt vormen, het
kanaal, waardoor het geheel van de etherische en spirituele krachten
werkt. Met andere woorden, het levensatoom is de onontwikkelde woning
of tempel van alle hogere delen van de constitutie van de toekomstige
mens; en dit levensatoom zal psychomagnetisch naar de juiste omgeving
worden aangetrokken, en zal daar een deel vormen van de kiemcel van
de vader.* Deze kiemcel – met haar slapende zaad van groei in
zich en bestaande uit andere levensatomen van een minder gevorderd type
die bestemd zijn om het toekomstige lichaam van dit bepaalde levensatoom
te bouwen – wordt doorgegeven aan de moeder; de vereniging van
de twee cellen vindt plaats en de embryonale groei begint.
*Deze regel is even strikt van toepassing op alle andere
entiteiten, zoals dieren en planten.
Hoe vindt het terugkerende ego juist dat levenszaad
waarvan en waaromheen zijn toekomstige fysieke lichaam zal worden opgebouwd?
Hoe trekt het juist dat ene levenszaad tot zich uit het ontelbare aantal
levensatomen die tot andere ego’s behoren die op wedergeboorte
wachten? Het zou een onverklaarbaar raadsel zijn als een reïncarnerende
entiteit niet een natuurlijke of eigen aantrekkingskracht bezat tot
een van de vele biljoenen of triljoenen van zulke menselijke levenszaden.
Geen enkele reïncarnerende entiteit zou aldus kunnen worden aangetrokken
als dat bepaalde zaad niet bij haar hoorde als een product van haar
eigen vitaliteit in een vroeger leven.
Het levenszaad behoort noch tot de vader noch tot
de moeder. Het behoort tot de reïncarnerende entiteit zelf, en
wanneer het ons gebied binnentreedt, is het het eerste zaad dat ontwaakt
door de aantrekkingskracht van de psychomagnetische stroom vitaliteit
van de reïncarnerende entiteit, omgeven als die is door haar psychomagnetische
atmosfeer of aurische ei. Dit levenszaad, dat via het lichaam van de
vader dat van de moeder binnengaat, is een van de transmigrerende levensatomen
die oorspronkelijk uit het reïncarnerende ego zelf zijn voortgekomen.
Op dit beslissende moment is dit levensatoom gereed en in afwachting;
de aurische psychomagnetische atmosfeer van het zich wederbelichamende
ego trekt het tot zich, omgeeft het en begint het te doorstromen, waardoor
het groeit en zich ontwikkelt door soortgelijke levensatomen te verzamelen
die tot het vorige leven van de nu terugkerende entiteit hebben behoord
– om tenslotte het lichaam van het kindje te worden.
Het is totaal onmogelijk dat deze levenszaden een
fout maken als ze worden aangetrokken tot de ouders uit wie het lichaam
van het terugkerende ego geboren zal worden. Ze bewegen zich met onfeilbare
regelmaat, precisie en nauwkeurigheid, eenvoudig omdat hun bewegingen
karmisch automatisch zijn en niet het gevolg van de keuze van een feilbaar
menselijk verstand. In laatste instantie worden de levensatomen voortbewogen
door de grootse krachten van het heelal, en daarom volgen ze hun instinct,
hun psychomagnetische aantrekking, precies zoals de magneetnaald naar
het noorden wijst. Die maakt geen fout, ze wijst niet nu eens naar het
westen en dan weer naar het zuidoosten. Zo werken ook de levensatomen
automatisch, onder de invloed van strenge, karmische, oorzakelijke krachten.
In het geval van tweelingen of drielingen vertonen
de levensatomen van het ene kind veel overeenkomst met die van de ander,
maar zijn niettemin duidelijk verschillend, want elk van hen is een
menselijke individualiteit en wordt, fysiek gesproken, opgebouwd uit
de levensatomen van zijn eigen soort, kwaliteit en psychomagnetische
aard.
Iedere entiteit vindt haar oorsprong in een vitale
kiem, een levenskiem, waarvan het hart een levensatoom is; in feite
is ieder menselijk lichaam opgebouwd uit zulke levensatomen, waarin
en door middel waarvan de meer geëvolueerde menselijke ziel werkt.
De meeste van deze bijzondere levensatomen behoren, als haar kinderen,
tot die evoluerende ziel, die zelf het voortbrengsel is van de vitale
essentie van de menselijke monade. Maar er gaan door ieder mens andere
levensatomen, een bijna ontelbaar aantal, die niet aan zijn lichaam
of zijn ziel ontspringen, maar die volgens bepaalde natuurwetten van
aantrekking en afstoting door menselijke lichamen transmigreren; en
elk van die levensatomen wacht zijn beurt en tijd en plaats af om een
mogelijk voertuig te zijn voor het begin van een nieuw menselijk lichaam.
Bron
van het Occultisme, blz. 441-6
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag