Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De transmigratie-leer


De vraag is gesteld of er enige grond bestaat voor de populaire maar onjuiste leer in het oosten dat de zielen naar dierlijke en onbezielde vormen transmigreren. De oorsprong van het geloof ligt waarschijnlijk bij leraren die hun leerlingen meedelen dat de atomen die door de ziel worden gebruikt tijdens het verblijf in een lichaam, het stempel meekrijgen van de aard en de daden van iedere ziel, en dat de ziel de plicht heeft zo te leven, te denken en te handelen dat alle atomen die in het stoffelijke lichaam worden gebruikt, evenzeer zullen groeien als het ego en niet in neerwaartse richting zullen gaan, want als ze zo’n neerwaartse richting krijgen, trekken de atomen wanneer de dood komt naar lagere vormen en worden daar gedegradeerd, en in die zin is de mens lagere vormen binnengegaan. Natuurlijk kan het menselijke ego niet een lagere vorm binnengaan. Men moet als een ernstige en belangrijke zaak in gedachten houden dat ieder atoom in het lichaam is verbonden met een eigen leven, en een eigen specifiek bewustzijn heeft. Deze levens vormen een klasse van elementalen en zijn daarom de overbrengers van een belangrijk deel van ons karakter naar die vormen waarheen ze gaan. Het komt overeen met het aansteken van vele kaarsen met één vlam. Ze leven in ons en ontlenen een karakter aan ons, en omdat ze elk ogenblik bij ons binnenkomen en ons verlaten, is onze plicht duidelijk. Want door middel van deze atomen en levens voeren we in feite het werk van de evolutie uit, en als leden die zich door een gelofte aan het hogere zelf hebben verbonden, is het onze plicht met goede bedoelingen bij te dragen aan de evolutie, of te worden blootgesteld aan een zwaar karma als we bijdragen aan het verlagen van de atomen die door onze medemensen en volgende rassen moeten worden gebruikt.

     –W.Q. Judge, ES Suggestions and Aids; Echoes 3:329-30

Wanneer de dood komt en het menselijke ego overgaat naar zijn devachan, vallen alle voertuigen waarin hij in zijn aardse leven was belichaamd uiteen, en de levensatomen waaruit deze omhulsels waren opgebouwd, gaan naar die omgeving en toestanden waartoe ze psychomagnetisch worden aangetrokken. Dit is de kern van de leer van de transmigratie van levensatomen, waarvan men in het algemeen ten onrechte dacht dat ze betekent dat de menselijke ziel na de dood afdaalt in lichamen van dieren. Die gedachte is niet juist; het is geen feit in de natuur.

De grondregel is dat tijdens de perioden tussen aardse levens de fysieke levensatomen van een mens door en binnen de rijken van de natuur transmigreren. De individuele elementen of zielen van deze atomen zijn in evolutionair opzicht niet zover gevorderd als de dierlijke zielen van de dieren. Wanneer het lichaam van de mens bij de dood uiteenvalt en de levensatomen waaruit het bestond aan hun transmigraties beginnen, worden ze juist tot die lichamen of entiteiten aangetrokken, menselijke, dierlijke, plantaardige, of minerale, waarheen ze door hun eigen trillingsgetal op dat moment worden geleid. Het is geheel en al een kwestie van psychomagnetische aantrekking.

Als een mens tijdens zijn leven een sterk op de stof gericht bestaan heeft geleid, zullen horden van zijn levensatomen worden aangetrokken tot de lichamen van varkens, luiaards, tijgers, honden, vissen, en de hemel mag weten wat nog meer! Of ze helpen misschien bij de opbouw van plantenlichamen. Dit is geen werkelijke degradatie. Elk van deze elementalen is een uiterst kleine entiteit en gaat zelfs door een scheikundig atoom op ongeveer dezelfde manier als een komeet door ons eigen heelal zou gaan, waartoe ze wordt aangetrokken. Er bestaat volstrekt geen toeval in de natuur. Alles is karmisch, in het groot en in het klein. En deze levensatomen belichamen zich ontelbare keren voordat ze weer worden aangetrokken door de overheersende magnetische kracht van het reïncarnerende menselijke ego tot wie ze in het vorige aardse leven behoorden. Dan verenigen ze zich en bouwen het nieuwe lichaam op waarin dit terugkerende ego zijn woonplaats vindt in het volgende leven op aarde.*

*Zie het belangrijke artikel: ‘Transmigration of the life atoms’ van HPB in The Theosophist, augustus 1883, blz. 286-8; CW 5:109-17.

Sommige mensen zijn niet alleen zó dierlijk in hun emotionele en psychische neigingen, maar worden ook zó sterk aangetrokken tot wat we een dierlijk bestaan zouden kunnen noemen dat – na het sterven en na de ‘tweede dood’ wanneer het reïncarnerende ego zich van het kamarupa heeft gescheiden – de energieën die dit kamarupa nog steeds doordringen zó krachtig zijn in de hartstochtelijk psychische en grofstoffelijke betekenis van het woord en zó hongeren naar een hernieuwd bestaan, dat het niet ongewoon is dat deze bundels hartstochten en neigingen het lichaam van sommige dieren binnengaan.

Dat is geen transmigratie van de menselijke ziel, omdat die ziel allang naar haar devachan is vertrokken. Maar het resterende deel staat zo laag op de menselijke schaal, dat al zijn instincten gericht zijn op het dierlijke; en de levensatomen die deze bundel van begeerten vormen, worden aangetrokken tot die dierlijke entiteiten waarheen hun eigen neigingen ze dwingen te gaan. Hieruit moet duidelijk zijn dat het niet voorkomt dat een menselijke ziel op natuurlijke wijze in het lichaam van een dier reïncarneert.

Het proces van de wederbelichaming van een menselijke monade begint met het tot leven wekken van een levensatoom, dat uitgroeit tot het menselijke embryo, en tenslotte wordt geboren – tenzij het om dwingende karmische redenen niet in staat is in zijn groei verder te komen dan het stadium van een levensatoom en dus opnieuw moet streven naar een menselijke wedergeboorte. Het is niet de hogere triade die reïncarneert, want die treedt het lichaam niet binnen, hoewel haar invloed in het lichaam aanwezig is, het hart en de hersenen aanraakt en in het bijzonder in de hersenen de goddelijke vlam van het denken ontsteekt. Terwijl de hogere triade zich boven het lichaam bevindt, erboven zweeft, is het het lagere deel of de psychoastrale monade dat werkelijk reïncarneert, d.w.z. het fysieke lichaam binnengaat. Tijdens de afdaling van het reïncarnerende ego door de sferen op weg naar een volgende incarnatie op aarde, verzamelt het in alle verschillende rijken of werelden, waardoor het tevoren was omhooggegaan, de menigten levensatomen die het daar heeft achtergelaten. Het vormt daaruit opnieuw dezelfde uiterlijke sluiers voor zichzelf die het vroeger had en bouwt zo de menselijke constitutie op voordat de fysieke wedergeboorte in feite plaatsvindt – dezelfde levensatomen op elk gebied en van elk beginsel van de menselijke constitutie. Het is dus de persoonlijkheid die reïncarneert, terwijl de individualiteit die persoonlijkheid slechts ‘overstraalt’ (overschaduwt is het populaire woord) en van haar eigen goddelijke vuur vervult – tenminste zoveel als de persoonlijkheid daarvan kan ontvangen.

Ons lichaam is opgebouwd uit dezelfde levensatomen die in onze vorige incarnatie ons fysieke lichaam vormden; datzelfde geldt niet alleen voor het lingasarira en de psycho-kamische beginselen, maar ook voor de manasische en buddhische beginselen. Ieder levensatoom draagt het stempel van zijn eigen overheersende impuls, waarvoor wij als mensen echter strikt verantwoordelijk zijn. Vandaar de rechtvaardigheid van karmische werkingen.

Kortom, als het reïncarnerende ego tevoorschijn komt uit de monade, bouwt het sluiers of lichamen om zich heen die passen bij het beginsel dat door zo’n sluier wordt omhuld, en zo is de volledige zevenvoudige constitutie van de mens tenslotte voltooid wanneer de afdalende entiteit door middel van haar laagste sluiers het menselijk zaad beroert en daardoor tot leven wekt, en enige maanden later wordt de baby geboren.

Over het mysterie van het menselijk bewustzijn en de ingeboren vermogens van de fysieke cellen schrijft HPB in De Geheime Leer (1:247) het volgende:

Deze innerlijke ziel van de fysieke cel – dit ‘spirituele plasma’, dat het kiemplasma beheerst – is de sleutel die eens de poorten moet openen van de terra incognita van de bioloog, die nu het duistere mysterie van de embryologie wordt genoemd.

Dit heeft aanleiding gegeven tot de vraag of het ‘spirituele plasma’ het levensatoom is. Nee, het spirituele plasma is de monadische essentie, de spirituele karakteristieke kwaliteit die door het reïncarnerende ego werkt. Het levensatoom behoort tot het astrale plasma. Er is erfelijkheid op alle gebieden: spirituele, verstandelijke, psychische, astrale en elementale of fysieke, en er zijn menigten levensatomen die overeenkomen met elk van deze gebieden.

Verder is een levensatoom niet de kiemcel. De menselijke kiemcel bevat een ontelbaar aantal levensatomen. Een levensatoom is een uiterst kleine entiteit, zelfs kleiner dan een elektron; en er zijn uiterst kleine astrale entiteiten die elk het brandpunt vormen, het kanaal, waardoor het geheel van de etherische en spirituele krachten werkt. Met andere woorden, het levensatoom is de onontwikkelde woning of tempel van alle hogere delen van de constitutie van de toekomstige mens; en dit levensatoom zal psychomagnetisch naar de juiste omgeving worden aangetrokken, en zal daar een deel vormen van de kiemcel van de vader.* Deze kiemcel – met haar slapende zaad van groei in zich en bestaande uit andere levensatomen van een minder gevorderd type die bestemd zijn om het toekomstige lichaam van dit bepaalde levensatoom te bouwen – wordt doorgegeven aan de moeder; de vereniging van de twee cellen vindt plaats en de embryonale groei begint.

*Deze regel is even strikt van toepassing op alle andere entiteiten, zoals dieren en planten.

Hoe vindt het terugkerende ego juist dat levenszaad waarvan en waaromheen zijn toekomstige fysieke lichaam zal worden opgebouwd? Hoe trekt het juist dat ene levenszaad tot zich uit het ontelbare aantal levensatomen die tot andere ego’s behoren die op wedergeboorte wachten? Het zou een onverklaarbaar raadsel zijn als een reïncarnerende entiteit niet een natuurlijke of eigen aantrekkingskracht bezat tot een van de vele biljoenen of triljoenen van zulke menselijke levenszaden. Geen enkele reïncarnerende entiteit zou aldus kunnen worden aangetrokken als dat bepaalde zaad niet bij haar hoorde als een product van haar eigen vitaliteit in een vroeger leven.

Het levenszaad behoort noch tot de vader noch tot de moeder. Het behoort tot de reïncarnerende entiteit zelf, en wanneer het ons gebied binnentreedt, is het het eerste zaad dat ontwaakt door de aantrekkingskracht van de psychomagnetische stroom vitaliteit van de reïncarnerende entiteit, omgeven als die is door haar psychomagnetische atmosfeer of aurische ei. Dit levenszaad, dat via het lichaam van de vader dat van de moeder binnengaat, is een van de transmigrerende levensatomen die oorspronkelijk uit het reïncarnerende ego zelf zijn voortgekomen. Op dit beslissende moment is dit levensatoom gereed en in afwachting; de aurische psychomagnetische atmosfeer van het zich wederbelichamende ego trekt het tot zich, omgeeft het en begint het te doorstromen, waardoor het groeit en zich ontwikkelt door soortgelijke levensatomen te verzamelen die tot het vorige leven van de nu terugkerende entiteit hebben behoord – om tenslotte het lichaam van het kindje te worden.

Het is totaal onmogelijk dat deze levenszaden een fout maken als ze worden aangetrokken tot de ouders uit wie het lichaam van het terugkerende ego geboren zal worden. Ze bewegen zich met onfeilbare regelmaat, precisie en nauwkeurigheid, eenvoudig omdat hun bewegingen karmisch automatisch zijn en niet het gevolg van de keuze van een feilbaar menselijk verstand. In laatste instantie worden de levensatomen voortbewogen door de grootse krachten van het heelal, en daarom volgen ze hun instinct, hun psychomagnetische aantrekking, precies zoals de magneetnaald naar het noorden wijst. Die maakt geen fout, ze wijst niet nu eens naar het westen en dan weer naar het zuidoosten. Zo werken ook de levensatomen automatisch, onder de invloed van strenge, karmische, oorzakelijke krachten.

In het geval van tweelingen of drielingen vertonen de levensatomen van het ene kind veel overeenkomst met die van de ander, maar zijn niettemin duidelijk verschillend, want elk van hen is een menselijke individualiteit en wordt, fysiek gesproken, opgebouwd uit de levensatomen van zijn eigen soort, kwaliteit en psychomagnetische aard.

Iedere entiteit vindt haar oorsprong in een vitale kiem, een levenskiem, waarvan het hart een levensatoom is; in feite is ieder menselijk lichaam opgebouwd uit zulke levensatomen, waarin en door middel waarvan de meer geëvolueerde menselijke ziel werkt. De meeste van deze bijzondere levensatomen behoren, als haar kinderen, tot die evoluerende ziel, die zelf het voortbrengsel is van de vitale essentie van de menselijke monade. Maar er gaan door ieder mens andere levensatomen, een bijna ontelbaar aantal, die niet aan zijn lichaam of zijn ziel ontspringen, maar die volgens bepaalde natuurwetten van aantrekking en afstoting door menselijke lichamen transmigreren; en elk van die levensatomen wacht zijn beurt en tijd en plaats af om een mogelijk voertuig te zijn voor het begin van een nieuw menselijk lichaam.

 


Bron van het occultisme, blz. 441-6

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag