Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Vijfde- en zesde-ronders


Iedere ‘ronde’ brengt een nieuwe ontwikkeling en zelfs een volkomen verandering teweeg in de verstandelijke, psychische, spirituele en lichamelijke gesteldheid van de mens, waarbij al deze beginselen trapsgewijs in opgaande lijn evolueren. Hieruit volgt dat personen die, zoals Confucius en Plato, psychisch, verstandelijk en spiritueel tot de hogere evolutiegebieden behoorden, in onze vierde ronde even ver waren als de gemiddelde mens zal zijn in de vijfde ronde, waarvan de mensheid is bestemd om op deze evolutieladder veel hoger te staan dan onze tegenwoordige mensheid. Op dezelfde manier was Gautama Boeddha – de geïncarneerde wijsheid – nog hoger en groter dan de genoemde mensen, die vijfde-ronders heten, en worden Boeddha en Sankaracharya allegorisch zesde-ronders genoemd. Vandaar de verborgen wijsheid van de destijds ‘ontwijkend’ genoemde uitspraak, ‘dat een paar regendruppels nog geen moesson maken, al kondigen ze die aan’.
      – De Geheime Leer, 1:191-2

Sinds het bestaan van de broederschap van adepten en meesters onder de aandacht van de westerse wereld kwam, vooral na de publicatie van enkele van hun brieven in de jaren tachtig [van de negentiende eeuw], hebben onderzoekers zich verbaasd over sommige van hun zinspelingen op vijfde- en zesde-ronders. Het onderwerp is al in een eerder hoofdstuk behandeld, maar om het nog wat meer toe te lichten worden de volgende opmerkingen daaraan toegevoegd.

Een vijfde-ronder is iemand die de toestand van bewustzijn al heeft bereikt die het gemiddelde lid van de mensheid in de vijfde ronde op deze aarde zal bereiken. Een zesde-ronder is iemand die de toestand van bewustzijn heeft bereikt die de gemiddelde mens in de zesde ronde zal bereiken. De menselijke levensgolf met zijn vele graden van evolutionaire ontplooiing die zich in verschillende mensentypen manifesteren, is niet de enige, maar is in werkelijkheid een van de tien families van levensgolven die de ronden op onze planeetketen aarde doorlopen. Er zijn bijvoorbeeld ontelbare aantallen entiteiten die ons voorgaan in evolutionaire ontwikkeling, de voorlopers, en er zijn ook vele wezens die in ons spoor volgen, de achterblijvers.

Er bestaan op onze planeetketen nog andere families van entiteiten, niet alleen nu op aarde, maar ook op de andere zes bollen, zodat wij mensen, de dieren, planten, mineralen en elementalen niet de enigen zijn op deze keten zoals die nu is.

Wanneer in de eerste ronde alle zeven of tien hiërarchieën tenslotte bol G bereiken, verzamelen ze zich allemaal op die bol, die de laatste bol is van de gemanifesteerde zeven, en daar beëindigen ze alle gelijktijdig de eerste ronde vóór het interplanetaire nirvana begint.

Te beginnen met de tweede ronde, als alle lijnen van evolutie of activiteit zijn uitgestippeld en niets vanaf de grond hoeft te worden opgebouwd, gaat de vooruitgang relatief sneller voor de levensgolven die het verst zijn ontwikkeld. Het gevolg hiervan is dat enkele kleine groepen monaden, en ook individuele entiteiten, hun evolutiereis veel sneller maken en dus vóór raken op de overgrote meerderheid van de zeven evoluerende hiërarchieën. Daarom hebben we nu vijfde-ronders onder ons, hoewel we als menselijke groep in onze vierde ronde zijn.

Wanneer onze levensgolf zich naar bol E zal hebben begeven, zijn de sishta’s van het mensenrijk de hoogste of op één na hoogste groep vertegenwoordigers van hun levensgolf. Zij zullen echte vijfde-ronders zijn, en met lange tussenpozen verschijnen er enkele zesde-ronders onder hen. Dit betekent dat zij dan daarna niet de ronde hoeven te doorlopen die voor onze menselijke levensgolf de vijfde is, omdat ze die door hun karakter en eigenschappen als voorlopers al hebben doorlopen; ze hebben een voorsprong op het overgrote deel van hun levensgolf. Precies dezelfde opmerkingen gelden voor de zesde-ronders, die de boeddha’s zijn. Deze zesde-ronders – van wie de spiritualiteit zo hoog is en van wie de ingeboren vermogens die in lange eonen van ervaring zijn verworven, zo groot zijn dat ze zelfs op de vijfde-ronders vooruitlopen – zijn zeer, zeer gering in aantal. Van Gautama de Boeddha wordt gezegd dat hij in de opgetekende geschiedenis de enige volledig ontwikkelde zesde-ronder is.

Hoe voltrekt zich deze innerlijke evolutie? Het is duidelijk dat er in elke verzameling of groep entiteiten enkelen zijn die achterblijven; daarna komt de meerderheid als middengroep, en tenslotte enkelen die voorlopen. Deze laatsten zijn de oudere zielen, zij die het hardst hebben gestreefd en die het zelf voor het grootste deel hebben overwonnen, want ware zelfkennis komt voort uit intelligente zelfbeheersing bij alle gedachten en daden. Bij de dood volgen deze voorlopers dezelfde weg als alle ontlichaamde entiteiten, maar ze doen dat zelf-bewust. Ze volbrengen een eigen individuele ronde door de planeetketen, eerst door op te klimmen langs de lichtende boog tot ze de hoogste bol bereiken; dan, na een betrekkelijk lange nirvanische rust, dalen ze weer af door de bollen op de neergaande boog tot ze bol D of onze aarde weer bereiken; en omdat ze dus vooruitlopend op de levensgolf een ronde hebben volbracht, zijn ze vijfde-ronders wanneer ze naar onze bol terugkeren.

Ze vorderen door de ervaringen die ze hebben opgedaan op de verschillende gebieden van de andere bollen en door op elk van deze bollen verschillende belichamingen te hebben; deze ervaringen worden als karakter opgenomen in het weefsel van de ziel. Het is een voortgaande en natuurlijke innerlijke groei, wat niets anders is dan een steeds toenemende manifestatie van de monade, de innerlijke god. Met andere woorden, op deze andere bollen ondergaan deze rondtrekkende monaden zelfbewuste ervaringen in plaats van gedurende de hele periode tussen aardse levens in een lang devachan verzonken te zijn, zoals gebruikelijk is bij reïncarnerende ego’s. Het moet hieruit duidelijk zijn dat de evolutionaire ontwikkeling van de vijfde- en zesde-ronders niet uitsluitend wordt bereikt door training, inwijding of zelfstudie tijdens de incarnaties op deze bol D. Hoe onmisbaar al deze methoden ook zijn, het zou volslagen onmogelijk zijn om alleen op deze wijze een echte vijfde- of zesde-ronder te worden.

Een zesde-ronder is iemand die, omdat hij vooruitloopt op de menselijke levensgolf, buddhi of het zesde beginsel in hem tot activiteit heeft gewekt, omdat buddhi haar evolutie ondergaat in de zesde ronde; terwijl de vijfde-ronder iemand is die het vijfde beginsel, manas, min of meer volledig in zich heeft doen ontwaken. Omdat wij mensen ons in het midden van de vierde ronde bevinden, zijn we nog bezig ons vierde beginsel, kama, te ontwikkelen.

De zesde-ronders zijn zo gering in aantal dat we met zekerheid kunnen zeggen dat een ware zesde-ronder altijd een boeddha is, of iemand die gelijkstaat aan een boeddha. Het hele wezen van die mens is vervuld met de luister van de god in hem. Toch zijn er zelfs nu veel vijfde-ronders onder ons, maar ze bevinden zich in geen geval allemaal op hetzelfde niveau van vijfde-ronde-ontwikkeling: er zijn gevorderden, minder gevorderden, en zij die nog maar pas vijfde-ronders zijn geworden. Als deze rondtrekkende zielen zover zijn gevorderd dat ze daarvoor in zichzelf de spirituele, verstandelijke en psychische kracht kunnen vinden, vervolgen ze zonder onderbreking gedurende nog één ronde het proces van zelfbewuste belichamingen op de andere bollen, en wanneer ze dan de aarde weer bereiken doen ze dat als zesde-ronders.

Het is misschien interessant om de volgende passage aan te halen uit een van de brieven van KH* geschreven in antwoord op een vraag van A.P. Sinnett of een mens van de vijfde ronde, als hij ‘zich aan occultisme zou wijden en een adept werd . . . aan verdere aardse incarnaties zou ontsnappen?’

*De Mahatma Brieven, blz. 127.

Nee; met uitzondering van de Boeddha – een wezen van de zesde ronde, omdat hij in zijn vroegere incarnaties de weg met zoveel succes had afgelegd dat hij zelfs zijn voorgangers was voorbijgestreefd. Maar onder een miljard mensen is er maar één zoals hij. Hij verschilde van andere mensen evenzeer in zijn uiterlijk als in spiritueel opzicht en in kennis. Maar zelfs hij ontsnapte alleen hier op aarde aan verdere reïncarnaties; en wanneer de laatste van de mensen van de zesde ronde van de derde ring van deze aarde is vertrokken, zal de Grote Leraar op de volgende planeet moeten reïncarneren. Maar hij zal, omdat hij de nirvanische gelukzaligheid en rust voor de verlossing van zijn medeschepselen heeft opgeofferd, worden herboren op de hoogste – de zevende ring van die hogere planeet. Tot dan zal hij elke tienduizend jaar een uitverkoren individu overschaduwen (we kunnen beter zeggen en eraan toevoegen ‘heeft hij reeds overschaduwd’) die in het algemeen aan het lot van de volkeren een andere wending heeft gegeven. Zie Isis, Deel I, blz. 34 en 35, laatste en eerste alinea op de bladzijden [van de Engelse editie].

Voorzover bekend heeft de mensheid tot nog toe geen zevende-ronder voortgebracht, een voorloper die drie ronden vóór is op de algemene levensgolf. De meerderheid van de mahatma’s zijn òf zeer ver gevorderde vijfde-ronders, òf staan op het punt over te gaan naar het zesde-ronder-schap; hun chela’s zijn minder ver gevorderde vijfde-ronders.

Behalve dat deze voorlopers onder de monaden zich na de dood min of meer zelfbewust wederbelichamen op de andere bollen van onze planeetketen en zo het vijfde-ronder-schap bereiken – waren ze, toen ze de maanketen verlieten, evolutionair gezien al verder gevorderd dan de meerderheid van hun medemensen. In de loop van hun ronden op onze huidige aardketen en zelfs al in de derde ronde, begonnen de voorhoede vormende wederbelichamende ego’s zo sterk de werking van spirituele en verstandelijke eigenschappen en vermogens in zich te voelen, dat ze als het ware de grote menigte van ego’s in de menselijke levensgolf verlieten en zich belichaamden op de diverse bollen van de keten, vóór de meerderheid van ego’s. Deze voorsprong in evolutiegraad wordt dan gehandhaafd, zelfs als het overgrote deel van de menselijke levensgolf op haar beurt de vierde ronde bereikt, zodat deze voorlopers tegen die tijd in feite in hun vijfde ronde kunnen zijn, en in enkele gevallen zelfs in hun zesde ronde.

In 1882 gaf KH over dit onderwerp de volgende uitleg:*

*De Mahatma Brieven, blz. 104-5.

De zevenvoudige ordening en haar details zouden voor de mens onbegrijpelijk zijn als hij niet het vermogen had, zoals de hogere adepten hebben bewezen, zijn 6de en 7de zintuig vervroegd te ontwikkelen – in de overeenkomstige ronden zullen allen van nature daarmee zijn begiftigd. Onze Heer Boeddha – een mens van de 6de ronde – zou, met al zijn grote, in vroegere wedergeboorten verworven verdiensten, niet in ons tijdperk zijn verschenen als het niet was vanwege een mysterie. . . .

Omdat de mens bij het voltooien van zijn zevende ring op A pas aan zijn eerste op Z is begonnen, en omdat A sterft wanneer hij hem verlaat om naar B te gaan, enz., en hij ook na Z in de intercyclische sfeer moet blijven, zoals hij deed tussen elke twee planeten, tot de impuls de keten opnieuw beroert, is het duidelijk dat niemand zijn soortgenoten meer dan één ronde vooruit kan zijn. En Boeddha vormt daarop slechts een uitzondering op grond van een mysterie. Wij hebben mensen van de vijfde ronde onder ons omdat we in de tweede helft van onze zevenvoudige ring van de aarde zijn. In de eerste helft zou dit niet hebben kunnen gebeuren. De talloze myriaden van de mensheid van onze vierde ronde die ons zijn voorbijgegaan en hun zeven ringen op Z hebben voltooid, hebben tijd gehad om door hun intercyclische periode te gaan, hun nieuwe ronde te beginnen, en zich op te werken tot bol D (de onze). Maar hoe kunnen er mensen zijn van de 1ste, 2de, 3de, 6de en 7de ronde? Wij vertegenwoordigen de eerste drie, en die van de zesde kunnen slechts zelden en voortijdig komen, zoals boeddha’s (alleen onder omstandigheden die daarvoor worden gereedgemaakt) en de laatsten, die van de zevende, zijn nog niet ontwikkeld!

In het algemeen gesproken betekent het ‘mysterie’ dat deze zeldzame enkelingen, die bestemd zijn om zelfs al in de vierde ronde zesde-ronders te worden, worden geholpen en individueel geleid door bepaalde dhyani-chohanische wezens die deze voorlopende ego’s niet alleen aanmoedigen en beschermen, maar die dat ook doen wanneer die ego’s de verschillende inwijdingen ondergaan die ze moeten meemaken. Dit mysterie houdt verder in dat deze voorlopers worden geholpen om zich op elk van de bollen van onze planeetketen volledig en zelfbewust te belichamen, waardoor ze in staat worden gesteld de ervaringen op te doen die de meerderheid van de vierde-ronders pas kan hebben wanneer het overgrote deel van de levensgolf deze verschillende bollen bereikt.

 


Bron van het occultisme, blz. 570-5

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag