Vijfde- en zesde-ronders
Iedere ‘ronde’ brengt een nieuwe
ontwikkeling en zelfs een volkomen verandering teweeg in de verstandelijke,
psychische, spirituele en lichamelijke gesteldheid van de mens, waarbij
al deze beginselen trapsgewijs in opgaande lijn evolueren. Hieruit
volgt dat personen die, zoals Confucius en Plato, psychisch, verstandelijk
en spiritueel tot de hogere evolutiegebieden behoorden, in onze vierde
ronde even ver waren als de gemiddelde mens zal zijn in de vijfde
ronde, waarvan de mensheid is bestemd om op deze evolutieladder veel
hoger te staan dan onze tegenwoordige mensheid. Op dezelfde manier
was Gautama Boeddha – de geïncarneerde wijsheid –
nog hoger en groter dan de genoemde mensen, die vijfde-ronders heten,
en worden Boeddha en Sankaracharya allegorisch zesde-ronders genoemd.
Vandaar de verborgen wijsheid van de destijds ‘ontwijkend’
genoemde uitspraak, ‘dat een paar regendruppels nog geen moesson
maken, al kondigen ze die aan’.
– De Geheime Leer, 1:191-2
Sinds het bestaan van de broederschap van adepten
en meesters onder de aandacht van de westerse wereld kwam, vooral na
de publicatie van enkele van hun brieven in de jaren tachtig [van de
negentiende eeuw], hebben onderzoekers zich verbaasd over sommige van
hun zinspelingen op vijfde- en zesde-ronders. Het onderwerp is al in
een eerder hoofdstuk behandeld, maar om het nog wat meer toe te lichten
worden de volgende opmerkingen daaraan toegevoegd.
Een vijfde-ronder is iemand die de toestand van
bewustzijn al heeft bereikt die het gemiddelde lid van de mensheid in
de vijfde ronde op deze aarde zal bereiken. Een zesde-ronder is iemand
die de toestand van bewustzijn heeft bereikt die de gemiddelde mens
in de zesde ronde zal bereiken. De menselijke levensgolf met zijn vele
graden van evolutionaire ontplooiing die zich in verschillende mensentypen
manifesteren, is niet de enige, maar is in werkelijkheid een van de
tien families van levensgolven die de ronden op onze planeetketen aarde
doorlopen. Er zijn bijvoorbeeld ontelbare aantallen entiteiten die ons
voorgaan in evolutionaire ontwikkeling, de voorlopers, en er zijn ook
vele wezens die in ons spoor volgen, de achterblijvers.
Er bestaan op onze planeetketen nog andere families
van entiteiten, niet alleen nu op aarde, maar ook op de andere zes bollen,
zodat wij mensen, de dieren, planten, mineralen en elementalen niet
de enigen zijn op deze keten zoals die nu is.
Wanneer in de eerste ronde alle zeven of tien hiërarchieën
tenslotte bol G bereiken, verzamelen ze zich allemaal op die bol, die
de laatste bol is van de gemanifesteerde zeven, en daar beëindigen
ze alle gelijktijdig de eerste ronde vóór het interplanetaire
nirvana begint.
Te beginnen met de tweede ronde, als alle lijnen
van evolutie of activiteit zijn uitgestippeld en niets vanaf de grond
hoeft te worden opgebouwd, gaat de vooruitgang relatief sneller voor
de levensgolven die het verst zijn ontwikkeld. Het gevolg hiervan is
dat enkele kleine groepen monaden, en ook individuele entiteiten, hun
evolutiereis veel sneller maken en dus vóór raken op de
overgrote meerderheid van de zeven evoluerende hiërarchieën.
Daarom hebben we nu vijfde-ronders onder ons, hoewel we als menselijke
groep in onze vierde ronde zijn.
Wanneer onze levensgolf zich naar bol E zal hebben
begeven, zijn de sishta’s van het mensenrijk de hoogste of op
één na hoogste groep vertegenwoordigers van hun levensgolf.
Zij zullen echte vijfde-ronders zijn, en met lange tussenpozen verschijnen
er enkele zesde-ronders onder hen. Dit betekent dat zij dan daarna niet
de ronde hoeven te doorlopen die voor onze menselijke levensgolf de
vijfde is, omdat ze die door hun karakter en eigenschappen als voorlopers
al hebben doorlopen; ze hebben een voorsprong op het overgrote deel
van hun levensgolf. Precies dezelfde opmerkingen gelden voor de zesde-ronders,
die de boeddha’s zijn. Deze zesde-ronders – van wie de spiritualiteit
zo hoog is en van wie de ingeboren vermogens die in lange eonen van
ervaring zijn verworven, zo groot zijn dat ze zelfs op de vijfde-ronders
vooruitlopen – zijn zeer, zeer gering in aantal. Van Gautama de
Boeddha wordt gezegd dat hij in de opgetekende geschiedenis de enige
volledig ontwikkelde zesde-ronder is.
Hoe voltrekt zich deze innerlijke evolutie? Het
is duidelijk dat er in elke verzameling of groep entiteiten enkelen
zijn die achterblijven; daarna komt de meerderheid als middengroep,
en tenslotte enkelen die voorlopen. Deze laatsten zijn de oudere zielen,
zij die het hardst hebben gestreefd en die het zelf voor het grootste
deel hebben overwonnen, want ware zelfkennis komt voort uit intelligente
zelfbeheersing bij alle gedachten en daden. Bij de dood volgen deze
voorlopers dezelfde weg als alle ontlichaamde entiteiten, maar ze doen
dat zelf-bewust. Ze volbrengen een eigen individuele ronde
door de planeetketen, eerst door op te klimmen langs de lichtende boog
tot ze de hoogste bol bereiken; dan, na een betrekkelijk lange nirvanische
rust, dalen ze weer af door de bollen op de neergaande boog tot ze bol
D of onze aarde weer bereiken; en omdat ze dus vooruitlopend op de levensgolf
een ronde hebben volbracht, zijn ze vijfde-ronders wanneer ze naar onze
bol terugkeren.
Ze vorderen door de ervaringen die ze hebben opgedaan
op de verschillende gebieden van de andere bollen en door op elk van
deze bollen verschillende belichamingen te hebben; deze ervaringen worden
als karakter opgenomen in het weefsel van de ziel. Het is een voortgaande
en natuurlijke innerlijke groei, wat niets anders is dan een steeds
toenemende manifestatie van de monade, de innerlijke god. Met andere
woorden, op deze andere bollen ondergaan deze rondtrekkende monaden
zelfbewuste ervaringen in plaats van gedurende de hele periode tussen
aardse levens in een lang devachan verzonken te zijn, zoals gebruikelijk
is bij reïncarnerende ego’s. Het moet hieruit duidelijk zijn
dat de evolutionaire ontwikkeling van de vijfde- en zesde-ronders niet
uitsluitend wordt bereikt door training, inwijding of zelfstudie tijdens
de incarnaties op deze bol D. Hoe onmisbaar al deze methoden ook zijn,
het zou volslagen onmogelijk zijn om alleen op deze wijze een echte
vijfde- of zesde-ronder te worden.
Een zesde-ronder is iemand die, omdat hij vooruitloopt
op de menselijke levensgolf, buddhi of het zesde beginsel in hem tot
activiteit heeft gewekt, omdat buddhi haar evolutie ondergaat in de
zesde ronde; terwijl de vijfde-ronder iemand is die het vijfde beginsel,
manas, min of meer volledig in zich heeft doen ontwaken. Omdat wij mensen
ons in het midden van de vierde ronde bevinden, zijn we nog bezig ons
vierde beginsel, kama, te ontwikkelen.
De zesde-ronders zijn zo gering in aantal dat we
met zekerheid kunnen zeggen dat een ware zesde-ronder altijd een boeddha
is, of iemand die gelijkstaat aan een boeddha. Het hele wezen van die
mens is vervuld met de luister van de god in hem. Toch zijn er zelfs
nu veel vijfde-ronders onder ons, maar ze bevinden zich in geen geval
allemaal op hetzelfde niveau van vijfde-ronde-ontwikkeling: er zijn
gevorderden, minder gevorderden, en zij die nog maar pas vijfde-ronders
zijn geworden. Als deze rondtrekkende zielen zover zijn gevorderd dat
ze daarvoor in zichzelf de spirituele, verstandelijke en psychische
kracht kunnen vinden, vervolgen ze zonder onderbreking gedurende nog
één ronde het proces van zelfbewuste belichamingen op
de andere bollen, en wanneer ze dan de aarde weer bereiken doen ze dat
als zesde-ronders.
Het is misschien interessant om de volgende passage
aan te halen uit een van de brieven van KH* geschreven in antwoord op
een vraag van A.P. Sinnett of een mens van de vijfde ronde, als hij
‘zich aan occultisme zou wijden en een adept werd . . . aan verdere
aardse incarnaties zou ontsnappen?’
*De Mahatma Brieven, blz. 127.
Nee; met uitzondering van de Boeddha – een
wezen van de zesde ronde, omdat hij in zijn vroegere incarnaties de
weg met zoveel succes had afgelegd dat hij zelfs zijn voorgangers
was voorbijgestreefd. Maar onder een miljard mensen is er
maar één zoals hij. Hij verschilde van andere mensen
evenzeer in zijn uiterlijk als in spiritueel opzicht en in kennis.
Maar zelfs hij ontsnapte alleen hier op aarde aan verdere reïncarnaties;
en wanneer de laatste van de mensen van de zesde ronde van de derde
ring van deze aarde is vertrokken, zal de Grote Leraar op de volgende
planeet moeten reïncarneren. Maar hij zal, omdat hij de nirvanische
gelukzaligheid en rust voor de verlossing van zijn medeschepselen
heeft opgeofferd, worden herboren op de hoogste – de zevende
ring van die hogere planeet. Tot dan zal hij elke tienduizend jaar
een uitverkoren individu overschaduwen (we kunnen beter zeggen
en eraan toevoegen ‘heeft hij reeds overschaduwd’)
die in het algemeen aan het lot van de volkeren een andere wending
heeft gegeven. Zie Isis, Deel I, blz. 34 en 35, laatste en
eerste alinea op de bladzijden [van de Engelse editie].
Voorzover bekend heeft de mensheid tot nog toe geen
zevende-ronder voortgebracht, een voorloper die drie ronden vóór
is op de algemene levensgolf. De meerderheid van de mahatma’s
zijn òf zeer ver gevorderde vijfde-ronders, òf staan op
het punt over te gaan naar het zesde-ronder-schap; hun chela’s
zijn minder ver gevorderde vijfde-ronders.
Behalve dat deze voorlopers onder de monaden zich
na de dood min of meer zelfbewust wederbelichamen op de andere bollen
van onze planeetketen en zo het vijfde-ronder-schap bereiken –
waren ze, toen ze de maanketen verlieten, evolutionair gezien al verder
gevorderd dan de meerderheid van hun medemensen. In de loop van hun
ronden op onze huidige aardketen en zelfs al in de derde ronde, begonnen
de voorhoede vormende wederbelichamende ego’s zo sterk de werking
van spirituele en verstandelijke eigenschappen en vermogens in zich
te voelen, dat ze als het ware de grote menigte van ego’s in de
menselijke levensgolf verlieten en zich belichaamden op de diverse bollen
van de keten, vóór de meerderheid van ego’s. Deze
voorsprong in evolutiegraad wordt dan gehandhaafd, zelfs als het overgrote
deel van de menselijke levensgolf op haar beurt de vierde ronde bereikt,
zodat deze voorlopers tegen die tijd in feite in hun vijfde ronde kunnen
zijn, en in enkele gevallen zelfs in hun zesde ronde.
In 1882 gaf KH over dit onderwerp de volgende uitleg:*
*De Mahatma Brieven, blz. 104-5.
De zevenvoudige ordening en haar details zouden voor
de mens onbegrijpelijk zijn als hij niet het vermogen had, zoals de
hogere adepten hebben bewezen, zijn 6de en 7de zintuig vervroegd te
ontwikkelen – in de overeenkomstige ronden zullen allen van
nature daarmee zijn begiftigd. Onze Heer Boeddha – een mens
van de 6de ronde – zou, met al zijn grote, in vroegere wedergeboorten
verworven verdiensten, niet in ons tijdperk zijn verschenen als het
niet was vanwege een mysterie. . . .
Omdat de mens bij het voltooien van zijn zevende
ring op A pas aan zijn eerste op Z is begonnen, en omdat A sterft
wanneer hij hem verlaat om naar B te gaan, enz., en hij ook na Z in
de intercyclische sfeer moet blijven, zoals hij deed tussen elke twee
planeten, tot de impuls de keten opnieuw beroert, is het duidelijk
dat niemand zijn soortgenoten meer dan één ronde vooruit
kan zijn. En Boeddha vormt daarop slechts een uitzondering op grond
van een mysterie. Wij hebben mensen van de vijfde ronde onder ons
omdat we in de tweede helft van onze zevenvoudige ring van de aarde
zijn. In de eerste helft zou dit niet hebben kunnen gebeuren. De talloze
myriaden van de mensheid van onze vierde ronde die ons zijn voorbijgegaan
en hun zeven ringen op Z hebben voltooid, hebben tijd gehad om door
hun intercyclische periode te gaan, hun nieuwe ronde te beginnen,
en zich op te werken tot bol D (de onze). Maar hoe kunnen er mensen
zijn van de 1ste, 2de, 3de, 6de en 7de ronde? Wij vertegenwoordigen
de eerste drie, en die van de zesde kunnen slechts zelden en voortijdig
komen, zoals boeddha’s (alleen onder omstandigheden die daarvoor
worden gereedgemaakt) en de laatsten, die van de zevende, zijn nog
niet ontwikkeld!
In het algemeen gesproken betekent het ‘mysterie’
dat deze zeldzame enkelingen, die bestemd zijn om zelfs al in de vierde
ronde zesde-ronders te worden, worden geholpen en individueel geleid
door bepaalde dhyani-chohanische wezens die deze voorlopende ego’s
niet alleen aanmoedigen en beschermen, maar die dat ook doen wanneer
die ego’s de verschillende inwijdingen ondergaan die ze moeten
meemaken. Dit mysterie houdt verder in dat deze voorlopers worden geholpen
om zich op elk van de bollen van onze planeetketen volledig en zelfbewust
te belichamen, waardoor ze in staat worden gesteld de ervaringen op
te doen die de meerderheid van de vierde-ronders pas kan hebben wanneer
het overgrote deel van de levensgolf deze verschillende bollen bereikt.
Bron
van het Occultisme, blz. 570-5
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag