De inwijdingscyclus
De kern van ons wezen is zuiver bewustzijn, en naarmate we ons verbinden
met onze innerlijke god, met dat zuivere monadische bewustzijn, zal
kennis op een natuurlijke manier tot ons komen. Ons inzicht zal zich
verruimen en tenslotte kosmisch worden; dan zullen we beseffen dat er
nog een andere, grootsere kosmos is, waarvan onze kosmos slechts een
atoom is. Dat is het pad van evolutie, van groei, innerlijk en uiterlijk;
het is het pad van inwijding, het pad naar almachtige liefde en mededogen.
Het woord initiatie [inwijding] komt van een Latijnse
wortel die beginnen betekent, en esoterisch houdt dat een nieuw worden
in, een begin maken met een manier van leven en studeren die tenslotte
de spirituele en intellectuele grootsheid die een mens in zich heeft,
volledig naar buiten brengt. Het is in werkelijkheid een versnelling
van het evolutieproces, niet in de zin dat een stadium wordt overgeslagen,
maar door in een korte periode te bereiken wat in het natuurlijke verloop
eonen van streven zou duren.
Esoterische training is daarom vaak pijnlijk, want
het betekent versnelde groei, op snelle en energieke wijze dat doen
wat in de gewone natuurprocessen vele, vele tienduizenden, misschien
miljoenen jaren zou kosten. Het is soms pijnlijk omdat, in plaats van
langzaam te groeien en overal de schoonheid en harmonie van het leven
te zien, men moet leren zich met een ijzeren wil te beheersen; zich
volkomen te vergeten, allen te dienen, zijn eigen zelf op te geven voor
het universele zelf, dagelijks te sterven om het kosmische leven te
kunnen leiden.
Ik denk dat ieder mens het een vanzelfsprekende
zaak vindt dat hij, vanaf de tijd dat hij voor het eerst uit de schoot
van het oneindige tevoorschijn kwam als een onzelfbewuste godsvonk,
tot hij het goddelijke weer bereikt als een zelfbewuste god, vele, vele
keren zal mislukken, maar uiteindelijk zal slagen – als hij steeds
opstaat en verdergaat. Mislukken is niet zo erg. Achteruitgaan, stilstaan,
de evolutiestroom laten voorbijgaan, en achterblijven, dat is moreel
onjuist. Het is onze plicht vooruit te gaan, onpersoonlijk en onzelfzuchtig
te worden. Het is duidelijk dat de term ‘achteruitgaan’
niet een werkelijk achterwaartse beweging van een lichaam inhoudt. Het
idee is ontleend aan de menselijke ervaring. We kunnen met grote moed
en laaiend enthousiasme aan iets beginnen, en dan worden we ontmoedigd,
keren op onze schreden terug, en laten de daad ongedaan. Strikt genomen
is achteruitgang onmogelijk, want de natuur sluit de deur elk ogenblik
achter ons; ook betekent het niet het ongedaan maken van wat de evolutie
tot stand heeft gebracht. Het betekent veeleer dieper in de stof afdalen
in plaats van verder in de geest opstijgen, met andere woorden, het
veranderen van de richting van onze evolutiereis.
Nooit was er een mahatma die niet heeft gefaald,
niet vele, vele keren heeft gefaald. Het is jammer als we tekortschieten,
maar het kan worden rechtgezet, en door een sterke wil in een overwinning
worden omgezet. Om de woorden van W.Q. Judge aan te halen:*
*‘Answers to Correspondence’, september 1892;
Echoes of the Orient, 3:410.
We kunnen bij bepaalde daden of pogingen ‘tekortschieten’,
maar zolang we blijven doorzetten zijn het geen ‘mislukkingen’
maar lessen die op zichzelf noodzakelijk zijn. Door weerstand en inspanning
verwerven we nieuwe kracht; we verzamelen in onszelf – en wel
volgens occulte wetten – alle kracht die we hebben verworven
door te volharden. Volledig ‘succes’ is nu niet voor ons
weggelegd, maar wel een voortdurend en volhardend streven, en dat
is succes en niet het alleen maar verwezenlijken van al onze plannen
of pogingen. Bovendien zijn er, hoe hoog we in de natuur ook komen,
altijd weer nieuwe sporten van de ladder te beklimmen – die
ladder waarvan elke sport met inspanning en pijn wordt beklommen,
maar ook met de grote vreugde van bewuste kracht en wil. Zelfs de
adept komt voor nieuwe beproevingen te staan. Bedenk ook dat als we
zeggen ‘ik ben tekortgeschoten’ dit aantoont dat we aspiraties
hadden en nog steeds hebben. En omdat dit zo is en we nog verhevener
hoogten van volmaking vóór ons hebben om te beklimmen,
zal de natuur ons nooit in de steek laten. We klimmen en streven,
en het gevoel tekort te schieten is het beste bewijs daarvan. Maar
de natuur heeft niets aan iemand die de grens van zijn aspiraties
heeft bereikt of ze heeft opgegeven. Daarom ‘is elke mislukking
inderdaad een succes’. Hoe hoger de aspiraties in het begin
zijn, hoe groter de moeilijkheden die u zult ontmoeten. Vergeet dus
niet dat doorgaan met pogen, zelfs als men voortdurend faalt, de enige
weg is om werkelijk succes te hebben.
Het doel van inwijding is dat de mens zich aansluit
bij de goden, en daarmee wordt een begin gemaakt door de neofiet één
te laten worden met zijn eigen innerlijke god. Het betekent niet alleen
een verbond met de goden, maar ook dat de initiant, de leerling, als
hij slaagt, achter sluier na sluier zal doordringen: eerst van het stoffelijke
heelal en dan van de andere heelallen binnen het fysiek-stoffelijke,
en elke keer dat men achter een sluier doordringt, betekent dat het
leren kennen van een nog grootser mysterie. Kortom, het is het zelfbewust
één-worden met het spiritueel-goddelijke heelal; het verruimen
van het bewustzijn, zodat dit van een louter menselijk een kosmisch
bereik krijgt. De mens is dus in zijn denken en bewustzijn thuis in
ieder deel van het universele zijn – evenzeer thuis op Sirius
of de Poolster als op Canopus of op aarde, en dat geldt nog meer ten
aanzien van de onzichtbare werelden.
Inwijding betekent het versnellen van het evolutieproces,
het stimuleren van de innerlijke mens in tegenstelling tot de uiterlijke
fysieke persoon. In de hogere graden brengt ze vermogens en een ontplooiing
van het bewustzijn met zich mee die werkelijk goddelijk zijn; maar ze
houdt ook in dat men goddelijke verantwoordelijkheden op zich neemt.
Niemand wordt een esotericus door alleen een briefje te tekenen; hij
kan dat niet worden als er niet een glimp van buddhisch licht in zijn
hart schijnt en zijn denken verlicht. Een geboren esotericus is iemand
die met tenminste een straaltje christuslicht in zich ter wereld is
gekomen. Zo iemand zal vroeg of laat, even zeker als het karmische proces
onveranderlijk zijn weg volgt, tot het pad worden aangetrokken, want
het betekent het verwezenlijken van zijn in het verleden voorbereide
en gevormde bestemming, wat tot uitdrukking komt in zijn karakter zoals
het nu is en in het daaruit voortvloeiende vermogen instinctief de waarheid
te herkennen.*
*Er zijn nu en dan gevallen van mensen die in vroegere
levens chela’s zijn geweest, maar die op het pad zijn gestruikeld
en op een voor hen zeer ongelukkige wijze de verbinding met hun leraar
hebben verbroken. Maar door hun vroegere voortreffelijke eigenschappen
komen ze, wanneer de volgende of misschien de tweede incarnatie plaatsvindt,
in het leven begiftigd met ongewone krachten of vermogens; ze worden
geboren met een voorraad vergaarde innerlijke, spirituele, mentale
en psychische ervaringen, die hen licht geven en hen helpen in contact
te blijven met de innerlijke god.
HPB noemde hen de troetelkinderen van de nirmanakaya’s
en wijst op Jacob Böhme als voorbeeld. Hij was iemand die door
een bepaalde eigenzinnigheid van ernstige aard de schakel had verbroken,
maar ver genoeg was gevorderd om de spirituele eigenschappen die hij
had verworven niet te verliezen. Hoewel niet meer een rechtstreekse
chela, werd er niettemin een wakend oog op hem gehouden, kreeg hij
hulp en werd zijn toekomstige vooruitgang voorzichtig gestimuleerd,
zodat hij in het volgende leven (of zelfs aan het einde van zijn leven
als Jacob Böhme) misschien weer bewust contact maakt of heeft
gemaakt. Met andere woorden, Böhme had spirituele ervaringen;
hij wijdde zichzelf in vanuit de bron van licht in hem die hij in
vroeger dagen had verworven toen hij een aangenomen chela was. In
feite is, zoals gezegd, alle inwijding zelfinwijding, zelfontwaking.
Een leraar leidt, helpt, bemoedigt, stimuleert en steunt alleen maar.
Vgl. De Geheime Leer, 1:542.
Het minst belangrijke en eigenlijk te verwaarlozen
deel van inwijding is het ritueel. Inwijding kan niet aan een ander
worden overgedragen. Alle groei, alle spirituele verlichting, vindt
in onszelf plaats. Er is geen andere weg. Symbolische riten
en uiterlijke attributen zijn slechts hulpmiddelen voor de leerling,
hulpmiddelen om het vermogen van innerlijke visie, het innerlijke oog,
te ontwikkelen. Daarom is elke inwijdingsbeproeving, waar ook ondergaan
of hoe ook geregeld, in essentie een individueel innerlijk ontwaken.
Was dat niet zo, dan zou er geen inwijding bestaan, behalve als een
leeg ritueel, bijna zoals de sacramenten van de hedendaagse kerken voor
het grootste gedeelte zijn; maar zelfs deze zijn afspiegelingen, hoe
zwak ook, van werkelijke ervaringen van chela’s die een inwijding
hebben ondergaan.
De oude mysteriën van Griekenland, zoals die
welke door de Staat werden gehouden in Eleusis en Samothrace, of Delphi,
of die plaatsvonden bij het Orakel van Trophonius, waren overwegend
ceremonieel van aard. Toch hielden ze alle, zelfs in de tijd van verval,
een zekere mate van werkelijke spirituele ervaring in. Ik zou hieraan
willen toevoegen dat de in de literatuur gevonden aanwijzingen over
de beproevingen waarvoor men komt te staan en die men moet doorstaan,
niet te letterlijk moeten worden opgevat, al zijn ze ook niet helemaal
denkbeeldig; het zijn symbolische voorstellingen van wat de initiant
innerlijk te wachten staat. Want gedachten zijn mentale entiteiten en
bezitten daarom een eigen vorm en kracht, en de mens moet zijn lagere
natuur overwinnen, of mislukken.
Er zijn in de inwijdingscyclus tien graden, maar
we hoeven ons slechts bezig te houden met de zeven die betrekking hebben
op de zeven gemanifesteerde gebieden van het zonnestelsel – de
hoogste drie gaan het huidige menselijke begripsvermogen geheel te boven
en dat blijft zo tot ons bewustzijn werkelijk universeel, bovenmenselijk
zal zijn geworden. Deze zeven graden zijn de zeven grote poorten waar
de pelgrim doorheen moet voor hij quasi-goddelijkheid bereikt. Tussen
elk van deze poorten bevinden zich zeven kleinere deuren waar men doorheen
moet en elke deur is een stap in de training, in de scholing, zodat
er in totaal negenenveertig stadia zijn, zoals er ook negenenveertig
gebieden in ons zonnestelsel bestaan: zeven hoofdgebieden en zeven subgebieden
of kleinere werelden of rijken binnen elk van de eerstgenoemde zeven.
De eerste drie trappen of graden hebben te maken
met studie, met een voortdurend streven spiritueel en mentaal te groeien,
zich te ontwikkelen en edeler te worden; en ook met het leiden van het
leven. Ze zijn symbolisch, d.w.z. gedramatiseerd voorzover het de riten
betreft. Er is ook onderricht (wat het grootste deel van deze riten
uitmaakt) over diepe geheimen van de natuur, onderricht dat zelden in
een logische vorm en volgorde wordt gegeven, want dat is de verstandelijke
manier, maar door hier en daar aanwijzingen te geven en toespelingen
te maken. De methode beoogt niet het hoofd van de leerling vol te stoppen
met gedachten van anderen, maar in hem het spirituele vuur op te wekken
dat het begripsvermogen doet ontwaken, zodat de neofiet inderdaad zijn
eigen inwijder wordt.
De ideeën of gedachten die men van buitenaf
ontvangt, zijn slechts uiterlijke aansporingen, die een innerlijke trilling
opwekken als voorbereiding op het ontvangen van het innerlijke licht.
Gedachteoverbrenging is slechts een manier van spreken. Er worden indrukken
gemaakt die een overeenkomstige snaar in het psychische gestel van de
ontvanger doen trillen en onmiddellijk flitst de overeenkomstige kennis
op uit het hogere denkvermogen van de ontvanger zelf. Toewijding aan
de waarheid die zover gaat dat men zichzelf totaal vergeet, opent het
ontvangkanaal. Licht en kennis treden dan hoofd en hart binnen –
vanuit onszelf, uit onze innerlijke god, die op deze manier wordt gewekt
of, beter gezegd, begint te functioneren, al is dat tijdelijk; en zo
wijdt de mens zichzelf in. Het hele proces is gebaseerd op de wetten
van de natuur, op de natuurlijke groei van het begripsvermogen, van
de innerlijke visie.
Met de vierde inwijding begint een nieuwe reeks
innerlijke ontplooiingen – dat wil zeggen dat niet alleen de studie,
aspiratie en een hogere levenswijze in de volgende fasen worden voortgezet,
maar dat er in deze graad iets nieuws gebeurt. Vanaf dat moment begint
de initiant zijn persoonlijke menszijn te verliezen en op te gaan in
het goddelijke, dat wil zeggen dat men het louter menselijke begint
te verliezen en de goddelijke staat ingaat. Hem wordt geleerd hoe hij
zijn fysieke lichaam en zijn fysieke hersenen kan verlaten en kan opstijgen
in de grote ruimten, niet alleen van het fysieke heelal, maar tevens
en meer in het bijzonder van de onzichtbare gebieden. Dan leert hij
hoe hij het innerlijke bewustzijn van de entiteiten en sferen waarmee
hij in contact komt, kan worden, kan zijn en kan binnengaan.
De reden hiervoor is dat men om iets ten volle te
kennen, het moet zijn; als men precies wil begrijpen wat het
in al zijn facetten is, moet men het worden, althans tijdelijk.
Het bewustzijn moet samenvloeien met het bewustzijn van de entiteit
of het wezen waarvan men op dat moment de betekenis leert kennen. Daaruit
komen de quasi-mystieke verhalen voort over de ‘afdaling’
van de initiant in de ‘hel’ om te leren hoe het leven van
de helbewoners is en wat hun lijden inhoudt; en ook gedeeltelijk om
het mededogen op te wekken bij degene die ervaart wat deze entiteiten
doormaken als het karmische resultaat van hun eigen misslagen. En, in
de andere richting, moet de initiant evenzeer leren hoe hij één
kan worden met de goden en hoe hij met hen in contact kan komen. Om
hun aard en hun leven te begrijpen, moet hij tijdelijk zelf een god
worden, met andere woorden zijn eigen hoogste wezen ingaan.
Te beginnen met deze vierde inwijding treedt de
neofiet nieuwe rijken van bewustzijn binnen; de spirituele vuren van
de innerlijke constitutie zijn zeer krachtig, zowel wat hun aard als
hun werking betreft; de spirituele elektriciteit, om het zo te noemen,
stroomt met een veel grotere kracht. Men kan deze mystieke zaken eigenlijk
niet in alledaagse woorden uitdrukken. Naast de leringen en het symbolische
of gedramatiseerde ritueel, leert de neofiet – en dat is hij altijd,
hoe hoog zijn graad ook is – hoe hij de natuurkrachten kan beheersen
en wonderen kan verrichten zoals bewust het lichaam verlaten, en onze
planeet verlaten om naar andere centra van het zonnestelsel te gaan.
De vijfde graad volgt dezelfde wegen van ervaring;
de mens wordt dan een meester van wijsheid en mededogen. In deze graad
komt de beslissende keuze: òf men keert terug, zoals de grote
boeddha’s van mededogen, om de wereld te helpen, om voor de wereld
en niet voor zichzelf te leven; òf men gaat, zoals de pratyekaboeddha’s,
verder op het pad van het zelf – een ontwikkeling alleen voor
zichzelf.
De zesde inwijding reikt tot nog verhevener gebieden
van bewustzijn en ervaring; en dan volgt de laatste en hoogste inwijding,
de zevende, die inhoudt dat men van aangezicht tot aangezicht tegenover
zijn eigen goddelijke zelf komt te staan en dat men daarmee één
wordt. Als dit gebeurt heeft men geen andere leraar nodig. Het omvat
tevens een individueel contact met de verheven mahachohan, die praktisch
identiek is met wat de stille wachter van de mensheid is genoemd.
Elke graad kent zijn eigen voorschriften en trainingsmethoden.
Niettemin is er één algemene regel, namelijk dat de hoogste
gids voor de neofiet de god in hem is, zijn uiteindelijke spirituele
en mentale rechterstoel, en pas op de tweede plaats komt zijn leraar.
Daaraan betuigt de discipel met vreugde trouw – maar in geen geval
blinde gehoorzaamheid – want tegen die tijd weet hij dat zijn
eigen innerlijke god en de innerlijke god van de leraar beiden vonken
zijn van het zelf van Alaya.
Ik kan eraan toevoegen dat hoe hoger de graad is,
des te informeler en minder ritueel de betrekkingen tussen leraar en
leerling worden, en des te meer van de leerling wordt verwacht dat hij
ernaar streeft te leven in, en één te zijn met, zijn innerlijke,
goddelijke vermaner. Verder wordt er in de meer gevorderde stadia op
geen enkele wijze iets opgetekend. Het geheugen van de toehoorders moet
worden getraind om te ontvangen en vast te houden wat erop wordt afgedrukt,
een training die men nooit krijgt als men afhankelijk is van geschreven
aantekeningen. Noch in schrift of kleur, in getal of gegraveerde tekens
worden de leringen zichtbaar vastgelegd; ze worden alleen in de geest
en in het hart bewaard.
Het hele streven is erop gericht de wilskracht,
de individualiteit, en de ingeboren vermogens van de innerlijke god
op te wekken. Het overdragen van informatie gebeurt daarom op fluistertoon
en van mond tot oor, om de oude zegswijze te gebruiken. In de hoogste
graden is zelfs dat niet toegestaan, want de neofiet, de ontvanger van
esoterische kennis en wijsheid, is zo geoefend dat hij als het ware
door gedachteoverbrenging kan ontvangen en zelfs niet in de nabijheid
van zijn leraar hoeft te zijn. Meer en meer legt de leraar geluidloos
contact, door de stem van de stilte, en die stem, waarmee de leringen
worden ‘geuit’, opent spirituele vergezichten in de discipel.
Elke stap vooruit betekent het binnengaan in een
groter licht en daarmee vergeleken is het zojuist verlaten licht schaduw.
Hoe hoog men ook staat op de ladder van evolutie, al is het zo hoog
als de goden, altijd is er een ander boven hem, iemand die meer weet
dan hij; en daarboven bevindt zich een voortdurend opklimmende reeks
entiteiten met een steeds ruimer kosmisch bewustzijn. De hiërarchische
stroom vormt een basispatroon van de natuur; daarom is niemand van ons
zonder leraar, want er is een oneindig heelal boven ons – hiërarchieën
van leven en van evolutionaire ervaring die de onze ver te boven gaan.
Daaruit volgt dat wanneer de monadische essentie
van een mens na het verlaten van onze eigen hiërarchie de verhevener
rijken van het kosmische zijn betreedt, ze dit doet als een embryo-entiteit;
ze begint daarin haar volgende reis omhoog op de eerste sport van die
nieuwe levensladder en heeft vanzelfsprekend iemand nodig om haar stappen
te leiden. En die behoefte aan gidsen en leraren zal blijven tot ze
in het cyclische verloop van de eeuwen door steeds verder op te klimmen
de allerhoogste sport van die levensladder bereikt en opnieuw
één wordt met dat nog verhevener mysterie van het binnenste
van het binnenste van haar wezen. En welke naam kunnen we geven aan
dit nog verhevener mysterie? Menselijke taal schiet te kort en alleen
de spirituele verbeelding kan tot in de werelden van het goddelijke
opstijgen. Zo gaat de evoluerende entiteit voortdurend van het ene naar
het andere levensterrein, van de ene naar de andere hiërarchie
van onuitsprekelijke ervaring – en gaat dus steeds vooruit. Spreekt
het niet vanzelf dat men in de levensschool altijd een leerling is,
omdat het gezicht van de eeuwige werkelijkheid door sluier na sluier
wordt bedekt?
Als men eenmaal spiritueel begrip heeft verworven,
kan men daarna nooit meer vergeten. Juist het feit dat het onmogelijk
is de waargenomen en bijna bereikte heerlijkheid uit het geheugen te
wissen, geeft de falende aspirant het rampzalige gevoel van mislukking.
Hij die nog nooit de hemel heeft ervaren, verlangt ernaar met hoop op
succes; maar hij die zich aan de rand ervan heeft bevonden en door de
poorten een glimp van het hemelse heeft opgevangen en er dan niet in
slaagt binnen te komen, herinnert zich genoeg om zijn ziel met pijn
en zelfs wanhoop te vervullen bij de herinnering aan het visioen dat
hij zag en dat hij niet kon vasthouden.
Als de zware beproevingen komen – en in de
hogere graden zijn die schrikwekkend – moet de spirituele instelling
zo zijn dat ze weerstand biedt aan de meest indringende invloeden van
buitenaf. Zulke invloeden komen voort uit het vatbaar zijn voor indrukken,
wat een grote deugd is maar in veel opzichten ook een fatale zwakheid;
een andere psychologische factor die zorgvuldig in het oog moet worden
gehouden, is een te sterk en te snel gebruikt vermogen tot logisch redeneren.
Het verstandelijke moet volstrekt ondergeschikt zijn aan de edeler eigenschappen
en moet geen overheersende rol spelen; als het dienstbaar is gemaakt,
is het van wezenlijke waarde. Het hogere denken dat in het buddhi-beginsel
is geworteld, bezit van zichzelf een onfeilbare logica en ook een onfeilbare
intuïtie; de processen van het gewone denken zijn slechts zwakke
en meestal verwrongen afspiegelingen daarvan, en daarom vaak heel gevaarlijke
vijanden.
Men kan niet ongestraft met het occultisme spelen.
De hele natuur wordt wakker geroepen, en de strijd met het lagere zelf
kan soms wanhopig lijken, want de neofiet voelt instinctief dat hij
moet overwinnen of mislukken. Maar als hij trouw de eerste plicht vervult
die op zijn weg komt, hoe nederig en eenvoudig die ook is, dan is dat
zijn pad. Als we onze eigen zwakheden overwinnen, helpen we niet alleen
onze eigen natuur, maar de hele mensheid; meer nog, we helpen ieder
bewust levend wezen, want we zijn één met die krachten
die de circulaties in het heelal zijn.
Eénwording met het eigen essentiële
zelf is het hoogste doel van inwijding.* Het is het pad naar de goden,
en dat betekent dat ieder van ons een individuele god wordt. Het volgen
van dit pad is een heel ernstige, een heel heilige onderneming. Het
roept alle kracht of wilskracht op in de natuur van een mens die tot
het verheven uiterste wil doorgaan. Om dat te bereiken moet hij de verstrikkingen
van de persoonlijkheid volkomen negeren, om zo in de gelijkmatige rondgaande
beweging van bewustzijn te komen die om de centrale kern van zijn wezen
bestaat, en moet hij tenslotte één worden en zich verbinden
met het verheven wonder, de innerlijke god.
*Om een of andere reden bestaat er bij sommigen de
vreemde misvatting dat de hoogste inwijdingen aan vrouwen worden onthouden.
Dat is niet het geval. Er is niets dat een vrouw belet de hoogste
top te bereiken, de zwaarste inwijdingsbeproevingen met succes te
doorstaan. Diegenen echter die de hoogste inwijdingen ondergaan, doen
dat meestal in het lichaam van een man, eenvoudig omdat dit gemakkelijker
is, omdat het psychische en fysiologische gestel beter geschikt is
om die inwijdingen te doorstaan. Maar het is absurd om te veronderstellen
dat inwijding ooit in het verleden of nu het voorrecht of het bijzondere
privilege was en is van de man.
Men hoeft slechts te denken aan de lange ononderbroken
reeks van profetessen, zelfs in de beschavingen van het historische
Griekenland en Rome met hun antropomorfistische en materialistische
denkbeelden, om te beseffen dat vrouwen hun plaats hadden in de tempelscholen,
en hoge en uitzonderlijke onderscheidingen verkregen in de esoterische
training. Het Orakel van Delphi is waarschijnlijk het meest bekend;
andere voorbeelden zijn de Keltische druïden en de Germaanse
volkeren die in de oudheid bekendstonden om hun vrouwelijke leiders,
hun zieneressen en profetessen. Hoezeer vrouwelijke ingewijden misschien
ook in afzondering hebben geleefd, hun innerlijke vermogen en kracht
om te slagen werden algemeen erkend.
Achter iedere sluier bevindt zich een andere, maar
door alle schijnt het licht van de waarheid, het licht dat altijd in
ieder van ons leeft, want het is ons meest innerlijke zelf. Ieder mens
is in de kern van de kern van zijn essentie een zon, bestemd om een
van de stralende hemellichamen te worden in de ruimten van de Ruimte,
zodat zelfs vanaf het allereerste moment dat het goddelijk-spirituele
deel van ons aan zijn omzwervingen door het universele zijn begint,
het al een embryo-zon is, een kind van een andere zon die toen in de
ruimte bestond. Inwijding brengt deze innerlijke, latente, sterre-energie
in het hart van de neofiet tevoorschijn.
Aham asmi parabrahman, ik ben het grenzeloze
Al – boven tijd en ruimte verheven. Deze gedachte is de ware hoeksteen
van de tempel van de oude waarheid. Moeder natuur – in haar goddelijke,
spirituele, psychische, etherische en fysieke gebieden – is ons
universele thuis – een thuis dat geen bepaalde plaats heeft, omdat
het overal is.
Dit is dus het pad waarlangs ieder mens kan opklimmen,
als hij de onbuigzame wil heeft om dat te doen en vurig verlangt naar
een groter licht. Hij kan opstijgen langs de verschillende trappen van
de hiërarchie, en doet elke stap omhoog door een inwijding, totdat
zijn wezen tenslotte één wordt met de stille wachter van
onze bol. Dan, in een nog latere periode, zal zijn monade één
worden met de stille wachter van onze planeetketen en in een nog verdere
periode in de kosmische tijd zal hij als een individueel monadisch levenscentrum
één worden met de hiërarch van ons zonnestelsel.
Het meest innerlijke van ons is het meest
innerlijke van het heelal: iedere essentie, iedere energie, iedere kracht,
ieder vermogen in het grenzeloze Al is in ieder van ons, actief of latent.
Alle grote wijzen hebben dezelfde waarheid onderwezen: ‘Mens,
ken uzelf’; dat betekent ons denken en ons gevoel naar binnen
keren, ons in steeds grotere mate zelfbewust verenigen met de godheid
in de kern van ons wezen – de godheid die ook het ware hart van
het heelal is. Daar is inderdaad ons thuis: de onbegrensde, grenzeloze
Ruimte.
Bron
van het Occultisme, blz. 61-70
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag