Gautama de Boeddha
In alle oude religies die een esoterische18
of mystieke kant bezitten, treft men leringen of suggesties aan die
geconcentreerd zijn op die ene gedachte dat er ergens in de wereld een
spirituele kracht of intelligentie bestaat die de vriend en beschermer
van de mensheid is. Vaak wordt er op hem gezinspeeld als het hoofd van
de adepten-zieners van de eeuwen, die nauw is verbonden met de spirituele
beginselen die het heelal leiden en bezielen. HPB spreekt over dit geheimzinnige
individu als de Grote Inwijder.
Dit individu Gautama de Boeddha noemen, zou in een
bepaald opzicht volkomen juist zijn, omdat de spirituele invloed van
de grote inwijder in hem aanwezig was; en toch zijn we ver van de waarheid
als we dit individu louter als een mens beschouwen. Zijn straal, een
deel van zijn intelligentie, verschijnt bij bepaalde gelegenheden, die
in een groot wortelras zeer zeldzaam zijn, als een boeddha in een menselijk
lichaam. Maar de boeddha is niet alleen de fysieke mens, die slechts
het uiterlijke kleed is en het kanaal voor het verspreiden van licht
en het onderricht. De werkelijke boeddha is een innerlijke entiteit
(hoewel niet precies de spirituele entiteit in ieder mens), die als
een kanaal dient door middel waarvan de invloeden, de wilskracht, de
intelligentie van een nog verhevener wezen – de Grote Inwijder
– stromen.
Gautama de Boeddha was een mens. Hij is nu een nirmanakaya.
Het hogere ego van de entiteit die zich het laatst manifesteerde als
Gautama de Boeddha werkt door deze nirmanakaya; en dit hogere ego is
de Boeddha, de overbrenger van de spirituele intelligentie van de Grote
Inwijder.
Toen de leraren van HPB uitdrukkingen gebruikten
zoals ‘Hij aan wie wij trouw verschuldigd zijn’, ‘Hij
wiens woord onze Wet is’, doelden ze op deze Gautama de Boeddha
en de kracht die door hem heen werkte. Als een van de twee boeddha’s
van ons vijfde wortelras – de tweede boeddha zal Maitreya zijn,
die miljoenen jaren later zal komen – zal hij dit wortelras blijven
bewaken en beschermen. Hij is de oorsprong, de stichter, van iedere
grote spirituele religieuze of filosofische beweging die op een of ander
moment tijdens ons wortelras begon. Hij is het hoofd
van alle adepten, de Heer, de chohan; en ten overstaan van hem, en in
zijn aanwezigheid, vindt de zevende en hoogste inwijding van alle plaats.19
Door zijn band met de avatara Jezus was de Boeddha
nauw verbonden met het stichten van het christendom. Bewogen door oneindig
mededogen, leende hij zich voor het werk van de avatara Jezus, waardoor
hij zich onvermijdelijk en voorgoed verbond met het karma dat hieruit
voortvloeide; maar dat betekent niet dat al het kwaad dat is bedreven,
en het goede dat is gedaan door christenen en de kerk sinds de dood
van Jezus, als een drukkende last op Gautama de Boeddha valt. Dat zou
eenvoudig betekenen dat men de oude theologische en totaal verkeerd
begrepen interpretatie van de leer van het plaatsvervangende lijden
weer verkondigt. De karmische wet zal de bewerkers van het kwaad ter
verantwoording roepen.
Er wordt bedoeld dat zelfs Gautama de Boeddha, de
edelste wijze die in de laatste miljoenen jaren heeft geleefd, ondanks
zijn goddelijke wijsheid in zijn leven kleine fouten maakte. In zijn
spirituele verlangen waarheid, licht, liefde en vrede aan de mens te
geven, opende hij bij verschillende gelegenheden de deur een beetje
te ver. Daarin ligt altijd een groot psychisch en spiritueel gevaar.
Om goed te maken waarin hij te ver was gegaan, werd hij het intermediaire
beginsel van de avatara Jezus (zoals hij enkele honderden jaren eerder
het intermediaire beginsel van de avatara Sankaracharya had verschaft),
om zo tot op zekere hoogte te herstellen wat hij, Gautama de Boeddha,
in zijn grenzeloze liefde voor de mensheid had gedaan.
In Gautama Sakyamuni, als mens, werkten een aantal
verschillende elementen: (a) de gewone persoon die een groot en verheven
mens was; (b) hij werd geïnspireerd door de geïncarneerde
bodhisattva, hoewel de manasaputrische essentie die tot dat grootse
menselijke wezen als een monade per se behoorde, nog niet volledig was
ontwaakt; (c) deze bodhisattva in Gautama werd verlicht door de boeddha;
en (d) die boeddha – een spirituele vlam die door de bodhisattva
in de mens werkte – werd verlicht en geïnspireerd door de
dhyani-boeddha van onze ronde, die natuurlijk door de dhyani-bodhisattva
van deze bol D werkte.
Dit lijkt allemaal heel ingewikkeld, maar dat is
het in werkelijkheid niet. We hebben ten eerste een spiritueel ontwikkeld
mens, in wie de ingeboren manasaputrische essentie gedeeltelijk was
ontwaakt, waardoor een bewustzijnsveld werd geschapen voor haar individualisering
als de geïncarneerde bodhisattva. Vervolgens werd de monadische
essentie die door deze geïncarneerde bodhisattva werkte, geïndividualiseerd
als de boeddha, en deze elementen vormden in hoofdzaak de verschillende
monadische centra die in Sakyamuni actief waren. Bovendien werd –
omdat de geïncarneerde bodhisattva het mogelijk maakte dat de straal
van de innerlijke boeddha zich manifesteerde – zelfs in het menselijke
bewustzijn de nog spirituelere straal van de dhyani-boeddha van de vierde
ronde ontvangen, die op zijn beurt, via de dhyani-bodhisattva van de
bol, de menselijke boeddha bereikte.
Deze dhyani-boeddha kan men omschrijven als de spirituele
invloed ‘van buitenaf’ die door de menselijke boeddha werkt;
en de boeddha, de bodhisattva, en de gedeeltelijk ontwaakte manasaputrische
essentie vormen de triade in de constitutie van Gautama Sakyamuni, die
samenwerkten om de manushya-boeddha voort te brengen.
Toen Gautama, wiens eigennaam Siddhartha was, volgens
het prachtige verhaal zijn huis verliet en op zoek ging naar het licht
om het menselijke boeddhaschap te bereiken en ‘goden en mensen
te redden’, bracht hij eerst de bodhisattva in hem tot betrekkelijk
volledige activiteit. De gewone mens, hoe groots ook, was niettemin
volledig ondergeschikt gemaakt aan de innerlijke bodhisattva in hem,
die toen zijn edele vermogens kon manifesteren en tot uitdrukking brengen,
verlicht door de buddhische straal. Toch was deze eenwording met zijn
innerlijke boeddha nog niet voldoende voor het beoogde doel, omdat deze
bijzondere menselijke incarnatie, die van de mens Siddhartha genaamd,
het voertuig van de lagere boeddha van het ras moest worden, die over
ons vijfde wortelras zou waken.
In de exoterische literatuur van het boeddhisme
wordt gezegd dat iedere menselijke of manushya-boeddha, zoals Gautama
er een was, de tegenhanger op aarde is van een hemelse boeddha, zijn
spiritueel-goddelijke oorsprong. De hemelse boeddha, de dhyani-boeddha,
stuurt vanuit zichzelf de straal, de energie, de spiritualiteit, de
wil, de intelligentie, die samen, zich manifesterend door het spiritueel-menselijke
voertuig, de manushya-boeddha voortbrengen.
Het is ook de Boeddha die tijdens zijn hele bestuur,
dat duurt vanaf het begin van het vijfde wortelras tot de Maitreya-boeddha
hem opvolgt, op bepaalde cyclische tijden meehelpt aan het doen verschijnen
van een avatara. De reden hiervoor is dat een godheid om zich te manifesteren
een psychisch gestel nodig heeft dat even zuiver en sterk is als dat
van een boeddha. De energie die van een godheid uitgaat, zou waarschijnlijk
het psychische gestel van een gemiddelde mahatma vernietigen, hoewel
die ver boven de gemiddelde mensheid staat. Er zijn grote mysteries
verbonden aan dit onderwerp: het boeddhaschap.
Zelfs in zijn fysieke verschijning verschilde de
Heer Boeddha, toen hij zich als Gautama manifesteerde, veel van andere
mensen. Niet alleen straalde hij vriendelijkheid, liefde, beheerste
kracht, vrede en schitterende verstandelijke vermogens uit, maar hij
bezat, zegt men, een bijna bovenmenselijke schoonheid en zag eruit als
een god; en toch was zijn zoon, die werd geboren voor hij het boeddhaschap
bewust bereikte, slechts een vierde-ronder, hoewel hij een goed en edel
mens was. Hij heette Rahula.
De incarnatie van een boeddha is niet een afdaling
uit devachan, zoals het geval is bij gewone mensen. Ieder mens is een
samengestelde entiteit. Er is een god in hem, een spiritueel ego, een
menselijk ego, een dierlijke natuur, en het fysieke lichaam dat zo goed
mogelijk de bundel energieën tot uitdrukking brengt die door en
vanuit het binnenste van het aurische ei stromen. Elk van deze elementen
is zelf een lerende entiteit op zijn weg omhoog. Het zelfbewustzijn,
het gevoel van een ego is er; maar daarbovenuit gaat het gevoel van
kosmische eenheid, dat de sfeer en het bewustzijn is van de innerlijke
god, een hemelse boeddha. Omdat er in een mens een hemelse boeddha is,
een menselijke boeddha, en een menselijke ziel die door een dierlijk
lichaam werkt, is het duidelijk dat er veel vreemde dingen kunnen gebeuren
als de omstandigheden zich daartoe lenen, en dat de voorwaarden voor
incarnatie van een boeddha de facto sterk moeten verschillen
van die voor de reïncarnatie van een gewoon mens. En zo was het
in het geval van Sakyamuni.
Prins Siddhartha van Kapilavastu, die later het
fysieke voertuig van een boeddha werd, was een spiritueel ontwikkeld
mens, en daarom een geschikt voertuig om uitdrukking te geven aan het
hogere element in zijn natuur, de manushya-boeddha, die zelf het voertuig
was van de hemelse boeddha – het hoogste deel van die verheven
constitutie. Er werd dus een mens geboren die alle gebruikelijke fasen
doorliep, maar die, omdat hij door de buddhische luister werd overstraald,
een wonderkind was. Hij trouwde. Rahula werd geboren. Kort daarna verscheen
het eerste innerlijke licht van verblindende pracht. In het menselijke
deel van dit samengestelde wezen begon begrip te dagen, en toen nam
de manushya-boeddha de leiding. Het menselijke was daarna ondergeschikt
aan het spirituele; en prins Siddhartha verliet zijn huis en begon zijn
omzwervingen – wat slechts betekent dat hij zich uit de wereld
terugtrok zodat het menselijke deel van hem kon worden getraind om een
volledig bewust kanaal te worden voor de manifestatie van de innerlijke
manushya-boeddha.
Zo gebeurde het tenslotte dat na een periode van
zelfopgelegde discipline, spiritueel streven en zelfoverwinning, de
volledige verlichting kwam onder de heilige Bodhi-boom, de boom van
wijsheid, zoals de legende luidt; en de manushya-bodhisattva, Gautama
Sakyamuni genaamd, bereikte het boeddhaschap. Deze vleesgeworden bodhisattva
werd het gewillige en volmaakte psychospirituele instrument door middel
waarvan zijn innerlijke boeddha zich tot uitdrukking kon brengen. Nu
het boeddha-stadium was bereikt, zien we dat de boeddha werkt door de
bodhisattva, die zelf weer door de ontwaakte mens werkt, als een voorbeeld
van de activiteit van de drie hogere monaden in een mens: namelijk de
spirituele monade, de bodhisattva of manasaputra, en de ontwikkelde
menselijke monade. Het is het verheven voorrecht en vreugdevolle toekomstbeeld
van ieder van ons om dat ooit te worden – mits we de evolutieweg
met succes gaan.
Tot op tachtigjarige leeftijd leefde en onderwees
de Boeddha: hij wijdde in, hielp, troostte en inspireerde. Toen het
lichaam dat hem zo goed had gediend met het verstrijken van de jaren
verzwakte, ‘stierf’ de Boeddha – volgens de exoterische
leer.*
*Bepaalde passages in het Maha-Paranirvana-Sutra
geven in het kort een heel belangrijke leer over de dood, door het
proces waardoor deze plaatsvindt toe te passen op het heengaan van
de Boeddha-Gautama zelf, als een voorbeeld. Ze spreken over dit proces
als het ‘opstijgen’ van het bewustzijn van de Boeddha
door verschillende gebieden, en het ‘afdalen ervan’, en
dit driemaal achtereen. De fysieke dood vindt bij alle mensen op precies
dezelfde manier plaats, hoewel met aanpassingen in het geval van de
grote wijzen als gevolg van hun hoge spirituele staat.
De hogere delen van de menselijke constitutie maken
zich niet van het fysieke lichaam los door het gouden koord plotseling
te verbreken, maar dit wordt voorafgegaan door het opstijgen van het
bewustzijn naar de hogere gebieden van de menselijke constitutie,
gevolgd door een korte pauze daar, dan een afdaling tot het bewustzijn
het fysieke brein weer enkele seconden bezielt, en op dat moment kunnen
de ogen enkele ogenblikken opengaan. Dan stijgt het bewustzijn opnieuw
op en wordt na een korte pauze weer teruggetrokken naar de verlokkingen
van de astrale en fysieke werelden en misschien wordt het fysieke
brein een kort moment weer bewust. Dan stijgt het bewustzijn voor
de derde keer op, maar nu krachtiger, en daalt na nog een korte pauze
weer af, maar deze keer heel zwak, en het bewustzijn heeft misschien
slechts een gering contact met het fysieke gebied; en na zeer korte
tijd treedt volledige en volstrekte bewusteloosheid in: het gouden
levenskoord wordt verbroken en de innerlijke mens is vrij. Het ‘panorama
vóór de dood’ gaat onmiddellijk vooraf aan de
periode van de eerste opstijging.
De waarheid is echter dat de boeddha in Gautama
Sakyamuni op dat moment de nirvanische toestand inging en de bodhisattva
achterliet, die nog steeds actief was en in het bejaarde fysieke voertuig
werkte. Nirvana betekende in dit geval dat de hemelse boeddha feitelijk
zijn eigen kosmische gebieden betrad – omdat zijn werk voorlopig
was beëindigd – en de mens achterliet, verlicht door de luister
van de manushya-boeddha, de innerlijke boeddha. Het boeddha-deel van
hem ‘stierf’ voor de wereld, d.w.z. had zijn werk gedaan
en was overgegaan in het nirvana om daar zijn volgende taak aan het
einde van dit vijfde wortelras af te wachten, wanneer diezelfde boeddha-geest
opnieuw een bodhisattva-mens zal verlichten.
Nadat nirvana was bereikt, leefde Gautama de Boeddha
nog twintig jaar te midden van zijn ingewijden en onderwees hij en wijdde
hij in; en op honderdjarige leeftijd stierf zijn lichaam tenslotte.
Het lichaam werd afgelegd en de volledige entiteit als manushya-boeddha
bleef bestaan als een nirmanakaya* en leeft ook nu nog – het kanaal,
het voertuig, door middel waarvan krachten stromen die uitgaan van het
spirituele centrum van ons zonnestelsel. Hij is dus het kanaal van de
Grote Inwijder, de behoeder en beschermer van iedere grote wereldreligie
of wereldfilosofie die tijdens ons vijfde wortelras werd gesticht, en
zal zo blijven bestaan en werken tot de Boeddha-Maitreya in de loop
van de voortgaande cyclussen verschijnt.
*Een nirmanakaya kan in elk voertuig leven dat hij
met zijn wil en gedachten wenst te vormen; en hij heeft eveneens het
vermogen en de wijsheid om het innerlijke gebied of de innerlijke
gebieden te kiezen waarop hij wil leven. In alle gevallen wordt het
‘lichaam’ van de nirmanakaya echter gevormd vanuit zijn
eigen aurische ei; dat wil zeggen, het vormingsproces van zo’n
gedachte- en wils-lichaam komt neer op het tijdelijk verdichten van
de buitenste lagen van het aurische ei van de adept door middel van
kriyasakti; zo’n ‘lichaam’ wordt gevormd om, wat
aard en eigenschappen betreft, overeen te stemmen met het innerlijke
gebied dat werd gekozen als de ‘wereld’ waarin de nirmanakaya
verblijft.
Iedere nirmanakaya is een mahatma, minus de lagere
triade, maar niet iedere mahatma is een nirmanakaya. Er zijn mahatma’s
die geïncarneerd zijn; en omdat ze in het fysiek-astraal-vitale
voertuig leven, zijn ze duidelijk geen nirmanakaya’s. Enkele
mahatma’s van de lagere rangen hebben nog niet het moment in
hun evolutie bereikt dat ze het voor hun verheven werk gunstig achten
de lagere triade van hun constitutie af te leggen en als nirmanakaya
te leven.
Het verschil tussen Sakyamuni en gewone mensen is
dat in deze grote wijze de hogere delen van zijn constitutie min of
meer volledig werkten in de ‘mens’, althans zo volledig
als mogelijk is voor een mens die een zesde-ronder is. Vanaf het moment
dat hij zijn zesde hoge inwijding had ondergaan, ‘stierf’
hij als ‘mens’ maar leefde wel verder. Met andere woorden,
na deze episode onderwees hij twintig jaar lang in en door het ingewijde
en dus verheerlijkte menselijke deel van zijn constitutie. Maar geen
mens kan de zesde inwijding ondergaan, die de tijd van de grote verzaking
is – laat staan de zevende – en zoals hij vroeger was naar
de wereld van de mensen ‘terugkeren’.*
*Om de esoterische betekenis te begrijpen van wat het
nirvana van Gautama de Boeddha werkelijk was, moeten we bedenken dat
er nirvana’s van verschillende aard zijn en van verschillende
spirituele hoogte. De keuze nirvana op te geven, werd gedaan door het
menselijke deel, de bodhisattva die op weg is om in de toekomst een
boeddha te worden. Maar het hoogste deel van de Boeddha moet nirvana
ingaan en kan niet terug; het is in het spirituele bestaan voorbij het
punt gekomen waar de keuze om achter te blijven nog mogelijk is. Dit
verklaart de exoterische leer dat de Boeddha nirvana ingaat waaruit
geen terugkeer mogelijk is voor het hoogste deel dat inderdaad nirvana
binnengaat; terwijl de werkelijke leer is dat de menselijke ziel van
de Boeddha, de bodhisattva, het deel is dat de grote verzaking volbrengt
en terugkeert in de geest van mededogen om alles wat leeft te helpen.
Het betekent dus dat het hogere deel van zijn constitutie,
namelijk het menselijke ego in hem, nu weer een boeddha was geworden
en nirvana was ingegaan; maar het lagere deel van zijn menselijke of
tussennatuur werkte nog op aarde als een luisterrijke bodhisattva. Door
dit grootse en mooie feit begrijpen we de betekenis van veel exoterische
boeddhistische uitspraken dat een boeddha een bodhisattva achterlaat
om het werk voort te zetten. Een boeddha zijn betekent dus dat het hoogste
deel in het nirvana is en dat het hogere menselijke deel, dat buddhi-manasisch
is, verder leeft als een leraar, als een bodhisattva-nirmanakaya. Dan
is er nog het fysieke lichaam met zijn vitaal-astrale gestel dat tenslotte
sterft.
Sakyamuni trad toen hij bij en tijdens zijn zesde
inwijding het boeddhaschap bereikte, weer een nirvana binnen. Dit kan
anders worden geformuleerd door te zeggen dat de spirituele monade in
hem een dharmakaya inging of werd; het bewustzijn daarvan is nirvanisch,
en spiritueel te zuiver en verheven om enig contact met onze grove sfeer
van leven en stof toe te laten. Al het overige van de constitutie van
de Boeddha verkoos, na zo’n inwijding, de nirmanakaya-toestand
in te gaan; terwijl dat deel van Sakyamuni’s constitutie dat tussen
de spirituele monade en de hogere delen van het menselijke ego lag,
zich terugtrok als de sambhogakaya, d.w.z., zich niet manifesteerde,
want dat werd niet ‘verkozen’.
Het belangrijke punt in de leer hier is dat bepaalde
hoogspirituele mensen die met succes de zesde inwijding ondergaan, de
sambhogakaya kiezen in plaats van de nirmanakaya, zoals bijvoorbeeld
de pratyekaboeddha’s, want in hun geval wordt het hoogste deel
van hun constitutie de dharmakaya, alle hogere tussenliggende delen
worden de sambhogakaya; de nirmanakaya-‘keuze’ wordt niet
gemaakt, en daarom verliezen deze reine maar spiritueel zelfzuchtige
wezens in hun afzondering alle contact met de wereld en haar krachten,
en elk verlangen diegenen te helpen die minder ver zijn gevorderd.
Na de fysieke dood van de Boeddha op de hoge leeftijd
van honderd jaar, bleef de bodhisattva, die in werkelijkheid de nu verlichte
Siddhartha was, achter in de atmosfeer van de aarde als een nirmanakaya
– dat is een volledig maar verheerlijkt mens in het volle bezit
van alle vermogens, kenmerken en beginselen van zijn constitutie, behalve
het fysieke lichaam met het lingasarira en de grovere prana’s.
De uitdrukking ‘in de atmosfeer van de aarde’
is tot op zekere hoogte juist, maar is onvolledig. Men zou de toestand
zelfs nauwkeuriger kunnen omschrijven door te zeggen dat de bodhisattva
zich als nirmanakaya terugtrok uit het normale fysieke contact met de
mensen, met de aarde en al wat daarbij hoort, maar vanuit innerlijke
gebieden daarmee nauwe betrekkingen bleef onderhouden door waakzaam
te blijven en toezicht te houden. De bodhisattva-nirmanakaya, vroeger
op aarde bekend als Sakyamuni, is een bewoner van dat buitengewoon geheimzinnige
deel van de oppervlakte van de aarde, dat beschermd en bewaakt wordt
tegen indringers van buiten, en waar enkele van de meest verheven leden
van de occulte broederschap zich bevinden: Sambhala.
Bron
van het Occultisme, blz. 581-8
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag