Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Gautama de Boeddha


In alle oude religies die een esoterische18 of mystieke kant bezitten, treft men leringen of suggesties aan die geconcentreerd zijn op die ene gedachte dat er ergens in de wereld een spirituele kracht of intelligentie bestaat die de vriend en beschermer van de mensheid is. Vaak wordt er op hem gezinspeeld als het hoofd van de adepten-zieners van de eeuwen, die nauw is verbonden met de spirituele beginselen die het heelal leiden en bezielen. HPB spreekt over dit geheimzinnige individu als de Grote Inwijder.

Dit individu Gautama de Boeddha noemen, zou in een bepaald opzicht volkomen juist zijn, omdat de spirituele invloed van de grote inwijder in hem aanwezig was; en toch zijn we ver van de waarheid als we dit individu louter als een mens beschouwen. Zijn straal, een deel van zijn intelligentie, verschijnt bij bepaalde gelegenheden, die in een groot wortelras zeer zeldzaam zijn, als een boeddha in een menselijk lichaam. Maar de boeddha is niet alleen de fysieke mens, die slechts het uiterlijke kleed is en het kanaal voor het verspreiden van licht en het onderricht. De werkelijke boeddha is een innerlijke entiteit (hoewel niet precies de spirituele entiteit in ieder mens), die als een kanaal dient door middel waarvan de invloeden, de wilskracht, de intelligentie van een nog verhevener wezen – de Grote Inwijder – stromen.

Gautama de Boeddha was een mens. Hij is nu een nirmanakaya. Het hogere ego van de entiteit die zich het laatst manifesteerde als Gautama de Boeddha werkt door deze nirmanakaya; en dit hogere ego is de Boeddha, de overbrenger van de spirituele intelligentie van de Grote Inwijder.

Toen de leraren van HPB uitdrukkingen gebruikten zoals ‘Hij aan wie wij trouw verschuldigd zijn’, ‘Hij wiens woord onze Wet is’, doelden ze op deze Gautama de Boeddha en de kracht die door hem heen werkte. Als een van de twee boeddha’s van ons vijfde wortelras – de tweede boeddha zal Maitreya zijn, die miljoenen jaren later zal komen – zal hij dit wortelras blijven bewaken en beschermen. Hij is de oorsprong, de stichter, van iedere grote spirituele religieuze of filosofische beweging die op een of ander moment tijdens ons wortelras begon. Hij is het hoofd van alle adepten, de Heer, de chohan; en ten overstaan van hem, en in zijn aanwezigheid, vindt de zevende en hoogste inwijding van alle plaats.19

Door zijn band met de avatara Jezus was de Boeddha nauw verbonden met het stichten van het christendom. Bewogen door oneindig mededogen, leende hij zich voor het werk van de avatara Jezus, waardoor hij zich onvermijdelijk en voorgoed verbond met het karma dat hieruit voortvloeide; maar dat betekent niet dat al het kwaad dat is bedreven, en het goede dat is gedaan door christenen en de kerk sinds de dood van Jezus, als een drukkende last op Gautama de Boeddha valt. Dat zou eenvoudig betekenen dat men de oude theologische en totaal verkeerd begrepen interpretatie van de leer van het plaatsvervangende lijden weer verkondigt. De karmische wet zal de bewerkers van het kwaad ter verantwoording roepen.

Er wordt bedoeld dat zelfs Gautama de Boeddha, de edelste wijze die in de laatste miljoenen jaren heeft geleefd, ondanks zijn goddelijke wijsheid in zijn leven kleine fouten maakte. In zijn spirituele verlangen waarheid, licht, liefde en vrede aan de mens te geven, opende hij bij verschillende gelegenheden de deur een beetje te ver. Daarin ligt altijd een groot psychisch en spiritueel gevaar. Om goed te maken waarin hij te ver was gegaan, werd hij het intermediaire beginsel van de avatara Jezus (zoals hij enkele honderden jaren eerder het intermediaire beginsel van de avatara Sankaracharya had verschaft), om zo tot op zekere hoogte te herstellen wat hij, Gautama de Boeddha, in zijn grenzeloze liefde voor de mensheid had gedaan.

In Gautama Sakyamuni, als mens, werkten een aantal verschillende elementen: (a) de gewone persoon die een groot en verheven mens was; (b) hij werd geïnspireerd door de geïncarneerde bodhisattva, hoewel de manasaputrische essentie die tot dat grootse menselijke wezen als een monade per se behoorde, nog niet volledig was ontwaakt; (c) deze bodhisattva in Gautama werd verlicht door de boeddha; en (d) die boeddha – een spirituele vlam die door de bodhisattva in de mens werkte – werd verlicht en geïnspireerd door de dhyani-boeddha van onze ronde, die natuurlijk door de dhyani-bodhisattva van deze bol D werkte.

Dit lijkt allemaal heel ingewikkeld, maar dat is het in werkelijkheid niet. We hebben ten eerste een spiritueel ontwikkeld mens, in wie de ingeboren manasaputrische essentie gedeeltelijk was ontwaakt, waardoor een bewustzijnsveld werd geschapen voor haar individualisering als de geïncarneerde bodhisattva. Vervolgens werd de monadische essentie die door deze geïncarneerde bodhisattva werkte, geïndividualiseerd als de boeddha, en deze elementen vormden in hoofdzaak de verschillende monadische centra die in Sakyamuni actief waren. Bovendien werd – omdat de geïncarneerde bodhisattva het mogelijk maakte dat de straal van de innerlijke boeddha zich manifesteerde – zelfs in het menselijke bewustzijn de nog spirituelere straal van de dhyani-boeddha van de vierde ronde ontvangen, die op zijn beurt, via de dhyani-bodhisattva van de bol, de menselijke boeddha bereikte.

Deze dhyani-boeddha kan men omschrijven als de spirituele invloed ‘van buitenaf’ die door de menselijke boeddha werkt; en de boeddha, de bodhisattva, en de gedeeltelijk ontwaakte manasaputrische essentie vormen de triade in de constitutie van Gautama Sakyamuni, die samenwerkten om de manushya-boeddha voort te brengen.

Toen Gautama, wiens eigennaam Siddhartha was, volgens het prachtige verhaal zijn huis verliet en op zoek ging naar het licht om het menselijke boeddhaschap te bereiken en ‘goden en mensen te redden’, bracht hij eerst de bodhisattva in hem tot betrekkelijk volledige activiteit. De gewone mens, hoe groots ook, was niettemin volledig ondergeschikt gemaakt aan de innerlijke bodhisattva in hem, die toen zijn edele vermogens kon manifesteren en tot uitdrukking brengen, verlicht door de buddhische straal. Toch was deze eenwording met zijn innerlijke boeddha nog niet voldoende voor het beoogde doel, omdat deze bijzondere menselijke incarnatie, die van de mens Siddhartha genaamd, het voertuig van de lagere boeddha van het ras moest worden, die over ons vijfde wortelras zou waken.

In de exoterische literatuur van het boeddhisme wordt gezegd dat iedere menselijke of manushya-boeddha, zoals Gautama er een was, de tegenhanger op aarde is van een hemelse boeddha, zijn spiritueel-goddelijke oorsprong. De hemelse boeddha, de dhyani-boeddha, stuurt vanuit zichzelf de straal, de energie, de spiritualiteit, de wil, de intelligentie, die samen, zich manifesterend door het spiritueel-menselijke voertuig, de manushya-boeddha voortbrengen.

Het is ook de Boeddha die tijdens zijn hele bestuur, dat duurt vanaf het begin van het vijfde wortelras tot de Maitreya-boeddha hem opvolgt, op bepaalde cyclische tijden meehelpt aan het doen verschijnen van een avatara. De reden hiervoor is dat een godheid om zich te manifesteren een psychisch gestel nodig heeft dat even zuiver en sterk is als dat van een boeddha. De energie die van een godheid uitgaat, zou waarschijnlijk het psychische gestel van een gemiddelde mahatma vernietigen, hoewel die ver boven de gemiddelde mensheid staat. Er zijn grote mysteries verbonden aan dit onderwerp: het boeddhaschap.

Zelfs in zijn fysieke verschijning verschilde de Heer Boeddha, toen hij zich als Gautama manifesteerde, veel van andere mensen. Niet alleen straalde hij vriendelijkheid, liefde, beheerste kracht, vrede en schitterende verstandelijke vermogens uit, maar hij bezat, zegt men, een bijna bovenmenselijke schoonheid en zag eruit als een god; en toch was zijn zoon, die werd geboren voor hij het boeddhaschap bewust bereikte, slechts een vierde-ronder, hoewel hij een goed en edel mens was. Hij heette Rahula.

De incarnatie van een boeddha is niet een afdaling uit devachan, zoals het geval is bij gewone mensen. Ieder mens is een samengestelde entiteit. Er is een god in hem, een spiritueel ego, een menselijk ego, een dierlijke natuur, en het fysieke lichaam dat zo goed mogelijk de bundel energieën tot uitdrukking brengt die door en vanuit het binnenste van het aurische ei stromen. Elk van deze elementen is zelf een lerende entiteit op zijn weg omhoog. Het zelfbewustzijn, het gevoel van een ego is er; maar daarbovenuit gaat het gevoel van kosmische eenheid, dat de sfeer en het bewustzijn is van de innerlijke god, een hemelse boeddha. Omdat er in een mens een hemelse boeddha is, een menselijke boeddha, en een menselijke ziel die door een dierlijk lichaam werkt, is het duidelijk dat er veel vreemde dingen kunnen gebeuren als de omstandigheden zich daartoe lenen, en dat de voorwaarden voor incarnatie van een boeddha de facto sterk moeten verschillen van die voor de reïncarnatie van een gewoon mens. En zo was het in het geval van Sakyamuni.

Prins Siddhartha van Kapilavastu, die later het fysieke voertuig van een boeddha werd, was een spiritueel ontwikkeld mens, en daarom een geschikt voertuig om uitdrukking te geven aan het hogere element in zijn natuur, de manushya-boeddha, die zelf het voertuig was van de hemelse boeddha – het hoogste deel van die verheven constitutie. Er werd dus een mens geboren die alle gebruikelijke fasen doorliep, maar die, omdat hij door de buddhische luister werd overstraald, een wonderkind was. Hij trouwde. Rahula werd geboren. Kort daarna verscheen het eerste innerlijke licht van verblindende pracht. In het menselijke deel van dit samengestelde wezen begon begrip te dagen, en toen nam de manushya-boeddha de leiding. Het menselijke was daarna ondergeschikt aan het spirituele; en prins Siddhartha verliet zijn huis en begon zijn omzwervingen – wat slechts betekent dat hij zich uit de wereld terugtrok zodat het menselijke deel van hem kon worden getraind om een volledig bewust kanaal te worden voor de manifestatie van de innerlijke manushya-boeddha.

Zo gebeurde het tenslotte dat na een periode van zelfopgelegde discipline, spiritueel streven en zelfoverwinning, de volledige verlichting kwam onder de heilige Bodhi-boom, de boom van wijsheid, zoals de legende luidt; en de manushya-bodhisattva, Gautama Sakyamuni genaamd, bereikte het boeddhaschap. Deze vleesgeworden bodhisattva werd het gewillige en volmaakte psychospirituele instrument door middel waarvan zijn innerlijke boeddha zich tot uitdrukking kon brengen. Nu het boeddha-stadium was bereikt, zien we dat de boeddha werkt door de bodhisattva, die zelf weer door de ontwaakte mens werkt, als een voorbeeld van de activiteit van de drie hogere monaden in een mens: namelijk de spirituele monade, de bodhisattva of manasaputra, en de ontwikkelde menselijke monade. Het is het verheven voorrecht en vreugdevolle toekomstbeeld van ieder van ons om dat ooit te worden – mits we de evolutieweg met succes gaan.

Tot op tachtigjarige leeftijd leefde en onderwees de Boeddha: hij wijdde in, hielp, troostte en inspireerde. Toen het lichaam dat hem zo goed had gediend met het verstrijken van de jaren verzwakte, ‘stierf’ de Boeddha – volgens de exoterische leer.*

*Bepaalde passages in het Maha-Paranirvana-Sutra geven in het kort een heel belangrijke leer over de dood, door het proces waardoor deze plaatsvindt toe te passen op het heengaan van de Boeddha-Gautama zelf, als een voorbeeld. Ze spreken over dit proces als het ‘opstijgen’ van het bewustzijn van de Boeddha door verschillende gebieden, en het ‘afdalen ervan’, en dit driemaal achtereen. De fysieke dood vindt bij alle mensen op precies dezelfde manier plaats, hoewel met aanpassingen in het geval van de grote wijzen als gevolg van hun hoge spirituele staat.

De hogere delen van de menselijke constitutie maken zich niet van het fysieke lichaam los door het gouden koord plotseling te verbreken, maar dit wordt voorafgegaan door het opstijgen van het bewustzijn naar de hogere gebieden van de menselijke constitutie, gevolgd door een korte pauze daar, dan een afdaling tot het bewustzijn het fysieke brein weer enkele seconden bezielt, en op dat moment kunnen de ogen enkele ogenblikken opengaan. Dan stijgt het bewustzijn opnieuw op en wordt na een korte pauze weer teruggetrokken naar de verlokkingen van de astrale en fysieke werelden en misschien wordt het fysieke brein een kort moment weer bewust. Dan stijgt het bewustzijn voor de derde keer op, maar nu krachtiger, en daalt na nog een korte pauze weer af, maar deze keer heel zwak, en het bewustzijn heeft misschien slechts een gering contact met het fysieke gebied; en na zeer korte tijd treedt volledige en volstrekte bewusteloosheid in: het gouden levenskoord wordt verbroken en de innerlijke mens is vrij. Het ‘panorama vóór de dood’ gaat onmiddellijk vooraf aan de periode van de eerste opstijging.

De waarheid is echter dat de boeddha in Gautama Sakyamuni op dat moment de nirvanische toestand inging en de bodhisattva achterliet, die nog steeds actief was en in het bejaarde fysieke voertuig werkte. Nirvana betekende in dit geval dat de hemelse boeddha feitelijk zijn eigen kosmische gebieden betrad – omdat zijn werk voorlopig was beëindigd – en de mens achterliet, verlicht door de luister van de manushya-boeddha, de innerlijke boeddha. Het boeddha-deel van hem ‘stierf’ voor de wereld, d.w.z. had zijn werk gedaan en was overgegaan in het nirvana om daar zijn volgende taak aan het einde van dit vijfde wortelras af te wachten, wanneer diezelfde boeddha-geest opnieuw een bodhisattva-mens zal verlichten.

Nadat nirvana was bereikt, leefde Gautama de Boeddha nog twintig jaar te midden van zijn ingewijden en onderwees hij en wijdde hij in; en op honderdjarige leeftijd stierf zijn lichaam tenslotte. Het lichaam werd afgelegd en de volledige entiteit als manushya-boeddha bleef bestaan als een nirmanakaya* en leeft ook nu nog – het kanaal, het voertuig, door middel waarvan krachten stromen die uitgaan van het spirituele centrum van ons zonnestelsel. Hij is dus het kanaal van de Grote Inwijder, de behoeder en beschermer van iedere grote wereldreligie of wereldfilosofie die tijdens ons vijfde wortelras werd gesticht, en zal zo blijven bestaan en werken tot de Boeddha-Maitreya in de loop van de voortgaande cyclussen verschijnt.

*Een nirmanakaya kan in elk voertuig leven dat hij met zijn wil en gedachten wenst te vormen; en hij heeft eveneens het vermogen en de wijsheid om het innerlijke gebied of de innerlijke gebieden te kiezen waarop hij wil leven. In alle gevallen wordt het ‘lichaam’ van de nirmanakaya echter gevormd vanuit zijn eigen aurische ei; dat wil zeggen, het vormingsproces van zo’n gedachte- en wils-lichaam komt neer op het tijdelijk verdichten van de buitenste lagen van het aurische ei van de adept door middel van kriyasakti; zo’n ‘lichaam’ wordt gevormd om, wat aard en eigenschappen betreft, overeen te stemmen met het innerlijke gebied dat werd gekozen als de ‘wereld’ waarin de nirmanakaya verblijft.

Iedere nirmanakaya is een mahatma, minus de lagere triade, maar niet iedere mahatma is een nirmanakaya. Er zijn mahatma’s die geïncarneerd zijn; en omdat ze in het fysiek-astraal-vitale voertuig leven, zijn ze duidelijk geen nirmanakaya’s. Enkele mahatma’s van de lagere rangen hebben nog niet het moment in hun evolutie bereikt dat ze het voor hun verheven werk gunstig achten de lagere triade van hun constitutie af te leggen en als nirmanakaya te leven.

Het verschil tussen Sakyamuni en gewone mensen is dat in deze grote wijze de hogere delen van zijn constitutie min of meer volledig werkten in de ‘mens’, althans zo volledig als mogelijk is voor een mens die een zesde-ronder is. Vanaf het moment dat hij zijn zesde hoge inwijding had ondergaan, ‘stierf’ hij als ‘mens’ maar leefde wel verder. Met andere woorden, na deze episode onderwees hij twintig jaar lang in en door het ingewijde en dus verheerlijkte menselijke deel van zijn constitutie. Maar geen mens kan de zesde inwijding ondergaan, die de tijd van de grote verzaking is – laat staan de zevende – en zoals hij vroeger was naar de wereld van de mensen ‘terugkeren’.*

*Om de esoterische betekenis te begrijpen van wat het nirvana van Gautama de Boeddha werkelijk was, moeten we bedenken dat er nirvana’s van verschillende aard zijn en van verschillende spirituele hoogte. De keuze nirvana op te geven, werd gedaan door het menselijke deel, de bodhisattva die op weg is om in de toekomst een boeddha te worden. Maar het hoogste deel van de Boeddha moet nirvana ingaan en kan niet terug; het is in het spirituele bestaan voorbij het punt gekomen waar de keuze om achter te blijven nog mogelijk is. Dit verklaart de exoterische leer dat de Boeddha nirvana ingaat waaruit geen terugkeer mogelijk is voor het hoogste deel dat inderdaad nirvana binnengaat; terwijl de werkelijke leer is dat de menselijke ziel van de Boeddha, de bodhisattva, het deel is dat de grote verzaking volbrengt en terugkeert in de geest van mededogen om alles wat leeft te helpen.

Het betekent dus dat het hogere deel van zijn constitutie, namelijk het menselijke ego in hem, nu weer een boeddha was geworden en nirvana was ingegaan; maar het lagere deel van zijn menselijke of tussennatuur werkte nog op aarde als een luisterrijke bodhisattva. Door dit grootse en mooie feit begrijpen we de betekenis van veel exoterische boeddhistische uitspraken dat een boeddha een bodhisattva achterlaat om het werk voort te zetten. Een boeddha zijn betekent dus dat het hoogste deel in het nirvana is en dat het hogere menselijke deel, dat buddhi-manasisch is, verder leeft als een leraar, als een bodhisattva-nirmanakaya. Dan is er nog het fysieke lichaam met zijn vitaal-astrale gestel dat tenslotte sterft.

Sakyamuni trad toen hij bij en tijdens zijn zesde inwijding het boeddhaschap bereikte, weer een nirvana binnen. Dit kan anders worden geformuleerd door te zeggen dat de spirituele monade in hem een dharmakaya inging of werd; het bewustzijn daarvan is nirvanisch, en spiritueel te zuiver en verheven om enig contact met onze grove sfeer van leven en stof toe te laten. Al het overige van de constitutie van de Boeddha verkoos, na zo’n inwijding, de nirmanakaya-toestand in te gaan; terwijl dat deel van Sakyamuni’s constitutie dat tussen de spirituele monade en de hogere delen van het menselijke ego lag, zich terugtrok als de sambhogakaya, d.w.z., zich niet manifesteerde, want dat werd niet ‘verkozen’.

Het belangrijke punt in de leer hier is dat bepaalde hoogspirituele mensen die met succes de zesde inwijding ondergaan, de sambhogakaya kiezen in plaats van de nirmanakaya, zoals bijvoorbeeld de pratyekaboeddha’s, want in hun geval wordt het hoogste deel van hun constitutie de dharmakaya, alle hogere tussenliggende delen worden de sambhogakaya; de nirmanakaya-‘keuze’ wordt niet gemaakt, en daarom verliezen deze reine maar spiritueel zelfzuchtige wezens in hun afzondering alle contact met de wereld en haar krachten, en elk verlangen diegenen te helpen die minder ver zijn gevorderd.

Na de fysieke dood van de Boeddha op de hoge leeftijd van honderd jaar, bleef de bodhisattva, die in werkelijkheid de nu verlichte Siddhartha was, achter in de atmosfeer van de aarde als een nirmanakaya – dat is een volledig maar verheerlijkt mens in het volle bezit van alle vermogens, kenmerken en beginselen van zijn constitutie, behalve het fysieke lichaam met het lingasarira en de grovere prana’s.

De uitdrukking ‘in de atmosfeer van de aarde’ is tot op zekere hoogte juist, maar is onvolledig. Men zou de toestand zelfs nauwkeuriger kunnen omschrijven door te zeggen dat de bodhisattva zich als nirmanakaya terugtrok uit het normale fysieke contact met de mensen, met de aarde en al wat daarbij hoort, maar vanuit innerlijke gebieden daarmee nauwe betrekkingen bleef onderhouden door waakzaam te blijven en toezicht te houden. De bodhisattva-nirmanakaya, vroeger op aarde bekend als Sakyamuni, is een bewoner van dat buitengewoon geheimzinnige deel van de oppervlakte van de aarde, dat beschermd en bewaakt wordt tegen indringers van buiten, en waar enkele van de meest verheven leden van de occulte broederschap zich bevinden: Sambhala.

 


Bron van het occultisme, blz. 581-8

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag