Voorwoord
Een kunstwerk staat of valt met zijn vermogen om te inspireren. Voor
een boek zoals Bron van het Occultisme, dat handelt over kosmische
waarheden en het eeuwige zoeken van de mens naar antwoorden, geldt des
te meer dat het staat of valt met de waarde van zijn boodschap. G. de
Purucker is zich daarvan volledig bewust; hij beweert niet een definitieve
formulering, het laatste woord over de waarheid, te verschaffen. Wat
hij wel biedt is een heldere interpretatie van de universele wijsheid
waarop de eeuwenoude Geheime Leer – en het meesterwerk van H.P.
Blavatsky met die naam – is gebaseerd.
De Purucker werd op 15 januari 1874 geboren in Suffern,
Rockland County, New York, en woonde tot het einde van de jaren tachtig
in de Verenigde Staten, toen het gezin naar Genève, Zwitserland,
verhuisde. Zijn vader, een dominee in de episcopale kerk, was daar benoemd
tot predikant van de Amerikaanse kerk; hij was een geleerd man die zich
volledig inzette, en het was zijn diepste wens dat zijn zoon tot geestelijke
zou worden gewijd in de Anglicaanse kerkgemeenschap. Daarom leerde hij
hem zelf Latijn, Grieks en Hebreeuws, en zorgde ervoor dat hij onderwijs
kreeg in de moderne Europese talen, en in de geschiedenis en letterkunde
van de bijbelse volkeren en van het oude Griekenland en Rome.
De jongen legde zich er met veel ijver op toe, maar
hij had een diep onderzoekende geest, met een van nature intuïtief
gevoel voor wat spiritueel echt en onecht is. Voordat hij achttien jaar
was, wist hij met zekerheid dat hij niet tot de kerk kon toetreden;
dat in feite geen enkele formele religie hem ooit zou kunnen binden.
Het zoeken naar de gnosis, de levende wijsheid achter de uiterlijkheden
van riten en leerstellingen, hield hem in hoge mate bezig.
De schok was pijnlijk voor zijn ouders: hun zoon,
die van jongs af was voorbestemd om predikant te worden, die de Heilige
Schrift in de oorspronkelijke talen kon lezen en getraind was voor het
ambt en de verantwoordelijkheden van zielenherder – was agnosticus
geworden.
Diep bedroefd verliet de jongeman zijn thuis en
studies in Genève, scheepte zich in naar Amerika en ging, na
een paar maanden in New York te hebben doorgebracht, naar Californië,
waar hij op verschillende ranches in San Diego County werkte. Ondertussen
zette hij zijn zoektocht voort; ‘om me heen ziend, naar links
en naar rechts, probeerde ik de sleutel te vinden tot de geheimen van
leven en dood die me zo kwelden.’ Hij kocht boeken over de tarot
en over genezing door gedachtekracht en ontdekte dat die geen voldoening
schonken. Toen hij een vertaling van een van de Upanishads
in handen kreeg, ging hij aan het werk om zich het Sanskriet eigen te
maken, precies zoals hij zich al eerder Angelsaksisch had eigen gemaakt
omdat hij, met de dichter Heine, geloofde dat ‘men met iedere
nieuwe taal een nieuwe ziel verwerft’.
Toen kreeg hij op een dag, zo vertelt hij ons, een
boekje over theosofie in handen en ‘het verraste me’:
Ik vond verheven gedachten! Ik besefte dat dit boek
meer bevatte dan een agnosticus mogelijk achtte. Mijn jarenlange studie
en het lezen van de wereldliteratuur – in het bijzonder de literatuur
uit de oudheid – hadden me geleerd de oude waarheid te herkennen
wanneer ik die zag. Ik werd geboeid door iets dat ik altijd in mijn
hart had geweten; en dat was dat er altijd een groep, een kring, een
vereniging, een genootschap van edele wijzen, grote zieners, heeft
bestaan en nog bestaat, ‘wijzen uit het oosten’, zoals
dit boek hen noemde.
We kennen de naam van het boek niet, maar we weten
wel dat Hobart Lorenz Gottfried de Purucker (later voor zijn vrienden
bekend als GdeP) op 16 augustus 1893 lid werd van The Theosophical Society,
die toen in Amerika werd geleid door William Q. Judge, die in 1875 medeoprichter
was met H.P. Blavatsky en H.S. Olcott van de moderne theosofische beweging.
Als lid van de San Diego Lodge en regelmatig gebruiker van de bibliotheek
hielp De Purucker bij het organiseren van een studie van De Geheime
Leer. Hoewel hij pas negentien jaar was, werd hij al snel aangewezen
als ‘vaste studieleider’ van de studies van de leden, waarvan
de meesten aanzienlijk ouder waren dan hij. In de volgende 49 jaar,
tot aan de dag van zijn dood op 27 september 1942, stelde GdeP zich
ten volle in dienst van zijn medemensen – wat op schitterende
wijze tot uitdrukking zou komen in zijn uiteenzettingen over de spirituele
beginselen van de theosofie.
Alles wat hij zei, in vertrouwelijke gesprekken
of in voor iedereen beschikbare literatuur, was een verdere uitwerking
van het visioen uit zijn jeugd van de eenheid van het goddelijke dat
zich overal in afdrukt, en de mogelijkheid van ieder mens die eenheid
te ervaren. Bron van het Occultisme vormt daarop geen uitzondering.
Toen Gottfried de Purucker in juli 1929 Katherine
Tingley opvolgde als leider van de Theosophical Society, waarvan het
internationale hoofdkwartier toen was gevestigd in Point Loma, Californië,
begon hij met een reeks esoterische studies om de zaden van altruïsme
te stimuleren en ook om onderricht te geven in de diepere aspecten van
de theosofie. Geen vraag was te eenvoudig, geen te ingewikkeld voor
een zorgvuldige beschouwing. Maar hij legde de nadruk erop dat de ‘wetenschappelijk-filosofische’
aspecten van de leringen altijd doordrongen moeten zijn van het ‘ethisch-mystieke’:
alleen als men de leer die men hoort in praktijk brengt, zal ze haar
esoterische inhoud openbaren.
Dit boek is ontstaan uit twaalf studieboekjes die
in 1936 als vertrouwelijk materiaal werden gedrukt. Ze waren door een
kleine commissie, onder leiding van dr. De Purucker, samengesteld uit
stenografische verslagen van esoterische bijeenkomsten die van 1929
tot 1933 door hem werden gehouden en daaraan voegde hij bepaalde passages
uit zijn publicaties en ook een grote hoeveelheid nieuw materiaal over
een verscheidenheid van onderwerpen toe.
Bijzonder belangwekkend is de volgorde van de onderwerpen,
zoals hij die zelf met heel veel zorg heeft vastgesteld. Zijn voornaamste
zorg was, verklaarde hij, de lezer al bij het begin – voor hij
misschien te zeer zou worden geboeid door de verheven filosofische leringen
die later worden uiteengezet – de volle gelegenheid te geven zich
het ideaal van onzelfzuchtig dienen eigen te maken, dat het kenmerk
is van het pad van mededogen dat door de spirituele mentors van de mensheid
wordt gekozen. Toen hem verder werd gevraagd waarom hij het strikt uit
leringen bestaande gedeelte van de reeks begon met een diepzinnige verhandeling
over Ruimte en maya, in plaats van met de praktische en gemakkelijk
te begrijpen onderwerpen zoals karma en wedergeboorte, antwoordde hij
dat die ideeën al ruimschoots in de gepubliceerde boeken van de
Society waren behandeld. Zijn hele streven was erop gericht het bewustzijn
van de leerling uit de enge begrenzing van het zuiver persoonlijke te
verheffen tot een kosmisch niveau, waar zelfs het moeilijkste menselijke
probleem meer in verhouding kan worden gezien.
Het is duidelijk dat het boek uitgaat van de veronderstelling
dat men enige basiskennis heeft van de theosofische denkwijze. Maar
betekent dit dat het degenen voor wie deze ideeën nieuw zijn weinig
te bieden heeft? Integendeel, want het geeft alle zoekers stof tot nadenken,
wat hun spirituele of religieuze instelling misschien ook is, en ook
hen die zich op geloofsgebied van hun bindingen hebben losgemaakt en
op zoek zijn naar een levensbeschouwing die hun houvast geeft. Kortom,
het richt zich tot allen die het onderlinge verband erkennen tussen
het menselijk lot en het kosmische plan; die intuïtief aanvoelen
dat de pelgrimstocht van de mens zich over vele levens op aarde uitstrekt,
zodat de ziel in de loop van de eeuwen haar latente goddelijkheid tevoorschijn
kan brengen. Het richt zich vooral tot hen die in hun intiemste ogenblikken
de innerlijke drang voelen om het stille, smalle pad te vinden en de
oude gelofte af te leggen om zich geheel te wijden aan het dienen van
de mensheid.
Er zijn misschien mensen die zouden willen dat dr.
De Purucker het gebruik van vreemde termen tot een minimum had beperkt,
het theosofische standpunt eenvoudig had weergegeven en de onderwerpen
scherpomlijnd had uiteengezet. Want als we in Bron van het Occultisme
het spoor volgen van de afdaling van de geest in de stof en van het
weer opstijgen naar zijn oorspronkelijke bron, lezen we over loka’s
en tala’s, over gebieden en dhatu’s, over monaden en omhulsels.
Er is een goede reden voor het gebruik van zo’n
rijke terminologie, ontleend aan de schatkamers van religies en filosofieën
van het oosten en het westen. De basisideeën zijn dezelfde maar
iedere lichtbrenger draagt zijn zienswijze van de werkelijkheid over
via de lens van zijn eigen inwijdingservaring. Daarom biedt iedere spirituele
ziener ogenschijnlijk iets unieks, terwijl hij in feite eenvoudig dezelfde
occulte waarheid in een andere uiterlijke vorm kleedt. Dat dr. De Purucker
uitvoerig aantoont dat de vele en verschillende namen in de oude geschriften
voor God en de goden en hun talrijke functies slechts verschillende
manieren zijn om het ene evolutieproces te beschrijven, was niet alleen
om het begrip te verruimen van hen die aan een bepaald geloof zijn gehecht,
maar ook om diegenen te helpen die zich met een vergelijkende studie
van religies, filosofieën en mythologieën bezighouden.
Dit boek is echter meer dan een systematische behandeling
van leringen; het stimuleert veeleer de intuïtie. Als de lezer
de soms subtiele, maar altijd logische gedachtegang van de schrijver
kan volgen, ontdekt hij misschien, in een plotselinge flits van inzicht,
wat HPB met een bepaalde ‘moeilijke’ passage werkelijk heeft
bedoeld. Wat vroeger zelfs voor de meest scherpzinnige een raadsel was,
kan nu, vaak zonder dat hij zich daarvan verstandelijk bewust is, zonneklaar
worden en veel praktische wijsheid blijken te bevatten.
Maar ook al wordt in dit boek consequent de ene
of de andere leer uit De Geheime Leer of De Mahatma Brieven
uiteengezet, men moet niet denken dat de schrijver de geschriften van
HPB of van haar leraren ziet als ‘het laatste woord van onfeilbaar
gezag, zoals de christenen hun bijbel beschouwden en daarna vereerden’
– om een brief aan te halen die GdeP op 14 juni 1932 aan A. Trevor
Barker schreef. ‘Als dat het geval zou zijn, zouden we nooit evolueren.
HPB’s boeken zouden heilig en onschendbaar zijn. . . . Het gaat
erom dat we achter de beginselen staan. Dat is heel belangrijk.’
Keer op keer herinnert de schrijver ons eraan dat
het enige gezag, de enige werkelijke inwijder voor ieder mens, zijn
eigen hogere zelf is. De paradox is dat dr. De Purucker werkelijk spreekt
‘als iemand met gezag’, het gezag van diepe spirituele ervaring.
Daardoor worden veel deuren wijd geopend, ofschoon er evenveel gesloten
blijven of slechts op een kier staan, in afwachting van het ogenblik
dat de lezer zelf zo zal aankloppen dat de deur zich wijd voor het licht
van zijn eigen innerlijke god opent. Als we ons alleen op hoofdgeleerdheid,
de leer van het oog, verlaten, zullen we slechts weinig van duurzame
waarde verwerven. Het is de leer van het hart die aanspraak op onze
trouw moet kunnen maken, de hartenwijsheid die haar stempel op de ziel
drukt.
Het is veelbetekenend dat G. de Purucker al in 1935
in het openbaar de hoop uitsprak ‘nog een of twee boeken te kunnen
uitgeven met theosofische leringen’, die tot dan in besloten kring
werden verspreid, als hij daarvoor ‘de tijd en de energie zou
kunnen vinden’. Wat vroeger als esoterisch werd beschouwd zou
volgens hem zelfs toen al in hogere mate worden begrepen, als gevolg
van het ‘meer ontwaakte verstand van de mens van nu’ en
door de toegenomen ‘ontvankelijkheid voor nieuwe ideeën [die]
een totaal ander en in feite braakliggend terrein van bewustzijn heeft
opgeleverd’ (De Esoterische Traditie, blz. xiii). Hij
kon deze plannen niet zelf realiseren; daarom werd een van deze beoogde
werken, Dialogen van G. de Purucker, dat verslagen bevat van
de bijeenkomsten van de Katherine Tingley Memorial Group, in 1948 door
Arthur L. Conger uitgegeven. Door het publiceren van Bron van het
Occultisme zijn beide boeken met tot nu toe esoterisch materiaal
– waarnaar men heeft uitgezien – nu overal verkrijgbaar.
We betreuren het zeer dat James A. Long, leider
van de Theosophical Society van 1951 tot 1971, het verschijnen van dit
boek in voltooide vorm niet heeft mogen beleven. Maar de richtlijnen
die hij in 1966 gaf voor het redigeren en voorbereiden van het manuscript
zijn trouw gevolgd: het bewaren van de zuiverheid van de leringen, zowel
wat betreft sfeer als inhoud; het weglaten van onnodige herhalingen
en van alle zaken die alleen de organisatie van de Theosophical Society
of de Esoterische Sectie betreffen; het aanpassen van de spelling van
die Sanskriet- en andere vreemde woorden die nu algemeen worden gebruikt,
zoals karma, enz.; en waar dat raadzaam was, het omzetten van het materiaal
uit de strikt vertrouwelijke, esoterische omlijsting naar een voor publicatie
geschikte vorm. Kortom, uit de twaalf boekjes die verbazingwekkende
schat aan wijsheid die ze bevatten te comprimeren en te distilleren,
zodat de wereld er haar voordeel mee kan doen.
Long bracht de bedoeling van dr. De Purucker als
volgt onder woorden:
Al deze esoterische leringen hebben één
doel – niet slechts om het intellect van de lezer te bevredigen,
maar om de grondslag te leggen voor de ontwikkeling van de meedogende
kant van ons wezen, opdat we onze medemensen beter kunnen dienen.
De fundamentele waarde van het boek is dat we achter
het ruimtelijke en kosmische beeld de bron van mededogen gaan zien
dat aan het hart van de kosmos ontspringt en vandaar uitstroomt naar
de melkweg, het zonnestelsel, onze aardbol en de mens. Dit alles vormt
een manifestatie van een mededogen dat ons begripsvermogen te boven
gaat.
We moeten hier melding maken van het werk dat nauwgezet
is verricht door onze onvermoeibare stafleden zowel redactioneel als
in de drukkerij: Kirby Van Mater, archivaris; John P. Van Mater, die
het manuscript controleerde voordat het werd gezet en die de index maakte;
Dorothy LeGros en Eloise Hart voor de verschillende keren dat het manuscript
werd uitgetypt; Madeline Clark, Manuel Oderberg, Ingrid Van Mater, Elsa-Brita
Titchenell, Sarah B. Van Mater en Lawrence Merkel, voor hun zware taak
van het proeflezen; en niet in het minst de redactiecommissie, A. Studley
Hart, wijlen Willy Ph. Felthuis en Ida Postma die allen langdurig en
toegewijd met mij samenwerkten om dit boek tot stand te brengen.
Precies honderd jaar na de geboorte van Gottfried
de Purucker betuigen we dankbaar onze erkentelijkheid voor wat we spiritueel
verschuldigd zijn aan hem die het vuur van aspiratie weer ontstak, in
de overtuiging dat Bron van het Occultisme de kracht bezit
om in de komende eeuwen iedere ernstige zoeker te inspireren.
Grace F. Knoche
15 januari 1974
Pasadena, Californië
Bron
van het Occultisme, blz. v-xi
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag