Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

     
      Inhoudsopgave     

 

Voorwoord


Een kunstwerk staat of valt met zijn vermogen om te inspireren. Voor een boek zoals Bron van het occultisme, dat handelt over kosmische waarheden en het eeuwige zoeken van de mens naar antwoorden, geldt des te meer dat het staat of valt met de waarde van zijn boodschap. G. de Purucker is zich daarvan volledig bewust; hij beweert niet een definitieve formulering, het laatste woord over de waarheid, te verschaffen. Wat hij wel biedt is een heldere interpretatie van de universele wijsheid waarop de eeuwenoude Geheime Leer – en het meesterwerk van H.P. Blavatsky met die naam – is gebaseerd.

De Purucker werd op 15 januari 1874 geboren in Suffern, Rockland County, New York, en woonde tot het einde van de jaren tachtig in de Verenigde Staten, toen het gezin naar Genève, Zwitserland, verhuisde. Zijn vader, een dominee in de episcopale kerk, was daar benoemd tot predikant van de Amerikaanse kerk; hij was een geleerd man die zich volledig inzette, en het was zijn diepste wens dat zijn zoon tot geestelijke zou worden gewijd in de Anglicaanse kerkgemeenschap. Daarom leerde hij hem zelf Latijn, Grieks en Hebreeuws, en zorgde ervoor dat hij onderwijs kreeg in de moderne Europese talen, en in de geschiedenis en letterkunde van de bijbelse volkeren en van het oude Griekenland en Rome.

De jongen legde zich er met veel ijver op toe, maar hij had een diep onderzoekende geest, met een van nature intuïtief gevoel voor wat spiritueel echt en onecht is. Voordat hij achttien jaar was, wist hij met zekerheid dat hij niet tot de kerk kon toetreden; dat in feite geen enkele formele religie hem ooit zou kunnen binden. Het zoeken naar de gnosis, de levende wijsheid achter de uiterlijkheden van riten en leerstellingen, hield hem in hoge mate bezig.

De schok was pijnlijk voor zijn ouders: hun zoon, die van jongs af was voorbestemd om predikant te worden, die de Heilige Schrift in de oorspronkelijke talen kon lezen en getraind was voor het ambt en de verantwoordelijkheden van zielenherder – was agnosticus geworden.

Diep bedroefd verliet de jongeman zijn thuis en studies in Genève, scheepte zich in naar Amerika en ging, na een paar maanden in New York te hebben doorgebracht, naar Californië, waar hij op verschillende ranches in San Diego County werkte. Ondertussen zette hij zijn zoektocht voort; ‘om me heen ziend, naar links en naar rechts, probeerde ik de sleutel te vinden tot de geheimen van leven en dood die me zo kwelden.’ Hij kocht boeken over de tarot en over genezing door gedachtekracht en ontdekte dat die geen voldoening schonken. Toen hij een vertaling van een van de Upanishads in handen kreeg, ging hij aan het werk om zich het Sanskriet eigen te maken, precies zoals hij zich al eerder Angelsaksisch had eigen gemaakt omdat hij, met de dichter Heine, geloofde dat ‘men met iedere nieuwe taal een nieuwe ziel verwerft’.

Toen kreeg hij op een dag, zo vertelt hij ons, een boekje over theosofie in handen en ‘het verraste me’:

Ik vond verheven gedachten! Ik besefte dat dit boek meer bevatte dan een agnosticus mogelijk achtte. Mijn jarenlange studie en het lezen van de wereldliteratuur – in het bijzonder de literatuur uit de oudheid – hadden me geleerd de oude waarheid te herkennen wanneer ik die zag. Ik werd geboeid door iets dat ik altijd in mijn hart had geweten; en dat was dat er altijd een groep, een kring, een vereniging, een genootschap van edele wijzen, grote zieners, heeft bestaan en nog bestaat, ‘wijzen uit het oosten’, zoals dit boek hen noemde.

We kennen de naam van het boek niet, maar we weten wel dat Hobart Lorenz Gottfried de Purucker (later voor zijn vrienden bekend als GdeP) op 16 augustus 1893 lid werd van The Theosophical Society, die toen in Amerika werd geleid door William Q. Judge, die in 1875 medeoprichter was met H.P. Blavatsky en H.S. Olcott van de moderne theosofische beweging. Als lid van de San Diego Lodge en regelmatig gebruiker van de bibliotheek hielp De Purucker bij het organiseren van een studie van De Geheime Leer. Hoewel hij pas negentien jaar was, werd hij al snel aangewezen als ‘vaste studieleider’ van de studies van de leden, waarvan de meesten aanzienlijk ouder waren dan hij. In de volgende 49 jaar, tot aan de dag van zijn dood op 27 september 1942, stelde GdeP zich ten volle in dienst van zijn medemensen – wat op schitterende wijze tot uitdrukking zou komen in zijn uiteenzettingen over de spirituele beginselen van de theosofie.

Alles wat hij zei, in vertrouwelijke gesprekken of in voor iedereen beschikbare literatuur, was een verdere uitwerking van het visioen uit zijn jeugd van de eenheid van het goddelijke dat zich overal in afdrukt, en de mogelijkheid van ieder mens die eenheid te ervaren. Bron van het occultisme vormt daarop geen uitzondering.

Toen Gottfried de Purucker in juli 1929 Katherine Tingley opvolgde als leider van de Theosophical Society, waarvan het internationale hoofdkwartier toen was gevestigd in Point Loma, Californië, begon hij met een reeks esoterische studies om de zaden van altruïsme te stimuleren en ook om onderricht te geven in de diepere aspecten van de theosofie. Geen vraag was te eenvoudig, geen te ingewikkeld voor een zorgvuldige beschouwing. Maar hij legde de nadruk erop dat de ‘wetenschappelijk-filosofische’ aspecten van de leringen altijd doordrongen moeten zijn van het ‘ethisch-mystieke’: alleen als men de leer die men hoort in praktijk brengt, zal ze haar esoterische inhoud openbaren.

Dit boek is ontstaan uit twaalf studieboekjes die in 1936 als vertrouwelijk materiaal werden gedrukt. Ze waren door een kleine commissie, onder leiding van dr. De Purucker, samengesteld uit stenografische verslagen van esoterische bijeenkomsten die van 1929 tot 1933 door hem werden gehouden en daaraan voegde hij bepaalde passages uit zijn publicaties en ook een grote hoeveelheid nieuw materiaal over een verscheidenheid van onderwerpen toe.

Bijzonder belangwekkend is de volgorde van de onderwerpen, zoals hij die zelf met heel veel zorg heeft vastgesteld. Zijn voornaamste zorg was, verklaarde hij, de lezer al bij het begin – voor hij misschien te zeer zou worden geboeid door de verheven filosofische leringen die later worden uiteengezet – de volle gelegenheid te geven zich het ideaal van onzelfzuchtig dienen eigen te maken, dat het kenmerk is van het pad van mededogen dat door de spirituele mentors van de mensheid wordt gekozen. Toen hem verder werd gevraagd waarom hij het strikt uit leringen bestaande gedeelte van de reeks begon met een diepzinnige verhandeling over Ruimte en maya, in plaats van met de praktische en gemakkelijk te begrijpen onderwerpen zoals karma en wedergeboorte, antwoordde hij dat die ideeën al ruimschoots in de gepubliceerde boeken van de Society waren behandeld. Zijn hele streven was erop gericht het bewustzijn van de leerling uit de enge begrenzing van het zuiver persoonlijke te verheffen tot een kosmisch niveau, waar zelfs het moeilijkste menselijke probleem meer in verhouding kan worden gezien.

Het is duidelijk dat het boek uitgaat van de veronderstelling dat men enige basiskennis heeft van de theosofische denkwijze. Maar betekent dit dat het degenen voor wie deze ideeën nieuw zijn weinig te bieden heeft? Integendeel, want het geeft alle zoekers stof tot nadenken, wat hun spirituele of religieuze instelling misschien ook is, en ook hen die zich op geloofsgebied van hun bindingen hebben losgemaakt en op zoek zijn naar een levensbeschouwing die hun houvast geeft. Kortom, het richt zich tot allen die het onderlinge verband erkennen tussen het menselijk lot en het kosmische plan; die intuïtief aanvoelen dat de pelgrimstocht van de mens zich over vele levens op aarde uitstrekt, zodat de ziel in de loop van de eeuwen haar latente goddelijkheid tevoorschijn kan brengen. Het richt zich vooral tot hen die in hun intiemste ogenblikken de innerlijke drang voelen om het stille, smalle pad te vinden en de oude gelofte af te leggen om zich geheel te wijden aan het dienen van de mensheid.

Er zijn misschien mensen die zouden willen dat dr. De Purucker het gebruik van vreemde termen tot een minimum had beperkt, het theosofische standpunt eenvoudig had weergegeven en de onderwerpen scherpomlijnd had uiteengezet. Want als we in Bron van het occultisme het spoor volgen van de afdaling van de geest in de stof en van het weer opstijgen naar zijn oorspronkelijke bron, lezen we over loka’s en tala’s, over gebieden en dhatu’s, over monaden en omhulsels.

Er is een goede reden voor het gebruik van zo’n rijke terminologie, ontleend aan de schatkamers van religies en filosofieën van het oosten en het westen. De basisideeën zijn dezelfde maar iedere lichtbrenger draagt zijn zienswijze van de werkelijkheid over via de lens van zijn eigen inwijdingservaring. Daarom biedt iedere spirituele ziener ogenschijnlijk iets unieks, terwijl hij in feite eenvoudig dezelfde occulte waarheid in een andere uiterlijke vorm kleedt. Dat dr. De Purucker uitvoerig aantoont dat de vele en verschillende namen in de oude geschriften voor God en de goden en hun talrijke functies slechts verschillende manieren zijn om het ene evolutieproces te beschrijven, was niet alleen om het begrip te verruimen van hen die aan een bepaald geloof zijn gehecht, maar ook om diegenen te helpen die zich met een vergelijkende studie van religies, filosofieën en mythologieën bezighouden.

Dit boek is echter meer dan een systematische behandeling van leringen; het stimuleert veeleer de intuïtie. Als de lezer de soms subtiele, maar altijd logische gedachtegang van de schrijver kan volgen, ontdekt hij misschien, in een plotselinge flits van inzicht, wat HPB met een bepaalde ‘moeilijke’ passage werkelijk heeft bedoeld. Wat vroeger zelfs voor de meest scherpzinnige een raadsel was, kan nu, vaak zonder dat hij zich daarvan verstandelijk bewust is, zonneklaar worden en veel praktische wijsheid blijken te bevatten.

Maar ook al wordt in dit boek consequent de ene of de andere leer uit De Geheime Leer of De Mahatma Brieven uiteengezet, men moet niet denken dat de schrijver de geschriften van HPB of van haar leraren ziet als ‘het laatste woord van onfeilbaar gezag, zoals de christenen hun bijbel beschouwden en daarna vereerden’ – om een brief aan te halen die GdeP op 14 juni 1932 aan A. Trevor Barker schreef. ‘Als dat het geval zou zijn, zouden we nooit evolueren. HPB’s boeken zouden heilig en onschendbaar zijn. . . . Het gaat erom dat we achter de beginselen staan. Dat is heel belangrijk.’

Keer op keer herinnert de schrijver ons eraan dat het enige gezag, de enige werkelijke inwijder voor ieder mens, zijn eigen hogere zelf is. De paradox is dat dr. De Purucker werkelijk spreekt ‘als iemand met gezag’, het gezag van diepe spirituele ervaring. Daardoor worden veel deuren wijd geopend, ofschoon er evenveel gesloten blijven of slechts op een kier staan, in afwachting van het ogenblik dat de lezer zelf zo zal aankloppen dat de deur zich wijd voor het licht van zijn eigen innerlijke god opent. Als we ons alleen op hoofdgeleerdheid, de leer van het oog, verlaten, zullen we slechts weinig van duurzame waarde verwerven. Het is de leer van het hart die aanspraak op onze trouw moet kunnen maken, de hartenwijsheid die haar stempel op de ziel drukt.

Het is veelbetekenend dat G. de Purucker al in 1935 in het openbaar de hoop uitsprak ‘nog een of twee boeken te kunnen uitgeven met theosofische leringen’, die tot dan in besloten kring werden verspreid, als hij daarvoor ‘de tijd en de energie zou kunnen vinden’. Wat vroeger als esoterisch werd beschouwd zou volgens hem zelfs toen al in hogere mate worden begrepen, als gevolg van het ‘meer ontwaakte verstand van de mens van nu’ en door de toegenomen ‘ontvankelijkheid voor nieuwe ideeën [die] een totaal ander en in feite braakliggend terrein van bewustzijn heeft opgeleverd’ (De Esoterische Traditie, blz. xiii). Hij kon deze plannen niet zelf realiseren; daarom werd een van deze beoogde werken, Dialogen van G. de Purucker, dat verslagen bevat van de bijeenkomsten van de Katherine Tingley Memorial Group, in 1948 door Arthur L. Conger uitgegeven. Door het publiceren van Bron van het occultisme zijn beide boeken met tot nu toe esoterisch materiaal – waarnaar men heeft uitgezien – nu overal verkrijgbaar.

We betreuren het zeer dat James A. Long, leider van de Theosophical Society van 1951 tot 1971, het verschijnen van dit boek in voltooide vorm niet heeft mogen beleven. Maar de richtlijnen die hij in 1966 gaf voor het redigeren en voorbereiden van het manuscript zijn trouw gevolgd: het bewaren van de zuiverheid van de leringen, zowel wat betreft sfeer als inhoud; het weglaten van onnodige herhalingen en van alle zaken die alleen de organisatie van de Theosophical Society of de Esoterische Sectie betreffen; het aanpassen van de spelling van die Sanskriet- en andere vreemde woorden die nu algemeen worden gebruikt, zoals karma, enz.; en waar dat raadzaam was, het omzetten van het materiaal uit de strikt vertrouwelijke, esoterische omlijsting naar een voor publicatie geschikte vorm. Kortom, uit de twaalf boekjes die verbazingwekkende schat aan wijsheid die ze bevatten te comprimeren en te distilleren, zodat de wereld er haar voordeel mee kan doen.

Long bracht de bedoeling van dr. De Purucker als volgt onder woorden:

Al deze esoterische leringen hebben één doel – niet slechts om het intellect van de lezer te bevredigen, maar om de grondslag te leggen voor de ontwikkeling van de meedogende kant van ons wezen, opdat we onze medemensen beter kunnen dienen.

De fundamentele waarde van het boek is dat we achter het ruimtelijke en kosmische beeld de bron van mededogen gaan zien dat aan het hart van de kosmos ontspringt en vandaar uitstroomt naar de melkweg, het zonnestelsel, onze aardbol en de mens. Dit alles vormt een manifestatie van een mededogen dat ons begripsvermogen te boven gaat.

We moeten hier melding maken van het werk dat nauwgezet is verricht door onze onvermoeibare stafleden zowel redactioneel als in de drukkerij: Kirby Van Mater, archivaris; John P. Van Mater, die het manuscript controleerde voordat het werd gezet en die de index maakte; Dorothy LeGros en Eloise Hart voor de verschillende keren dat het manuscript werd uitgetypt; Madeline Clark, Manuel Oderberg, Ingrid Van Mater, Elsa-Brita Titchenell, Sarah B. Van Mater en Lawrence Merkel, voor hun zware taak van het proeflezen; en niet in het minst de redactiecommissie, A. Studley Hart, wijlen Willy Ph. Felthuis en Ida Postma die allen langdurig en toegewijd met mij samenwerkten om dit boek tot stand te brengen.

Precies honderd jaar na de geboorte van Gottfried de Purucker betuigen we dankbaar onze erkentelijkheid voor wat we spiritueel verschuldigd zijn aan hem die het vuur van aspiratie weer ontstak, in de overtuiging dat Bron van het occultisme de kracht bezit om in de komende eeuwen iedere ernstige zoeker te inspireren.

Grace F. Knoche
15 januari 1974
Pasadena, Californië

 


Bron van het occultisme, blz. v-xi

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag