Verzonken continenten & continentverschuiving
David Pratt

Online editie

Vertaling van: Sunken continents versus continental drift

isbn 978-90-70328-74-0, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2009  Theosophical University Press Agency,
Den Haag

E-boek 2010 PDF (2,5 MB)

 


Inhoud

Deel 1

Deel 2

Bijlagen   


 

Deel 2

Het verrijzen en verzinken van continenten

Verticale bewegingen

De theosofische traditie leert dat de aardkorst zich voortdurend verheft of verzinkt, meestal langzaam maar op sommige momenten met cataclysmische intensiteit. Er is een voortdurende afwisseling van land en water: als één deel van de droge landen verzinkt, ontstaat elders nieuw land. Blavatsky schrijft:

Het opheffen en dalen van continenten gaat steeds voort. De hele kust van Zuid-Amerika is in een uur 10 tot 15 voet opgeheven en ook weer gedaald. Huxley heeft aangetoond dat de Britse eilanden vier keer onder de oceaan zijn gezakt en vervolgens weer zijn omhooggekomen en opnieuw bevolkt. De Alpen, de Himålaya en de Cordilleras waren alle het gevolg van bezinksels die zich op de zeebodem hadden afgezet en die door titanische kracht tot hun huidige hoogte werden opgeheven. De Sahara was het bekken van een miocene zee. Binnen de laatste 5000 of 6000 jaar zijn de kusten van Zweden, Denemarken en Noorwegen tussen de 200 en 600 voet opgerezen; in Schotland zijn er opgeheven kusten met uitstekende rotsen en klippen, die hoger liggen dan de stranden die nu door hongerige golven worden geërodeerd. Het noorden van Europa stijgt nog steeds op uit de zee, en Zuid-Amerika laat het verschijnsel zien van opgeheven stranden van meer dan 1000 mijl lang, die nu 100 tot 1300 voet boven het zeeniveau liggen. Anderzijds is de kust van Groenland zo snel aan het dalen dat de Groenlander niet aan de kust wil bouwen. Al deze verschijnselen staan vast. Waarom kan een geleidelijke verandering dan niet in lang verstreken tijdperken hebben plaatsgemaakt voor een hevige ramp? – want zulke rampen vinden zelfs nu op kleinere schaal plaats (zoals in het geval van het Sunda eiland met 80.000 Maleiers*).1

*Een verwijzing naar de enorme uitbarsting van de vulkaan op het eiland Krakatau in de Straat Sunda in 1883. Ze heeft een tsunami, of een grote zeegolf, veroorzaakt die meer dan 30.000 mensen op de eilanden Java en Sumatra wegvaagde.

Blavatsky citeert ook het volgende van een wetenschapper uit haar tijd:

er zijn onophoudelijk krachten werkzaam, en er is geen reden waarom een opheffende kracht die eenmaal in het midden van een oceaan in werking is gesteld, zou ophouden te werken tot er een continent is gevormd. Ze zijn werkzaam geweest en hebben in betrekkelijk recente geologische tijden de hoogste bergen op aarde uit de zee opgeheven. . . . [Z]eebeddingen zijn soms 1000 vadem omhooggekomen en eilanden zijn verrezen uit diepten van 3000 vadem . . .2

Het bestaan van vroegere continentale landmassa’s in de huidige oceanen mag dan in strijd zijn met plaattektonische dogma’s, het wordt echter gesteund door een groeiende hoeveelheid bewijsmateriaal, zoals hieronder wordt aangegeven.

De klassieke platentektoniek probeert alle geologische structuren in eerste instantie te verklaren door eenvoudige horizontale bewegingen van lithosferische platen – het splijten, zich uitbreiden, botsen en de subductie ervan. Maar willekeurige interacties van platen kunnen het periodieke karakter van geologische processen niet verklaren, d.w.z. de geotektonische cyclus, die soms een wereldwijd karakter heeft. Ze kunnen evenmin het grootschalige opheffen en wegzakken verklaren die de evolutie van de aardkorst hebben gekenmerkt, vooral als dit zich ver van ‘plaatgrenzen’ voordoet, zoals in het binnenland van continenten, en verticale oscillerende bewegingen die uitgestrekte gebieden betreffen. De aanwezigheid van mariene lagen duizenden meters boven de zeespiegel (bijvoorbeeld op de top van Mount Everest) en de grote diktes van ondiep-water-sediment in een aantal oude bekkens wijzen erop dat verticale bewegingen van de aardkorst tot een hoogte van tenminste 9 km boven de zeespiegel en een diepte van 10-15 km beneden de zeespiegel hebben plaatsgevonden.

Grote verticale bewegingen hebben zich ook voorgedaan langs de randen van continenten. Zo is de rand van het Noord-Amerikaanse continent aan de kant van de Atlantische Oceaan sinds de jura tot maximaal 12 km gezakt. In Barbados komt onder diepzeeslijk steenkool uit het tertiair voor, wat wijst op een tropische omgeving met ondiep water; hieruit blijkt dat tijdens de afgelopen 12 miljoen jaar de korst voor de afzetting van het slijk tot meer dan 5 km diepte zonk en daarna weer is omhooggekomen. Een soortgelijke situatie doet zich voor in Indonesië, waar diepzeeslijk boven de zeespiegel voorkomt, tussen tertiaire ondiep-water-sedimenten.

In de platentektoniek bestaat het belangrijkste mechanisme om bergen te vormen uit zijdelingse compressie veroorzaakt door botsingen van continenten, eilandbogen, oceanische plateaus, zeebergen en ruggen. In dit model vindt er subductie zonder bergvorming plaats tot een botsing optreedt, terwijl in het model zonder botsing subductie de enige oorzaak voor het vormen van bergen is. Deze modellen spreken elkaar tegen en zijn beide ontoereikend, zoals verschillende aanhangers van de platentektoniek hebben toegegeven. Het model zonder botsing verklaart niet hoe ononderbroken subductie aanleiding kan geven tot onderbrekingen bij het vormen van bergen, terwijl het model met botsing wordt tegengesproken door gevallen van bergvorming waar geen botsing van continenten kan worden aangenomen, en het kan de tegenwoordige bergvorming langs ketens zoals de Andes en langs een groot deel van de rest van de rand van de Grote Oceaan niet verklaren.

Azië zou in het late paleozoïcum met Europa zijn gebotst, waarbij de Oeral werd gevormd, maar overvloedige geologische gegevens tonen aan dat het Siberische en Oost-Europese (Russische) plateau sinds het precambrium één enkel continent hebben gevormd. Eén leerboek geologie erkent dat de platentektonische reconstructie van de vorming van het Appalachen-gebergte met drie opeenvolgende botsingen van Noord-Amerika ‘zelfs voor een sciencefictionverhaal te onwaarschijnlijk lijkt’. C.D. Ollier zegt dat de fantasievolle platentektonische verklaring de hele geomorfologie en veel van de bekende geologische geschiedenis van de Appalachen negeert. Hij zegt ook dat van alle mogelijke mechanismen die het ontstaan van de Alpen zouden kunnen verklaren, de botsing van de Afrikaanse en Europese platen het meest naïeve is.3

De Himalaya en het Tibetaanse Plateau zouden zijn opgetild door de botsing van de Indiase plaat met de Aziatische plaat. Dit verklaart echter niet waarom de bodemlagen aan beide kanten van de veronderstelde botsingszone relatief onverstoord blijven en een geringe helling vertonen, terwijl de Himålaya ongeveer 100 kilometer verderop als gevolg daarvan zou zijn opgetild, samen met de Kunlun-bergen ten noorden van het Tibetaanse Plateau. Rivierterrassen in verschillende delen van de Himålaya zijn bijna volmaakt horizontaal en niet hellend, wat aangeeft dat de Himålaya verticaal werd opgetild, en niet door horizontale samendrukking.

Er zijn veel aanwijzingen dat warmtestromen en het transport van materiaal in de mantel kunnen leiden tot belangrijke veranderingen in de dikte, samenstelling en dichtheid van de aardkorst, met aanzienlijke opheffingen en verzakkingen als gevolg. In veel theorieën die een alternatief bieden voor de platentektoniek wordt dit benadrukt. Ook platentektonici beroepen zich steeds vaker op het omhoogkomen van mantelmateriaal en aanverwante opwellingsprocessen als een mechanisme voor verticale bewegingen van de aardkorst.

De platentektoniek voorspelt eenvoudige wereldwijde patronen voor het stromen van warmte uit het inwendige van de aarde. Er moet een brede strook met grote warmte zijn onder de volle lengte van de mid-oceanische ruggen, en parallelle stroken met grote en geringe warmte langs de Benioff-zones. Gebieden binnen de platen zouden een minder grote warmtestroom moeten vertonen. Het patroon dat feitelijk wordt waargenomen is heel anders. Er zijn elkaar kruisende stroken met een grote warmtestroom die de hele oppervlakte van de aarde beslaan. Vulkanisme binnen de platen wordt meestal toegeschreven aan ‘mantelpluimen’ – opwellingen van warm materiaal dat van diep in de mantel komt. Door het bewegen van platen over de pluimen (of ‘hotspots’) zouden ketens van vulkanische eilanden en zeebergen ontstaan. Deze ketens moeten dan ook een geleidelijke ontwikkeling in hun ouderdom vertonen van het ene einde naar het andere, maar dit komt heel zelden voor. H.C. Sheth heeft aangetoond dat de pluimhypothese slecht onderbouwd, kunstmatig en ongegrond is, en aardwetenschappers op een doodlopende weg heeft gebracht.4

Een belangrijke nieuwe hypothese van de geodynamica is die van de stuwtektoniek (‘surge tectonics’); deze verwerpt zowel zeebodemspreiding als continentverschuiving.5 De stuwtektoniek stelt dat er zich onder alle belangrijke structuren van het aardoppervlak, waaronder riftzones, plooigordels, metamorfe gordels en zones van zijschuivingen, ondiepe (minder dan 80 km) magmakamers en -kanalen bevinden. Seismotomografische gegevens wijzen erop dat magmakanalen onderling verbonden zijn in een wereldwijd netwerk, dat ‘het cardiovasculaire stelsel van de aarde’ is genoemd. Actieve magmakanalen worden gekenmerkt door een grote warmtestroom en microaardbevingen. Magma uit de asthenosfeer stroomt langzaam door actieve kanalen met een snelheid van enkele centimeters per jaar. Deze horizontale stroming wordt aangetoond door twee belangrijke oppervlaktekenmerken: lineaire breuken, spleten en scheuren evenwijdig aan tektonische gordels; en de verdeling van gordels in tamelijk uniforme segmenten. Alle lavastromen en -tunnels hebben dezelfde kenmerken, die ook op Mars, Venus en een aantal manen van de buitenplaneten zijn waargenomen.

De stuwtektoniek stelt dat de belangrijkste oorzaak van de geodynamica het samendrukken van de lithosfeer is, wat wordt veroorzaakt door het afkoelen en samentrekken van de aarde.* Als het samendrukken in de loop van een geotektonische cyclus toeneemt, zorgt dit ervoor dat magma in ritmische golven door een kanaal wordt gestuwd en het tenslotte doet scheuren, zodat de inhoud van het kanaal bilateraal naar boven en naar buiten wordt gestuwd en tektogenesis op gang brengt. De asthenosfeer (in gebieden waar deze aanwezig is) trekt zich afwisselend samen tijdens perioden van tektonische activiteit en zet uit in perioden van tektonische rust. De draaiing van de aarde, in combinatie met de grotere traagheid van de meer starre lithosfeer ten opzichte van de meer vloeibare asthenosfeer eronder, zorgt ervoor dat de vloeibare of halfvloeibare materialen zich overwegend naar het oosten verplaatsen.

*Aardwetenschappers hebben heel uiteenlopende opvattingen over de veranderingen in de omvang van de aarde die deze sinds haar vorming heeft ondergaan. Vanuit een theosofisch perspectief is de aarde, na haar vorming in een etherische toestand ongeveer 2 miljard jaar geleden, geleidelijk steeds fysieker geworden en enigszins gekrompen. Aan deze neerwaartse boog van de evolutie van de aarde kwam enkele miljoenen jaren geleden een einde, en daarna begon de opwaartse boog, waarop de aarde weer meer etherisch wordt. Men kan verwachten dat de aarde een beetje zal uitzetten als de aantrekkingskrachten wat beginnen af te nemen.

 

De continenten

Het is opvallend dat 90% van alle sedimentaire gesteenten waaruit de continenten zijn samengesteld onder zee werd afgezet.6 De continenten zijn herhaaldelijk door zee overstroomd, maar omdat de zeeën overwegend ondiep (minder dan 250 m) waren, worden ze omschreven als ‘epicontinentaal’. Het zich uitbreiden en het zich weer terugtrekken van de zee worden gewoonlijk toegeschreven aan veranderingen van de zeespiegel die zijn veroorzaakt door veranderingen in de omvang van mid-oceanische ruggen. T.H. van Andel wijst erop dat deze verklaring niet opgaat voor de ongeveer 100 korte cycli van veranderingen van de zeespiegel, vooral omdat het zich uitbreiden en het zich weer terugtrekken van de zee zich niet altijd gelijktijdig over de hele wereld voordoen. Hij stelt dat grote gebieden of hele continenten langzame verticale bewegingen moeten ondergaan. Hij geeft toe dat zulke bewegingen ‘niet goed passen in de theorie van de platentektoniek’, en daarom grotendeels worden genegeerd.7

Afbeelding 11. Mate van overstroming door de zee voor elk fanerozoïsch tijdvak voor de voormalige Sovjetunie en Noord-Amerika. Hoe ouder de geologische periode des te groter de kans dat de mate van overstroming wordt onderschat omdat de sedimenten zijn geërodeerd of diep begraven liggen onder jongere sedimenten.8 (Herdrukt met toestemming van Nature.)

 

Afbeelding 12. Wijzigingen van de zeespiegel voor zes continenten. Voor de verschillende tijdsintervallen (in stappen van 20 miljoen jaar) loopt de verhouding tussen de gemiddelde zeeniveaus voor de afzonderlijke continenten sterk uiteen, wat het belang aantoont van verticale bewegingen op een regionale en continentale schaal.9 In de afgelopen 40 miljoen jaar is bijvoorbeeld Afrika snel omhooggekomen. (Herdrukt met toestemming van de American Geophysical Union.)

Van Andel stelt dat ‘platen’ niet meer dan een paar honderd meter stijgen of dalen – dit is de maximale diepte van de meeste ‘epicontinentale’ zeeën. Hierbij wordt echter een elementair feit over het hoofd gezien: enorme diktes van sedimenten werden vaak afgezet in de perioden van overstroming door de zee, waarvoor vaak verticale bewegingen van de aardkorst van vele kilometers nodig waren. Sedimenten hopen zich op in gebieden die zijn weggezakt, en hun dikte ligt meestal dicht bij de mate van verzakking. In de onstabiele, mobiele gordels die grenzen aan stabiele continentale schilden heeft zich in veel geosynclinale troggen en cirkelvormige holten sediment opgehoopt met een dikte van 10 tot 14 km, en in sommige gevallen van 20 km. Hoewel de sedimenten op de schilden zelf meestal minder dan 1,5 km dik zijn, zijn ook hier gevallen bekend van sedimentaire bekkens met een afzetting van 10 km of zelfs 20 km dik.

Bodemdaling kan niet uitsluitend worden toegeschreven aan het gewicht van het sediment dat zich ophoopt, omdat de dichtheid van sedimentaire gesteenten veel lager is dan dat van het materiaal onder de korst; de afzetting van 1 km van mariene sedimenten zal bijvoorbeeld slechts een verzakking van ongeveer een halve kilometer veroorzaken. Bovendien hebben sedimentaire bekkens niet alleen een voortdurende verlaging van de bodem van het bekken nodig om meer sediment te kunnen bevatten, maar ook een voortdurende verheffing van het aangrenzende land om te voorzien in een bron voor de sedimenten. In geosynclinalen werden de verzakkingen vaak gevolgd door het zich verheffen en plooien van de aardkorst en het ontstaan van bergketens, en dit kan natuurlijk niet worden verklaard door veranderingen van de lading die aan de oppervlakte is aangebracht. De complexe geschiedenis van de afwisselende verheffing en daling van de aardkorst lijkt diepliggende veranderingen in lithosferische samenstelling en dichtheid te vereisen, en verticale en horizontale bewegingen van mantelmateriaal.

In alle gebieden waar de sedimenten in ondiep water werden afgezet, moeten de verzakkingen op een of andere manier gelijke tred hebben gehouden met de sedimentatie. In eugeosynclinalen verliepen de verzakkingen daarentegen sneller dan de sedimentatie, wat resulteerde in een diepzeebekken van verschillende kilometers diep. Voorbeelden van eugeosynclinalen in het stadium voorafgaand aan de verheffing zijn de Sayan-bergen in het vroege paleozoïcum, de oostelijke helling van de Oeral in het vroeg- en midden-paleozoïcum, de Alpen in de jura en het vroege krijt, en de Sierra Nevada in het trias. Hoewel platentektonici vaak beweren dat geosynclinalen alleen worden gevormd bij plaatgrenzen tussen continenten en oceanen, zijn er veel voorbeelden van geosynclinalen die zich binnen continenten hebben gevormd.

 

De oceanen

In het verleden zijn sedimenten naar de huidige continenten getransporteerd vanuit de richting van de huidige oceanen, waar toen grote stukken land moeten zijn geweest die aan erosie onderhevig waren. De paleozoïsche geosynclinale langs de oostkust van Noord-Amerika, bijvoorbeeld, een gebied waar nu de bergen van de Appalachen liggen, werd gevoed door sedimenten afkomstig uit een aangrenzend stuk land (‘Appalachia’) in de Atlantische Oceaan. Andere verzonken landgebieden zijn het Noord-Atlantische Continent of Scandia (ten westen van Spitsbergen en Schotland), Cascadia (ten westen van de Sierra Nevada), en Melanesië (ten zuidoosten van Azië en ten oosten van Australië). Een miljoen kubieke kilometer devoon-sedimenten van Bolivia tot Argentinië duiden op een uitgebreide continentale bron in het westen waar zich nu de diepe Grote Oceaan bevindt. In het paleozoïcum-mesozoïcum-paleogeen werd de Japanse geosynclinale voorzien van sediment afkomstig uit land in de Grote Oceaan.

Wanneer platentektonici proberen uit te leggen wat de bron van deze sedimenten is, dan beweren ze soms dat sedimenten afkomstig zijn uit de bestaande continenten in perioden waarin ze dichter bij elkaar zouden hebben gelegen. Zo nodig veronderstellen ze kleine vroegere landgebieden (microcontinenten of eilandbogen), die sindsdien subductie hebben ondergaan of zich als ‘exotisch terrein’ hebben vastgehecht aan de rand van continenten. Er is echter een groeiende hoeveelheid bewijsmateriaal dat wijst op het verzinken van aanzienlijke landmassa’s waarvan de overblijfselen nog steeds aanwezig zijn onder de oceaanbodem.

De aardkorst onder oceanen zou veel dunner en dichter zijn dan de aardkorst van continenten: de oceanische korst zou gemiddeld ongeveer 7 km dik zijn en grotendeels uit basalt en gabbro bestaan, terwijl de continentale korst gemiddeld ongeveer 35 km dik is en voornamelijk uit graniet bestaat bedekt met sedimentair gesteente. Er worden in de oceanen echter steeds vaker oude continentale gesteenten ontdekt samen met korstsoorten die tussen de standaard ‘continentale’ en ‘oceanische’ korst in liggen, en dit brengt platentektonici ernstig in verlegenheid. Het traditionele beeld van de oceanische korst – die overal dun en zonder graniet zou zijn – wordt in de toekomst misschien nog verder ondermijnd naarmate het seismische onderzoek en de oceaanboringen worden voortgezet.

Afbeelding 13. Wereldwijde verspreiding van oceanische plateaus (zwart) (Storetvedt, 1997). (Herdrukt met toestemming van Fagbokforlaget en K.M. Storetvedt.)

Verspreid over de oceanen zijn er meer dan 100 onderzeese plateaus en aseismische ruggen, waarvan vele ooit boven water lagen. Ze vormen ongeveer 10% van de oceaanbodem. Veel lijken te zijn samengesteld uit gewijzigde continentale korst 20-40 km dik – veel dikker dan ‘normale’ oceanische korst. Ze hebben vaak een bovenste korst van 10-15 km dik met seismische snelheden die typerend zijn voor granietgesteente in de continentale korst. Ze vormen nog altijd belemmeringen voor het in elkaar passen van continenten, en zijn daarom opgevat als niet meer actieve spreidingsruggen, abnormaal verdikte oceanische korst of verzonken continentale fragmenten die zijn meegevoerd door de ‘migrerende’ zeebodem. Als de zeebodemspreiding wordt verworpen, zijn ze geen anomalieën meer en kunnen ze worden geïnterpreteerd als verzonken, in-situ continentale fragmenten die nog niet volledig zijn ‘geoceaniseerd’.

Ondiep-water-afzettingen, in leeftijd variërend van de midden-jura tot het mioceen, evenals stollingsgesteente dat tekenen van atmosferische verwering vertoont, werden aangetroffen in 149 van de eerste 493 boorgaten in de Atlantische, Indische en Grote Oceaan. Deze ondiep-water-afzettingen worden nu gevonden op diepten variërend van 1 tot 7 km, waaruit blijkt dat veel delen van de huidige oceaanbodem ooit ondiepe zeeën, ondiepe moerassen of droog land waren.10 Uit een studie van 402 oceanische boorgaten waarin ondiep-water-sedimenten of relatief-ondiep-water-sedimenten werden gevonden, concludeerde E.M. Ruditch dat er geen systematisch verband bestaat tussen de leeftijd van deze sedimenten en hun afstand tot de assen van de mid-oceanische ruggen, waardoor het model van de zeebodemspreiding wordt weerlegd. Sommige delen van de oceanen lijken een voortdurende verzakking te hebben ondergaan, terwijl andere delen afwisselend perioden van verzakking en verheffing hebben doorgemaakt. De Grote Oceaan lijkt hoofdzakelijk vanaf de late jura tot aan het mioceen te zijn gevormd, de Atlantische Oceaan vanaf het late krijt tot het einde van het eoceen, en de Indische Oceaan tijdens het paleoceen en eoceen.11 Dit stemt nauw overeen met de theosofische leringen over het verzinken van Lemurië in het late mesozoïcum en het vroege cenozoïcum, en het verzinken van Atlantis in de eerste helft van het cenozoïcum.12

Geologische en geofysische gegevens bieden sterke aanwijzingen voor de aanwezigheid van een precambrische en jongere continentale aardkorst onder de diepzeevlakten van de huidige noordwestelijke Grote Oceaan. Het grootste deel van dit gebied was ofwel aan de atmosfeer blootgesteld of was van het paleozoïcum tot het vroege mesozoïcum zeer ondiepe zee, en werd pas diepzee rond het einde van de jura. Er bestonden paleolanden aan beide kanten van de Japanse eilanden, en ze verzonken tussen het paleoceen en het mioceen. Er zijn ook bewijzen van paleolanden in het zuidwesten van de Grote Oceaan rond Australië en in het zuidoosten van de Grote Oceaan tijdens het paleozoïcum en mesozoïcum.13

Oceanografische en geologische gegevens wijzen erop dat een groot deel van de Indische Oceaan, vooral het oostelijke deel, land was (door sommige wetenschappers ‘Lemurië’ genoemd) vanaf de jura tot aan het mioceen. Het bewijsmateriaal omvat seismische gegevens en gegevens over pollen en atmosferische verwering, die aangeven dat de K.XVIII-rug en de Bengaalse Rug onderdeel waren van een uitgebreide nu verzonken landmassa; uitgebreide boor-, seismische, magnetische en zwaartekracht-gegevens die wijzen op het bestaan van een Alpien-Himålayische plooigordel in de noordwestelijke Indische Oceaan die verband houdt met een verzakte continentale korstlaag; aanwijzingen dat er continentale gesteenten onder de Scott, Exmouth en Naturaliste Plateaus ten westen van Australië liggen; en dikke sedimentatie uit het trias en de jura op de westelijke en noordwestelijke continentale platen van Australië met kenmerken die duiden op een westelijke bron.

Afbeelding 14. Vroegere landgebieden in de huidige Grote en Indische Oceaan. Alleen die gebieden waarvoor reeds deugdelijk bewijs bestaat zijn aangegeven. Hun precieze contouren en volledige omvang zijn nog niet bekend. G1 – Seychellen-gebied; G2 – Groot Oyashio Paleoland; G3 – Obruchev-drempel; G4 – Lemurië; S1 – gebied van het Ontong-Java-plateau, Magellan Zeebergen en Mid-pacifische Bergen; S2 – Noordoostelijke Grote Oceaan; S3 – Zuidoostelijke Grote Oceaan, waaronder de Chatham-drempel en het Campbell-plateau; S4 – Zuidwestelijke Grote Oceaan; S5 – gebied van o.a. de Zuid-Tasman-drempel; S6 – Oost-Tasman-drempel en Lord-Howe-drempel; S7 – Noordoostelijke Indische Oceaan; S8 – Noordwestelijke Indische Oceaan.14 (Herdrukt met toestemming van J.M. Dickins.)

In de Noord-Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee ligt een gewijzigde continentale korst (meestal 10-20 km dik) niet alleen onder ruggen en plateaus maar onder het grootste deel van de oceaanbodem; alleen in diep-water-holtes wordt een typisch oceanische korst gevonden. Omdat diepzeeboringen hebben aangetoond dat grote delen van de Noord-Atlantische Oceaan vroeger bedekt waren met ondiepe zeeën, is het mogelijk dat een groot deel van de Noord-Atlantische Oceaan vóór haar snelle verzakking continentale korst was. Lagere paleozoïsche continentale gesteenten met fossiele trilobieten zijn opgedregd vanaf zeebergen verspreid over een groot gebied ten noordoosten van de Azoren, en de aanwezigheid van continentale keien wijst erop dat het desbetreffende gebied een verzonken continentale zone was. Bald Mountain, waar een verscheidenheid aan oud continentaal materiaal is opgedregd, zou zeker een verzonken continentaal fragment kunnen zijn. In de equatoriale Atlantische Oceaan komen overal continentale en ondiep-water-rotsen voor.

Afbeelding 15. Gebieden (gearceerd) in de Atlantische Oceaan waarvan is vastgesteld dat ze verzonken zijn.15 (Herdrukt met toestemming van de AAPG.)

 

Afbeelding 16. Oude en continentale gesteenten die tot dusver in de Atlantische Oceaan zijn ontdekt (Vasiliev & Yano, 2007).

Atmosferische afzettingen zijn in veel delen van de mid-oceanische ruggen aangetroffen, wat aangeeft dat ze van het krijt tot het vroege tertiair ondiep of gedeeltelijk boven water waren. H.P. Blavatsky zegt dat de Mid-Atlantische Rug deel uitmaakte van een Atlantisch continent. Ze schrijft:

Men moet bedenken dat het Lemurië dat diende tot bakermat van het derde wortelras, niet alleen een uitgestrekt gebied in de Grote en de Indische Oceaan omvatte, maar zich in de vorm van een hoefijzer uitstrekte voorbij Madagascar, rond ‘Zuid-Afrika’ (toen slechts een brokstuk en nog bezig zich te vormen), door de Atlantische Oceaan tot Noorwegen toe. De laag van het grote Engelse zoetwaterbekken dat het Wealden wordt genoemd – dat elke geoloog beschouwt als de monding van een vroegere grote rivier – is de bedding van de belangrijkste stroom die in het secundair zorgde voor de afwatering van noordelijk Lemurië. Het vroegere bestaan van deze rivier is een wetenschappelijk vaststaand feit – zullen de aanhangers van deze opvatting de noodzaak erkennen om het noordelijke Lemurië uit het secundair te aanvaarden, zoals hun gegevens vereisen? Prof. Berthold Seeman aanvaardde niet alleen het werkelijke bestaan van zo’n machtig continent, maar beschouwde ook Australië en Europa als vroegere gedeelten van één continent – en bevestigde zo de al genoemde ‘hoefijzer’-leer volledig. Er kan geen treffender bevestiging van onze bewering worden gegeven dan door het feit dat de verhoogde rug in het Atlantische bekken, 9000 voet hoog, vanaf een punt bij de Britse eilanden twee- tot drieduizend mijl naar het zuiden loopt, eerst afbuigt in de richting van Zuid-Amerika, dan bijna rechthoekig ombuigt en verdergaat in zuidoostelijke richting naar de kust van Afrika, vanwaar hij in zuidelijke richting zijn weg vervolgt naar Tristan da Cunha. Deze rug is een overblijfsel van een Atlantisch continent en zou, als hij verder kon worden vervolgd, het bewijs opleveren van een onderzeese hoefijzervormige verbinding met een vroeger continent in de Indische Oceaan.16

Sinds dit werd geschreven (in 1888) heeft oceaanonderzoek bevestigd dat de Mid-Atlantische Rug zich inderdaad rond Zuid-Afrika tot in de Indische Oceaan voortzet.

Blavatsky vermeldde dat in de diepten van de oceaan rond de Azoren de ribben van een ooit enorm stuk land waren ontdekt, en citeerde het volgende uit de Scientific American: ‘De oneffenheden, de bergen en dalen aan het oppervlak ervan konden nooit zijn ontstaan volgens enige bekende wet voor de afzetting van sediment, en ook niet door onderzeese verheffing van de bodem, maar moeten integendeel het gevolg zijn van krachten die boven de waterspiegel hebben gewerkt.’ Ze voegt eraan toe dat er op een bepaald moment landruggen bestonden die Atlantis ergens boven de monding van de Amazone met Zuid-Amerika verbonden, met Afrika bij Kaap Verde, en met Spanje.17

Na de vele bewijzen voor grote continentale gebieden in de huidige oceanen in het verre verleden te hebben onderzocht, concludeerden J.M. Dickins, D.R. Choi & A.N. Yeates:

We zijn verbaasd dat zulke gegevens over het hoofd kunnen worden gezien of kunnen worden genegeerd, en maken ons zorgen over de objectiviteit en eerlijkheid van de wetenschap. . . . Het is absoluut noodzakelijk dat er bij toekomstige initiatieven in het kader van het programma voor oceaanboringen dieper wordt geboord dan de onderkant van de basaltlaag van de oceaanbodem, om te bevestigen wat de werkelijke samenstelling is van wat op dit moment oceanische korst wordt genoemd.18

Zoals in de theosofische literatuur is vermeld, kunnen er ‘diep in de . . . ongepeilde oceaanbodem andere en veel oudere continenten verborgen liggen, waarvan de lagen nooit geologisch zijn onderzocht’.19

Sommige eilanden zijn blijkbaar zo recent verzonken als in het late pleistoceen. M. Ewing deed bijvoorbeeld verslag van prehistorisch strandzand in twee diepzeebodemmonsters die op de Mid-Atlantische Rug, meer dan 1000 km uit de kust, van een diepte van 3 en 5,5 km naar boven werden gehaald. Eén bodemmonster bevatte twee lagen zand die op basis van de sedimentatiesnelheid respectievelijk zijn gedateerd op 20.000-100.000 jaar en 225.000-325.000 jaar.20 R.W. Kolbe meldde vondsten van talrijke zoetwater-diatomeeën in verschillende bodemmonsters uit de Mid-Atlantische Rug, meer dan 900 km uit de kust van Equatoriaal-West-Afrika. Een mogelijke verklaring is volgens hem dat de desbetreffende gebieden 10-12.000 jaar geleden eilanden waren, en de diatomeeën werden afgezet in sedimenten van meren die later zijn verzonken onder 3 km zeewater. Hij zei dat dit veel aannemelijker is dan de theorie dat modderstromen de diatomeeën 930 km over de zeebodem hadden meegevoerd en dan meer dan 1000 m omhoog om ze op de top van een onderzeese berg te deponeren.21 De zeeberg Atlantis, gelegen op 37 NB op de Mid-Atlantische Rug, heeft een platte top op een diepte van ongeveer 180 vadem, bedekt met keien of door de stroming gerimpeld zand. Ongeveer een ton kalksteenkeien werd vanaf de top opgedregd, en de ouderdom van een daarvan werd door radiokoolstofdatering bepaald op 12.000 +/- 900 jaar. Volgens B.C. Heezen en zijn collega’s was de kalksteen waarschijnlijk boven water verhard, en de zeeberg kan daarom ongeveer 12.000 jaar geleden een eiland zijn geweest.22

Volgens de moderne theosofie was Poseidonis – Plato’s ‘Atlantis’ – een eiland, ongeveer zo groot als Ierland, dat in de Atlantische Oceaan tegenover de Straat van Gibraltar lag en in een grote ramp in 9565 v.Chr. verzonk.23 Geoloog Christian O’Brien denkt dat Poseidonis een groot eiland op de Mid-Atlantische Rug was dat de Azoren omvatte.24 Door de dieptecontouren van de zeebodem te bepalen vond hij dat de Azoren werden gescheiden en omringd door een netwerk van onderzeese dalen die alle kenmerken vertoonden van vroegere rivierdalen die aan de oppervlakte hebben gelegen. Hij concludeerde dat de afmetingen van het eiland oorspronkelijk 720 km van oost naar west en 480 km van noord naar zuid zijn geweest, met hoge bergketens die tot meer dan 3660 meter boven de zeespiegel reikten. Vóór of tijdens het verzinken is het onder een hoek van ongeveer 0,4 scheefgezakt met als gevolg dat de zuidkust ongeveer 3355 meter verzonk en de noordkust maar ongeveer 1830 meter. Alleen de bergtoppen liggen nog boven water en vormen nu de negen vulkanische eilanden van de Azoren. O’Brien denkt dat het eiland misschien binnen enkele jaren of zelfs maanden verzonk, en wijst erop dat er zes gebieden met warmwaterbronnen (die verband houden met vulkanische activiteit) bekend zijn in het gebied van de Mid-Atlantische Rug, en vier ervan liggen in het Kane-Atlantis-gebied dichtbij de Azoren. Verder onderzoek en bodemmonsters zijn nodig om O’Briens hypothese te toetsen.

Afbeelding 17. Christian O’Briens reconstructie van Poseidonis.

 

 

Conclusie

Toen de platentektoniek – het heersende paradigma in de aardwetenschappen – in de jaren 60 voor het eerst werd uitgewerkt, was minder dan 0,0001% van de diepe oceaan verkend en was minder dan 20% van het landoppervlak in enig detail in kaart gebracht. Zelfs halverwege de jaren 90 was nog maar 3 tot 5% van de diepe oceaanbekkens in enig detail verkend, en niet veel meer dan 25 tot 30% van het land was echt goed bekend. Wetenschappelijke kennis van de kenmerken van het aardoppervlak staat duidelijk nog in haar kinderschoenen, om nog maar te zwijgen over het binnenste van de aarde.

V.V. Beloussov beschouwde de platentektoniek als een voorbarige generalisatie van nog zeer onvoldoende gegevens over de structuur van de oceaanbodem, en vond dat deze ver afstond van de geologische realiteit. Hij schreef:

Het is . . . heel begrijpelijk dat de pogingen om dit denkbeeld te gebruiken om concrete structurele situaties op lokale in plaats van wereldwijde schaal te verklaren, leiden tot steeds ingewikkelder theorieën waarin wordt aangevoerd dat lokale spreidingsassen zich hier en daar ontwikkelen, dat ze van plaats veranderen, uitsterven en opnieuw verschijnen, dat de spreidingssnelheid herhaaldelijk verandert en het spreiden vaak helemaal ophoudt, en dat lithosferische platen verdeeld worden in een steeds groter aantal secundaire en tertiaire platen. Al deze theorieën worden gekenmerkt door een volledig gebrek aan logica en wetmatigheid. De indruk wordt gewekt dat er bepaalde spelregels zijn verzonnen, en dat het doel is om de werkelijkheid op een of andere manier naar die regels te schikken.1

De platentektoniek staat ontegenzeglijk voor een aantal overweldigende problemen. In plaats van een eenvoudige, elegante, wereldomvattende theorie te zijn, wordt ze geconfronteerd met een veelheid van anomalieën, en moet ze worden opgelapt met een complexe verscheidenheid van ad-hoc wijzigingen en hulphypothesen. Het bestaan van diepe continentale wortels en het ontbreken van een ononderbroken, wereldwijde asthenosfeer om de plaatbewegingen gesmeerd te laten verlopen, hebben het klassieke model van plaatbewegingen onhoudbaar gemaakt. Er is geen overeenstemming over de dikte van de ‘platen’ en er is geen zekerheid over de krachten die verantwoordelijk zijn voor hun veronderstelde beweging. De hypothesen over grootschalige continentverschuiving, zeebodemspreiding en subductie, en de relatief jonge leeftijd van de oceanische korst worden door een grote hoeveelheid gegevens tegengesproken. Bewijzen voor substantiële verticale korstbewegingen en voor aanzienlijke hoeveelheden verzonken continentale korst in de huidige oceanen vormen nóg een grote uitdaging voor platentektonici. Zulk bewijsmateriaal bevestigt steeds meer de periodieke afwisseling van land en zee zoals die in de theosofie wordt onderwezen.

 

Verwijzingen

Het verrijzen en verzinken van continenten
1. De Geheime Leer, 2:894vn.
2. Op.cit. 2:890.
3. C.D. Ollier, ‘Mountains’, in: Barto-Kyriakidis, 1990, deel 2, blz. 211-236.
4. H.C. Sheth, ‘Flood basalts and large igneous provinces from deep mantle plumes: fact, fiction, and fallacy’, Tectonophysics, deel 311, 1999, blz. 1-29.
5. See Meyerhoff e.a., 1996a.
6. De Geheime Leer, 2:284.
7. T.H. Van Andel, New Views on an Old Planet: A history of global change (2de ed.), Cambridge Univ. Press, 1994, blz. 170.
8. A. Hallam, ‘Secular changes in marine inundation of USSR and North America through the Phanerozoic’, Nature, deel 269, 1977, blz. 769-772.
9. C.G.A. Harrison e.a., ‘Continental hypsography’, Tectonics, deel 2, 1983, blz. 357-377; A. Hallam, Phanerozoic Sea-Level Changes, Columbia Univ. Press, 1992, blz. 15-19.
10. V.V. Orlenok, ‘The evolution of ocean basins during Cenozoic time’, Journal of Petroleum Geology, deel 9, 1986, blz. 207-216.
11. E.M. Ruditch, ‘The world ocean without spreading’, in: Barto-Kyriakidis, 1990, deel 2, blz. 343-395.
12. See Theosophy and the seven continents, www.davidpratt.info.
13. Vasiliev & Choi, 2008; B.I. Vasiliev & L.N. Sovetnikova, ‘Geological development of the Northwestern Pacific’, New Concepts in Global Tectonics Newsletter, nr. 46, 2008, blz. 20-27; E.P. Lelikov e.a., ‘Geology and dredged rocks from the Sea of Japan floor: Part 1’, New Concepts in Global Tectonics Newsletter, no. 45, 2007, blz. 5-20.
14. J.M. Dickins, ‘What is Pangaea?’, in: A.F. Embry, B. Beauchamp & D.G. Glass, Pangea: Global environments and resources, Canadian Society of Petroleum Geologists, Memoir 17, 1994, blz. 67-80.
15. L.S. Dillon, ‘Neovolcanism: a proposed replacement for the concepts of plate tectonics and continental drift’, in: Kahle, 1974, blz. 167-239.
16. De Geheime Leer, 2:376.
17. Op.cit., 2:901.
18. J.M. Dickins, D.R. Choi & A.N. Yeates, ‘Past distribution of oceans and continents’, in: Chatterjee & Hotton, 1992, blz. 193-199 (blz. 198).
19. A.T. Barker (samensteller), De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, TUPA, 1979, blz. 163; De Geheime Leer, 2:375.
20. M. Ewing, ‘New discoveries on the mid-Atlantic ridge’, National Geographic Magazine, deel xcvi (nov.), 1949, blz. 611-640; Corliss, 1990, blz. 245.
21. R.W. Kolbe, ‘Fresh-water diatoms from Atlantic deep-sea sediments’, Science, deel 126, 1957, blz. 1053-1056; R.W. Kolbe, ‘Turbidity currents and displaced fresh-water diatoms’, Science, deel 127, 1958, blz. 1504-1505; Corliss, 1989, blz. 32-33.
22. B.C. Heezen, M. Ewing, D.B. Ericson & C.R. Bentley, ‘Flat-topped Atlantis, Cruiser, and Great Meteor Seamounts’ (Abstract), Geological Society of America Bulletin, deel 65, 1954, blz. 1261; Corliss, 1988, blz. 88.
23. De Mahatma Brieven, blz. 163, 168.
24. Christian & Barbara Joy O’Brien, The Shining Ones, Dianthus Publishing, 2001, blz. 435-442; Survey of Atlantis, www. goldenageproject.org.uk/survey.html.

Conclusie
1. V.V. Beloussov, Geotectonics, Mir, 1980, blz. 303.

 


Bijlagen: Geologische tijdschaal en Theosofie en bewegende continenten

Verzonken continenten & continentverschuiving, blz. 26-47

© 2009  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag