Dhammapada – wijsheid van de Boeddha
Nederlands-Pali editie gebaseerd op
de Engelse vertaling van Harischandra Kaviratna

bestel boek

3de herziene druk 2014

© 2014  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Canto 10 – De strafstok


129

Iedereen beeft voor de strafstok; iedereen is bang voor de dood; als men zich in de ander verplaatst, kan men niet doden of laten doden.

130

Iedereen beeft voor de strafstok; iedereen heeft het leven lief; als men zich in de ander verplaatst, kan men niet doden of laten doden.

131

Hij die zelf naar geluk verlangt, maar anderen die evenzeer vreugde zoeken pijn doet met een stok, vindt geen geluk na de dood.

132

Hij die zelf naar geluk verlangt, maar anderen die evenzeer vreugde zoeken geen pijn doet met een stok, ervaart geluk na de dood.

133

Spreek geen harde woorden tegen een ander; zij die zo worden toegesproken zullen u dan van repliek dienen; boze woorden zijn onaangenaam en de reactie zal u snel treffen.

134

Als u zichzelf even stil kunt maken als een stukgevallen bronzen gong, dan heeft u de vrede van nirvana bereikt, want er is dan geen disharmonie in u.

135

Zoals een herder het vee met een stok naar de weide drijft, zo wordt het leven van wezens voortgedreven door ouderdom en dood.

136

Wanneer iemand in onwetendheid (van de dhamma) slechte daden verricht, beseft hij hun aard niet. De domme mens brandt (lijdt) door deze daden alsof hij door vuur wordt verteerd.

137

Hij die mensen afranselt die dat niet verdienen en goede mensen kwaad doet, zo iemand verkeert al snel in een van deze tien omstandigheden:

138, 139, 140

Al snel krijgt hij te maken met vreselijke pijn, grote ontberingen, lichamelijk letsel, een ernstige ziekte of psychische gestoordheid, de woede van de vorst of een vreselijke beschuldiging, verlies van verwanten, de vernietiging van bezittingen, of er kan plotseling brand uitbreken die zijn huizen in de as legt. Na de ontbinding van zijn fysieke lichaam wordt de onwetende mens ongetwijfeld in de hel geboren.

141

Noch naaktheid, noch samengeklit haar, noch het aanbrengen van modder (over het hele lichaam), noch vasten, noch liggen op de harde grond, noch zichzelf insmeren met as en stof, noch op de hielen hurken kan een mens zuiveren die zijn twijfels niet heeft weggenomen.

142

Ook al gaat een mens gekleed in mooie kleren, wanneer hij innerlijke kalmte ontwikkelt, rustig, beheerst en vastbesloten is, celibatair leeft en zich ervan onthoudt alle andere wezens letsel toe te brengen, is hij werkelijk een brahmaan, asceet en monnik.

143

Is er iemand in de wereld die door zijn geweten zo terughoudend is dat hij kritiek mijdt, zoals een goed getraind paard de zweep mijdt?

144

Wees energiek en vurig, als een paard dat met de zweep is getraind. Laat dit grote lijden (samsara) achter u door toewijding, deugd, inspanning en concentratie, door kritisch onderzoek van de waarheid (dhamma), en door volmaakte wijsheid, volmaakt handelen en volmaakte aandacht.

145

De bouwers van irrigatiewerken leiden het water waarheen ze willen; pijlenmakers geven vorm aan hun pijlen; timmerlieden bewerken het hout, en wijzen trainen zich in zelfbeheersing.

 


Dhammapada, blz. 55-9

© 2014  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag