Dhammapada – wijsheid van de Boeddha
Nederlands-Pali editie gebaseerd op
de Engelse vertaling van Harischandra Kaviratna

bestel boek

3de herziene druk 2014

© 2014  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Canto 15 – Geluk


197

Werkelijk gezegend zijn wij die, levend tussen mensen die haten, niemand haten; te midden van hen die haten, leven wij zonder haat.

198

Werkelijk gezegend zijn wij die, levend tussen zieke mensen, gezond zijn; te midden van hen die door ziekte worden getroffen, leven wij in goede gezondheid.

199

Werkelijk gezegend zijn wij die, levend tussen mensen die verlangen naar de genoegens van de zintuigen, niet naar deze dingen verlangen; te midden van hen die naar de genoegens van de zintuigen verlangen, leven wij zonder die verlangens.

200

Werkelijk gezegend zijn wij die leven zonder bezittingen. We zullen ons voeden met geluk zoals de stralende goden (die zich voeden met spirituele gelukzaligheid).

201

Overwinning schept vijandschap; de verslagene moet lijden; iemand die innerlijke vrede heeft, leeft gelukkig, en is onverschillig voor zowel overwinning als nederlaag.

202

Er is geen vuur zoals de begeerte; er is geen kwaad zoals de haat; er is geen lijden zoals het fysieke bestaan (de vijf verzamelingen of skandha’s), en er is geen grotere gelukzaligheid dan de rust (van nirvana).

203

Honger is de grootste kwelling; mentale en emotionele neigingen zijn het grootste leed. Als men dit werkelijk heeft begrepen, bereikt men nirvana, de hoogste gelukzaligheid.

204

Gezondheid is het grootste geschenk, tevredenheid de grootste rijkdom; vertrouwen is de mooiste verstandhouding, en nirvana de hoogste gelukzaligheid.

205

Als iemand van eenzaamheid en innerlijke kalmte heeft geproefd, wordt hij vrij van angst en kwaad en geniet hij van de gelukzaligheid van de dhamma.

206

Het is goed om de edelen van geest te ontmoeten; hun gezelschap brengt altijd geluk; als men geen dwazen (spiritueel onwetenden) ontmoet, kan men altijd gelukkig zijn.

207

Hij die leeft in gezelschap van dwazen moet lang lijden; omgang met dwazen is altijd pijnlijk zoals omgang met een vijand; omgang met een wijze is aangenaam zoals omgang met familieleden.

208

Iemand die standvastig, wijs, ontwikkeld, deugdzaam, toegewijd en edel is, moet men daarom volgen; zo’n goed en intelligent mens moet men volgen zoals de maan het pad van de sterren volgt.

 


Dhammapada, blz. 79-83

© 2014  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag