Dhammapada – wijsheid van de Boeddha
Nederlands-Pali editie gebaseerd op
de Engelse vertaling van Harischandra Kaviratna

bestel boek

3de herziene druk 2014

© 2014  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Canto 16 – Plezier


209

Hij die zich overgeeft aan wat niet moet worden gedaan en niet doet wat wel moet worden gedaan, geeft zo zijn spirituele doel op; hij die zich overgeeft aan de genoegens van de zintuigen benijdt de mens die meditatie beoefent.

210

Raak niet gehecht aan wat plezierig is, noch aan wat onplezierig is; het niet zien van wat prettig is, is pijnlijk, evenals het zien van wat onprettig is.

211

Laat daarom niemand zich sterk aan iets binden, omdat het verlies van wat geliefd is, pijnlijk is. Er zijn geen boeien voor hem die genot noch pijn kent.

212

Uit genot ontstaat verdriet; uit genot ontstaat angst. Iemand die vrij is van genot heeft geen verdriet. Waarvoor moet hij dan nog bang zijn?

213

Uit emotie ontstaat verdriet; uit emotie ontstaat angst. Iemand die vrij is van emotie heeft geen verdriet. Waarvoor moet hij dan nog bang zijn?

214

Uit gehechtheid ontstaat verdriet; uit gehechtheid ontstaat angst. Iemand die vrij is van gehechtheid heeft geen verdriet. Waarvoor moet hij dan nog bang zijn?

215

Uit begeerte ontstaat verdriet; uit begeerte ontstaat angst. Iemand die vrij is van begeerte heeft geen verdriet. Waarvoor moet hij dan nog bang zijn?

216

Uit dorst naar het leven ontstaat verdriet; uit dorst naar het leven ontstaat angst. Iemand die vrij is van dorst naar het leven heeft geen verdriet. Waarvoor moet hij dan nog bang zijn?

217

Hij die deugdzaam is en spiritueel inzicht heeft, die vast verankerd is in de dhamma, die de waarheid spreekt en zijn plichten vervult, is geliefd onder de mensen.

218

Hij in wie een edel verlangen naar het onzegbare ontstaat, van wie het denken doordrenkt is met dit verlangen en van wie de gedachten niet door gehechtheid geketend raken – zo’n mens wordt ‘iemand die stroomopwaarts gaat’ genoemd.

219

Wanneer iemand die lang van huis is geweest veilig thuiskomt, dan wordt hij van harte verwelkomd door familieleden, vrienden en mensen die het goed met hem menen.

220

Wanneer een goed mens uit deze wereld naar de volgende is gegaan, dan wordt hij ontvangen door de gevolgen van zijn goede daden, zoals familieleden een dierbare verwelkomen bij zijn thuiskomst.

 


Dhammapada, blz. 85-7

© 2014  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag