Dhammapada – wijsheid van de Boeddha
Nederlands-Pali editie gebaseerd op
de Engelse vertaling van Harischandra Kaviratna

bestel boek

3de herziene druk 2014

© 2014  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Canto 1 – De tweelingverzen


1

Alle verschijningsvormen van het bestaande worden voorafgegaan door het denken, hebben het denken als hoogste leider, en zijn uit het denken gevormd. Lijden volgt hem die met onzuivere gedachten spreekt of handelt, zoals het wiel de voet volgt van het dier dat (de wagen) trekt.

2

Alle verschijningsvormen van het bestaande worden voorafgegaan door het denken, hebben het denken als hoogste leider, en zijn uit het denken gevormd. Geluk volgt hem die met zuivere gedachten spreekt of handelt, zoals zijn schaduw die hem nooit verlaat.

3

De haat van hen die vijandige gevoelens koesteren als ‘Hij heeft me uitgescholden, me aangevallen, me verslagen en me beroofd’, komt nooit tot bedaren.

4

De haat van hen die geen vijandige gevoelens koesteren als ‘Hij heeft me uitgescholden, me aangevallen, me verslagen en me beroofd’, wordt gemakkelijk tot bedaren gebracht.

5

Haat komt nooit tot bedaren door haat; door vriendelijkheid komt haat altijd tot bedaren – en dit is een eeuwige wet.

6

De meeste mensen realiseren zich nooit dat wij allemaal hier op een dag zullen sterven. Maar zij die deze waarheid wel beseffen, leggen hun ruzies bij in vrede.

7

Iemand die in zijn leven steeds op zoek is naar plezier, die zijn zintuigen niet beteugelt, die onmatig eet, traag van geest en lusteloos is, over hem zegeviert Mara (de Boze) zoals de moessonwind over een slecht gewortelde boom.

8

Iemand die in zijn leven niet steeds op zoek is naar plezier, die zijn zintuigen volledig onder controle heeft, die matig eet, die toegewijd en energiek is, op hem heeft Mara even weinig vat als de wind op een berg.

9

Hij die de gele monnikspij aantrekt zonder zich innerlijk te hebben gezuiverd, die het ontbreekt aan zelfbeheersing en waarheidsliefde, is werkelijk ongeschikt voor de gele monnikspij.

10

Hij die zich innerlijk heeft gezuiverd, die stevig is verankerd in morele deugden, die zelfbeheersing en waarheidsliefde bezit, is werkelijk geschikt voor de gele monnikspij.

11

Zij die het niet-werkelijke aanzien voor het werkelijke en het werkelijke voor het niet-werkelijke en zo het slachtoffer worden van onjuiste denkbeelden, bereiken nooit de essentie van de werkelijkheid.

12

Zij die zich bewust zijn geworden van het werkelijke als het werkelijke, en van het niet-werkelijke als het niet-werkelijke, bereiken door juiste denkbeelden te huldigen de essentie van de werkelijkheid.

13

Zoals de moessonregen doordringt in een huis met een slecht dak, zo dringt hartstocht het ongedisciplineerde denken binnen.

14

Zoals de moessonregen niet doordringt in een huis met een goed dak, zo dringt hartstocht het goed gedisciplineerde denken niet binnen.

15

Wie slechte daden verricht, klaagt hier, klaagt na de dood, en hij klaagt in beide werelden. De boosdoener treurt en wordt gekweld wanneer hij inziet hoezeer hij is besmeurd door zijn zondige daden.

16

Wie goede daden verricht, verheugt zich hier en verheugt zich na de dood; zo verheugt hij zich in beide plaatsen. Hij verheugt zich zeer wanneer hij zijn zuivere daden ziet.

17

Hij heeft hier berouw, heeft na de dood berouw – wie slechte daden verricht heeft in beide werelden berouw. ‘Ik heb het kwade gedaan’, denkt hij en heeft berouw. Omdat hij het pad van het kwaad heeft genomen heeft hij nog meer berouw.

18

Hij kent hier vreugde, hij kent na de dood vreugde – wie goede daden verricht kent in beide werelden vreugde. ‘Ik heb het goede gedaan’, denkt hij en is verheugd. Omdat hij het hemelse pad heeft gekozen is hij nog meer verheugd.

19

Een nalatig mens die de (boeddhistische) canon veel citeert, maar niet daarnaar handelt, is als een herder die het vee van anderen telt. Hij deelt niet in de vruchten van het leven van de monniken.

20

Iemand die, hoewel hij weinig uit de canon citeert, wel leeft volgens de voorschriften van de Heilige Wet, die, na zich van hartstocht, haat en onwetendheid te hebben bevrijd, zich stevig verankert in een bewustzijn dat zich op die manier heeft bevrijd en juiste kennis heeft, en die zich hier noch hierna vastklemt aan wereldse bezittingen – zo iemand zal zeker delen in de vruchten van het leven van de monniken.

 


Dhammapada, blz. 5-11

© 2014  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag