Dhammapada – wijsheid van de Boeddha
Nederlands-Pali editie gebaseerd op
de Engelse vertaling van Harischandra Kaviratna

bestel boek

3de herziene druk 2014

© 2014  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Canto 22 – De hel


306

De mens die een onwaarheid zegt, gaat naar de hel, evenals hij die, na iets te hebben gedaan, zegt: ‘Dat heb ik niet gedaan.’ Na de dood lijden beide verachtelijk handelende mensen evenzeer in de volgende wereld.

307

Velen die het oranjegele gewaad dragen, hebben een slechte aard en zijn onbeheerst. Deze slechte mensen worden op grond van hun verkeerde daden in de hel geboren.

308

Een niet deugdzame en onbeheerste monnik kan veel beter een roodgloeiende ijzeren kogel inslikken dan leven van de aalmoezen die men hem geeft.

309

Een nalatig man die naar de vrouw van een ander gaat krijgt te maken met vier omstandigheden: tekortkomingen, verstoorde slaap, verwijten is de derde, en lijden in de hel is de vierde.

310

Er volgen dan zowel tekortkomingen als een slechte wedergeboorte; het genoegen van een bange man in de armen van een bange vrouw is kortstondig; bovendien is de door de koning opgelegde straf zwaar. Een man moet daarom niet naar de vrouw van een ander gaan.

311

Zoals een halm kusa-gras de hand snijdt wanneer hij verkeerd wordt beetgepakt, zo trekt verkeerd beoefende ascese iemand omlaag naar de hel.

312

Een halfslachtig verrichte daad, religieuze voorschriften die niet goed worden nageleefd, een dubieus leven van onthouding – deze werpen allemaal weinig goede vruchten af.

313

Als iets moet worden gedaan, laat men die daad dan met volledige inzet verrichten; een asceet die laks is, jaagt steeds meer stof (van begeerten) op.

314

Een slechte daad kan men beter ongedaan laten, want door die slechte daad wordt men later gefolterd. Het is beter een goede daad te doen; door die te doen heeft men later geen spijt.

315

Zoals een grensstad vanbinnen en vanbuiten goed wordt bewaakt, zo moet u over uzelf waken. Laat het goede moment niet voorbijgaan, want zij die zich kansen laten ontglippen, zullen zeker treuren als ze in de hel worden geboren.

316

Zij die zich schamen voor dat waarvoor men zich niet moet schamen, en zich niet schamen voor dat waarvoor men zich moet schamen, zulke mensen, die verkeerde opvattingen koesteren, krijgen een slechte wedergeboorte.

317

Zij die bang zijn als er niets te vrezen is, en geen angst voelen als daar wel reden toe is, zulke mensen, die verkeerde opvattingen koesteren, krijgen een slechte wedergeboorte.

318

Zij die fouten denken te zien waar ze niet zijn, en er geen zien waar ze wel bestaan, zulke mensen, die verkeerde opvattingen koesteren, krijgen een slechte wedergeboorte.

319

Zij die fouten onderscheiden als fouten en waarheid als waarheid, zulke mensen, die juiste opvattingen koesteren, krijgen een goede wedergeboorte.

 


Dhammapada, blz. 121-5

© 2014  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag