Dhammapada – wijsheid van de Boeddha
Nederlands-Pali editie gebaseerd op
de Engelse vertaling van Harischandra Kaviratna

bestel boek

3de herziene druk 2014

© 2014  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Canto 6 – De wijze


76

De discipel moet omgaan met een wijze vriend, die zijn gebreken vindt – zoals een gids verborgen schatten vindt – en zijn afkeuring erover uitspreekt. Omgang met zo iemand brengt veel goeds, geen kwaad.

77

Hij die zijn medemensen waarschuwt, onderricht, en afhoudt van onwaardige daden, is geliefd bij de deugdzamen en gehaat bij hen die slecht zijn.

78

Ga niet om met vrienden die kwaad doen of met slechte mensen; ga om met de goeden, ga om met de edelste mensen.

79

Wie de nectar van de goede Wet drinkt, leeft gelukkig en is kalm van geest. De wijze verheugt zich altijd in de dhamma, zoals die door de edelen (ariya’s) is verkondigd.

80

De bouwers van irrigatiewerken leiden het water waarheen ze willen; pijlenmakers geven vorm* aan hun pijlen; timmerlieden bewerken* het hout, en wijzen trainen zich in zelfbeheersing.

*Het Pali-woord namayanti betekent letterlijk ‘buigen’.

81

Zoals een massieve rots niet wordt bewogen door de wind, zo blijven de wijzen onbewogen onder verwijten of lof.

82

Na te hebben geluisterd naar de goede Wet worden de wijzen zo sereen als een diep, kalm en kristalhelder meer.

83

Goede mensen geven het verlangen naar allerlei dingen op; ze praten niet over allerlei verlangens; wanneer de wijzen geluk ervaren of ellende meemaken, zijn ze noch opgetogen, noch terneergeslagen.

84

Voor zichzelf of voor een ander hoort men niet te verlangen naar een zoon, rijkdom of een koninkrijk. Wie niet met verkeerde middelen succes nastreeft, is werkelijk deugdzaam, wijs en rechtschapen.

85

Er zijn maar weinig mensen die de andere oever hebben bereikt; alle andere mensen blijven op deze oever heen en weer lopen.

86

Zij die leven in overeenstemming met de dhamma die (door de Boeddha) goed is verkondigd, zullen vanuit het rijk van de stervelingen, waaraan men zich moeilijk kan ontworstelen, de andere oever bereiken.

87

Laat de wijze, na de wegen van de duisternis te hebben verlaten, het licht volgen. Laat hem die, na een thuis te hebben gehad, thuisloos is geworden, genieten van het zo moeilijk te bereiken geluk van het leven in afzondering.

88

Hij moet zich op die verheven staat (nirvana) richten. Laat de wijze, na alle genoegens van de zintuigen te hebben opgegeven, het zelf ontdoen van alle onzuiverheden.

89

Mensen die in hun denken de elementen van verlichting (sambodhi)* goed hebben ontwikkeld, die zonder naar wat ook te verlangen zich verheugen in het niet-gehecht-zijn, bij wie de mentale belemmeringen zijn opgeheven, die vol licht zijn – zij hebben in deze wereld de gelukzaligheid van nirvana bereikt.

*Sambodhi is gebaseerd op zeven factoren: 1) alertheid; 2) wijsheid; 3) wilskracht; 4) blijmoedigheid; 5) sereniteit; 6) geconcentreerde meditatie; 7) gelijkmoedigheid.

 


Dhammapada, blz. 33-7

© 2014  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag