Dhammapada – wijsheid van de Boeddha
Nederlands-Pali editie gebaseerd op
de Engelse vertaling van Harischandra Kaviratna

bestel boek

3de herziene druk 2014

© 2014  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Canto 9 – Het kwaad


116

Haast u het goede te doen en houd het denken af van het kwade; als iemand traag is om het goede te doen dan schept het denken genoegen in het kwade.

117

Als iemand een slechte daad verricht, laat hij die dan niet telkens weer herhalen; laat hij daar geen genoegen in scheppen, want het opeenstapelen van slechte daden brengt lijden.

118

Als iemand een goede daad verricht, laat hij die dan telkens weer herhalen; laat hij daar een genoegen in scheppen, want het opeenstapelen van goede daden brengt geluk.

119

Zelfs iemand die kwaad doet vindt enig geluk zolang (de vrucht van) zijn slechte daad niet is gerijpt; maar wanneer ze tot rijpheid komt, ziet hij haar slechte gevolgen.

120

Zelfs iemand die goede daden verricht kent kwade (dagen) zolang zijn verdienste niet is gerijpt; maar als zijn verdienste volledig tot rijpheid is gekomen, dan ziet hij de gelukkige gevolgen van zijn verdienstelijke daden.

121

Denk niet licht over het kwade, met de woorden: ‘Mij zal het niet treffen.’ Door de gestage drup wordt een kruik gevuld; op dezelfde manier raakt de dwaas vol van het kwade door het beetje bij beetje op te hopen.

122

Denk niet licht over het goede, met de woorden: ‘Mij zal het niet treffen.’ Door de gestage drup wordt een kruik gevuld; op dezelfde manier raakt de wijze vol van het goede door het beetje bij beetje op te hopen.

123

Zoals een koopman die veel schatten vervoert en in een klein gezelschap reist, een gevaarlijke weg mijdt, zoals iemand die lang wil leven vergif mijdt, op dezelfde manier moet de wijze het kwaad mijden.

124

Als iemand geen wond aan zijn hand heeft dan kan hij vergif in zijn handpalm dragen. Vergif heeft geen invloed op iemand die geen wond heeft. Er zijn geen kwade gevolgen voor iemand die geen slechte daden verricht.

125

Als iemand een goed, zuiver en feilloos mens kwaad doet, dan slaat het kwaad (van zijn daad) terug op die dwaas, zoals fijn stof dat tegen de wind in is gegooid.

126

(Na de dood) worden sommigen wedergeboren in de moederschoot; zij die kwaad hebben gedaan worden in de hel geboren; zij die goede daden hebben verricht gaan naar de hemel; en zij die vrij zijn van wereldse verlangens bereiken nirvana.

127

Niet in de lucht, niet in het midden van de oceaan, zelfs niet in een berggrot kan men zijn toevlucht zoeken, want er is geen plek op aarde waar men aan de gevolgen van slechte daden kan ontsnappen.

128

Niet in de lucht, niet in het midden van de oceaan, zelfs niet in een berggrot kan men zijn toevlucht zoeken, want er is geen plek op aarde waar men niet door de dood wordt overweldigd.

 


Dhammapada, blz. 49-53

© 2014  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag