12

Bijeenkomst op 14 mei 1930

 

GdeP – Goed, vrienden, ik ben gereed om vragen te beantwoorden.

Vr. – Ik wil graag weten wat het karanasarira is?

GdeP – Het karanasarira – een samengesteld Sanskrietwoord, karana betekent ‘oorzaak’, sarira betekent ‘lichaam’, het oorzakelijke lichaam – is de sluier van energie en substantie die het reïncarnerende ego omgeeft. Het heeft een quasi-spiritueel karakter. En het is vanuit dit karanasarira, of oorzakelijke lichaam, dat alle lagere voertuigen van de menselijke constitutie, zoals het begeertelichaam en de etherische lichamen van verschillende graden, emaneren of voortvloeien. In feite is het fysieke lichaam de droesem of de neerslag van de energieën en substanties die hun oorsprong hebben in het karanasarira.

Vr. – Uit wat u heeft gezegd heb ik begrepen dat de ziel tussen twee incarnaties een lange rustperiode neemt. Dit heeft, neem ik aan, betrekking op de menselijke ziel, omdat het ego terugkeert naar de monade. Ik heb begrepen dat de menselijke ziel de mogelijkheid tot vooruitgang heeft tussen twee incarnaties. Klopt dat?

GdeP – Nee, dat is niet juist. Het terrein van activiteit van de menselijke ziel is de tijd van incarnatie of belichaming. Haar postmortale periode is de tijd van rust, assimilatie, verwerking en het opbouwen van het karakter uit de lessen die in het voorafgaande leven op aarde zijn geleerd.

Vr. – Er wordt gezegd dat op het moment van de dood of kort na de dood iedereen zijn strijder-ziel ziet of daarmee oog in oog komt te staan. Heeft dat betrekking op de mens, op de manasaputra?

GdeP – Waar kwam u deze uitspraak tegen?

Vr. – Dat weet ik niet. Ik denk niet dat ik deze ergens ben tegengekomen. Het lijkt alsof ik haar altijd heb gehoord, dat men op het moment van de dood oog in oog komt te staan met zijn strijder. Is dat niet waar?

GdeP – Het is in algemene zin waar. De strijder waarnaar hier wordt verwezen is niet zozeer een ander individu, maar het is een ideaalbeeld dat het hele geestelijke deel van de samengestelde mens vertegenwoordigt. Wanneer de mens sterft, en na het uiteenvallen van het astrale lichaam en het kamarupa, heeft de ontlichaamde ziel – vlak vóór deze haar devachanische periode van rust en gelukzaligheid ingaat – een visioen van de innerlijke god. Helaas is dat visioen gewoonlijk heel kort. Voor mensen die in hun evolutie vergevorderd zijn op het pad is het mogelijk om tijdens hun fysieke leven contact te maken met de innerlijke godheid, en dat is wat er in sommige van de hogere graden van inwijding in feite plaatsvindt.

Vr. – Ik wil graag nog een vraag stellen. Waar precies is het persoonlijke bewustzijn geconcentreerd? Ik bedoel het bewustzijn van het gevoel van ik-ben-ik.

GdeP – Bedoelt u in welk deel van het weefsel van de constitutie het zich bevindt?

Vr. – Ja.

GdeP – Het is iets bedrieglijks, dit menselijke bewustzijn. Het is verkeerd om het op te vatten als een permanent, blijvend, eeuwigdurend bewustzijnscentrum; en wanneer u dus vraagt waar dit menselijke bewustzijn zich bevindt, is die vraag heel moeilijk te beantwoorden. Het bewustzijn, bedrieglijk als het is, is voornamelijk geconcentreerd in twee beginselen, in het manasische beginsel en in kama. U kunt het zich voorstellen door u een beeld te vormen van een maalstroom of draaikolk in deze twee beginselen die zich vermengen.

Stel u de zeven beginselen van de mens alstublieft niet voor als de treden van een trap, het ene beginsel boven het andere. Dat is niet juist. Elk van de beginselen doordringt alle andere zes. Dus als u vraagt waar het bewustzijn is geconcentreerd, zult u begrijpen dat het moeilijk is om een volkomen helder antwoord te geven. Het is geconcentreerd in de bewustzijnsstroom omdat het een staat of toestand van het lagere deel van die bewustzijnsstroom is. Het bevindt zich op geen enkele van de treden van de zeven beginselen van de menselijke constitutie omdat zo’n trap niet bestaat. De beginselen liggen niet boven elkaar zoals een stapel boeken of als treden van een trap. Ze doordringen elkaar.

Maar ik denk dat u het volgende bedoelt: In welk deel van de menselijke constitutie wordt het gewone menselijke bewustzijn gelokaliseerd? En mijn antwoord is: de trillingen ervan zijn kama-manasisch.

Vr. – Wanneer u ‘manas’ zegt, neem ik aan dat u het lagere manas bedoelt. Want ik begrijp dat boven dit menselijke stadium van evolutie dat ik-ben-ik-gevoel niet bestaat. Ik bedoel dat de zuiver manasische entiteit niet zo’n gevoel van menselijke gescheidenheid heeft zoals wij dat kennen.

GdeP – Het hogere deel van het manas-beginsel heeft natuurlijk geen besef van afgescheidenheid, omdat het hogere deel van het manas atmisch of universeel is; in zijn universele aspect wordt het mahat genoemd. Vanzelfsprekend zal het menselijke bewustzijn, omdat het is verbonden met kama, zich bevinden in wat u het lagere deel van het manas-beginsel noemt. Maar u maakt weer een ‘hoog’ en een ‘laag’, en dat laat zien dat uw denken deze beginselen nog steeds ziet als treden van een trap. Probeer de beginselen van de mens voor te stellen als bewustzijnstoestanden en niet als het ene ding gestapeld op het andere, waardoor men kan spreken over een ‘hoogste’ en een ‘laagste’. Dat is volledig onjuist.

Vr. – Wanneer de ziel op het moment dat iemand sterft vertrekt, in welke toestand bevindt zich het bewustzijn dan – dat wil zeggen, wanneer die persoon heel gelukkig en vredig is?

GdeP – Bedoelt u de bewustzijnstoestand van de mens, of alleen het bewustzijn van het hersenverstand?

Vr. – Ik weet het verschil ertussen niet. Ik dacht dat het het bewustzijn van het hersenverstand was, en toch leek het dat niet te zijn. Ik heb een aantal mensen zien sterven en in alle gevallen waren ze zich zo bewust op een of ander gebied en zo uitermate gelukkig en ze waren zich kennelijk van heel veel bewust. Nu heb ik me elke keer afgevraagd waar dat bewustzijn zich bevond.

GdeP – Dit klinkt als een heel eenvoudige vraag, maar als u daar een moment bij stilstaat en nadenkt over hoe ingewikkeld het menselijke bewustzijn is – en met ‘menselijk’ verwijs ik nu naar de hele constitutie van de mens – dan kan degene die sterft zijn bewustzijn tijdelijk hebben geconcentreerd in het meest verheven – hiermee wordt gedoeld op kwaliteit – deel van zijn constitutie, het edelste, het meest onpersoonlijke. En andere mensen die sterven, kunnen, door de neigingen en gewoonten van een heel leven, in een bewustzijnstoestand verkeren die maar weinig beter van kwaliteit is dan die van dieren. En als u dus vraagt: ‘Waar bevindt zich het bewustzijnscentrum op het moment van de dood?’ dan is het enige wat ik op zo’n algemene vraag zou kunnen antwoorden: wie is degene die sterft? Is het een edel denkende, geestelijk bewuste, onpersoonlijke mens, of is het iemand die een grof lichamelijk leven heeft geleid met nauwelijks een gedachte aan iets onpersoonlijks of geestelijks?

Vr. – Ik kan begrijpen dat dat verschil maakt, maar mijn ervaring in al deze gevallen betrof theosofen, en zij hadden zich in hun leven krachtig ingespannen om op geestelijk gebied vooruit te komen. En bij ieder van hen constateerde ik dat prachtige, mooie, vredige bewustzijn; hoewel ze niet volledig in coma waren, dat wil zeggen volledig onbewust, waren ze niettemin op een ander gebied van bewustzijn dan het fysieke. Ze leken zich zeer bewust te zijn van een toestand waar het vredig en mooi was, en ze schenen het volkomen te begrijpen. Het is mijn ervaring geweest om dit bij ieder van hen te zien, en dus dacht ik natuurlijk meer aan dat soort mensen dan aan de andere categorie.

GdeP – Nu begrijp ik het. Ik kan antwoorden door in het kort voor u te beschrijven wat er vóór de dood gebeurt. De dood is eigenlijk de nadering van de toestand van devachan. De dood vindt niet plotseling plaats, behalve bij ongelukken of dood door misdaad of ophanging of iets dergelijks. Maar wanneer het lichaam door ziekte of ouderdom sterft, zijn er gedurende enige weken, of misschien maanden, vóór het eigenlijke verbreken van het levenskoord, voorbereidingen op de dood geweest. Deze voorbereidingen zijn een eerste binnengaan in devachan. Bedenk dat devachan een bewustzijnstoestand is en geen plaats.

Daaruit volgt dat wanneer een edel denkend persoon sterft, zoals bij de hooggestemde theosoof over wie u sprak, het bewustzijn al min of meer in de devachanische staat is. Daarom is het een geestelijke staat van denken. En dit verklaart de mooie dingen die de stervende soms tegen degenen om hem heen fluistert of zegt: ‘O, wat ben ik gelukkig!’ ‘Wat mooi, wat heerlijk!’ Dergelijke woorden.

Vr. – Zijn deze verschillende ervaringen van de ziel in devachan, tussen incarnaties, nauw met elkaar verbonden? In een keten van incarnaties in devachan zouden ze dan elkaar opvolgen zoals elkaar opvolgende levens, of dagen in een leven? Dat wil zeggen, zal het bewustzijn dat begint aan het einde van dit leven verdergaan vanaf de soortgelijke bewustzijnstoestand aan het einde van het vorige leven?

GdeP – Nee. Wat ook de grondtoon is die wordt aangeslagen op het moment van de dood, wat ook de overheersende, karakteristieke toon is van de persoon die sterft, deze zal voor het begin van een stroom van bewustzijnsgebeurtenissen zorgen. Een gedachtereeks, gelukkige dromen kunt u ze noemen, maar ze zijn voor het bewustzijn dat ze ervaart werkelijk en echt; en deze reeks gedachten vloeien in elkaar over. Het is als het doormaken van een prachtige ervaring tijdens het leven in het fysieke lichaam. Het begint en daarna leidt de ene gedachte naar de andere; en deze leidt tot weer iets anders; en zo gaat het verder totdat die bepaalde gedachtelijn eindigt. Maar dat einde start ogenblikkelijk een nieuwe opeenvolging van gedachten, van bijna dezelfde soort; en zo gaat het proces tijdens de hele devachanische periode verder.

Vr. – Ik wil graag iets vragen over de terugblik op het leven die plaatsvindt op het moment van sterven. In welke mate doorziet iemand dan de waanvoorstellingen waarmee hij zich tijdens het leven heeft omgeven, en ook de waanvoorstellingen die in feite misschien niet helemaal zijn schuld zijn? Ziet een individu de werkelijke feiten die hij tijdens het leven niet heeft willen zien?

GdeP – Hij ziet de waarheid, de werkelijke dingen zoals ze feitelijk zijn, en zijn relatie ermee. Hoe edeler het individu is dat sterft, des te grootser en verhevener is dit visioen van onverhulde waarheid.

In elk geval wordt er een panorama van het leven dat voorbij is helemaal doorgekeken, vanaf de eerste vastgelegde gedachte tot de laatste bewuste gedachte vóór tijdelijke bewusteloosheid intreedt. Het bewustzijn dringt door achter het bedrieglijke aspect van dingen en ziet de werkelijkheid, oorzaken, gevolgen, stelt verantwoordelijk – ziet altijd zijn eigen verantwoordelijkheid; het ziet hoe het heeft gehandeld en hoe het had moeten handelen. Maar dit hele proces verloopt volkomen rustig. Het wordt niet verstoord door welke emotie ook. Het is als een wiskundige die volledig opgaat in het oplossen van een wiskundig vraagstuk. Deze toestand is niets bijzonders. Emotie verstoort het denken in het geheel niet, zoals bij volwassenen die terugkijken op de ervaringen uit hun jeugd en kindertijd – en velen van ons kunnen dat doen en we merken dat we daarbij heel onpersoonlijk zijn. We kunnen zien waar we fouten hebben gemaakt. We treuren daar niet om. We zien de dwaasheid ervan in en kunnen er afstand van nemen en ze beschouwen als iets buiten onszelf, en toch weten we dat ze bij ons horen. Met andere woorden, het bewustzijn maakt zich op het moment van de dood los van zuiver persoonlijke relaties – het is een objectief waarnemen.

Vr. – Wanneer een mens heel vaak met de dood wordt geconfronteerd, zal dat in het bijzonder tot zo’n afstandelijk gevoel leiden. Zij die in de [Eerste] Wereldoorlog hebben gediend, bijvoorbeeld, werden elke dag met de dood geconfronteerd en kregen zo’n gevoel. Zal dat een speciale invloed hebben op het ontwikkelen van het toekomstige karakter?

GdeP – Ja. Maar ik moet erop wijzen dat deze stroom van het panorama van het verleden alleen kan optreden wanneer iemand feitelijk sterft, niet wanneer het bewustzijn alleen maar verwacht dat de dood kan intreden. Met andere woorden, alleen wanneer de dood werkelijk komt, treedt dit panoramisch overzicht op.

Vr. – Als ik het me goed herinner heeft u gezegd dat de devachani bij terugkeer uit devachan de vorige incarnatie tot in de kleinste details terugziet voordat er fysiek contact wordt gemaakt. Heeft die terugblik de aard van een herinnering of is het alsof dat wat wordt teruggezien werkelijk plaatsheeft?

GdeP – Het is een herhaling van het panorama dat volgde op het moment van de dood, want dat panorama is afgedrukt op het bewustzijn van het reïncarnerende ego. En als dit ego zijn devachanische toestand verlaat, volgt het onvermijdelijk stap voor stap hetzelfde pad waarlangs het de devachanische toestand inging. Als gevolg daarvan ziet het deze dingen in een terugblik, maar in omgekeerde volgorde.

Vr. – Ik zou in het bijzonder willen weten of deze terugblik een bewuste herinnering is. Realiseert degene die terugkijkt zich dat het een herinnering is van wat is geweest, of is het alsof hij opnieuw dezelfde ervaring doormaakt?

GdeP – In feite is het beide, omdat hij dit panorama of deze ervaring niet zou kunnen begrijpen tenzij hij zich ervan bewust is dat hij erdoorheen gaat. Maar het proces gaat ontzettend snel. Het betekent niet dat een leven, in menselijke tijd gerekend, wordt besteed aan het bekijken van het panorama. Zoals aan het stervende brein de bewustzijnsstroom vlug voorbijtrekt, zo laat het reïncarnerende egoïsche bewustzijn – als het de devachanische toestand verlaat en opnieuw het aardse leven binnengaat – het panorama vlug de revue passeren, en weet dat deze dingen tot zijn vroegere bestaan op aarde behoorden, maar het ziet de gebeurtenissen van het panorama en hun verband met een objectieve blik.

Vr. – Het is waarschijnlijk een dwaas idee van mij, niet een idee maar gewoon een vraag, dat bij zulke ervaringen, tijd in één opzicht alleen maar een verzinsel is van de verbeelding. U kunt een heel leven in een paar minuten doormaken, en omgekeerd, zodat het feit dat deze terugblik in heel korte tijd plaatsvindt niet zo veel betekent. En als ze werden teruggezien alsof ze feitelijke gebeurtenissen waren, waarin degene die terugblikt degene is die handelt, op welke manier zouden we dan ondubbelzinnig kunnen vaststellen of het leven dat ieder van ons op dit moment leeft, een nieuw leven is of een terugblik op wat we eerder hebben gedaan, met misschien enkele verbeteringen?

GdeP – Het wordt gezien als een terugblik. Het is een herinnering, het projecteren van beelden, taferelen, het ene na het andere, in het bewustzijn. Dit alles vindt, vergeleken met wat tijdens het sterven gebeurt, in omgekeerde volgorde plaats, zodat, wanneer het einde ervan wordt bereikt, de ex-devachani zo ongeveer gereed is voor de periode van onbewustheid die voorafgaat aan het betreden van de moederschoot.

Vr. – Ik heb een heel eenvoudige vraag, die me de laatste tijd echter heeft beziggehouden: Waar ligt de scheidslijn tussen realiteit en illusie? U heeft gezegd dat deze niet bestaat: zelfs de meest grove materie is fundamenteel geestelijk; alles bestaat en duurt voort, maar verkeert in verschillende stadia. Ik heb dan ook vaak de indruk gehad dat dit woord ‘illusie’ slechts een manier van spreken is, of betekent het iets dat een tijd bestaat en dan voor altijd verdwijnt?

GdeP – De vraag is een beetje ingewikkeld, maar ik denk dat ik u begrijp. Illusie is geen beeldspraak. Dat illusie, of een reeks van illusies, bestaat, is paradoxaal genoeg de werkelijke stand van zaken. De realiteit is dat ze niet iets is dat op zichzelf staat. De basis is zuiver bewustzijn. Ik weet niet of ik uw idee te pakken heb. Indien dat niet zo is, stel uw vraag dan alstublieft nog eens.

Vr. – Het spijt me dat ik het ingewikkeld heb gemaakt. Dat had ik niet moeten doen. U heeft kortgeleden gezegd dat zelfs de meest grove materie die bestaat, en het leven hier op aarde in een latere ontwikkelingsfase, in wezen net zo spiritueel is als elk van onze hogere vermogens. En dus als die hier bedrieglijk zijn, heeft het woord ‘bedrieglijk’ dan niet gewoon betrekking op één enkel gebied of op één enkele periode en niet op een latere periode of een later gebied? Want als dat wat nu bedrieglijk is zou verdwijnen, zouden we op het probleem stuiten dat zowel geestelijke als fysieke materie niet onvernietigbaar zijn, maar vernietigbaar.

GdeP – Het spijt me heel erg, maar ik begrijp uw gedachte echt niet helemaal. Volgens mij heb ik nooit gezegd – ik kan me vergissen – dat de opgedane ervaringen in elk willekeurig leven, in feite alle ervaringen, hoewel bedrieglijk toch in wezen werkelijk zijn. Is dat de manier waarop u me heeft begrepen? Giet uw vraag zo mogelijk in een iets andere vorm.

Vr. – Wat is de scheidslijn tussen werkelijkheid en illusie?

GdeP – Alles wat behoort tot de wereld van de uiterlijke verschijnselen van het materiële bestaan is illusie. Alles wat behoort tot de geestelijke wereld is werkelijkheid – en werkelijkheid zelf is iets relatiefs. Het is de wortel van deze materiële wereld. Maar omdat die geestelijke wereld – de werkelijkheid voor elke illusoire wereld – zelf een van de vele werelden is, waarvan sommige nog verhevener zijn, is zelfs die geestelijke wereld een illusie vergeleken met de werkelijkheid van die nog hogere wereld. Met andere woorden, maya – illusie – en werkelijkheid zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden.

Vr. – Dat is wat ik wilde weten. Illusie en werkelijkheid zijn dus slechts betrekkelijke begrippen.

GdeP – Ja, inderdaad.

Vr. – Dus het woord ‘illusie’ is misschien niet het beste woord. Met andere woorden, het is een theosofische term.

GdeP – Ja, dat is waar. Ik kan hier erop wijzen – en ik ben blij dat u dit naar voren bracht – dat ‘illusie’ een vertaling is van het Sanskrietwoord ‘maya’. Maya betekent niet iets dat niet bestaat. De betekenis ervan is precies het tegenovergestelde. Het betekent iets dat bestaat, maar dat door het bewustzijn van de waarnemer niet goed wordt geïnterpreteerd. De aanhangers van de Vedanta in Hindoestan, bijvoorbeeld, illustreren dit door het verhaal van een man die ’s avonds op weg naar huis is en plotseling opzijspringt wanneer hij op zijn pad een opgerolde slang ziet liggen. Hij kijkt nog eens en ziet dat het geen slang is maar een opgerold stuk touw. Het was een illusie, het was maya – maya betekent eigenlijk betovering – de betoverende werking van de natuur die het waarnemende bewustzijn misleidt. Met andere woorden, het bewustzijn neemt de dingen niet waar zoals ze in werkelijkheid zijn. Maar naarmate dat bewustzijn in wijsheid en ervaring groeit, ziet het de dingen steeds beter, met steeds grotere zekerheid, zoals die dingen werkelijk zijn. Ik hoop dat dit punt duidelijk is, omdat het een heel mooi stukje filosofie is.

De aanhangers van de Vedanta geven nog een ander schilderachtig voorbeeld. Een man loopt tegen de avond langs een pad. Vóór hem is een heuvel. Op de top van de heuvel ziet hij in het avondlicht een haas, en hij ziet dat de haas twee horens heeft – twee horens die uit zijn kop steken. Op het eerste gezicht is hij ervan overtuigd dat de haas twee horens heeft. Hij kijkt nog eens en ontdekt dat hij de lange oren van de haas voor horens heeft aangezien.

Dat is de betekenis van maya, illusie. De haas met zijn lange oren was er wel, maar het waarnemende bewustzijn beoordeelde verkeerd wat er werd gezien, vormde zich een verkeerd beeld van de werkelijkheid, en ontving daardoor een bedrieglijke indruk van wat daar was.

Vr. – Mag ik een vraag stellen, vóór we het onderwerp van de zeven beginselen verlaten? Over iets dat heel moeilijk is te begrijpen. Ik denk dat we goed begrijpen dat er één bewustzijnsstroom is, maar in De Geheime Leer en verder in de Instructies, geeft HPB heel duidelijk aan dat een adept zichzelf kan opdelen in drie bewustzijnstoestanden, drie duidelijk verschillende toestanden, zonder zichzelf te doden, zegt ze, en hij kan één eropuit sturen en in een andere achterblijven, en kan ook nog een derde uitwerpen. En dan is er na de dood de schil of het kamarupa dat volgens de leringen van de meesters na een tijdje een eigen bewustzijn krijgt, dat in een bepaald opzicht een weerspiegeling is. Mijn punt is dat het mogelijk schijnt om ze te scheiden alsof er op een of andere manier werkelijk scheidslijnen zijn tussen de beginselen, en tegelijkertijd voelen we dat er een eenheid is.

Is dat een van de mysterieuze paradoxen van de leringen die we op een soort intuïtieve manier kunnen vatten, maar die mentaal moeilijk zijn te omschrijven?

GdeP – Ja. Eenvoudig omdat het menselijke denken zich bewustzijnstoestanden voortdurend als afzonderlijke eenheden voorstelt. Dat is niet juist. Het misleidt zichzelf de hele tijd. Ter illustratie: u zou sterven als u uw huidige hersenverstand zou kunnen scheiden van het lichaam. U zou dit niet kunnen. Maar er is een toestand van uw bewustzijn die u uit het lichaam kunt sturen, die u naar een ander deel van de planeet, naar de maan, naar Venus, naar Mars, naar de zon kunt sturen. En deze verbazingwekkende magische wetenschap van het uitzenden van het zelfbewuste individu, noemen de Tibetanen hpho-wa.

Vr. – Ik zou eerst een vraag willen stellen die bij me is opgekomen in verband met wat zojuist is gevraagd. Wanneer iemand doet wat hij gewoonlijk doet en daar aandacht aan schenkt, en tegelijkertijd naar een ander luistert, en ook zijn gedachten op een hoger gebied laat gaan: vormt dit dan een analogie met de verschillende bewustzijnstoestanden?

GdeP – Ik denk dat u helemaal gelijk heeft.

Vr. – En mijn andere vraag is: er is ons vaak gezegd dat als we ons bewustzijn richten op een hoger gebied dan de gewoonten en gedachten van het lagere zelf die we willen overwinnen, en dit onpersoonlijk doen, we dan boven dat lagere zelf uitstijgen. Ik heb mensen dit vaak oprecht zien doen die door de poging in feite fysieke pijn ondergingen, die door de poging vaak ziek werden, en toch moet ik toegeven dat degenen die ik in die toestand heb gezien ernstig, en zo goed als ze kunnen, proberen deze regel onpersoonlijk toe te passen. Kunt u me vertellen waarom dit zo is?

GdeP – U bedoelt waarom bepaalde individuen . . .

Vr. – Die oprecht en voorzover mijn denken dit kan beoordelen, onpersoonlijk ernaar streven om het bewustzijn boven de gewoonten te verheffen. Het is bijvoorbeeld voor ons allemaal moeilijk om plotseling onze gewoonten te veranderen van de ene in de andere, niet noodzakelijk slechte gewoonten, maar verstarde gewoonten, en ik heb vaak gezien dat een oprechte poging werd gevolgd door lichamelijke ziekte.

GdeP – Dat is af en toe het geval, en het is iets dat elke chela onder ogen moet zien. In feite veroorzaakt elke ommekeer van het bewustzijn, wanneer dit door de wil wordt gedwongen tegen de bestaande gewoonten in te gaan, onvermijdelijk een soort ontregeling van dat bewustzijn die tijdelijk is, en dit is een van de redenen waarom alle occulte training stap voor stap gaat. Zoals Katherine Tingley gewoonlijk zei: ‘Stap voor stap klimmen we.’ De meesters waarschuwen u voortdurend dat het plotseling en heftig ontwrichten of omgooien van de dingen gevaarlijk is.

Hoewel die uitspraak heel waar is, zou een onwetende – ik heb het niet over een van u – deze als een uitnodiging kunnen opvatten om op de oude slechte manier verder te gaan. Maar dat is helemaal niet de bedoeling. De bedoeling is om slechte gewoonten een halt toe te roepen en ze te overwinnen, en te klimmen, te groeien, maar het evenwichtig te doen en niet met geweld. En hoewel die uitspraak waar is, kan zelfs deze verkeerd worden uitgelegd. Ik heb de vraag naar waarheid beantwoord, maar ik bewonder de man of vrouw die – als het licht eenmaal in zijn of haar hart is gaan dagen – onmiddellijk en indien nodig door krachtig handelen dat licht volgt, ongeacht de gevolgen voor het lichaam. Ik zal u eerlijk zeggen dat dit onvergelijkbaar edeler is.

Neem bijvoorbeeld iemand die geregeld dronken is, iets wat veel voorkomt. Gaat u die ongelukkige figuur de onmiskenbare waarheid vertellen: dat hij stapje voor stapje uit de toestand van dronkenschap kan komen naar een leven zonder drank? Of wijst u hem, zoals ik zou doen, de weg om dadelijk te stoppen? Hoe het lichaam ook reageert. Ga naar uw dokter als het lichaam dat doordrenkt is van alcohol in opstand komt. Laat de dokter u helpen, maar onderhandel niet met de duivel. Houd u zich verre van hem. Stop ermee. Dat is mijn advies.

Als u naar een arts gaat die materialistische opvattingen heeft en geen gevoel voor geestelijke waarheden, die niet gelooft dat er andere levens zijn, die geen enkel idee heeft van geestelijke heldenmoed, zal hij zeggen: ‘Ach, vergeet het maar! Denk er maar niet aan! Probeer slechts uit de gevangenis te blijven, en doe wat u wilt. Het is natuurlijk beter fatsoenlijk te zijn, maar u kunt niet alles tegelijk veranderen.’ Dat is een verkeerd advies. Het advies van de grote zieners en wijzen is altijd het tegenovergestelde geweest: ‘Vriend, ga heen en zondig niet meer!’ Het is waar.

De twee delen van mijn antwoord spreken elkaar niet tegen. Ze zijn paradoxaal. Ik heb u eerst verteld over de feitelijke toestand van het lichaam, en hoe genezing stap voor stap tot stand kan komen. Maar als u me als leraar vraagt wat ik zou adviseren vanuit het standpunt van moraal en fatsoen, en als een student van de esoterie, dan zou ik zeggen: ‘Ga onmiddellijk aan de slag! Stop ermee, wat het ook mag zijn.’ Zoals HPB het eens zei: ‘Schenk geen aandacht aan het lichaam’, zolang de ziel er maar bovenuit stijgt.

Laat de arts als hij kan het lichaam voor zijn rekening nemen. Soms worden wij mensen met heel ernstige problemen geconfronteerd. Er zijn tijden dat de held moet handelen, zelfs ten koste van het leven of de gezondheid – en zo iemand is pas echt een mens.

Als u aan de andere kant niet de moed heeft, als u een zwakkeling bent en wilt schipperen en niet de kracht heeft om u te verheffen en u direct op een edele manier te gaan gedragen, dan is er het lange trage pad van evolutie – maar ik heb weinig geduld met die langzame methode, tenminste wanneer het om mensen van onze Orde gaat.

Dit betekent niet dat ik de dienstdoende arts zou adviseren kortaf, onvriendelijk, hard, kritisch of onsympathiek te zijn – helemaal niet. De plicht van een arts is werkelijk verheven; en vriendelijkheid, begrip voor de omstandigheden, en bemoediging en vertroosting hebben voor een ziek lichaam soms zelfs een grotere genezende kracht dan de medicijnen die een arts voorschrijft.

Vr. – Heeft het voor de wetenschappers in deze tijd enige zin te proberen interplanetair te communiceren? Want als ze hiertoe in staat waren, welk voordeel zou dit hun dan opleveren? Alleen al het verschil van taal vormt een belemmering. De bewoners van andere planeten kunnen totaal andere manieren van communicatie hebben, andere zintuigen, in alle opzichten van ons verschillen.

GdeP – Dat is bijna zeker het geval.

Vr. – Dan lijkt het me slechts tijdverspilling. Tegen de tijd dat ze voldoende zijn ontwikkeld, zijn ze misschien in staat om het op een andere manier te doen.

GdeP – Zover zou ik niet willen gaan. Alleen al het feit dat ze proberen interplanetaire communicatie tot stand te brengen is iets goeds. Het verheft het denken boven aardse zaken. Het stimuleert de verbeelding, verruimt onze sympathieën en roept verlichtende gedachten op over levende wezens op andere planeten. Het is op zichzelf een goede poging. Ik vraag me wel af wat er zou gebeuren als één van onze wetenschappers een bewoner van Venus of van Jupiter zou vangen en hem in een glazen vitrine zou stoppen! Wat zouden ze met hem doen – als ze de kans kregen? En ik zou kunnen vragen wat een bewoner van Venus niet al zou doen met onze wetenschappers!

Vr. – Ik heb geprobeerd gedachtebeelden te vormen van het verband tussen het menselijke ego en de innerlijke god, en één daarvan is het volgende: In het geval van een heel groot bedrijf, dat misschien duizenden mensen in dienst heeft, zou de loopjongen heel waarschijnlijk zo goed als onbekend zijn bij de directeur. Zou het juist zijn om te denken dat het menselijke ego praktisch onbekend is aan de innerlijke god, behalve misschien door tussenkomst van verschillende andere entiteiten, die overeenkomen met de managers van de afdelingen? Als dat zo is, zou de loopjongen dan door zijn inspanning en initiatief in contact kunnen komen met de directeur door zichzelf te ontwikkelen?

GdeP – Precies. Die uiteenzetting is in zijn algemeenheid volledig waar. Merk op dat er een verschil is tussen het menselijke ego en het hogere ego. Eerder vanavond sprak een van u over de menselijke constitutie als een bewustzijnsstroom, en dat is precies juist. Maar die bewering is niet in strijd met het andere feit dat deze bewustzijnsstroom kan worden gescheiden in beginselen, in verschillende trillingssnelheden, als u het op die manier wilt zeggen. De gehele menselijke constitutie is inderdaad een bewustzijnsstroom maar heeft, om het anders uit te drukken, verschillende kleuren. Deze kleuren zijn de respectieve beginselen – het hartstochtelijke, het intellectuele, het geestelijke, het vitale, enz. Ze behoren allemaal tot de bewustzijnsstroom; elk is een wezenlijk deel ervan. Niettemin bestaan deze verschillende aspecten van de bewustzijnsstroom en zijn wat door ons de ‘beginselen’ worden genoemd.

Het menselijke ego is in de kern van zijn kern een monade – een kind-monade van de innerlijke god en heeft daarom deel aan de bewustzijnsstroom van die innerlijke god, die het herkent als het fundamentele ik-ben. Zijn eigen bewustzijn is ik-ben-ik. Naarmate de tijd verstrijkt, naarmate de evolutie vordert, vermindert of verdwijnt dit ik-ben-ik langzaam, en een steeds ruimer, vollediger en universeler bewustzijn neemt zijn plaats in – ik-ben – dat in feite het bewustzijn van zijn eigen monadische essentie is. Dit mysterie van het bewustzijn is een wonderlijk mysterie. Het is een van de moeilijkste onderwerpen die we kennen en toch ook een van de meest vruchtbare om te bestuderen.

De mens is een samengestelde entiteit. Door hem heen stromen, als delen van zijn bewustzijnsstroom, het kosmische bewustzijn, het bewustzijn van zijn eigen innerlijke god, het bewustzijn van zijn spirituele ego, van zijn menselijke ego, en van zijn astrale ego – of de gewone verstandelijke mens; en er is zelfs het gevoel van het bewustzijn van zijn fysieke lichaam, dat zich duidelijk manifesteert wanneer het lichaam pijn lijdt. Elk atoom – en in nog sterkere mate het menselijke ego – heeft in zichzelf latente kwaliteiten om een god te worden. Elk atoom van het fysieke lichaam, elk levensatoom van het astrale lichaam, van het kamarupa, van het reïncarnerende ego, van het spirituele ego en van de monade – elk van deze menigten levensatomen op ieder gebied is bestemd om zich in toekomstige eonen tot een god te ontwikkelen.

Dit betekent dat iemands innerlijke god het fundamentele ik-ben is. Dat wil zeggen, mijn innerlijke god is ik maar toch niet ik. Het persoonlijke ‘ik’ is zijn kind, bestemd om op te groeien tot een innerlijke god gelijk de ‘vader in de hemel’, want die ‘vader in de hemel’ is mijn innerlijke god. Evenzo is elk atoom, zelfs van het fysieke lichaam, in de kern van de kern van zichzelf een monade waarvan het hoogste deel, het edelste deel, de innerlijke god ervan is. We zijn daarom legio; de naam van ieder mens is ‘legio’.

Elke mens, elke entiteit is een microkosmos, of een klein heelal, met zijn eigen hoogste god en alle menigten mindere goden en alle menigten van nog minder ontwikkelde entiteiten en zo verder langs de schaal van de menselijke samenstelling tot aan de fysieke atomen van het sthulasarira, of het fysieke lichaam. Wat een prachtig beeld! En als u kijkt naar het heelal dat ons omringt, ziet u hetzelfde op grote schaal, de macrokosmos: de zonnen, de planeten en de verscheidenheid van wezens van onze bol bijvoorbeeld, en de verscheidenheid van entiteiten op andere bollen – een enorme macrokosmos, of grote wereld, die binnen zijn grenzen menigten microkosmossen of kleine werelden omvat. Wat een schitterende gedachte!

Vr. – Het is me niet geheel duidelijk, maar het lijkt me dat er iets moet zijn dat een hoge aspiratie opwekt. Is het iets dat eigen is aan de monade? Het lijkt me dat de geestelijke wil er iets mee te maken moet hebben.

GdeP – Ja, dat is zo.

Vr. – En toch, waar bevindt zich die geestelijke wil? In de monade zelf?

GdeP – Hij stijgt op uit de diepten van uw eigen fundamentele bewustzijnscentrum. U kunt hem uw eigen monade noemen. Hij is een stroom die zich in uw menselijke bewustzijn als aspiratie uitstort of manifesteert.

Vr. – En ik neem aan dat die geestelijke wil alleen kan worden versterkt door hem te oefenen?

GdeP – Ja, inderdaad. Door steeds ernaar te streven om meer en meer die wil te zijn, te proberen voortdurend meer ervan op te roepen, te proberen te leven in die aspiratie, met andere woorden, aspireren naar aspiratie. Het is allemaal een zaak van het laten werken van het bewustzijn.

Vr. – Zoals Judge zegt: ‘Achter de wil staat verlangen.’ Kan dat heel geestelijke deel van ons verlangen? Ik neem aan dat het verlangen de aspiratie is.

GdeP – ‘Achter de wil staat verlangen.’ Het woord ‘verlangen’ verwijst hier niet naar lichamelijke begeerte. Het verwijst naar een geestelijke begeerte.

Vr. – Ja, ik bedoel het in geestelijke zin. Dus het geestelijke deel van ons verlangt ernaar om meer en meer geestelijk te worden?

GdeP – Zeker. Het geestelijke deel van ons aspireert of verlangt om edeler, geestelijker te worden. Met andere woorden, het aspireert naar het goddelijke. Zoals de mens aspireert om geestelijker te worden, naar de geest aspireert, en zoals de dieren rondom ons onbewust aspireren om mensen te worden.

Vr. – Zullen we deze innerlijke god leren kennen, ermee worden verenigd, terwijl we nog steeds in lichamen van vlees zijn? En als dat zo is, is dit dan de betekenis van de uitdrukking in de bijbel: ‘Hoewel ik nog altijd in het vlees verkeer, zal ik mijn god zien’?

GdeP – Ja. Er komt een moment in de reeks inwijdingen, zoals ik bij verschillende andere gelegenheden heb gezegd, dat de neofiet, hoe ver hij misschien ook is gevorderd – een meester die zich voorbereidt op een hoge inwijding is een neofiet totdat hij die verlichting bereikt – tegenover zijn eigen innerlijke god komt te staan. En naar deze innerlijke god verwees Jezus Christus in het Nieuwe Testament, toen hij zei, ‘Ik en mijn Vader in de Hemel’.

Vr. – Worden ze in dat geval dan wat wij ingewijden noemen of zijn ze zelfs nog hoger?

GdeP – Er zijn veel inwijdingsgraden. Er zijn lage inwijdingen en hoge inwijdingen. ‘Laag’ en ‘hoog’ verwijzen natuurlijk als bijvoeglijke naamwoorden naar kwaliteit; de lage inwijdingen zijn niet zo geestelijk als de hoge inwijdingen.

Vr. – Mijn vraag is nu niet meer zo aan de orde. Ik wilde vragen, toen u sprak over het bezoeken van planeten, of het voor de gewone psychoscopist mogelijk is de planeten van ons zonnestelsel te bezoeken?

GdeP – Nee, de psychoscopist ‘bezoekt’ de planeten niet. De psychoscopist maakt zich in een ontvankelijke bewustzijnstoestand een voorstelling van gebeurtenissen op basis van trillingen of beelden die op het voorwerp dat hij betast zijn afgedrukt, of bijvoorbeeld op basis van een lichtstraal. Maar de psychoscopist ‘bezoekt’ geen plaatsen zoals de planeten of de zon of de maan.

Vr. – Ik heb het boek van Denton gelezen, het derde deel, dat verslag doet van zijn experimenten, zoals dat waarbij hij zijn zoon naar Mars zou hebben gestuurd – en de bewoners van Mars zou hebben gezien. Ik dacht niet dat dit mogelijk was.

GdeP – Nee, de psychoscopist reist niet naar andere planeten. Dat is iets wat hoge ingewijden kunnen, maar gewone psychoscopisten niet.

Vr. – Ik geloof dat Jezus zei: ‘Weersta het kwaad niet.’ Wij hebben in onze Orde de belofte gedaan om een voortdurende strijd met onze lagere natuur te voeren. Is het nodig dat we soms met onze lagere neigingen worstelen en vechten, of is het het beste onszelf te vergeten en eenvoudig hoge en edele gedachten te hebben en onzelfzuchtig te leven, zodat we onze lagere natuur te boven kunnen komen?

GdeP – Oneindig veel beter. Verleen het slechte in uzelf geen waardigheid door ertegen te ‘vechten’; negeer het en het zal een natuurlijke dood sterven. Bovendien is de uitspraak ‘Weersta het kwaad niet’ volkomen juist, maar het betekent: probeer niet tegen uw broeder te strijden omdat het slechte in hem u niet bevalt. Dat idee heeft geleid tot veel van de ellende die er nu in de wereld bestaat. We laten na om het slechte in onszelf te zien, maar vechten voortdurend tegen het slechte dat we in anderen zien. U zult uw handen vol hebben aan uw eigen zaken, als u alleen naar uzelf kijkt. Dan zult u totaal niet in de verleiding komen om het kwaad in anderen te weerstaan zoals de woorden van Jezus meestal worden opgevat. Hij bedoelde vriendelijkheid. Als een ander ons iets slechts aandoet is het beter om niet op wraak te zinnen en terug te vechten en zo dubbele ellende in de wereld te veroorzaken; bedenk daarbij ook dat u niets overkomt dat niet karmisch is.

Vr. – Mag ik u vragen hoe dat van toepassing is op onszelf met betrekking tot het voeren van een ‘voortdurende strijd tegen onze lagere natuur’?

GdeP – Dat is een manier van uitdrukken. Alleen al het negeren van de slechte impulsen in uzelf door middel van uw wil, bijvoorbeeld, kunt u heel goed een voortdurende strijd tegen dat kwaad noemen. Echter, u zult dat kwaad beslist niet negeren als u alleen maar uw tanden op elkaar zet of uw vuisten balt en zegt: ‘Ik zal niet, ik zal niet, ik zal niet.’ Dan bent u in die mate al het slachtoffer ervan. U besteedt zoveel aandacht eraan dat het u reeds zover in zijn greep heeft. Vergeet het! Negeer het! Laat uw strijd er één zijn van wilskracht in het stilletjes negeren van alles wat laag en onwaardig is. Meer strijd komt er niet bij kijken. De uitdrukking die u aanhaalt is een manier van spreken.

Vr. – In De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett (blz. 65) zeggen de meesters dat het grootste kwaad in de wereld van vandaag de godsdienst is, in welke gedaante dan ook. Kunt u dit toelichten?

GdeP – Daar denk ik net zo over. Maar ‘godsdienst’ betekent hier formele religie: elk ceremonieel geloof, ritueel geloof, waaruit de ziel van religie is verdwenen en mensen verlossing zoeken bij priesters die voordeel trekken uit menselijke lichtgelovigheid en misschien wel oprecht denken dat bepaalde rituele of ceremoniële vormen de plaats kunnen innemen van werkelijke groei door persoonlijke inspanning van binnenuit.

De leraar verwees hier naar het feit dat de enige manier om te groeien die van zelfgeleide evolutie is, zoals Katherine Tingley geregeld zei: door zelf uitgedachte inspanningen om zich te verbeteren, met andere woorden groei van binnenuit, en niet groei na te streven door ons uitsluitend te richten op de leer van iemand buiten onszelf. Bovendien brengt elke uiterlijke soort van religie bijgeloof en haat tussen mensen onderling met zich mee en ook misverstanden, en daarom leidt ze de aandacht volkomen af van de werkelijk belangrijke dingen van de innerlijke geest.

In u is schoonheid, liefde, vrede, hoop, mildheid, vriendelijkheid. Ontwikkel deze eigenschappen in uzelf door uw eigen inspanningen, en wend u niet tot een priesterschap, of geloof niet dat u kunt evolueren of dat u uw medemensen goed kunt doen door het opzeggen van geloofsbelijdenissen, of door u te houden aan vormen of rituelen.

Vr. – In De Geheime Leer zegt HPB dat theosofie de grondslag is van de toekomstige wereldreligie of die zal worden. Hiermee bedoelt ze waarschijnlijk iets heel anders dan een formele religie?

GdeP – Dat is heel juist.

Vr. – Nog iets anders: zal het voor onontwikkelde mensen in een heel primitieve staat, die alleen de meest elementaire dingen begrijpen, niet nodig zijn om een formele religie te hebben?

GdeP – Waarom denkt u dat? Dat is een gedachte die in het westen veel voorkomt. Deze treft men vooral aan in de Kerk van Rome, maar de protestanten kennen haar ook. Wilt u me zeggen dat primitieve volkeren zoals die in deze tijd in sommige delen van de wereld leven slechtere mensen zijn dan de beschaafde barbaren van onze Europese of Amerikaanse hoofdsteden? Ik kan dit niet inzien. Ze hebben hun fouten en hun grofheden. Maar kijk naar onze grote steden. Wandel door de straten ervan. Let op wat onze eigen mannen en vrouwen doen. Is de eenvoudige natuurmens zonder een georganiseerde religie, een georganiseerde Kerk, en met al zijn tovenarij en voodoorituelen en dat soort zaken – neem alles bij elkaar – is hij zoveel slechter? Ik denk van niet.

De eenvoudige leringen van broederschap en vriendelijkheid, van universele liefde, van plicht, van mededogen, van zelfopoffering – deze edele en mooie eigenschappen die het individu in praktijk moet brengen – vormen op zichzelf een mooie en prachtige religie omdat ze op een geestelijke manier natuurlijk zijn. Elke exoterische religie, elke godsdienst met vormen en ceremoniën en een priesterschap om deze dingen uit te voeren – of zo’n religie nu van een barbaar is of van de beschaafde Europeaan – leidt de aandacht af van de werkelijke geestelijke zaken die leven in het hart en de ziel van de mens.

Ik denk dat als aan die onwetende, onontwikkelde mensen over wie u sprak deze eenvoudige en prachtige gedragsregels werden geleerd, zij een veel betere karmische staat van dienst zouden hebben dan nu het geval is door hen te misleiden met kerkelijke plechtigheden, hoe goed bedoeld deze misschien ook zijn, waarin, als ze al geloven, een geloof schuilt dat is gebaseerd op angst en een vernederende want egoïstische hoop. Ik zie daarin niets edels.

Vr. – Zijn er geen oude beschavingen geweest met grote aantallen onwetende en onontwikkelde mensen, die echter trouwe, bereidwillige en eerbiedige gehoorzaamheid betrachtten aan de geestelijke leraren die hen leidden?

GdeP – Dat is heel juist.

Vr. – Ik heb een vraag, en ik vrees dat het een puur verstandelijke vraag is, maar deze houdt me heel erg bezig. Het heelal is vol goden en elk atoom neigt ernaar om een god te worden; alles ontwikkelt zich meer en meer tot goddelijkheid. Is het heelal nu verder ontwikkeld dan eeuwigheden geleden? En toch kunnen we niet denken dat een volmaakt wezen zich nog verder kan verbeteren. ‘Wezen’ is misschien niet het juiste woord, maar wellicht begrijpt u wat ik bedoel?

GdeP – Ja. Dat is een heel natuurlijke vraag en wijst op een geest die diep doordenkt. Deze vraag heb ik bij verschillende gelegenheden beantwoord, maar misschien niet duidelijk genoeg. In de eerste plaats, wanneer u het woord ‘heelal’ gebruikt, bedoelt u dan ons eigen thuisheelal of de grenzeloze oneindigheid?

Vr. – Ik bedoel het laatste.

GdeP – Hoe kan dan de grenzeloze oneindigheid evolueren, want evolutie is alleen van toepassing op onvolmaakte wezens die voortdurend volmaakter worden?

Vr. – Dat is precies het probleem.

GdeP – De grenzeloze oneindigheid evolueert dus niet, want alleen een onvolmaakt wezen kan evolueren; en als iets oneindig en eeuwig is, moet het oneindig en eeuwig zijn. De grenzeloze oneindigheid is geen entiteit. Het is een uitdrukkingswijze die een abstract idee voorstelt. Bovendien zijn de heelallen die verspreid in de ruimten van de Ruimte liggen oneindig in aantal. In feite zijn het deze heelallen die in hun oneindige aantal de grenzeloze oneindigheid samenstellen. Heelallen komen voortdurend vanuit andere gebieden tot aanzijn. De gebieden zijn ook oneindig in aantal, oneindig beneden wat we het materiële noemen, oneindig boven wat we het goddelijke noemen en ook oneindig naar binnen en naar buiten toe. Daaruit volgt dat als wezens evolueren, als entiteiten evolueren, ze de oneindigheid hebben om in te evolueren. Er was nooit een begin, er zal nooit een einde zijn, maar elke stap vooruit staat op een hoger niveau dan de eraan voorafgaande – is met andere woorden een binnengaan in nieuwe gebieden van de Ruimte, met nieuwe vormen van zowel kosmische energie als kosmische substantie.

Wij mensen van dit heelal, bijvoorbeeld, kwamen dit heelal binnen vanuit een heelal dat eerder heeft bestaan, en vormden het in feite als delen ervan, als kleine atomen ervan. Door ondervinding leren we in deze toestanden van materie en geest en goddelijkheid die in ons huidige heelal bestaan; en dit proces wordt in het klein herhaald door een planeet die zichzelf opnieuw belichaamt uit de levensessenties van haar vroegere planetaire ouder.

We starten aanvankelijk als niet-zelfbewuste godsvonken, gaan door alle evolutiestadia van een heelal heen, bereiken goddelijkheid in dat heelal en eindigen samen met dat heelal als geheel. En dan begint dat heelal met al zijn bewuste levensatomen in alle stadia van evolutie aan een nieuw heelal op een hoger gebied, en staat dan aan het begin ervan. En dit proces zet zich in de eeuwigheid en oneindigheid voort. Het is voor het menselijk denken moeilijk dit probleem op te lossen, maar het is een fascinerend en vruchtbaar onderwerp voor onze uren van stille overdenking.

Vr. – We weten dat alles evolueert. De planeten moeten wel evolueren; en ik wil weten of mijn zienswijze juist is: Wanneer de planeten hun banen rond de zon volgen, is dat dan hun manier van evolutie in cyclussen zoals ook mensen dat doen? Want de zon gaat altijd nieuwe gebieden binnen. Daarom draaien de planeten nooit in dezelfde baan om de zon die ze al eerder hebben gevolgd; ze gaan nieuwe gebieden binnen. Is dat hun manier van evolutie?

GdeP – Dat is één van de aspecten van planetaire evolutie. Uw uiteenzetting is op zichzelf volkomen juist.

Vr. – Maar waar ligt het hoogste punt van hun cyclus?

GdeP – Dat is nog niet bereikt.

Vr. – Maar ik bedoel met betrekking tot de baan van een planeet – wat is het hoogste punt in de baan van die planeet?

GdeP – Bedoelt u het hoogste punt in de omloop die een planeet volgt?

Vr. – Ja, in de evolutiecyclus.

GdeP – Die vraag is moeilijk te beantwoorden om de volgende reden: terwijl de eeuwen voorbijgaan naderen de planeten langzaam de zon; hun omloopbanen krijgen een steeds kleinere diameter. Uiteindelijk zullen de planeten worden verenigd met de zon. Ook dat is een harde noot om te kraken. Ik durf op dit moment niet veel meer dan dat te zeggen, omdat u een heel moeilijk te doorgronden onderwerp heeft aangesneden.

Misschien moet ik dit nog eraan toevoegen: Ik weet niet of het u zal verbazen of niet, maar astronomen kennen nog niet de werkelijke waarheid over de omwentelingen van de planeten om de zon. Zou u heel erg verbaasd zijn als ik u zou zeggen dat de planeten alleen in onze verbeelding om de zon draaien, en dat ze in feite toch ronddraaien? Deze uitspraak betreft een feit, en toch kan ik het eenvoudig niet op me nemen om het in één avond uit te leggen; het zou me een jaar kosten, denk ik!

Onlangs werd me een heel interessant boek toegestuurd, geschreven door prof. Charles Nordmann van het Observatorium van Parijs. Hij stelt heel logisch en intuïtief dat de voorstanders van de theorie van een geocentrisch heelal en de voorstanders van de theorie van een heliocentrisch heelal beide gelijk en ongelijk hebben. Met andere woorden, Galileo had gelijk en ook ongelijk; en de Kerk van Rome had gelijk en ook ongelijk.

Zoals ik de zaak zonder veel omhaal van woorden aan u heb voorgelegd is het op een bepaalde manier waar. En toch, om u niet te misleiden en dus niet in verwarring te brengen, moet ik u zeggen dat de planeten werkelijk om de zon draaien en tegelijkertijd is het toch ons bewustzijn dat zich voorstelt dat ze op die manier draaien. Probeer dat te begrijpen als u kunt. Het betreft de relativiteit van Einstein.

Ik denk dat de leringen van die opmerkelijke man, Einstein, een van de interessantste en wonderlijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van het westen zijn geweest. Hij dwaalt in sommige gevallen heel ver van de waarheid af, maar zijn basisideeën van relativiteit zijn, geloof ik, onze eigen leringen. Hij zegt bijvoorbeeld dat er niet zoiets is als een oneindig heelal. Dat is waar. Wij zeggen hetzelfde. Ten tweede, dat een lichtstraal die de zon verlaat en die rechtuit gaat, uiteindelijk zal terugkeren tot de zon die hij had verlaten. Hij volgt wat een rechte baan schijnt te zijn, maar in feite is het een kromme baan, omdat zijn pad zich bevindt in het heelal dat hij niet kan verlaten, en omdat het heelal zo omvangrijk is lijkt elk deel van de baan van die straal een rechte lijn, maar over het geheel genomen moet hij cirkel- of ellipsvormig zijn. Begrijpt u dit deel van Einsteins relativiteitstheorie? Het lijkt me niet zo moeilijk.

Vr. – Is het mogelijk dat we met onze intelligentie te ver willen reiken en haar in een te ruim gebied willen gebruiken, en daardoor de mogelijkheid verliezen de juiste soort verbanden te leggen voor onze eigen mentale en geestelijke groei?

GdeP – Ja, dat is zeker mogelijk. Een mens kan zo opgaan in zuivere abstracte filosofie dat hij zichzelf verliest in de doolhof en de ingewikkelde problemen van het woud van bedrieglijke gedachten dat door zijn eigen intellect wordt gevormd. En ten tweede laat hij na zich op een praktische manier te ontwikkelen, wat zijn plicht is. Het is veel beter om de innerlijke geestelijke kwaliteiten te ontwikkelen – alle kwaliteiten, niet slechts één.

Het is juist en goed dat een mens zijn intellect ontwikkelt, het verfijnt, om elke intellectuele kwaliteit en elk mentaal vermogen waarover hij beschikt te gebruiken; maar om in balans te blijven moet hij ook de kwaliteiten van wat gewoonlijk het hart wordt genoemd, gebruiken. Hij moet zowel liefde als intellect ontwikkelen. Anders wordt hij onevenwichtig en leeft hij maar voor de helft.

Vr. – Waren de oorspronkelijke wijzen die aan het begin van het derde wortelras in illusoire lichamen incarneerden, avatara’s?

GdeP – In een paar gevallen was dat zo. Maar de meesten van de grote oorspronkelijke wijzen waren voortijdige – als u het zo wilt uitdrukken – incarnaties van manasaputrische godheden; en deze laatsten waren de verst geëvolueerden uit het voorafgaande planetaire manvantara.

Vr. – Als dat zo is, wat bedoelt H.P. Blavatsky dan met illusoire lichamen, indien ze niet allemaal avatara’s waren? Ik dacht dat met een illusoir lichaam een lichaam wordt bedoeld dat geen voorafgaand karma noch enig toekomstig karma heeft.

GdeP – Wat het fysieke lichaam betreft, de lichamen van avatara’s zijn niet méér illusoir dan de onze, omdat het lichamen van vlees zijn, en u heeft de situatie exact omschreven door aan te geven dat deze lichamen geen individueel karma hebben. Maar ik denk dat HPB naar het feit verwijst dat alle lichamen uiteindelijk illusoir zijn. Onze huidige fysieke lichamen bestaan grotendeels uit gaten, lege ruimten. Als u bijvoorbeeld ogen zou hebben die elektronen konden zien, zou de mens voor u waarschijnlijk helemaal niet zichtbaar zijn. Als u hem zou zien, zou hij misschien eruitzien als een ijle mistige en glanzende wolk. Al onze lichamen zijn in die zin illusoir.

Vr. – Maar in deze zin zei ze specifiek ‘illusoire lichamen’, niet ‘menselijke lichamen’. Wat is het verschil?

GdeP – Waar heeft u dit gevonden?

Vr. – In De Geheime Leer (1:235-8), waar ze vertelt over Hermes en Orpheus en de zeven oorspronkelijke wijzen die incarneerden aan het begin van het derde wortelras.

GdeP – Ik begrijp nu wat u bedoelt. Dit zijn voorbeelden van goden, manasaputrische godheden, die incarneerden om de vlam van intelligentie, ontluikende intelligentie, wakker te roepen in de tot dan toe niet-zelfbewuste wezens van die tijd, die een bewustzijn hadden vergelijkbaar met dat van kleine kinderen van nu. De tegenwoordige kleine kinderen hebben geen intellect; ze zijn niet echt wakker. Wat hun intellect betreft verkeren ze bijna in een droomtoestand; ze zijn fysiek alert, fysiek levend, fysiek bewust, maar ze bezitten niet dat verfijnde evenwicht van geestelijke en intellectuele vermogens dat een volwassene heeft en zelfbewust nastreeft.

Dus incarneerden deze grote oorspronkelijke wijzen, manasaputrische godheden, in lichamen van licht, illusoire lichamen, en onderwezen de prototypen van de vroege mensheid. Het was iets verbazingwekkends. De lichamen van wat mensen moesten worden, of noem ze mensen als u wilt, uit die vroege periode, waren enorm. U zou ze u kunnen voorstellen als wolkenmassa’s die over de aarde bewegen. De aarde zelf was toen veel groter dan ze nu is en veel etherischer. Ze was een halfastrale wereld.

Vr. – Ligt de oorzaak van de illusie waarover u spreekt in het feit dat het zonnestelsel een eenheid is die draait binnen een grotere eenheid en dat de zon de hoogste trillingssnelheid heeft? Misschien ben ik niet duidelijk.

GdeP – Niet zo heel erg, vrees ik. Ik kan de logica van uw gedachte niet helemaal volgen.

Vr. – U noemde het draaien van de planeten om de zon illusoir. Ik dacht eraan dat het zonnestelsel een eenheid is die binnen een grotere eenheid ronddraait. En in dat geval zou de zon, als de magneet van onze eenheid, van het zonnestelsel als eenheid, de illusie wekken dat de planeten eromheen draaien, terwijl het allemaal één enkele eenheid in het grotere stelsel is.

GdeP – Ik begrijp wat u bedoelt. Ja, u heeft één aspect ervan te pakken. Ik zal dit eraan toevoegen: wanneer onze scheikundigen de werkelijkheid ontdekken van wat een scheikundig atoom is en bevat, zullen ze ook dit andere vraagstuk beter begrijpen. Tegenwoordig staan onze scheikundigen voor een groot raadsel door het feit dat de elektronen die het atoom samenstellen zich op de meest onberekenbare manier gedragen, zoals de scheikundigen in hun artikelen over dit onderwerp schrijven. Ze zeggen dat deze elektronen op bepaalde momenten overal lijken te zijn; ze lijken een baan te volgen om de protonische kern of de ‘zon’ van het atoom en toch lijken ze soms overal in hun eigen baan te zijn. Dus in plaats van een heel klein lichaam dat snel rond de protonische kern draait, lijkt een elektron een streep elektron-materie te zijn.

Als het elektron een ring rond de atomaire ‘zon’ is, in plaats van een heel klein lichaam dat een baan rond de protonische kern volgt, dan komt natuurlijk de omloop van een bolvormige planeet om de atomaire zon niet overeen met de banen van de planeten van ons zonnestelsel. Maar – en dit is het belangrijke punt – het is allemaal een kwestie van hoe men het probleem bekijkt. Onze planeten draaien in feite om de zon, maar die omloop is zo omdat ons bewustzijn het zich op die manier voorstelt – wat voor sommige denkers misschien hetzelfde is als te zeggen dat ze op zich niet om de zon draaien. Maar ik moet de hoop opgeven om in een paar woorden te proberen de feitelijke verklaring uiteen te zetten van wat ik hierover heb gezegd. Het is bijna onmogelijk om het kort te beschrijven. Het spijt me in feite dat ik het vanavond heb aangeroerd. Ik zal hierover nu vast allerlei vragen krijgen. Ik zal eenvoudig zeggen dat ik ze in deze groep niet kan beantwoorden.

Vr. – Enkele maanden terug beschreef u het feit dat de grote wijzen en zieners interplanetaire communicatie konden onderhouden. Ik vraag me af of ik op het juiste spoor ben met de volgende gedachte: laten we bijvoorbeeld een man als Beethoven nemen die prachtige melodieën hoort die, voorzover we weten, nooit eerder zijn gehoord; en hij schrijft ze op in een symbolische notatie die andere mensen kunnen lezen en weergeven als muziek. Is het mogelijk dat er interplanetaire communicatie plaatsvindt in de vorm van een vergeestelijkt denken? Heeft de communicatie enigszins het karakter van een hoogontwikkelde gedachte?

GdeP – Verwijst u naar de interplanetaire communicatie die plaatsvindt door diegenen die zijn getraind om dat te doen?

Vr. – Ja, ik heb het over de wijzen en zieners, niet over wetenschappelijke experimenten, maar over wijzen en zieners die hun geest naar de poorten van de zon projecteren. En ik vraag me af of het denken misschien een aanduiding is van de eerste stadia van die werkwijze.

GdeP – U kunt het een aanduiding noemen, maar in werkelijkheid omvat het veel meer dan ‘denken’ naar de zon, veel meer dan u voor te stellen dat u daar bent. Het is een werkelijk lokaliseren van het hogere deel van het bewustzijn van de ingewijde op de zon of maan of planeet, of misschien op een of ander deel van de aarde. Het is het feitelijk overbrengen van bewustzijn en wil. In feite is het hele wezen op dat moment daar – dat wil zeggen, het belangrijke en hogere deel van de constitutie is daar in zijn geheel.

Vr. – U heeft gezegd dat slaap en dood tweelingbroers zijn. Soms gaat men naar bed terwijl men zich helemaal niet moe voelt, men rust goed uit, slaapt zonder te dromen, en toch staat men ’s ochtends moe en uitgeput op. Mag ik vragen of er zogezegd een geestelijk verband is met zo’n toestand?

GdeP – Nee, dat denk ik niet. Ik zou de oorzaak van de toestand die u beschrijft niet aan het geestelijke deel van u willen toeschrijven. Ik denk dat ze het karmische gevolg moet zijn van omstandigheden die waarschijnlijk grotendeels werden veroorzaakt door de activiteiten van de voorafgaande dag, zowel de mentale als de lichamelijke. Het is geen ongewone ervaring dat iemand niet vermoeid naar bed gaat en een goede nachtrust heeft maar ’s ochtends vermoeid wakker wordt, terwijl hij, theoretisch gezien, verfrist zou moeten ontwaken. Dat is het karmische gevolg van de gedachten en emoties, en van de inspanningen van het lichaam, wat deze ook zijn geweest, van de voorafgaande dag. Mogelijk heeft hij ook te veel gegeten.

Vr. – Ik wilde u iets vragen over dit magische proces: we gaan vermoeid naar bed en worden uitgerust wakker. Ik heb het nooit volledig kunnen begrijpen. Voor mij is het elke keer een wonder om ’s ochtends verkwikt wakker te worden.

GdeP – Ja, het is iets wonderlijks. Je hebt mensen die ’s avonds voordat ze naar bed gaan zonder meer uitgeput en soms vermoeid en volkomen lusteloos zijn. Ze gaan naar bed; ze slapen; ’s ochtends zijn ze lichamelijk geheel hersteld, veranderd. Het is inderdaad iets magisch. Het geheim ervan ligt in de elektromagnetische krachten die in feite het lichaam opbouwen en die het, wanneer ze in balans zijn, gezond houden. Deze krachten bevinden zich in de astraal-atomaire structuur van het fysieke lichaam; en gezondheid is eenvoudig het evenwicht tussen het positieve en negatieve van zowel het magnetisme als de elektriciteit in het lichaam, en de manier waarop ze werken en samenwerken en zich vermengen is iets heel verbazingwekkends. Het is werkelijk magisch.

Vr. – Leven we niet te veel in de schaduw, en verliezen we daardoor niet onze mogelijkheden om waarlijk te leven? Ik bedoel dat we de materiële kant en schaduwkant van de natuur te veel aandacht geven, en we ons te weinig met edele zaken bezighouden, en door die fout onze mogelijkheden om waarlijk te leven verliezen.

GdeP – Ja, dat is heel juist. Dat is de werkelijke basis van de leringen van alle grote leraren van de mensheid. Ze vertellen u altijd: ‘Leef in uw hogere deel. Streef ernaar om uw grotere zelf te worden. Wees het.’ De tendens van de mensheid van tegenwoordig, vooral de mensen in het westen, is om in het lichaam te leven, in de dingen van de uiterlijke wereld te leven. Gewoonlijk hecht men daaraan de meeste waarde. ‘Hoeveel bezit hij?’ ‘Wat heeft hij geleerd?’ ‘Wat kan hij?’ Men vraagt bijna nooit: ‘Wie is hij?’ Zelden wordt de aandacht gericht op wie men innerlijk is. En als men belangstelling heeft voor dit meer edele aspect, staat het pragmatische denken niet zozeer stil bij het feit dat hij iets is, iets van buitengewone geestelijke en intellectuele waarde, maar houdt dit zich eerder bezig met: ‘Wat kan hij ermee?’ ‘Wat kan hij maken’ ‘Wat heeft hij gepresteerd?’ ‘Wat voor successen heeft hij behaald?’ ‘Wat heeft hij bereikt?’ – dit zijn allemaal weer inschattingen naar materiële maatstaven. Natuurlijk leidt dit alle aandacht, het hele bewustzijn, af van de innerlijke werkelijkheden van een mens, van de mens zelf. Neem dat ter harte. Het is een prachtige gedachte die u naar voren heeft gebracht.

Vr. – Ik wil graag teruggaan naar het vraagstuk van de dood en vragen of er een verschil is tussen de postmortale toestanden van een boodschapper vergeleken met die van de meeste mensen, en of u dit kunt illustreren door te verwijzen naar een van de drie boodschappers die aan u zijn voorafgegaan.

GdeP – Ja, er is een groot verschil, wat niet in tegenspraak is met het andere feit dat elk geval op zichzelf staat. Er zijn verschillen tussen de boodschappers zelf, zoals duidelijk zal zijn, omdat elk van hen een andere individualiteit heeft. In het geval van gewone mensen wordt de gebruikelijke regel van de postmortale karmische bestemming gevolgd. De regel is in grote lijnen dezelfde voor iedereen, maar in het geval van een boodschapper zijn de avonturen na de dood inderdaad heel verschillend. Waarschijnlijk is er een heel korte devachanische periode die door de natuur bijna wordt geëist, en dan begint onmiddellijk de terugkeer naar het werk.

In sommige gevallen zal de boodschapper ogenschijnlijk sterven, met andere woorden het lichaam dat in feite sterft verlaten, maar toch gaat de boodschapper devachan niet binnen, maar reïncarneert bijna onmiddellijk. Hij of zij verblijft een paar dagen, of weken, of zelfs maanden in de rusttoestand – dit is de beste manier waarop ik het kan beschrijven – in zijn eigen aurische ei, maar volledig bewust, een toestand die nauw verwant is aan maar niet identiek is met die van de nirmanakaya, en keert dan in een fysieke incarnatie terug om het werk voor de Grote Broederschap voort te zetten.

Er zijn ook voorbeelden van boodschappers die als individuen het ene lichaam verlaten als dat praktisch versleten is en de dood normaal gesproken heel snel zou zijn ingetreden, en een ander lichaam binnengaan, een kinderlichaam, of een lichaam dat is gestorven maar nog niet koud is, en dat lichaam weer tot leven brengen. In feite staat elk geval van een boodschapper op zichzelf. Het is niet mogelijk op uw vraag een algemeen antwoord te geven dat op alle gevallen precies van toepassing is.

Vrienden, ik denk dat we de bijeenkomst van vanavond nu moeten afsluiten. Goedenacht.

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 363-89

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag