19

Bijeenkomst op 26 augustus 1930

 

GdeP – Vrienden, ik ben nu gereed om vragen te beantwoorden.

Vr. – Er is ooit gevraagd hoe het kwam dat de dieren eerder verschenen dan de mens. Is het juist om aan te nemen dat de dieren geen dieren waren zoals we ze nu kennen, maar misschien etherische vormen die zich in het mineralenrijk en daarna in het plantenrijk hadden ontwikkeld, en die zich in een toekomstige ronde tot de menselijke vorm zullen ontwikkelen?

GdeP – Nee, dat is niet zo. Hoe komt u aan het idee dat de dieren eerder verschenen dan de mens?

Vr. – Ik heb het niet gelezen. Ik dacht dat mijn opmerkingen een mogelijke oplossing voor de vraag zouden kunnen zijn.

GdeP – Nee, integendeel. De zoogdieren zijn op een later tijdstip verschenen dan de menselijke soort en kwamen in feite uit de mens voort, en dat kwam omdat zowel de mens van nu en van vroeger als de zoogdieren hun oorsprong in de vierde ronde hebben.

De dieren lager dan de zoogdieren volgen ontwikkelingslijnen die teruggaan tot de derde ronde, en zelfs tot op zekere hoogte tot de tweede ronde van het huidige planetaire manvantara. De zoogdieren zoals deze nu bestaan zijn ontwikkelde afstammelingen van hun oorspronkelijke ouders, die ontstonden uit de mens van het derde wortelras van deze bol in deze vierde ronde. De mensen van die tijd waren nog niet de bewuste voertuigen geworden van de manasaputra’s, of zonen van het denkvermogen. Met andere woorden, het intellect had nog geen voertuig ontwikkeld door middel waarvan de verstandelijke vermogens zich in dat vroege ras konden manifesteren. Ook dat ras was in fysiek opzicht erg plastisch. Het was een half-astraal ras – tenminste in het begin. Over hun voortplantingsmechanismen kunt u in De Geheime Leer van HPB lezen.

De eerste wortelrassen op deze aarde tijdens deze vierde ronde brachten hun chhaya of astraal dubbel voort. Latere onderrassen plantten zich voort door zich in twee delen te splitsen. Nog later kwam knopvorming. Daarna gebeurde dit door het afwerpen van kleine delen van het fysieke lichaam van de mens, of de voortplanting vond plaats via sporen, of zaden, hoewel deze zaden in het begin heel groot waren. Op een later tijdstip, tijdens het eerste deel van het derde wortelras, kwam de tweeslachtige of hermafrodiete periode, die plaatsmaakte voor de geslachtelijke voortplanting zoals we die nu kennen.

Toen dit derde wortelras en – daarvóór – het laatste deel van het tweede wortelras zich voortplantten door delen van het eigen lichaam af te werpen, gebeurde dit doordat stukjes afbraken en uitgroeiden tot de grootte van hun ouder. De zoogdieren kunnen hun uiteindelijke oorsprong terugvoeren op dat feit, omdat bepaalde cellen die op die manier werden afgeworpen door de toenmalige mensheid om verschillende redenen niet uitgroeiden tot menselijke lichamen zoals die van hun ouders. De mensen van het vroege derde wortelras kunnen niet als ‘echte mensen’ worden beschouwd, omdat mensen zoals wij die nu kennen toen niet bestonden. Maar de cellen waarover ik sprak, groeiden niet uit tot andere mensen – zoals de mensen in die tijd waren – maar volgden de overheersende evolutielijn die bij deze cellen of groepen van cellen hoorde of daarin tot uitdrukking kwam. Het eerste begin van de zoogdieren kan op deze cellen worden herleid.

De dieren die vóór de zoogdieren – zoals het paard en de runderachtigen, de kat en de hond, enz. – komen en die lager staan dan de zoogdieren of niet zo ver ontwikkeld zijn, zijn eveneens ontstaan uit het vroege mensenras dat later de mensheid werd zoals wij haar kennen, maar deze dieren die lager stonden dan de zoogdieren hadden hun oorsprong in de voorafgaande of derde ronde. Toen deze lagere dieren voortkwamen uit wat later de mensheid werd, was die mensheid niet ‘menselijk’ zoals wij haar nu kennen. Met andere woorden, de ‘mens’ van de derde ronde was niet de hoogontwikkelde mens van deze vierde ronde, en ik heb het hier over de vierde bol in zowel de derde als de vierde ronde.

Zo vonden de dieren lager dan de zoogdieren hun oorsprong in dit ‘menselijke’ ras dat nog niet menselijk was geworden zoals wij het nu kennen. Zoals de zoogdieren in deze vierde ronde en tijdens het derde wortelras uit de mensheid voortkwamen, was dit ook het geval met de reptielen, de vissen, de schaaldieren, en in feite ook met de vegetatie, maar niet in deze vierde ronde. Het mineralenijk ontstond in de derde ronde en zelfs in de tweede ronde. Ook het plantenrijk ontstond in het laatste deel van de tweede ronde en in de derde ronde. De laagste dieren zoals de vissen, wormen, insecten, reptielen – alles beneden de zoogdieren – ontstonden eveneens in de derde ronde; ze werden in die derde ronde voortgebracht in en uit wat toen de levensgolf was die in deze vierde ronde werkelijk menselijk werd.

De moeilijkheid is dat wanneer we over ‘menselijk’ en ‘mensen’ spreken in verband met de leidende levensgolf van de derde ronde, en zelfs het vroege derde wortelras van deze ronde, dit woord ‘menselijk’ bij u onmiddellijk een verkeerde gedachte oproept, omdat we tot ongeveer het punt halverwege het derde wortelras in deze vierde ronde op deze vierde bol niet werkelijk menselijk werden zoals we dat nu zijn. Maar die raciale familie of levensgolf die werkelijk menselijk werd was de familie van onze verre voorvaderen, en daaruit zijn we geworden tot wat we nu zijn; maar die raciale familie was nooit een dierenfamilie.

Ik herhaal dat de dierenfamilies in het begin voortkwamen uit de leidende afstammingslijn, zowel in de derde als in deze vierde ronde, die uitmondde in de huidige mensheid. Deze afstammingslijn was de mens van die tijd, maar een mens die nog geen intellect had, hoewel hij geen dier was, maar toch geen verstandelijk denkende mens – niet een mens die verlicht is door het denkvermogen.

Een pasgeboren baby of een één of twee jaar oud kindje, bijvoorbeeld, is in ons huidige evolutiestadium menselijk, maar is nog geen mens. Het denkvermogen manifesteert zich nog niet. Het onderscheidingsvermogen heeft zich nog niet gemanifesteerd. De prachtige geheugenpaden zijn nog niet geopend in het denken van het kind; en toch is dit kind een wezen dat zich ontwikkelt om een volwassene, een mens, voort te brengen.

Tijdens die periode in de evolutie van de mensheid, die overeenkwam met haar kleutertijd of met haar eerste kinderjaren toen het denkvermogen in het ras nog niet actief was, ontstonden de zoogdieren in deze vierde ronde uit cellen of celgroepen die deze jeugdige mensheid op precies dezelfde manier van zich afwierp als die delen die ze van zich afwierp die zich ontwikkelden tot andere mensen die leken op hun ouders. Maar die specifieke cellen of celgroepen groeiden om een aantal redenen niet uit tot andere mensen, maar werden in hun ontwikkeling gestuit. Omdat de cellen toen net zo vol met leven waren als tegenwoordig, maar niet onder controle werden gehouden door het menselijke denken, kon elk zo’n cel of celgroep – als de kans zich voordeed, als daarvoor de juiste omstandigheden heersten, zoals toen het geval was, en er geen belemmeringen waren – zich ontwikkelen tot een entiteit die voortkwam uit wat als overheersende energie in die cel of celgroep besloten lag. Zulke lagere overheersende energieën die werkzaam waren in deze cellen die in hun ontwikkeling waren gestuit, brachten de eerste voorouders van de zoogdieren voort.

Zelfs nu zou de menselijke kiemcel zich tot een levende entiteit kunnen ontwikkelen – en zou dit waarschijnlijk ook doen – die tot bijna elke soort lager dan de mens zou kunnen behoren, indien ze niet in de overheersende greep werd gehouden van de vitaliteit en het denken van de mens, het bewustzijn van de mensheid, zodat haar inwonende cellulaire svabhava of karakteristiek strikt in bedwang wordt gehouden, en ze dus wordt gedwongen om de menselijke lijn te volgen. Op die manier zijn de dieren uit de menselijke ontwikkelingslijn ontstaan.

Ik zal proberen of ik dit iets duidelijker kan maken, omdat ik me erover heb verbaasd dat er over dit onderwerp zoveel misverstanden bestaan. Laten we in gedachten teruggaan naar de eerste periode van het derde wortelras. De fysieke voortplanting vond in die tijd plaats door wat in de biologie tegenwoordig knopvorming wordt genoemd: een klein uitgroeisel verscheen aan de oppervlakte van het lichaam en nam een vorm aan die enigszins leek op een puist of een gezwel. Dit uitsteeksel of deze knop groeide, zwelde, en na verloop van tijd zat hij slechts met een dunne draad vast aan het lichaam van zijn ouder. Deze draad werd geleidelijk dunner en kleiner, en tenslotte viel de knop af en begon zich onmiddellijk te ontwikkelen tot een entiteit precies gelijk aan zijn ouder.

Aan het eind van het tweede en aan het begin van het derde wortelras plantte de mens zich op deze manier voort. In de regel groeide de knop uit tot een wezen gelijk aan zijn ouder, maar niettemin leken zo nu en dan enkele van deze knoppen, om een aantal redenen, in hun ontwikkeling te worden gestuit in plaats van uit te groeien tot wezens zoals hun ouders; om een of andere reden was het voor hen niet mogelijk om hun ontwikkeling normaal voort te zetten, en in plaats daarvan vertakten ze zich tot een zijlijn en groeiden uit tot wat we nu waarschijnlijk ‘dieren’ zouden noemen. Heel veel van de dierenrassen uit die tijd zijn intussen uitgestorven. Enkele rassen die toen ontstonden, leven nog.

Zo ontstonden de zoogdieren in deze vierde ronde. Ze kwamen voort uit de menselijke ontwikkelingslijn, een feit dat ook erg voor de hand lijkt te liggen. De mens is tegenwoordig het verst gevorderd op aarde. Daarnaast is hij in fysiek opzicht het zwakst, en in zijn kinderjaren het meest hulpeloos. De mensenbaby is misschien de meest hulpeloze nakomeling van alle zoogdiersoorten. Hij zou niet kunnen overleven indien hij niet zorgvuldig werd verzorgd en beschermd, terwijl dierenjongen wanneer ze alleen worden gelaten in de meeste gevallen bijna vanaf het moment van geboorte voor zichzelf kunnen zorgen; maar de mensenbaby kan dat niet. De reden hiervoor is dat het grootste deel van de energieën van de innerlijke constitutie van de mens wordt verzameld om een geschikt onpersoonlijk voertuig te vormen, een voertuig vol uitdrukkingskracht, zodat de goddelijke luister van de innerlijke monade gemakkelijker haar transcendente geestelijke en verstandelijke vermogens kan manifesteren. Bij dieren is het tegenovergestelde het geval. De natuur probeert in het geval van de dieren om een krachtig astraal voertuig en een sterk fysiek lichaam te vervolmaken.

In een nog latere evolutieperiode van het derde wortelras werd door een mens van dit derde wortelras één grote cel uitgezweet, in plaats dat een enkele cel of celgroep zich door knopvorming afscheidde. Bedenk dat de omvang van een levende cel op zichzelf niet van wezenlijk belang is. Daarom waren sommige cellen in die periode van het derde wortelras heel groot, zo groot als een struisvogelei van nu, of misschien nog groter. Vergeet ook niet dat een ei een cel is, een typisch voorbeeld van een cel. In dat tijdperk ver in het verleden waren sommige cellen heel klein, zelfs microskopisch klein. Iedere cel was een levenscentrum, waarin bijna onnoemelijk veel mogelijkheden tot evolutionaire groei lagen besloten, wanneer ze eenmaal aan haar ontwikkelingspad was begonnen.

Met deze opmerkingen heeft u de sleutel tot het hele onderwerp. De zoogdieren ontstonden dus uit de vroege mensheid in deze vierde ronde. De entiteiten lager dan de zoogdieren ontstonden in de derde ronde op dezelfde manier, mutatis mutandis.

Wist u dat het fysieke lichaam van de tegenwoordige zoogdieren in bepaalde opzichten verder is ontwikkeld dan het menselijk lichaam? Dat is een feit. Het is meer specifiek ontwikkeld, maar staat niet hoger dan het menselijk lichaam. De evolutie van een lichaam betekent niet noodzakelijk algehele superioriteit. Evolutie betekent het naar buiten brengen van wat in de evoluerende entiteit latent aanwezig is, of die entiteit nu een god, een mens of een dier is. Wanneer ik zeg dat de zoogdieren specifiek verder zijn ontwikkeld dan het menselijk lichaam, bedoel ik dus dat ze in hun lijn van fysieke evolutie verder ontwikkeld zijn.

Neem bijvoorbeeld de lange waaiervormige oren van een olifant en zijn lange slurf, de verbazingwekkende staartvin van een vis, en de vleugels van een vleermuis. Hoewel de vleermuis geen vogel is maar een zoogdier, is hij misschien de meest volmaakte vlieger op aarde. Zijn vlucht is de snelste in zijn soort, en het meest geruisloos, het meest efficiënt, en toch is hij geen vogel. Of neem de walvis: dit is een geval van vergevorderde specifieke evolutionaire ontwikkeling. De walvis is geen vis hoewel hij op een vis lijkt. Hij is een zoogdier, maar leeft toch evenals een vis in het water.

Dit alles betekent ook dat het menselijk lichaam tegenwoordig het meest primitieve zoogdier op aarde is. Ook dat is een feit. Ik heb geprobeerd om deze leringen duidelijk uiteen te zetten in de lezingen die ik in 1927 in de Tempel in Point Loma heb gehouden, en die zijn verzameld en gepubliceerd in het boek, Theosophy and Modern Science.*

*Een vertaling van een herziene versie hiervan is uitgegeven onder de titel Mens en Evolutie, Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1982.

Bedenk dat de menselijke soort de oorspronkelijke soort was waaruit alle levende en niet-levende entiteiten op aarde voortkwamen. De menselijke soort was niet alleen de oorsprong van de zoogdieren maar ook van alle andere dieren en levende wezens die lager dan de zoogdieren staan. In nog eerdere ronden was de menselijke soort de oorsprong van de vegetatie. En in de eerste ronde wierp de etherische raciale soort die in de toekomst menselijk zou worden vanuit zichzelf het mineralenrijk, zoals we dat nu noemen, af. Zo ziet u dat alle entiteiten met elkaar zijn verbonden. Alle hangen onderling samen.

Vr. – De grote moeilijkheid ligt bij de overgang van de astrale toestand van het vroege derde wortelras naar de huidige fysieke mens en de huidige fysieke zoogdieren. HPB zegt dat de veertig ‘Stanza’s van Dzyan’ die in haar boek De Geheime Leer zijn weggelaten naar dit onderwerp verwijzen. Ik zou willen weten of we hierover iets meer duidelijkheid kunnen krijgen, omdat het het moeilijkste punt in onze hele filosofie is.

We kunnen het begin begrijpen zoals u het zojuist zo mooi heeft toegelicht, en we weten dat de alleroudste fysieke mensen in de Lemurische periode van de geologie bestonden. Maar de vraag is: hoe verdichtte de astrale mens zich en werd hij geleidelijk fysiek en onderworpen aan de fysieke zwaartekracht, waarbij zijn gewicht toenam vanuit de toestand van een astraal lichaam dat nu, denk ik, voor ons gewoonlijk onzichtbaar zou zijn? Het astrale lichaam is precies die schakel tussen de astrale en de fysieke mens, en tussen het astrale en het fysieke zoogdier. De vragen die de darwinisten ons stellen gaan bijna altijd daarover, en wat moeten we dan tegen hen zeggen? Dat punt is ons nog nooit duidelijk uitgelegd. Ik weet dat het een van de mysteries is, maar misschien kan er wat meer licht op worden geworpen.

GdeP – Als ik u goed begrijp, wilt u weten hoe de astrale mens een fysiek dier kan voortbrengen. Is dat de vraag?

Vr. – Niet precies. Hoe heeft hij eigenlijk kunnen leven? Ik doel op de schakel tussen de astrale en de fysieke toestand van hem. Op het moment dat hij iets op het fysieke gebied begon te worden, bestond hij nog niet in de gebruikelijke zin op het fysieke gebied, maar was hij iets ertussenin.

Het geval van de vleermuis dat u noemde, is natuurlijk een vraag die de wetenschappers voor een raadsel heeft gesteld. Een volledig ontwikkelde vleermuis werd gevonden tussen de oudste fossielen. Hoe kwam deze daar? Ze moet zich snel hebben verdicht. Maar we kunnen niet volledig begrijpen wat er plaatsvond tussen die oorspronkelijke toestand en de latere toestand. Over het samenkomen van deze twee toestanden is vele keren gesproken, maar we hebben er nooit een duidelijk beeld van kunnen vormen.

GdeP – Dat is heel eenvoudig als ik uw vraag goed begrijp. Het is allemaal een kwestie van steeds toenemende verdichting. Het eerste wortelras was zuiver astraal voor onze huidige fysieke zintuigen – de fysieke ogen van mensen van het vijfde wortelras van onze vierde ronde op onze tegenwoordige fysieke aarde. En de mens van het eerste wortelras op deze aarde tijdens de vierde ronde zou er even doorzichtig en dampvormig als een wolkensliert hebben uitgezien, misschien nog doorzichtiger. Het tweede wortelras was iets stoffelijker, iets dichter. Met het derde wortelras was dit nog meer het geval. De mens van het vierde wortelras was de meest grove, de meest verdichte, de meest stoffelijke van allemaal, zelfs stoffelijker dan wij nu zijn.

Als u een mens van het vierde wortelras opnieuw tot leven kon brengen en u zou hem vanavond deze zaal binnenbrengen, dan zou u een prachtig fysiek lichaam zien, misschien zeven of zeveneneenhalve meter lang. Hij zou in deze zaal niet rechtop kunnen staan. Wat u waarschijnlijk het meest zou opvallen zou de intense grofheid van zijn vlees zijn – de zware, grove, sensuele kenmerken van die fysieke mens; en toch zou hij een hoge, spirituele ingewijde van dat vierde wortelras kunnen zijn. Ik spreek nu alleen over het fysieke lichaam van het vierde wortelras.

Als u op dezelfde manier vanavond een mens van het derde wortelras deze zaal kon binnenbrengen zou hij – ik neem nu een periode tegen het einde van het derde wortelras – misschien wel achttien meter lang zijn, en zijn breedte zou daaraan evenredig zijn. Hij zou een reus zijn, en toch zou u zich misschien verwonderen over de opvallend etherische indruk die dit lichaam zou maken.

Als u vanavond iemand van het tweede wortelras kon binnenbrengen – wat u niet zou kunnen omdat die persoon dertig meter lang zou zijn of nog langer – zou u een dik wolkachtig lichaam voor u zien, dat bijna doorzichtig is. Misschien zou u er bijna doorheen kunnen kijken, zoals door een kwal. En wat betreft het eerste wortelras, als zo’n entiteit een uitsteeksel van haar fysieke lichaam zou vormen – want het eerste wortelras had helemaal niet onze menselijke vorm – dat naar deze zaal kon worden gebracht, dan zou het er misschien uitzien als een doorschijnende, doorzichtige wolkensliert die naar binnen was gedreven.

De rassen werden van het eerste tot en met het vierde wortelras steeds stoffelijker, en wij, het vijfde op de opgaande boog, zijn iets etherischer geworden dan het vierde wortelras. U ziet dus dat de verandering geleidelijk plaatsvond. Toen de zoogdieren uit de mensheid van het derde wortelras voortkwamen, waren ze even etherisch als de mensen van dat wortelras. Zij waren niet de grove, zware dieren van tegenwoordig. De mensen van het vroege derde wortelras waren niet de grove, zware fysieke mensen van nu. Is uw vraag hiermee beantwoord?

Vr. – Ja, voorzover we het antwoord kunnen begrijpen.

GdeP – Laten we de fysieke ontwikkeling van een mens van tegenwoordig als voorbeeld nemen. Ik zal u daarover iets vertellen. Zelfs tegenwoordig bestaat een kind, wanneer het als embryo begint te groeien, uit verdichte astrale substantie. Die astrale substantie wordt langzaam vaster, gaat er steeds fysieker uitzien, naarmate het menselijke embryo verder groeit tot het als baby wordt geboren. Iedereen weet dat het vlees van een baby zachter schijnt te zijn dan het vlees van een volwassene. De gerimpelde huid van een volwassene, bijvoorbeeld, verschilt volkomen van de zachte, fijne, gladde huid van een pasgeboren baby.

Indien ik uw vraag niet heb beantwoord, stel deze dan nog eens, want het is soms heel moeilijk om vragen te begrijpen die zoals uw vraag lang en ingewikkeld zijn. Ik weet ook hoe moeilijk het is om dat soort vragen kort en helder te stellen.

Vr. – De echte moeilijkheid ligt natuurlijk in het exacte moment van het fysiek worden, als men het zo kan noemen. Het werd bijvoorbeeld in een bepaalde periode nodig om andere vruchten of andere dieren te eten, of iets dergelijks, maar moeten we ons voorstellen dat ze vóór die tijd astrale vruchten of astrale dieren aten?

GdeP – Ja, in zekere zin, maar ze hoefden niet te eten zoals we dat nu moeten doen.

Vr. – Dat is iets wat HPB heel zorgvuldig vermijdt te zeggen. Ze heeft dat specifieke punt niet besproken.

GdeP – Ik denk niet dat ze het vermeed. De zaak lijkt voor de hand te liggen.

Vr. – Ze zegt dat in haar Geheime Leer veertig stanza’s ontbreken, en u heeft de leemte heel mooi aangevuld.

GdeP – Laat ik dit eraan toevoegen. Ik denk dat ik nu beter begrijp wat u in gedachten heeft. De aarde bevond zich in haar vierde ronde toen onze mensheid van de vierde ronde verscheen, maar ze verscheen als een astrale mensheid. Tijdens het eerste, tweede en vroege derde wortelras at de mens niet zoals de mens van het vierde wortelras, en ook niet zoals wij dat nu doen. Tegen het einde van het derde wortelras begon de mens te eten, maar de manier waarop de eerste, tweede, en vroege derde wortelrassen voedingsstoffen in het lichaam opnamen was door osmoseendosmose – bijna op de wijze waarop we tegenwoordig onszelf door middel van onze longen voeden. Beseft u niet dat lucht voedsel is? U neemt de zuurstof op uit de lucht evenals u uw maag vult met water, of groenten, of graanproducten, waarna het spijsverteringsproces begint; door dit prachtige proces neemt het lichaam precies dat op wat het werkelijk nodig heeft – wat trouwens niet veel is. Zoals onze longen voedsel aan de lucht onttrekken, zo werd in de eerste periode van het derde wortelras de gehele fysieke mens van die tijd door de omringende atmosfeer gevoed. Maar dit veranderde snel na de eerste periode van het derde wortelras. Toen het lichaam van de mens van het derde wortelras, fysiek gesproken, grover werd, zich verdichtte, maar in etherisch opzicht zwakker werd, begon het tijdens de lange, lange perioden die voorbijgingen, de dieren die al op aarde waren te imiteren – vooral de zoogdieren, maar ook tot op zekere hoogte de vissen en reptielen. Met het dagen van intelligentie kwamen waakzaamheid en het vermogen tot waarneming. De mens begon te begrijpen wat er om hem heen gebeurde, en bekeek dit met zijn verstand, en zei tegen zichzelf – in de woorden van de Stanza’s die HPB gebruikte – ‘Kom, laten wij doen zoals zij (de dieren) doen’ (GL 2:207). Zo begonnen ze te eten en te drinken.

Vr. – Het wordt me nu duidelijk. Dit vormt een toelichting op veel zaken waarover ik heb nagedacht maar die ik nooit zo duidelijk heb begrepen.

Vr. – Ik wil graag twee vragen stellen, en iets aan u voorleggen wat ik in verband met de eerste vraag heb uitgewerkt, maar ik weet niet of het juist is. Mijn vraag is: Welk verband is er tussen een layacentrum en een monade, of het nu een monade van een planeet, een zon of een mens betreft?

Ik dacht dat wanneer een monade naar een andere sfeer moet gaan om zich te manifesteren, ze tot een layacentrum wordt aangetrokken. Als dit zo is, moet er een karmische band tussen die twee zijn. Brengt de monade eerst het layacentrum tevoorschijn, en als de cyclische tijd voor haar manifestatie aanbreekt, volgt deze manifestatie dan daarna? Neemt ze vervolgens, terwijl haar manifestatie voortduurt, het layacentrum weer in zich op, en is het layacentrum dan een beginsel van de monade? Dat is mijn eerste vraag.

GdeP – U heeft een aantal verschillende ideeën naar voren gebracht. Het layacentrum is niet buiten een monade. Elke monade is zelf in zijn kern een layacentrum.

Een layacentrum is het mystieke punt waar etherische materie de fysieke wereld binnengaat of waar fysieke materie deze wereld verlaat en omhooggaat naar een hogere wereld, bijvoorbeeld de astrale wereld. Elk layacentrum is het centrum waaromheen een entiteit is gebouwd, of die entiteit nu een zon, een planeet of een mens is, of de kiem van een plant of wat dan ook. ‘Laya’ komt van de Sanskrietwortel li, die ‘oplossen’ betekent. Het wordt zo genoemd omdat het het punt is waar fysieke materie oplost of etherisch wordt gemaakt en etherische stof op het astrale gebied wordt, maar hetzelfde proces vindt via hetzelfde layacentrum in omgekeerde richting plaats vanuit de astrale naar de fysieke wereld.

Vr. – Dit opent nieuwe wegen voor het denken. Maar als het layacentrum dit punt is waaromheen de monade bouwt, wat is het dan? Is het een beginsel?

GdeP – Het layacentrum is niet zozeer een punt waaromheen de monade bouwt, maar een eigenschap van de kern van de monade zelf. Begrijpt u het nu?

Vr. – Ja, dat is iets anders.

GdeP – De monade is geen fysieke, concrete entiteit, die van al het andere kan worden gescheiden. Ze is een bewustzijnscentrum. Dit zijn diepgaande vragen.

Vr. – Is het niet de monade zelf in een bepaald stadium of aspect?

GdeP – Het is de monade zelf, maar niet in een bepaald stadium, want het layacentrum is er altijd. Het layacentrum is in feite geen punt in de ruimte die een plaats is. Het is een eigenschap of een toestand. Dat is misschien het beste woord – een toestand van de kern van de monade die het mogelijk maakt dat de karakteristieke energieën van de monade op een bepaald moment door de kern van die monade opstijgen of afdalen. U krijgt bijvoorbeeld een spirituele impuls, u wordt door een verheven gedachte verlicht. U zou uw denken in verwarring brengen als u die inspiratie of die gedachte zou proberen te lokaliseren. Ze is in u. Ze is een deel van u. Ze is een toestand van uw bewustzijn. Ze is een spirituele gedachte en maakt deze zichtbaar doordat ze als een straal uw hersenverstand is binnengedrongen, en dat hersenverstand heeft verlicht. Deze toestand van ‘omhooggaan’ of ‘naar beneden gaan’ is wat het layacentrum wordt genoemd – ‘centrum’ betekent niet zozeer een plaats maar een bewustzijnscentrum, een toestand of staat van bewustzijn.

Het is een spiritueel denkbeeld en het is geheel onjuist om het als een fysieke entiteit te zien. Een zon is bijvoorbeeld rond een layacentrum gebouwd. U zou met evenveel recht kunnen zeggen dat een zon rond een geestelijk hart is gebouwd. U kunt met evenveel recht zeggen dat dit geestelijke hart een toestand van de essentie van de monade is waarin zowel een opstijgen als een afdalen plaatsvinden, misschien beide tegelijkertijd, waarbij het lagere door aspiratie overgaat in het hogere, of het hogere tijdens de evolutie op soortgelijke wijze ‘afdaalt’ naar het lagere.

Probeer u door wat ik zojuist heb gezegd voor te stellen wat een layacentrum is. In één betekenis van het woord is het niet ver van de waarheid om het als een wiskundig punt te zien, het centrum van uw bewustzijn. Het punt van het Zelf en het essentiële layacentrum zijn eeuwig. Het essentiële layacentrum is slechts een andere manier om te zeggen dat het essentiële zelf van een entiteit eeuwig is.

Laten we nu proberen een stap verder te gaan. Waarom zou bijvoorbeeld een zon – en dezelfde vraag kan men stellen met betrekking tot een mens, of een planeet, of iets anders – een bepaalde vorm hebben? Waarom bevindt hij zich in een bepaald deel van de ruimte? Dit wordt verklaard door karma, de gevolgen van de toestanden die hieraan zijn voorafgegaan. Het layacentrum ‘bevindt zich’ niet in een deel van de ruimte dat het niet kan verlaten. Evenals het bewustzijn u in gedachten naar de uiterste grenzen van onze eigen melkweg kan voeren, zo reist de zon over de snelwegen van de ruimte en volgt de circulaties in het heelal. Hij draagt zijn layacentrum met zich mee. Op dezelfde manier draagt een mens terwijl hij over de aarde reist zijn layacentrum bij zich. Hij is het zelf. In één opzicht is het de kern van zijn wezen.

Beschouw een layacentrum als een kanaal tussen het hoge en het lage, tussen geest en substantie. Wanneer een mens boven de grove hartstochten van de doorsnee mens uitstijgt en een halfgod op aarde wordt, gebeurt dit omdat hij door zijn layacentrum naar verhevener innerlijke gebieden is opgestegen. Hij heeft zijn zelfbewustzijn verheven, en dit is een feitelijke verplaatsing van energieën en substanties van laag naar hoog; het vindt plaats via het layacentrum, de kern van zijn wezen, zijn essentiële zelf, zijn essentiële individualiteit.

Vr. – Komt het kernlichaampje van een cel overeen met het layacentrum van die cel, het centrum van bewustzijn en activiteit?

GdeP – Ja, in zekere zin. Evenals het kernlichaampje van een cel het punt vertegenwoordigt waardoor de binnenkomende en zich ontwikkelende individualiteit van de toekomstige entiteit komt of gaat, zo vindt hetzelfde plaats in het layacentrum van een mens, een zon, of elke andere entiteit. Het is een redelijk goed voorbeeld, denk ik. Het layacentrum van een cel, zoals u heeft aangegeven, kan op het fysieke gebied worden voorgesteld door het kernlichaampje – niet dat het fysieke kernlichaampje het layacentrum zelf is, maar zijn manier van werken komt overeen met die van het layacentrum. Uit het kernlichaampje komen alle dingen voort waarvan het het lot is om zich uit die cel te ontwikkelen.

Vr. – Kan een layacentrum worden omschreven in het kader van Einsteins theorie over het ruimte-tijd continuüm, en kan het een bijzondere scheidslijn zijn in dat continuüm?

GdeP – Ik denk dat dat abstract gezien mogelijk is, maar het layacentrum betekent heel wat meer dan dat. Het is eerder een spiritueel dan alleen maar een metafysisch begrip, hoewel het dat ook is. Uw voorbeeld is in één opzicht niet verkeerd. Ik heb in gesprekken met medetheosofen gemerkt dat ze het layacentrum bij hun studie het moeilijkste onderwerp vinden, en ik kan goed begrijpen waarom.

Maar bedenk dat zoals een ego zich manifesteert door middel van de hersenen en het fysieke lichaam, die plaatsgebonden uitdrukkingen van de individualiteit zijn, ook het layacentrum van een entiteit zich uitdrukt door middel van concrete plaatsgebonden vormen. Dit geeft een verklaring voor het feit dat entiteiten worden opgebouwd door samengestelde groepen atomen rond een centrum of kern die het layacentrum is. Daarom is het layacentrum de kern van de entiteit, en kan men in deze betekenis van het woord zeggen dat een layacentrum op de lagere gebieden zoals de astrale en fysieke gebieden een plaats of positie inneemt, maar zo’n plaats of positie is geen vast punt in de abstracte ruimte waarvandaan het zich niet kan verplaatsen.

Vr. – Hebben de woorden ‘involutie’ en ‘evolutie’ enige betekenis in verband met het layacentrum?

GdeP – Ja, dat is volkomen juist. Involutie en evolutie vinden plaats via het layacentrum van een entiteit, en deze twee werken altijd samen.

Vr. – Op de vorige bijeenkomst beloofde u dat u ons aan de hand van schema’s iets heel interessants over de bollen zou vertellen. Ik heb de gelegenheid aangegrepen om een vraag voor te bereiden, die daarbij misschien van pas komt.

In hoofdstuk 3 van De Oceaan van Theosofie spreekt W.Q. Judge Sinnetts bewering tegen dat de zeven bollen van de aardketen ‘elkaar niet doordringen maar alleen door magnetische stromingen met elkaar zijn verbonden’. Judge verklaart dat ze zijn verenigd tot één geheel en elkaar doordringen, hoewel ze natuurlijk van substantie verschillen. Hij haalt De Geheime Leer aan om zijn standpunt tegenover Sinnett te ondersteunen. In het ES-verslag van 13 februari 1930 zegt u ook dat de bollen samen één geheel vormen.

Maar in het KTMG-verslag van 12 augustus en bij een eerdere gelegenheid wees u nadrukkelijk erop dat de zeven bollen in de ruimte werkelijk zijn gescheiden; u gebruikte, geloof ik, de woorden ‘verspreid liggen’. Het is duidelijk dat er een verborgen betekenis is die in die tijd noch in De Geheime Leer noch in De Oceaan van de Theosofie kon worden gepubliceerd. Kunt u dit onderwerp nu wat meer toelichten?

GdeP – Dat dit toen niet werd gepubliceerd, kwam eenvoudig omdat het zo moeilijk te begrijpen is voor mensen die niet zijn getraind om deze moeilijke onderwerpen te bestuderen.

De zeven bollen van onze aardketen – en dezelfde opmerkingen zijn van toepassing op elke zonne- of planeetketen – zijn met elkaar verenigd tot een levend geheel, maar ze zijn niet van dezelfde substantie. Ze vormen een geheel, maar zijn geen eenheid. Ze zijn zeven verschillende en afzonderlijke bollen die in verschillende delen van de ruimte bestaan, wat niet betekent dat ze ver uit elkaar liggen want ze doordringen elkaar en vormen één geheel. Het fysieke lichaam van een mens vormt als geheel een verzameling van verschillende organen die door één leven met elkaar zijn verbonden, of één verzameling levenskrachten die zelf één overheersende intelligentie in zich bevatten die haar invloed uitoefent op quintiljarden lagere kleinere entiteiten op atomair en cellulair niveau, die allemaal zich ontwikkelende intelligenties zijn; en toch bevindt een arm zich niet op de plaats van een oog, en een voet niet op de plaats van de mond. Hetzelfde geldt voor de zeven bollen van de planeetketen.

HPB geeft de planeetketen meestal op de volgende manier symbolisch weer:

Dat is de manier waarop ze de zeven bollen van een planeetketen gewoonlijk weergeeft en met elkaar in verband brengt: de bollen A, B, C, D, E, F en G. Maar de bollen bestaan niet in de ruimte zoals ze in dit symbolische diagram zijn afgebeeld. Vanuit één gezichtspunt, dat ook heel juist is, kunnen ze als volgt worden afgebeeld:

Stel u zeven concentrische sferen of cirkels voor. Ze zijn alle met elkaar verbonden rond een layacentrum of hart, voorzover het een planeetketen betreft. Toch heeft elke bol zijn eigen individuele layacentrum, en verder is de bol in het centrum de fysieke bol, en de buitenste is wat u de meest geestelijke bol kunt noemen of bol G. Een heel groot bezwaar tegen deze weergave van de zeven bollen is dat onmiddellijk de vraag opkomt: maar waar is bol A? U ziet dan de moeilijkheid. Dit is een bezwaar tegen deze manier om de zeven bollen af te beelden. Daarom was de keuze van HPB veel beter, omdat deze liet zien dat de twee hoogste bollen zich op één kosmisch gebied bevinden; dat de twee volgende en lagere bollen zich op het volgende en lagere kosmische gebied bevinden; dat de twee nog lagere bollen zich bevinden op het volgende en lagere kosmische gebied; en één bol, onze bol D, bevindt zich op het laagste of zevende kosmische gebied. Deze weergave in de vorm van zeven concentrische cirkels is niettemin waardevol omdat ze nadrukkelijk wijst op het idee van de onderlinge samenhang van alle bollen, terwijl ze laat zien dat ze alle met elkaar zijn verbonden in één entiteit, en toch zijn ze zeven afzonderlijke bollen.

Laten we nu een andere invalshoek nemen. Probeer deze twee diagrammen te vergeten, die van de zeven concentrische cirkels en die van de zeven bollen zoals HPB ze weergaf in haar diagram dat doet denken aan een halssnoer met zeven parels. Laten we een ander diagram proberen, waarin we de zeven bollen min of meer willekeurig maar op verschillende gebieden plaatsen, met één bol, bol D, als de laagste bol die onze aarde voorstelt. We hebben nu een derde symbolisch diagram.

Laten we deze cirkels bol A, B, C, D, E, F en G noemen. Dit diagram zou als illustratie evengoed zijn, indien we wilden benadrukken dat het zeven afzonderlijke bollen zijn die in de ruimte verspreid liggen, en dat is juist. Toch zijn ze alle onderling verbonden en vormen één geheel, en elke bol heeft een andere graad van stoffelijkheid. Geen twee van deze bollen bestaan uit stof van precies dezelfde graad. Bijvoorbeeld A en G hebben niet dezelfde graad van ijlheid, hoewel ze zich op hetzelfde kosmische gebied bevinden. Als we deze laatste weergave van de zeven bollen volgen, begint de levensgolf haar evolutie op bol A, daalt af naar bol B, gaat dan over naar bol C, en komt dan tenslotte op bol D, vandaar gaat ze over naar bol E, langs de opgaande boog naar bol F, en beëindigt haar ronde op bol G. En wat gebeurt er dan? Ik kan hier slechts kort zeggen dat er nog drie bollen zijn waarover nooit wordt gesproken, waarmee we op een totaal van tien bollen komen.

Vr. – Is er een soort overkoepelend patroon waardoor ze worden bijeengehouden?

GdeP – Niet zozeer door een overkoepelend patroon als wel door karmische banden. U kunt zich van deze dingen eenvoudig niet een juist beeld vormen vóór u uw denken zuivert van fysieke gelijkenissen of fysieke overeenkomsten. Er zijn zeven afzonderlijke bollen. Deze zeven bollen bestaan op de vier laagste van de zeven kosmische gebieden. Onze bol D bestaat als enige op het laagste of zevende kosmische gebied. De twee bollen die hoger zijn dan onze bol D of aarde bestaan op het volgende en hogere kosmische gebied – ofwel, naar beneden geteld, op het zesde gebied. De twee bollen die hoger zijn dan deze bestaan samen op het vijfde kosmische gebied, als we naar beneden tellen, en de twee hoogste bollen van onze keten, A en G, bestaan, naar beneden geteld, op het vierde kosmische gebied.

Is het niet heel duidelijk door wat ik zojuist heb gezegd dat deze vier kosmische gebieden met hun respectieve bollen alle onderling verschillen? Bedenk ook dat deze zeven bollen niet de zeven beginselen van de planeetketen zijn. Elke bol is een substantiële entiteit, maar niettemin blijft er een zekere analogie tussen de zeven beginselen van de mens of van het heelal, en de zeven bollen van de keten. Desondanks zijn de zeven bollen niet de zeven beginselen van de planeetketen, omdat elke bol zijn eigen zeven beginselen heeft. Ik herhaal dat de bollen niet slechts één bol in zeven verschillende graden van stoffelijkheid of ijlheid zijn, en bedenk ook dat deze bollen elkaar tot op zekere hoogte doordringen. Misschien is dit voor u moeilijk te begrijpen.

Vr. – Dat wilde ik juist vragen.

GdeP – Deze bollen doordringen elkaar tot op zekere hoogte, maar dat betekent niet dat ze allemaal één bol in zeven verschillende toestanden of stadia van substantie zijn. Ze doordringen elkaar omdat elke bol een atmosfeer heeft, evenals onze fysieke bol een atmosfeer heeft waarmee de wetenschappers bekend zijn, en die we de dampkring noemen. Maar onze bol heeft nog een andere atmosfeer, een astrale atmosfeer, die zich in alle richtingen tot duizenden kilometers ver uitstrekt, niet bijvoorbeeld slechts 190 of 200 kilometer of zoiets, wat volgens wetenschappers het bereik is van onze fysieke dampkring, maar een vitaal-astrale atmosfeer, een etherische atmosfeer, die zich duizenden kilometers in de ruimte uitstrekt, en daardoor raakt aan en een schakel vormt met de volgende twee hogere bollen. Dezelfde regel die voor onze aarde geldt, gaat op voor alle andere zes bollen.

In feite zijn de zeven bollen van onze keten slechts een kopie in het klein van de zeven heilige planeten van het zonnestelsel – ‘de zeven heilige planeten’ van de Ouden. Zoals deze zeven heilige planeten in de ruimte verspreid liggen, waarbij elk haar eigen omloopbaan volgt, maar toch in onze leringen als de ‘zeven heilige planeten’ met elkaar zijn verbonden, en in hun evolutie nauw met elkaar samenhangen, zo zijn ook de zeven bollen van onze planeetketen in hun evolutie met elkaar verbonden om een planeetketen te vormen. Ze staan in nauw verband met elkaar, maar in het geval van de zeven bollen van de planeetketen bestaan ze niet uit dezelfde substantie. Niettemin geldt hier precies hetzelfde principe als bij de zeven heilige planeten van de Ouden.

Elk van de drie verschillende schetsen diende om één aspect of één zienswijze van de planeetketen van zeven bollen en hun onderlinge verbanden en relaties te illustreren. Elk diagram is daarom onvolmaakt omdat het onvolledig is, en daarmee is elk diagram een onvolmaakte voorstelling. Niettemin is elk ervan juist in die zin dat daardoor een idee aan u wordt duidelijk gemaakt. Vergeet nooit dat een schematisch diagram in het occultisme moet worden gezien als iets dat een idee verduidelijkt, en niet als een fotografische weergave van een bestaande situatie. Met andere woorden, al dergelijke diagrammen zijn symbolisch.

Het diagram met de zeven concentrische cirkels legt de nadruk op het idee van nauwe onderlinge verbondenheid. De manier waarop HPB het afbeeldde benadrukt het idee van de zeven verschillende en afzonderlijke bollen. Het diagram dat ik als laatste heb getekend, beklemtoont het idee dat de zeven bollen van de planeetketen in de ruimte verspreid liggen en niet moeten worden gezien als een halsketting met de symmetrische vorm van een halve cirkel.

Vr. – Om terug te komen op de analogie tussen de mens en de aardbol. U zegt dat de verschillende fysieke en astrale bollen in de ruimte gescheiden zijn. Maar bij de mens zijn ze toch niet gescheiden?

GdeP – Dat zijn ze wel, omdat u ongetwijfeld verwijst naar de zeven beginselen van de mens, want de mens bestaat niet uit zeven planetaire bollen.

Vr. – Ik dacht dat het fysieke was gebouwd op het astrale, en dat het fysieke het astrale doordringt.

GdeP – Dat is ook zo, maar het zou beter zijn te zeggen dat het astrale het fysieke doordringt; en dit gebeurt bijna op dezelfde manier als dat de bollen elkaar doordringen.

Vr. – En zijn we op die manier gescheiden?

GdeP – U vraagt, denk ik, of onze beginselen van elkaar gescheiden zijn? Het antwoord is in zekere zin, ja, hoewel alle voortkomen uit één bron. Elk beginsel is het kind van het volgende en hogere beginsel, en ze zijn allemaal samengesteld uit de substantie van het aurische ei met zijn verschillende lagen van substantie.

Neem bijvoorbeeld de atman. Hij doordringt al uw beginselen. In feite doordringt ieder beginsel alle andere. Ze doordringen elkaar allemaal. Uw buddhi bevindt zich niet in uw hersenen, want ze is daar niet gelokaliseerd. Ze omgeeft u als een invloed, een sfeer, en doordringt tevens alle beginselen die lager staan dan zij. Ze strekt zich honderden, zelfs honderdduizenden kilometers buiten u uit. De atman in u strekt zich in feite uit van de zon tot de aarde. Ik bedoel die van u, en ook die van mij. Maar alle beginselen brengen hun energieën tot uitdrukking in de verdichte of geïndividualiseerde entiteit die het aurische ei wordt genoemd. In zijn laagste vorm is het de laatste uitdrukking op het stoffelijke gebied van de zes verzamelde beginselen, of liever de verzamelde energieën van de zes beginselen. Laat ik hieraan toevoegen, beste vrienden, dat u één bent hoewel u toch ver uiteen zit!

Vr. – We hebben nu al deze verschillende voorstellingen die ons verschillende ideeën geven. De vraag komt in me op of we het allemaal werkelijk kunnen begrijpen zolang we niet zijn ingewijd.

GdeP – Dat kunt u niet. Dat is volledig juist. Uw opmerking is heel relevant. Ik heb u vaak erop gewezen dat iets alleen werkelijk kan worden gekend, werkelijk kan worden begrepen, door het te worden.

Tijdens inwijding wordt u getoond hoe u tijdelijk het ding of de wezens of entiteiten die u moet leren kennen of begrijpen kunt worden, of, beter gezegd, u wordt ertoe gebracht om deze te worden. Tijdens sommige inwijdingen gaat de waarnemende entiteit, het waarnemende ego of bewustzijn, naar de onderwereld en wordt in feite een gekwelde ziel om te weten wat dat betekent. Het kan tijdelijk naar de zon gaan om een god te worden, een zonnegod, om te weten wat dat betekent. Het gaat de planeten Venus, Mars, Mercurius, Jupiter, Saturnus, enz., binnen en u wordt tijdelijk in uw bewustzijn één met dat waarheen u gaat, zodat u kunt weten en begrijpen, door het te zijn, door het enige tijd te worden.

U heeft bijvoorbeeld een huisdier, een hond. U kijkt ernaar, u bestudeert hem, u merkt zijn grappige streken op, u ziet hem spelen, en uw hersenverstand geeft u een vage en algemene indruk van zijn bewustzijn. Maar om die hond echt te kennen, van binnenuit om zo te zeggen, zou u die hond een tijdje moeten worden, terwijl u intussen uw eigen individuele bewustzijn als waarnemer behoudt.

Vr. – Ik heb begrepen dat we tot het laatste deel van het derde wortelras van deze vierde ronde nodig hadden om mensen te worden zoals we nu zijn, verstandelijke wezens. Ik vroeg me af of we er net zo lang voor nodig zullen hebben tijdens de vijfde ronde en de zesde ronde, enz., want we zijn reeds door al deze ervaringen heengegaan. Hebben we weer zoveel tijd nodig om hier doorheen te gaan tijdens de volgende ronden? Zullen we in de zevende ronde niet in staat zijn om deze binnen te gaan als zelfbewuste wezens in plaats van eerst door het hele proces van evolutie in het mineralen-, planten- en dierenrijk heen te gaan? Of zullen we moeten wachten totdat we de tiende bol bereiken?

GdeP – Nee. U stelt een heel intelligente vraag. In feite is elke ronde een beetje korter dan de eraan voorafgaande ronde, en de zevende ronde is het kortst van allemaal. De reden is dat de entiteit zijn eindexamen nadert van de school die de planeetketen is. Na zoveel eonen van jaren als het ware in het leslokaal te hebben gestudeerd, na bedreven te zijn geworden in de daar geleerde lessen, legt de entiteit zijn laatste examens betrekkelijk gemakkelijk en snel af, en gaat veel sneller en gemakkelijker dan in de eraan voorafgaande ronden door de laatste of zevende leerfase heen. Bovendien herhaalt een entiteit na de eerste ronde, tijdens elke nieuwe ronde waar ze doorheen gaat, heel snel wat ze eerder heeft meegemaakt, en te beginnen met de vijfde ronde, de volgende ronde, brengt de menigte menselijke monaden heel korte tijd door in alle rijken lager dan het mensenrijk.

Vr. – Kunt u ons dan zeggen waar we doorheen moeten gaan in de achtste, negende en tiende ronde?

GdeP – Nee, helaas kan ik dat niet vertellen.

Vr. – Mag ik een vraag stellen?

GdeP – Over de bollen?

Vr. – Ja. Uit uw toelichtingen maak ik op dat de zeven bollen van de keten alle tegelijk ontstonden. Is dat juist?

GdeP – Nee, dat is niet zo.

Vr. – Dit is waar het om gaat: geeft bol A van de maanketen zijn energie aan bol A van de aardketen?

GdeP – Dat is juist.

Vr. – Over het onderwerp inwijding: is het voor degene die de inwijdingsrituelen doormaakt mogelijk om naar de andere bollen van de aardketen te gaan, zijn bewustzijn daarheen te sturen?

GdeP – Dat is precies wat er in de vierde graad van inwijding gebeurt.

Vr. – Kunnen de invloeden van de hogere bollen van de keten – E, F en G – onze huidige aarde doordringen?

GdeP – Dat doen ze voortdurend, en naarmate een mens deze hogere of meer spirituele trillingssnelheden kan voelen of opvangen, is hij wat gewone mensen een edel mens noemen. Een zesde-ronder is in feite iemand van wie het bewustzijn niet alleen tot de zesde ronde behoort – of beter gezegd, hij komt overeen met wat de gemiddelde mens in de zesde ronde op deze aarde zal zijn – maar zijn bewustzijn is zoals dat van de bewoners van de zesde bol. Er is een analogie tussen al deze verschillende ontwikkelingsstadia.

Vr. – Indien bol D van de maanketen geleidelijk verdwijnt, wat gebeurt er dan met bol E? Indien bol D van de maan bol D van de aardketen voortbracht, wat doet bol E van de maan dan?

GdeP – Ook hij verdwijnt geleidelijk. Alle zeven bollen van de maanketen vallen langzaam uit elkaar, elk op zijn eigen gebied.

Vr. – Met andere woorden, ze gingen alle tegelijkertijd in pralaya?

GdeP – Ze gingen alle in pralaya, maar niet tegelijkertijd. Bol A van de maanketen ging als eerste zijn pralaya in. Hij werd gevolgd door bol B die al zijn levensessenties en krachten en energieën in de ruimte uitstortte, en geleidelijk het layacentrum vormde dat bestemd was om bol B van de aardketen te worden. Intussen begon bol B van de maanketen uiteen te vallen, en dit proces zette zich voort langs de hele maanketen.

Vr. – Is bol C van de aardketen dan nu min of meer in pralaya?

GdeP – Bedoelt u de bol die voorafgaat aan onze huidige bol D van de aardketen? Bol C is niet in pralaya, maar in obscuratie. Er is een groot verschil tussen pralaya en obscuratie. Pralaya betekent desintegratie. Obscuratie betekent rust, slaap, inactiviteit. Wanneer iemand sterft gaat hij in pralaya – dat wil zeggen, zijn fysieke lichaam sterft. Wanneer iemand slaapt, is het fysieke lichaam in obscuratie.

Een ras kan vele keren in obscuratie zijn voordat het tenslotte sterft of in pralaya gaat. Het mineralenrijk zoals we dat kennen op onze tegenwoordige bol D is nu in obscuratie. Het plantenrijk zoals het nu bestaat op onze bol D is in obscuratie, maar niet zo volledig als het mineralenrijk. Het dierenrijk zoals het nu bestaat is net begonnen aan zijn periode van ronde-obscuratie. Uit wat ik heb gezegd blijkt waarom het mineralenrijk zo bewegingloos is. Het plantenrijk is in iets mindere mate in obscuratie, en is niet zo onbeweeglijk als de mineralen. En het dierenrijk begint aan zijn periode van obscuratie, en is daarom actiever dan de twee andere lagere rijken. Het mensenrijk is als rijk helemaal niet in obscuratie, hoewel rassen gedurende een korte periode in obscuratie kunnen zijn.

Daaruit volgt dat wanneer het mineralenrijk in zijn periode van activiteit is, het veel actiever is dan het huidige mineralenrijk op onze bol D. Als ik u zou zeggen dat u de rotsen zou zien bewegen en kruipen, wanneer het mineralenrijk volledig actief is, begrijpt u de gedachte misschien. En ik wijk niet ver van de waarheid af als ik u zeg dat het plantenrijk, bijvoorbeeld, wanneer het volledig actief is, véél actiever is dan ons plantenrijk zoals het nu op aarde bestaat. Bijvoorbeeld, u zou misschien de bomen hun takken zien bewegen bijna zoals mensen hun armen bewegen: ze zouden naar de aarde reiken, dingen oppakken, voorbijgaande entiteiten omwikkelen en omsluiten, en soortgelijke dingen doen. Zelfs nu zijn er op aarde bepaalde planten die vliegen vangen. Dat feit zal u een idee geven van wat ik probeer aan te duiden.

Zo is het ook met een mens wanneer hij overdag wakker is. Hij is actief, beweegt zich, loopt rond; hij is met allerlei dingen bezig. ’s Nachts is hij in obscuratie, hij slaapt. Zijn lichaam rust dan, beweegt soms; het ademt, het bloed stroomt, hij draait zich misschien om in bed, hij mompelt misschien een paar woorden, hij droomt misschien, maar het lichaam als geheel is in obscuratie. Zo is het ook met deze rijken. Wanneer het mineralenrijk actief is en niet zoals nu op aarde in obscuratie is, is enorme vulkanische activiteit een van de manieren om zijn energieën tot uitdrukking te brengen. Als u daarbij zou kunnen zijn zou u de aarde werkelijk ritmisch zien bewegen, omhoogkomen en omlaaggaan, bewegen, stromen, alsof ze leeft.

De wetenschappers die niet in de oude wijsheid geloven en die er niets over weten, en die de intuïtie niet hebben om deze dingen te begrijpen, denken dat het mineralenrijk dood is omdat het zo onbeweeglijk is, zo betrekkelijk bewegingloos. Dat is niet zo. Het leeft, maar het slaapt. Bovendien is het mineralenrijk zoals het nu bestaat de sishta, of het verst ontwikkelde deel van de evolutionaire activiteit van de mineralen waaraan toen een einde kwam; daarna werd het mineralenrijk slapend achtergelaten. Hetzelfde geldt voor het plantenrijk. Wat er tegenwoordig van de planten over is zijn de sishta’s, of overblijfselen – de laatste, de hoogst ontwikkelde entiteiten, voordat het plantenrijk zijn periode van een min of meer, maar niet geheel, volmaakte obscuratie inging. En wanneer de volgende periode van activiteit van de mineralen aanbreekt, zullen de huidige mineralen, of beter gezegd de mineralen zoals ze dan zullen zijn – praktisch dezelfde als nu – beginnen te bewegen, beginnen te ontwaken, een begin maken aan een periode van mineralenactiviteit. Iets dergelijks gebeurt met het plantenrijk. Zoals u ziet, zijn het allemaal raderen binnen raderen. Alles leeft. Alles is bezield. Sommige dingen slapen, sommige dingen zijn wakker.

Soms gaat een hele planeet in obscuratie. Dat is nu het geval met de planeet Mars. Maar ik moet er ook op wijzen dat de periode van obscuratie bij geen enkele planeet voortduurt tot de levensgolf door alle volgende bollen is heengegaan, vervolgens zijn interplanetaire nirvana ingaat, en daarna op bol A, B en C komt en dan bol D weer bereikt. Ik bedoel dat onze bol D, wanneer hij in obscuratie is, niet zó lang in obscuratie blijft. De reden hiervoor is dat er levensgolven zijn die elkaar opvolgen, en elke levensgolf bestaat uit groepen entiteiten.

Onze menselijke familie is een van die groepen. Wanneer we bol D hebben verlaten, zal bol D in obscuratie gaan, maar hij zal niet in obscuratie blijven tot onze menselijke familie haar rondgang heeft gemaakt door de bollen E, F en G, het interplanetaire nirvana is ingegaan, en dan in de vijfde ronde weer afdaalt via de bollen A, B en C. Onze bol D zal niet al die tijd in obscuratie wachten; wanneer we hem als menselijke familie hebben verlaten, zal een andere groep monaden op onze bol D binnenkomen.

U ziet dus dat er groepen van evoluerende entiteiten elkaar in elke ronde opvolgen, en dat ze allemaal de zeven bollen doorlopen. De ene groep komt na de andere, en elk zo’n groep laat haar sishta’s, haar overblijvers, achter – de hoogst ontwikkelde vertegenwoordigers die deze specifieke groep tot op dat moment heeft voortgebracht. Ze blijven op aarde als kweekplaats van zaden tot het moment dat deze groep in de volgende ronde terugkeert.

Vr. – Zijn de lagere rijken al in obscuratie omdat we ons voorbereiden om bol D te verlaten?

GdeP – Nee. Ze zijn in obscuratie omdat hun levensgolven geheel of gedeeltelijk zijn overgegaan naar de hogere bollen. Op dit moment is dat volledig het geval voor het mineralenrijk, en voor een groot deel voor het plantenrijk, en slechts gedeeltelijk voor het dierenrijk. De entiteiten van het dierenrijk zijn nog maar pas begonnen om over te gaan naar bol E – de bol die volgt op onze bol D. Daarom staat het dierenrijk nog maar aan het begin van zijn obscuratieperiode. De monaden die dat dierenrijk samenstellen, beginnen de aarde te verlaten, en gaan naar de volgende en hogere bol. Het mensenrijk zal hetzelfde doen wanneer tegen het eind van het zevende wortelras de tijd om deze bol D te verlaten zal zijn gekomen. Het zal beginnen met voorlopers die onze bol D verlaten en overgaan naar bol E, en dat overgangsproces zal voortduren totdat alle monaden van de menselijke familie onze bol D hebben verlaten en naar bol E zijn gegaan, met uitzondering van de sishta’s, de overblijvers – diegenen die zijn achtergebleven om als zaden te dienen voor onze menselijke familie wanneer ze in de volgende of vijfde ronde opnieuw naar bol D komt.

Vr. – Ik snap het. Mag ik ook vragen wat het verschil is tussen pralaya en nirvana?

GdeP – Het verschil is heel groot! Het zijn twee volkomen verschillende dingen. Pralaya betekent ontbinding, desintegratie. Nirvana betekent een stadium van evolutie of vervulling dat zo hoog en spiritueel is dat alle menselijke eigenschappen van een mens halfgoddelijk zijn geworden, en dit kan tijdelijk of blijvend zijn al naar het geval, omdat het zelfs nu voor een edele, geestelijk ingestelde mens mogelijk is een tijdelijk nirvana te ervaren. Zo’n tijdelijk nirvana is trouwens een van de meest verheven ervaringen van de zesde inwijdingsgraad. De mahatma’s ervaren dat.

Nirvana is dus een toestand. Pralaya betekent sterven, dood, ontbinding, desintegratie.

Vr. – Kan men deze toestand van nirvana ervaren zonder dat de uiterlijke vorm wordt vernietigd?

GdeP – Ja, zeker.

Vr. – Ik heb me afgevraagd of de vormen blijven bestaan wanneer een bolketen na zijn volledige cyclus van ronden nirvana ingaat, of dat ze na het nirvana opnieuw worden gevormd als de maanketen.

GdeP – Uw vraag wordt beantwoord door wat er gebeurde met de maanketen aan het einde van de zevende ronde van de maan. Alle entiteiten van de tien klassen van monaden die aan het einde van de zevende maanronde aan die maanketen leven en kracht hadden gegeven, gingen over naar de zeven layacentra om de zeven nieuwe bollen van de planeetketen aarde op te bouwen. Maar wat er van de maanketen overbleef bestond uit de laagste monaden van het mineralenrijk, die de zeven stervende lichamen van de zeven bollen van de maanketen samenstelden.

Later, terwijl de eeuwen verstreken en de maanketen verder uiteenviel, kwamen deze laagste mineralenmonaden naar de nieuwe aardketen. Terwijl het lichaam van de maan uiteenvalt gaan de atomen ervan naar de aarde, en hierop doelt HPB wanneer ze zegt dat de aarde helemaal doordrenkt is van slechte maaninvloeden. Haar opmerking kan op twee manieren worden uitgelegd: psychisch, waar ik hier niet op in kan gaan; en fysiek, zoals ik zojuist heb geprobeerd toe te lichten. De atomen van de uiteenvallende maan gaan naar de aarde en brengen alle invloeden en elementen van verval en dood, die in de maanketen actief zijn, met zich mee.

Vr. – Houdt wat u over de vitaliteit van het mineralenrijk heeft gezegd verband met de oude geomantie die met behulp van stenen werd beoefend, waarover HPB schrijft? Kunt u ons iets zeggen over de schommelende stenen en hoe men deze gebruikte?

GdeP – De schommelende stenen waren iets heel anders. Die stenen liet men schommelen door het uitoefenen van magische krachten die ieder mens in zich heeft, maar slechts weinig mensen weten hoe ze die moeten gebruiken – en gelukkig maar! Als u bijvoorbeeld zou weten hoe dit moest, zou u de macht hebben om het dak van deze kamer één, drie of vijftien meter recht omhoog te heffen – om het van zijn bevestiging aan de muren los te rukken. Door de uitoefening van uw wilskracht zou u de schuifdeur daarginds naast u kunnen sluiten. U zou het kunnen laten regenen, en zonder veel moeite.

De wilskracht van een mens is een magisch instrument van ongekende krachten. De door u genoemde stenen liet men door middel van wilskracht schommelen. Men had ze zo geplaatst dat ze konden schommelen, en wanneer de magiër die wist hoe dat moest zijn innerlijke psychische en geestelijke krachten vrijmaakte, kon hij wonderen verrichten – en dat deed hij ook.

Vr. – Speelden deze stenen een belangrijke rol in de geestelijke cyclussen, of waren de schommelende stenen eenvoudig een soort verschijnsel?

GdeP – Door witte magiërs werd nooit, of uiterst zelden, op deze manier van de psychische en halfgeestelijke krachten van de mens gebruikgemaakt. Ze werden gebruikt door magiërs die in de meeste gevallen toen probeerden te doen wat hun voorouders van het vierde wortelras deden – de grote magiërs van het vierde wortelras – namelijk om mensen en omstandigheden te beheersen door de latente krachten in de mens te gebruiken, en in feite te misbruiken, door deze aan te wenden voor materiële in plaats van spirituele en verstandelijke doeleinden. Dit geldt voor de meeste maar niet voor alle gevallen.

Vr. – Dit geldt toch niet voor de stenen die de Egyptenaren gebruikten voor verdoving?

GdeP – Nee zeker niet. Er waren vanzelfsprekend uitzonderingen. Zelfs nu gebruiken de witte magiërs fysieke middelen wanneer deze geheel onpersoonlijk zijn, en een doel dienen dat zo goed en noodzakelijk is dat er een gegronde reden voor is.

Vr. – Is deze kracht van de meesters om gebruik te kunnen maken van de energieën van de natuur niet gebaseerd op het feit dat die energieën natuurlijke, levende entiteiten zijn? Is dit niet gebaseerd op het feit dat ze tijdelijk die entiteiten zijn, en hen beheersen door die kracht in het heelal die naar vereniging streeft – door liefde? Kan de witte magiër die energieën van de natuur ertoe brengen hem van dienst te zijn omdat hij heeft geleerd hoe hij dat moet doen, omdat een deel van zijn wezen, zijn liefde, hen is binnengegaan?

GdeP – Dat is altijd het geval bij de witte magiërs. De broeders van de schaduw gebruiken dezelfde natuurkrachten voor andere doeleinden. De broeders van de zon, de witte magiërs, gebruiken precies dezelfde krachten, en vaak op dezelfde manier, maar uitsluitend voor onpersoonlijke en heilige doeleinden. Hun handelingen worden precies zoals u zegt ingegeven door de liefde voor hun medemensen. Daarin ligt het verschil tussen zwart en wit – tussen de witte broeders en de broeders van de schaduw. In het ene geval wordt de handeling ingegeven door onpersoonlijke liefde; het doel is edel, onpersoonlijk, om goed te doen. En in het geval van de broeders van de schaduw is het motief slecht.

Vr. – Ik wil graag een paar vragen stellen die met elkaar verband houden. Is het juist om te denken dat het elementalenrijk op bol A in de eerste ronde de manifestatie was van wat wij nu zijn – ik bedoel dezelfde wezens die de huidige mensheid vormen?

GdeP – Ja, dezelfde entiteiten die zich toen in de vorm van elementalen manifesteerden. U heeft het echter over het elementalenrijk. Vergeet niet dat er drie elementalenrijken zijn – dat wil zeggen, drie klassen van elementalen.

Vr. – Daar heb ik niet aan gedacht. Ik zou niet weten welke van de drie. Mijn volgende vraag is: op bol A in de eerste ronde was er een mensheid bestaande uit mensen. Was die mensheid de sishta van het vorige manvantara, en hebben ze zich inmiddels tot dhyan-chohans, of goden ontwikkeld?

GdeP – Wat bedoelt u als u zegt: ‘Zijn zij de sishta van het vorige manvantara’?

Vr. – Wel, als ze naar de aarde kwamen . . .

GdeP – Wie kwamen er naar de aarde?

Vr. – Die mensen die in de eerste ronde naar bol A kwamen. Ze kwamen naar de aarde als ontwikkelde mensen. Ze moeten in een eerder manvantara hebben geleefd en zich hebben ontwikkeld om dat stadium te hebben bereikt.

GdeP – Helemaal juist. Ze waren geen sishta’s. De term sishta’s wordt alleen gebruikt voor entiteiten die achterblijven op een bol van een keten aan het einde van een ronde door die keten. Ik denk dat ik uw eerste vraag, die niet erg duidelijk was, niet goed heb begrepen. De drie elementalenrijken verschenen inderdaad als eerste op bol A, maar die elementalen waren niet de entiteiten die tijdens de vierde ronde op onze bol mensen werden.

Het eerste rijk dat verschijnt, wanneer er door evolutie een nieuwe planeetketen ontstaat, zijn de drie elementalenrijken die voor de toekomstige keten het aanvangswerk verrichten of de eerste schetsen maken. Direct na hen komen de dhyan-chohans van de vorige keten die dan de leiding nemen, en die daarna het verloop van de evolutie in die keten tijdens de opeenvolgende zeven ronden leiden en besturen. Niettemin gaven dezelfde dhyan-chohans in zekere zin leiding aan het voorafgaande inleidende werk van de drie elementalenrijken door deze te overschaduwen of te inspireren – ongeveer zoals een architect het plan voor een toekomstig gebouw op papier zet op basis waarvan de arbeiders daarna beginnen met het leggen van de fundering.

Onder deze dhyan-chohans die op die manier te werk gaan – en zij bestaan ook uit zeven, in feite tien, klassen – bevonden zich de entiteiten die tijdens de vierde ronde volledig menselijk werden; en deze entiteiten zijn wijzelf. Er zijn tien klassen van wezens die de maanketen verlieten toen die maanketen stierf, te beginnen met de elementalen en in waardigheid opklimmend tot aan de hoogste dhyan-chohans; en elk van deze tien klassen van monaden heeft haar eigen werk te doen bij de opbouw van de toekomstige aardketen.

Wat is uw volgende vraag?

Vr. – In De Geheime Leer wordt gezegd dat de hemelse mens alleen in de eerste ronde een mens wordt op bol A, en opnieuw een mineraal, een plant en een dier wordt op de bollen B, C, enz. Maar dat de evolutie in de tweede ronde haar werkwijze volledig verandert. Kunt u ons zeggen hoe ze in de tweede ronde verloopt?

GdeP – Dat is een heel diepzinnige vraag, en het antwoord hierop zou heel lang zijn. Ik probeer woorden te vinden, zonder dat het er al te veel zijn, die een duidelijk antwoord op uw vraag geven. Bol A wordt eerst gevormd door de drie elementalenrijken die zijn overgekomen van de maanketen, en die schetsmatig aangeven hoe die bol A moet worden – ze maken als het ware een schets rond het layacentrum waardoorheen ze tot activiteit afdalen. Ze worden gevolgd door de verst ontwikkelde entiteiten van de vroegere maanketen, die daarna als dhyan-chohans, of goden, de directe leiding op zich nemen van de vorming van de nieuwe planeetketen. Elementalenrijk nummer 1 verschijnt als eerste en bouwt het eerste elementalenrijk op bol A. Wanneer zijn werk is gedaan, laat het zijn sishta’s of overblijvers achter, en gaat langs de schaal één graad omlaag om te beginnen met de vorming van de eerste elementale schets van bol B. Wanneer het eerste elementalenrijk op bol A op die manier zijn werk daar heeft voltooid en naar bol B is gegaan, komt het tweede elementalenrijk naar bol A, en doorloopt zijn eigen zeven wortelrassen van activiteit. Wanneer deze wortelrassen zijn geëindigd laat het zijn sishta’s achter, en gaat over naar bol B. Tegelijkertijd stuurt bol B, die deze impuls van de instromende elementalen van rijk nummer 2 voelt, elementalenrijk nummer 1 door, dat daar werkzaam is geweest, en dat nu zijn sishta’s op bol B achterlaat, en één stap naar beneden gaat om de eerste elementale schets van bol C op te bouwen.

In ons denken keren we nu terug naar bol A: wanneer het tweede elementalenrijk zijn werk op bol A heeft voltooid, komt het derde elementalenrijk naar bol A, en dan doen de elementalen op bol B en C ieder een stap vooruit of naar beneden, en het eerste elementalenrijk begint daarop met de vorming van de elementale schets van bol D. Wanneer dit derde elementalenrijk van bol A zijn zeven wortelrassen of zeven perioden van activiteit op bol A heeft doorlopen, komt het mineralenrijk naar bol A en doorloopt zijn zeven wortelrassen, en wanneer het daarmee klaar is laat het zijn sishta’s achter en gaat naar bol B, die is opgebouwd door de eerste drie elementalenrijken die aan het binnenkomende mineralenrijk voorafgingen. Het derde elementalenrijk was tegelijkertijd eraan begonnen om bol B te verlaten en over te gaan naar bol C. Het tweede elementalenrijk verlaat tegelijkertijd bol C om over te gaan naar bol D. En het eerste elementalenrijk dat zich heeft beziggehouden met het opbouwen van de elementaire schets van bol D gaat tegelijkertijd verder om hetzelfde werk op bol E te doen. En zo trekken deze rijken verder, waarbij het ene volgt op het andere, tot alle bollen zijn geschetst en de eerste ronde is voltooid. Aan het einde van deze eerste ronde dat plaatsheeft op de zevende bol zijn alle zeven rijken tijdens deze eerste ronde door de planeetketen heen gegaan.

Vr. – Ja, maar het mensenrijk op bol A – wordt dat niet door de dhyan-chohans geschapen, brengen zij dit niet tot aanzijn?

GdeP – Ja, ze brengen het tot aanzijn. Maar wij, die het mensenrijk op deze bol D van onze vierde ronde werden, waren op de maanketen geen mensen.

Vr. – Ik begrijp het. De dhyan-chohans waren op de maanketen mensen.

GdeP – Diegenen die de dhyan-chohans van de aardketen zijn, waren op de maanketen het mensenrijk. Wij die het mensenrijk op deze keten zijn, zullen de dhyan-chohans van de volgende keten zijn.

Vr. – Is het mensenrijk op bol A een van de eerste menigten van mensen die van de maanketen hierheen kwamen?

GdeP – Dat is juist. Zij waren de dhyan-chohans, het vroegere mensenrijk op de maanketen, die de zeven ronden van de maanketen hadden voltooid, en ze vormden tijdens de eerste ronde het mensenrijk op bol A van de aardketen. De eerste ronde is nu kort geschetst.

Tijdens de tweede ronde verandert de hele procedure op belangrijke punten, omdat alle toekomstige evolutielijnen nu gereed zijn en klaarliggen, en vanaf dat moment volgen de levensgolven of klassen van monaden elkaar van bol naar bol, de ene na de andere, ongeveer zoals treinen iedere dag na elkaar een groot Centraal Station in een wereldstad verlaten – en iedere ‘dag’ is in dit geval een ronde in de planeetketen.

Die lijnen zijn totstandgekomen door het werk van de zeven klassen dat tijdens de eerste ronde werd verricht, en daarna volgen alle klassen van wezens in de sporen die dus al zijn getrokken en voorbereid, en op hen liggen te wachten.

Vr. – Heeft u ons niet een keer verteld dat de dhyan-chohans in de eerste ronde mensen werden?

GdeP – Ja, dat worden ze ook. Ik kan hieraan toevoegen dat dhyan-chohans een heel algemene term is die ‘geestelijke entiteiten’ betekent. ‘Dhyan-chohans’ betekent ‘heren van meditatie’, en verwijst naar het geestelijke deel van de constitutie van elke entiteit: god, mens, dier, plant, mineraal, elementaal. De geestelijke delen van een rijk zijn de dhyan-chohans, om welk rijk het ook gaat; zo is ook het geestelijke deel van de tegenwoordige mens een dhyan-chohan, hoewel deze zich nog niet duidelijk door middel van het menselijke voertuig manifesteert.

Aan het eind van de zevende ronde van de aardketen zal het menselijke voertuig zo zijn vergeestelijkt dat het in staat zal zijn om op een goede en geschikte manier de transcendente krachten van de innerlijke god te manifesteren. Als we spreken over de dhyan-chohans die van de maanketen komen en die de aardketen opbouwen, heeft de uitdrukking ‘dhyan-chohans’ wanneer ze op deze manier in algemene zin zonder enige kwalificatie wordt gebruikt, betrekking op alle zeven (of tien) klassen van entiteiten.

Maar wanneer u de klassen specificeert dan moeten we spreken over de drie elementalenrijken, het mineralenrijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk, en bovendien drie rijken die hoger staan dan het mensenrijk, en deze laatste drie waren de drie hoogste klassen van dhyan-chohans die de maanketen na de laatste of zevende ronde van de maanketen hadden verlaten.

Vrienden, ik geloof dat het nu tien uur is. U heeft vanavond verheven onderwerpen aangesneden, en ik vraag me af of ik uw vragen wel goed heb kunnen beantwoorden.

Vele stemmen – Uitstekend!

GdeP – Ik hoop het. Soms wanneer u de zaal verlaat, vraag ik me af hoeveel beter ik het had kunnen uitleggen als ik over een grotere taalbeheersing beschikte.

Houd het volgende in gedachten voordat we vanavond uiteengaan. Het algemene patroon van de planeetketen en haar evoluerende entiteiten is niet moeilijk te begrijpen, en daarom streef ik voortdurend ernaar om u eerst een overzicht te geven. Voor het denken zijn de details van de werkingen van de levende krachten van de natuur verwarrend. Die zijn inderdaad ingewikkeld, zoals in het fysieke lichaam van de mens. Bedenk hoe wonderbaarlijk de constitutie van de mens is, hoe prachtig, hoe ingewikkeld, opgebouwd uit ontelbare entiteiten, ieder een levende entiteit, een lerend, groeiend wezen! – met zijn geestelijke natuur, zijn psychische, zijn astrale, zijn fysieke natuur; en toch werken al deze entiteiten samen om de menselijke constitutie te vormen die een microkosmos of kleine wereld is. De mens is zo eenvoudig wanneer we hem in het algemeen beschouwen, en zo wonderlijk ingewikkeld en complex wanneer we de kronkelende zijwegen en paden van zijn constitutie volgen. Denk u eens in wat gezondheid is: een wonderlijk evenwicht van de krachten van het menselijke mentale, psychische, astrale en fysieke wezen. Het lijkt zo gemakkelijk gezegd, zo gemakkelijk te begrijpen, maar toch, indien we zouden analyseren wat we bedoelen als we spreken over het ‘evenwicht van de krachten’ in de fysieke mens zouden we ons met een wirwar van wonderlijke gedachten gaan bezighouden!

Ik denk dat we de bijeenkomst nu moeten afsluiten.

[Luiden van de gong. Stilte.]

Vrienden, vergeef me alstublieft als ik niet in staat ben geweest al uw vragen volledig te beantwoorden. Bedenk twee dingen: ten eerste dat het mij niet is toegestaan sommige van de gestelde vragen volledig te beantwoorden, maar het is mijn plicht een antwoord te geven dat waarheidsgetrouw is, en tegelijkertijd geen sleutels bekend te maken die ik u niet mag geven. Ten tweede dient u te bedenken dat ik vaak heel moe ben wanneer deze bijeenkomsten plaatsvinden, en ik heb het gevoel dat ik, hoe goed ik ook mijn best doe, er niet volledig in ben geslaagd om zelfs die vragen te beantwoorden waarop u het recht heeft een antwoord te ontvangen. Dus vraag ik u mij te vergeven en geduld met mij te hebben; door geduld, en door samen te studeren, zullen we elkaar op zijn minst enkele waardevolle dingen leren en steun van elkaar krijgen. Uw liefde en uw vertrouwen in mij helpen me enorm. Ik denk ook dat de liefde die ik voor u allemaal heb, en het vertrouwen dat ik in u allemaal heb, iets is dat u in uw hart en in uw denken kunt dragen en dat dit u zal helpen.

Ik wens iedereen een goede nacht.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 521-52

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag