5

Bijeenkomst op 22 januari 1930

 

GdeP – Zijn er nog vragen?

Vr. – Mijn vraag gaat over wat er in De Geheime Leer staat over het begin van de evolutie van de mensheid op deze aarde: Werden de ‘zonen van het denkvermogen’ opgeroepen om te reïncarneren in de vormen die voor een deel voor hen waren gereedgemaakt? Ik zou willen weten of deze ‘zonen van het denkvermogen’, de manasaputra’s, met die vormen werden vereenzelvigd, of bleven ze als een overschaduwende invloed bestaan en werden ze later vereenzelvigd met de godheid van de entiteiten die zich daarna ontwikkelen. Kunt u me volgen?

GdeP – Ik geloof van wel. Maar de door u gestelde vraag, of liever de vorm waarin u die heeft gesteld, bewijst dat het karakter en de aard van de manasaputra’s of ‘zonen van het denkvermogen’, zoals ze worden genoemd, niet geheel juist worden begrepen. De manasaputra’s zijn de ziel-entiteiten of de entiteiten die de graad van ziel hebben bereikt, entiteiten die aan het eind van het voorafgaande manvantara een staat hebben bereikt tussen een godheid en een elementaal bestaan. Ze bevonden zich in de schoot van de monaden en rustten in hun nirvana, en kwamen opnieuw uit de monadische essentie tevoorschijn toen het punt in de evolutie van de mensheid werd bereikt waarop een geschikt voertuig om het denkvermogen tot uitdrukking te brengen, de mentale vermogens, enz., was geëvolueerd. Toen ‘daalden ze af’ en verlichtten de mens. Begrijpt u de gedachte, of is dit nog niet helemaal een antwoord op uw vraag?

Vr. – Ja, dat wel. Maar het is me nog niet helemaal duidelijk of ze als een overschaduwende invloed bleven bestaan: of het proces van de verlichting van de denkvermogens van de groeiende entiteiten was als het aansteken van de ene kaars aan een andere, of dat de zonen van het denkvermogen zich vereenzelvigden met de groeiende, evoluerende entiteiten.

GdeP – Bedoelt u de evoluerende voertuigen?

Vr. – Ja, de voertuigen.

GdeP – Nee, want als ze zich zouden vereenzelvigen, zou dat betekenen dat de zonen van het denkvermogen en de evoluerende entiteiten een en dezelfde zijn. De manasaputra’s overschaduwen en verlichten de menselijke tempels waarin ze hun stromen van spiritueel vuur hebben gezonden, of beter van quasi-spiritueel vuur, buddhisch vuur.

De mens is een samengestelde entiteit. Hij is samengesteld uit een aantal samenkomende bundels van krachten: de spirituele, die uitgaat van het goddelijke; de spiritueel-intellectuele, tot welk levensgebied de manasaputra’s behoren. Deze manasaputra’s die de opkomende mensheid overschaduwden vóór ze waren geïncarneerd, voedden de zich langzaam evoluerende voertuigen op tot een bepaald niveau, tot het menselijke stadium. Deze voertuigen overschaduwden ze vanaf het begin, maar ze waren daarin nog niet werkelijk geïncarneerd. Er was geen vereenzelviging.

Vr. – Dank u.

GdeP – Vraag het nog eens als het antwoord u nog niet geheel bevredigt, omdat uw vraag heel belangrijk is.

Vr. – Als ik een andere vraag stel die hiermee verband houdt, helpt dat misschien om het onderwerp te verduidelijken. Wanneer de mens uiteindelijk een bepaald stadium van geestelijke evolutie heeft bereikt, dan – zo begrijp ik het – is hij zich ervan bewust dat hij zijn eigen godheid van aangezicht tot aangezicht ontmoet.

GdeP – Ja.

Vr. – Wat die godheid betreft die als het ware zijn gids voorstelt: vindt er daar een vereenzelviging plaats met de overschaduwende zonen van het denkvermogen?

GdeP – Nee, omdat de overschaduwende zonen van het denkvermogen juist zij zijn die vooruitkomen, die in toenemende mate zelfbewust worden door middel van hun voertuigen en hun evolutie. Hun eigen innerlijke geestelijke vuur, de god vanbinnen manifesteert zich in steeds grotere mate. Deze innerlijke god is niet de manasaputra, maar het goddelijk-geestelijke boven de manasaputra – het is de ouder van de manasaputra.

Hoewel het woord monade ‘eenheid’ betekent, is ze in feite een samengestelde entiteit. Ze is samengesteld uit ten eerste een centraal vuur – een bewustzijnscentrum dat, bij wijze van spreken, een punt of atoom is van het kosmische leven, onsterfelijk en eeuwigdurend. Ten tweede wordt dit innerlijke centrum omgeven door gewaden, door sluiers, die voertuigen zijn waardoor het zich op de lagere gebieden uitdrukt. Een van deze voertuigen lager dan de innerlijke god is de manasaputra, de zoon van het denkvermogen. Laatstgenoemde is in zekere zin het kind, het voortbrengsel van de innerlijke god. U bent een geïncarneerde manasaputra. De manasaputra’s manifesteren zich en hebben zich gemanifesteerd als geestelijke zielen in de astraal-fysieke voertuigen.

Vr. – Ja, ik begrijp het. In feite is er dus een vereenzelviging van de manasaputra en de ziel die bij hem hoort, maar ze worden niet vereenzelvigd met het voertuig. Zit het zo?

GdeP – Nee, niet helemaal. De manasaputra is de kern van de individualiteit, is het egoïsche centrum zelf. Het voertuig is alleen een gewaad waardoor hij zichzelf tot uitdrukking brengt.

Vr. – Dan zullen er, wanneer we onze evolutie in deze ronde hebben voltooid, geen twee zijn? Er is niet èn de manasaputra die ons overschaduwde èn wijzelf, maar we zijn één. Is dat de gedachte?

GdeP – We zijn wat?

Vr. – Zijn wij de manasaputra’s?

GdeP – Ja, dat zijn we.

Vr. – De manasaputra die kwam en ons overschaduwde?

GdeP – Ja.

Vr. – De evolutie vond dus in feite plaats voor de vorm. Is dat zo?

GdeP – Voor het voertuig, niet voor de vorm, want het voertuig heeft vele vormen. Maar de manasaputra evolueert zelf ook op zijn eigen gebied.

Vr. – Ik bedoel het voertuig. Wat wordt er door zo’n evolutie dan bereikt? De manasaputra blijft dezelfde. Ik bedoel, is er niet een extra entiteit als gevolg van deze evolutie?

GdeP – Nee, zeker niet. Maar begrijp eerst dat de krachten van de manasaputra nog lang niet volledig in ons worden gemanifesteerd. De manasaputra is een straal uit de monadische essentie, vrijwel op dezelfde manier als onze fysieke zon haar stralen uitzendt. De manasaputra’s zijn kinderen van de monadische essentie. De monadische essentie is het enige deel van de menselijke constitutie dat niet sterft. De manasaputra is het centrum van bewustzijn, individuele intelligentie, individueel bewustzijn, bewustzijn dat is geïndividualiseerd als een ego. Maar het is zuiver een straal uit de monadische essentie. En dat bedoel ik als ik zeg dat de manasaputra’s gedurende de pralaya in de schoot van de monadische essentie rustten.

Laat ik u daarover nog iets meer vertellen. De mysteries over het wezen van het zelf zijn werkelijk heel diepzinnig, heel subtiel, en in het begin moeilijk te begrijpen, alleen al door de onjuiste ideeën die ons westerlingen honderden en honderden jaren zijn bijgebracht. De manasaputra’s zijn het ziele-deel, het egoïsche deel. Maar dit ego zelf, deze straal zelf uit de goddelijke zon binnenin ons, uit de innerlijke god, uit de monadische essentie – deze manasaputra’s zullen, wanneer de evolutie haar loop door de eeuwigheid vervolgt, na verloop van tijd zo hoog evolueren en zo onpersoonlijk worden dat het ego zal opgaan in het universele bewustzijn. Op hun beurt worden ze dan monaden en zullen in de komende eonen, in toekomstige manvantara’s, herhalen wat de ouders van de manasaputra’s in ons huidige manvantara hebben gedaan.

Ik geloof dat de verwarring in uw denken is ontstaan door het woord ‘vereenzelviging’ dat u gebruikte. Neem als illustratie ons lichaam. Ons lichaam is samengesteld uit heel kleine leventjes die zich manifesteren door atomen, maar elk zo’n klein leventje is een lerende, groeiende, evoluerende entiteit, die oorspronkelijk haar evolutie begon als een niet-zelfbewuste godsvonk. Ze gaat in de loop van de eindeloze duur vooruit en opwaarts door haar eigen inspanning, en bereikt tenslotte monadisch zelfbewustzijn. Vanuit zelfbewustzijn zal ze door verder te evolueren gedurende de eonen van de tijd goddelijk worden, een monadische essentie, en wanneer deze monade zelf op haar eigen hoge gebieden evolueert, zal ze na verloop van tijd supergoddelijk worden; en zo zal ze eeuwig verder evolueren.

Puur voor het gemak zegt men dat er in de mens drie evolutielijnen zijn: de monadische of goddelijke, de geestelijk-intellectuele of manasische, en de astraal-vitaal-fysieke. Maar reik in uw verbeelding naar nog hogere gebieden dan de monadische essentie, hoger dan uw innerlijke god, en u zult onmiddellijk inzien dat die god zelf op zijn eigen gebied evolueert. En ieder atoom van uw fysieke lichaam evolueert, hoewel het nu een elementaal is, en in de verre, verre manvantara’s van de toekomst zal het uitbloeien tot een god, een zelfbewuste god die deelneemt aan het kosmische werk. Dan zal het nog hoger gaan, en daarna steeds hoger. Evolutie is eindeloos. Ze heeft begin noch einde. Wordt uw vraag hierdoor min of meer beantwoord?

Vr. – Ja, maar ik heb nog altijd dezelfde moeilijkheid met betrekking tot de individualiteit van onszelf om het zo uit te drukken. Ik begrijp bijvoorbeeld dat het resultaat van de invloed van de manasaputra’s op het voertuig is dat er een lager denkvermogen wordt gevormd, als weerspiegeling ervan, is het niet?

GdeP – Ja dat is zo. Een van de invloeden.

Vr. – En heeft dat lagere denken een eigen evolutie?

GdeP – Dat klopt.

Vr. – En tenslotte wordt het één met het hogere denkvermogen waaruit het voortkwam. Is dat zo?

GdeP – Volkomen juist.

Vr. – Nu dan, is dat lagere denkvermogen dat nu een hoger denkvermogen is geworden, opgenomen in de straal waarvan het zijn inspiratie heeft ontvangen, met andere woorden de manasaputra, de engel die omlaag werd gezonden, of blijft het bestaan als een hooggeëvolueerde entiteit die zijn bron herkent?

GdeP – Beide. De manasaputra zelf evolueert vóór de straal van de manasaputra uit, en die straal is de menselijke ziel, en daarom is de manasaputra zelf de hoogste menselijke ziel, het hoogste deel van de menselijke ziel – de spirituele ziel, als u wilt. Omdat deze lagere entiteit, de menselijke ziel of het denkvermogen, evolueert pari passu, stap voor stap, met haar ouder-vuur, bevindt ze zich altijd in haar ouder-vuur, hoewel ze zelf evolueert, zoals ook haar ouder-vuur evolueert.

Het hele doel van de evolutie is om het hart van elke entiteit steeds vollediger tevoorschijn te brengen. De manasaputra stijgt dus op tot het goddelijke. De gewone menselijke ziel wordt hoog manasisch of manasaputrisch, als u het begrijpt, maar haar eigen manasaputra erboven blijft altijd en omhult haar. Hij is het ouder-vuur. Daarom is er geen vereenzelviging. Ze wordt niet volledig opgenomen in de zin dat ze niet langer zichzelf is, maar er is als het ware een assimilatie [een gelijk worden aan].

Vr. – Dan is er ongetwijfeld als gevolg daarvan een nieuwe evoluerende entiteit, een nieuwe manasaputra in het leven geroepen, nietwaar?

GdeP – Nee, het is eenvoudig een feit dat de manasische straal zijn innerlijke krachten continu verder ontwikkelt. De atomen in onze lichamen – dat zijn wij. Ze zijn onze kinderen. Ze komen niet vanbuiten tot ons. Waarom zouden uw atomen anders van de mijne verschillen? Ze zijn uw eigen voortbrengselen, uw eigen nakomelingen. In alle eeuwigheid zullen ze bij u zijn. Maar zoals zij groeien, groeit u ook en evolueert en ontwikkelt u zich en wordt groter. Ze worden nooit aan u gelijkgemaakt in de zin dat zij u worden, uw ego. Toch zijn ze er altijd in uw leven, in uw bewustzijn, groeien zelf en brengen zelf andere atomen voort waarin ze op hun beurt in de toekomst zullen leven.

Ieder atoom, elk levensatoom, van uw lichaam begon als een elementaal in uw bewustzijn – een gedachte als u wilt. Als ik zeg begon, bedoel ik dat het zich aan het begin van het manvantara manifesteerde als elementaal, een ‘gedachte’ afkomstig van u. Het heeft een kern, een hart. Het is zelf de weerspiegeling van een monadische essentie. Daarom is het u en is het u niet. Daarom kunt u niet zeggen dat het een vereenzelviging is, wat betekent dat het hetzelfde wordt. Dit is een deel van het mysterie van bewustzijn, en u bent misschien onbewust op een van de moeilijkste dingen gestuit om aan mensen in het westen uit te leggen. Als u het echter niet begrijpt, vraag dan verder, en ik zal proberen daar antwoord op te geven.

Vr. – Mag ik een soortgelijke vraag stellen, maar op een andere manier. Op die mooie bijeenkomst op kerstavond gaf u ons tegen het einde een sleutel die ik geprobeerd heb toe te passen, en ik wil weten of ik die goed heb begrepen. Ik begreep dat het ik-ben-ik van ieder van ons, het reïncarnerende ego, bij de wederbelichaming van onze aarde het hogere zelf van de nieuwe mensheid wordt. Dat wat onze psychische ziel is wordt dan het reïncarnerende ego van de nieuwe mensheid; de dierlijke ziel wordt de psychische ziel, want wat nu de ziel van de dieren op deze aarde is, wordt de menselijke ziel van de mensheid. Klopt dat?

GdeP – In algemene zin is dat juist.

Vr. – Mag ik een tweede vraag eraan toevoegen? Dan volgt daar onmiddellijk uit dat we een verbazingwekkende keten van hogere zelven hebben die, wat haar evolutie betreft, in ieder manvantara hoger staat dan in het eraan voorafgaande, en die zich oneindig ver naar binnen uitstrekt naar de kern van de dingen.

GdeP – De algemene gedachte is juist en voor een deel uitstekend onder woorden gebracht. Een van de gedachten heeft u precies begrepen, en als u zich hardnekkig daaraan vasthoudt zal ze u door vele duistere plaatsen leiden. In ieder van ons bevindt zich inderdaad – of beter gezegd, ieder van ons is verbonden met – de gouden keten die, zoals de Grieken het zeiden, zich uitstrekt van Vader Zeus tot ons en in de andere richting via Vader Zeus tot in de oneindigheid, en ook vóór ons naar de toekomst toe, door gebied na gebied.

We hebben geen einde, we zijn geworteld in de eeuwigheid. En juist op die gedachte heb ik in de Tempel zo vaak gezinspeeld, wanneer ik spreek over de kern van de kern van de kern, of over het hart van het hart van het hart van de mens. Ik doel niet op het fysieke orgaan – die gedachte is belachelijk – maar op het binnenste, het innerlijkste, de diepste kern in ons, met andere woorden het hoogste in ons.

Vr. – Ik zou een vraag willen stellen over het verband tussen de monade van de maan en wat er zo-even is gezegd. Is het dan de menselijke ziel die door de manasaputra wordt verlicht en die in feite het lagere manas is, zoals we het gewoonlijk noemen? Dat wil zeggen, is het de straal van de manasaputra die de monade-die-van-de-maan-komt verlicht en wordt de laatstgenoemde misschien de menselijke ziel? Is dat juist?

GdeP – Wat bedoelt u met ‘het’? Ik begrijp het nog niet helemaal. Denk alstublieft een ogenblik na. Neem de tijd ervoor en stel uw vraag alstublieft kort en duidelijk. Schets die duidelijk in uw gedachten, dan kunt u hem ook duidelijk stellen.

Vr. – Is de menselijke ziel de monade afkomstig van de maan? Wordt de monade afkomstig van de maan de menselijke ziel?

GdeP – Heeft u het over de pitri’s, de maanpitri’s?

Vr. – Nee, ik heb het niet over de maanpitri’s, want, zoals ik het begrijp, maken zij de voertuigen voor deze monaden. In De Geheime Leer staat dat ze in de lagere rijken verblijven, hoewel ze in feite hoger staan dan de monaden voor wie ze de voertuigen verschaffen; dat ze gedurende het hele manvantara in de lagere rijken verblijven en mogelijk maken dat zij die werkelijk lager zijn dan zij boven hen uitstijgen.

GdeP – Nee, ik geloof dat u wat u heeft gelezen verkeerd heeft begrepen. Dat zou helemaal niet kunnen.

Vr. – Op een andere plaats staat volgens mij dat wij verplicht zijn voor deze maanpitri’s hetzelfde te doen als wat zij aan het begin van dit manvantara voor ons hebben gedaan.

GdeP – Dat is waar, maar dat betreft een diepzinnig mysterie dat betrekking heeft op toekomstige manvantara’s. U bent van uw vraag afgedwaald.

Vr. – Dat ben ik omdat u mij vroeg of ik het over de maanpitri’s had, en ik heb uitgelegd wat de maanpitri’s volgens mij zijn. Maar mijn vraag heeft betrekking op deze monaden voor wie de maanpitri’s voertuigen hebben verschaft.

GdeP – Heeft u het over de mens?

Vr. – Ik geloof van wel. Misschien heb ik het over de mens. Dat vraag ik juist. Maar misschien kan ik het op een andere manier formuleren. Deze manasaputra’s verlichten iets, en ik heb begrepen dat dit de monaden zijn die van de maan komen.

GdeP – Dat is juist. Het thuis van de manasaputra’s is de zon – niet de fysieke zon, maar de zon achter of binnen of boven de fysieke zon, de hogere zon, waarvan de fysieke zon het kleed is. Wat u de maan-monaden noemt behoort tot de maan. Bedenk dat de maan een lijk is, een kosmisch lijk. Ze is een dood lichaam. En de omstandigheden zijn daar dus anders dan wat ze zijn in het geval van de manasaputra’s die van een levend lichaam afkomstig zijn.

Vrienden, u raakt hier mysteries aan, en het is werkelijk heel moeilijk voor mij vragen zoals deze te beantwoorden zonder grenzen te overschrijden en onderwerpen te behandelen waarover ik niet het recht heb te spreken. Maar dit wil ik u zeggen: dat uw maanpitri’s, of wat u ‘monaden die van de maan komen’ noemt, alleen van de maan komen op hun doortocht. Ze ontspringen niet aan de levensessentie van de maan zoals de manasaputra’s voortkomen uit de levensessentie van de zon.

Vr. – Dat begrijp ik.

GdeP – Welnu, stel uw vraag opnieuw.

Vr. – Deze monaden hebben bepaalde evolutiestadia doorlopen op de maan, en nadat ze hebben verworven wat ze daar konden verkrijgen, werden ze, voorzover ik het begrijp, naar de aarde overgebracht. En het zijn deze monaden die naar de aarde worden overgebracht om hun evolutie te vervolgen, die door de manasaputra’s moeten worden verlicht en tot bewustzijn gewekt.

GdeP – Door de manasaputra’s; dat klopt.

Vr. – Dan vraag ik of het idee juist is dat zij die door de manasaputra’s tot bewustzijn zijn gewekt de menselijke zielen zijn?

GdeP – Ja. Maar denk eraan dat deze menselijke zielen de kinderen zijn van de manasaputra’s, die als plicht hebben hen tot zelfbewustzijn te brengen, zoals de kinderen van mensen afstammen van hun ouders, die als plicht hebben hen op te voeden en tot zelfbewustzijn te brengen. De kinderen zijn niet identiek aan hun ouders en toch komen ze uit hen voort. Ze behoren tot dezelfde levensstroom. Daarom, zei ik, kunt u niet spreken van vereenzelviging, en toch zijn ze letterlijk dezelfde: been van het been, leven van het leven, bloed van het bloed, vlees van het vlees, en vooral – ziel van de ziel.

Vr. – Mag ik nog een vraag stellen om helderheid te krijgen over dit onderwerp?

GdeP – Zeker, uw vragen zijn altijd zo belangwekkend en diepgaand dat ik heel voorzichtig ben in de manier waarop ik ze beantwoord.

Vr. – Over deze menselijke zielen, die naar ik begrijp niet identiek zijn met de andere, maar die door de manasaputra’s tot zelfbewustzijn zijn gewekt, zou ik willen weten wat hun rang zal zijn aan het einde van dit manvantara.

GdeP – Zij zullen leden zijn van de menigte dhyan-chohans, met andere woorden manasaputra’s, of liever ze zullen manasaputra’s zijn aan het begin van het manvantara dat volgt op het manvantara waarin we ons nu ontwikkelen.

Vr. – Ik zou nog een vraag willen stellen, als ik er niet te veel stel. Er is gezegd dat de manasaputra’s hun voertuigen kiezen.

GdeP – Dat moeten ze.

Vr. – Dan moeten die voertuigen die ze kiezen natuurlijk elk afzonderlijk op een of andere manier tot hen behoren.

GdeP – Precies.

Vr. – Ze ontdoen zich van bepaalde voertuigen als die tekortschieten. Bijvoorbeeld, als de menselijke zielen slecht worden, het verkeerde pad opgaan, worden ze door de manasaputra’s afgeworpen.

GdeP – Dat is juist.

Vr. – En dan kiezen ze een ander voertuig.

GdeP – Dat klopt.

Vr. – En stel dat het eerste slaagt?

GdeP – Het eerste wat?

Vr. – Stel dat de menselijke ziel die ze de eerste keer hebben gekozen – ik heb aangenomen dat die tekortschoot en is afgeworpen. Stel dat die niet tekortschiet. Dan moet die ziel die zou zijn gekozen nadat die eerste was mislukt, ook tot die manasaputra behoren. Dat wil zeggen, er moeten vele zielen tot hem behoren.

GdeP – Juist, en het woord ‘vele’ is niet sterk genoeg. Maar nu vraag ik u het volgende: hoe incarneert de menselijke ziel en maakt ze voor zichzelf een lichaam? Hoeveel cellen, hoeveel atomen, zijn er in het menselijk lichaam? Indien er één mislukt tijdens het reïncarnatieproces wordt een andere gekozen door het levensfluïdum van het reïncarnerende ego, want ze horen alle tot dezelfde levensstroom. Alle zijn kinderen van het reïncarnerende ego. Geloof geen ogenblik dat een reïncarnerend ego door toeval tot een familie of een ouder wordt aangetrokken, of aan dat ego bij toeval een menselijke cel wordt toegewezen.

Dezelfde regel geldt voor een zwarte magiër, om naar het andere uiterste van het leven te gaan. Wanneer een monade een voertuig verlaat dat door slechtheid is mislukt, met andere woorden een menselijke ziel die heeft gefaald, dan neemt die monade direct een andere ziel aan die bij haar hoort en niet is tekortgeschoten, die latent is geweest, in een slaaptoestand verkeerde. Begrijpt u me?

Vr. – Ja.

GdeP – Uw vraag gaat heel diep.

Vr. – Om op dit thema door te gaan: Is wat hier is besproken dan niet analoog aan de transmigratie van de levensatomen, maar dan op een hoger gebied?

GdeP – Zo is het. Maar ook dat is een diepzinnige vraag. De monadische essentie, de monaden, op haar eigen goddelijk-geestelijke gebied, zijn de levensatomen van een hogere reeks van werelden. Op dezelfde manier als de levensatomen van uw fysieke lichaam de voertuigen zijn, of tezamen bijeengebracht de voertuigen worden, voor de manifestatie van de hogere krachten van ons mensen, evenzo zijn de monaden zelf de levensatomen van entiteiten die nog verhevener zijn.

Bedenk wel dat – en ook het huidige wetenschappelijke onderzoek toont dit aan – zoals het atoom in de fysica, of in de scheikunde, is samengesteld uit ondergeschikte delen die onze scheikundigen elektronen en kernen van protonen noemen, ook deze elektronen zelf vol zijn met ondergeschikte levens, levende entiteiten; en er zijn menigten, hiërarchieën, families van levende entiteiten in en op deze kleine levenssferen. De natuur herhaalt zich overal.

Vr. – Wanneer wij, de reïncarnerende ego’s, de hogere zelven van de toekomstige mensheid moeten worden, zou daaruit natuurlijk volgen dat ieder van ons het hogere zelf zou moeten worden van onze eigen ziel, of wat nu de psychische ziel is, die dan een stap vooruit zal gaan en het reïncarnerende ego van die nieuwe mensheid worden, en we zouden dan met dezelfde cyclus van stof te maken hebben. Is dat juist?

GdeP – De gedachte lijkt juist te zijn. Ik begrijp niet wat u bedoelt met ‘te maken hebben met dezelfde cyclus van de stof’. Wat bedoelt u daarmee?

Vr. – We hebben nu onze cyclus van stof, de atomen die ons lichaam en onze verschillende omhulsels samenstellen, en naarmate we vooruitgaan, zal dat altijd gebeuren in wisselwerking daarmee; ze zullen ons tot het eind toe volgen, maar altijd aan ons gebonden zijn.

GdeP – Juist; altijd aan ons gebonden. Ieder mens is een microkosmos. Na verloop van tijd zal iedere menselijke ziel een geestelijke ziel of monade worden, en elk van deze monaden zal een zon worden. En de hogere, de meest geëvolueerde van deze levensatomen – en deze hogere zijn altijd betrekkelijk gering in aantal in vergelijking met de menigten minder ontwikkelde levensatomen – zullen planeten worden rond die zon.

In toekomstige eonen zult u een luisterrijke zon zijn – dat is, als u aan de eisen voldoet! En dat geldt ook voor alle anderen die hier zijn. Er is een god in u, en die god zal zich na verloop van tijd als een zon in de oneindige ruimte manifesteren. En daarna zal die zon arupa, vormloos, worden. Dat wil zeggen, wat wij mensen vorm noemen zal verdergaan en bestemmingen krijgen die nog veel verhevener zijn, in wat wij vormloze werelden noemen.

Evolutie is eindeloos. Iedere entiteit is in haar kern een bewustzijnsstroom, want bewustzijn per se is fundamenteel in het heelal. De mogelijkheden voor evolutie van iedere geïndividualiseerde bewustzijnsstroom zijn bijna grenzeloos, want iedere bewustzijnsstroom komt voort uit de oceaan van oneindigheid. Alles is met al het andere vervlochten. Wij zijn allen onafscheidelijk met elkaar verbonden. De mysteries van het bewustzijn zijn de grootste van het universum. En alle inwijding – om dit onderwerp op een andere manier te beschrijven – betekent het tevoorschijn brengen van het kenvermogen van de initiant, een hoger en grootser inzicht in zijn eigen innerlijke bewustzijnsstroom.

Vr. – Terwijl u deze zeer diepzinnige vragen aan het beantwoorden was, kwam er een gedachte in me op, en diezelfde gedachte komt niet alleen op maar schijnt zich telkens min of meer te herhalen. Ze luidt ongeveer als volgt: Hoe verheven en in zekere zin belangrijk het voor ons misschien ook is om deze mysteries te kennen, omdat we volgens mij daardoor meer kracht krijgen, toch kunnen we in ons tegenwoordige ontwikkelingsstadium niet op het niveau blijven dat daarvoor nodig is. We moeten weer neerdalen. En niet alleen moeten, maar het is onze plicht af te dalen met wat we kunnen meebrengen van deze verbazingwekkende zaken, zodat we onze inspanningen op het gebied waar we nu leven en moeten werken doeltreffender kunnen maken.

GdeP – Juist, en volkomen waar.

Vr. – Ik vraag me het volgende af: Wanneer ons ego een zon wordt, welke organen van ons lichaam zullen dan de planeten in dat stelsel vormen?

GdeP – De vraag is heel duidelijk, maar ik moet om nauwkeurig te zijn uw aandacht vestigen op het feit dat niet uw ego een zon zal worden. Uw ego zal uit uw huidige egoïteit evolueren tot een zon, en de organen van uw lichaam zijn enkel suborganen van uw organisme als mens, die bepaalde lagere krachten van de bewustzijnsstroom tot uitdrukking brengen. Ik zou niet zeggen dat de organen planeten worden. Het zijn enkele ondergeschikte levensatomen van uw innerlijke wezen die de planeten worden, maar alleen de hogere van die levensatomen van de innerlijke constitutie zullen de planeten worden. Uw fysieke organen zijn maar tijdelijke vormen, tijdelijke verzamelingen van levensatomen, die zijn samengetrokken in een nauwe gemeenschap in een bepaalde evolutionaire staat, of veel meer tot eenzelfde evolutiestadium behoren dan andere levensatomen van uw lichaam. Begrijpt u me?

Vr. – Ik begrijp dat de organen van ons lichaam overeenkomen met de planeten van ons zonnestelsel, en dat de planeten via de organen werken. In onze esoterische leringen wordt van Mars gezegd dat hij bepaalde organen beheerst – bepaalde planeten hebben invloed op bepaalde functies.

GdeP – Ik begrijp wat u bedoelt. Maar dat betekent niet dat de organen van het fysieke lichaam tot planeten zullen evolueren. De organen van uw lichaam zijn slechts tijdelijke vormen, groepen levensatomen.

Vr. – Ik begrijp dat die verzameling levensatomen in zijn evolutie als een verzameling blijft bestaan en een planeet zal vormen.

GdeP – Dat is helemaal niet noodzakelijk, want de levensatomen die bij een bepaald orgaan horen ontwikkelen zich alle, om zo te zeggen, met een verschillende snelheid, zodat over vijf of zes of een dozijn menselijke incarnaties bepaalde levensatomen die nu een deel van uw hart vormen, dan een deel van uw hersenen kunnen vormen. De organen van het lichaam wisselen onderling levensatomen uit. De bovengenoemde planeten zullen die levensatomen in uw constitutie zijn die, wanneer het hogere deel van uw bewustzijnsstroom een zon wordt, zelf planeten zijn geworden.

Vr. – Ik dacht ergens te hebben gelezen dat de atomen van het hart verder zijn ontwikkeld dan elk ander deel van het lichaam.

GdeP – Nee, dat zijn ze niet. De levensatomen van de hersenen staan het hoogst. Strikt gesproken is het fysieke hart het orgaan van de persoonlijke mens, en de hersenen zijn meer in het bijzonder het orgaan van de manasaputra.

Vr. – Waarom zegt de meester in de Instructies: ‘Denk aan de meester in uw hart?’

GdeP – Ja, maar het woord ‘hart’ betekent hier niet het fysieke hart. Het betekent de kern van uw wezen. Het woord ‘hart’ wordt in onze Oosterse Orde gewoonlijk gebruikt voor het centrum, het hart, de kern van iets, zoals het klokhuis van een appel. Het betekent niet het fysieke hart.

Vr. – Ik denk dat het fysieke hart om die kern moet liggen.

GdeP – In feite is dat niet het geval. U zult zich herinneren dat de natuur in alle opzichten symmetrisch is, en dat, in het algemeen gesproken, zelfs in ons fysieke lichaam de organen evolutionair gezien hoger zijn ontwikkeld naarmate ze verder van de voeten afliggen.

Als we omhooggaan van de onderbuik via de borstholte naar de hersenen, zijn deze laatste het hoogst; ze baden zich in akasa, de hoogste vorm van ether, of beter, ether is de neerslag van akasa. De ether is het middel om gedachten, de trillingskrachten die uitgaan van de ons overschaduwende manasaputra, over te brengen naar de hersenen; de manasaputra is immers het hoogste deel van de menselijke ziel, buddhi-manas.

Ik zou eraan kunnen toevoegen dat hoewel alles wat is gezegd waar is, dit niet in strijd is met het andere feit dat elk lichaamsorgaan onder de invloed staat van een bepaalde planeet, of, omgekeerd, dat elke planeet respectievelijk een van de lichaamsorganen beheerst.

Vr. – Is er een analogie tussen de wegen die de levensatomen volgen voordat ze terugkeren om door het ego te worden opgenomen, en de elementen die de monaden samenstellen die van de maan komen? Is er een analogie tussen de wegen die de levensatomen volgen en de weg die de hogere elementen volgen wanneer ze teruggaan naar de zon waartoe ze behoren?

GdeP – Ja.

Vr. – Heeft u daarom gezegd dat de monaden op hun doortocht via de maan kwamen?

GdeP – Ja, heel juist.

Vr. – Wat komt op het menselijke gebied overeen met fohat?

GdeP – Een aardig woordje, h-a-r-t-s-t-o-c-h-t gespeld, of begeerte.

Vr. – Op het kosmische gebied wordt fohat kosmische elektriciteit genoemd.

GdeP – Fohat zou u kosmische kama kunnen noemen, en het denken is zijn berijder. Dat wil zeggen dat het denken begeerte en hartstocht bestuurt, hoewel bij ons mensen hartstocht te vaak op hol slaat en er met zijn berijder vandoor gaat.

Vr. – Ik heb altijd gedacht dat dit het magnetisme tussen de mensen was. Is dat idee verkeerd?

GdeP – Ook dat is juist. Fohat zou, vanuit een ander gezichtspunt kama-prana of prana-kama kunnen worden genoemd – verlangen samen met levenskracht. Ze zijn onafscheidelijk, omdat er levenskracht in ieder beginsel van de constitutie van de mens is. Anders zouden we geen samenhangend geheel kunnen zijn, we zouden geen entiteit kunnen worden of zijn.

Vr. – Als onze gedachten elementalen worden, waaruit zijn onze gedachten dan geëvolueerd? Ze moeten oneindig lang de tijd hebben gehad vóór ze gedachten werden? Is er geen begin of eind?

GdeP – Nee, dat is een goede vraag. Als we zeggen dat gedachten elementalen worden, is dit maar een manier van zeggen, een manier die gemakkelijk kort is. Een gedachte is in feite een elementaal. We hebben gedachten omdat deze elementalen over en door de bewustzijnsstroom gaan en ogenblikkelijk onze aandacht trekken, maar deze elementalen bestaan al een eeuwigheid lang als een deel van ons. Gedachten worden niet uit het niets geboren. Ze zijn in ons en zijn altijd in ons geweest. Maar er komt een moment dat ze zich tot uitdrukking brengen. Ze drukken zich uit als elementalen, omdat ze elementalen zijn. Is dit een antwoord op uw vraag?

Vr. – Ja, maar niet precies.

GdeP – Goed, probeer het nog eens.

Vr. – Als die gedachten altijd in ons waren, moeten ze ergens een begin hebben gehad – niet een begin, maar ze moeten iets zijn geweest vóór ze gedachten waren.

GdeP – Dit is de oude vraag: ‘waar en wanneer begon ik?’ Niets heeft een begin behalve in relatieve zin. Wat wij begin en einde noemen, markeren als het ware de doortocht van energieën door een bepaald gebied. Als het bewustzijn op dat gebied actief is en de doortocht ziet van de energie, of het nu een gedachte is of een elementaal, herkennen we dat en zeggen: het begon en het eindigt. Het enige wat we zien is het begin, of beter, het verschijnen, en het einde of het verdwijnen.

Een gedachte komt in ons waarnemend bewustzijn uit de schuilhoeken en diepten van ons eigen zijn, heeft haar eigen tijdsduur – een ogenblik, een uur of misschien een week – en verdwijnt dan voor het ogenblik uit ons bewustzijn. Maar hoe vergaat het haar daarna? Ze keert terug naar het reservoir van onze aura, ook naar het reservoir van ons bewustzijn, en komt weer in de algemene bewustzijnsstroom, om ergens in de toekomst opnieuw te verschijnen. Daar komen ze vandaan.

We denken gedachten en verbeelden ons dat we ze nooit tevoren hebben gedacht. In werkelijkheid denken we alleen maar opnieuw wat we tevoren hebben gedacht. De gedachten zijn elementale entiteiten, groeiende, lerende wezens. Iedere gedachte wordt als ze opnieuw verschijnt, iets duidelijker bepaald, iets harmonischer, en zo zien we dat ze is gegroeid. Maar ze ontspringen aan het bewustzijn, aan de bron van bewustzijn die we zijn. En wanneer hun energie in ons denken of in de bewustzijnstoestand waarin we op dat ogenblik verkeren, is verbruikt, ‘vergeten’ we ze, zoals we zeggen. Het betekent alleen dat ze weer in de bron zijn teruggevloeid.

Zo komt een mens naar de aarde, wordt als kind geboren, leeft zijn leven, maakt zichzelf kenbaar, heeft zijn aspiraties, zijn verwachtingen, zijn gevoelens van haat, enz., verdwijnt tenslotte en we zeggen dan dat hij ‘dood’ is. Denkt u dat een mens begon toen hij werd geboren en eindigt als hij sterft? Dat is in strijd met al onze leringen. Als een monadische essentie had hij nooit een begin en zal hij nooit een einde hebben; en een elementaal dat in zijn evolutiestadium een gedachte wordt genoemd, volgt dezelfde regel.

Vr. – Dan waren ze altijd gedachten, maar ze evolueren als gedachten?

GdeP – Inderdaad, ze evolueren; en juist omdat ze evolueren, verschijnen en beginnen ze, of ze verdwijnen en eindigen, of worden, vanuit ons standpunt gezien, ‘vergeten’. En bovendien zet uw gedachte de deur op een kier, die ik voor u wat verder zal openduwen. Wij mensen waren oorspronkelijk de gedachten van ‘mensen’ in voorafgaande manvantara’s. Eens waren we elementalen en nu zijn we mensen.

Vr. – Ik heb begrepen dat de god die door de mens tijdens de inwijding wordt gezien, wanneer de mens tegenover zijn innerlijke god komt te staan, de manasaputra is, iets dat hoger staat dan zijn eigen ziel. Heb ik dat goed begrepen?

GdeP – Niet helemaal. Het is het hogere deel van de menselijke ziel, dat nog niet geheel tot manasaputrische wasdom is geëvolueerd, dat door de bijzondere training in de inwijdingsceremoniën zijn eigen monadische essentie ontmoet, in de vorm van een entiteit, van aangezicht tot aangezicht. Om het nog anders te zeggen: de menselijke ziel van de aspirant komt tegenover zijn geestelijke ziel te staan, want de menselijke ziel is een mens, en de geestelijke ziel is een halfgod. Het is een werkelijke ontmoeting, een werkelijk kennen en herkennen.

Vr. – Ik geloof dat ik het begrijp.

GdeP – U bent wijs als u het begrijpt.

Vr. – Nee, dat bedoel ik niet. Natuurlijk begrijp ik het niet volkomen. Maar dan is het deze menselijke evoluerende ziel – mijn ideeën werden in uw vorige antwoord omvergeworpen – die haar hogere god ontmoet.

GdeP – Zo is het. Alleen de hogere menselijke ziel is in staat op die manier de innerlijke god te ontmoeten. De gemiddelde mens is geestelijk niet sterk genoeg.

Vr. – Ik begrijp het. Nadat ze is geëvolueerd tot het punt dat ze bijna een manasaputra is geworden.

GdeP – Dat is juist.

Vr. – Mag ik nog een vraag stellen in verband met wat u over gedachten heeft gezegd? Als wij geëvolueerde gedachten zijn – deze gedachte kwam opeens bij me op – wat gebeurt er dan met slechte gedachten? Is het mogelijk ze uit te wissen, of zal het nageslacht van deze slechte gedachten broeders van de schaduw worden waarvoor wij moreel verantwoordelijk worden gesteld?

GdeP – Nee niet noodzakelijk. We noemen gedachten immoreel of slecht als die ingaan tegen de spelregels die mensen juist achten om te volgen.

Maar als antwoord op deze vraag wil ik u een klein geheim vertellen, en u moet lang en zorgvuldig nadenken over wat ik nu ga vertellen, anders wordt u op een dwaalspoor gebracht. Wees voorzichtig, want wat ik u ga vertellen is gevaarlijk. Wat mensen zonde noemen, is in het verleden, maar niet in de toekomst en niet nu, een van de middelen voor evolutie geweest. En wat u een slechte gedachte noemt is alleen een elementaal die door die fase van zijn evolutiereis heengaat als een gedachte. Naarmate het vordert, zal het zich na verloop van tijd verfijnen.

Dit is iets duisters en moeilijks, maar u zult zich een passage in De Geheime Leer (1:265, 290) herinneren, waar HPB een van onze esoterische werken citeert: ‘Vis, zonde en soma’ – die alle tot de maan behoren, en symbolen van maanenergieën zijn.

Vr. – Wij drukken op dit gebied gedachten uit in woorden, maar op een ander gebied zouden ze iets anders kunnen zijn, nietwaar?

GdeP – Heel juist. Gedachten zijn elementalen; ze zijn energieën van de menselijke geest. Het menselijke hersenverstand interpreteert ze als woorden, belichaamt ze in woorden. Maar wat is het moeilijk om adequaat met woorden een gedachte tot uitdrukking te brengen of te belichamen! We stuiten voortdurend op deze moeilijkheid. We proberen onze gedachten helder en op adequate wijze uit te drukken, en dit is een van de moeilijkste dingen.

Vr. – Als ik u goed begrijp, trekt een gedachte die de geest van de mens heeft verlaten zich daarna terug in het reservoir van zijn aura. Waarom is het in het geval van een misdadiger die een gewelddadige dood sterft en misschien heengaat met een bewustzijn vol gedachten van haat, dan zo gevaarlijk dat zijn gedachten vrijkomen, als ze eenvoudig terugkeren in het gedachtereservoir? Of gaan ze niet terug in dat reservoir, maar blijven ze in de atmosfeer.

GdeP – De slechte gedachten trekken zich terug in het bewustzijn van de misdadiger die het kanaal is geweest door middel waarvan ze tot uiting kwamen. Deze gedachten werken op de innerlijke constitutie van de misdadiger, geven aan die innerlijke constitutie als het ware een gedaante en vorm, ook een impuls, een drang, een stuwkracht, zodat, wanneer de misdadiger op grond van een vonnis ter dood wordt gebracht, het kamarupa automatisch een slechte entiteit wordt en de drang en impuls volgt die deze gedachten hebben afgedrukt op de astrale substantie van het kamarupa. Omdat het kamarupa uit etherische stof bestaat, beïnvloedt het het denken van mensen in fysieke lichamen die voor zulke negatieve dingen ontvankelijk zijn.
Maar de gedachten zelf zijn vormloos en keren terug in de bewustzijnsstroom van deze mens die een misdadiger was, en zullen in een toekomstige reïncarnatie van hem opnieuw verschijnen als wrekende demonen in en voor hun ‘scheppers’, om de populaire uitdrukking te gebruiken – hun ouder.
We krijgen alleen wat we verdienen, en wat we zijn. De onveranderlijke regel van de natuur luidt: we oogsten niet alleen wat we zaaien, maar omdat we onszelf zaaien, oogsten we ook onszelf. We oogsten wat we zijn, wat we worden.

Vr. – Om terug te komen op wat u zei over gedachten die we activeren, en de hoeveelheid energie die we eraan geven en het verdwijnen van die gedachten – dit omvat het hele onderwerp van gewoonten en karaktervorming, nietwaar?

GdeP – Zeer zeker.

Vr. – Mag ik een vraag stellen die me erg heeft beziggehouden en een diepe betekenis schijnt te hebben. In de bijbel wordt gezegd dat Christus – en in de mystieke literatuur dat de kandidaat voor inwijding – gedurende drie dagen Hades binnengaat, en bijstand verleent aan de geesten, de zielen, van hen die lijden in Hades. Het komt me voor dat die lering iets openbaart, en ik weet niet of het is toegestaan dat bekend te maken. Maar ze roept veel gedachten op, en het zou kunnen helpen als u ons daarover iets zou vertellen.

GdeP – Dat is waar. Inwijding in de hogere graden is leren door individuele ervaring. Ervaring betekent, althans tijdelijk, datgene te worden waarover u iets leert. U kunt niet werkelijk iets ervaren tenzij u het wordt, het bent. Bijvoorbeeld, u kunt over ‘goed’ horen, maar u kunt het niet kennen tenzij u het goede wordt. Daaruit volgt dat inwijding – die een verkorte kopie is van de lessen van de natuur die de gemiddelde mens na lange tijd leert – betekent dat iemand die de inwijding ondergaat zelf moet ervaren en moet worden wat vroeger aan hem was geleerd. Daarom mislukken er zo velen. Ze zijn niet sterk genoeg om de beproevingen te doorstaan. De aspirant moet niet alleen door de poorten van de zon gaan en zich onderhouden met de goden, maar hij moet ook het pad naar omlaag gaan, en verheven en sterk, zuiver en hoogstaand alles overwinnen, maar niettemin de wezens in Hades, in de lagere gebieden van het kosmische leven, ontmoeten, ze onder ogen zien, overwinnen en helpen.

Hades is de onderwereld, en met dat woord worden de sferen van kosmisch leven bedoeld die lager staan dan het menselijke gebied van het heelal, zoals het geestelijke leven die fase van kosmisch bestaan is die boven dit gebied ligt dat we het menselijke stadium noemen.

Hades, of de onderwereld, is dus alles wat lager staat dan het menselijke stadium. Het is meer in het bijzonder van toepassing op die onzichtbare gebieden of natuurrijken die materiëler zijn dan wat wij het menselijke stadium noemen. De dood opent de deuren, en daarom, zoals ik u eerder heb gezegd, hebben de inwijdingsmysteriën vooral betrekking op de dood en zijn mysteries. Inwijding betekent een tijdelijke dood. U sterft als mens. En als u in dit deel van uzelf dat deze ervaringen doormaakt, niet sterk genoeg bent om de beproevingen waarmee u te maken krijgt, met succes te doorstaan, mislukt u. Degene die de inwijding ondergaat en mislukt, heeft geluk als hij na de beproeving kan opstaan, levend en gezond.

Ik kan niet genoeg benadrukken hoe ernstig en gevaarlijk inwijding is. Het is geen wonder dat de meesters van wijsheid en mededogen nooit een inwijding houden als ze er niet heel erg zeker van zijn – door de beproevingen in het dagelijks leven van degene die ze, misschien wel gedurende een aantal levens, hebben bewaakt en bestudeerd – dat hij er geschikt voor is, gereed en voorbereid.

Het door de poorten van de zon gaan, om een van onze uitdrukkingen te gebruiken, moet bewust gebeuren. Anders is het nutteloos. En de zon is zelf een massa titanische energieën die alles wat lager staat dan een geestelijke ziel zou vernietigen. De energieën van de zon zouden het eenvoudig uiteen doen vallen zoals vuur dat met hout doet, het verteren – een denkbeeld waarop is gezinspeeld in het prachtige Griekse verhaal over hen die hebben geprobeerd het gelaat van Isis te zien, haar ‘sluier’ op te lichten, en zijn gestorven.

Occultisme is inderdaad een heel ernstige zaak. Het is geen kinderspel. In ieder opzicht is het ontzagwekkend, in de oorspronkelijke betekenis van het woord – het inboezemen van ontzag. Daarom is het oude gezegde juist dat discipline, training, aan de mysteriën voorafgaat, ter bescherming van de aspirant, de neofiet zelf.

Vr. – Mag ik iets anders vragen? Uit een diepgaande studie over Olcott en de geschiedenis van de theosofie meen ik te moeten concluderen dat Olcott eropuit was om van de Society voornamelijk slechts een filantropische vereniging te maken. Hij dacht aan nogal wat werk in die richting, door de activiteiten van loges uit te breiden met filantropisch werk. Ik wil graag weten of dat juist is, of HPB niet dacht dat het van weinig waarde voor de wereld zou zijn om alleen maar nóg een filantropisch genootschap op te richten, maar dat aan de basis daarvan de gedachte moet staan, en overal moet worden verspreid, dat er mysteriën zijn, dat er iets zeer verhevens is om na te streven, ook al zou dat vele levens vergen. Zij gaf de wereld een flits van iets dat oneindig veel hoger is dan wij zien. Olcott had daarover een andere mening. En nu moet dat weer aan de wereld worden gegeven zoals HPB dat wenste – het idee dat er iets diepers is, iets dat wordt gewekt in de ziel van hen die erover horen, een vonk die door niets anders kan worden opgewekt. Is dat de juiste opvatting hierover?

GdeP – Olcott was heel sterk van mening dat de Theosophical Society moest worden omgevormd tot een magisch genootschap. Het was HPB die erop aandrong dat filantropie in de oorspronkelijke betekenis van het woord – broederlijke liefde – aan al het theosofische werk ten grondslag zou moeten liggen. Bovendien wees ze erop dat magische praktijken de mensen niet verheffen, maar dat occultisme dit wel doet.

Dit is het tweede deel van wat u zegt, en terecht zegt: dat occultisme – de wijsheid van de oude religie-filosofie-wetenschap van de mensheid – de verklaring, de filosofie, de sleutels van het leven geeft, en aantoont hoe filantropie, broederlijke liefde, menselijke vriendelijkheid, niet moeten worden uitgelegd als emotionele bevrediging, maar als de belangrijkste wet van ethisch gedrag voor de mens.

Misschien dacht Olcott dat de Theosophical Society in haar verschillende loges en afdelingen en door haar werk in het algemeen de menselijke omstandigheden door gewone broederlijke gevoelens zou kunnen verbeteren, zoals dat in sommige broederschappen gebeurt. Olcott was geen mysticus. Hij was geen spiritueel denkend mens, hoewel hij in zijn tijd goed werk deed. Maar het was HPB die zei: ‘Nee, broederschap is de grondtoon van het occultisme, een fundamentele wet van het heelal.’

Vr. – Dat is in feite wat ik bedoelde, op één punt na. Ik zou nog iets verder willen gaan en zeggen dat Olcott er goed aan deed om te wijzen op het ideaal van de meesters als levende wezens, dat er mensen zoals zij bestonden – wat hij zeker op vele manieren heeft gedaan. Want als HPB zelf niet iets had opgewekt in de geest van de mensheid, iets dat hoger was dan wat tevoren ooit was gedacht – namelijk het denkbeeld van de grote wezens die door spirituele ontwikkeling tot zulke grote hoogten zijn geklommen – dan zou ze een grote invloed ten goede hebben verloren. Maar Olcott streefde als het ware meer naar een vereniging die zich alleen met liefdadigheid bezighield. Is dit alles juist?

GdeP – Het is waar, maar uw zinspelen op de meesters zoals u hier doet, verschilt enigszins van wat u tevoren heeft gezegd. Het is waar dat Olcott aan de wereld de leer wilde bekendmaken van het feitelijke bestaan van levende, heel verheven mensen – mensen die door evolutie het boeddhaschap, het christus-zijn hebben bereikt. Dat is waar. En hij deed er goed aan. Maar HPB had hem dat idee gegeven; hij kreeg die gedachte van haar. Over dat idee verschilden ze niet van mening. Maar er was wel een gevaar – en HPB wees hierop en legde de nadruk op dit gevaar – namelijk dat ieder die rondreisde om lezingen te houden zichzelf als leerling van de meesters zou presenteren en de aandacht zou afleiden van het werkelijke occultisme, en precies dat is gebeurd.

U kunt allerlei soorten mensen tegenkomen, en verschillende avontuurlijke oosterse leraren en andere sprekers die grotendeels hun eigen denkrichting volgen, en toch proberen enkele van onze leringen te onderwijzen – die het land afreizen en soms fragmenten uit de oosterse religieuze boeken onderwijzen, die ze meestal maar gedeeltelijk begrijpen.

Tegenwoordig zijn er in de wereld veel van deze niet geïnspireerde bewegingen of verenigingen. Deze mensen hebben tot op zekere hoogte de leringen overgenomen die door de Theosophical Society openbaar zijn gemaakt. Daarom is wat zij doen tot op zekere hoogte ons karma, en wij zullen als Society aan dat karma het hoofd moeten bieden, omdat wij verantwoordelijk ervoor zijn.

Het maakt niet uit dat wij als individuen aldoor moeten strijden tegen het verkeerd weergeven en het plagiëren van onze leringen. Per slot van rekening bracht onze Society de leringen onder de publieke aandacht, en zelfs al worden onze leringen verkeerd weergegeven of overgenomen, toch zal de natuur de draden van verantwoordelijkheid tot de bron volgen, omdat onze leringen door deze mensen verkeerd zijn weergegeven, en velen hebben misleid. En wij zijn daarvoor verantwoordelijk, ook al is dat misschien ongewild; maar onze beweging is niettemin tot op zekere hoogte verantwoordelijk.

Wanneer u dus onze leiders soms met nadruk hoort spreken en op een toon die sommigen misschien wat onvriendelijk lijkt, dan gebeurt dat omdat we moreel niet kunnen toestaan dat onze medemensen op een dwaalspoor worden gebracht.

Het is verkeerd te zeggen: ‘Maar deze mensen onderwijzen ook hoge denkbeelden.’ Sommigen doen dat, maar daar gaat het niet om. Ze leiden de aandacht van de mensen af van de werkelijke kern, de bron van dit alles.

Ons protest komt niet voort uit onverdraagzaamheid. Het is volstrekt geen dogmatisme. Het is eenvoudig het vaststellen van een feit en het geven van een waarschuwing. We moeten deze mensen die onze leringen verkeerd opvatten en een verkeerde interpretatie ervan doorgeven vriendelijk behandelen; maar we moeten ook de waarheid vertellen en de consequenties daarvan aanvaarden.

Vr. – Ik begrijp niet wat u zei over inwijding, dat deze de dood betekent. Ik had gedacht – totdat u in verband hiermee over Isis sprak – dat ze misschien de dood betekende van al het lagere in de mens, en van alles dat op een of andere manier tot ontaarding leidde. Maar misschien heb ik het niet goed begrepen.

GdeP – Ze heeft die betekenis, maar inwijding betekent ook de dood in de zin waarin ik erover sprak. Het houdt in dat het hogere deel van de constitutie van de mens die inwijding ondergaat, dezelfde weg volgt die de gemiddelde mens volgt wanneer hij sterft. Toch wordt het lichaam van de mens door witte magie in leven gehouden. Tijdelijk gaat hij voorbij de poorten van de dood, en keert terug.

Het verhaal van Orpheus in de Griekse mythe verwijst geheel en al naar dit feit. Orpheus ging naar de onderwereld om zijn geliefde Eurydice op te zoeken, en hem werd gezegd dat hij kon terugkeren en haar veilig kon meebrengen, als hij zich niet zou omkeren en haar aankijken. Maar de menselijke liefde in hem won het van de leringen, en hij draaide zich om om naar haar te kijken en verloor haar. Deze lering verwijst ook naar Orpheus als de monade die de onderwereld binnengaat, of onze materiële sfeer, om de menselijke ziel Eurydice naar de wereld hierboven te brengen.

Denk eens na over dit verhaal. Het wordt prachtig onder woorden gebracht en is vol esoterische betekenis. U moet volkomen onpersoonlijk zijn om tijdens de inwijding te slagen, noch naar links, noch naar rechts worden geslingerd. U moet geen kwaad doen en ook niets dat persoonlijk is – een onpersoonlijke energie die geen angst kent, noch onderworpen is aan enige invloed die afleidt. Alleen liefde moet uw ziel vervullen, mededogen – een aspect van liefde – medelijden, vriendelijkheid.

Vr. – Omvat filantropie in hoogste zin niet het occultisme? Ik moest denken aan een uitspraak die door HPB wordt aangehaald en volgens haar van de mahachohan komt, dat de ware theosoof de filantroop is die niet voor zichzelf maar voor de wereld leeft. En in het diepst van mijn hart denk ik dat filantropie – om elk middel te gebruiken dat geest en hart kunnen bedenken, en door de ziel van de mens kan worden bevat – in de meest ruime zin occultisme in zich moet sluiten.

GdeP – Dat is ook zo. Maar filantropie is een aspect, een van de vermogens, van het geestelijke wezen, terwijl occultisme niet alleen de wijsheid en kennis van het zichtbare en onzichtbare heelal is, maar een methode van verheven geestelijke training. Occultisme omvat de kennis van de innerlijke en onzichtbare kant van het heelal, en ook die van de uiterlijke kant – van zowel de geestelijke als de stoffelijke werelden. Onvolledige kennis is geen wijsheid. Maar als de ziel vervuld is van liefde en mededogen, is ze gereed en geschikt om het occultisme te bestuderen en het met succes in praktijk te brengen.

Vr. – Mag ik vragen of er tijdens de slaap enige voorbereidingen worden getroffen voor de beproevingen van inwijding?

GdeP – Voor de neofiet, bedoelt u?

Vr. – Ja.

GdeP – Dat gebeurt inderdaad. Hij is steeds in training, dag en nacht, terwijl hij waakt en terwijl hij slaapt. Hij wordt in de slaap beproefd. Niet beproefd, begrijp dit alstublieft goed, zoals het woord gewoonlijk wordt gebruikt, namelijk door struikelblokken en moeilijkheden op zijn weg te plaatsen om te zien wat hij zal doen – soms gebeurt dat, maar niet vaak – maar hij wordt beproefd om te kijken hoe hij het hoofd biedt aan de dingen die de natuur zelf op natuurlijke wijze voortbrengt: hoe de mens situaties, slapend en wakend, tegemoet treedt, hoe het innerlijke wezen zich gedraagt als het zich buiten het lichaam bevindt, waar het wordt bewaakt, omdat – ziet u de reden? De reden is duidelijk. Als er vreemde en kunstmatige toestanden werden voorbereid en op zijn weg gebracht, dan zouden ze niet dezelfde reacties teweegbrengen als die de natuur zelf oproept.

Ik kan iemand bijvoorbeeld op twee manieren beproeven. Ik kan tegen hem zeggen: ‘Beste broeder, ik ga u nu testen. Ik ga u niet zeggen wat ik zal doen, noch wat de beproeving inhoudt, maar ik ga erop letten hoe u reageert.’ Dan bereid ik een situatie voor en hij is vanzelfsprekend alert en op zijn hoede; hij is waakzaam. Dat is een kunstmatige test. Onder bepaalde uitzonderlijke omstandigheden kan die misschien een zekere waarde hebben. Maar de waarde is betrekkelijk gering. Mijn verbeeldingskracht is niet groot genoeg en gaat niet diep genoeg, en zelfs de verbeeldingskracht en het voorstellingsvermogen van de meesters van mededogen reiken evenmin diep genoeg om een test voor te bereiden zoals de natuur zelf dat doet.

De andere beproeving is: Ik zeg die man niets, maar ik let op hem – hoe en wat hij denkt, hoe hij handelt, wat hij doet. Hij is zich niet ervan bewust dat er op hem wordt gelet. Ziet u het verschil? Zo’n manier van testen is streng, omdat de natuur zelf – dit staat gelijk met te zeggen: de natuur van de man zelf – in haar beproevingen meedogenloos is. De neofiet plaatst zich door zijn reacties waar hij werkelijk hoort, in die categorie van zijn van de natuur, en hij wordt daarnaar beoordeeld.

Vr. – Mag ik een korte vraag stellen? Moeten we niet juist bedacht zijn op de toestand van ‘niet voorbereid zijn’, waarin ook wij, evenals de hele wereld, in hoge mate leven?

GdeP – Niet voorbereid zijn?

Vr. – Ja. Deze gedachte speelt al enige tijd in mijn hoofd, dat we konden worden getest, dat wil zeggen dat we iedere beproeving zouden kunnen doorstaan, als we maar niet zouden verkeren in deze toestand van ‘niet voorbereid zijn’ waarin we meestal leven en handelen.

GdeP – Ja, dat bevat een grote kern van waarheid. Het is de plicht van ieder van ons om ten aanzien van onszelf constant alert en waakzaam te zijn. U hoeft zich niet over iets anders druk te maken – noch over uw broeders, noch over de natuur, maar u zou uzelf in de gaten moeten houden. Wees voorbereid, wees altijd alert; het is in uw eigen belang.

De aspirant, de neofiet, weet dat hij in deze inwijdingen zal worden getest, maar hij begrijpt niet hoe, behalve dat hem de waarheid wordt gezegd: u zult uzelf beproeven. De natuur zal alleen maar de achtergrond zijn waartegen u als toneelspeler zult optreden.

Vr. – Om terug te komen op het onderwerp dat ieder atoom en iedere entiteit zijn eigen plaats heeft in de hiërarchie van evolutie – is dat niet uiteindelijk de reden voor het bezwaar tegen serumbehandeling en vivisectie? Werpen deze niet de orde van de natuur omver, omdat het de plicht van alles is het bewustzijn te ontwikkelen vanaf de plaats waar iets zich bevindt?

GdeP – Ik geloof van wel. Het is goed geformuleerd. Mijn voornaamste bezwaar tegen serumbehandeling is dat ze iets in de bloedstroom brengt dat het lichaam zelf niet erin heeft gebracht – in relatieve zin natuurlijk, iets vreemds, een vijand, een vreemde kracht of energie of kiem.

Natuurlijk is de zaak niet zo eenvoudig als ze lijkt. Gaan we ver genoeg terug in de tijd, dan zouden we zien dat de dieren uit de oorspronkelijke mensheid zijn voortgekomen, en in die zin zouden de serums niet absoluut vreemd zijn aan onze bloedstroom. Maar ze zijn vreemd in die zin dat de afstand in evolutie die de mensheid sindsdien heeft afgelegd zo groot is dat serumbehandeling werkelijk in het lichaam van de mens ziektekiemen brengt, of stoffen die zijn uitgescheiden of afgeworpen tijdens toestanden van ziekte in lagere wezens, die voor het lichaam waarin ze worden gebracht uiteindelijk heel nadelig worden.

U kunt één ziekte genezen en tegelijk drie ergere inplanten, of de kiemen ervoor leggen. Wat kiest u zelf? Ik heb van mensen gehoord die kiespijn hadden en erover dachten of het niet verstandig zou zijn het hoofd af te snijden om de kiespijn te genezen. Dat is zeker een middel om de kiespijn weg te nemen.

Vr. – In verband met deze vraag: Als iemand wordt opgeroepen voor militaire dienst, dan is hij normaal gesproken min of meer machteloos. Ongeveer de tweede dag dat hij in het leger is, wordt hij ingeënt tegen tyfus en op de derde dag of na een week tegen pokken. Zijn hele natuur verzet zich ertegen, maar wat kan hij ertegen doen?

Zou hij zich niet kunnen realiseren dat hijzelf per slot van rekening niet zijn lichaam is, en als zijn karma hem in die situatie plaatst, moeten dan de krachten hun loop hebben en moet hij proberen zich erboven te verheffen? Dat is tenminste de houding die ik heb aangenomen toen ik in het leger was.

GdeP – Ja dat is een lastig probleem om op te lossen. Ik heb me vaak afgevraagd wat ik zou doen. Ik weet niet wat ik had gedaan. Volgens de wet moest ook ik mijn naam laten registreren. Ik geloof dat als ik zou zijn opgeroepen, men mij zou hebben ingeënt. Ik zou met alle kracht hebben geprotesteerd. Ik weet niet wat ik verder zou hebben gedaan.

Vr. – Zou het onder zulke omstandigheden niet te rechtvaardigen zijn om bedrog als middel te gebruiken, bijvoorbeeld door onwaarheden te vertellen, om zo’n inenting te voorkomen?

Vr. – Ik zou niet weten wat voor onwaarheid ik zou moeten vertellen.

GdeP – Ik weet niet wat ik in die omstandigheden zou hebben gedaan. Dat is een van die situaties waarin iemand wordt blootgesteld aan iets waarvan hij weet dat het verkeerd is; toch heeft hij een plicht tegenover zijn land en de bestaande wetten, hoe verkeerd ze misschien ook zijn.

Natuurlijk wordt op de lange duur voor al deze dingen gezorgd. Een mens die in een toekomstig leven een ziekte oploopt door zijn eigen slechte daden in dit leven is volstrekt verantwoordelijk. Maar deze vraag vormt een probleem. Ik weet haast niet wat ik erop moet zeggen. Ik zou zeker onder geen enkele omstandigheid willen adviseren tot het moedwillig, opzettelijk negeren van de wetten van het land waaraan men rechtmatig onderworpen is, zelfs als men denkt dat die wetten verkeerd zijn. Persoonlijk zou ik dat niet kunnen; het zou niet juist zijn.

Ik denk dat ik alleen zou antwoorden dat dit probleem moet worden overgelaten aan het eigen geweten van de betreffende persoon.

Vr. – Is het per slot van rekening niet het karma van hen die moeten worden ingeënt?

GdeP – Natuurlijk is het dat. Zeer zeker. Er is een oud gezegde: ‘De duivel moet noodzakelijk in de wereld zijn; maar wee hem door wie het kwaad komt.’ En dit is waar.

Vr. – Toevallig hoorde ik Mw. Tingley precies daarover tot haar studenten spreken toen deze vertrokken. Door de vraag is mij het volgende te binnen geschoten: als iemand zo’n moeilijkheid moet ervaren en zichzelf beheerst, zoals KT inderdaad haar jongens opdroeg te doen toen ze vertrokken, dan komt hij er gezien de omstandigheden zo veilig mogelijk doorheen.

GdeP – Heel juist. Het natuurlijke fysieke karma wordt onder die omstandigheden aanzienlijk verzacht, en is dan gering.

Vr. – Mag ik een vraag stellen die me erg heeft beziggehouden? Het gaat over evolutie. Ons is gezegd dat we heel ver achterop zijn geraakt, dat we nu veel verder gevorderd moesten zijn dan in feite het geval is, en dat dit de oorzaak is van zoveel spanningen in deze tijd. En ik ben benieuwd of u me zou kunnen zeggen of de hele loop van de evolutie abnormaal was.

Ik wil hier even iets zeggen over het onderwerp Jehova. Zonder te aarzelen verklaart HPB dat hij een van de lagere goden was. Zij spreekt over hem in een of twee voetnoten en over zijn manier van optreden wanneer hij Adam en Eva uit het Paradijs verdrijft. Als Adam en Eva nu in verzet waren gekomen omdat ze geen fout hadden begaan door het licht te ontvangen, en hadden gezegd dat ze het Paradijs niet zouden verlaten, wat dan? Deze verhalen hebben me al mijn hele leven dwars gezeten. Als ze eenvoudig hadden gezegd: ‘Meneer Jehova, we gaan niet’, dan zouden ze waarschijnlijk niet zijn gegaan omdat ze iets in zich hadden dat hij niet bezat. Zij stonden volgens de lering hoger dan Jehova zelf. Ze zouden dan moed hebben kunnen vatten en zijn vertrokken en de loop van hun evolutie buiten het Paradijs hebben voortgezet, vrijwillig en opgewekt, en alles zou anders zijn gegaan.

Is dat nu maar een wilde theorie of had dat kunnen gebeuren? Is het nodig te voelen dat ons hele karma als mensen na die Gouden Eeuw, die periode van kind-zijn, als het ware, slechts is zoals beesten die worden voortgedreven door de moeilijkheden van het leven, zonder ooit een kans te hebben om eens op adem te komen of tot zichzelf te komen? Of was ons karma vanaf het begin abnormaal?

GdeP – U neemt een mythologisch verhaal, waarvan u erkent dat het mythologisch is, en stelt toch een vraag erover alsof het een werkelijke gebeurtenis betreft.

Vr. – Ik bedoelde wat het verhaal voorstelt.

GdeP – Ja, dat begrijp ik. Als antwoord op uw vraag over karma zeg ik: ik geloof van niet. Het is volkomen waar dat een entiteit op iedere trap van zijn bestaan kan zeggen: ‘Ik weiger verder te gaan’, maar ik twijfel eraan of die weigering de entiteit veel goed zal doen. Kinderen, zoals de veronderstelde Adam en Eva waren, kunnen zeggen: ‘Nee, dat wil ik niet; ik wil dit of dat of iets anders.’ Heeft het kind veel aan die uitspraak?

Het bijbelse verhaal van Adam en Eva in het Paradijs heeft betrekking op de vroege mensheid in haar toen niet geëvolueerde bestaanstoestand. Al de gebeurtenissen in de Hebreeuwse bijbel worden in verhaalvorm verteld. Adam en Eva moesten het Paradijs verlaten, met andere woorden hun toenmalige staat van onschuld, om te leren, te evolueren, te groeien. Als Adam en Eva – met andere woorden, de vroege mensheid – hadden gezegd: ‘We weigeren onze staat van kinderlijke onschuld te verlaten en te leren, te groeien en te evolueren’ zou dat dwaas zijn geweest, even dwaas als een kind dat zegt: ‘Nee, ik wil niet leren.’

Lijden is onze grootste leraar. Elke soort pijn – voornamelijk geestelijke, mentale, emotionele pijn – is een van onze grote leraren. Succes is een heel armzalige leermeester; het doet ons inslapen, het maakt ons zelfvoldaan. Maar lijden, de goddelijke ontevredenheid wekt ons uit onze bekrompen zelfgenoegzaamheid en zelfingenomenheid en stuwt ons vooruit.

Vr. – Mag ik iets anders vragen? Wat me in verwarring bracht was het feit dat Jehova door HPB als nogal verachtelijk werd beschouwd, en dat het feit dat hij hen verdreef, zijn hele manier van doen, een jaloerse en wrede handeling was. En ik vroeg me af of een entiteit of een god in plaats daarvan, die als grondtoon mededogen en geen wreedheid zou hebben gehad, hen zo onvoorbereid zou hebben verdreven.

Neem bijvoorbeeld het volgende geval: Een moeder is misschien door karma verplicht de zware last te dragen van de zorg voor een oude vriendin of familielid. Die persoon kan door de wet worden verplicht dit te doen, en ze kan het met tegenzin en op een onvriendelijke manier doen. Of ze zou daarbij haar kracht en liefde en mededogen kunnen inzetten, en dit werk bereidwillig en met veel liefde doen, en die taak van begin tot einde met vreugde vervullen, en het dus beter doen.

Als die bepaalde god niet in de weg had gestaan, en als hij meedogend in plaats van wreed had gehandeld, zouden we dan niet de evolutie vrijwillig op ons hebben genomen en deze met vreugde hebben ondergaan? We zouden onze achterstand allang hebben ingelopen, en alles zou meer normaal zijn verlopen. Of is dat onjuist? Zal iedere wereld zo’n sombere periode moeten doormaken zoals wij?

GdeP – Alleen geëvolueerde mensen hebben de hoge graad van begrip waarover u spreekt. Maar in zijn kinderlijke onschuld had het jonge babyras nog niet geleerd om in te zien dat evolutie en groei alleen totstandkomen door pijn en lijden en de strijd om iets te bereiken. Bovendien is Jehova, de esoterische betekenis van Jehova, zoals hij in de Hebreeuwse bijbel wordt afgeschilderd, een symbolische term voor krachten in de natuur. Deze zijn op zichzelf niet wreed. Het hart ervan is mededogen en wijsheid. Jehova en de engel met het vlammende zwaard zijn slechts uitdrukkingen, mythologische uitdrukkingen, van de werking van deze natuurwetten, van de werking van de natuur.

En verder staat onze planeet, deze vierde planeet van onze keten in deze vierde ronde, rechtstreeks onder de invloed van de planeet Saturnus, waarmee Jehova in de joodse mythologie nauw is verbonden, en de term Jehova werd daarvoor als symbool gebruikt.

Maar ik heb genoeg erover gezegd. Het onderwerp zou ons op abstracte en misschien minder interessante vragen over astrologie kunnen brengen.

Vr. – Mag ik een vraag stellen die ik hoorde toen ik de loge in Boston bezocht? Ze is misschien niet esoterisch, maar misschien ook wel. Het ging over het eten van vlees. Er waren leden die erg van streek raakten bij de gedachte aan het eten van vlees, ‘het opeten van onze jongere broeders’, zoals ze zeiden. Ze vonden dit zo verschrikkelijk omdat ze vol mededogen dachten aan het lijden dat die wezens ondergingen wanneer ze werden gedood. Toen werd het andere aspect naar voren gebracht dat we ‘door onze jongere broeders op te eten’ aan hen de kans geven vele keren meer te leven, en dat als wij niet al deze kippen, enz., opeten, zij niet zo vaak in het leven zouden komen. Het probleem werd toen niet opgelost.

GdeP – Natuurlijk wil ik u openlijk zeggen dat iedere esotericus moet proberen geen vlees te eten. Het kan echter geen misdaad worden genoemd, en toch moet ik hier een voorbehoud maken. Het is een van de verschrikkelijke dingen die horen bij het huidige stadium van onze mensheid.

Ik geloof dat de gedachte om onze ongelukkige medeschepselen, de dieren, te doden om van hun lichaam te eten inderdaad beestachtig is. In de hogere graden in onze orde is vlees eten helemaal niet toegestaan – niet zozeer omdat het een misdaad is, maar om redenen van mededogen en lichamelijke zuiverheid. In feite hebben we geen vlees nodig. Vleesspijzen hebben een stimulerend effect op het lichaam en ook een vergrovend, verruwend effect. Toch heb ik iemand gekend, een chela (hij was inderdaad een uitzondering, maar hij stond op een betrekkelijk hoge trap), die soms vlees at met één bepaald doel (u zult verbaasd zijn dat te horen), namelijk om welbewust zijn lichaam te vergroven. Het kon niet worden bereikt met verdovende middelen, want die zijn streng verboden. Het kon ook niet met drank, wat ook een bedwelmend middel is. In dit opzicht werd hij als ongelukkig beschouwd. Hij deed het doelbewust om in zijn filantropische werk meer in contact te blijven met het fysieke gebied – als u mijn gedachten kunt volgen. Het idee is nogal moeilijk in woorden uit te drukken.

Dit voorbeeld wordt door mij niet aangehaald om te worden nagevolgd. Integendeel, ik noem het als een voorbeeld van een werkelijk edel mens die in zijn huidige incarnatie in één opzicht karmisch ongelukkig was.

Vlees eten is niet goed. U kunt dit feit maar beter onder ogen zien. Maar zoals de mensheid er nu voor staat, en met het oog op haar vroegere evolutie, kan het waarschijnlijk geen misdaad worden genoemd. Het is een ongelukkige situatie, en iedereen die met vlees eten kan ophouden – vooral zij die tot onze orde behoren – moet dat doen, als hij het gevoel heeft dat hij dit kan.

We helpen de dieren niet in hun vooruitgang door hun vlees te eten. Dat is een misvatting. We beletten de vooruitgang die ze anders op natuurlijke wijze zouden boeken, omdat we hun leven bekorten. Ze moeten het incarnatieproces herhalen.

Maar veel belangrijker dan het eten van vlees is het beheersen van de grove hartstochten van de mens. Dit zijn de werkelijke vijanden waartegen de neofiet moet strijden en die hij moet overwinnen. En wat zijn die grove menselijke hartstochten? De seksuele hartstocht is daarvan niet de ergste, al is die erg genoeg. Moordend voor de ziel zijn vooral haat, boosheid, jaloezie, afgunst, enz., want grove mentale neigingen zoals deze zijn een belemmering voor elke spirituele intuïtie. Ze vormen het beest in de mens dat we moeten doden. En deze woorden bedoel ik letterlijk.

Vr. – Om door te gaan op wat ik zojuist heb gezegd: Ik heb gemerkt dat heel veel mensen even radicaal denken over het dragen van bont, waardoor het leven van dieren wordt afgesneden – deze mensen waarschuwen ons tegen alles wat te maken heeft met het bekorten van het leven.

GdeP – Ik moet zeggen dat ik bewondering heb voor de geest, het vriendelijke gevoel van medelijden, van mededogen, dat ten grondslag ligt aan wat u heeft gezegd. Maar ik vind dat het gedrag en de manier van verwoorden die uit dit gevoel van mededogen voortkwamen in de gevallen die u noemt misschien wat extreem waren.

Ik heb eens iemand gekend, een lid van de TS, overigens een gewone man, die vegetariër was. Hij dronk niet, nam geen verdovende middelen. Hij dacht dat hij snel vorderde. Maar ik hoorde op een dag dat hij de uiterst onaangename gewoonte had zijn vrouw en kinderen te slaan. Hij had een driftig temperament en werd gemakkelijk beheerst door die onterende hartstocht. Ik kwam ook te weten – het is me tenminste verteld, en ik heb geen reden tot twijfelen want ik weet dat mijn zegsman een eerlijk mens is – dat hij, toen hij jonger was, een aanzienlijk fortuin had vergaard door bedrog.

En toch dacht hij dat hij gevorderd was. Hij was een heel vooraanstaand man in zijn loge. Hij at geen vlees, dronk niet, vloekte niet, nam geen verdovende middelen. Om een uitdrukking te gebruiken van iemand die ik sprak: ‘Hij is de meest zachtaardige mens die ik ooit ontmoette.’ Hij had klamme handen en vissenogen; ik vond helemaal niet dat hij spiritueel was.

Nee, het is het beest in ons dat we moeten doden – onze eigen slechte kant. Als we die hebben overwonnen, en geheel de baas zijn, dan zult u geen vlees meer eten. U heeft het dan niet nodig. Maar zoals HPB zegt in De Sleutel tot de Theosofie: ook al is het eten van vlees verschrikkelijk, het is geen misdaad, het is iets ongelukkigs.

Vr. – Als wij de gedachten zijn van hen die de mensheid waren in het vorige kosmische manvantara, worden onze gedachten dan de mensheid van het volgende manvantara?

GdeP – Van het volgende kosmische manvantara, niet het planetaire manvantara. Maak onderscheid daartussen.

Vergeet niet dat gedachten elementalen zijn die alleen de vorm aannemen van gedachten wanneer ze de horizon van ons bewustzijn passeren. Ze zijn onze kinderen, voortgekomen uit ons als hun bron van levenskracht. We noemen ze gedachten. In werkelijkheid zijn ze elementalen, bewustzijnscentra, die zich in dit manvantara in het laagste stadium van hun groei bevinden.

Wel, vrienden, ik geloof dat we nu beter kunnen afsluiten. We hebben werkelijk een heel interessante bijeenkomst gehad.

[Luiden van de gong.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 156-88

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag