28

Supplement

 

24 oktober 1933

De zonne-inwijding

GdeP – Ik zou willen wijzen op een feit dat u meer duidelijkheid kan geven over de ‘incarnatie’ van de manasaputra’s. Als een chela van een hogere graad gereed is een van de hogere inwijdingen te ondergaan – en ik denk speciaal aan de inwijding die tijdens het wintersolstitium plaatsvindt – en met succes de beproevingen doorstaat, dan komt hij, wanneer zijn omzwervende geest-ziel uit de kosmische ruimten terugkeert, niet terug zoals hij is gegaan, maar wordt vergezeld door een godheid die met hem ‘terugkeert’ en een langere of kortere tijd bij hem blijft, wat in de eerste plaats afhangt van de graad van de nieuwe ingewijde, of beter gezegd initiant, en ook van een aantal andere factoren.

De godheid die met hem terugkeert als een gast van zijn eigen constitutie vervult de nieuwe ingewijde met de goddelijke vlam van die godheid zelf, zodat het lijkt alsof het lichaam van de ingewijde gloeit van een heilig licht. Uit ieder deel van zijn wezen straalt licht. Zijn lichaam straalt werkelijk met het licht van de zon, want het is inderdaad een zon-god die zich tijdelijk in de hogere manasische delen van de nieuwe ingewijde heeft belichaamd en hem op die manier vervult; zodat wanneer degene die zojuist een ingewijde is geworden uit zijn trance opstaat, hij dat letterlijk doet als een mens-god, een mens van wie de hogere delen tijdelijk volledig zijn ontwaakt, en die tegelijkertijd ‘lijdt’, in de technische betekenis van het woord, dat wil zeggen het voertuig is van de zonnegod die met hem is teruggekeerd. Deze twee leven een poos samen als een eenheid. De zonnegod heeft de hogere delen van de hogere delen van de constitutie van de neofiet verlicht; zodat gedurende een aantal dagen of weken, of misschien maanden, die mens werkelijk rondloopt als een geïncarneerde god-mens die zich bewust is van zijn eigen goddelijkheid, en die bovendien het voertuig is van de nog hogere godheid met wie hij zich had verenigd toen hij de zon bereikte.

Na een paar uren, dagen, weken of maanden trekt de godheid zich terug, keert weer terug naar de zon; en de mens is daarna een god-mens die was, en die weer een god-mens zal zijn, maar die – tenminste voorlopig – niet langer het voertuig van de zonnegodheid is. Niettemin vervult die zonnegodheid de ingewijde gedurende de rest van zijn geïncarneerde leven, en bekleedt hem met een straal van zichzelf. Precies zó ontstaan de boeddha’s: ze zijn dat natuurlijk in de eerste plaats door hun eigen gerichte inspanningen geworden, en ze worden ware boeddha’s omdat een straal van de buddhische luister van een zonnegod hen vervult. Een ware boeddha heeft deze theopathie, om een technische term te gebruiken, zijn hele leven lang, hoewel dat voor de mensen in de nabijheid van de boeddha niet waarneembaar is – dat wil zeggen niet voor iedereen merkbaar is. Op bijna dezelfde manier, maar met minder intensiteit, verlichtten de manasaputra’s de slapende denkvermogens van de jonge mensheid van het derde wortelras op deze vierde bol in deze vierde ronde.

 

14 november 1933

Elementalen

Volgens onze esoterische leer, de leer die in de mysteriescholen wordt onderwezen, is het heelal uit elementen, uit fundamentele element-beginselen, opgebouwd. Omdat het hele universum bezield is, vol leven en levens, bestaan deze fundamentele elementen of element-beginselen uit levens – en ze leven niet alleen daarin, maar deze levens vormen of stellen deze fundamentele elementen werkelijk samen. Die entiteiten of levens van deze elementen, die de eerste stap vertegenwoordigen vanuit homogeniteit in een van die elementen, zijn wat men elementalen noemt – met andere woorden, entiteiten die nog maar pas beginnen te evolueren tot complexere structuren met ingewikkelder vormen van bewustzijn. Ook zij zijn wezens die van niet-zelfbewuste godsvonken opgroeien om tenslotte zelfbewuste godheden te worden en daarna zelfbewust deel te nemen aan het werk van het heelal.

We kunnen de elementalen werkelijk beschouwen als de bouwstenen, of geïndividualiseerde deeltjes van energie-substantie, die tot de zeven gebieden van prakriti, en daarom van het heelal, behoren. Alles in de prakriti- of substantiële kant van het heelal steunt op de drie elementalenrijken. Vanuit dit gezichtspunt komen de elementalen overeen met de levensatomen in ons eigen lichaam, omdat deze levensatomen zelf tot zeven of tien verschillende klassen behoren die overeenkomen met de zeven gebieden van prakriti en daarom met de zeven of tien kosmische elementen. Deze levensatomen in ons lichaam bouwen ons lichaam op en worden gebruikt door de verschillende monaden die de zeven- of tienvoudige constitutie van de mens samenstellen. Daarom zijn er elementalen die ieder van de zeven beginselen van de mens samenstellen of de grondslag ervan zijn.

Als een geheel vormen de elementalen daarom zowel de krachten van de natuur als de substanties van de natuur. Als ze gezamenlijk als energieën werken zijn ze krachten, en wanneer ze gezamenlijk als lichamen werken zijn ze de substanties van de natuur. Het is volkomen onjuist de elementalen als wezens te beschouwen die alleen maar in de natuur leven, en niet als wezens die de natuur vormen. Ook is het fout ze als iets eigenaardigs of engs te beschouwen, als slechts kleine geesten die om ons heen zweven. De elementalen zijn de bewoners van de elementen, en alle wezens die verder zijn geëvolueerd dan de elementalen maken van hen gebruik voor alles wat deze hoger ontwikkelde wezens doen of zijn.

De elementalen kunnen ook de natuurkrachten worden genoemd, of natuurgeesten, want de hele natuur is in meerdere of mindere mate bewust. Wat er ook gebeurt – hoe schijnbaar onbewust ook – komt in feite tot stand door de doelgerichte of onbewuste activiteit van de elementalen, of ze nu handelen voor zichzelf of als de voertuigen van hogere intelligenties.

Daarom wordt gezegd dat sommige elementalen in het heelal de mens gunstig gezind zijn, omdat de mens zich op dat punt van zijn evolutie bevindt waar juist deze elementalen hem helpen. Andere elementalen zouden vijandig tegenover de mens staan, niet omdat de elementalen zelf slecht zijn, of uit haat de mens kwaad willen doen, maar eenvoudig omdat de mens zich nu in een evolutiestadium bevindt waarin deze elementalen automatisch ongunstig op hem reageren. Iemand kan bijvoorbeeld verkouden worden omdat hij op de tocht heeft gezeten. Dit is niet de schuld van de daarbij betrokken elementalen, maar van de mens zelf die op de tocht blijft zitten en zich op die manier blootstelt aan deze bijzondere soort van automatische werking van elementalen. Maar er zijn elementalen op alle gebieden van prakriti, en daarom op alle gebieden van de constitutie van de mens. Er zijn dus manasische elementalen, kamische elementalen, enz.; en enkele van die elementalen die behoren tot de hogere gebieden van prakriti kunnen de mens veel nadeel bezorgen tenzij hij waakzaam is en hun actie weerstaat, wat hij altijd kan doen door zijn krachtige wil en hoge intelligentie.

Er zijn ook elementalen die in hun eigen evolutie een punt hebben bereikt waarop ze proberen zich op aarde te belichamen en dat ook kunnen doen; deze klassen van elementalen zijn verder geëvolueerd dan andere. Ze vormen dus de verschillende orden en families van de levende wezens die lager staan dan de mens, die men gewoonlijk de hogere planten, de insecten en de dieren noemt. Ze zijn allemaal belichaamde elementalen: de dieren zijn hooggeëvolueerde elementalen; de insecten zijn minder ver ontwikkeld. Ook wij mensen gingen in onze evolutie ooit, in een ver verleden, door het stadium van een elementaal, en waren toen dus elementalen.

De vuur-elementalen kunnen heel vriendelijk voor de mens zijn wanneer hij een juist gebruik van hen maakt, maar ze kunnen zijn bittere vijanden worden, heel gevaarlijke vijanden. Ze kunnen zijn huis afbranden, of zijn lichaam door brand verwonden; maar het zou dwaas zijn te zeggen dat de vuur-elementalen, omdat ze automatisch handelen overeenkomstig hun aard, boosaardig zijn, of dat ze in wezen de mens onvriendelijk gezind zijn. Als we de elementalen van de vier lagere en best bekende klassen beschouwen, de salamanders, sylfen, undinen en gnomen, dan zijn waarschijnlijk de sylfen, de lucht-elementalen, voor de mens in zijn huidige staat van evolutie de gevaarlijkste van alle, want om een of andere vreemde reden schijnen ze een bijzondere psychische invloed te hebben op het kama-deel van zijn constitutie.

Van de elementalen, de bewoners van de respectieve elementen, bestaan verschillende orden, families en soorten. De zeven prakriti’s of elementen van de natuur worden door hen samengesteld, en deze zeven kosmische elementen zijn de grote reservoirs van wezens die in deze elementen aan hun evolutiereis omhoog naar het goddelijke beginnen. Ook de elementalen zijn dus gedeeltelijk geïndividualiseerde entiteiten, babyzielen in de school van het leven. Gewoonlijk werken ze in groepen of in golven of stromen, maar er zijn ook heel vaak manifestaties van de werking van individuele elementalen. Het is verkeerd de elementalen op te vatten als volkomen geïndividualiseerde kleine geesten, op de manier waarop de feeën of elfen, kabouters of dwergen in Europese volkslegenden worden beschouwd. Dit zijn verschillende namen voor verschillende soorten elementalen; en zelfs de middeleeuwse beschrijvingen van hen zijn tamelijk nauwkeurig, als deze maar niet de indruk wekken dat de elementalen even intelligent zijn als de mens, of dat ze dezelfde vrijheid van wil en geweten hebben als de mens, want dat is niet het geval. De elementalen zijn quasi-geïndividualiseerde natuurgeesten, en verrichten in feite al het fysieke werk in de wereld. Ze kunnen ook terecht worden beschouwd als levensatomen in een bepaald evolutiestadium.

Vergeet ook niet dat de elementalen monaden zijn die zich door middel van hun stralen in de respectieve prakriti’s of elementen van het heelal hebben belichaamd. Daarom is ieder elementaal op weg om een mens te worden, en tenslotte een god. Omdat bovendien ieder van de zeven of tien prakriti’s van de natuur, ieder van de zeven of tien element-beginselen van de natuur, uit deze levens of levensatomen bestaat, zijn er dus elementalen van alle zeven of tien verschillende graden van etherische dichtheid of van spiritualiteit. Deze verschillende graden van elementalen kopiëren slaafs de beelden in het astrale licht van vroegere gebeurtenissen, waaronder natuurlijk de beelden van vormen in al hun eindeloos vele soorten. Bovendien volgen ze slaafs de orden of families of soorten van wezens die verder zijn geëvolueerd dan zijzelf, en proberen hen, hoewel onbewust, te evenaren. Daarom hebben de elementalen van de hogere prakriti’s of elementen soms een menselijke of quasi-menselijke vorm, of de vorm van dieren, hetzij naar het voorbeeld van mensen of dieren die nu op aarde zijn, of overeenkomstig de beelden in het astrale licht van mensen of dieren die in vroegere manvantara’s hebben geleefd.

De elementalen van het vijfde kosmische gebied, van onderaf gerekend, of wat we de mahatische of manasische elementalen zouden kunnen noemen, hebben de neiging een menselijke vorm aan te nemen. Dit is echter slechts een maya, iets dat lijkt op een vorm, omdat ze, hoewel ze als half geïndividualiseerde entiteiten de menselijke gedaante kunnen hebben, zielloos zijn, want ze hebben geen menselijke ziel. Het is alleen maar de vorm in het astrale licht die ze blindelings, slaafs, automatisch imiteren. Dat is een van de redenen waarom de kamaloka en het astrale licht vol elementalen zijn in allerlei graden van ontwikkeling, die verschillende gedaanten of verschijningsvormen aannemen van mensen die hebben geleefd. Maar al deze verschijningsvormen zijn zielloos omdat ze slechts elementalen zijn in menselijke gedaante of vorm. De elementalen hebben tot nog toe geen menselijke ziel ontwikkeld en hebben dus – vanuit het standpunt van de mens gezien – geen geweten of moreel besef.

Zo kan men nog eens zien hoe dit soort elementalen voor de mens vriendelijk of heel onvriendelijk kan zijn, en zelfs schadelijk, niet omdat er enig kwaad in hen is, maar door het onheil dat ze kunnen stichten door hun mayavi- of illusoire verschijningsvorm en door de gevolgen die ze kunnen teweegbrengen.

Om te besluiten, en een vergelijking te maken die van nut kan zijn: er is ongeveer een even groot verschil in evolutie tussen een elementaal en een mens als tussen een levensatoom en een mens; of om het anders te zeggen, tussen een menselijk embryo in zijn eerste groeistadium en een volwassen mens als tussen een elementaal en een dier.

 

25 september 1942

Dierlijke monaden

Het onderwerp ‘het binnengaan van het mensenrijk door de dierlijke monaden’ klinkt ingewikkeld; het is misschien ook wel ingewikkeld, maar toch zijn de beginselen ervan eenvoudig genoeg. Stel dat we even afzien van de details en onze aandacht richten op de basisbeginselen, dan kunnen we misschien de draad van Ariadne vinden waardoor het onderwerp eenvoudig wordt. Details zijn altijd belangrijk, maar ze brengen ons denken in verwarring.

De algemene beginselen waardoor een levensgolf of rijk van wezens naar het volgende en hogere rijk gaan zijn voor de hele levensladder dezelfde – naar analogie dezelfde, niet noodzakelijkerwijs dezelfde in details. Dit is het eerste punt om in gedachten te houden en het zal worden geïllustreerd door de manier waarop mensen naar het laagste van de drie dhyan-chohan-rijken gaan, dat net boven dat van ons mensen ligt.

Men moet ook bedenken dat de rondtrekkende, rondzwervende monaden de belangrijkste factoren zijn om op te letten. Als ze tot zelfbewuste individualiteit zijn gekomen zou u ze zelfs hogere ego’s kunnen noemen. Als ze geen zelfbewuste individualiteit hebben bereikt, dan is de term monade beter. We spreken dus over de monaden van het mineralenrijk, het plantenrijk en zelfs van het dierenrijk, hoewel de allerhoogste dieren de kenmerken van een ego beginnen te vertonen. Met andere woorden, de monade heeft op deze lage gebieden voldoende ervaring opgedaan om rond zichzelf een egoïsch omhulsel van bewustzijn te hebben opgebouwd.

Het derde punt om in gedachten te houden is dat de monaden niet naar het volgende en hogere rijk kunnen gaan vóór het zelf gereed is om de binnenkomende monaden uit het direct daaronder gelegen rijk op te nemen. In het volgende en hogere rijk moeten heel lage klassen van wezens zijn die de lichamen verschaffen voor de monaden uit het rijk daarbeneden; en die monaden uit het lagere rijk zijn altijd de hoogste uit dat rijk, anders zouden ze niet gereed zijn om de lichamen van de laagste wezens van het daarboven liggende rijk binnen te gaan.

De hoogste dieren zijn dus de mensapen, die het verst zijn ontwikkeld wat betreft een zwak schijnsel van een ik-gevoel. Gedurende de vierde ronde zullen de ego’s of kind-ego’s of monaden van de mensapen geleidelijk beginnen te incarneren in de laagste, meest primitieve en minst geëvolueerde mensen van het zesde wortelras. Denk er alstublieft aan dat dit niets te maken heeft met de lichamen van de mensapen. Tijdens het zesde wortelras zullen de mensapen uitsterven, waardoor ze dus vrij zullen zijn om te incarneren in de laagste menselijke lichamen van het zesde wortelras.

De meeste dieren van het dierenrijk zullen ook uitsterven en hun nirvana ingaan, waar ze moeten wachten op de volgende belichaming van de aarde vóór ze hun kans krijgen om mens te worden. Dat komt omdat de meeste dieren nog niet gereed zijn de opgaande boog te volgen, maar de mensapen zullen daartoe in staat zijn en zullen vóór het eind van het zesde wortelras weinig ontwikkelde mensen worden. Aan het begin van het zevende wortelras in deze ronde zullen er helemaal geen mensapen meer zijn. Ze zullen zijn uitgestorven en hun baby-ego’s zullen dan de laagst ontwikkelde mensen zijn geworden. Enkele dieren, zelfs vele, zullen voor korte tijd in de vijfde ronde op onze vierde bol verschijnen, maar dat zal niet lang duren, en ze zullen sneller uitsterven dan ze dat in de toekomst in deze vierde ronde zullen doen. Dan zullen ze gedurende de rest van de zeven ronden die onze keten nu doorloopt, blijvend hun nirvana zijn ingegaan. Al deze bijkomstige gedachten maken deel uit van de uitleg en moeten daarom worden genoemd.

Een lager rijk gaat aldus door zich geleidelijk te ontwikkelen naar het onmiddellijk erboven liggende rijk, en de monaden proberen op vele wijzen en langs vele wegen dat hogere rijk binnen te gaan, precies zoals wij mensen proberen dhyan-chohans te worden door ons verder te ontwikkelen. Er zijn verschillende manieren waarop wij het dhyan-chohan-rijk kunnen binnengaan, en er zijn verschillende manieren waarop de dieren het mensenrijk kunnen binnengaan. Vergeet niet dat ik spreek over monaden, niet over lichamen. Een lichaam van een dier wordt nooit een menselijk lichaam. Een menselijk lichaam wordt nooit een dhyan-chohanisch lichaam.

Wat de zogenaamde dierlijke monaden in het mensenrijk betreft: deze zijn de hoogste van alle mogelijke dierlijke monaden en de eerste die in een nieuw of toekomstig manvantara echte mensen zullen worden. Het zijn monaden die vroeger bij het dierenrijk beneden het mensenrijk behoorden, die omdat hun lot karmisch is verbonden met een monade, in het mensenrijk komen als een dierlijke monade van de mens wanneer die dierlijke monade uit het dierenrijk een stadium heeft bereikt dat men halfmenselijk kan noemen, de dageraad van een ego-bewustzijn, het begin van halfmenselijk bewustzijn, maar toch van een dierlijk type. Men zou dat een dierlijke mens kunnen noemen, en niet een menselijke mens, zoals mensen zijn.

Pas dezelfde gedachtegang toe op de manier waarop menselijke monaden het laagste dhyan-chohanrijk binnengaan, en u zult het misschien beter begrijpen. Ik heb zojuist gesproken over de mensaapmonaden, of baby-ego’s van mensapen, die tijdens het zesde wortelras de laagste stadia van het mensenrijk zullen binnengaan. Dit betekent dat een ego van een mensaap, X genaamd, wanneer het het dierenrijk heeft afgewerkt en belichaming zoekt, niet opnieuw in het dierenrijk incarneert, omdat het daar alle mogelijke evolutie heeft afgerond. Zijn neigingen zijn opwaarts gericht en het wordt als het ware gevangen door een menselijke monade die gaat incarneren in een van de laagste rassen van het mensenrijk.

Dus zal deze mensaap X, wanneer de mensapen tegen het einde van het zesde wortelras uitsterven, in zijn laatste mensaap-belichaming halfmenselijk zijn, of nog iets meer. Zijn ego-bewustzijn begint te functioneren, en hij zal tijdens het zesde wortelras reïncarneren als deel van de constitutie, de dierlijke monade genoemd, van een weinig ontwikkelde mens en zal de menselijke dierlijke monade worden van die weinig ontwikkelde mens van het zesde wortelras. Dat is in het verleden gebeurd, en zo zijn wij mensen toegerust met wat we nu onze dierlijke monaden noemen. Ze zijn dieren die de ervaring in het dierenrijk hebben voltooid en door karmische banden betrokken raken bij de incarnatie van een menselijke monade, en die deze mens voorzien van zijn menselijke dierlijke monade.

In het nieuwe keten-manvantara, de volgende belichaming van onze bol, zullen wij mensen, of menselijke monaden, de lage, laagste dhyan-chohans worden van die toekomstige ketenbelichaming wanneer onze aarde de maan van de nieuwe keten zal zijn. Wat nu onze menselijke dierlijke monaden zijn, zullen dan de onmiskenbare menselijke mensen van het mensenrijk van die nieuwe keten zijn. Ik hoop dat dit alles duidelijk is. Ik omschrijf het nu veel nauwkeuriger dan ooit tevoren, omdat ik geloof dat er voldoende tijd is voorbijgegaan waarin onze studenten, die zich eerst hierover het hoofd hebben gebroken, door eigen inspanningen dicht bij de waarheid zijn gekomen, en aldus zullen ze die waarheid niet vergeten.

Om het nog eens samen te vatten: Dieren gaan het mensenrijk binnen volgens elke methode die de natuur toestaat. Er zijn verschillende methoden, maar alle komen neer op enkele algemene feiten. Geen dier kan het mensenrijk binnengaan totdat het baby-ego van het dier daarvoor gereed is, met andere woorden min of meer menselijk is geworden. Het gaat het mensenrijk dan binnen door zich, op grond van karmische banden uit het spirituele verleden, te hechten aan een zich belichamende mens in een of ander stadium van de lotsbestemming van die mens, en op die manier de dierlijke monade van die mens wordt. Dus worden de opgeklommen dier-ego’s onmiskenbaar vermenselijkt door gedurende lange perioden deel uit te maken van de constitutie van een mens, en worden dan tenslotte volledig menselijk; wanneer het moment daarvoor aanbreekt worden ze onafhankelijke menselijke mensen, of menselijke monaden. Vergeet niet dat elke regel altijd uitzonderingen kent. Maar om de uitzonderingen zelfs maar aan te roeren zou, vrees ik, tot ondraaglijke verwarring leiden, want de lering is volkomen in strijd met alles wat het westen eeuwenlang heeft gekend, in strijd met zijn religie en wetenschap en zelfs zijn filosofie, maar toch is ze soms intuïtief aangevoeld door dichters en andere niet-ingewijde mensen die flitsen of glimpen van de waarheid hebben opgevangen.

Op deze uitzonderingen na, geloof ik niet dat een dierlijke monade direct uit het dierenrijk als mens naar het mensenrijk kan komen, want er zijn tussenliggende stadia van mentale en psychische groei die moeten worden doorlopen voordat een dierlijke monade door zich te ontplooien een werkelijk mens kan worden. Deze tussenliggende stadia worden gevonden in de dierlijke monaden in mensen. Ik hoop dat deze vele herhalingen niet vervelend zijn, maar ik heb ontdekt dat gedachten niet goed doordringen als ik ze niet telkens herhaal.

Er zullen in het denken van studenten ongetwijfeld talloze vragen opkomen, vooral omdat ze vragen stellen vóór ze hebben geprobeerd deze zelf op te lossen door zorgvuldig daarover te mediteren en na te denken. Wanneer studenten vragen hebben, nu opnieuw een tipje van de sluier is opgelicht, zouden ze moeten proberen om wat ik hier heb gezegd in overeenstemming te brengen met wat ze reeds weten vóór ze met vragen komen aanzetten in de verwachting dat ze zullen worden beantwoord. De enige manier om iets grondig te leren kennen is door het probleem zelf op te lossen, en dat is wat een waar leraar altijd doet. Hij probeert de nieuwsgierigheid te wekken, het intuïtieve waarnemingsvermogen van de student te stimuleren, en zal een vraag zelfs niet ronduit beantwoorden, maar erop aandringen dat de student zijn eigen vragen beantwoordt. Alleen wanneer de student te zeer in verwarring is gebracht om een duidelijk antwoord te krijgen door zelf na te denken, zal de leraar hem weer een beetje helpen.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 758-67

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag