20

Bijeenkomst op 9 september 1930

 

GdeP – De bijeenkomst is geopend. U kunt nu vragen stellen.

Vr. – Sinds lang heb ik meer duidelijkheid willen hebben over het volgende: wanneer men in de dampkring kijkt, niet om erdoorheen te kijken, maar erin kijkt, ziet men een aantal entiteiten die ogenschijnlijk ronddraaiend heen en weer bewegen. Soms zijn ze helder, en bij stormachtig weer lijken ze donker en heel onrustig. Zijn dit elementalen?

GdeP – Bedoelt u de dansende stofdeeltjes?

Vr. – Ik heb het niet over de gewone stofdeeltjes – daar doel ik helemaal niet op. Wat ik bedoel lijken beslist entiteiten te zijn, die heel erg verschillen van wat objectief kan worden gezien.

GdeP – Bedoelt u entiteiten die een duidelijke vorm hebben?

Vr. – Ze lijken veel op microscopisch kleine diertjes.

GdeP – Schieten ze heen en weer?

Vr. – Ze veranderen voortdurend van positie en draaien in een halfcirkelvormige beweging.

GdeP – Als ik u goed begrijp, zou ik zeggen dat ze groepen grotere levensatomen zijn. Ik denk dat iedereen deze wel eens heeft gezien; en soms, bijvoorbeeld wanneer de lucht op de top van een berg helder is en we in de atmosfeer kijken, bieden ze een schitterend schouwspel. Het is een mooi gezicht: prachtige, flitsende sterachtige punten, die in alle richtingen rondschieten. Dit bedoelt u waarschijnlijk?

Vr. – Ja, daar doel ik op.

GdeP – Het zijn groepen grotere levensatomen. In feite is de hele wereld vol levensatomen. Er zijn heel veel groepen en families en klassen van levensatomen: sommige groot, andere klein, sommige microscopisch klein, andere enorm groot. Ze bewegen zich allemaal, schieten allemaal heen en weer, sommige langzaam, andere heel snel, sommige heel stralend, andere minder stralend, maar ze zijn alle in beweging.

Alles is vol levensatomen. In één opzicht kunnen ze de bouwstenen van de wereld worden genoemd.

Vr. – Is het juist om het hogere manas te beschouwen als een straal van de manasaputra, en het lagere manas als een straal van die straal?

GdeP – Het laatste deel van uw vraag is juist. Maar ik zou zeggen dat het hogere ego, of het hogere manasische vermogen in de mens, de manasaputra zelf is. De manasaputra is in de kern van zijn wezen een god, een monadische essentie, maar die essentie maakt het evolutiestadium door waarin haar zelfbewustzijn in het hogere manasische deel van haar constitutie is gecentreerd. Daarom wordt zo’n wezen een manasaputra genoemd. Wij mensen maken het stadium van onze geestelijk-psychische evolutie door waarin ons zelfbewustzijn zich heeft geconcentreerd in het kama-manasische deel van onze constitutie, en daarom zijn we ‘mensen’.

Vr. – Ik stelde die vraag omdat ik heb begrepen dat de manasaputra reïncarneert, en ik dacht dat het een straal van de manasaputra zou kunnen zijn in plaats van de manasaputra zelf.

GdeP – De manasaputra ‘reïncarneert’ helemaal niet. Hij staat ver boven het gebied van het fysieke vlees. Het is een straal van de manasaputra die de astrale monade voortbrengt die incarneert. De manasaputra staat zo ver boven het fysieke vlees dat hij onmogelijk op dat vlees zou kunnen inwerken tenzij er tussenliggende schakels van bewustzijn zijn. We hebben dus de manasaputra die uit zichzelf zijn straal stuurt, die de werkelijke mens is, de menselijke ziel, die op haar beurt uit zichzelf de astrale monade voortbrengt die door het aurische ei werkt, en het is de astrale monade die in het vlees incarneert. Begrijpt u het?

Vr. – Ik denk het wel. Die astrale monade is dus in feite het hogere ego?

GdeP – Lieve hemel, nee! De astrale monade is het uiteinde van de straal die vanuit de manasaputra is geprojecteerd. Dit uiteinde of de punt van de straal, die oorspronkelijk uit de manasaputra voortkomt, maakt contact met het vlees en bezielt het – maakt het levend, zorgt in feite ervoor dat het levende vlees totstandkomt.

De manasaputra incarneert niet. Eerst komt de monadische essentie; dan haar kind, de manasaputra; dan het kind van de manasaputra, de menselijke monade; dan het kind van de menselijke monade, de astrale monade; dan haar kind, het fysieke lichaam – deze zijn allemaal met elkaar verbonden door de stroom van bewustzijn en vitaliteit die door alle, van de hoogste tot de laagste, heenstroomt. Nogmaals: de manasaputra incarneert niet.

Vr. – Dat is wat ik dacht. Hij kan dit niet.

GdeP – U heeft helemaal gelijk. Vanuit zichzelf zendt hij zijn straal uit, zijn kind, die de menselijke ziel is. Zelfs de menselijke ziel incarneert niet rechtstreeks in het lichaam, maar stuurt op haar beurt vanuit zichzelf haar kind uit, de astrale monade, en deze is voldoende grof en materieel om te incarneren; ze wordt in haar laagste delen vlees, waarbij dat vlees haar bezinksel of neerslag is. U ziet dus een reeks treden, wanneer we van beneden naar boven tellen, van de grofste tot de meest etherische, en op elk daarvan bevindt zich een monade van haar eigen soort. Er zijn vele monaden die tot de constitutie van een mens behoren: de goddelijke monade, de spirituele monade, de manasische monade of manasaputra, de kama-manasische monade, de astrale monade of het elementale of astraal-vitale zelf. Dit laatste maakt het mogelijk dat de andere monadische elementen zich kunnen manifesteren of uitdrukken of werken in de fysieke hersenen. Ze stimuleren de fysieke hersenen of geven iets van hun uitstraling daaraan, wat de fysieke hersenen vervolgens uitdrukken als gedachten, als leven, als gevoeligheid, en als fysiek bewustzijn.

Bedenk dat de mens een samengestelde entiteit is. Dit is zó belangrijk dat ik u aanraad bij het bestuderen van deze dingen dit feit voortdurend in gedachten te houden. De mens is een samengestelde entiteit, een ‘zuil van licht’, die van de geest reikt tot aan het vlees: zuiver licht in zijn hoogste of geestelijke deel, en geleidelijk steeds dichter wordend en nog dichter en donkerder en donkerder totdat het vlees wordt, dat daarmee vergeleken zo zwart is als de nacht. Begrijpt u deze beeldspraak?

Vr. – Ja, dank u.

GdeP – Dit hele proces van verdichting of verstoffelijking vindt plaats in en door middel van het aurische ei, dat dus op vele gebieden bestaat. Even nauwkeurig gezegd, het aurische ei omvat vele graden van ijlheid – of, wat op hetzelfde neerkomt, van stoffelijkheid – vele gebieden, vele lagen, vele graden, vele treden. Het aurische ei is niet alleen de astrale atmosfeer die het fysieke lichaam omgeeft, want dat is slechts het laagste gebied of de laagste laag of graad van het aurische ei. Het aurische ei strekt zich ‘naar binnen’ en ‘omhoog’ uit, rechtstreeks naar de goddelijke geest, de innerlijke god, die wordt omhuld door het meest geestelijke deel van het aurische ei.

Vr. – We hebben begrepen dat de mensheid vóór het moment waarop ze met manas werd begiftigd, geen karma maakte. Wanneer HPB hiernaar verwijst, spreekt ze bijna in één adem over de ‘zonde van de verstandelozen’. Die uitdrukking roept vanzelfsprekend een vraag op: Is het tweede wortelras niet het karmische gevolg van het eerste wortelras?

GdeP – Ja.

Vr. – Als dat zo is, komt dat dan eenvoudig omdat het hier om raskarma gaat, terwijl het karma waarover wordt gesproken bij de verwijzing naar het begiftigen met manas individueel karma betreft?

GdeP – Ja, uw vraag is heel diepzinnig. De ‘verstandeloze rassen’ hadden geen karmische morele verantwoordelijkheid, en HPB doelde in de passage waarnaar u verwijst op ethische of morele verantwoordelijkheid, wat een heel hoge soort verantwoordelijkheid is. Maar alles dat hoog of laag of daartussenin is, heeft zijn eigen natuurlijke karma, of reeks van natuurlijke gevolgen. Bovendien zijn deze verschillende soorten natuurlijk karma niet alle ethisch van aard. De ‘verstandeloze mens’ zou, wanneer zijn verstandeloosheid zijn lichaam ooit in gevaar zou brengen, als gevolg daarvan onvermijdelijk en vanzelfsprekend pijn hebben geleden, wat fysiek karma is, fysieke gevolgen. Maar daar kwam geen werkelijk ethisch karma aan te pas, omdat er geen ontwaakt denken was, geen begrijpend, leidend denken dat in dit geval opzettelijk het verkeerde pad koos – het pad van slechte daden.

Vr. – Dus de ‘zonde van de verstandelozen’ was geen ethische zonde?

GdeP – Het was geen ethische zonde, en zou evenmin zo kunnen worden genoemd als de daden van de huidige dieren, of de daden van een klein kind vóór het denken van het kind is begonnen zich te manifesteren. Een klein kind zal zich branden wanneer het in het vuur belandt. Dit is fysiek karma, en natuurlijk is het karma – gevolgen. Karma werkt daarom overal en altijd. Een klein kind dat in een speelse bui een mes oppakt en misschien zijn ouder of zijn broer ermee steekt, is daarvoor ethisch niet verantwoordelijk. Het was in zo’n geval niet de bedoeling om een moord te plegen, maar de gevolgen vonden niettemin plaats. De klap valt en het slachtoffer is gewond. Maar anderzijds lijdt de persoon die het ondergaat natuurlijk omdat dat zijn of haar karma is.

Alles wat bestaat is karma, maar er zijn veel soorten karma: geestelijk karma, verstandelijk karma, moreel karma, psychisch karma, astraal karma, vitaal karma, fysiek karma. Vanuit een ander gezichtspunt bestaat er persoonlijk of individueel karma, en collectief karma – zoals in het geval van een groep mensen die bijvoorbeeld verongelukken of de dood vinden bij een schipbreuk. Dan bestaat er ook familiekarma, nationaal karma, raskarma, het karma van de bol – van de aarde waar we allemaal bij betrokken zijn – kosmisch karma, universeel karma. HPB sprak dus volkomen juist en nauwkeurig.

Karma werd door A.P. Sinnett ‘de wet van ethische oorzaken en gevolgen’ genoemd, en dit is tot op zekere hoogte juist, maar het reikt niet erg ver. Dit karma is ethisch karma. Het bestaat zeer zeker. Het is een hoger soort karma, en voorzover het ons mensen betreft raakt het ons zeer direct; maar er zijn veel andere soorten karma. Daarom zou karma bij voorkeur de ‘leer van gevolgen’ moeten worden genoemd; dat houdt in dat een daad overal, altijd, door welk wezen ook verricht, onvermijdelijk en vanzelfsprekend haar gevolgen zal hebben. Dit is een heel algemene omschrijving van karma. Dit moet toch duidelijk zijn?

Vr. – Ja. En mijn idee was dus juist dat een wortelras het eraan voorafgaande wortelras alleen zou kunnen opvolgen als het karma van het eraan voorafgaande wortelras.

GdeP – Dat is volkomen juist. Ieder volgend wortelras is het kind van het voorafgaande wortelras, en is het karma, het gevolg, de gevolgen, ervan. Daarom drukt het Atlantische karma nog steeds zwaar op ons van het vijfde wortelras, omdat wij, vanuit een ander standpunt gezien, in feite ego’s van het vierde wortelras zijn die zich nu hebben ontwikkeld tot ego’s van het vijfde wortelras, en zich daarom in lichamen van het vijfde wortelras manifesteren en leven en werken.

Vr. – Gezien de opmerkingen die u eerder heeft gemaakt, wil ik graag het volgende vragen: Waar bevindt zich het centrale punt van de menselijke constitutie? Waar bevindt zich dat deel wat filosofen het ik-ben-ik noemen?

GdeP – Een hele relevante vraag. We hebben hier opnieuw te maken met een aspect van het bewustzijn. Zoals ik u bij andere gelegenheden heb verteld, zijn de woorden van de Heer Boeddha vol diepe wijsheid die in het westen nooit is begrepen, omdat we niet beschikken over de sleutel tot een van de belangrijkste uitspraken van Boeddha: ‘Er is geen onsterfelijke ziel of onsterfelijk zelf in de mens.’ De westerling interpreteert deze uitspraak onmiddellijk verkeerd. Hij denkt dat het betekent dat de mens in alle opzichten sterfelijk is. Dat wordt helemaal niet bedoeld. In een samengestelde entiteit, een entiteit die alleen bestaat door zijn tijdelijke samenstelling, in zo’n entiteit, is er als entiteit geen onsterfelijkheid. Indien dat wel het geval zou zijn, zou die samengestelde entiteit van oneindigheid tot oneindigheid blijven bestaan en zou ze nooit kunnen veranderen. Als ze ook maar iets zou veranderen, zou ze niet meer dezelfde entiteit zijn.

Verandering, of groei, of evolutie, of vooruitgang zijn woorden die betrekking hebben op verandering van moment tot moment, groei tot iets beters. Als die gedachte tot u doordringt dan zult u iets gaan begrijpen van de innerlijke betekenis van wat de Boeddha zijn ‘harteleer’ noemde: een woord dat niet de leer van het fysieke hart betekent, maar het hart ervan, de kern van de leer, de wezenlijke betekenis van de leer; terwijl de ‘leer van het oog’ slechts de dingen betreft zoals ze lijken te zijn, het oppervlakkige deel, het omhulsel waarin de harteleer verborgen ligt. Met andere woorden, de harteleer is de esoterische leer, en de leer van het oog is de exoterische leer.

Het ik-ben-ik zetelt in een van de centra van deze samengestelde entiteit die ‘de mens’ wordt genoemd. Het is gevestigd in een van de ondergeschikte centra of delen die westerlingen het menselijke ego noemen, in de straal van de manasaputra. U heeft uw bewustzijn in deze menselijke straal van de manasaputra geconcentreerd omdat u het kama-manasische stadium van uw evolutie doormaakt, en dus is de manasaputra het wezenlijke ik-ben-ik. De manasaputra is de monade die het manasische stadium doormaakt.

Bij vele andere gelegenheden heb ik dezelfde gedachtegang gevolgd en u verteld dat de mens als samengestelde entiteit een microkosmos is, een wereld in het klein. Elk van deze samenstellende delen die gezamenlijk de constitutie van de mens vormen, is een lerende, groeiende, evoluerende monade, en elk ervan drukt zichzelf uit in dat specifieke stadium van zijn evolutiereis. De menselijke ziel of manasaputrische straal zal in de toekomst een manasaputra worden, en zal zich dan in nog latere eonen ontwikkelen tot een goddelijke monade, of een god, door steeds meer naar buiten te brengen wat in hem besloten ligt. Maar noch de innerlijke god, noch de manasaputra, noch de menselijke ziel, noch de astrale monade is de ‘mens’. De mens is de samenstelling van al deze – die allemaal samenwerken – en is dus een samengestelde entiteit en daarom instabiel en als samenstelling sterfelijk.

Het ik-ben-ik is dus het menselijke ego, dat deel van de samenstelling dat zegt ‘ik ben ik’, dat wil zeggen niet u, niet iemand anders, en niet iets anders, maar ‘mijzelf’. Dit wijst onmiddellijk op de grote ‘ketterij van afgescheidenheid’ en daarom is het niet het hoogste element in de mens. Er is in de menselijke constitutie iets veel hogers dan het ik-ben-ik, en dit hogere element is de geestelijke luister van het meer verheven deel van de constitutie van een individu, en die luister straalt uit over de menselijke monade en moedigt haar aan om op te klimmen, te groeien en daaraan gelijk te worden. Deze luister is de manasaputra, en de manasaputra wordt op dezelfde manier beschenen door het licht van de god in de kern van die manasaputra.

We zijn één en toch zijn we vele – en zo is het met ieder mens. Het fysieke lichaam is hiervan een voorbeeld. Het fysieke lichaam is ook een samengestelde entiteit. Het is samengesteld uit ontelbare menigten levensatomen. Elk levensatoom is een groeiende, lerende, levende, zich ontwikkelende entiteit, die op weg is om in ver in de toekomst liggende eonen een god te worden – evenals wij mensen, evenals de manasaputra. Maar het lichaam is als een samengesteld geheel niet onsterfelijk. Als het onsterfelijk zou zijn, zou het nooit kunnen veranderen. Het zou zich zelfs niet kunnen ontwikkelen van kind tot volwassene. Als iets verandert, houdt onsterfelijkheid onmiddellijk op, omdat onsterfelijkheid onveranderlijkheid of kristallisatie betekent, eeuwigdurend, zonder enige verandering, voortdurend hetzelfde blijvend.

Vr. – Ik zou het op prijs stellen als u ook het volgende punt over de manasaputra, en over de straal, de projectie van de manasaputra, zou willen toelichten: Is die straal de menselijke monade of niet?

GdeP – Dat is hij. Ik denk dat ik gezegd heb dat dit zo is.

Vr. – Wat was het in de Boeddha dat drie keer door al zijn beginselen heenging toen hij stierf? Was dat hetzelfde, of was het het bewustzijn van de Boeddha?

GdeP – ‘Het bewustzijn van de boeddha’ is de buddhische luister, die de manushya-boeddha of de menselijke boeddha is, met andere woorden de zuivere ongesluierde manasaputra. Bedenk dat iedere entiteit een samengestelde entiteit is. Ik moet dit herhalen, omdat u het kennelijk niet volledig heeft begrepen. Deze samengestelde entiteit omvat een hemelse boeddha of innerlijke god – twee manieren om hetzelfde uit te drukken. De boeddhist noemt deze de ‘hemelse boeddha’. De tegenwoordige westerling is gewend om hem ‘de innerlijke god’ te noemen. U kunt hem ook de immanente christos noemen, een derde benaming voor hetzelfde. De manushya-boeddha is een straal daarvan. Hij is een zich ontwikkelende, levende entiteit. In een boeddha manifesteert de manushya-boeddha zich omdat de constitutie in hoge mate is ontwikkeld. Maar in de doorsnee mens manifesteert deze manushya-boeddha zich nog niet. De evolutie is nog niet ver genoeg gevorderd. In het geval van de doorsnee mens is de straal van de manushya-boeddha het menselijke ego van de boeddha. In het geval van een boeddha, is dit menselijke ego vergevorderd op het pad. In de doorsnee mens is het maar een beetje ontwikkeld.

Daarom heeft deze reis van het bewustzijn van de Boeddha, waarnaar in boeddhistische geschriften wordt verwezen, betrekking op het menselijke ego van de Boeddha. Toen het moment van de dood voor de Boeddha aanbrak, steeg het op van het gewone menselijke bewustzijn naar het geestelijke bewustzijn, en bereikte het goddelijke bewustzijn. Vervolgens keerde het terug langs de wegen van de innerlijke constitutie, en opende de Boeddha zijn ogen. Hij sloot ze weer, en hetzelfde menselijke bewustzijn steeg voor de tweede keer op en doorliep de innerlijke stadia, en ging steeds hoger: het bereikte de hemelse boeddha of werd een paar vluchtige momenten één daarmee, en daalde voor de tweede keer af, en toen het hersenverstand werd bereikt, opende de Boeddha zijn ogen. Hetzelfde gebeurde een derde keer en nadat hij zijn ogen voor de derde keer had geopend, stierf de gezegende.

Met andere woorden, de hemelse boeddha ging nirvana in – of nee, pardon, ik neem dat terug. De manushya-boeddha liet op dat moment de laagste beginselen van zijn wezen achter om na de dood uiteen te vallen, en de manushya-boeddha bleef in de astrale gebieden bestaan als een nirmanakaya, met alle delen van zijn constitutie behalve het fysieke lichaam, het lingasarira, en de grove dierlijke vitaliteit of prana. Met andere woorden, de hele Boeddha behalve het laagste samengestelde voertuig. Dit is een nirmanakaya.

In feite kan ik u zeggen dat zelfs wanneer de doorsnee mens sterft, en HPB verwijst ernaar als het panorama dat de fysieke hersenen aan zich voorbij zien trekken – het zich herinneren van alles wat in het zojuist geëindigde leven is gebeurd, van de eerste aantekening in het geheugen tot het laatste moment van individueel bewustzijn – dit slechts een herhaling is van het stervensproces zoals dat bij de Boeddha plaatsvond. In het geval van de doorsneemens kan zijn bewustzijn dit niet volgen omdat hij niet geestelijk genoeg is; hij leeft niet bewust in de hoogste delen van zijn constitutie. Daarom is het fysieke hersenverstand het enige element dat bewust blijft, en gedurende een korte periode herinnert dit zich alle gebeurtenissen van het zojuist afgesloten leven. Uiteindelijk verdwijnt dit bewustzijn rustig en zachtjes; op een gegeven moment treedt onbewustheid op, zo stilletjes als het voorbijtrekken van een schaduw – en dit is de dood.

Maar omdat de innerlijke constitutie van de Boeddha hoogontwikkeld was, vond bij hem dit zelfbewuste opstijgen door de gebieden of lagen van bewustzijn plaats, tot aan het hoogste toe, en vervolgens weer terug omlaag; en dan weer omhoog naar het hoogste, en dan weer omlaag; dan weer omhoog naar het hoogste, en voor de derde keer omlaag. Daarna werd het lichaam afgelegd of, zoals westerlingen zeggen, het lichaam stierf – de mens stierf.

Terugkomend op uw vraag om nog een punt met betrekking tot het ik-ben-ik toe te lichten: bedenk dat dit ik-ben-ik het ego-deel van de constitutie van de mens is, maar het is niet het fundamentele bewustzijn. Dat is het atmische bewustzijn, en heel weinig mensen zijn in staat om daarmee één te worden, hoewel het in feite de gewoonste zaak in het leven van de mens is. Als u uzelf grondig onderzoekt, zult u ontdekken dat dit zuivere bewustzijn, ongekleurd door de individualiteit, of door de persoonlijkheid, of door het ego, het meest wezenlijke in u is; het staat dichter bij u dan uw handen of voeten, omdat het uw essentiële zelf is, en uw ego, uw individualiteit, uw persoonlijkheid, en uw handen en voeten zijn slechts instrumenten. Zelfs uw ego is slechts het kanaal ervan, of, beter gezegd, een werveling of knoop in de stroom van fundamenteel bewustzijn.

Vr. – In het westen wordt in de religie en literatuur aan het idee onsterfelijkheid juist veel aandacht besteed.

GdeP – Ja dat is zo.

Vr. – Niettemin hebben veel mensen nooit daarnaar verlangd. Ze hebben nooit verlangd om naar de hemel te gaan. Ze hadden niet het gevoel dat ze iets zouden missen door niet naar de hemel te gaan, zoals deze hen als mogelijkheid of onmogelijkheid werd voorgehouden.

Is het verlangen naar onsterfelijkheid en het steeds richten van de aandacht daarop, zoals dat in het westen gebeurt, iets onvermijdelijks omdat de werkelijke leer verloren is gegaan? Is het een van de spookbeelden die zullen worden verdreven door het herleven van de werkelijke leer?

GdeP – Ja dat is zo. Bovendien is dit spookbeeld van een verlangen naar persoonlijke onsterfelijkheid de meest vruchtbare voedingsbodem voor menselijk leed en slechte daden, omdat het precies hetzelfde is als het verlangen naar een voortdurende persoonlijke bevrediging. Dit spookbeeld is een onverzadigbare hunkering om voor uzelf verder te gaan, dingen te verwerven, te bestaan, in plaats van u bewust te zijn van die fundamentele werkelijkheid, het onpersoonlijke leven-bewustzijn, dat voortdurend in u is, dat u nooit verlaat, dat eeuwig is, en dat u in feite bent. Persoonlijke onsterfelijkheid is een ‘spookbeeld’, en is in feite iets duivels. Ze is de moeder van slechte daden, van menselijk verdriet, van leed en angst: angst om te sterven, angst om te verliezen, angst om iets niet te bereiken, angst om iets niet te verwerven, angst om niet te leven. Ze hoort tot het lagere deel van onze constitutie.

De mens die zichzelf werkelijk kent, die het essentiële ik-ben in zichzelf kent, het werkelijke leven, leeft in het eeuwigdurende – dat wil zeggen het eeuwig evoluerende. Hij leeft samen met al wat is. Hij voelt zich overal thuis. Hij heeft geen angst. Hij heeft geen zorgen. Hij weet dat hij ik-ben is! Maar de lagere manifestatie van het ik-ben-ik van het ego is onvolmaakt. En omdat ze onvolmaakt is, is haar inzicht vertroebeld. Ze hunkert voortdurend ernaar zichzelf te zijn, meer zichzelf te zijn, dingen voor zichzelf te verwerven. Ze is bang om te verliezen. Ze doet verkeerde dingen om haar verkeerde verlangens te bevredigen; zelfzucht, slechte daden, leed en verdriet zijn de kinderen van dit spookbeeld.

Het is onmiddellijk duidelijk dat deze leer van de Boeddha helemaal niet een leer van blind pessimisme is, maar juist een bron van hoop en kracht. Ik denk dat iedereen die persoonlijk onsterfelijk wil zijn, een grote dwaas is. Hoe kunt u onsterfelijk zijn als u voortdurend verandert? Als u onsterfelijk bent, wilt u niet groeien, wilt u niet de god in u worden. Dit gaat tegen alle wetten en processen van de natuur in, omdat de essentiële wet van de natuur groei, verandering, vooruitgang, evolutie en zich verruimend bewustzijn inhoudt. En daarom zei de Boeddha terecht, en raakte daarmee precies de wortel van het kwaad: ‘Er is geen onsterfelijke ziel of onsterfelijk zelf in de mens.’ Dit is juist, want alles verandert. Alles groeit.

De natuur geeft hiervan overal blijk. Kijk naar een kind: het is voortgekomen uit een microscopisch kleine levenscel en groeit uit tot een mens van 1,80 m, en sterft daarna. Kijk naar een boom die voortkomt uit een zaadje; kijk naar een bloem; kijk naar de knop die opengaat; kijk naar de sterrennevel in de ruimte: alles beweegt zich voortdurend en verandert, groeit, boekt vooruitgang, wordt iets anders; en vanuit het hoogste standpunt gezien betekent dit leren, een geestelijk worden. Heraclitus, een andere vaak verkeerd begrepen wijze uit Griekenland, verwoordde dezelfde gedachte: panta rhei, alles stroomt; dat wil zeggen, alles is in beweging.

Vr. – Zoals ik het begrijp hadden we in het eerste wortelras van onze vierde ronde geen spraak. Ik neem aan dat we geen zelfbewuste gedachten hadden. En vervolgens, in het derde wortelras, na heel wat inspanning, ontwikkelden we uiteindelijk een bepaalde soort spraak. In het vierde ontwikkelden we taal, en in dit huidige wortelras hebben we de verschillende talen die we nu gebruiken. Zullen we in het volgende wortelras maar één taal, en in het zevende wortelras geen taal hebben? Zal er dan eenvoudig een uitwisseling van gedachten zijn, een volledig elkaar begrijpen zonder gedachten te hoeven overzetten naar fysieke dragers?

GdeP – U heeft het nu natuurlijk over de vierde ronde, deze ronde, en over deze aarde.

Vr. – Ja.

GdeP – Nee, het zesde wortelras zal talen hebben, evenals het vierde ze had en het vijfde ze heeft, en evenzo zal het zevende wortelras ze hebben, maar de talen zullen een voortdurende tendens hebben om meer op elkaar te gaan lijken. In de zevende ronde zal er echter, zelfs op deze bol op het vierde gebied, slechts één taal zijn, en die taal zal bijna geluidloos zijn. Er zullen gedachten worden overgedragen via de etherische stromen, iets dat veel grootser en hoger is dan gewone gedachteoverdracht. De wezens van die tijd zullen weten wat er rondom hen gebeurt en wat zich in het denken van hun medewezens afspeelt. We zijn werkelijk teruggevallen toen we als wortelras spraak verwierven. Spraak is helemaal niet iets om trots op te zijn, en in de toestand waarin de wereld nu verkeert is het vaak een ware kwelling! Het is een zwak instrument voor het denken, en iedereen weet hoe ontoereikend woorden zijn om gedachten over te brengen.

De individuen van het eerste wortelras hadden geen spraak nodig. Ze hadden haar niet, omdat ze haar niet nodig hadden. Daarom werd ze niet ontwikkeld. Ze waren nog niet diep genoeg in de stof afgedaald. Ze hadden hun innerlijke vermogens nog niet in voldoende mate verloren om een zwak substituut voor geluidloze communicatie nodig te hebben, namelijk spraak. Het eerste wortelras bevond zich in een toestand die in veel opzichten leek op die van een pasgeboren kind. Een pasgeboren kind kent nog geen spraak. Het maakt rare geluidjes en kirt, en drukt zich uit op een manier die iedereen kent. Mentaal gezien bevond het eerste wortelras zich in een toestand van verdoving, in een droom. Het sprak niet. Het wilde niet praten, en had in feite niets om over te praten.

De individuen van het tweede wortelras stonden er iets slechter voor. Eerst maakten ze zo nu en dan onduidelijke geluiden, maar uiteindelijk begonnen ze min of meer muzikale geluiden voort te brengen, en ook gepiep en gebrom en gekreun, en een reeks muzikale klanken, maar eerst min of meer onbewust. Tenslotte begonnen deze verschillende geluiden door gewoonte iets te betekenen voor diegenen die ze hoorden. Bepaalde geluiden gingen gevaar betekenen. Bepaalde andere geluiden begonnen vreugde te betekenen. Hetzelfde geldt voor de dieren nu, en tot op zekere hoogte ook voor een kind. Voordat het kind leert praten, begrijpen de ouders heel snel de pogingen van het kind om zijn verlangens te uiten door min of meer muzikale of onmuzikale geluiden, of door te huilen, en door allerlei vreemde geluiden.

In het eerste deel van het derde wortelras waren deze geluiden nog niet taalkundig geordend, maar wèl min of meer gesystematiseerd of geformuleerd, en op die manier begon werkelijke spraak. De eerste spraak in het derde wortelras was voornamelijk klanknabootsend, zoals taalkundigen dat noemen, dat wil zeggen geluiden die uitdrukking geven aan de betreffende gebeurtenis of zaak – iets dat zelfs tegenwoordig bij ons voorkomt. We gebruiken ‘tiktak’ voor het geluid van een klok, of ‘boem’ voor dat van een kanon, of ‘pats’ als we ergens op slaan. Zoals u ziet drukken de klanken de gedachte uit.

In het vierde wortelras werd de taal met een volledig stelsel van verbuiging en vervoeging ontwikkeld – een zuiver mentaal product. Ik zal heel blij zijn wanneer we zonder spraak kunnen. Zelfs nu, hoewel de woordloze taal – als ik het zo mag uitdrukken – maar weinig is ontwikkeld, beginnen een groot aantal mensen zonder woorden te begrijpen wat anderen bedoelen, tenminste soms – door een gebaar, een beweging met een hand, door een knipoog of een beweging met een been. Zo begrijpt men wat de ander bedoelt. Dit is stemloze communicatie van intelligentie, en deze zal zich door de eeuwen heen en in de toekomstige wortelrassen blijven ontwikkelen en zich steeds verder verbeteren, totdat de spraak zelf uiteindelijk zal verdwijnen en mensen zonder spraak met elkaar zullen communiceren.

Er komt een moment in de esoterische of occulte training dat de leraar zijn leerlingen niet meer in een lokaal of in een groep hoeft te ontmoeten. De leraar kan bezig zijn met wat hij op dat moment doet: thuiszitten, of misschien reizen, of op een paard rijden, of in een auto zitten, of in een vliegtuig, en zijn boodschappen uitsturen door communicatie langs de wegen van de ether door wat mensen nu ‘gedachteoverdracht’ noemen; en zijn verst gevorderde leerlingen zullen de boodschappen onmiddellijk ontvangen. De leerlingen zelf kunnen overal zijn. De leraar heeft misschien honderd leerlingen of meer, verspreid over de hele wereld, en toch zullen ze allemaal op hetzelfde moment de boodschap krijgen, als ze wakker zijn. De leraar heeft bovendien een manier om de aandacht van zijn leerlingen te vestigen op het feit dat hij zich aan het voorbereiden is om een geluidloze boodschap via de etherische stromen te sturen. HPB noemde dit gewoonlijk de astrale bellen. Deze bellen hebben een zilverachtige klank. Het is moeilijk te zeggen of dit geluid alleen innerlijk wordt gehoord of door het fysieke oor, soms in zeldzame gevallen door beide, maar meestal met het innerlijke oor. Het geluid lijkt op getokkel op een zilveren snaar, of op het lieflijke gerinkel van een zilveren bel, slechts een of twee tonen. Het betekent: Bereid u voor! Maak u gereed! Let op!

Vr. – Toen u in de Tempel een keer over de binnenronden sprak, zei u dat het reïncarnerende ego na de dood de opgaande boog beklimt en op elk van de bollen op de opgaande boog van deze keten tenminste één belichaming heeft, en dat het reïncarnerende ego op een later tijdstip weer naar deze bol afdaalt. Hoe kan men dan zeggen dat we op dit moment meer tot de ene dan tot de andere bol behoren, en dat we nu op bol D zijn als deel van de levensgolf van alleen bol D?

GdeP – Verwijst u naar wat er na de dood gebeurt?

Vr. – Ja. In de Tempel zei u dat het reïncarnerende ego zich belichaamt op elk van de andere bollen in deze keten. Hoe kan men dan zeggen dat het tot slechts een van de bollen behoort?

GdeP – Dat is niet zo. Het behoort tot de planeetketen.

Vr. – Ik begrijp niet goed het verschil tussen dit feit en het idee dat de levensgolf van bol naar bol gaat. Gaat de levensgolf voortdurend verder?

GdeP – De levensgolf gaat van bol naar bol van een planeetketen met bepaalde cyclische tussenpozen. Maar terwijl de levensgolf dit als een samengesteld geheel van evoluerende entiteiten doet, moet elk van deze entiteiten, afzonderlijk of individueel, wanneer ze sterft niettemin de communicatielijnen in de kosmos volgen, de lijnen die ik gewoonlijk de ‘circulaties in het heelal’ heb genoemd. Beantwoordt dit uw vraag?

Vr. – Niet helemaal. Hoe weten we dat diegenen die zich onder ons bevinden op dit moment beslist tot deze bol D behoren? Ze kunnen slechts bezoekers zijn die van een andere bol naar deze bol zijn gekomen?

GdeP – Ze ‘behoren’ niet tot deze bol D. Elke entiteit behoort tot alle bollen van de planeetketen. Maar op dit moment zijn we hier samen als een levensgolf op deze bol D. We zijn hier samen omdat we tot die levensgolf behoren. Begrijpt u dat?

Vr. – Ja, tot op zekere hoogte. Maar ik begrijp het verschil niet tussen deze doortocht van de individuele monaden en de grote doortocht van de levensgolf. Is het niet zo dat de levensgolf uit monaden bestaat?

GdeP – Zeker. Laat ik proberen u een analogie te geven die u misschien kan helpen. Een wortelras, bijvoorbeeld, is een levensgolf. Maar dat wortelras bestaat uit individuen. Elk van deze individuen leeft als mens niet enkele miljoenen jaren lang, de tijd dat een wortelras blijft bestaan. Deze individuen reïncarneren. Ieder individu reïncarneert keer op keer.

Vr. – Mag ik misschien nog één vraag stellen over hetzelfde onderwerp? Natuurlijk begrijpen we de uitspraak ‘eens een mens, altijd een mens’. Hoe kan het reïncarnerende ego zich dan op andere planeten belichamen waar de mensen zoveel hoger zijn dan wij hier zijn? Dat lijkt alsof er een enorme sprong in de evolutie wordt gemaakt, om vervolgens terug te keren naar de relatief lager ontwikkelde mensen op dit gebied en deze bol.

GdeP – De uitspraak ‘eens een mens, altijd een mens’ betekent niet dat u niet ooit tijdelijk hoger dan een mens kunt zijn. Ze heeft specifiek betrekking op de zogenaamde leer van ‘transmigratie’, een leer die in het westen zo verkeerd wordt begrepen. Ten onrechte denkt men dat het betekent dat de menselijke ziel in dierenlichamen reïncarneert of dit zo nu en dan doet. Om dit idee te bestrijden, raakte deze uitspraak in gebruik, ‘eens een mens, altijd een mens’; dit betekent slechts dat wanneer een menselijke ziel zich eenmaal als menselijke ziel heeft ontplooid ze nooit een dierlijke ziel kan worden en dus nooit in dierenlichamen kan reïncarneren. Maar het betekent niet, en moet niet zo worden uitgelegd, dat wanneer u een mens wordt u daarna voor altijd een mens blijft. Dat is absurd.

Ik weet niet of ik uw vraag duidelijk heb beantwoord.

Vr. – U heeft me veel gegeven om over na te denken.

GdeP – Nee, ik ben nog niet tevreden. U bent zo vriendelijk bij het stellen van uw vragen dat u waarschijnlijk niet verder op een antwoord wilt aandringen. Ik wil u een volledig bevredigend antwoord geven, als ik dat kan.

Vr. – Goed. U heeft ons verteld dat de dieren op sommige van de bollen op de opgaande boog, als dat de juiste manier van uitdrukken is, waarschijnlijk honderden malen hoger staan dan de mensen hier op aarde. Hoe kan een reïncarnerend ego dan op die bollen op de opgaande boog zich belichamen in iets hogers dan een dier daar? Het moet voor ons een enorme sprong zijn om ons te belichamen in iets dat zo verheven is.

GdeP – Dat is niet zo. Niet alleen zijn de dieren, of wat met de dieren overeenkomt op de bollen van de opgaande boog, honderden malen spiritueler dan wij mensen hier, maar ze zijn misschien zelfs duizenden malen spiritueler. Bovendien belichaamt het menselijke ego zich niet opnieuw in geschikte menselijke omhulsels op de drie bollen van de opgaande boog, want wanneer de dood intreedt, wordt de menselijke monade teruggetrokken in de schoot van de monade, en rust daar in haar devachan tot haar volgende reïncarnatie aanbreekt. Wat naar deze drie bollen van de opgaande boog gaat en zich daar belichaamt, is niet de menselijke monade.

De moeilijkheid om de leringen over dit alles te begrijpen ontstaat vooral omdat geschikte beschrijvende termen of woorden ontbreken. Daarom kan ik hier alleen zeggen dat het menselijke ego een kind van de aarde is, terwijl het hogere ego of de wortel van het reïncarnerende ego de manasaputra is die zichzelf in geschikte voertuigen belichaamt op de drie hogere bollen van de opgaande boog, zoals deze dit ook doet door middel van het menselijke ego op onze vierde bol D of de aarde.

Bedenk dat de dierlijke monade, of astrale monade, onder geen enkele omstandigheid als een menselijk ego kan incarneren voordat ze vanuit zichzelf dat menselijke ego heeft ontwikkeld. Dit is allemaal heel mystiek, maar waarheidsgetrouw, en ik kan u hierover slechts aanwijzingen geven.

Vr. – Ik wil een vraag over bewustzijn stellen, die moeilijk in woorden is uit te drukken. U heeft ons vaak aangespoord om in onszelf te kijken, en dat we dan alles zullen weten omdat alles daar is. Maar wanneer u dit zegt, bedoelt u vanzelfsprekend niet alleen in het menselijk lichaam; u bedoelt veeleer in het uitgestrekte universele zelf dat tot de zon en de sterren reikt, dat in feite ons hogere deel is, maar dat niet in menselijk vlees is geïncarneerd omdat het te hoog is. Ik weet dat wanneer ik studeer – wanneer ik aspireer of geïnspireerd ben – mijn gevoelens en mijn bewustzijn, deze verheven incarnaties of bewustzijnsreacties, zich niet alleen in het persoonlijke mij lijken te bevinden. Ze schijnen voorbij of boven mij te zijn, en lijken toch deel van mij uit te maken. Daarom kan ik het niet volledig begrijpen.

GdeP – Wat u zegt is helemaal juist. Wanneer ik u vraag uzelf te onderzoeken, naar binnen te zien en te proberen uzelf te verbinden met de innerlijke god, bedoel ik nadrukkelijk niet dat u zich met het lagere deel van uw bewustzijn zou moeten verbinden. Het gebruikelijke psychologische onderzoek zoals dat wordt verricht aan onze universiteiten leidt vaak tot ziekelijkheid, tot morbide, ongezonde gedachten. Mijn bedoeling is het tegenovergestelde daarvan: kijk naar de god in u. Probeer daarmee één te zijn. Wees altijd het hoogste in uzelf. Bestudeer de werking in uzelf van die prachtige, schitterende aspiraties van uw geestelijke ziel, uw hogere ego. Probeer ze in uw dagelijks leven te realiseren. Dat is kortgezegd wat ik bedoel, en het is dezelfde leer als die van alle grote wijzen en zieners. Wees de god in uzelf, wees onzelfzuchtig, onpersoonlijk, liefdevol.

Het universele en onpersoonlijke zelf dat u zo duidelijk in u voelt en dat u zo scherp onderscheidt van het lagere deel van uw constitutie, raakt u aan met zijn buddhische luister. Dit hogere deel van u is het kosmische deel van uw monadische essentie, terwijl uw persoonlijke of lagere zelf slechts de vage en verre weerspiegeling is van de buddhische luister, verdicht in en rondom het puur menselijke ego, het kind van de aarde.

Het hele doel van evolutie en van inwijding is om het lagere deel te verenigen met dit hogere deel; en wanneer deze eenwording volledig is bereikt, is het individu een menselijke god, een volledig ontwikkelde boeddha. Dit hogere bewustzijn is het ik-ben, en het lagere deel of het menselijke ego is het ik-ben-ik.

Vr. – Er is ons geleerd dat de invloed van de maan slecht is. Ik begrijp dit niet. U heeft gezegd dat de zevende en hoogste bol van de planeetketen en ook het zevende wortelras van iedere bol allebei onder de bijzondere overheersing en leiding van de maan staan, of beter gezegd van die geheime planeet waarvoor de maan als plaatsvervanger optreedt. Komt dit doordat alle monaden die de aardketen betreden, moeten binnenkomen via de specifieke levensstroom of het kanaal van die geheime planeet, de maan, en dat ze allemaal wanneer ze haar weer verlaten – zoals in het zevende wortelras – door dezelfde kanalen moeten vertrekken, waarbij ze alles wat bij de planeet van de dood hoort in de maan achterlaten? Is dat niet de reden waarom de maan zowel een planeet van geboorte als van dood wordt genoemd? Volgens u zijn de zevende bol en het zevende wortelras de poorten van het leven, en ook de poorten van de dood.

GdeP – Wat is precies uw vraag? U heeft enkele heel interessante dingen gevraagd, maar ik denk niet dat ik uw hoofdvraag volledig begrijp door de vele details die u vermeldt. Kunt u uw vraag verduidelijken en korter maken, zodat ik een duidelijk antwoord kan geven?

Vr. – Mijn vraag is: Omdat het zevende wortelras en de zevende bol de overheersende invloed ondergaan van de maan, gaan we daarom bij het omhooggaan door dat kanaal, door de maan, heen?

GdeP – U heeft de gedachte gedeeltelijk juist weergegeven, en voor een deel wijkt u af van de waarheid.

Vr. – Ik kan het niet goed uitdrukken.

GdeP – Dat is jammer, want als uw vraag niet duidelijk is, hoe kan ze dan duidelijk worden begrepen? Bedenk dat u naar een ‘overeenkomst’ verwijst. U begrijpt ongetwijfeld wat een ‘overeenkomst’ is. Het betekent niet een volmaakte gelijkenis. De laatste bol van de aardketen, en ook het laatste wortelras op elke bol in elke ronde, ‘komen overeen’ met de maan, omdat elk ervan, mystiek gezien, de ‘dodenplaneet’ of het ‘dodenras’ is voordat het nieuwe eruit voortkomt. Op dezelfde manier was de maan de planeetketen van de dood die de nieuwe planeetketen of aardketen voortbracht.

Uw basisgedachte is ten dele juist, en het verbaast me helemaal niet dat u zich het hoofd hierover breekt, omdat sommige ingewikkelde onderdelen van de leringen over de ronden en wortelrassen en bollen en planeten heel moeilijk zijn te volgen. Ik beweer niet dat ikzelf alle details ervan goed begrijp. De hogere delen ervan zijn voor mij heel moeilijk. Ik neem aan dat de grote leraren zelf soms moeite hebben om van elk detail een volkomen helder beeld te hebben. Hoe kan het ook anders wanneer zelfs de goden hun eigen onderzoeksterreinen, hun eigen problemen, hebben!

Denk er eens over na hoe enorm uitgestrekt de natuur is: grenzeloos, niet alleen in fysieke zin, maar ook innerlijk, grenzeloze ruimte vol met problemen waarvan wij mensen geen idee hebben – en toch moeten deze feiten in de natuur bestaan. Het is daarom heel natuurlijk dat elke aspirerende leerling moeite heeft met het begrijpen van een ingewikkeld onderwerp zoals de ronden en rassen, en dit is niet iets om u over te verbazen. Daarom ben ik blij dat u zo’n intuïtieve gedachte had. Het toont aan dat uw geest in stilte over deze vraagstukken nadenkt, en dat u onbewust de vruchten van uw gedachten plukt. Maar bedenk altijd dat ‘overeenkomsten’ geen volmaakte gelijkenissen zijn.

Bedenk ook dat de zevende bol of de laatste bol niet onze maan is, en dat dienovereenkomstig het laatste wortelras op elke bol in elke ronde niet uitsluitend maaninvloeden ondergaat. Hiermee wordt slechts bedoeld dat zowel de zevende bol als het laatste wortelras op elke bol wat aard en werk betreft ‘overeenkomen’ met de maan, of beter gezegd met wat de maan is geweest en zelfs nu nog doet.

Vr. – Kunt u ons iets vertellen over de stem Bath-Qol. Ik weet wat de exoterische betekenis ervan is, maar kunt u ons er iets meer over vertellen?

GdeP – Bath-Qol betekent de ‘dochter van de stem’. Dit is een onderwerp dat meer thuishoort in de Hebreeuwse kabbala, en ik betwijfel of ik in de paar woorden die ik er nu aan kan besteden, duidelijk kan maken wat ik bedoel. Ze was een ‘stem’ die volgens de overlevering ‘sprak van boven’ tegen bepaalde toehoorders of zieners. Deze mystieke stem, of deze nu door het fysieke oor of innerlijk werd gehoord, zou uit het goddelijke voortkomen, en aan haar werd de merkwaardige naam Bath-Qol gegeven. De Hebreeën hadden evenals andere oude volkeren hun eigen vormen van de mysteriën, hun eigen manier om naar de processen van de natuur te kijken, en hun eigen religieuze gevoelens; en ieder volk bracht met zijn eigen woorden en op zijn eigen manier deze verschillende onderwerpen tot uitdrukking.

U kunt de Bath-Qol misschien zien als een spirituele invloed die in moeilijke tijden de groten van de mensheid leidt, want alle rassen hebben hun grote leiders.

Vr. – Kunt u de Sanskrietterm geven die voor het woord ‘monade’ wordt gebruikt?

GdePJiva is misschien het beste woord dat overeenkomt met de pythagorische term monas of monade. Maar hier moet ik opnieuw een aantekening bij maken, omdat het woord jiva in de exoterische literatuur op verschillende manieren wordt gebruikt, maar de oorspronkelijke betekenis van jiva in de Upanishads ligt heel dicht bij wat theosofen bedoelen wanneer ze over de monadische essentie spreken. Jiva betekent een levenscentrum. Een monade betekent ook een levenscentrum, maar u ziet hoe vaag deze uitdrukking is. De bevrijde of volledig ontwikkelde monade wordt in het Sanskriet de jivanmukta genoemd, wat betekent de ‘bevrijde jiva’, de ‘bevrijde monade’. Een bevrijde monade is een monade die volledig ontwikkelde en zelfgeleide individualiteit heeft bereikt, die een zelfbewuste uitdrukking van de innerlijke god is geworden. Nauwkeuriger gezegd, omdat de innerlijke god en de monade dezelfde zijn, is ze de entiteit die de beperkingen van de persoonlijkheid heeft afgeworpen, en die in het hoogste deel van haar constitutie leeft als een bevrijde monadische essentie. Dat is de jivanmukta – een samengesteld Sanskrietwoord dat komt van jiva en mukta, waarbij mukta het voltooid deelwoord is van een werkwoord dat ‘bevrijden’ betekent – dus een ‘bevrijde jiva’, met andere woorden, een mahatma van de hoogste klasse, een boeddha.

Vr. – Wat onsterfelijkheid betreft: kan men dan zeggen dat er niets eeuwigs en onverwoestbaars is behalve het grenzeloze Al, en dat al het afzonderlijke bestaan uiteindelijk moet verdwijnen?

GdeP – Dat is in essentie juist, omdat heelallen, supergoden, goden, en alle lagere wezens als entiteiten vergankelijk zijn omdat ze allemaal groeien of evolueren. Het enige wat niet verandert, tenminste naar menselijke maatstaven, en wat van eeuwigheid tot eeuwigheid en door de oneindigheid heen voortduurt, is die drie-enige essentie die bewustzijn-leven-substantie is – drie dingen die één zijn, maar die door het menselijke bewustzijn, dat de schaduw van zijn eigen samenstelling tegen de achtergrond van de oneindigheid weerspiegelt, wordt onderverdeeld in deze triade. Zoals H.P. Blavatsky het uitdrukt, is ze het kosmische leven, wat hetzelfde is als universele beweging – zonder einde en zonder begin – die tegelijkertijd bewustzijn-substantie is.

Alles is vergankelijk. Alles verandert. Alles groeit. Alles ontwikkelt zich. Niets is eeuwig hetzelfde. Denk hierover eens na! Als u die gedachte eenmaal begrijpt, zult u zien wat een oneindige hoop erin schuilt. En u zult zo’n grote afschuw voelen voor het verouderde denkbeeld van een entiteit die door de eeuwigheid heen niet verandert, dat uw waarnemingsvermogen daardoor ruimere terreinen van inzicht zal betreden.

In wezen heeft u volkomen gelijk. Alles, van goden in hun heelallen tot atomen, is vergankelijk, omdat alles voortdurend verandert, in beweging is, groeit, zich ontwikkelt. Neem de met sterren bezaaide melkweg. Westerse sterrenkundigen schatten tegenwoordig, ruwweg natuurlijk, dat de melkweg uit ongeveer dertig miljard zonnen bestaat, en niemand weet hoeveel zonnestelsels deze zonnen vergezellen. Alles is vergankelijk omdat alles verandert. In het oog van de eeuwigheid is de volledige levensduur van de melkweg, die voor ons mensen zo bestendig lijkt en zo’n onberekenbaar aantal menselijke jaren blijft bestaan, slechts een kortstondige flits.

Het hart van het hart, de kern van de kern, van elke monade, dat wil zeggen van ieder wiskundig punt in de oneindigheid, is die oneindigheid zelf. Wat een prachtige gedachte is dat! Het heelal is daarom uw grenzeloze thuis. U bent dus overal thuis, want u bent samengesteld uit alle beginselen en substanties waaruit het heelal is opgebouwd. En bovendien bent u het kosmische leven in deze substanties. Hoe klein en onbetekenend zijn daarmee vergeleken de dagelijkse menselijke aangelegenheden! Ziet u hoe deze gedachten zelfzucht uitbannen, het verlangen naar slechte daden uitwissen, en het gevoel van een afzonderlijke persoonlijkheid tenietdoen? Voelt u de schoonheid ervan? Ziet u niet hoe ze aan de werkelijke mens onuitsprekelijke waardigheid verlenen!

Laten we de bijeenkomst afsluiten.

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 553-73

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag