22

Bijeenkomst op 28 oktober 1930

 

GdeP – Vrienden, ik ben nu gereed om vragen te beantwoorden.

Vr. – Kunt u ons iets meer over de pitri’s vertellen? Ik heb begrepen dat er vele klassen van pitri’s zijn, en uit wat ik heb gelezen maak ik op dat de barhishad-pitri’s dezelfde zijn als de maanpitri’s, en de agnishvatta-pitri’s dezelfde als de manasaputra’s. Maar het is me niet helemaal duidelijk.

GdeP – U heeft volkomen gelijk. Het woord ‘pitri’s’ is natuurlijk een Sanskrietwoord en betekent vaders – ‘vaders’ in de zin van voorvaderen, voorouders. Het is volkomen juist om te spreken over vele klassen van pitri’s. De wereld, het heelal, is vol met pitri’s. Er zijn goddelijke vaders of pitri’s – of voorvaderen of voorouders. Er zijn ook geestelijke pitri’s; er zijn verstandelijke pitri’s, emotionele pitri’s; er zijn astrale, vitale en fysieke pitri’s. Barhishad-pitri’s is een andere naam voor de maanpitri’s, of liever die klasse van de gezamenlijke voorvaderen of voorouders die van de maan kwamen. De agnishvatta’s zijn de zonnepitri’s, en ‘zon’ is hier een algemene term en heeft betrekking op alle zonne-lha’s, of zonnegoden, die een eigen deel van de menselijke constitutie vormen. Er zijn vele soorten pitri’s, maar de agnishvatta’s en de barhishads zijn de twee belangrijkste soorten waarover HPB in haar Geheime Leer veel heeft gezegd.

Vr. – U heeft ons eens gezegd dat de agnishvatta-pitri’s degenen waren die in vroegere manvantara’s door het menselijke evolutiestadium waren heengegaan, en in De Geheime Leer zegt HPB dat ze heel zuivere geesten zijn die de materie alleen kunnen bereiken door middel van overdracht en . . .

GdeP – U bedoelt alleen via tussenschakels.

Vr. – Ja, dat bedoel ik. Het was mij onduidelijk hoe het kon dat ze, nadat ze een volledige cyclus van menselijke evolutie hadden doorlopen en intussen steeds zuivere geesten waren gebleven, toch moesten wachten op de scheppende krachten van de maanpitri’s voordat ze enig contact met de mensheid op deze bol konden krijgen.

GdeP – De uitdrukking ‘zuivere geesten’ is vanzelfsprekend een relatief begrip, evenals ‘zuiver’ een relatief begrip is. Een zuiver dier is niet hetzelfde als een zuivere god. Daarom heeft deze uitdrukking ‘zuivere geesten’ alleen betrekking op ons zonnestelsel. Het is helemaal juist dat de agnishvatta-pitri’s, of de zonnepitri’s, mensen waren in een kosmisch manvantara ver in het verleden, dat wil zeggen in een vroeger manvantara van de planeetketen. Vergeleken met ons – wezens die zijn samengesteld uit bewustzijn en grove materie – zijn ze zover ontwikkeld dat ze werkelijk ‘zuivere geesten’ kunnen worden genoemd. Maar ze zijn in geestelijk opzicht lang niet zo zuiver als de zuivere geesten van een ander zonnestelsel dat als geheel op het evolutiepad veel verder is gevorderd dan ons zonnestelsel met zijn menigten van wezens.

Uw uitspraak dat zuivere geest niet direct in verbinding kan staan met grove fysieke materie is ook volkomen juist. Er zijn een aantal tussenliggende fasen, of tussenstadia, tussen de zuivere geest van een mens aan de ene kant en zijn grove fysieke hersenen aan de andere kant. Deze tussenliggende stadia van de menselijke constitutie worden voor een deel gevormd door de pitri’s die van de maanketen kwamen – die eveneens onze vaders, voorvaderen, voorouders zijn, maar alleen in de zin van voorvaderen of voorouders van dit tussenliggende deel van onze constitutie. De maanpitri’s zijn veel etherischer dan ons grove vlees, maar veel minder spiritueel dan de agnishvatta-pitri’s. Bovendien zijn de maanpitri’s het menselijke deel van ons. Zij zijn wij als mensen, en wij zijn zij.

Er zijn dus in de samengestelde menselijke constitutie vier hoofdklassen van entiteiten – het goddelijke wezen, of de monadische essentie, of de essentiële monade, waarbij het woord ‘monade’ in algemene zin wordt gebruikt. Dan de agnishvatta-pitri door wie deze monade haar krachten tot uitdrukking brengt. Dan de maanpitri door wie de agnishvatta-pitri zijn krachten in combinatie met die van de godheid tot uitdrukking brengt. En tenslotte de laagste klasse van de aardpitri’s die het astraal-vitale gestel van het menselijk voertuig of de menselijke constitutie vormen. Door dit astraal-vitale gestel proberen alle zojuist genoemde, onderling verbonden essenties ieder haar eigen individuele energie of kracht of karakter tot uitdrukking te brengen. Dan zijn er natuurlijk nog de ‘pitri’s’ van het fysieke lichaam, en deze pitri’s zijn onze menselijke ouders, de vader en de moeder die het fysieke lichaam hebben voortgebracht.

Vr. – Ik heb twee vragen over hetzelfde onderwerp. Enige weken geleden vertelde u ons dat toen de monaden van de maan hierheen kwamen, ze van bol A kwamen in zeven verschillende . . .

GdeP – U bedoelt van bol A van de maanketen.

Vr. – Ja, van de maan, in zeven verschillende klassen, de ene klasse gevolgd door de andere; en dat de verschillende bollen van de aardketen op die manier geleidelijk werden gevormd, de ene na de andere, eerst door de drie klassen van elementalen; en dat de ene na de andere van deze zeven klassen elk op haar beurt de zeven aardbollen bewoonde – waarbij de klassen elkaar opvolgden zodat alle bollen van de aardketen op hun beurt werden bewoond, te beginnen met bol A; de wezens van bol A van de maanketen vestigden zich op alle bollen van de aardketen voordat de entiteiten van bol B op hun beurt hierheen kwamen. Hieruit leid ik af dat al deze verschillende bollen van de maanketen zich ook in verschillende evolutiestadia bevinden, d.w.z. dat er zeven graden van evolutie op bol A van de maanketen waren, en dat de andere bollen zich in andere evolutiestadia van de maanketen bevonden.

Van welke bol van de maanketen kwam onze huidige mensheid op bol D van de aardketen oorspronkelijk?

GdeP – Ze kwam van alle bollen van de maanketen, van de planeetketen maan.

Vr. – Ja. Natuurlijk weet ik dat alle bollen van de aardketen door alle monaden van de maanketen worden bewoond, maar ik bedoel dat onze huidige mensheid op bol D van een specifieke bol van de maanketen moet zijn gekomen.

GdeP – Nee. Onze mensheid is slechts één familie van een aantal families die van de planeetketen maan hierheen komen. De mensheid op deze planeetketen aarde behoort niet alleen tot de bol aarde. Ze behoort tot de planeetketen aarde. Hetzelfde was het geval toen we evoluerende entiteiten op de planeetketen maan waren; we behoorden toen tot alle zeven bollen van de planeetketen maan.

Vr. – Misschien heb ik mijn vraag niet helemaal duidelijk gesteld. Ik weet dat we een rondgang langs alle bollen gaan maken, en ik begrijp dat we daarom tot alle bollen behoren. Maar omdat ons wordt geleerd dat bol B van de maan de ouder van bol B van de aardketen is, dacht ik dat elke bol van de maan de ouder van de overeenkomstige bol van de aardketen is. Dus dacht ik dat onze huidige mensheid – dat wil zeggen onze mensheid op bol D – afkomstig moet zijn van één specifieke bol van de maanketen.

GdeP – Nee. Als u hier in uw gedachten even bij stilstaat, zult u gemakkelijk inzien dat evenals onze menselijke familie een rondgang langs alle zeven bollen van de aardketen maakt en daarom tot alle zeven behoort, onze menselijke familie in een minder ver ontwikkeld stadium van haar evolutie, toen ze tot de maanketen behoorde, tot alle zeven bollen van de maanketen behoorde. Natuurlijk is bol A van de maanketen de ouder van bol A van de aardketen. Bol B van de maanketen is de ouder van bol B van de aardketen. Bol C van de maanketen is de ouder van bol C van de aardketen, enz. Ik denk dat u de verplaatsing van de vitale beginselen van de zeven bollen van de maanketen naar de layacentra die zijn voorbestemd om de overeenkomstige bollen van de planeetketen aarde te worden – met andere woorden deze overbrenging van de vitale essenties van de zeven bollen van de maan – verwart met de zeven klassen van spirituele entiteiten die zeven families vormen, zeven evoluerende, rondtrekkende groepen.

In de laatste of zevende ronde van de maanketen waren er bijvoorbeeld verschillende familiegroepen waarvan onze huidige familiegroep er een was. Aan het begin van de zevende ronde van de maan – dit begin vond natuurlijk plaats op bol A van de maanketen – werden daar zeven wortelrassen van alle zeven klassen of familiegroepen doorlopen. Vervolgens ging de levensgolf over naar bol B van de maanketen, en op die bol werden zeven wortelrassen doorlopen; en zo verder langs de zeven bollen van de maanketen. Op het moment dat deze families de zevende bol van de maanketen bereikten, vlogen ze als zeven (of als tien) groepen vogels uit naar hun nirvanische rustperiode. Maar toen alle hogere essenties, de evoluerende families, bol A van de maanketen hadden verlaten, begon die bol vervolgens te sterven; en zijn verval ging door totdat de volledige dood plaatsvond, wat de overgang betekende van de laatste bol-essenties naar het layacentrum dat in de toekomst bol A van de aardketen zou worden.

Dezelfde reeks processen vond plaats met betrekking tot bol B van de maanketen. Hetzelfde geldt ook voor bol C van de maanketen, en eveneens voor alle andere bollen van de maanketen, totdat de laatste of zevende bol van de maanketen werd bereikt. Tenslotte vond daar dezelfde opeenvolging van activiteiten plaats en bol G, of de laatste bol van de maanketen, stierf op zijn beurt. Vanaf dat moment was de hele maanketen dood, en sindsdien is ze een uiteenvallend lijk – ik bedoel dat alle zeven bollen van de maanketen daarna steeds verder uiteenvallende, ontbindende lijken zijn geweest.

De atomen waaruit elk van de zeven bollen van de maanketen was samengesteld, begonnen na de dood van elke respectievelijke bol onmiddellijk uiteen te gaan, en dit proces van scheiding of ontbinding is tot nu toe doorgegaan. Ik weet niet hoe lang het duurt voordat een menselijk lichaam is vergaan nadat het is begraven. Ik denk ongeveer zes of zeven jaar, wanneer het met rust wordt gelaten. Maar bij een planeetketen moet de ontbindingstijd natuurlijk in kosmische tijdsperioden worden gemeten, en deze zijn vanzelfsprekend veel langer dan de ontbindingsperiode van een menselijk lijk.

Vr. – Ik dacht dat de entiteiten, de monaden, van deze verschillende bollen niet waren vermengd, dat ze op een of andere manier gescheiden bleven; dat, omdat ze voortdurend rondtrokken, er altijd bepaalde entiteiten van A zijn die zich op A bevinden, en andere van B op B; dat op elke bol een andere klasse van entiteiten is, omdat de verschillende bollen anders zijn. Maar ik zie nu dat ze op de aardketen met elkaar zijn vermengd – alle verschillende klassen.

GdeP – Precies. Evenals ze waren ‘vermengd’, om uw woorden te gebruiken, op de maanketen. Bedenk ook dat er voortdurend een overdracht van levensatomen plaatsvindt, en dit gebeurt bij de hemellichamen op dezelfde manier als bij onze menselijke fysieke lichamen, of bij het omhulsel van ons denken of van onze ziel – een voortdurende overdracht of rondgang van de levensatomen.

Ik kan daar ter verduidelijking misschien aan toevoegen dat onze menselijke familie niet de enige evoluerende grote familiegroep van onze aardketen is. Er zijn andere familiegroepen die ons vooruit zijn, en andere die achter ons aan komen, maar ze komen allemaal van de maanketen. Wij mensen zijn slechts één familiegroep of groepsfamilie.

Bijvoorbeeld, op de bol van de aardketen die onmiddellijk aan de onze voorafgaat, bol C, bevindt zich een familiegroep die daar net aan het begin van haar eerste wortelras staat. Wij bevinden ons in ons vijfde wortelras op deze bol D. Zodra we deze aarde over ongeveer tweeënhalf wortelras hebben verlaten, zal na een betrekkelijk korte periode een andere familiegroep onze bol D op deze aarde betreden. Onze menselijke familie zal hem hebben verlaten, met uitzondering van de sishta’s, de ‘overblijvers’ – diegenen die de komende eeuwen zullen wachten om de levenszaden voor onze huidige familiegroep te vormen wanneer deze weer naar de aarde terugkeert nadat de vierde ronde is volbracht, haar interplanetaire nirvana is verstreken en ze door de bollen A, B en C in de vijfde ronde is heengegaan.

Deze ronden en rassen vormen een heel ingewikkeld onderwerp, maar het is een van de meest fascinerende, leerzame, en een van de meest tot nadenken stemmende onderwerpen. U kunt het niet genoeg bestuderen. Ik heb mensen soms horen zeggen dat theosofen zich vooral op ethische of morele waarden zouden moeten richten, en dat ronden en rassen en dat soort dingen slechts puur intellectuele studies zijn. Geloof het niet! In deze leringen over ronden en rassen schuilt inspiratie. Ze zijn oefeningen voor het hogere verstand. Ze zijn oefeningen voor het geestelijke deel van ons; en bovenal leren ze ons dat we volkomen één zijn met al wat is. Ze laten de reden voor ethiek zien, hoe ethiek gebaseerd is op de universele broederschap van alle dingen die bestaan en zijn. Ze maken ons duidelijk dat we in essentie één zijn, niet alleen met de verschillende familiegroepen die op onze eigen planeetketen evolueren, maar met de hele kosmos. Dit proces van onderlinge vermenging en om elkaar heen wentelen leert ons dat de andere planeten van ons zonnestelsel zusterplaneten van deze planeetketen aarde zijn, en dat we evenzeer tot die andere planeten behoren als tot deze aarde; en bovendien dat ons hele zonnestelsel nu ons thuis is, maar dat de andere zonnestelsels in ons thuisheelal, de melkweg, alle onderling zijn verbonden, alle gezamenlijk evolueren.

Het bestuderen van de ronden en rassen, en van de zeven beginselen van de mens en van het heelal, en van andere soortgelijke basisleringen is heel belangrijk. In spiritueel, ethisch en verstandelijk opzicht verdienen ze uw grootst mogelijke aandacht. Natuurlijk zit hieraan ook een andere kant. Als een man of een vrouw die tot de TS behoort slechts intellectuele belangstelling heeft voor sommige van deze leringen, en graag zijn tijd doorbrengt met speculaties daarover, terwijl hij intussen nalaat zijn plicht te vervullen, dan handelt hij natuurlijk niet juist. Hij handelt verkeerd. Maar deze gevallen behoren tot de uitzonderingen.

Vr. – Ik heb twee vragen over de zeven beginselen. De ene gaat over prana. We zijn gewend om over de zeven beginselen als voertuigen of omhulsels te spreken. Ik heb er altijd moeite mee gehad te begrijpen hoe prana als omhulsel kan worden gezien. Kunt u dat iets meer toelichten.

GdeP – U heeft volkomen gelijk. De zeven beginselen zijn geen voertuigen. Het zijn geen omhulsels. Men kan de zeven ‘beginselen’ evengoed de zeven ‘elementen’ van de menselijke constitutie noemen. Het is afhankelijk van ons gezichtspunt of we spreken over de zeven ‘beginselen’ of de zeven ‘elementen’. De twee zijn hetzelfde. Het zijn beginselen vanuit een bepaald gezichtspunt en elementen vanuit een ander gezichtspunt. De voertuigen daarentegen, zijn de samengestelde centra of brandpunten of draaikolken waarin de respectievelijke ego’s leven, maar deze draaikolken of brandpunten bestaan elk op hun beurt uit zeven beginselen of elementen.

De zeven beginselen of elementen zijn de zeven kosmische essenties in al hun verschillende aangepaste en gewijzigde vormen, of het nu een mens, een planeet, een zonnestelsel, of een god betreft.

Vr. – Mijn andere vraag gaat over het astrale lichaam. In sommige literatuur van andere theosofische organisaties wordt op een nogal verwarrende manier over het astrale gesproken. Ze spreken over verschillende graden. Ze gebruiken heel vaak de uitdrukking ‘etherisch lichaam’. Het is me niet duidelijk of HPB’s leringen en instructies daarvoor de basis verschaffen, en toch lijkt er iets in te zitten – dat er graden van etherische en astrale substanties moeten zijn. Deze mensen spreken vaak over het etherische lichaam als iets dat gescheiden is van het astrale gebied. Ze zijn op dat punt heel stellig. Ik zou graag wat meer helderheid over dit onderwerp willen krijgen.

GdeP – Ja, het is waar dat bepaalde theosofen dit schrijven; maar het gaat hier voor een groot deel om een onderscheid zonder wezenlijk verschil. Alle astrale stof is vergeleken met onze grove fysieke stof etherisch, en astrale stof kent zeven stadia en strekt zich uit van de meest verheven tot de meest grove stof. Het hoogste deel van het astrale gebied is het akasa, en de woorden ‘astraal’ en ‘etherisch’ zijn in het algemeen onderling verwisselbaar, hoewel het misschien raadzaam is een onderscheid te maken om dingen duidelijker te omschrijven. Het mayavirupa, bijvoorbeeld, is een etherisch lichaam. Ons eigen astrale lichaam, als we de term ‘astraal’ tot het lingasarira of modellichaam beperken, is ook een etherisch lichaam, waarbij het woord ‘etherisch’ in algemene zin wordt gebruikt, in tegenstelling tot het grove fysieke lichaam. Maar ik heb in de geschriften van deze medetheosofen dezelfde tendens opgemerkt die u is opgevallen; en in veel gevallen, misschien in de meeste, schijnen ze zonder wezenlijk verschil onderscheid te maken tussen het astrale en het etherische. De twee zijn praktisch hetzelfde, hoewel ik herhaal dat er momenten of gelegenheden kunnen zijn wanneer het gepast is om tijdelijk een onderscheid te maken tussen ‘astraal’ en ‘etherisch’.

Vr. – U sprak over de essenties die van de verschillende bollen van de maanketen naar die van de aardketen worden overgebracht, maar ik begrijp niet wat die essenties zijn. Zijn het de zeven elementen van een wezen?

GdeP – Het zijn de monaden – zeven, of in feite tien, klassen van monaden.

Vr. – Die bedoel ik niet. Ik bedoel de essenties afkomstig van de maanbol die het nieuwe layacentrum binnengaan – niet de menigten van levende wezens op de maanketen.

GdeP – De essenties waarover ik een paar momenten geleden sprak en waarnaar u nu verwijst, zijn de essenties die de drie elementalenrijken, het mineralenrijk, het plantenrijk en het dierenrijk worden. Natuurlijk zijn de entiteiten van het mensenrijk in hun monadische delen strikt gesproken ook essenties.

We hebben ook nog de bol-essenties, en ik verwijs nu naar de verschillende essenties die het materiaal of de substantie van de individuele bollen samenstellen. Misschien slaat uw vraag vooral op de laatstgenoemde. Beantwoordt dit uw vraag?

Vr. – Ja. Het geeft me een volkomen nieuwe kijk. Ik heb altijd gehoord dat de aarde zelf op een wezen lijkt. Ik begreep niet welke hiërarch de aarde als bol leidde, of als een van de zeven bollen.

GdeP – Herhaalt u alstublieft uw vraag.

Vr. – We hebben gehoord dat de aarde een wezen is, en ik heb me vaak afgevraagd welke hiërarch aan het hoofd staat van deze aarde die als een entiteit wordt beschouwd.

GdeP – Komt uw vraag erop neer of er een hiërarch voor elke bol van de planeetketen is?

Vr. – Nee. Niet voor elke bol, maar voor alle zeven.

GdeP – Zo’n hiërarch is er, maar er is ook een subhiërarch voor elke bol.

Vr. – Ja, dat dacht ik al. Maar wat is die hiërarch? Is hij op een of andere manier met ons verbonden?

GdeP – Zeker. Hij moet wel met ons verbonden zijn, anders zouden we hier niet zijn.

Vr. – Maar dit is niet dezelfde hiërarch die onze werkelijke essentie leidt, of wel?

GdeP – Die wat leidt?

Vr. – Ons eigen wezen?

GdeP – Onze constitutie?

Vr. – Ja.

GdeP – Als individuen?

Vr. – Als individuen. Want we bevinden ons beslist niet in hetzelfde evolutiestadium als de bollen waarop we leven.

GdeP – We staan als individuen hoger dan de bollen waarop we leven.

Vr. – Ja, ik herinner me dat u ons dat eerder heeft gezegd, maar ik begrijp de relatie tussen de twee niet echt.

GdeP – U roert hele diepe vraagstukken aan. ‘In het huis van mijn Vader zijn vele woningen.’ De ‘Vader’ verwijst hier naar de grote hiërarch van het zonnestelsel. Er is een huishouder of een gezinshoofd voor elk van deze huizen, en hij is de subhiërarch of planeetgeest. En het is in en op de fysieke uitdrukkingsvorm, of het voertuig of lichaam van deze planeetgeest dat wij op dit moment leven, voorzover het onze aarde betreft. We zijn karmisch nauw verbonden met deze planeetgeest. We behoren in zekere zin tot de familie van de planeetgeest, en we behoren evenzo tot de familie van de zon.

Gebruik uw intuïtie. U betreedt heel gevaarlijk terrein. Met ‘gevaarlijk’ bedoel ik verboden terrein. Als ik u iets meer zou vertellen, dan zou u me verder in verlegenheid brengende vragen gaan stellen, zoals: Waar leeft deze planeetgeest? Hoe ziet hij eruit? En ik kan die vragen hier eenvoudig niet beantwoorden. Dus raad ik u slechts aan om over de uitdrukking in het Nieuwe Testament na te denken: ‘In het huis van mijn Vader’ – let op de merkwaardige bewoording – ‘zijn vele ‘woningen’’, of verblijfplaatsen of kamers. Laten we ze ‘woningen’ noemen: in het koninkrijk van mijn Vader zijn vele woningen. Iedere woning heeft zijn eigen gezinshoofd of huishouder, en we betreden de woning niet slechts als tijdelijke gasten maar als zijn familieleden. We blijven er een tijdje, en gaan dan naar een van de andere woningen van de ‘Grote Vader’, de koning van het land zogezegd, die de grote zonnehiërarch is.

Iedere mens is op weg om een planeetgeest te worden. Nog verder in de toekomst, kosmisch gezien, zal iedere mens een zon worden. Evenals het bloed met zijn cellen door de verschillende organen in het menselijk lichaam stroomt, zo stromen ook de levensgolven of familiegroepen rond, waarbij ze de circulaties in het zonnestelsel volgen, naar en uit de verschillende organische punten of organen van dat zonnestelsel, en deze organen zijn de planeten.

Vr. – Ik wil ook een vraag stellen over de term palingenese. We hebben geleerd dat dit de overdracht van een identiek leven betekent, en het voorbeeld dat werd gegeven was dat van de eik die de eikels voortbrengt, en dat vervolgens elke eikel een eik voortbrengt. Maar ik begrijp niet of het betekent dat het leven dat in de nieuwe eik is, deel uitmaakt van hetzelfde wezen – voorzover het eruit is ontwikkeld – of dat de eerste boom alleen maar een kanaal was door middel waarvan de nieuwe gelijksoortige levensessentie kwam die toen een nieuwe eik werd.

GdeP – Beide. Het is zowel een kanaal als dezelfde identieke levensessentie.

Vr. – Maar dan lijkt het alsof de analogie tussen bijvoorbeeld het plantenrijk en het mensenrijk niet juist is. Want dan zou het erop lijken dat in het plantenrijk de evoluerende wezens in deze boom binnen enkele jaren even ver zijn ontwikkeld als het wezen dat in deze boom was. In het mensenrijk, bijvoorbeeld, werpen we natuurlijk atomen af, en deze zullen zich in toekomstige eonen tot mensen ontwikkelen. Maar hoe komt het dat de wezens die door de boom worden ontwikkeld zo snel weer bomen worden? Ik zou denken dat ze veel lager op de ladder zouden staan en zich pas veel later tot bomen zouden ontwikkelen.

GdeP – Ik denk dat uw moeilijkheid bijna volledig ontstaat doordat u de wezenlijke betekenis van de term ‘palingenese’ vergeet. Een vader brengt zijn menselijke nakomelingen voort, die tijdens het leven van de vader volwassen worden, evenals bij de boom.

Vr. – Maar die nakomelingen maken geen deel uit van de essentie van de vader, van het ego van de vader.

GdeP – Nee, zeker niet van zijn ego; noch is de kindereik hetzelfde als het ego van de oudereik.

Vr. – Dan begrijp ik het. Ik raakte in de war door de term ‘identiek leven’. Ik dacht dat het hetzelfde leven als dat van de vorige boom betekende.

GdeP – Nee. Ik bedoel hetzelfde omvattende leven dat behoort tot een bepaalde soort, een levensstroom, een levensrivier.

De mens is in zijn constitutie een samengesteld wezen. Dat feit is een prachtige sleutel als u daar goed aan vasthoudt. Deze samengestelde constitutie bestaat uit de innerlijke god en alle kleinere entiteiten waarvan de innerlijke god de hiërarch is. Wij zijn in essentie deze innerlijke god. Ik bedoel dat uw innerlijke god uw wezenlijke u is, mijn innerlijke god is mijn wezenlijke ik, en toch verschilt de ouder-essentie in elk van de gevallen van de kind-essentie. Beide beweringen zijn volkomen juist. De een verschilt van de ander omdat die innerlijke god zijn eigen egoïsche individualiteit heeft, zijn eigen svabhava. Toch komt u of ik, of iedere andere mens, of iedere andere entiteit voort uit zijn eigen innerlijke god, uit dezelfde vitale stroom, of levensstroom, die innerlijk door de eeuwen heen, in belichaming na belichaming, in diezelfde vitale atmosfeer aanwezig is. Toch heeft ieder van ons als een groeiende, zich ontwikkelende, lerende monadische entiteit of monadisch ego een andere svabhava dan de svabhava van onze innerlijke god en ouder.

Dit is een ander voorbeeld van palingenese, toegepast op de ego’s van de menselijke constitutie. Ik ben mijn innerlijke god en toch ook niet. Ik was oorspronkelijk zijn gedachte, een gedachte ervan, een atoom van zijn leven, een deeltje ervan. En toch heb ik mijn eigen kern van de kern van mij, mijn eigen hart van het hart van mij, die mijn eigen monade is. Naarmate ik mezelf door de eeuwen heen ontwikkel, zal ik wat in mezelf als entiteit, als individu, als svabhavische entiteit, besloten ligt, steeds vollediger en beter manifesteren. Ondertussen ontwikkelt mijn innerlijke god zich op zijn beurt op zijn eigen verheven gebied. Dus, ik ben de god in mij, maar hij is niet mijn ego. Hij is niet de ik-ben-ik van mij, want dat is mijn ego, maar hij is precies mijn ik-ben – of zuiver, puur bewustzijn.

Als u deze gedachte maar kon begrijpen! Ze opent meer deuren van begrip voor u dan ik u zonder meer kan zeggen. De godheid van ons zonnestelsel, Vader Zon – van wie de levensessentie zich over het hele zonnestelsel uitstrekt en overal doordringt, want daarin leven we, bewegen we en hebben we ons bestaan – ben ik, bent u, is de wortel van ieder van ons. En toch, ondanks dat wonderbaarlijke feit, is ieder van ons, als entiteit, als individu, een wezenlijk individu; en als individu is hij voorbestemd om zich in toekomstige eonen te ontwikkelen tot wat Vader Zon nu voor ons is. Bovendien zullen de lagere levensatomen die nu onze constitutie op al haar gebieden vormen, en die ook onze verschillende voertuigen vormen, in die toekomstige tijd – wanneer ieder van ons een Vader Zon is geworden – de verschillende menselijke entiteiten, engelen, enz., zijn die de kosmos vullen.

Vader Zon, de geest van ons zonnestelsel, was in een kosmisch manvantara langgeleden, d.w.z. in een lang vervlogen manvantara van het zonnestelsel, een mens, of een wezen dat gelijkstaat met een mens. En ik gebruik die uitdrukking ‘een wezen dat gelijkstaat met een mens’, zodat u niet gaat denken dat deze entiteit noodzakelijkerwijs precies hetzelfde fysieke lichaam had dat wij nu hebben, met twee oren, en twee ogen, en twee armen, en twee benen, enz.; maar ze had het verstand, de wilskracht, het zelfbewustzijn en alle spirituele en verstandelijke vermogens die wij mensen tegenwoordig hebben ontwikkeld en die ons tot mensen maken – met andere woorden, een zelfbewuste individualiteit. De dieren hebben deze zelfbewuste individualiteit nog niet ontwikkeld. De goden hebben hun zelfbewuste individuele persoonlijkheid verloren omdat ze universeel zijn, niettemin zijn ze egoïsch. Hun persoonlijkheid is versmolten tot onpersoonlijkheid, die uiteindelijk universaliteit werd. De goden behouden echter altijd hun goddelijke egoïsche individualiteit die, als entiteit beschouwd, het ondeelbare deel van ieder van ons is, en dit ondeelbare deel is de svabhava.

Vr. – Mag ik vragen of het deze svabhava is die tot de ouder-ster behoort, en tot het kind van de ouder-ster?

GdeP – Palingenetisch gezien is dat juist. Maar ik zou niet zeggen dat de werkelijke individualiteit van een mens identiek is aan de werkelijke individualiteit van zijn ouder-ster, want dat zou die ouder-ster tot een entiteit maken die een individualiteit heeft die niet hoger is ontwikkeld dan die van u of die van mij.

Vr. – Nee, ik bedoel een kind ervan. Zoals we spreken van een kind van de zon.

GdeP – Uw basisgedachte is juist. De svabhava van u of van mij of iemand anders is een kind van een ouder- en in hoge mate vergelijkbare svabhava, maar is niet dezelfde svabhavische svabhava van de ouder – of is niet svabhavisch identiek met de ouder. Met andere woorden, iedere specifieke levensstroom bestaat uit monadische eenheden die in hoge mate met elkaar overeenkomen, maar geen twee daarvan zijn svabhavisch identiek. Het is bijna onmogelijk om deze ideeën uit te drukken in een taal die daarvoor geen woorden heeft.

Vr. – Indien de ruimte vol is met verheven wezens, en indien ieder verheven wezen zijn kinderen heeft, en ze opgroeien, hoe kan er dan ruimte voor ze zijn? Het is als een boom waarvan ieder takje zelf een grote boom wordt – zodoende is er geen ruimte voor het bos.

GdeP – Dat is een heel relevante vraag. Het antwoord ligt in het feit dat de ruimte onbegrensd is. Ze heeft geen grenzen. Ze is oneindig, zonder begin, zonder einde, zowel wat duur betreft als wat we uitgebreidheid kunnen noemen. De ruimte heeft geen begin, geen einde. U heeft het probleem bijzonder goed verwoord. Ieder wiskundig punt in de ruimte, d.w.z. ieder punt waar dan ook, is een monade – of, zo u wilt, dat punt wordt bezet door een monade – een monade die is voorbestemd om na verloop van tijd een heelal te worden in de grenzeloze uitgebreidheid, zonder begin en zonder einde, van pure oneindigheid.

Vr. – Is dit het oude vraagstuk over parabrahman?

GdeP – Ja, ik denk het wel, in zijn eigen woorden.

Vr. – Mijn vraag gaat over de sishta’s, en een ding is mij niet duidelijk. U noemt ze zaden die worden achtergelaten tijdens de doorgang van de monaden om als zaden van de toekomstige mensheid te dienen wanneer die monaden terugkeren. Maar zijn ze ook niet de zaden van de evoluerende mensheid die binnenkomt om de plaats in te nemen van de menigte die verder is getrokken? Is er misschien een deel dat door de eeuwen heen het model bewaart en het evolutieniveau als het ware vasthoudt, terwijl een ander deel als zaden dient voor de volgende binnenkomende mensheid?

GdeP – Bedoelt u met de uitdrukking ‘binnenkomende mensheid’ de grote familiegroep die na ons volgt?

Vr. – Ja.

GdeP – Nee, dat is niet het geval. Over de leer van de sishta’s is heel weinig gezegd en u zult begrijpen wat de reden voor deze terughoudendheid is. Ten eerste omdat ze heel moeilijk is uit te leggen en ten tweede omdat ze nog veel moeilijker is te begrijpen.

Misschien maken het volgende voorbeeld en de conclusie die daaruit is te trekken het voor u iets duidelijker. Ons hele mineralenrijk zoals dat tegenwoordig op aarde voorkomt bestaat uit de minerale sishta’s van de minerale groepsgolf die verder is getrokken. De dieren kwamen daarna. Ze waren geen mineralen, maar toch werden ze samengebracht met de minerale sishta’s. De planten kwamen vóór de dieren, en de mensen volgden op de dieren – en hier bedoel ik niet de zoogdieren, want de zoogdieren kwamen na de mens.

Het plantenrijk zoals dit tegenwoordig op aarde bestaat is bijna volledig een groep sishta’s, bijna maar niet helemaal. Het heeft nog iets van de levensstroom van de levensgolf van de planten; ik bedoel dat de levensgolf van de planten de aarde nog niet volledig heeft verlaten, maar wel bijna.
Het dierenrijk bestaat voor ongeveer vijftig procent uit sishta’s, d.w.z. dat de levensgolf of familiegroep van dieren, wat hun evolutie betreft, tegenwoordig voor ongeveer vijftig procent functioneert.

Het mensenrijk is hier als evoluerende familiegroep bijna volledig. U begrijpt nu ongetwijfeld wat dit betekent. Als u met uw huidige menselijke bewustzijn en begripsvermogen zou kunnen zien wat er gebeurde toen bijvoorbeeld onze minerale levensgolf zijn hoogtij van evolutionaire groei doormaakte, dan zou u de meest merkwaardige dingen hebben gezien – mineralen die zich over het oppervlak van de aarde voortbewegen; allerlei bijzonder omvangrijke vulkanische en seismische verschijnselen.

Richt uw gedachten nu op de plantenwereld. Tijdens het hoogtepunt van hun evolutionaire ontwikkeling zou u planten hebben kunnen zien die zich op een heel bijzondere manier gedroegen: bomen die met hun takken zwaaiden op een manier die op intelligentie wijst, die hun bladeren dichtvouwden en die andere vreemde dingen deden. Zelfs tegenwoordig zult u hoveniers en landbouwkundigen aantreffen die u vertellen over het opzienbarende ‘instinct’ dat de wortels van bepaalde bomen vertonen, die tijdens de groei van die bomen soms zes, twaalf of achttien meter en misschien zelfs verder onder de aarde reizen recht op het water af dat zich op dat verafgelegen punt bevindt – de wortels lijken instinctief tot het water te worden aangetrokken. Dit feit lijkt voor ons heel gewoon, eenvoudig omdat we eraan gewend zijn. Maar tijdens het hoogtepunt van de evolutionaire ontwikkeling van de levensgolf van de planten zou u ze misschien naar het water voorover kunnen zien buigen, kennelijk om het op te drinken, ongeveer zoals u dieren ziet drinken. Er zijn tegenwoordig bepaalde planten die voorbeelden zijn van deze ongewone levensactiviteit.

Het telegraafplantje (Desmodium gyrans) uit Indonesië is een van de meest opmerkelijke voorbeelden van beweging, en de modus operandi en reden voor zijn gedrag zijn een mysterie voor de wetenschap. De bladeren van deze plant zijn in drie blaadjes verdeeld, de buitenste, die kleiner zijn dan die in het midden, bewegen schoksgewijs op en neer langs een boog van 180 graden. Ook wentelen of draaien ze met de steel als as. Het middelste blaadje beweegt slechts een beetje. Deze beweging kan voortdurend en gemakkelijk worden waargenomen, en houdt niet op tijdens de levensduur van het blad.

De zonnedauw (Drosera) is een andere plant die zijn bladeren beweegt, maar dan doelbewust. Het is een van de vleeseters die leeft van insecten. Het cirkelvormige blad is bedekt met lange tentakels die aanlokkelijk glinsteren met kleverige honing. Wanneer een onfortuinlijk insect op het blad landt, buigen deze tentakelharen zich eroverheen om het te verstrikken, en dan begint het blad zich op te rollen en vormt een zak waaruit de prooi niet kan ontsnappen. Het spijsverteringssap stroomt naar buiten en de maaltijd wordt vredig verteerd. Darwin liet zien dat geen enkele chemische reactie een verklaring kan geven voor het buigen van de tentakels die ver van het insect zijn verwijderd. Deze plant komt veel voor en vindt men in zowel Engeland als Californië.

De venusvliegenvanger (Dionaea muscipula) is een lid van dezelfde familie als de zonnedauw, maar hij is levendiger. Zijn bladeren zijn omzoomd door gemene punten die zijn bedekt met verleidelijke honing. Als het nietsvermoedende insect op een van de gevoelige zenuwharen stapt, klappen de zijkanten van het blad als een muizenval dicht, en is geen ontsnapping meer mogelijk. De handeling vindt bliksemsnel plaats. Als de prooi is verteerd gaat het blad weer open en de val is gereed voor de volgende maaltijd.

We kennen allemaal de vele planten die op bepaalde tijden van de dag of nacht hun bloemen openen en sluiten, en het is duidelijk dat deze beweging niet zuiver mechanisch is omdat hun uren van waken en slapen in heel veel gevallen volkomen verschillend zijn. Sommige sluiten ze in de middag, andere vroeg in de ochtend.

Er kunnen veel meer voorbeelden worden gegeven van het vermogen van planten om zich spontaan te bewegen, maar de zojuist genoemde zijn voor ons doel voldoende, namelijk om te laten zien dat een overblijfsel of sishta van het veel grotere spectrum van eigenschappen van de archaïsche vegetatie nog steeds bestaat.

Wat het gesteente betreft, is het vermeldenswaard dat Ruskin in zijn Ethics of the Dust het onderwerp kristallen op een interessante manier benadert. Hij laat zien dat ze tijdens hun groei allerlei eigenaardige overeenkomsten vertonen met menselijk gedrag. De titels van enkele van zijn hoofdstukken zijn, ‘Het leven van kristallen’, ‘De goede eigenschappen van kristallen’, ‘De onenigheden tussen kristallen’, ‘De eigenzinnigheid van kristallen’, ‘Het verdriet van kristallen’ en ‘De rustperiode van kristallen’. Ruskin was een grondig onderzoeker van kristallen en gesteenten, en zijn waarnemingen zijn vaak opmerkelijk intuïtief.

De lagere rijken slapen – en dit geldt in het bijzonder voor het mineralen- en het plantenrijk, omdat hun sishta-toestand bijna volkomen is. De sishta’s van alle rijken ‘slapen’ nadat ze zijn achtergelaten door de levensgolven die vertrekken. Ik bedoel niet dat wanneer onze familiegroep bol D verlaat, de menselijke sishta’s allemaal in ‘slaap’ vallen, ongeveer zoals Doornroosje in het betoverde bos uit het bekende sprookje. De menselijke sishta’s zullen mensen zijn die ongeveer even wakker zijn als wij nu, en ze zullen evenals wij hun verschillende werkzaamheden verrichten en beroepen uitoefenen; maar de menselijke evolutionaire stuwkracht, die er is als de levensgolf aanwezig is, zal dan ontbreken.

Zoals een Fransman die ik kende zou hebben gezegd: On ne vivra pas, on existera – ‘Men zal niet leven, men zal bestaan.’

Vr. – Ik heb begrepen dat de dieren deze aarde vóór ons zullen verlaten, en er komt een tijd dat er geen dierenrijk zal zijn – geen evolutie die zich door middel van dierenlichamen uitdrukt. Komt dat omdat ze voor vijftig procent sishta’s zijn, en al bezig zijn om te vertrekken? En indien dat zo is, zal het plantenrijk ons ook verlaten, of zal het wat inactiever worden, of statischer?

GdeP – Het plantenrijk zal wat ‘statischer’ worden, om uw uitstekende term te gebruiken; maar omdat de dieren tot een hogere groep entiteiten behoren, zullen ze door een veel kleiner aantal sishta’s worden vertegenwoordigd dan de grote verzamelingen van de levensgolven van de mineralen en van de planten. De dieren op aarde zullen in feite praktisch uitsterven, wat eenvoudig wil zeggen dat er steeds minder jongen worden geboren, en dat er op aarde slechts een betrekkelijk klein aantal van de verst geëvolueerde dieren als sishta’s zullen achterblijven – namelijk die dieren die nu de hoogste apen en mensapen zijn. Of er ook sishta’s van de meeste andere groepen van het dierenrijk zullen zijn, is een onderwerp waar ik op dit moment geen duidelijke uitspraak over wil doen, behalve dat het heel waarschijnlijk is dat er zulke achterblijvers zullen zijn.

Er zullen heel weinig menselijke sishta’s zijn, omdat menselijke entiteiten veel verder zijn ontwikkeld dan de levensgolf van de planten of van de mineralen, waardoor de roep om verder te gaan en hogerop te klimmen bij mensen veel sterker is. Bedenk dat we het punt halverwege het manvantara van onze planeetketen zijn gepasseerd en dat we beginnen op te klimmen langs de opgaande boog. De individualisering is bij mensen veel verder gevorderd dan bij dieren; bij dieren is ze verder gevorderd dan bij planten; bij planten is ze verder dan bij de levensatomen van het mineralenrijk. Dit hele onderwerp van sishta’s vormt een boeiende studie.

Vr. – Zijn het dan diegenen die wat hun evolutie betreft niet gereed zijn om het pad verder te volgen die als sishta’s overblijven, of zullen ze vrijwillig de gedachte aan verdere individuele evolutie tijdelijk opgeven om als sishta’s achter te blijven?

GdeP – Dat is een goede vraag. Wanneer zelfbewuste individualiteit is bereikt, zoals in het mensenrijk, neemt de mens zelfbewust deel aan het kosmische werk, wat betekent dat de menselijke sishta’s – die in alle gevallen de verst ontwikkelde entiteiten in het mensenrijk zijn – de beste vruchten van de mensheid zullen zijn. Ik durf de uitdrukking die op het puntje van mijn tong lag niet te gebruiken omdat ik bang ben dat ik verkeerd zal worden begrepen; maar ik was van plan te zeggen dat de menselijke sishta’s de meesters zullen zijn. Dat is een feit, maar ik ben bang dat u me verkeerd zult begrijpen. In het geval van de menselijke sishta’s gaat het voornamelijk om een doelbewuste zelfopoffering, het tijdelijk opgeven van hun eigen individuele evolutie om hier op aarde te wachten op onze eigen menselijke levensgroep of levensgolf die in de vijfde ronde naar de aarde terugkeert. Deze menselijke sishta’s zullen de grote leiders en gidsen zijn van de kind-mensheid van de vijfde ronde op deze aarde; precies zoals er grote leiders waren die op ons wachtten – de grote leraren en onderwijzers van onze kind-mensheid – toen we deze aarde tijdens de vierde ronde betraden.

Vr. – Mag ik nog een vraag over de sishta’s stellen? U sprak zo-even over het feit dat de sishta’s van onze mensheid zouden worden vertegenwoordigd door een hoogontwikkeld ras. Toch dacht ik dat u ze ook had voorgesteld als een ras dat in veel opzichten inactief is. Er bestaat nu verwarring in mijn denken over die bewering en de uitspraak die u zojuist heeft gedaan dat zij de meesters zijn.

GdeP – Heb ik gezegd dat de menselijke sishta’s een ‘ras’ zouden zijn?

Vr. – Nee, u sprak over hen als klein in aantal. Ik kreeg de indruk dat ze een slaperig soort mensen zouden zijn.

GdeP – Dat is niet waar, indien u met het woord ‘slaperig’ werkelijk slaperig in fysiek en mentaal-psychisch opzicht bedoelt. Het is waar als uw woord ‘slaperig’ een betrekkelijke rust van de evolutiedrang betekent. Dit laatste is precies wat ik bedoelde toen ik iets later wees op het grote offer dat deze sishta’s zullen brengen. De levensgolf van de evolutie zal verder zijn gestroomd en deze edelste voorbeelden van de mensheid hebben achtergelaten, die vrijwillig op een zandbank in de evolutierivier zijn gestrand. Dit betekent niet dat ze volledig stilstaan. Ze kunnen zich ontwikkelen, maar hun evolutie zal dan heel langzaam gaan. De kansen die bestonden toen de levensgolf aanwezig was, zijn er niet meer.

Deze sishta’s zullen op aarde heel klein in aantal zijn vergeleken bij wat er gebeurt nadat de menselijke evolutie-impuls weer naar de aarde terugkeert en hen meesleurt in zijn voortstuwende stroom. Niettemin ‘slapen’ ze niet werkelijk, verkeren ze niet letterlijk in een ruststadium, en dit komt door het hoge evolutiestadium dat deze menselijke sishta’s hebben bereikt. Het mineralenrijk zal volledig in slaap zijn. Het plantenrijk zal minder volledig in slaap zijn, maar iets actiever dan de entiteiten van het mineralenrijk. Het kleine aantal dieren dat zal achterblijven, zal ook slapend zijn, maar iets actiever dan de entiteiten van het plantenrijk. De menselijke sishta’s zullen echter betrekkelijk volledig wakker zijn, maar ‘slapend’ vergeleken bij wat ze zullen zijn wanneer ze opnieuw de grote leermeesters van de kind-mensheid van de vijfde ronde worden.

Het is in hun geval eerder een stadium van rust dan van slaap, zoals u in onze huidige mensheid voorbeelden moet hebben gezien van mensen die een tijdje een ongewone toename van innerlijke kracht vertonen, van betrekkelijke stilte, of van rust. Zulke mensen schrijven tijdens deze rustperioden geen grote werken meer, of doen geen grote uitvindingen meer, of hun latente vermogens verkeren in rust totdat de nieuwe impuls of drang komt, en dan beginnen ze opnieuw.

In het geval van de menselijke sishta’s kiezen deze grote zielen doelbewust ervoor om zulke sishta’s te worden, omdat ze tot de orde van de boeddha’s van mededogen behoren, en ze zich met hun hele wezen verbinden om ‘zich in dienst te stellen van de wereld’. Natuurlijk winnen ze hiermee uiteindelijk veel, omdat alle opoffering van eigenbelang voor anderen, tot glorieus karma leidt. Die keuze wordt met grote letters in de boeken van de lipika’s opgeschreven. Ze zullen een grootse en voortreffelijke vermelding krijgen, en ze zullen feilloos hun verheven compensatie ontvangen, hun grote beloning. Maar ze zullen eonen moeten wachten; en precies daarin ligt de opoffering. Het lijkt veel op iemand die op school uit medelijden voor een worstelende ziel die hij probeert te helpen, doelbewust zijn eigen studie verzaakt en het behalen van zijn eigen examens opgeeft en zijn plaats die hij daarna in de wereld zou innemen, opdat hij een leerling kan blijven en de ander kan helpen, want zijn hart spoort hem aan om als helper en gids te dienen.

Vr. – Maken we niet allemaal deel uit van een grotere entiteit?

GdeP – Ja dat is zo.

Vr. – Die entiteit moet een soort lichaam hebben, moet een soort wezen zijn. Ik vroeg me bijvoorbeeld af, wanneer er een grote oorlog plaatsvindt en de emoties van de mens bijzonder heftig zijn, of wanneer één enkele persoon het pad omlaag betreedt, al is het misschien tijdelijk, of zulke gebeurtenissen hetzelfde effect hebben op deze grotere entiteit waarvan we deel uitmaken, als een ziekte in ons menselijk lichaam dat heeft op dit lichaam.

GdeP – Ja, dit is een goede analogie. De daden en het daaruit voortvloeiende karma van één menselijk individu beïnvloeden de door u genoemde grotere entiteit, maar in heel geringe mate. Niettemin, om de analogie die u trekt verder te volgen, kan zo’n gebeurtenis als een grote oorlog of het voorbeeld van een ‘verloren ziel’ worden beschouwd als de oorzaak van een heel lichte irritatie, een hele lichte plaatselijke irritatie ergens in het weefsel of de structuur van de grotere entiteit.

U moet echter bedenken dat één mens vergeleken met deze grotere entiteit door zijn daden een relatief veel kleiner effect heeft op die grotere entiteit dan één cel of een verzameling cellen op een fysiek lichaam. Het gevolg van bijvoorbeeld een grote oorlog tussen mensen op het weefsel of de structuur van zo’n grotere entiteit zou bijna oneindig klein zijn, en zou door die grotere entiteit even zwak worden gevoeld als de invloed van een atomaire verandering in een menselijk lichaam op dat lichaam.

Vr. – Hebben we dan niet een zekere verantwoordelijkheid naar boven tegenover deze grotere entiteit, zoals we ook een verantwoordelijkheid naar beneden hebben tegenover de kleinere entiteiten in ons eigen lichaam?

GdeP – Dat is zeker het geval voorzover het een geestelijke en morele verantwoordelijkheid betreft. Die verantwoordelijkheid hebben we, maar ze is minder groot. We zijn verantwoordelijk voor wat we in het verleden hebben gedaan, voor de manier waarop we de evolutieweg hebben afgelegd, voor de dingen die we hebben gedaan en achter ons hebben gelaten. Daaruit volgt dat we ons moeten verantwoorden voor de dingen die we hebben gedaan en die we hebben nagelaten. We worden door de natuur ook verantwoordelijk gesteld voor de dingen die we wel kunnen doen maar niet doen, maar minder strikt verantwoordelijk dan voor die dingen die we hadden moeten doen of hadden moeten nalaten, of voor die dingen die we hebben gedaan en niet hadden moeten doen.

Vr. – Over dit punt van deze grotere entiteit heb ik ook nagedacht. Zijn er voor zo’n grotere entiteit ronden en rassen en perioden van ontwikkeling om het bouwplan van de universele natuur voor zo’n wezen uit te voeren?

GdeP – Ja, deze grotere entiteiten hebben in en op hun eigen grotere leefgebieden tijds- en evolutieperioden waarvan onze eigen tijdsperioden of ronden en rassen, en evolutieperioden in deze ronden en rassen, slechts kopieën zijn.

Vr. – Hebben wij niets te maken met deze grotere tijds- en evolutieperioden? Hebben ze geen invloed op ons?

GdeP – Dat hebben ze zeker. Precies op dezelfde algemene manier als dat de dingen die in de zon plaatsvinden ons beïnvloeden, hoewel we er niet direct bij betrokken zijn en niet individueel ervoor verantwoordelijk zijn, omdat ze niet door onze doelbewuste, weloverwogen daden zijn veroorzaakt. Niettemin zijn we er indirect bij betrokken, omdat we tot de kosmische levensstroom van de zon behoren.

Vr. – Zullen we deze grotere ronden en rassen ooit begrijpen?

GdeP – Ja. Dat maakt deel uit van de inwijdingsleer; en bedenk dat de reeks inwijdingen niet ophoudt bij de derde of vierde of vijfde of zesde of zevende, maar doorgaat. We zullen de zevende of laatste inwijding de hoogste noemen die een mens normaal gesproken kan ondergaan. De zevende inwijding leidt tot mahatmaschap.

Vr. – Op zondag zei u het volgende: ‘Zoveel mensen op aarde, zoveel goden in de hemel.’ Ik zou graag willen dat u daarover iets meer vertelt.

GdeP – Ieder mens, iedere entiteit, behalve de zogenaamde ‘verloren zielen’, die buitengewoon zeldzaam zijn, wordt verlicht, of ‘overschaduwd’, om deze merkwaardige westerse term te gebruiken, door een innerlijke god, en van die innerlijke god is de mens of een andere entiteit de uitdrukking, of beter gezegd één uitdrukking, op deze aarde. Deze innerlijke god is onze verbinding met de goddelijke werelden, en het kanaal door middel waarvan we talrijke en geluidloze influisteringen van geestelijke luister, van zelfvergetelheid en van onpersoonlijke liefde ontvangen. Dit is wat de avatara Jezus in gedachten had toen hij naar verluidt zei: ‘Mijn Vader en ik zijn één.’ Zo is het. Ik zal het nu iets verder toelichten.

Deze innerlijke god is onze ouder-ster. Probeer deze gedachte te begrijpen! Hij is niet zozeer de fysieke ster, hoewel dit ook juist is omdat deze het lichamelijke voertuig van de innerlijke god is. Ruimtelijke afstand heeft hiermee niets te maken, omdat de verbindingen schakels van bewustzijn en van geest zijn.

Vr. – U gebruikte vanavond het woord ‘layacentrum’, en ik begrijp het woord ‘pralaya’ ook niet helemaal. Ik wil niet zeggen dat de inhoud van onze boeken dit in het algemeen niet duidelijk maakt; maar wilt u vertellen waar deze woorden van zijn afgeleid en hun betekenis en interpretatie verklaren?

GdeP – Laya en pralaya zijn allebei woorden die zijn afgeleid van de Sanskrietwortel li, die ‘oplossen’ betekent. Pra van pralaya is een voorvoegsel dat de betekenis heeft van ‘uiteen’, zoals in het woord ‘uiteenvallen’, en wijst daarom op het volledig uiteenvallen. Een layacentrum is een punt of kanaal of poort of deur van in- en uitgang. Het is dat punt waar en waardoorheen substanties van het lagere gebied omhooggaan en oplossen – vandaar het woord ‘laya’, zich oplossend – in de laagste graad van het aangrenzende hogere gebied. Een layacentrum is ook het punt of kanaal of de poort of deur waardoor en door middel waarvan substanties van een hoger gebied overgaan naar het gebied dat lager en direct eronder ligt. Met andere woorden, de layacentra zijn de communicatiekanalen tussen twee aangrenzende gebieden of werelden.

Iedere mens is rond een layacentrum gebouwd, en door dit layacentrum komen alle spirituele invloeden zijn bewustzijn binnen.

Als zelfstandig naamwoord betekent pralaya het oplossen, het volledig oplossen, het volledig uiteenvallen van de samenstellende substanties of atomen van een entiteit, of deze entiteit nu een wereld is of een mens, een zonnestelsel of een kosmos.

Maak in uw denken een duidelijk onderscheid tussen aan de ene kant pralaya, ‘het oplossen’, de dood, en aan de andere kant obscuratie. Obscuratie betekent dat een entiteit of een wereld verduistert of donker wordt. Een wereld of een entiteit, zoals een mens, is in obscuratie wanneer die entiteit rust of inactief is, zoals tijdens het slapen of tijdens een toestand van volledige rust. Het huidige mineralenrijk op aarde, dat bestaat uit de verzamelde sishta’s van de minerale levensgolf die is verder getrokken, is nu op deze aarde in obscuratie. Een planeet is in obscuratie wanneer alle verschillende familiegroepen haar hebben verlaten en zij in rust verkeert terwijl haar families van sishta’s zijn achtergebleven.

Iedere bol kan òf gedeeltelijk òf volledig in obscuratie zijn. Hij is volledig in obscuratie als er geen actieve, zich ontwikkelende levensgolf aanwezig is. Dit komt zelden voor, maar in de enorme tijdsperiode van een ketenmanvantara gebeurt dit vaak genoeg. Gedeeltelijke obscuratie vindt plaats wanneer een levensgolf de bol heeft verlaten om naar de eerstvolgende bol over te gaan, hoewel er op de achtergelaten bol andere families kunnen zijn die zich nog ontwikkelen.

Bol C is gedeeltelijk in obscuratie. Hij is in obscuratie omdat onze levensgolf hem heeft verlaten, en deze obscuratie is gedeeltelijk omdat een bol slechts volledig actief is wanneer de vertegenwoordigers van alle zeven of tien levensgolven zich erop bevinden. Wanneer een ervan hem heeft verlaten, of twee of drie hem hebben verlaten, dan verkeert hij in zoverre in een gedeeltelijke of grotere of nog grotere obscuratie. Wanneer alle levensgolven hem hebben verlaten, dan is hij volledig in obscuratie, en blijft dat tot de volgende binnenkomende levensgolf dat specifieke deel van zijn activiteiten stimuleert. En dit laatste geval kan een gedeeltelijke ontwaking worden genoemd.

Bol C is gedeeltelijk in obscuratie, omdat niet alleen de menselijke levensgolf hem heeft verlaten maar, voorzover ik heb begrepen, ook andere levensgolven. Niettemin weet ik dat één van de levensgolven net aan haar eerste wortelras op bol C is begonnen. Daarom kan van bol C nauwelijks worden gezegd dat hij volledig in obscuratie is. Dit is een ander voorbeeld van hoe enorm ingewikkeld de leringen zijn, waardoor over iedere gedeeltelijke uiteenzetting ervan kan worden gezegd dat deze tegenstrijdig of onnauwkeurig is.

Het komt dus heel zelden voor dat een bol volledig actief is waarbij alle levensgolven actief zijn, en even zelden is een bol volledig in obscuratie met daarop geen enkele levensgolf die zich op dat moment ontwikkelt. Gewoonlijk is een bol gedeeltelijk in obscuratie en gedeeltelijk actief. Dit is nu het geval met onze eigen bol, omdat de levensgolf van de mineralen al naar bol E is vertrokken, waardoor onze bol slechts gedeeltelijk actief is, en daarom gedeeltelijk in obscuratie omdat de levensgolf van de mineralen er niet langer volledig actief is. En precies hetzelfde kan worden gezegd over de levensgolf van de planten op onze bol. Deze is bezig om snel over te gaan naar bol E, maar is nog niet volledig vertrokken. De mineralen op onze bol D zijn dus sishta’s en daarom is onze bol gedeeltelijk in obscuratie. Het is moeilijk om deze dingen te begrijpen.

Tenslotte kan ik hier nog aan toevoegen dat de levensgolf die juist begint aan haar eerste wortelras op bol C veel hoger is dan de menselijke levensgolf, en in feite een dhyan-chohanische levensgolf is. De tijd komt wanneer ze de aarde zal bereiken, wat natuurlijk nog miljoenen jaren zal duren, maar onze menselijke levensgolf zal dan naar bol E zijn overgegaan. Zo volgen de levensgolven elkaar op in een reeks golven die zich langs de keten bewegen en elkaar zo nu en dan inhalen, maar zelden alle op hetzelfde moment op één bol zijn. Dit is echter wel altijd het geval op bol G aan het einde van een ketenronde, door oorzaken die al eerder zijn toegelicht.

Vrienden, ik denk dat we de bijeenkomst van vanavond nu moeten afsluiten.

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 595-618

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag