25

Bijeenkomst op 9 december 1930

 

GdeP – Vrienden, ik ben nu gereed om vragen te beantwoorden.

Vr. – U heeft ons verteld dat de monade bij de dood van de mens het reïncarnerende ego in haar schoot opneemt, en door de binnen- en buitenronden reist. Is die monade de dhyan-chohan die op de maan een reïncarnerend ego was, en is ze nu ons hogere zelf?

GdeP – Uw vraag betreft een ingewikkeld onderwerp, hoewel u haar duidelijk genoeg heeft geformuleerd. Ten eerste, als we precies willen zijn, kan nauwelijks worden gezegd dat de monade, of beter gezegd de slapende menselijke monade in de schoot daarvan, door zowel de binnen- als de buitenronden gaat, omdat ‘binnenronden’ een term is die alleen betrekking heeft op de ronden van de levensgolven die van bol A naar bol G van een planeetketen gaan, en de term ‘buitenronden’ is alleen van toepassing op de monaden die van planeetketen naar planeetketen gaan.

Het is juist dat de monade na de dood van de menselijke entiteit ronden doorloopt die in de meeste opzichten identiek zijn aan respectievelijk de binnen- en de buitenronden. Niettemin worden de avonturen van de monade na de dood van de mens niet de binnen- en buitenronden genoemd – deze termen zijn voorbehouden aan de twee soorten avonturen die ik noemde. Wilt u alstublieft het laatste deel van uw vraag herhalen?

Vr. – Ik wil graag weten wie die monade is. Is ze de dhyan-chohan die nu ons hogere zelf is, en die het reïncarnerende ego op de maanketen was?

GdeP – Welke monade bedoelt u? De spirituele monade in de schoot waarvan de menselijke monade slaapt?

Vr. – Ja, de monade in de schoot waarvan we slapen tijdens onze devachanische periode.

GdeP – Ik zou die spirituele monade geen dhyan-chohan noemen, want de term ‘dhyan-chohan’ betekent een entiteit die de vermogens van zijn monade tot uitdrukking brengt, zoals een mens een entiteit is die de vermogens van de menselijke monade tot uitdrukking brengt. Een monade is in alle gevallen de wezenlijke kern of bron van de energieën en van de individualiteit van een entiteit die tot uitdrukking worden gebracht. Deze entiteit is een ziel, of deze ziel nu een geestelijke, een menselijke, of een dierlijke ziel is.

Ik zie dat het u nog niet helemaal duidelijk is. Ga verder met uw vraag. Vergeef me dat ik u op deze punten verbeter, maar ik wil graag dat uw vraag u helder voor de geest staat. Dat gebeurt pas wanneer de feiten die u noemt en de manier waarop die feiten worden geformuleerd eveneens helder zijn.

Vr. – Ik probeer me een beeld te vormen van mijn hogere zelf dat, zoals ik heb begrepen, die monade is.

GdeP – Dat is juist – de spirituele monade.

Vr. – Ja, maar ik heb ook een monade, en de dierlijke ziel in mij heeft haar monade, en de dhyan-chohan heeft zijn monade, nietwaar?

GdeP – Ja, dat is zo.

Vr. – Welke is dan de monade die volgens uw beschrijving het reïncarnerende ego in haar schoot draagt?

GdeP – De spirituele monade draagt de menselijke monade in haar schoot. Laat ik proberen u een beetje te helpen. Ik denk dat ik uw moeilijkheid begrijp. De uitdrukking van de individualiteit en van de vermogens van de spirituele monade is de dhyan-chohan op zijn eigen gebied; maar de monade is niet haar kind, de dhyan-chohan, dat slechts een uitdrukking is van de energieën van de monade die na de dood van de mens de menselijke monade in haar schoot draagt. De ‘ziel’ van de dhyan-chohan is de spirituele monade; de ziel van de mens is de menselijke monade.

Vr. – In het boek Man: Fragments of Forgotten History lezen we dat het elementalenrijk de mens zo vijandig gezind is omdat de mens in het verleden heeft nagelaten zijn verplichtingen tegenover de elementalen te vervullen, en die plicht bestond eruit om deze elementalen te ontwikkelen tot mensen. Wilt u daar wat meer licht op werpen?

GdeP – Ik heb het boek dat u noemt vijfendertig of veertig jaar geleden gelezen toen ik jong was. Dat boek is geen theosofisch standaardwerk. Het was in die tijd een knappe poging van twee leerlingen om in eenvoudige taal bepaalde leringen die toen in de Theosophical Society heel nieuw waren, op te schrijven. Hun poging was tot op zekere hoogte geslaagd, maar schoot in andere opzichten ook erg tekort. Ik weet echt niet wat er met dit citaat wordt bedoeld, als het zo in dat boek staat. Volgens mij is het door u gegeven citaat onjuist.

Vr. – Het leek me heel vreemd dat deze elementalen konden worden omgevormd tot mensen zonder door alle rijken heen te gaan.

GdeP – Dat is volkomen juist. Het is voor alle entiteiten in de natuur onmogelijk om in de evolutie zulke sprongen vooruit te maken, want elementalen kunnen niet worden ‘omgevormd tot mensen’ – ze ontwikkelen zich langzaam tot mensen. Dit is de enige manier waardoor elementalen mensen kunnen worden. Evenzo is evolutie de enige weg waardoor mensen goden kunnen worden.

Vr. – Wat kan er dan zijn bedoeld met ‘de verplichtingen die de mens heeft nagelaten te vervullen’?

GdeP – De mens heeft verplichtingen tegenover alle wezens die lager staan dan hij, evenals de goden verplichtingen hebben tegenover alle wezens lager dan zij. We hebben een plicht tegenover de elementalen die onze kinderen zijn, maar zover ik weet heeft geen enkel mens bewust of opzettelijk nagelaten zijn plicht tegenover de drie elementalenrijken te vervullen. Ik begrijp eenvoudig niet waarop u doelt, tenzij de passage in het boek dat u aanhaalt misschien betrekking heeft op het feit dat de mens niet in staat is gebleken het beter te doen dan hij heeft gedaan. En als dit het enige is wat in het citaat wordt bedoeld, dan hadden de auteurs van het boek het in eenvoudige taal moeten uiteenzetten en geen woorden moeten gebruiken die impliceren dat mensen vroeger opzettelijk hebben nagelaten hun verplichtingen tegenover de elementalen te vervullen, plichten die ze bewust niet vervulden.

Ik denk dat Man: Fragments of Forgotten History veel voorbeelden van nalatigheid bevat in zijn geschiedschrijving van de mensheid en van de planeetketen waarop de mens leeft. Blijkbaar hebben de schrijvers veel van de ‘vergeten geschiedenis’ vergeten. Het kan zijn dat de uiteenzetting in het boek volledig juist is, maar zoals u het uit uw geheugen citeert, begrijp ik het niet. Wilt u het nog eens proberen?

Vr. – Nee, dank u, want wat ik heb gezegd geeft de gedachte duidelijk weer zoals ik die in het boek heb gelezen.

GdeP – Als u wilt kunt u het boek nog eens raadplegen, en op een toekomstige bijeenkomst de vraag nog eens stellen.

Vr. – Is er tijdens de evolutie van de mens een specifiek moment waarop hij kiest een pratyekaboeddha of een boeddha van mededogen te worden, of is het een dagelijkse en voortdurende keuze tot het moment van de uiteindelijke grote keuze wanneer hij volmaaktheid en boeddhaschap nadert?

GdeP – Beide, want de uiteindelijke ‘keuze’ om het pad te volgen dat leidt naar de stralende sferen van de geest of het pad naar de steeds diepere duisternis van het stoffelijke bestaan, is een pad dat natuurlijk begint bij het begin. Met andere woorden, de chela of leerling bereidt zich vanaf het begin van zijn eerste aspiratie als chela voor op zijn uiteindelijke keuze. Dit is het antwoord op het tweede gedeelte van uw vraag.

Maar er komt een specifieke periode, een bepaald moment, waarop hij werkelijk een definitieve beslissing moet nemen welk van de twee paden hij van plan is te volgen – het pad van de rechterhand dat omhoog leidt, of het pad van de linkerhand dat omlaag voert. Dezelfde keuze moet door de ego’s van de levensgolven op onze planeetketen collectief worden gemaakt, en deze definitieve keuze voor de ego’s wordt ongeveer halverwege de vijfde ronde gemaakt.

Ik geloof dat ik u tijdens de vorige bijeenkomst heb verteld dat voor de ego’s het moment van de definitieve en hoogste keuze tijdens de vijfde ronde aanbreekt: òf ze zijn van plan het evolutiepad omhoog te volgen, òf ze zakken weg naar de lagere sferen, omdat ze er niet in slagen die keuze te maken – door het neerwaartse pad te volgen. Het spreekt vanzelf dat het maken van die keuze voor een groot deel wordt bepaald door al hun vroegere levens, door wat ze in hun karakter hebben opgebouwd – hoeveel spiritualiteit, visie, onderscheidingsvermogen en inzicht ze in vroegere levens in zichzelf hebben opgebouwd. Als ze in vroegere levens een sterk karakter hebben opgebouwd, dan is het redelijk te veronderstellen dat wanneer het moment van de definitieve beslissing is aangebroken ervoor zal worden gekozen om verder te gaan.

Vr. – Hoe komt het dat de avatara Jezus in de geschiedenis bijna geen sporen schijnt te hebben achtergelaten? Je zou denken dat een avatara, zo’n groot geestelijk licht, heel veel invloed op zijn tijdgenoten zou hebben gehad, zodat de geschiedschrijving hem duidelijker zou moeten vermelden. De avatara Sankaracharya schijnt beter bekend te zijn geweest. Komt dit doordat Jezus esoterischer te werk ging en zich verborgen hield? Was dit de reden dat hij in de uiterlijke geschiedenis van de wereld niet werd genoemd?

GdeP – Dat is een diepzinnige vraag. Ik denk dat dit op de door u genoemde manier kan worden verklaard, tenminste voor een deel, en wat u heeft gezegd is natuurlijk in het algemeen juist. Andere geleerden vonden het evenzeer verbazingwekkend dat iemand zoals Jezus, een mens met zulke buitengewone geestelijke vermogens, in de geschiedenis van die tijd zo weinig sporen heeft achtergelaten. Er is bijna niets over hem bekend. In feite kunnen we zeggen dat er buiten de christelijke geschriften niets over hem bekend is. Ik denk dat dit als volgt kan worden verklaard: Jezus kwam in een tijd toen de cyclus van de Europese geschiedenis in een neerwaartse fase verkeerde. Het was een cyclus die naar omlaag leidde. De beschaving raakte in die tijd in verval – dat wil zeggen, de beschaving van de landen rond de binnenzee – en dus had Jezus te kampen met de moeilijke psychische en fysieke omstandigheden die er toen heersten.

Sankaracharya, daarentegen, kwam in een tijd die ook geen briljante periode in het menselijk denken was, maar wel een tijd waarin de evolutionaire vooruitgang een licht stijgende beweging vertoonde die niettemin al snel naar omlaag boog. Daarom had hij meer kans. Zijn naam raakte meer bekend op het grote Indiase schiereiland dan de naam van Jezus in de landen rond de Middellandse Zee. In beide gevallen heb ik het natuurlijk over de geschiedenis van die tijd.

U herinnert zich misschien een passage in de Bhagavad-Gita – die ik in eigen woorden weergeef – waarin Krishna zou hebben gezegd: ‘Wanneer verdorvenheid in de wereld toeneemt, en deugdzaamheid afneemt; wanneer het hart van de mensen koud is geworden, en hun denken te traag is voor geestelijke zaken; wanneer deugdzaamheid wordt geminacht en verdorvenheid wordt geprezen; dan stuur ik een deel van mijzelf naar de wereld om het kwaad te vernietigen, de gerechtigheid te herstellen en de goeden te beschermen.’ Dit betekent dat de avatara’s op cyclische momenten verschijnen, en bijna altijd aan het begin van een cyclus die een neerwaartse tendens heeft, in plaats van omhoog.

Er zijn verschillende soorten avatara’s. Er zijn heel verheven avatara’s, en avatara’s die een minder groot licht zijn. Sommigen doen één soort werk, en anderen een ander soort werk. Wat Jezus betreft, laat ik u eraan herinneren dat de Jezus van het Nieuwe Testament een geïdealiseerde figuur is – een personage die op ideeën is gebaseerd. De Jezus van het Nieuwe Testament is geen fotografische weergave van de echte avatara Jezus, maar een modelbeeld, een personage die bedacht is, maar die ongetwijfeld enkele werkelijke kwaliteiten of eigenschappen van de echte avatara Jezus heeft. Hoe dan ook, hij is een geïdealiseerde figuur die eerst werd opgebouwd en waaromheen vervolgens een legendarisch verhaal werd geweven, dat door mystieke symboliek werkelijke feiten weergeeft die toen in de inwijdingskamer plaatsvonden.

Vr. – Ik heb u horen verwijzen naar de goddelijke monade, de spirituele monade, de manasische en de astrale monade. Ik heb me afgevraagd of het in het algemeen juist is dat de maanpitri’s de astrale monaden zijn, dat de manasaputra’s de manasische monaden zijn, en de agnishvatta’s de spirituele monaden; en de kumara’s zijn volgens mij onze theosofische agnishvatta’s. Eigenlijk weet ik niet waarin deze verschillen.

GdeP – Dat klopt. De namen die u heeft gebruikt zijn eenvoudig termen die verschillende klassen van monaden beschrijven.

Vr. – Welke klassen van goden komen dan overeen met de goddelijke monaden? Is een goddelijke monade een kosmische kracht? Lijkt ze op Brahma, die zijn straal uitzendt die deze goddelijke monade met haar drie aspecten vormt; of komt ze overeen met wat de agnishvatta’s worden genoemd, of iets dergelijks?

GdeP – Ja, naar analogie is dat juist. In het algemeen zijn de goddelijke monaden wat wij de goden noemen. Er is een goddelijke monade in het hart van iedere entiteit, van iedere mens, die zich hult in of manifesteert door haar kind, een spirituele monade. Deze hult zich op haar beurt in of manifesteert zich door haar kind, de menselijke monade, die zich op haar beurt hult in of zich manifesteert door haar kind, de astraal-vitale monade die de dierlijke monade is, die zich hult in of manifesteert door haar familie van kinderen, de levensatomen van het astraal-vitale fysieke voertuig. Dit geeft een kort overzicht van het geheel.

U noemt de maanpitri’s, en u zei dat ze ‘de astrale monaden’ zijn. Die bewering is tot op zekere hoogte juist, maar vergeet niet dat iedere klasse van entiteiten die van de maan is overgekomen ook een klasse van maanpitri’s is. De dhyan-chohans die van de maan kwamen zijn maanpitri’s, omdat ze de ‘maanvoorouders’ zijn. De astraal-vitale pitri’s zijn ook maanvoorouders of maanpitri’s omdat ze van de maan kwamen. ‘Maanpitri’s’ heeft niet betrekking op slechts één klasse. Iedere entiteit die van de maan kwam was een maanpitri, ongeacht hoe hoog of hoe laag ze misschien is geweest.

Als de entiteiten die de levensgolven van de aarde samenstellen, of beter gezegd van de planeetketen van onze aarde, deze keten aan het eind van de zevende ronde of het manvantara verlaten, en ze als vogels naar hun nirvanische rust vliegen, zullen ze, hoe hoog of hoe laag ze ook zijn, voor de komende planeetketen allemaal aardpitri’s zijn. Ze zijn allemaal aardpitri’s of voorvaderen van de aarde, omdat ze van de planeetketen aarde zullen zijn gekomen.

Het onderscheid dat HPB maakt tussen de zonnepitri’s en de maanpitri’s heeft veel onderzoekers van de theosofie in verwarring gebracht. Ze bedoelde daarmee de twee klassen van entiteiten die respectievelijk van de zon en van de maan kwamen.

Vr. – Zijn er esoterische redenen waarom een chirurg tijdens afnemende maan niet zou moeten opereren?

GdeP – U heeft een vraag gesteld die ik met grote terughoudendheid beantwoord, want de implicaties ervan kunnen een zaak van leven of dood betekenen; maar niettemin moet ik volgens de regels een of ander antwoord geven. Er is een heel goede reden waarom het beter is, indien dat mogelijk is, om een operatie uit te stellen tot het wassende maan is. Opereer niet nadat het volle maan is geweest, als u dit kunt vermijden. Indien het echter een geval van dringende noodzaak betreft, opereer dan.

Vr. – Het wordt dan, neem ik aan, een kwestie van karma. Dat was mijn mening hierover. Een andere vraag: Bestaan er redenen om het verband tussen de maanfasen en de verschillende lichaamsdelen te bestuderen? Ik weet dat sommige astrologen hier erg op zijn gespitst. Ze staan niet toe dat ze op specifieke plaatsen worden aangeraakt wanneer de maan in het sterrenbeeld staat dat het deel van het lichaam beheerst waaraan ze moeten worden geopereerd.

GdeP – De astrologen hebben in theorie volkomen gelijk, maar ook hier hebben we te maken met een situatie die soms heel moeilijk kan zijn. Mijn suggestie zou zijn dat als u genoeg weet over de ware oude astrologie om te weten dat het specifieke deel van het lichaam waaraan u iemand misschien moet opereren op dat moment onder de invloed staat van een sterrenbeeld dat de dood of een langdurig en slepend herstelproces voorspelt – dat u de operatie dan zo mogelijk uitstelt. Maar aangezien er tegenwoordig bijna geen astrologen zijn die iets weten over de geestelijke kant van hun wetenschap, raad ik u aan om uw best te doen, in overeenstemming met uw ervaring en opleiding, en u over deze dingen niet te veel zorgen te maken.

Ik kan eraan toevoegen dat de grote Alexandrijn Ptolemaeus, wiens werken over astrologie de basis zijn geweest van alle middeleeuwse en moderne astrologische geschriften, heel beslist stelde dat aan geen enkel deel van het lichaam operaties moeten worden uitgevoerd wanneer dat deel wordt beheerst door een sterrenbeeld waarin de maan op dat moment staat. Dit is precies datgene waarnaar u verwijst, en deze theorie is op feiten gebaseerd.

Theoretisch hebben de astrologen volkomen gelijk, en zelfs de in brede kring aanvaarde leringen van de moderne astrologie over dit onderwerp zijn in het algemeen juist. Ieder deel van het lichaam, ieder specifiek orgaan, staat onder de directe en voortdurende invloed van een van de twaalf tekens van de dierenriem. Indien de maan in dat sterrenbeeld staat dat over een ziek orgaan of een lichaamsdeel heerst, en als het bovendien afnemende maan is, dan is de kans op herstel gering.

Vr. – Maar in een dringend geval zou u niet aanbevelen om van operatie af te zien?

GdeP – Dat is juist. Ik herhaal: als u een bekwaam astroloog bent, als u de ware geestelijke astrologie van a tot z kent, en bovendien uw tak van wetenschap volledig beheerst, stel de operatie dan uit als dat mogelijk is. Maar als uw mening slechts giswerk is, of als u zich moet baseren op de meeste moderne boeken over astrologie, dan is mijn antwoord: wees voorzichtig met het in gevaar brengen van het leven van uw patiënt. Opereer wanneer uw medische ervaring en uw medische training u zeggen dat dit het beste moment is om dat te doen.

Ik beantwoord deze medische vragen in de regel niet graag om redenen die ik heb geprobeerd uiteen te zetten. We hebben de esoterische leer; zelfs de astrologie van deze tijd is in theorie juist, maar waar vindt u de astroloog die zowel deskundig is op dit gebied als geestelijk helderziend? Ze zijn uiterst zeldzaam.

Vr. – Het grootste gevaar bestaat, neem ik aan, tussen volle en nieuwe maan.

GdeP – Tussen volle maan en de volgende nieuwe maan – in het algemeen is het verstandig dit als regel aan te houden. Stel een operatie zo mogelijk uit als het afnemende maan is – wanneer deze afneemt van volle tot nieuwe maan. Maar aan de andere kant, stel geen enkele operatie uit als u weet dat er gevaar bestaat dat uw patiënt zieker wordt of zou kunnen overlijden. Dan zou ik zeggen – opereer.

Vr. – Ik zou graag willen weten wat het werkelijke verband is tussen de gemiddelde mens en het hogere zelf. Mensen lijken er zo weinig baat bij te hebben dat ze een hoger zelf hebben. En door ze te vertellen vertrouwen te hebben in het hogere zelf, vragen we ze in zekere zin blindelings te geloven. Dit hogere zelf dat op hogere gebieden zijn eigen leven leidt, lijkt heel weinig invloed te hebben op het dagelijkse leven, behalve voor leerlingen die dieper in de waarheden zijn doorgedrongen. Ik zou graag meer willen weten over het verband tussen de hogere zelven en hun respectievelijke kinderen, hun reïncarnerende ego’s.

GdeP – Het hogere zelf is het beste deel van u. Bedoelt u te zeggen dat u niet weet wat liefde is, en mededogen, en schoonheid, en vergevensgezindheid, en vriendelijkheid, en broederlijkheid, en vrede, en goedheid, en menslievendheid, en zuiverheid – al die edele en prachtige dingen die het menselijk bestaan sieren? U kent deze evengoed als ieder ander. Het hogere zelf, het geestelijke zelf, werkt voortdurend door het menselijke zelf heen, tenminste dat probeert het te doen. De kracht ervan is zo wonderbaarlijk dat, ondanks ons gekristalliseerde hersenverstand en al onze zelfzucht en egoïsme, het daarin min of meer slaagt. Iedere mens is een opmerkelijk voorbeeld daarvan. De hele beschaving berust op de vermogens van het hogere zelf: op wetmatigheid, orde, op denken aan anderen, op respect, zorg, en wederzijds vertrouwen, op eerlijkheid en op zuiverheid van denken en handelen. Het hogere zelf brengt zich voortdurend tot uitdrukking, ook al is dit maar zwakjes. Denk hier eens over na.

Vr. – Toen ik nadacht over de uitspraak dat er zoveel ‘zielloze wezens’ bestaan, vroeg ik me af waarom er zoveel zijn.

GdeP – ‘Zielloze wezens’ – en u moet deze niet verwarren met verloren zielen – zijn degenen die niet zelfbewust verbonden zijn met hun geestelijke natuur. We noemen ze ‘zielloze wezens’, niet omdat ze geen ziel hebben, maar omdat ze niet zelfbewust verbonden zijn met hun geestelijke essentie. In deze zin zijn er zoveel ‘zielloze wezens’ dat, zoals HPB zegt, ‘we ze elk ogenblik tegenkomen’. Ze hebben geen zelfbewuste kennis van de schitterende geestelijke krachten die in hen wonen.

‘Bezielde’ mensen zijn die edele mannen en vrouwen die de geestelijke leiders van hun medemensen zijn, en die vriendelijk en zorgzaam zijn. Ze zijn leiders die onzelfzuchtig zijn en dit in hun dagelijks leven laten zien, omdat ze een innerlijk gevoel van verbondenheid hebben met al wat is. Als ze naar de sterren kijken hebben ze dat wonderlijke mystieke gevoel van kosmische eenheid, en wanneer ze in het hart van een bloem kijken, voelen ze daarin hetzelfde leven kloppen als in henzelf. Zulke wezens zijn werkelijk bezield. Maar de gemiddelde mens die zonder erbij na te denken de wetten van het land volgt, die met zijn hersenverstand erkent dat goed goed is en slecht slecht, maar niet veel om deze dingen geeft, en die zich meer aangetrokken voelt tot verleidingen dan tot een welbewust streven om spiritueel ontwaakt te zijn – zulke mensen komen in de wereld heel veel voor. Ze worden ‘zielloos’ genoemd omdat de ziel in hen zich niet zelfbewust manifesteert. Niettemin manifesteren zelfs deze mensen automatisch, ondanks zichzelf, iets van de invloed van het hogere zelf, maar ze doen dit niet zelfbewust.

De ‘zielloze’ mens lijkt op iemand die dagdroomt, iemand die in een soort trance verkeert. Hij loopt over straat, gaat naar kantoor, komt thuis, eet en slaapt. Hij heeft zijn familie en zijn kinderen, verricht zijn dagelijkse werkzaamheden, heeft weinig of geen geestelijke inspiratie, en is dus min of meer een automatische psychovitale entiteit. De bezielde mens, daarentegen, is iemand bij wie elke vezel bewust meetrilt met de edele ziel en de grote liefde in hem; en wanneer hij een medemens ontmoet en zijn hand op zijn schouder legt, voelt hij instinctief dat hij een belichaamde god aanraakt.

Zulke mensen zijn bezield. Ze leven bewust in het hogere deel van zichzelf. De anderen, de eerstgenoemden, worden zwak en automatisch door het hogere deel beïnvloed, niettemin zijn ze wat Pythagoras ‘de levend doden’ noemde. In lichamelijk opzicht leven ze, in psychovitaal opzicht ook, maar in geestelijk opzicht slapen ze – geestelijk zijn ze niet ontwaakt.

Het is de meest eenvoudige zaak van de wereld om de geestelijke invloeden van de geestelijke natuur te voelen en te herkennen, als iemand zichzelf maar goed zou onderzoeken. Onderzoek uzelf zoals ik mezelf onderzoek. Ik ben me niet volledig bewust van het hoogste en edelste dat in mij is, en u ook niet, want als een van ons zich hiervan volledig bewust was, zou hij als een god op aarde zijn. Niettemin hebben u en ik, of wie dan ook, momenten van kortere of langere duur dat we de hemelse glorie ervaren, alsof een verhullende sluier wordt weggerukt, en dan vragen we ons af hoe we zo blind konden zijn, waarom we zo hebben zitten slapen. Op zulke prachtige momenten zijn we tijdelijk ‘bezield’, en werkt de ziel als een vuur van inspiratie zelfbewust door ons heen; maar op andere ogenblikken zijn we – overeenkomstig de mate waarin we zijn ontwaakt – min of meer menselijke automaten die zonder inspiratie, betrekkelijk onbezield, het dagelijkse leven leiden.

Vr. – Vier weken geleden vertelde u ons dat er op bol C een heel hoge klasse van wezens was, de dhyan-chohans. Zijn dit de dhyan-chohans die op de maan mensen waren?

GdeP – Alle klassen van entiteiten die de verschillende levensgolven vormen die zich nu op de planeetketen van de aarde ontwikkelen, kwamen oorspronkelijk van de maan.

Vr. – Dat dacht ik ook. Maar een van ons noemde de dhyan-chohans van de maan onze hogere zelven. Ik dacht dat onze hogere zelven de agnishvatta’s, de zonnepitri’s, waren.

GdeP – Dat zijn ze ook. Het is beter om de agnishvatta’s of zonnepitri’s onze hogere ego’s te noemen in plaats van onze hogere zelven.

Vr. – De agnishvatta’s zijn geïncarneerd en hebben ons het manas-beginsel gegeven, ze hebben manas in ons wakker geroepen. Is dat juist?

GdeP – Ze ‘overschaduwden’ de incarnerende astraal-vitale monade en gaven ons op die manier ons zelfbewustzijn. Dat is juist. Toen dit tijdens het derde wortelras van deze ronde op deze aarde gebeurde, gingen de kumara’s of agnishvatta’s echter niet het fysieke lichaam binnen. Op precies dezelfde manier gaat het reïncarnerende ego tijdens de geboorte, of zelfs daarvóór, niet werkelijk het fysieke lichaam binnen, maar inspireert de astraal-vitale monade die het menselijke zaad binnengaat; en terwijl het kind groeit, brengt dit ego in steeds hogere mate zijn eigen geestelijke en verstandelijke vermogens tot uitdrukking. Met andere woorden, het reïncarnerende ego manifesteert zich niet zonder de tussenliggende beginselen van de menselijke constitutie die het reïncarnerende ego in staat stellen zich in het lichaam te manifesteren.

Vr. – Ja, dat begrijp ik. Maar ik begreep niet wat een van ons zei over deze dhyan-chohans van de maan die onze hogere zelven zouden zijn. Welk verband hadden zij met ons?

GdeP – De dhyan-chohans van de maan? Ik denk dat ik de strekking van uw vraag nu begin te begrijpen. Als u de maanpitri’s van de lagere klassen bedoelt, is mijn antwoord dat zij de bouwers van het menselijke deel van ons zijn. Zij zijn wij, terwijl de agnishvatta’s, de zonen van de zon, ons ons zelfbewustzijn gaven, omdat zelfbewustzijn in essentie een zonnekracht is. De maan bouwde de lichamen en verschafte oorspronkelijk de klassen van incarnerende entiteiten, maar de zon schonk het leven en ook de verstandelijke zielen.

Vr. – Is er een andere bol van onze planeetketen die wordt bewoond door wezens die met ons buddhi-beginsel overeenkomen? Langgeleden heeft u ons verteld dat er bollen van onze keten zijn die hoger zijn dan onze aarde, en waarop zelfs de dieren geestelijker zijn dan wij. Sindsdien heeft u ons verteld dat bol C door dhyan-chohans wordt bewoond; en ik denk nu aan deze bol C, die heel geheim is, en ik vraag me af of deze dhyan-chohans wezens kunnen zijn die met ons buddhi-beginsel overeenkomen.

GdeP – Ik ben bang dat er in uw denken verwarring bestaat. In de eerste plaats, denk ik niet dat ik ooit heb gezegd dat ‘bol C door dhyan-chohans werd bewoond’, maar ik heb misschien een opmerking gemaakt met de strekking dat bol C een leefgebied van bepaalde dhyan-chohans is. Dat is natuurlijk juist. Maar ik wilde daarmee niet zeggen of de indruk wekken dat bol C uitsluitend door dhyan-chohans werd bewoond, wat een onjuiste bewering zou zijn.

Terugkomend op uw vraag – de hogere bollen op de opgaande boog van onze planeetketen zijn de gebieden waarin de hogere delen van ons bewustzijn zich in hogere mate zullen manifesteren dan op aarde. Bijvoorbeeld, op bol F en bol G op de opgaande boog zullen we in de hogere delen van onze individuele zevenvoudige constitutie leven en deze manifesteren, zoals we op deze stoffelijke bol D, de vierde bol van de keten, de meer stoffelijke delen van onze constitutie manifesteren.

Vr. – Ik heb begrepen dat de agnishvatta’s de geestelijke en verstandelijke delen van de mens verschaffen. Waarin verschilt het verstandelijke deel van de agnishvatta van dat van de manasaputra’s?

GdeP – Van de agnishvatta’s kan nauwelijks worden gezegd dat ze het geestelijke deel van de mens ‘verschaffen’, maar ze verschaffen het verstandelijke deel – waarbij ‘verstandelijk’ in de hogere betekenis van dat woord wordt gebruikt. De manasaputra’s en de agnishvatta’s en de kumara’s zijn alle praktisch hetzelfde. De manasaputra’s zijn zonen van de zon. Dat zijn de agnishvatta’s eveneens, en kumara’s of ‘maagden’ is slechts een andere naam voor dezelfde klassen van entiteiten. Begrijpt u dat?

Vr. – Ja. Maar omdat deze namen in De Geheime Leer zo vaak worden gebruikt, denkt men dat het volkomen verschillende klassen zijn.

GdeP – Ja. Het verbaast me niet dat bestudeerders van De Geheime Leer het soms niet begrijpen, omdat HPB de leer niet volledig kon bekendmaken in een boek dat door iedereen kan worden gelezen. Bovendien zijn de leringen zo ingewikkeld dat het geen wonder is dat de bestudeerder ze soms niet begrijpt. Maar zet uw studie van De Geheime Leer voort en op een dag zal er meer licht komen, en dan zal u alles duidelijk worden. Alle verspreide stukjes van de leer zullen precies op hun juiste plaats vallen en een prachtig patroon vormen.

Vr. – Is het nu een geschikt moment om vragen te stellen over de veertien loka’s?

GdeP – Ja, maar de loka’s vormen een heel ingewikkeld onderwerp. Het zou uren duren om het uit te leggen en te begrijpen. Heeft u een vraag over de loka’s die u wilt stellen die ik in algemene zin kan beantwoorden?

Vr. – Zijn de loka’s die beginnen met satya en eindigen met bhur hetzelfde als de bollen A tot en met G?

GdeP – Nee, op die manier kunt u ze niet met elkaar in overeenstemming brengen. Er is wel een bepaalde analogie. Iedere bol van de planeetketen heeft zijn eigen reeks loka’s en tala’s. Bijvoorbeeld, bol A heeft alle loka’s van satya omlaag tot bhur – maar hetzelfde geldt voor bol B en bol C en alle andere bollen van de keten. Maar omdat satyaloka een geestelijke loka is en omdat bol A en bol G betrekkelijk geestelijke bollen van de keten zijn, is het duidelijk dat op zowel bol A als bol G de satyaloka geestelijk meer tot uitdrukking komt dan op stoffelijker bollen zoals bol C of D of E.

Volgens dezelfde redenering is bhurloka de laagste van de loka’s en komt in algemene zin overeen met de laagste bol van de planeetketen, en dat is onze bol D. En omdat bhur de laagste van de loka’s is en bol D de laagste van de bollen is, komt bhurloka het krachtigst tot uitdrukking op bol D, onze aarde. Maar iedere bol heeft zijn eigen zeven loka’s.

De respectieve bewoners van iedere bol van de planeetketen kunnen in zeven verschillende bewustzijnstoestanden verkeren, van de meest spirituele tot de meest stoffelijke. Elk van deze zeven verschillende bewustzijnstoestanden is, of beter gezegd drukt zich uit door, een daarvoor geschikt deel van de menselijke constitutie, dat het passende voertuig is voor die respectieve bewustzijnstoestand. Dit passende voertuig leeft of bestaat in een daarvoor geschikte kosmische sfeer of gebied of loka.

De mensen van onze stoffelijke aardbol, bijvoorbeeld, kunnen in satyaloka verkeren, hoewel ze hier op aarde leven; ze kunnen in bhurloka of satyaloka verkeren of in een van de loka’s tussen satya en bhur in. Op dezelfde manier kan een entiteit die op een van de bollen van onze planeetketen leeft haar bewustzijn plaatsen in een van de zeven loka’s die bij die specifieke bol horen – met andere woorden ze kan in elk van de zeven bewustzijnstoestanden komen.

Vr. – Vormen patala en atala en de tussenliggende tala’s dan een andere reeks bewustzijnstoestanden?

GdeP – De tala’s en de loka’s zijn als de twee zijden van een muntstuk. Ze zijn als de twee uiteinden van een stok. De loka’s worden in het algemeen gebruikt in verband met de opgaande boog, en de tala’s in het algemeen met de neergaande boog. Anders gezegd: de loka’s hebben in de regel betrekking op de zeven gebieden van de hogere of meer geestelijke wereld, maar lopen uiteen van geestelijk tot stoffelijk. De tala’s hebben in het algemeen betrekking op de zeven gebieden of werelden van de negatieve of stoffelijke kant van het bestaan, van het geestelijk-stoffelijke tot het stoffelijk-stoffelijke. U ziet dat dit een heel ingewikkeld onderwerp is.

Vr. – In het geval van een verpleegster, of een moeder met jonge kinderen, of een bewaker, die tijdens ‘dutjes’ moet slapen, of die voortdurend ‘bewust’ is, komt de slaap dan overeen met de dood? Is mijn vraag duidelijk?

GdeP – Komt de slaap van zo’n verpleegster overeen met wat er gebeurt met een mens na de fysieke dood – is dat wat u bedoelt?

Vr. – Ja, of met wat er gebeurt met een entiteit tijdens een rustige, ononderbroken, droomloze slaap.

GdeP – Nee, ik kan niet zeggen dat dat het geval is. De dood lijkt meer op een droomloze slaap, gevolgd door dromen, en tenslotte opnieuw een droomloze slaap van iemand die na een dag hard werken in zijn bed ligt.

Vr. – Dus degene die zo’n slaap niet heeft blijft in feite in de buurt van zijn rustplaats, en is niet in staat te vertrekken?

GdeP – Heeft u het over de verpleegster of over de geëxcarneerde mens?

Vr. – Ik bedoel die mensen die niet in staat zijn om te slapen op een manier die overeenkomt met de dood. Blijven ze tijdens hun slaap op de plaats waar ze fysiek zijn?

GdeP – Ja, in zekere zin blijven ze daar – als men al van een geestelijke entiteit kan zeggen dat zij op een fysieke plaats verblijft. En daarom zijn zulke ‘dutjes’ niet zo rustgevend en ontspannend als een kalme droomloze slaap. Zulke ‘dutjes’ worden voortdurend verstoord, en houden daarom voortdurend op, en worden weer hervat, om dan opnieuw te worden onderbroken.

Er is een zekere analogie tussen de zelfopoffering van een werkelijk toegewijde verpleegster en die van een chela. Er zijn bepaalde chela’s die naar mahatmaschap streven en afstand doen van devachan, evenals de verpleegster afstand doet van een rustige slaap. Vanzelfsprekend ondervinden deze chela’s een bepaalde weerslag op hun constitutie. Hoe hoger een chela is, hoe vollediger zijn verzaking, en hoe meer hij ‘wakker’ blijft. Maar chela’s die minder hoog zijn hebben momenten waarop ze ondanks hun uiterste inspanningen soms wegglijden in een tijdelijke devachanische toestand en moeten proberen weer daaruit te komen, wat veel lijkt op de door u genoemde verpleegster die wakker wordt wanneer ze voelt dat de plicht roept.

Vr. – Gaat ze dus op een hoger gebied vooruit, hoewel ze lichamelijk achteruitgaat?

GdeP – Zeker, als van de nodige rust wordt afgezien om gericht een goede zaak te dienen, dan zal het karmische gevolg goed zijn. Het spirituele vermogen van zelfvergetelheid bij zulke handelingen heeft een relatief rijke beloning tot gevolg. De uiteindelijke beloning is eveneens groot voor een chela die afstand doet van zijn hoognodige devachanische rust om bijna onmiddellijk naar de wereld terug te keren en zijn taak om de mensheid onzelfzuchtig te dienen weer te vervullen.

Ik herinner me iemand die ik zelf heb gekend. Hij was iemand die drie incarnaties lang van zijn devachanische rust had afgezien. Die man verrichtte edel werk, maar toch was hij – waren die delen van zijn constitutie waarvoor de natuur rust begon te eisen – zo vermoeid dat, hoewel hij erin slaagde zijn werk te doen, er momenten waren waarop hij nauwelijks bewust leek te zijn. Hij kon dan rare dingen doen, onverklaarbaar voor gewone mensen die zijn geheim niet kenden, maar toch leidde deze man een leven van volkomen zelfverzaking. Die ogenblikken waarop hij die vreemde buien had, waren eenvoudig momenten waarop zijn wilskracht tijdelijk tekortschoot, en hij weggleed in de devachanische rust vóór hij dat kon tegenhouden – evenals iemand die heel erg vermoeid is zich erop kan betrappen in slaap te vallen, en dan door zijn sterke wil weer wakker kan worden. ‘Zijn gedachten er niet meer bij hebben’ is geloof ik de uitdrukking – en dit is heel gevaarlijk.

Natuurlijk kunnen de hogere chela’s en de meesters met hun enorm ontwikkelde wilskracht die op één punt is gericht, dingen doen die de jongere chela’s – chela’s die minder ervaring hebben – niet kunnen. Maar het principe is overal hetzelfde. Er komt een moment dat zelfs de mahatma’s moeten rusten, niet omdat ze dat willen, maar de natuur eist het. Natuurlijk, en dit is de andere kant van de zaak, komt er een moment, een stadium in de menselijke evolutie op het pad van chelaschap en meesterschap, dat een mens volledig zonder deze dingen kan. Hij kan zijn bewustzijn dan zo ver boven de normale eisen van de natuur verheffen dat hij leven na leven, tenminste gedurende een aantal levens, onmiddellijk kan incarneren als hij dat wil en wanneer hij dat wil, zonder dat dit voor zijn constitutie ongewone of ongewenste gevolgen heeft. Zo iemand is een nirmanakaya.

Vr. – Dit is een zin van meester KH uit de Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett die heel opmerkelijk is en ik neem aan dat anderen dit ook hebben gedacht. Zou u dit willen toelichten? Hij zegt op bladzijde 254:

Een chela die een proeftijd doormaakt, mag denken en doen wat hij wil. Hij wordt gewaarschuwd en hem wordt vooraf gezegd: U zult in verzoeking worden gebracht en door de schijn worden misleid; twee paden liggen voor u open, die beide naar het doel leiden dat u probeert te bereiken; het ene is gemakkelijk en voert u sneller tot het volbrengen van opdrachten die u misschien zult ontvangen; het andere pad is moeizamer en langer, en bezaaid met stenen en doornen die u onderweg meer dan eens zullen doen struikelen; en aan het einde daarvan zult u misschien ontdekken dat u toch bent tekortgeschoten, en niet in staat bent de opdrachten voor een of andere kleine taak uit te voeren – maar terwijl de moeilijkheden die u op het laatstgenoemde pad heeft ondervonden, u alle op den duur als een verdienste zullen worden aangerekend, kan het eerste, het gemakkelijke pad, u slechts een kortstondige voldoening, een gemakkelijke vervulling van uw taak schenken.

Toch wordt er gezegd dat het gemakkelijke pad u sneller tot het volbrengen van opdrachten die u misschien ontvangt zal leiden. Het lijkt enigszins op wat u ons zojuist heeft verteld, maar het is een beetje ingewikkeld.

GdeP – Dit is een voorbeeld in het klein van wat ook in het groot plaatsvindt bij de boeddha’s van mededogen en de pratyekaboeddha’s. De pratyekaboeddha’s concentreren zich op één ding – geestelijk gerichte zelfverbetering. In zekere zin is het een edel pad, maar hoewel het een sneller pad is, is het niettemin in essentie een zelfzuchtig pad, en de karmische verslagen zullen diepere groeven laten zien, die uiteindelijk moeten worden uitgewist, dan bij die anderen die streven naar een spiritueel leven en die het pad van volledige zelfverzaking volgen, en zelfs alle hoop op hun eigen vooruitgang hebben opgegeven. Dit laatste pad is natuurlijk verreweg het edelste, maar het is veel langzamer, veel moeilijker te volgen. De doelstelling, het doel, is veel moeilijker te bereiken, maar wanneer het wordt bereikt, is de beloning onuitsprekelijk verheven. Het is een langzamer pad, maar een volmaakt pad.

Degene die vastbesloten is een pratyekaboeddha te worden, bereikt een ontwikkelingsstadium waarin hij sneller in staat is om ontvangen opdrachten uit te voeren, indien dergelijke opdrachten ooit worden ontvangen, wat is te betwijfelen; maar hij bereikt na een tijdje zijn grens, en kan niet verder op dat pad. Hij wordt een nutteloos werktuig in handen van de meester-vakman, de natuur. Maar de ander die alles opgeeft, moet veel meer overwinnen, heeft veel meer om tegen te strijden, en zal aanvankelijk niet zo’n volmaakt werktuig in handen van de meester zijn, maar zal na verloop van tijd worden gesmeed tot een onfeilbaar nauwkeurig werktuig voor de meester-vakman.

De zinspeling in het citaat uit de Mahatma Brieven op het ‘in verzoeking brengen’ enz. moet niet zó worden opgevat dat de leraren duivels zijn die opzettelijk vallen zetten op het pad van de chela’s om hen te testen. Vergeet die afschuwelijke gedachte. Ze is onjuist. Het betekent slechts dat iedereen die het pad van de boeddha’s van mededogen volgt en onvermijdelijk alle krachten van zijn lagere natuur heeft uitgedaagd – dit betreft niet alleen het fysieke lichaam, want strikt genomen heeft het meer betrekking op het lagere denken, de hartstochten, de emoties, de verlangens – natuurlijk bij iedere stap in verzoeking wordt gebracht; met andere woorden, verleidingen tegenkomt waardoor hij zijn doel zal opgeven en naar het gemakkelijke pad zal terugkeren.

Vr. – Mag ik een vraag stellen over de pratyekaboeddha’s? Kiezen ze dit pad dan uit een vurig of onstuimig verlangen om op een bijzondere manier te kunnen dienen?

GdeP – Ja, waarschijnlijk is dat in bepaalde gevallen zo. Maar het geval van de pratyekaboeddha’s houdt een wonderlijke paradox in. U weet dat deze term ‘pratyeka’ betekent ‘ieder voor zich’. Deze geest van ‘ieder voor zich’ is precies het tegenovergestelde van de geest die in de orde van de boeddha’s van mededogen heerst, omdat de geest in de orde van mededogen is: Geef uw leven op voor al wat leeft.

De pratyekaboeddha weet dat hij geen geestelijke luister kan bereiken tenzij hij het spirituele leven leidt, tenzij hij zijn spirituele natuur cultiveert, maar omdat hij dit alleen doet om geestelijke beloningen te verwerven, een spiritueel leven alleen voor zichzelf, is hij een pratyekaboeddha. Uiteindelijk doet hij het voor zichzelf. Er is een persoonlijke gretigheid, een persoonlijk verlangen, om vorderingen te maken, ten koste van alles het doel te bereiken; terwijl hij die tot onze eigen heilige orde behoort, de orde van de boeddha’s van mededogen, zijn blik op hetzelfde verre doel heeft gevestigd, maar hij traint zich vanaf het begin om volkomen onzelfzuchtig te worden. Dit is duidelijk een veel grotere taak, en natuurlijk zijn de beloningen overeenkomstig groot. Het moment zal aanbreken waarop de pratyekaboeddha, hoe heilig hij ook is, hoe edel zijn inspanningen en idealen ook zijn, niet verder kan. Maar degene die zich vanaf het begin verbindt met de hele natuur, en met het hart van de natuur, heeft daarentegen een voortdurend zich uitbreidend werkterrein terwijl zijn bewustzijn zich verruimt en dat gebied vult; dit zich uitbreidende terrein is eenvoudig eindeloos, omdat het de grenzeloze natuur zelf is. Hij wordt volledig één met het geestelijke heelal, terwijl de pratyekaboeddha één wordt met slechts een specifieke lijn of stroom van evolutie in het heelal.

Vr. – Het onderwerp ‘pratyekaboeddha’s’ heb ik altijd heel moeilijk gevonden. Ik begrijp niet hoe iets spiritueel kan zijn als er geen sprake is van het vergeten van het zelf, en zelfs wat u nu zegt, lijkt aan te geven dat er een spirituele techniek bestaat die de pratyekaboeddha’s beheersen.

GdeP – Zo’n techniek bestaat en wat u zegt is volkomen juist. U heeft de uitdrukking gehoord, ‘geestelijk slechte wezens’. Zulke wezens bestaan. De grootsten van de broeders van de schaduw zijn geestelijke entiteiten, wezens die over geestelijke vermogens beschikken, dat wil zeggen kosmische geestelijke vermogens, betrekkelijk universele vermogens, maar ze worden gebruikt voor het individuele zelf. In plaats van het individuele zelf op te offeren aan het universele zelf, zoals de broeders van de orde van mededogen, proberen deze anderen, de broeders van de schaduw aan de ene kant en de pratyekaboeddha’s aan de andere kant van deze klasse, de krachten en gebieden van het heelal te onderwerpen aan hun eigen individuele belangen. Het zelf staat bij hen altijd voorop.

In de orde van mededogen, daarentegen, is het zelf – zelfzucht, egoïsme – juist datgene wat men probeert te vergeten, te overwinnen, te overstijgen. Het persoonlijke zelf moet opgaan in het individuele zelf, dat zichzelf vervolgens moet verliezen in het universele zelf.

Er is in het geval van de pratyekaboeddha’s zeker sprake van een techniek. Er is een manier van streven om een pratyekaboeddha te worden, evenals er een techniek is om lid van de orde van de boeddha’s van mededogen te worden. Laatstgenoemden worden ‘boeddha’s van mededogen’ genoemd omdat ze hun eenheid voelen met al wat is, en dat voelen ze steeds meer naarmate ze zich ontwikkelen, totdat hun bewustzijn tenslotte een harmonisch geheel wordt met het heelal en eeuwig en onsterfelijk wordt, omdat het één is met het heelal. Zoals het prachtige boeddhistische gezegde het verwoordt: ‘De dauwdruppel vloeit terug in de glinsterende zee.’

Vr. – Er schijnt dus een techniek van spirituele ontwikkeling te zijn die iemand kan volgen die zich richt op het zelf, en die toch niet inhoudt dat men een broeder van de schaduw wordt?

GdeP – Dat is juist. Wanneer de menselijke ziel hevig ernaar verlangt om edeler te worden dan ze is, hevig ernaar verlangt haar geestelijke zelf te worden en het uiteindelijk wordt, en als daarna dezelfde kwaliteit van aspiratie aanhoudt en ze opnieuw hevig verlangt, en nu hevig ernaar verlangt om haar goddelijke zelf te worden, dan slaagt ze misschien daarin. Dit alles is een verheven zaak. Het is heilig. Maar als dit hevige verlangen erop gericht is om dit alleen voor het individuele zelf te volbrengen, is het resultaat een pratyekaboeddha. De training voor chelaschap in onze Orde is precies het tegenovergestelde. Aspireer niet uit eigenbelang om uw spirituele zelf te worden, maar aspireer om uw spirituele zelf te worden alleen opdat u iemand kunt worden die voor anderen werkt, opdat u anderen kunt helpen. U ziet dus dat er werkelijk een essentieel verschil is in de kwaliteit van de aspiratie.

De pratyekaboeddha verlangt voortdurend ernaar het zelf van hemzelf te behouden – ongeveer zoals het idee van een ‘onsterfelijke ziel’, en de hele structuur van de natuur en alle evolutiestromen keren zich uiteindelijk daartegen. Daarom zeg ik dat het moment zal komen waarop de pratyekaboeddha niet verder kan. Hij heeft voor wat hem betreft de grens van de natuur bereikt, en in die toestand slaapt hij eonen en eonen in een gekristalliseerde relatieve volmaaktheid, tot hij ontwaakt en weer een kans krijgt om te evolueren.

Terwijl degenen die het andere pad hebben gevolgd, het pad van zelfvergetelheid, van het verliezen van het persoonlijke en individuele zelf in het universele zelf, zich steeds verder ontwikkelen, omdat hun bewustzijn zich tot het kosmische begint uit te breiden. De dauwdruppel is één geworden met de glinsterende zee, zijn oorsprong.

Vr. – Behoren de pratyekaboeddha’s tot de Witte Loge of hebben ze hun eigen organisatie, of hebben ze geen organisaties en gaan ze hun eigen weg?

GdeP – In het begin en nog redelijk lange tijd daarna zijn ze georganiseerd, en ik zal deze bewering dadelijk uitleggen. Maar er komt een moment waarop de essentie van hun doel, de kwaliteit van hun ontwikkeling, het type wezens dat ze zijn, hen naar individuele paden leidt, en daarom worden ze de ‘op zichzelf staanden’ genoemd. Er is zelfs een technische term, ‘neushoorn’, waarmee ze worden aangeduid. Een voorbeeld hiervan in het klein treft u aan in de verschillende kerken of religies. Bijvoorbeeld, de Kerk van Rome en de Oosters Orthodoxe Kerk hebben door hun ethiek en hun eigen soort mystieke aspiratie mannen en vrouwen voortgebracht – en kunnen dat nog doen – die vaak het leven van een heilige leiden, een aspirerend karakter hebben, goede daden verrichten, relatief heilige mannen en vrouwen zijn. Hetzelfde geldt voor het brahmanisme en voor alle andere kerken of geloven. Maar bij allemaal, bij alle inspanningen van deze mensen, is het doel een toename van spiritualiteit of heiligheid voor degene die zich inspant, terwijl onze lering, die van de boeddha’s van mededogen, vanaf het begin betekent dat men leert het zelf te vergeten. Streef er niet naar om voor uzelf heilig te worden. Streef ernaar heilig te worden zoals anderen daarnaar streven, maar alleen opdat u zichzelf ten bate van anderen kunt vergeten. Dit is ook de leer van Licht op het Pad. Dat kleine boekje bevat dezelfde gedachte. Werk zoals zij werken die met grote inspanning voor zichzelf werken. Maar werk niet voor uzelf maar voor iedereen.

Vr. – De pratyekaboeddha is dus het toppunt van eigendunk?

GdeP – Ik zou het iets anders verwoorden. Hij is een extreem voorbeeld van een menselijke ziel die voor zichzelf naar verbetering streeft. U ziet hoe moeilijk het is om deze toelichting te begrijpen, omdat alle universele regels van de ethiek dienen om het individu spiritueler te maken. Al zulke universele regels zijn waar, ze zijn juist, en het is onze plicht ze na te leven. Niettemin moet eraan worden toegevoegd dat al die regels van de ethiek en al dat streven niet alleen voor uzelf moeten zijn; alles wat u wordt en bent en verwerft dient u op het altaar van dienstbaarheid aan de mensheid te leggen. Streef ernaar om spiritueler te worden, niet voor uzelf, maar alleen opdat u spiritueler wordt om anderen te kunnen helpen.

Door de kwaliteit van de inspanning, van het streven, verschilt de pratyekaboeddha van de boeddha van mededogen. De een doet het voor zichzelf en daarom is het geestelijke zelfzucht, hoe verheven ook; en de ander doet het opdat hij een onpersoonlijk instrument kan worden van het hart van kosmisch mededogen, van het universele leven, dat het cement is, de verbindende kracht, in het heelal. Liefde is nooit gericht op zichzelf voor zichzelf. Liefde probeert altijd te geven.

Vr. – Zijn er niet bepaalde heiligen die eerst het ene pad volbrachten door in woestijnen te leven en zich daar te verliezen, en die daarna het andere pad namen?

GdeP – Er zijn misschien zulke gevallen geweest, en veel individuen die het pad volgden om een pratyekaboeddha te worden, eindigden niet als pratyekaboeddha, maar als broeder van de schaduw.

Vr. – Wanneer een boeddha zijn tussenliggende deel uitleent, zoals in het bijzonder wordt geïllustreerd in het geval van Gautama, onze chef, is hij op dat moment dan niet gehandicapt bij zijn eigen werk? Hoe kan hij functioneren zonder het tussenliggende psychische gestel?

GdeP – Een boeddha van mededogen zoals Gautama heeft menselijke alwetendheid bereikt voorzover het deze planeetketen aarde betreft. Deze aarde kan hem daarom niets meer leren. Niettemin blijft hij in het ‘klaslokaal’ aarde om zelf een leraar te worden van anderen die in deze school van het aardse leven nog aan het leren zijn. Het tijdelijk opgeven van zijn eigen menselijke psychische gestel of zielendeel om een avatara voort te brengen brengt daarom in geen geval schade toe aan de constitutie van zo’n boeddha van mededogen, maar brengt in feite een heel wonderlijk karma ten goede teweeg. Begrijpt u dat?

Vr. – Niet helemaal, want hij doet voortdurend edel werk; dat wil zeggen, hij bewaakt of ziet toe op wat er gaande is.

GdeP – Ja, als nirmanakaya.

Vr. – In zekere zin is een deel van één van zijn beginselen afwezig. Is dat juist?

GdeP – Ja. Maar alle boodschappers van de Loge waren soortgelijke gevallen, te beginnen met HPB. De boodschappers zijn psychisch verlamd. Ze kunnen niet gebruikmaken van al hun vermogens. Niettemin gaan ze door omdat er van de aura of de atmosfeer van het beginsel dat afwezig is, of dat zijn natuurlijke plaats heeft afgestaan, voor hen genoeg overblijft om als mannen of vrouwen te kunnen leven en hun werk te doen, maar natuurlijk vindt dit onder buitengewoon moeilijke omstandigheden plaats. Dit doet zich ook voor wanneer de boeddha zijn menselijke deel afstaat om bij te dragen aan het totstandkomen van een avatara. Er blijft voldoende van de atmosfeer of aura van het psychische gestel van de boeddha over in zijn constitutie om het werk dat die constitutie verrichtte voort te zetten, maar natuurlijk onder moeilijker omstandigheden dan eerder het geval was.

Vr. – Mag ik vragen waar de zelfzucht van een pratyekaboeddha is gelokaliseerd? Ik bedoel hoe kan ze functioneren? Heeft ze een instrument?

GdeP – Ik begrijp het eerste deel van uw vraag niet.

Vr. – Waar bevindt zich de zelfzucht in een pratyekaboeddha?

GdeP – Geestelijke zelfzucht bevindt zich in het lagere geestelijke deel van de natuur. Menselijke zelfzucht bevindt zich in het menselijke deel van de constitutie. Dierlijke zelfzucht bevindt zich in het dierlijke deel van de constitutie. Er bestaat een geestelijke zelfzucht, en de ‘zelfzucht’ van de pratyekaboeddha bevindt zich in het hoogste deel van zijn manasische deel. Dit beginsel in hem is hoog omdat hij een pratyekaboeddha is en daarom min of meer geestelijk ontwikkeld, maar toch bevat dit beginsel deze karaktertrek, deze neiging, deze tendens, deze skandha om een technische term te gebruiken.

Vr. – In Licht op het Pad staan passages die de aandacht van veel bestudeerders van dat boek hebben getrokken, vooral die passages die gaan over het groeien van de bloem en het openen van haar hart voor het licht, en die zelf niet probeert iets te doen. De bloem wordt aangetrokken door het licht. Is het mogelijk dat u iets voor ons schrijft, of ons iets geeft, met daarin deze heel waardevolle kern van de kern van de leer die u ons vanavond heeft gegeven, en die we uit Licht op het Pad hebben geprobeerd te halen? Kunt u iets schrijven dat deze leer weergeeft in een vorm die geschikt is voor het nieuwe tijdperk?

GdeP – Ja, ik heb dat hier vanavond gedaan.

Vr. – Ja, maar dit is niet voor het grote publiek.

GdeP – Dat is waar. Als ik de tijd kan vinden, en de kracht om het te doen, zal ik het doen; maar er zijn heel veel dingen die ik zou willen doen en nog niet heb gedaan.

Ik zal nu nog één vraag beantwoorden voordat we de avond afsluiten.

Vr. – Ik heb me afgevraagd of er in de leer een zegswijze, of een verhaal, of traditie, of zelfs maar een woord of naam is, die de dramatische situatie van een pratyekaboeddha weergeeft wanneer hij zich bewust wordt van het andere pad dat hij moet volgen. Maakt dat deel uit van de leer?

GdeP – Bedoelt u met ‘het andere pad dat hij moet volgen’ het pad van de boeddha’s van mededogen?

Vr. – Ja.

GdeP – Geen enkele pratyekaboeddha wordt zich hiervan bewust zolang hij pratyekaboeddha is. Dit pratyekaboeddhaschap eindigt uiteindelijk in een toestand van gekristalliseerde zuiverheid en verstandelijke onbeweeglijkheid. De pratyekaboeddha is zich tenslotte niet meer bewust van de noodzaak van verdere inspanningen voor evolutionaire vooruitgang, en dus loopt hij in de voortgaande stroom van geestelijke evolutie na verloop van tijd achteraan.

Vr. – Ontwaakt hij niet?

GdeP – Uiteindelijk wel, maar hij blijft eeuwenlang in deze toestand. Het is een soort super-devachan, of misschien een bepaald soort van opgaan in nirvana. Als hij ontwaakt, staat hij ver achteraan in de evolutiestroom waarin hij aanvankelijk met zijn vooruitgang was begonnen, en daarom ontwaakt hij niet als een pratyekaboeddha vergeleken met diezelfde evolutiestroom. Hij ontwaakt als een ‘lagere’ entiteit omdat hij nu achteraan staat.

Vergeleken met andere entiteiten die nog minder zijn ontwikkeld, heeft hij een hoge positie. Hij is een geestelijke entiteit, maar vergeleken met zijn medebroeders die de evolutiestroom van de natuur hebben gevolgd loopt hij nu ver achter, want terwijl hij ‘sliep’ en dus tijd verspilde, gingen zij gestaag vooruit. U kunt het een geestelijk geval van de ‘schildpad en de haas’ noemen.

Laten we de bijeenkomst nu afsluiten.

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 665-88

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag