26

Bijeenkomst op 27 januari 1931

 

GdeP – Wilt u alstublieft de gong luiden. Is er iets om vanavond op de bijeenkomst te bespreken?

Secretaresse – De leraar heeft gevraagd een gedeelte van een brief voor te lezen die hij zojuist heeft ontvangen:

‘Ik ben op zoek naar elk stukje kennis dat ik onder ogen kan krijgen. Om licht, steeds meer licht roept mijn ziel, hoewel ze voortdurend groeit. Ik heb meer dan genoeg bewijs dat ik in onze ES in een echte school ben. Het enige wat ik nu nodig heb is discipline – meer ervan – iets wat me helpt om steeds meer van het gevoel van persoonlijkheid af te komen, zodat ik het licht voor al die anderen helderder kan laten schijnen.’

GdeP – Dat is een heel mooi bericht, vrienden. Ik werd erdoor geroerd en ik zal u zeggen waarom. Het toont de kenmerken van de chelageest, het hevige verlangen naar discipline om de ketenen van het persoonlijke zelf, de verschillende sluiers, de verlammende boeien van de persoonlijkheid, los te maken en af te schudden. Ik vraag me af, beste vrienden, hoevelen van u bereid zouden zijn een periode van chela-discipline door te maken zelfs al is het maar voor zes maanden? Ik vraag het me af! Het eerste wat in uw wezen zou worden opgewekt, daar ben ik bijna zeker van, zou opstandigheid zijn. U zou zich eerst afvragen: ‘Waarom moet dit van mij worden gevraagd? Ken ik mijn eigen leven niet? Weet ik niet wat mijn plicht is? Ik wens discipline, ik zoek meer licht, ik wil graag dat me het pad wordt gewezen, maar ik wens niet dat me de eerste beginselen van de dingen worden getoond die iedereen weet.’ Ziet u waar het om gaat?

De ES-discipline van de chela, de training van de chela, neemt iemand geheel in beslag en heeft een krachtige invloed op alle gebeurtenissen van het dagelijks leven. Het zou een wat bizarre werkwijze zijn om iemand te trainen door hem een reeks kunstmatige beproevingen te laten ondergaan waarvoor hij – tijdens een proces van training en nadenken en voorbereiding dat zich over weken en misschien maanden uitstrekt – zijn geestelijke en verstandelijke spieren op spanning had gebracht om aan deze kunstmatige beproevingen het hoofd te bieden. U kunt misschien in romans over deze laatste soort of methode van training lezen, maar ze bestaan niet werkelijk in de lagere graden van onze school. Alleen in de hogere graden, nadat de chela heeft laten zien dat hij in staat is aan de levensomstandigheden zoals deze zich aandienen met succes het hoofd te bieden en alle verzoekingen te weerstaan, wordt hij aan die andere grotere en zwaardere beproevingen onderworpen, en zelfs dan komen ze altijd onverwachts.

Stel dat ik u zou vragen, vrienden, om gedurende slechts zes maanden u nooit te rechtvaardigen en u nooit te verdedigen. Ik vraag me af hoevelen van u de druk zouden kunnen verdragen van zelfs die kleine test die, zoals u ziet, zo krachtig zou ingrijpen in de gebeurtenissen van het dagelijks leven. Dit is zelfs in de exoterische scholen een van de meest gangbare regels in de ethische training en toch is het in de training van de chela de allereerste regel. Geef nooit toe aan zelfrechtvaardiging, in welke omstandigheid dan ook; maar wanneer iemand anders onrechtvaardig wordt aangevallen, schiet hem dan onmiddellijk te hulp als u voelt dat de aanval ongegrond en onterecht is.

Het is mijn diepe wens dat deze bijeenkomsten van de KTMG worden voortgezet. Ik heb rijkelijk leringen gegeven en heb dat met heel mijn hart en verstand gedaan. Ik heb overvloedig gegeven. Ik heb u rechtstreeks uit de bron van de oude wijsheid gegeven, net zoals ikzelf ervan heb gedronken, en heb dat gedaan zonder de bedoeling iets achter te houden dat voor u geschikt was. Maar beseft u niet dat occultisme geen kinderspel is, en dat u nu bent in wat in vroeger tijden een mysterieschool zou zijn genoemd, zoals de mysteriescholen van het oude Griekenland, van Hindoestan en van Egypte, en zelfs van de Europese landen in de oudheid?

Bewaar daarom zeer strikt het stilzwijgen over alle leringen die u heeft ontvangen. Zelfs bedreiging met de dood of het werkelijke naderen van de dood zijn voor u geen voldoende excuus om uw mond open te doen, zelfs niet om uw leven te redden. Het doet er helemaal niet toe dat u misschien denkt – en iemand die onverstandig is kan dat denken – dat de tot nu toe gegeven leringen van dien aard zijn dat u ze misschien ergens anders had kunnen krijgen of in boeken had kunnen lezen. Daar gaat het niet om en dat is in feite ook niet het geval. Het gaat erom dat u de gelofte van volkomen stilzwijgen heeft afgelegd. Op een dag zult u beseffen dat u de leringen die u hier heeft ontvangen nergens anders in de wereld had kunnen ontvangen, behalve natuurlijk in een andere vertakking van onze eigen Orde.

Een van u schreef me een poosje geleden dat hij grote twijfels had of wij het morele recht hebben om zulke prachtige leringen aan de mensheid in het algemeen te onthouden. De brief ging verder dat hij zoveel hulp had ontvangen, zoveel innerlijke verlichting, dat het een misdaad leek deze leringen geheim te houden, en dat ze zouden moeten worden openbaar gemaakt om dezelfde hulp die hij had ontvangen aan anderen te geven. Iemand die langer in de sfeer van onze School zou hebben geleefd en zo een groter deel van het esoterische leven in zich had opgenomen, zou zoiets nooit hebben kunnen voorstellen of schrijven. Het motief was goed, de geest was altruïstisch, en er was het verlangen anderen te helpen en anderen te geven wat hijzelf had ontvangen. Maar het was helemaal verkeerd zo gemakkelijk de gelofte van volstrekte geheimhouding te vergeten die deze vriend had afgelegd.

Ik kan u zeggen dat het in veel gevallen gevaarlijk kan zijn om in het openbaar te spreken over de leringen die u hier heeft ontvangen. Bij eerdere gelegenheden heb ik redenen gegeven om u te tonen waarom die leringen in zulke gevallen gevaarlijk kunnen zijn. Ze zijn niet geschikt voor het publiek, eenvoudig omdat het publiek niet erop is voorbereid om ze te ontvangen. Bovendien heeft deze zaak nog een andere kant. Deze leringen zijn een beloning, een vergoeding voor onzelfzuchtig vervulde plicht, maar zeker niet in de zin van een gewone ‘betaling’.

Let hier goed op! Is er iemand die denkt dat deze leringen zijn gegeven als beloning voor iets dat uw dure plicht is om te doen? Zo ja, dan heeft u me niet begrepen en verdraait u wat ik probeer duidelijk te maken. Toch is het een feit dat deze leringen een beloning zijn waar de echte occultist die een leven van zelfvergetelheid ten dienste van anderen leidt, recht op heeft, en er alleen recht op heeft opdat hij voorbereid en gereed zal zijn om ze aan anderen te geven op het moment dat hij daarvoor de opdracht krijgt. Ze zijn een rechtmatige vergoeding voor altruïstische diensten aan de mensheid, een bijkomstigheid, als u dat een beter woord vindt, van de training die u nu ontvangt, waarvan deze leringen onderdeel zijn en die ertoe bijdragen om een zwak schijnsel van de buddhische luister in u tevoorschijn te roepen. Deze leringen geven als het ware een glimp van de buddhische luister, afkomstig uit het denken van de Groten, en zijn bedoeld om de buddhische luister in uzelf op te wekken, er een krachtige vlam van te maken, zodat uw ziel gaat stralen van het heilige licht. Het is erg moeilijk deze eeuwenoude leringen voor te leggen aan westerlingen die zijn opgevoed om bepaalde zaken als werkelijke deugden te beschouwen die wanneer men veel dieper doordringt in de mysteries van de menselijke psyche niet verstandig, niet wezenlijk goed, blijken te zijn.

Bij het publiek en bij wetenschappers in het westen is tegenwoordig het idee gangbaar dat alle kennis heilig is en aan iedereen moet worden verstrekt. Over dit idee wordt vaak gesproken. Er wordt gezegd dat elke soort kennis de mensheid toebehoort en dat daarom iedereen daarover moet kunnen beschikken. Jan, Piet en Klaas zouden alles wat er in het heelal bestaat moeten leren kennen als het mogelijk zou zijn het aan Jan, Piet en Klaas te geven. Dit is helemaal verkeerd. Er zijn feiten in de natuur en leringen over de natuur en over de mens die alleen behoren te worden gegeven aan hen die geestelijk, verstandelijk en moreel getraind zijn ze te ontvangen en te beschermen – die alleen in het denken van mannen en vrouwen moeten worden gebracht die ze als heilig zullen bewaren. Er bestaan sleutels waarmee men vermogens en krachten in de mens kan ontsluiten die vreselijk kunnen worden misbruikt. Sommige mannen en vrouwen zijn veel scherpzinniger dan anderen, maar scherpzinnigheid is geen waarborg voor morele geschiktheid; en het feit dat een half dozijn mannen of een half dozijn vrouwen denkt dat kennis hun veilig kan worden toevertrouwd is geen bewijs dat ze veilig aan anderen kan worden toevertrouwd.

U herinnert u misschien wat HPB op verschillende plaatsen zegt over iets dat schijnbaar zo ongevaarlijk en eenvoudig is als de lering over de zevenvoudige aard van de mens en van het heelal. Vaak is er gevraagd, ‘Hoe kan zo’n lering in vredesnaam iemand kwaad doen?’ En toch zou dat zeer zeker kunnen. Neem bijvoorbeeld de leer van karma: wat u zaait, zult u oogsten; u heeft uzelf gemaakt tot wat u bent; het uiteindelijke doel zal een vervolmaking van u zijn. Ziet u niet hoe deze leer kan worden verdraaid en verkeerd worden gebruikt? Iemand zou kunnen aanvoeren: ‘O, ik begrijp het. Ik maak van mijzelf wat ik zal worden, maar het uiteindelijke resultaat is mijn vervolmaking. Wat doet het er dan eigenlijk toe wat ik nu doe? Waarom zou ik me niet wat vrijheid gunnen en de hand lichten met de ethische wetten van het bestaan, want het uiteindelijke resultaat is immers mijn vervolmaking? Waarom zou ik niet mijn haat en woede koelen op iemand die me verkeerd heeft behandeld, die me onrecht heeft aangedaan? Zeker, ik zal ervoor moeten boeten door te lijden; maar nadat ik heb geboet zal ik vrij zijn van deze zonde, en intussen zal ik het plezier hebben gehad me te wreken op mijn eigen vijand.’

Zulke mensen vergeten de andere kant van de leer, de lering over het lot van de ‘verloren ziel’.

Zijn er vragen die u zou willen stellen?

Vr. – Is de mens niet in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de rassen van de nieuwe bol die hij in de toekomst zal moeten bewonen? De mens zendt voortdurend gedachten uit, en deze gedachten worden entiteiten. Wat gebeurt er met deze entiteiten als ze zich niet met elkaar verbinden en de substantie van de wereld vormen? Als ze dat niet doen, hoe kan de mens dan de gevolgen ondervinden van de gedachtestromen die hij onophoudelijk op gang brengt? Hoe kan hij ooit het resultaat ondervinden van zijn gedachtekarma, als ik het zo mag zeggen? Begrijpt u wat ik bedoel?

GdeP – Ik geloof van wel. Maar kunt u het wat verder uitwerken; dan wordt de vraag misschien korter en duidelijker.

Vr. – Ik wil graag weten hoe werelden zijn begonnen en waarom ze moesten beginnen als de mens niet daarvoor verantwoordelijk is. Waarom zou hij op een wereld moeten leven die hij niet heeft gemaakt? Zal ik nog iets meer zeggen?

GdeP – Ik geloof dat ik u nu begrijp. Uw laatste woorden zijn veel korter en veel duidelijker. De mens en de wereld waarop hij leeft zijn in wezen één. Ze zijn als het ware beide van hetzelfde bloed, van hetzelfde been, van hetzelfde vlees. De atomen die hem samenstellen, stellen eveneens de verschillende delen van de constitutie van de bollenketen – of de planeetketen – samen waarmee zijn lot is verbonden. Omdat hij een deel is van de substantie van deze planeetketen, is hij nauw ermee verbonden. Maar de mens is een scheppend centrum, een brandpunt van scheppend vuur. Dit scheppende vuur is bewustzijn-gedachte-wil, drie aspecten van hetzelfde grondbeginsel. Uit dit scheppende brandpunt dat het centrum van zijn wezen is, straalt of zendt hij voortdurend gedachten uit – elementalen, gedachtecentra zo u wilt – en deze zijn onzelfbewuste godsvonken. Op die manier wordt het heelal voortdurend opnieuw bevolkt en van nieuwe stromen van binnenkomende wezens voorzien die aan hun eonenlange evolutiereis beginnen. Deze gaan in een even onafgebroken stroom door veel verder ontwikkelde wezens, betrekkelijk vervolmaakte entiteiten voorzover het ons heelal betreft, en vertrekken dan aan de andere kant of aan het einde van de kosmische bestaanscirkel als volledig zelfbewuste goden.

De mens is daarom, als één groep van bewoners van onze planeetketen, inderdaad volledig verantwoordelijk voor de bollen waarop hij leeft, voorzover zijn gedachten en emoties en daden die bollen hebben gewijzigd of veranderd.

Deze opmerkingen hebben betrekking op alle mensen. Ze zijn ook volledig van toepassing op de kosmische geesten of dhyan-chohans of goden die, nadat ze in een vroeger manvantara mensen zoals wij zijn geweest, zich nu aan het verst ontwikkelde einde van de kosmische keten van het bestaan bevinden. Ook zij zijn met onze wereld verbonden, of met onze reeks werelden, en eveneens met ons heelal. Daarom zijn ze onze oudere broeders, onze lichtdragers, zij die ons vooruit zijn en de fakkels dragen. Omdat we hun licht zien volgen we hen, ongeveer zoals de reiziger het heldere licht volgt van degene die in de karavaan voorop loopt.

Aan het ene einde van de spiraal van kosmisch bestaan staan de goden. Aan het andere einde of aan het begin staan de onzelfbewuste godsvonken; de tussenliggende stadia of sporten van de levensladder worden ingenomen door alle andere klassen van wezens. Zo is ieder heelal of iedere planeetketen of iedere wereld afhankelijk van de schaal van het bestaan die u op dat moment in gedachte heeft.

Vr. – Ik wil ook weten waaruit de feitelijke planeet of bol bestaat – de feitelijke wereldsubstantie.

GdeP – Ik begrijp wat u bedoelt. Ieder kosmisch lichaam, ieder hemellichaam, bijvoorbeeld onze aarde en ook alle andere bollen van onze planeetketen, wordt uiteindelijk gevormd door monaden die zich juist in dat bijzondere stadium van hun evolutiereis bevinden. In vroeger eeuwen, in voorbije tijdperken, waren wij mensen net zulke monaden die de fysieke substantie vormden van een bol, of een reeks bollen, waarop toen andere entiteiten als mensen leefden; en deze andere entiteiten zijn nu onze goden en supergoden.

Vr. – Dus wijzelf zijn verantwoordelijk voor het maken van deze monaden. Is de bol waarop we nu leven de wederbelichaming van de bol of de monaden die we toen waren?

GdeP – Nee. Ik geloof dat u het daar mis heeft: althans, u heeft uw gedachte niet duidelijk uitgedrukt. Mogelijk is uw grondgedachte juist, maar is ze niet duidelijk geformuleerd. Wij waren oorspronkelijk de gedachte-elementalen van die entiteiten die nu goden zijn, zoals wij mensen nu voortdurend gedachte-elementalen uitzenden die op hun beurt in toekomstige tijden mensen zullen worden en zich later tot goden zullen ontwikkelen. Vanuit een abstract standpunt gezien is het heelal samengesteld uit twee algemene klassen van entiteiten: ten eerste, zij die aan hun tocht beginnen, dat zijn de monaden in de drie elementalenrijken, in het mineralenrijk, in het plantenrijk en in het dierenrijk, gevolgd door het mensenrijk of het tussenliggende rijk; en ten tweede: de andere grote algemene klasse die alle monaden omvat die tot volle wasdom zijn gekomen en goden zijn geworden.

De materie van onze aarde bestaat, zoals gezegd, uiteindelijk uit monaden. Deze monaden maken in feite niet ten volle gebruik van hun scheppende krachten om andere monaden af te werpen, voordat ze zelf min of meer volwassen of volgroeid zijn. Vanaf dat moment beginnen ze te ‘scheppen’. Het is precies zo bij de groei van een mens. Een mens kan niet goed levenszaden afwerpen vóór een bepaalde leeftijd is bereikt.

Vr. – Ik ga met veel schroom een vraag stellen. Worden de entiteiten van de pratyekaboeddha’s de manasaputra’s van een toekomstig manvantara? Ik bedoel: moeten de monaden de manasaputra’s uitzenden om door een verder groeistadium te gaan zodat ze een kans krijgen onzelfzuchtige boeddha’s te worden?

GdeP – Bedoelt u: worden de pratyekaboeddha’s de manasaputra’s van een toekomstig manvantara zodat ze op die manier de verhevenste les van de natuur kunnen leren – onpersoonlijkheid?

Vr. – Ja, dat bedoel ik.

GdeP – Ja, dat worden ze. Maar ik zou eraan willen toevoegen dat de pratyekaboeddha’s die op die manier manasaputra’s – of kinderen van het denkvermogen – van een toekomstig manvantara worden, tot de lagere klassen van de agnishvatta-pitri’s behoren die eveneens manasaputra’s zijn. De hogere klassen van manasaputra’s zijn die entiteiten die al in het voorafgaande manvantara een bepaalde hoge graad van onpersoonlijk bestaan hebben bereikt.

Vr. – Mag ik twee vragen stellen? In De Geheime Leer wordt over atmabuddhi, de spirituele monade, gezegd dat ze haar geestelijke en intellectuele licht schenkende krachten naar het persoonlijke ego brengt via de brug die door manas en kama wordt gevormd . . .

GdeP – Precies.

Vr. – Of het viertal. En vervolgens hebben we gehoord dat de lagere maanpitri’s worden verlicht en geïnspireerd door de agnishvatta-pitri’s met hun geestelijk-intellectuele energieën en krachten. Ik wil graag weten wat het verschil is tussen deze geestelijk-intellectuele energieën en die van atman-buddhi die naar het persoonlijke ego worden overgebracht.

GdeP – U stelt een erg diepzinnige vraag over twee evolutielijnen waarover in De Geheime Leer nogal vaag wordt gesproken. Wat u zegt is volkomen waar. Alle edelste impulsen van de mens, al zijn geniale inspiraties, al zijn zich ontwikkelende vermogens en krachten – of beter gezegd al het geestelijke vuur in hem dat de ontwikkeling van zijn vermogens en krachten tevoorschijn brengt – al deze dingen en nog veel meer zijn afkomstig uit de spirituele monade, de atmabuddhische monade. Maar om zich in de hersenen van de fysieke mens te kunnen manifesteren moet de atmabuddhische monade door een tussenliggend orgaan worden ‘neergetransformeerd’ of overgebracht naar die hersenen. Dit tussenliggende orgaan noemt men gewoonlijk de menselijke ziel, het kama-manas.

Nu gaan we een stap verder. In de eerste rassen van de mensheid op deze bol, in deze vierde ronde, nauwkeuriger gezegd omstreeks het punt halverwege het derde wortelras, vond de wonderbaarlijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid plaats: het doen ontvlammen van dit tot dan latente tussenliggende deel van de mens door de neerdaling, door de incarnatie of beter gezegd door de belichaming in dat tussenliggende deel, van meer gevorderde manasaputrische entiteiten uit voorafgaande manvantara’s. Dit wordt de ‘neerdaling’ van de manasaputra’s genoemd, en door dit binnenkomen of deze neerdaling activeerden de manasaputra’s met hun levensvlam de tot dan slapende tussenliggende natuur van de mensen van het derde wortelras. Het derde wortelras had in aanleg alle vermogens van de mens, maar de tussenliggende natuur was slapend, latent, nog niet geëvolueerd, nog niet sterk genoeg om de geestelijke invloeden vanuit de atmabuddhische monade over te brengen of ‘neer te transformeren’. Maar deze manasaputra’s gingen die wachtende voertuigen binnen, die wachtende entiteiten, en activeerden met hun levensvlam het slapende tussenliggende deel, de slapende menselijke ziel, maakten haar wakker, en stimuleerden haar, zodat ze actief werd.

Vergeet niet dat deze zaak twee kanten heeft. Ten eerste had de mens in het derde wortelras als individu alle vermogens die de mens nu heeft, maar ze waren toen volkomen in rust voorzover het de tussenliggende of zielennatuur betrof. Misschien zou het beter zijn te zeggen dat ze toen nog niet waren ontwikkeld. Het zou vele eeuwen van langzaam evolutionair werk hebben gevergd om deze latente delen van de ziel van de mensheid van toen wakker te roepen. Maar om de mensheid te helpen, om de evolutie van de mens te versnellen, om dit tussenliggende of zielendeel vlugger tot activiteit te brengen, ‘daalden’ de manasaputra’s uit een voorafgaand manvantara, geestelijke wezens als ze waren, ‘neer’ in de mens, stimuleerden door hun eigen levensvuur zijn slapende of onontwikkelde ziel en maakten deze zo wakker. Is uw vraag hiermee beantwoord?

Vr. – Ja, de vraag is hiermee volledig beantwoord, maar ik kon het zelf niet oplossen. Ik heb nog een vraag, als ik die mag stellen.

De Geheime Leer spreekt over kama. Kama, de zetel van verlangens, heeft een geestelijk vuur nodig dat, zoals ik het begrijp, in het bezit is van de ‘driehoeken’ en dat overeenkomt met het vuur dat Prometheus zich heeft toegeëigend. Ik zou graag willen weten wat de ‘driehoeken’ zijn, of wie ze zijn. Zijn ze dhyan-chohans of hogere aartsengelen?

GdeP – Deze vraag gaat over hetzelfde onderwerp als in uw eerste vraag. Dit woord ‘driehoeken’ is een technische term die aan de hogere triade wordt gegeven – de atman, buddhi en het hogere manas, verenigd tot één. ‘Een vurige driehoek’ is de titel die vaak aan zo’n entiteit wordt gegeven, en ze zijn de manasaputra’s. Het is hun ‘neerdalen’ in, of beter gezegd hun overschaduwen van, het kamische deel van de mens dat de mens voltooit en hem tot een zevenvoudige mens-plant maakt, dat wil zeggen een mens-plant waarin ieder deel van zijn constitutie min of meer actief functioneert. Begrijpt u me? Zo niet, vraag het dan opnieuw.

Vr. – Ja, ik begrijp hoe de manasaputra’s het kamische beginsel zijn binnengegaan, en door hun vuur het geestelijke vuur hebben gegeven dat kama tot een kosmisch beginsel maakt.

GdeP – Ja, maar u formuleert het niet goed. Kama is zelf een kosmisch beginsel. Het is het kosmische vuur, een psycho-elektromagnetisch beginsel. U kunt de constitutie van de mens in drie delen splitsen: een bovenste vlammende driehoek of geestelijke driehoek; een lagere psycho-astrale fysieke driehoek; en deze twee verbonden door het antaskarana of de schakel of brug. Het is dit tussenliggende element of deze schakel of brug die in het derde wortelras door de ‘neerdaling’ van de manasaputra’s werd wakker geroepen. Deze tussenliggende schakel was al latent aanwezig, maar maakte zich niet kenbaar; hij was toen niet ‘ontwaakt’ maar nog ‘slapende’.

Zo is het op het ogenblik gesteld met de dieren. Het dier heeft alle beginselen die wij als mens hebben. In het dier is alles wat een mens heeft. Maar het gehele hogere deel van de constitutie van het dier is nog niet zover ontwikkeld dat het zich manifesteert. Om het populair te zeggen: het is ‘in slaap’, het is nog niet ‘ontwaakt’. Er zal een tijd komen dat de hogere of hoogste delen van de constitutie van het dier zullen zijn ontwaakt, en dan zullen de dieren niet langer dieren zijn: ze zullen mensen zijn geworden, of individuen die hetzelfde ontwikkelingsstadium hebben als wij mensen. Of ze precies zulke mensen zullen zijn als wij, daarover kan je van mening verschillen; maar ze zullen mensen zijn, zelfbewuste denkende entiteiten met een geweten, een wil en al de andere vermogens waar de mens blijk van geeft.

Vr. – Zijn de manasaputra’s dezelfde als de spirituele monade in ons?

GdeP – Nee, dat zijn ze niet.

Vr. – Zijn ze kinderen van onze innerlijke god?

GdeP – Nee, dat zijn ze niet.

Vr. – Dan vraag ik me af door welke karmische relatie ze in onze constitutie incarneren?

GdeP – Een volkomen relevante vraag. Sommige vragen van degenen onder u die langer dan anderen hebben gestudeerd, dringen erg diep door in de esoterische leringen. U roert hier een onderwerp aan dat ik vaak heb geprobeerd uit te leggen. Ieder deel van de constitutie van de mens kan worden beschouwd als een evoluerende entiteit. Wanneer ik mijzelf als voorbeeld neem van alle andere mensen, is er in mij een innerlijke god; een geestelijke ziel die eens een innerlijke god zal worden; een kind van deze geestelijke ziel die mijn menselijke ziel is, die ooit een geestelijke ziel zal worden en dus op weg is om in een nog verdere toekomst een innerlijke god te worden. Er is in mij bovendien een dierlijke ziel, een kind van de menselijke ziel; en deze dierlijke ziel is op weg een menselijke ziel te worden, later een geestelijke ziel en weer later een innerlijke god. Er is in mij, naast dit alles, het laagste deel van mijn constitutie – de psycho-astraal-fysieke driehoek.

De geestelijke ziel zal, wanneer ze de menselijke ziel heeft opgewekt om aan haarzelf gelijk te worden, een innerlijke god zijn geworden. Maar wanneer de zo ontwaakte menselijke ziel het stadium van een geestelijke ziel heeft bereikt, wordt ze een manasaputra en speelt daarna een actieve zelfbewuste rol in het evolutionaire werk van het heelal. Tot haar functies of plichten zal het bezielen of stimuleren of het doen ontvlammen behoren van het zielendeel van een toekomstig ras van wezens – zoals de manasaputra’s in het geval van ons eigen mensenras ons hebben gestimuleerd, ons hebben bezield, onze ziel hebben doen ontvlammen, onze ziel hebben wakker gemaakt.

Daarom zijn de manasaputra’s over wie in De Geheime Leer wordt gesproken niet wijzelf en toch zijn we het wel. Mysterieus genoeg zijn ze een deel van ons, omdat ze ons deden ontwaken. Ze hadden ons niet wakker kunnen maken als ze niet karmisch met ons waren verbonden, en ze zijn karmisch met ons verbonden omdat ze in een vroeger manvantara waren geëvolueerd van menselijke zielen tot geestelijke zielen of manasaputra’s.

Er is in mij bijvoorbeeld een nog niet ontwikkelde manasaputra, maar die is bezig zich te ontvouwen. Hij is het lagere deel van mijn geestelijke ziel, of het hoogste deel van mijn menselijke ziel, zou je kunnen zeggen. Die bewering is geheel juist. Maar de manasaputra in mij, die een deel van mijn eigen monadische essentie is, is niet de manasaputra die mijn menselijke ziel deed ontvlammen en haar wakker maakte op het punt halverwege het derde wortelras. Laatstgenoemde manasaputra is een geestelijke ziel die mij nog altijd met zijn geestelijke luister overschaduwt. Begrijpt u dit?

Vr. – Ja, dank u, maar ik begrijp nog niet helemaal hun karmische verband. Is deze zoon van de zon meer verheven dan de innerlijke god? Nee, natuurlijk staat hij lager dan de innerlijke god.

GdeP – Wat bedoelt u?

Vr. – De manasaputra die een menselijke ziel in het derde wortelras deed ontwaken – is hij meer verheven of niet dan onze innerlijke god?

GdeP – Hij is minder verheven. Een manasaputra heeft zijn eigen innerlijke god, en een manasaputra is een menselijke ziel die zich heeft ontwikkeld om een geestelijke ziel te worden, omdat deze één is geworden met haar innerlijke god. De innerlijke god aan de top, de menselijke ziel aan de onderkant, de geestelijke ziel ertussen. Deze drie vormen een manasaputra. Maar een manasaputra is een entiteit waarin de menselijke ziel door het geestelijke vuur zo is gestimuleerd dat die menselijke ziel zelf op het punt staat een geestelijke ziel te worden, een zuiver buddhische essentie.

Vr. – De manasaputra komt dus uit een ander manvantara?

GdeP – Ja, uit een ander manvantara. Mag ik dit eraan toevoegen; het helpt u misschien een beetje. Alle entiteiten – overal in ons heelal – zijn karmisch met elkaar verbonden, sommige zijn onderling nauwer verbonden dan andere. Daarom zijn wij, schepselen van de aarde, hier allemaal samen. Wij allen helpen elkaar, of we dat willen of niet. We helpen elkaar. We zijn allemaal kinderen van dit heelal. We zijn allen met elkaar verbonden door karmische banden van het bestaan, en dus van bestemming. Zoals de manasaputra’s ons hielpen door onze menselijke ziel wakker te roepen, zullen wij op precies dezelfde manier in toekomstige eonen als manasaputra’s de menselijke zielen van een toekomstig mensenras doen ontwaken; en ik denk zelf dat dit ras zal bestaan uit wat we nu de dierenrassen noemen, die dan menselijk zijn geworden of op het punt staan menselijk te worden.

Of, anders gezegd, zoals wij karmisch zijn verbonden met de dieren, die in zekere zin onze kinderen zijn, zo zijn deze manasaputra’s met ons verbonden, want wij zijn in zekere zin hun kinderen.

Vr. – Dank u, maar het lijkt me dat er zo’n grote afstand is tussen de spirituele monade en de menselijke monade dat ik me afvraag of er niet twee of drie graden van dhyan-chohans moeten zijn die deel zijn gaan uitmaken van onze innerlijke constitutie om de noodzakelijke evolutionaire stappen te kunnen zetten. Is dat waar?

GdeP – Ik zou niet willen zeggen dat er zoveel graden van dhyan-chohans zijn tussen de geestelijke ziel en de menselijke ziel. Vergeet niet dat de menselijke ziel het kind is van de geestelijke ziel; of om een ander beeld te gebruiken, de geestelijke ziel is het zonnecentrum en de menselijke ziel is een straal daaruit. De straal heeft dezelfde essentie, hetzelfde licht, toch is de straal niet de zon. Hij is slechts daaruit ontstaan, en is een invloed, een emanatie ervan.

Vr. – Maar waar zijn de dhyan-chohans die van de maan kwamen? Staan ze niet tussen ons, de menselijke monade, en de spirituele monade in?

GdeP – Nee. ‘Dhyan-chohan’ is een algemene term die ‘heer van meditatie’ betekent, en is van toepassing op iedere geestelijke of quasi-geestelijke entiteit wanneer ze als zo’n entiteit wordt beschouwd. De manasaputra’s zijn dhyan-chohans. Zelfs onze menselijke ziel kan, wanneer ze in devachan is, technisch en met recht een dhyan-chohan van een lage graad worden genoemd omdat ze zich dan in een geestelijke toestand bevindt. Dhyan-chohan is slechts een titel waarmee iedere klasse van geestelijke of quasi-geestelijke entiteiten kan worden aangeduid. Daarom denk ik niet dat het juist zou zijn om te spreken van vele klassen van dhyan-chohans, of van geestelijke wezens, tussen de geestelijke ziel en de menselijke ziel. Zulke graden bestaan in feite niet.

Vr. – Ik dacht dat mensen van het derde wortelras waaraan de manasaputra’s een vonk van denkvermogen schonken, vroeger als het ware atomen zijn geweest in het wezen van de manasaputra’s toen deze zich tot een stadium hadden ontwikkeld dat overeenkomt met onze mensheid. Ik wil hen geen ‘mensen’ noemen, maar spreek over een tijd toen ze een niveau hadden dat overeenkomt met dat van mensen. Ik verwijs naar iets dat analoog is aan wat in De Geheime Leer wordt bedoeld wanneer wordt gezegd dat het dierenrijk is opgebouwd uit atomen die door onze vroegere mensheden zijn afgeworpen. Is dat fout?

GdeP – Nee, in het algemeen gesproken is dat heel juist. Maar ik zou hier een waarschuwend woordje willen laten horen. U spreekt over de manasaputra’s die onze menselijke zielen zelfbewustzijn ‘schonken’. Misschien is het woord ‘schonken’ aanvaardbaar als u in uw denken zorgvuldig onderscheid maakt wanneer u dit woord gebruikt; als u echter met het woord ‘schenken’ bedoelt geven, verlenen, dan is het verkeerd.

Vr. – Nee, ik had ‘verlichten’ moeten zeggen.

GdeP – Ja. Het is een ‘verlichten’. Het is licht aansteken in wat daar reeds is. Het is een ontwaken van zelfbewustzijn in de tot dan toe niet-zelfbewuste voertuigen door de werking van het manasaputrische ‘vuur’. Beschouw dit als een analogie: als de leraar belangstelling, begrip, opwekt in zijn leerling, steekt hij een geestelijk vuur aan in het denkvermogen van de leerling. Hij maakt het wakker, hij stimuleert het, hij brengt het tot activiteit. Hij geeft zijn leerling geen denkvermogen, maar hij oefent slechts invloed uit op wat er al is en hij doet het denken ontvlammen zodat het op eigen kracht begint te werken. Begrijpt u?

Vr. – Ja, ‘schonken’ was het verkeerde woord. ‘Ontvlamd’ of ‘wakker gemaakt’ zou beter zijn.

GdeP – Toch heeft u het woord met recht gebruikt omdat HPB het vaak gebruikt. Maar probeer te begrijpen waar het woord op duidt. De mysteries verbonden aan de ‘neerdaling’ van de manasaputra’s zijn erg groot, en het verwondert me helemaal niet dat zo’n ingewikkeld en moeilijk onderwerp zoveel vragen oproept, zoveel twijfels – zoveel misverstanden, als u wilt. Toch is dit een van de vruchtbaarste onderwerpen om over na te denken, en u kunt er veel aan hebben.

Vr. – Ik zou willen weten of de manasaputra’s niet onze reïncarnerende ego’s zijn.

GdeP – Nee, dat zijn ze niet, als u doelt op de ‘neerdaling’ van de manasaputra’s in het derde wortelras. De manasaputra’s zijn geëvolueerde entiteiten uit een ander manvantara die door in de slapende of onontwikkelde ‘zielen’ van de mensen van toen ‘neer te dalen’ – of beter gezegd hen te stimuleren, op te wekken, aan te vuren – die zielen tot activiteit aanspoorden, de latente vermogens die daar al waren deden ontwaken. Deze ontwaakte vermogens waren en zijn daarna de reïncarnerende ego’s van de individuele mensen.

Vr. – De ontwaakte vermogens zijn dus de reïncarnerende ego’s?

GdeP – Ja. Deze ontwaakte delen van de mensen waren en zijn de reïncarnerende ego’s, want een reïncarnerend ego is het geestelijk-psychische deel van de constitutie. De manasaputra’s zijn geestelijk en intellectueel ontwikkelde entiteiten uit een voorafgaand manvantara, en ze waren in dat eerdere manvantara toen zelf menselijke zielen die op hun beurt waren ‘wakker gemaakt’. Ze werden in dat voorafgaande manvantara gewekt net zoals wij in dit manvantara zijn gewekt. In toekomstige eonen zullen wij manasaputra’s zijn en op onze beurt zullen we dan andere sluimerende of onontwikkelde zielen van een lager ras of een lagere mensheid van ons toekomstige thuis doen ontwaken.

Vr. – Waarom noemt men hen dan reïncarnerende ego’s?

GdeP – Bedoelt u de manasaputra’s?

Vr. – Nee. U zei dat de manasaputra’s niet de reïncarnerende ego’s zijn, maar dat ze de vermogens van de menselijke ziel wakker maakten, en dat deze ontwaakte vermogens het reïncarnerende ego zijn.

GdeP – De ontwakende menselijke ziel wordt het reïncarnerende ego; en deze ego’s worden gewekt door de ego’s van de goden, door het goddelijke vuur, door hun verbinding met het goddelijke vuur dat in de manasaputra aanwezig is. Denk aan de analogie die ik u zojuist heb gegeven: een leraar zal de slapende ziel in zijn leerling doen ontwaken. De ziel was er al, maar ze ‘sliep’, was onontwikkeld. Maar het contact met de leraar, de stimulans van de woorden en het onderricht en het voorbeeld van de leraar – dit allemaal doet het slapende innerlijke deel van de leerling ontwaken, zodat de leerling daarna zelf begint te leren om werkelijk te leven, werkelijk te zijn.

Vr. – Ik begrijp niet waarom men dit het ‘reïncarnerende ego’ noemt.

GdeP – Wat het ‘reïncarnerende ego’ noemt?

Vr. – Wat is het reïncarnerende ego?

GdeP – Het reïncarnerende ego is de ontwaakte menselijke ziel.

Vr. – Maar ‘ontwaakt’ betekent toch eigenlijk niet ‘reïncarnerend’?

GdeP – Nee, natuurlijk niet. Maar het kon niet als een individueel ego reïncarneren voordat het het egoïsche reïncarnerende vermogen had ontwikkeld.

Vr. – Maar het was daarvoor wel een ziel, begrijp ik.

GdeP – Ja, het was een ziel, maar een slapende ziel, als het ware een sluimerende entiteit. Toen de manasaputra haar wekte, werd ze een individu, ze werd egoïsch, of, beter gezegd, er werd vanuit haar binnenste een ik-bewustzijn tot ontwikkeling gebracht.

Vr. – Dus ze wordt pas een ‘reïncarnerende ziel’ genoemd als ze na ieder leven op aarde reïncarneert.

GdeP – Dat is juist. En het was de ‘neerdaling’ van de manasaputra in de slapende embryoziel die haar trainde om een reïncarnerend ego te worden of deze ertoe bracht zich tot een reïncarnerend ego te ontwikkelen. De volgende stap in de evolutie die het reïncarnerende ego zal zetten, zal zijn om op zijn beurt een manasaputra te worden. In een eerder manvantara waren de manasaputra’s eenvoudig reïncarnerende ego’s. Daarvóór waren ze ‘slapende’ of onontwikkelde zielen.

Vr. – Als de manasaputra’s de menselijke zielen stimuleerden van entiteiten die vanuit het dierenrijk het mensenrijk zijn binnengekomen, houdt dit dan niet in dat de manasaputra’s verantwoordelijk zijn voor hun eigen gedachtekinderen?

GdeP – Dat is zonder twijfel zo.

Vr. – Geeft dit niet aan waarom de manasaputra’s naar hen toe zijn gekomen?

GdeP – Precies.

Vr. – En is het de bestemming van iedere menselijke ziel om door dat stadium van haar evolutie te gaan en een manasaputra te worden, en zijn eigen kinderen uit een vroeger manvantara te ‘bezielen’?

GdeP – Eerst is er de ‘slapende’ monade, de niet-zelfbewuste godsvonk – twee manieren om hetzelfde mee aan te duiden. Dan komen er na eonen van langzame natuurlijke evolutionaire groei de eerste zwakke tekens van geïndividualiseerd bewustzijn die we ‘ziel’ kunnen noemen. ‘Ziel’ is een vage term, dat geef ik toe, maar onze taal is wat deze esoterische onderwerpen betreft erg vaag. Zulke zielen vindt u in de mineralen, in de planten, in de lagere klassen van de dieren. Naarmate de evolutie ervan voortgaat, wordt dit individualiseren intensiever of krachtiger. Met andere woorden, de individuele ziel wordt compacter, concreter, duidelijker afgebakend; dan hebben we de hoogste klassen van de dieren en de allerlaagste klassen van de mensen.

Maar zo’n evoluerende ziel kan niet volledig zelfbewustzijn bereiken vóór ze wordt aangeraakt door het goddelijke vuur, gestimuleerd door een manasaputra met wie ze karmisch is verbonden. Daarna is geestelijke individualiteit verworven en begint het reïncarnerende ego zijn eonenlange levensloop als individu, op zijn beurt bestemd om in latere eonen van de toekomst uit te groeien tot een manasaputra. Iedere manasaputra wordt bovendien vergezeld door een lange stoet van karmische volgers, zijn eigen psychovitale ‘kinderen’. In een tijdperk ver in de toekomst moet elk van die manasaputra’s deze kinderen, zijn psychovitale nakomelingen, wakker roepen of stimuleren. De manasaputra waakt dus over zijn eigen psychovitale kinderen, en heeft met hen een nauwe karmische band.

Verplaats u nu in uw denken naar de verre toekomst. Elk van deze manasaputra’s zal in die ver in de toekomst liggende eonen een zon zijn, prachtig stralend in de ruimte, vergezeld door zijn familie – zijn geestelijke, intellectuele, psychische, stoffelijke, vitaal-stoffelijke familie – die de planeten en de kometen en nevelvlekken van dat zonnestelsel zijn. Dit is iets waarvan onze sterrenkundigen zelfs nog niet hebben gedroomd. Deze familieverwantschap bestaat in feite niet alleen op het zichtbare gebied van het zonnestelsel, maar ook in de onzichtbare gebieden en sferen.

Omdat ieder van ons mensen een manasaputra zal worden, kunnen we bovendien zeggen dat ieder van ons in verre toekomstige eonen bestemd is om een zon te worden die in volle pracht in de ruimte straalt.

Er is één wet die van kracht is door het hele universele zijn en dat is de wet van zijn eigen essentie. Daarom draagt elke entiteit die in het universele zijn bestaat deze fundamentele wet in haar hart, en deze beheerst daarom haar hele levensloop door tijd en ruimte heen. Vandaar dat de Hermetische School zei: ‘Wat boven is, is hetzelfde als wat beneden is. Wat beneden is, is fundamenteel hetzelfde als wat boven is.’

Vr. – Het volgende is mij een raadsel: ik begrijp hoe een leraar het voorstellingsvermogen van de leerling kan stimuleren en wakker roepen, maar ik begrijp niet hoe de manasaputra’s die slapende entiteiten wakker riepen.

GdeP – De manier of methode om het te doen is door het kind of de ‘leerling’ met zijn eigen vitale psychoastrale vlam te omringen. Dit wordt de ‘neerdaling’ of de ‘incarnatie’ genoemd. Toegegeven, deze twee woorden ‘neerdaling’ en ‘incarnatie’ zijn niet nauwkeurig omdat de manasaputra in feite niet ‘neerdaalt’ in de mens van vlees. Wanneer ‘incarnatie’ en ‘neerdaling’ hier worden gebruikt, is dat slechts beeldspraak. Wat werkelijk gebeurt is dat de manasaputra de ziel die hij op grond van zijn karmische plicht moet wakker roepen, met zijn aura, met zijn vitale atmosfeer omringt, omsluit, ongeveer zoals een moeder haar ongeboren en pasgeboren baby met haar eigen vitaliteit, haar eigen sfeer, haar eigen aura omringt, en het kind zijn passende en geschikte omstandigheden of bed of plek geeft waarin het zich kan ontwikkelen. De moeder levert niet alleen deze sfeer en schenkt die onbewust, maar verschaft ook de schoot waarin het kind, de wordende entiteit, veilig kan groeien en zijn eerste stappen kan zetten in zijn evolutionaire ontwikkeling in de nieuwe levenssfeer.

Vr. – Wanneer die term ‘incarneert’ werd gebruikt gaf het me altijd de indruk dat er iets in ons werd gebracht.

GdeP – Juist. Het woord werd om deze reden gebruikt: de manasaputra giet als het ware een deel van zijn eigen psychovitale vuur of leven in de nog onontwikkelde menselijke ziel. Bijvoorbeeld, wanneer vuur vat krijgt op hout en het verteert is het alsof de vlam het hout binnengaat en het materiaal van het hout activeert om te gloeien, om te verteren. Het vuur trekt in het hout. Zo wordt ook goud verhit. Het vuur dringt in de moleculen van het goud, de hitte dringt erin door, en algauw ziet u het gloeiende gesmolten goud.

Natuurlijk moeten vormen van beeldspraak zoals deze niet te ver worden doorgevoerd. Het zijn slechts pogingen om een idee te illustreren. Maar wat eigenlijk gebeurt is dat de manasaputra een deel van zijn eigen geestelijk-intellectuele vlam of vuur, en een deel van zijn eigen psychovitale essentie, overbrengt in de tot dan slapende menselijke zielen. Omdat dit in de menselijke ziel ingebrachte deel gedurende vele eeuwen bij haar blijft als een constante en aanhoudend stimulerende, bezielende, inspirerende energie, ontwaakt die menselijke ziel geleidelijk en beginnen haar eigen innerlijke vermogens te functioneren. Op die manier ‘roept’ de manasaputra de latente vuren in de ziel ‘wakker’.

Vr. – U sprak eerder vanavond over de chelageest en over de gedragsregel om altijd iedere zelfrechtvaardiging te vermijden – die eerste eenvoudige regel dat men zich nooit om persoonlijke redenen zou moeten rechtvaardigen. Het is me niet helemaal duidelijk wat u bedoelt met zichzelf nooit rechtvaardigen. In de zakenwereld bijvoorbeeld moet men misschien opheldering geven over misverstanden. Hoever gaat volgens u deze regel om ‘zichzelf nooit te rechtvaardigen’?

GdeP – Deze regel om zich niet persoonlijk te rechtvaardigen is vanzelfsprekend een voorschrift voor chela’s. Natuurlijk is het in de zakenwereld vaak nuttig en volkomen juist dat er een verklaring wordt gegeven voor bepaalde handelingen indien iemands gezonde verstand hem vertelt dat uitleggen de gemakkelijkste en verstandigste en vriendelijkste manier is om moeilijkheden op te lossen. In zo’n geval is het de chela toegestaan dit te doen. Maar dat is niet de betekenis van persoonlijke ‘zelfrechtvaardiging’.

De regel betreffende zelfrechtvaardiging is deze. Als u terecht of ten onrechte wordt aangevallen, wees dan niet wraakzuchtig, sla niet terug, ga niet vechten, rechtvaardig uzelf niet alleen maar om uzelf, uw eigen gevoel voor rechtvaardigheid, te bevredigen. Probeer liever met uw mede-chela’s en zelfs in de wereld zo te leven en u zo te gedragen dat uw daden luider spreken dan uw woorden. Lijd in stilte als dat beter is en doe het met een rustig hart, liever dan ergens aanstoot aan te nemen en de zaak erger te maken en meer problemen te veroorzaken in een wereld die al is overladen met verdriet en emoties. Vergeef en heb lief, en u zult dan nooit uw persoonlijke zelf willen rechtvaardigen op de manier die verboden is.

Zoals ik zei, is een rustige en geheel onpersoonlijke uitleg zelfs voor een chela soms volstrekt juist en gerechtvaardigd omdat moeilijkheden op die manier soms het beste kunnen worden vermeden, maar dit is niet wat wordt bedoeld met de regel van geen persoonlijke zelfrechtvaardiging. Ik geloof dat ik dit al eerder heb uitgelegd. Strijd niet, vecht niet terug, veroorzaak niet meer moeilijkheden in de wereld, alleen omdat u denkt er recht op te hebben dat er naar u wordt geluisterd en dat uw kant van het geschil naar voren wordt gebracht, of duidelijk wordt gemaakt aan degene die u kwaad heeft gedaan. Als het er alleen om gaat dat u zich persoonlijk voelt aangevallen, houd er dan over op. Laat de onenigheid niet langer voortduren. Bewaar de vrede. Wees rustig. Wees rustig. Wees stil. Vergeef.

Het is een heel eenvoudige regel. Natuurlijk moet u uw gezonde verstand gebruiken wanneer u deze toepast. Maar als regel is het erg gemakkelijk. Het maakt het leven zoveel eenvoudiger en vriendelijker. Het betekent: vermijd ruzie, vermijd twist, vermijd onvriendelijke discussie, vermijd een meningsverschil te laten voortduren. ‘Rechtvaardig’ uzelf niet. Zet het uit uw hoofd. Over een poosje is alles vergeten. Dan zult u in harmonie zijn. Als uw daden luider spreken dan uw woorden en uw daden edel en mooi zijn, zult u zich nergens zorgen over hoeven te maken. Laat het over aan de Wet. Zoals de joods-christelijke bijbel zegt: ‘Mij komt de wraak toe’ – en zo is het precies. Met andere woorden, sta steeds aan de kant van wat juist is, dan hoeft u zich nergens zorgen over te maken.

Vr. – Bij het bestuderen van het Ramayana kwamen veel vragen bij ons op die we niet konden oplossen. Een punt waarover ik iets zou willen vragen betreft de handboog van Siva. Is het juist om deze op te vatten als een symbool voor de kracht van de geestelijke ziel?

GdeP – Ja, zo zou u het kunnen uitleggen, evenals de pijlen die uit de boog komen. Het betekent in werkelijkheid het gebruiken van de geestelijke wil, omdat de wil is als een boog die door een bekwame boogschutter wordt gebruikt. Hij kan gedachte- en gevoelspijlen afschieten en sommige van die pijlen zijn erg gevaarlijk. Maar als die wil door een god wordt gebruikt, kan deze alle stoffelijke dingen doorboren, door alle dingen heengaan en zijn doel bereiken – zoals een pijl die is afgeschoten. In soortgelijke westerse heldenverhalen wordt met dezelfde betekenis vaak het symbool of het zinnebeeld van het zwaard gebruikt in plaats van de boog: het zwaard van de geestelijke wil.

Veel van die oude epische verhalen bevatten echt mooie en diepzinnige, in mystieke vorm weergegeven waarheden; en er bestaan vele honderden van dat soort verhalen. Er is bijvoorbeeld de ‘mantel van onzichtbaarheid’ waarover u ongetwijfeld vaak heeft gehoord. Welke betekenis heeft deze, denkt u? Heeft u daarover wel eens nagedacht – zich hullen in de ‘mantel van onzichtbaarheid’?

Vr. – In obscuratie gaan?

GdeP – Denk erover na, en de volgende keer dat we bijeenkomen zal ik vragen, als de secretaresse me eraan herinnert, of u het vraagstuk van de ‘mantel van onzichtbaarheid’ heeft opgelost. Heeft u daar bezwaar tegen?

Vr. – Nee, dat zou ik graag willen. Nu over Rama en Sita. Ongeveer halverwege het verhaal verlaat Rama Sita. Is de verklaring dat Rama op aarde afdaalde – in werkelijkheid was hij een god in mensengedaante – om de demon Ravana te doden, of om te helpen het kwaad in de wereld te vernietigen? Om dit werk te doen zou hij één moeten worden met het aarde-beginsel, dat werd voorgesteld door Sita; en toen hij zijn taak had volbracht, had hij dit aarde-beginsel niet meer nodig, en daarom verliet hij haar.

GdeP – Dat zou één mystieke manier kunnen zijn om de legende uit te leggen. Een andere manier zou zijn om aan te nemen dat Sita de geestelijke kant van zijn wezen voorstelde, en een of meer van zijn geestelijke energieën. Maar om een bepaald werk in de wereld te doen, moest hij doelbewust zijn vrouw Sita, dat wil zeggen het hogere deel van zijn wezen, in de steek laten en naar de aarde afdalen, en zijn goddelijke thuis tijdelijk verlaten of vergeten.

Verklaringen hangen altijd af van de manier waarop de allegorie zich wendt of keert, en u moet uw conclusies in overeenstemming daarmee trekken. Sommige gelijkenissen van Jezus kunnen eveneens op verschillende manieren worden uitgelegd.

Zijn er nog meer vragen voordat we afsluiten?

Vr. – Kunt u iets zeggen over de zaad- en wortelmanu’s?

GdeP – In De Geheime Leer wordt heel wat over deze twee soorten manu’s gezegd. Er is een wortelmanu aan het begin van iedere evolutieperiode, of het nu een planeet, een planeetketen of een mensenras betreft. ‘Manu’ is een algemene term. Wanneer de term op mensen slaat, betekent deze de voortbrengers van een mensenras. Er is het wortelras aan het begin en er is ook het zaadras aan het einde. Het is duidelijk dat ieder zaad een wortel voortbrengt en elke wortel een zaad; dus of je nu de wortelmanu de eerste manu noemt en de zaadmanu de laatste manu, of deze namen omkeert, het komt allemaal op hetzelfde neer.

Maar laat ik het geval van een bol nemen, bijvoorbeeld onze eigen bol in zijn huidige vierde ronde. We kunnen zien dat de wortelmanu, die de mensheid voortbracht, het mensenras werd dat al zijn veelvoudige en veelsoortige stadia van evolutionaire vooruitgang doormaakt, en, wanneer het tenslotte de bol verlaat, een deel van zichzelf als de zaadmanu zal achterlaten. Maar eigenlijk is het even juist om over de eerste manu te spreken als de zaadmanu en over de laatste manu op de bol als de wortelmanu, die de wortel voor de volgende levensgolf levert als die naar deze bol terugkeert.

In de literatuur van de Adyar Society wordt tegenwoordig veel gezegd over ‘manu’s’. Mijn voornaamste bezwaar tegen hun denkbeelden daarover is dat de manu’s te veel worden verpersoonlijkt. Veel van hun schrijvers spreken over deze manu’s alsof ze alleen maar individuele entiteiten zijn; en hoewel dat idee in een erg algemene betekenis waar is, ongeveer zoals we kunnen zeggen dat ieder ras van de mensheid een entiteit is, is toch deze nadruk op het persoonlijke erg misleidend – zo misleidend dat het echt afwijkt van de lering in De Geheime Leer.

Vr. – Ik wilde vragen of sishta’s de zaadmanu’s zijn, of omgekeerd.

GdeP – Dat zijn ze.

Vr. – Heeft Vaivasvata-manu dan betrekking op het zaad?

GdeP – Ja, u kunt die de zaadmanu noemen. Maar Vaivasvata kan met recht ook de wortelmanu worden genoemd. De sishta’s zijn inderdaad de zaadmanu’s.

Vr. – Ik heb een vraag over de manasaputra’s. U zegt dat het onnauwkeurig is om over hun ‘neerdaling’ te spreken. Wanneer ze komen om het latente beginsel te doen ontvlammen zijn ze zelf, door als geestelijke ziel op te treden, in werkelijkheid bezig zich te ontwikkelen en te functioneren voor zichzelf, nietwaar? Is dat niet een nieuwe ervaring voor hen, zodat ze niet echt tijd verliezen?

GdeP – Nee, ze verliezen beslist geen tijd. Maar er zijn twee manieren om het werk of het functioneren van de manasaputra’s te beschouwen. U zou kunnen zeggen dat ze gedeeltelijk door hun edele daad om ‘neer te dalen’ goed karma verwerven. Maar aan de andere kant moeten we niet vergeten dat ze eigenlijk ook karmisch verplicht zijn om dit werk te verrichten.

Vr. – Is het geen nieuw werk voor hen? Hebben ze al eerder op die manier gefunctioneerd?

GdeP – In het huidige manvantara hebben ze niet twee keer zo gefunctioneerd. Een manasaputra functioneert op die manier gedurende één manvantara. Als het volgende manvantara aanbreekt en een nieuwe lichting manasaputra’s op het toneel verschijnt, zullen de oorspronkelijke manasaputra’s zich veel verder hebben ontwikkeld en goden zijn geworden. Er zijn echter bepaalde manasaputra’s die we ‘mislukten’ kunnen noemen, en deze zijn dhyan-chohans die aan het einde van een manvantara de klim naar goddelijkheid niet helemaal hebben volbracht; zij moeten terugkeren om in de nieuwe planeetketen van het volgende manvantara te werken.

Bij ons mensen gaat het in een school net zo. Er zijn leraren die leerlingen opleiden maar die tegelijkertijd zelf een postdoctorale opleiding volgen, en misschien bereiken ze niet het doel dat ze zich hebben gesteld. Als ze niet slagen moeten ze in het volgende schooljaar onderwijs blijven geven. Maar natuurlijk hebben ze het profijt gehad van hun ervaringen en studie. Intussen maken de leerlingen vorderingen, zullen hun diploma hebben gehaald en zijn misschien op hun beurt leraren of docenten geworden.

Het werk van de manasaputra’s is deels karmisch en wordt deels uit eigen beweging gedaan, dat wil zeggen uit eigen keuze, uit vrije wil. Zo is het eigenlijk ook in het gewone leven. Iedere keer dat we een edele daad verrichten, een daad van zelfvergetelheid waardoor anderen worden geholpen, is het karmisch alleen al door het feit dat we het doen. Maar we doen het toch uit eigen keuze en maken daardoor een beter karma voor de toekomst. Het karmische werk kan dus geen ‘tijdverlies’ worden genoemd, beslist niet. Dat zou onzinnig zijn.

Vr. – Ik dacht ook aan het voorbeeld van de moeder die iets van haarzelf, van haar gemoedsgesteldheid, aan het kind geeft. Ook zij doet ervaring op door het moederschap.

GdeP – Heel juist.

Vr. – Is het zoiets? Dan is het vooruitgang of evolutie voor de manasaputra’s.

GdeP – Ja het is evolutie. Ik zie dat u aarzelt bij de gedachte dat de manasaputra’s misschien wel ‘tijd verliezen’.

Vr. – Nou ja, het lijkt me dat ze zich zo vreselijk zouden vervelen.

GdeP – Heeft u zich wel eens verveeld?

Vr. – Ja zeker.

GdeP – Bij het doen van een goede daad?

Vr. – Ik weet niet of ik ooit zoiets heb gedaan.

GdeP – Ik weet zeker van wel. Ieder mens vindt zijn grootste vreugde in het doen van schitterende daden die tot nu toe sluimerende geestelijke eigenschappen tevoorschijn roepen. Toch is het precies zoals u terecht naar voren brengt: innerlijke geestelijke kracht en schoonheid zo van binnenuit tevoorschijn roepen is iets dat nooit verloren gaat. Het is feitelijk winst. Maar we doen het gedeeltelijk met onze wil, gedeeltelijk uit eigen verkiezing, en gedeeltelijk omdat het ons karma is om op die manier te kiezen.

Vrienden, ik vraag u om de bijeenkomst nu te sluiten.

[Het luiden van de gong. Stilte.]

We hebben een prachtige sfeer in deze bijeenkomsten. De geest van de meesters lijkt soms aanwezig te zijn – de ene keer meer dan de andere. Er heerst het gevoel van vrede, de sfeer van welwillendheid, van vriendelijkheid. Er is ongedwongenheid.

Welterusten allemaal.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 689-712

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag