28

Bijeenkomst op 24 februari 1931

 

GdeP – Wilt u alstublieft op de gong slaan. Ik ben nu gereed vragen te beantwoorden.

Vr. – Het was heel moeilijk mijn vraag mondeling te stellen, dus heb ik die opgeschreven.

In De Geheime Leer (2:257) staat:

Die ‘zonen van wijsheid’ [manasaputra’s of kumara’s] die hun incarnatie hadden ‘uitgesteld’ tot het vierde ras, dat (fysiologisch) al door zonde en onreinheid was besmet, brachten een verschrikkelijke oorzaak voort, waarvan het karmische gevolg nog steeds op hen drukt. . . .

Dit was de ‘val van de engelen’, als gevolg van hun opstand tegen de karmische wet.

Dan staat er verder (2:277-8):

. . . de Geheime Leer zegt dat de vuurdeva’s, de rudra’s en de kumara’s, de ‘maagd-engelen’, . . . de goddelijke ‘rebellen’ . . . de voorkeur gaven aan de vloek van incarnatie en de lange cyclussen van aards bestaan en wedergeboorten, boven het aanschouwen van de ellende (zelfs als deze onbewust is) van de wezens (die als schaduwen uit hun broeders werden ontwikkeld) door de half-passieve energie van hun al te geestelijke scheppers. . . . Hiervoor moesten zij hun natuurlijke positie opgeven en naar onze bol afdalen en daar tijdens de hele mahayuga-cyclus verblijven, en zo hun onpersoonlijke individualiteiten voor individuele persoonlijkheden verwisselen – de zaligheid van een siderisch bestaan voor de vloek van het aardse leven. Dit vrijwillige offer van de vurige engelen, die een natuur van kennis en liefde hadden, werd door de exoterische theologieën omgewerkt tot de bewering dat ‘de opstandige engelen uit de hemel werden geslingerd naar de duisternis van de hel’ . . .

HPB’s Theosophical Glossary beschrijft de manasa-dhyani’s als ‘de zonne-voorvaderen van de mens, zij die van de mens een denkend wezen maakten, door in de verstandeloze vormen van halfetherisch vlees van de mens van het derde ras te incarneren’.

En onder manasa: ‘De pitri’s zijn identiek met de kumara’s, de vairaja’s, de manasaputra’s (zonen van het denkvermogen), en worden tenslotte vereenzelvigd met de menselijke ‘ego’s.’

Deze beide passages gaven me het idee dat de manasaputra’s en onze hogere ego’s een en dezelfde waren.

Wilt u dit alstublieft verduidelijken? Ik ben toch wat in verwarring geraakt.

GdeP – Het is niet te verwonderen dat u in verwarring zou zijn geraakt. Ik heb me vaak afgevraagd waarom zo velen van u in uw vragen raken aan de meest diepzinnige problemen van onze filosofie. Uw denken schijnt ernaar uit te gaan. Kan het zijn dat er in uw denken en in uw hart een instinct werkt dat feitelijk een intuïtie is?

Als ik het me goed herinner heeft u eerder gevraagd of de manasaputra’s (soms manasa-dhyani’s of zonne-deva’s genoemd, of de rudra’s en vairaja’s, de zonen van de vlam of de zonne-lha’s) dezelfde waren als onze ego’s, en het antwoord is duidelijk: nee, dat zijn ze niet. Toch worden ze ‘vereenzelvigd’ met onze ego’s. Dit mag zeer vreemd klinken. Het is een van de paradoxen die we zo vaak in onze studies tegenkomen. Bedenk dat een paradox geen tegenspraak inhoudt. Een paradox is een vaststelling van twee feiten of twee kanten van een vraagstuk, twee aspecten van een probleem, die elkaar aanvullen of steunen, maar die, wanneer ze aldus naast elkaar worden geplaatst, voor wie niet alle details ervan kent, elkaar schijnbaar tegenspreken.

De constitutie van de mens is samengesteld uit een aantal elementen. De mens is een samengesteld wezen, niet een onverbrekelijke eenheid. Hij bestaat uit verschillende elementen of beginselen; daarom is hij niet een enkelvoudige eenheid, maar tenminste een zevenvoudige entiteit. De zeven delen van zijn constitutie bestaan uit elementen of beginselen die zijn afgeleid van de zevenvoudige elementen of beginselen van het zonnestelsel. De mens heeft een zonne-element en een maan-element, en ook een Mars-, een Saturnus-, een Jupiter-, een Mercurius-, een Venus- en een aarde-element. Al deze elementen of element-beginselen of beginsel-elementen vormen, als ze door karmische lotsbestemming worden samengebracht, de mens. De mens wordt ‘mens’ genoemd want in de tegenwoordige fase van zijn evolutie is zijn bewustzijn geconcentreerd in wat het manasa-deel van zijn constitutie wordt genoemd. Dit manasa-deel is het lagere deel van de essentiële eigenschappen van de zonne-deva’s, ook manasaputra’s of vairaja’s genoemd.

De mens is nog niet zelfbewust in het hogere manasische deel van zijn constitutie, dat wanneer het is geëvolueerd hem tot een manasaputra, een manasa-dhyani, een zonne-deva zal maken. Hij zal dan in het zonnedeel van zijn constitutie functioneren. Het lagere deel van zijn manas noemen we het maan-deel en dit deel kwam van de maan. Het zonnedeel in onze constitutie is nog niet tot volledig zelfbewustzijn ontwaakt; maar we beginnen bekend te worden met dit hogere ik in ons, al zijn we het nog niet zelfbewust geworden.

De manasaputra’s – of het zonne-element in onze constitutie – zijn gevorderde of geëvolueerde ego’s uit een eerder manvantara, die het manasaputrische dhyan-chohanschap bereikten toen de maanketen in pralaya ging. Toen voor de aardketen de tijd aanbrak om aan zijn evolutionaire vooruitgang als keten te beginnen, wachtten deze manasa-dhyani’s, die in essentie zonnegoden zijn, al kwamen ze van de maanketen, op hun eigen gebieden tot de omstandigheden op de aardketen geschikt waren om zich te manifesteren. Als leden van de kosmische orde van buddhisch mededogen kregen ze toen de kans om de mensheid van het derde wortelras op deze vierde bol in deze vierde ronde te doen ontwaken. Het is daarom duidelijk dat deze manasa-dhyani’s – gevorderde en geëvolueerde ego’s of individualiteiten uit een eerder manvantara – niet ons mensen zijn, en toch hebben ze zich met ons vereenzelvigd omdat ze ons deden ontwaken. Ze wekten ons eigen latente manasische zelfbewustzijn tot activiteit. Ze verwarmden of inspireerden ons met hun eigen manasische stralen. Ze ontstaken het vuur van onze egoïteit, zorgden dat deze actief ging functioneren. Hoewel iedere mens nu alleen in zijn lagere manas volledig zelfbewust is, werkt de straal uit zijn individuele manasaputrische verlosser, die het vuur van het denken heeft ontstoken, met zijn eigen glans nog op hem in en door hem heen.

Deze manasaputra’s zijn niet onze menselijke ego’s die de delen van ons zijn die werden gewekt om zelfbewust te gaan functioneren. Niettemin is er in ieder mens een levendige straal afkomstig van de manasaputra die zijn slapende ego deed ontvlammen en ontwaken. Daarom zijn de manasaputra’s tegelijkertijd ‘wij’ en niet wij. Ze zijn ‘wij’ omdat we ons nog baden in hun spirituele vlam, maar niet ‘wij’ aangezien wij onszelf zijn. Ieder van ons is zijn eigen menselijke ego.

Evenzo zullen wij mensen, wanneer onze eigen aardketen het einde van zijn zevende ronde, het einde van zijn aarde-manvantara, zal hebben bereikt, manasaputrische dhyan-chohans worden, als we de evolutieweg met succes afleggen. Dan zullen wij op onze beurt manasaputra’s zijn, omdat we dan het volle manasaputrische of zonne-element in ons zullen hebben wakker geroepen. En het zal onze taak zijn om op de planeetketen die het kind zal zijn van deze aardketen, de menigten levens die nu achter ons aankomen te overschaduwen en het goddelijke vuur van zelfbewustzijn in hen te doen ontvlammen. Die menigten zullen de mensheid van die toekomstige planeetketen zijn. Ik heb het hier in het bijzonder over wat wij nu de dieren noemen, al de menigten dieren.

Ik zal proberen u wat duidelijker te maken wat er gebeurde bij de ‘neerdaling’ van de manasaputra’s in het derde wortelras in deze vierde ronde op deze bol. Kijk eens naar een dier, een paard of hond waar u veel van houdt: het is voor een mens heel goed mogelijk als men de magie ervan beheerst om een straal uit zijn eigen zelfbewustzijn te incarneren of te belichamen in het dier, een straal uit zichzelf te zenden naar het denkvermogen van het dier en dat op die manier te doen ontvlammen, het te stimuleren, tot leven te brengen, op te wekken en zo de eigen sluimerende vermogens van het dier voort te brengen – ongeveer zoals vuur uw lichaam verwarmt door de trillingen van de moleculen ervan te versnellen en de natuurlijke latente warmte ervan naar buiten te brengen.

Natuurlijk zou dat nu een daad van zwarte en niet van witte magie zijn, want de dieren zijn nog niet gereed de manasaputrische incarnatie te ontvangen. Ik gebruik deze illustratie alleen om u tot op zekere hoogte te laten zien wat er in het derde wortelras gebeurde. Indien iemand van u iets dergelijks met uw lievelingsdier zou doen, dan zou u bijna hetzelfde doen wat een manasa-dhyani voor ieder van u als individu in het derde wortelras heeft gedaan.

Vergeet echter niet dat er een groot verschil is: het is een analogie, een illustratie, en niet een identieke reeks omstandigheden. De mensheid bestond ook tijdens het derde wortelras niet uit dieren. De mens is vanaf het begin mens geweest. Dit is een belangrijk onderscheid dat u niet uit het oog moet verliezen. Toch zal dit voorbeeld u iets laten zien van de modus operandi, hoe het gebeurt. Het maakt duidelijk dat de geprojecteerde manasaputrische straal niet het gestimuleerde, tot leven gewekte, ontwaakte, pas tot aanzijn gebrachte ego is van het geliefde dier, maar uzelf. Toch is het in zekere zin ook het dier-ego, omdat het, aldus ontwaakt en tot leven gebracht, zich koestert in de spirituele luister van uw zelfbewustzijn, en aan dat geestelijke zelfbewustzijn zijn bezielende verstandelijke leven ontleent.

In de geschiedenis van de geestelijke en psychische ontwikkeling van de mensheid komt karmisch een moment dat door de evolutie deze daad van zelfopoffering van de manasa-dhyani’s wordt vereist, en het wordt de plicht van de manasaputra’s dat te doen. In de literatuur van de oudheid wordt over deze daad gesproken als de tijd van de incarnatie van de goden in mensen, toen de goden vrijelijk met de mensen omgingen. Hieraan is niets verwonderlijks of vreemds. Precies hetzelfde gebeurt ook nu nog, maar op een andere manier, via een andere weg.

Als een kind naar school gaat, wordt zijn denken gewekt door de leraar. De leraar roept de slapende vermogens van het kind wakker, brengt zijn verstandelijke en psychische krachten tot ontwikkeling. Hij doet het door vriendschappelijke omgang, door onderwijs te geven, door zijn voorbeeld, door een beroep op het kind te doen. Hier gebeurt hetzelfde, maar op een veel kleinere schaal. Op exact dezelfde wijze beïnvloeden we elkaar, reageren we op elkaar. Let er eens op hoe kinderen alles nadoen, hoe ze hun ouders, docenten en leraren imiteren.

Er is nog een les die we uit dit feit kunnen trekken; we zouden namelijk grote zorg moeten besteden aan de keuze van de juiste leraren voor onze kleinen. De invloed van een slechte leraar kan voor het zich ontwikkelende denken van het kind funest zijn.

In enkele geschriften uit de oudheid wordt op verschillende manieren naar deze algemene regel van de natuur verwezen. Enkele spreken over het ‘doorgeven van het licht’, andere van het ‘overdragen van kennis’. Inwijding is precies hetzelfde maar onder bijzondere omstandigheden. De inwijder wekt het hogere of spirituele ego op in de initiant, brengt hem tot een tweede geboorte, een nieuwe geboorte – die van het hogere ego; hij brengt de aangeboren vermogens en krachten van het hogere ego naar buiten, en op die manier maakt hij hem tijdelijk tot een halfgod, een quasi-god.

Wat er plaatsvond bij de neerdaling van de manasaputra’s gedurende het derde wortelras is eenvoudig een groots voorbeeld, een voorbeeld in het groot, van wat er in deze tijd bij ieder individueel mens gebeurt wanneer hij van een kind een volwassene wordt. De regel is dezelfde: het opwekken van latente vermogens, het doen ontvlammen van tot nu toe sluimerende krachten.

Zo wordt het duidelijk dat deze manasaputra’s die tot de orde van buddhisch mededogen behoren – zoals wij dat als chela’s ook doen – hun werk deden als een daad van mededogen. In hun geval betrof het een zelfopoffering omdat bij hen de daad volkomen was. Zij incarneerden letterlijk in de sluimerende mensheid van het derde wortelras, maakten haar wakker, stimuleerden haar intellect en maakten de tot dan toe quasi-onbewuste, verstandelijk slapende mens tot een werkelijke mens. Daarom zeg ik dat ook nu de manasaputra van ieder individu hem overschaduwt. U kunt het niet het ‘hogere ego’ noemen, want dat is een essentieel deel van ieder van u, hoewel nog niet ontwaakt, maar het zal ontwaken naarmate de evolutie in de toekomst haar werk zal doen. Daarom zeg ik nog eens: in één opzicht zijn de manasaputra’s wij; in een ander opzicht zijn ze niet wij. De manasaputra’s worden met onze ego’s vereenzelvigd omdat ze onze ego’s voortbrachten, maar in werkelijkheid zijn ze zelf niet onze ego’s.

Laten we, om dit te verduidelijken, nog eens het dier als voorbeeld nemen. Het dier heeft alles in zich wat u in u heeft. Het paard, de hond, de giraffe, de olifant, de neushoorn, de haan – elk dier heeft alles in zich wat u in u heeft. Maar de hogere vermogens zijn nog niet ontwaakt, ze zijn nog niet zelfbewust geworden, het vuur ervan is nog niet ontstoken. Er is in ieder van u een manasa-dhyani, een manasaputra, naast de manasaputra die u als een individu deed ontwaken. Maar u heeft deze essentiële innerlijke manasaputra nog niet zelf tot ontwikkeling gebracht, en u bent nog niet dit hogere deel van uw ego-bewustzijn geworden.

Vr. – Is de goddelijke monade in de constitutie van de mens synoniem met de innerlijke god, of is ze een andere entiteit?

GdeP – Nee, het is de innerlijke god. Maar verwar die niet met de goddelijke monade van de manasaputra die u deed ontwaken.

Vr. – U heeft gezegd dat de tegenwoordige dieren in het volgende manvantara mensen worden. Natuurlijk moet de dierlijke monade in onze tegenwoordige constitutie ook daartoe behoren.

GdeP – Bedoelt u de dierlijke monade in de constitutie van ieder mens, of de dierlijke monade van de dieren?

Vr. – De dierlijke monade in de constitutie van de mens.

GdeP – Dan is mijn antwoord: nee. Ik had het over de dierlijke monaden van de dieren.

Vr. – Ik vroeg me af of u het ook had over wat ik zei.

GdeP – Nee, ik had het niet daarover.

Vr. – Er is nog iets anders waarover ik veel heb nagedacht. De manasaputra heeft de verantwoordelijkheid voor ons op zich genomen, en uit uw verklaring begrijp ik volkomen waarom. Maar tussen de incarnaties zorgen de spirituele monaden voor ons, en een maand geleden zei u ons dat de spirituele monaden niet dezelfde zijn als de manasaputra’s. Ik kan niet goed begrijpen hoe dat zit, en ik vroeg me af of de spirituele monaden samen met ons in de tijd tussen de incarnaties de buitenronden doorlopen.

GdeP – Pardon, mag ik u in de rede vallen opdat er hier geen verwarring ontstaat? Heeft u wel goed begrepen wat ik heb gezegd, als u zegt dat ik zei dat de spirituele monaden niet onze manasaputra’s waren?

Vr. – Ik vroeg dat vier weken geleden, en ik begreep eruit dat ze dat niet waren.

GdeP – Hier is weer dezelfde verwarring. Welke manasaputra’s bedoelt u? Hij die in ons sluimert of hij die ons denken deed ontwaken?

Vr. – Hij die ons denken deed ontwaken.

GdeP – Ze zijn heel verschillend.

Vr. – Maar, naar ik begrijp, slapen we tussen de incarnaties in de schoot van de spirituele monade.

GdeP – De menselijke monade slaapt in de tijd tussen de incarnaties in de schoot van de eigen spirituele monade van het individu.

Vr. – De spirituele monade – die een andere entiteit is en niet de ons stimulerende manasaputra – zorgt dus voor ons tussen de incarnaties. En de manasaputra die ons deed ontwaken zorgt voor ons tijdens de incarnatie. Is dat juist?

GdeP – Vanuit een bepaald gezichtspunt is dat helemaal juist. Wat u de spirituele monade noemt is in feite de eigen manasaputra van het individu. Maar het is niet de manasaputra die de intellectuele krachten in het individu stimuleerde of opwekte.

Vr. – Is de manasaputra die ons denken deed ontwaken onze ouder-ster?

GdeP – Nee. De ouder-ster van ieder individu is de bron van het goddelijk-spirituele deel van zijn constitutie. De manasaputra die ons denken deed ontwaken is een andere entiteit, een andere individualiteit die zijn eigen ouder-ster heeft – misschien dezelfde ouder-ster.

Vr. – Bestaat er dan een andere betrekking tussen de manasaputra en ons?

GdeP – Als u over de manasaputra spreekt, bedoelt u dan die entiteiten die zich opofferden om de mens te helpen zijn intellect te doen ontwaken?

Vr. – Ja.

GdeP – De betrekking is karmisch. Ik zou bijvoorbeeld kunnen vragen: Welke betrekking bestaat er tussen u en mij? We zijn vrienden, we zouden veel voor elkaar doen. We zouden elkaar tot het einde toe helpen. Door die vriendschap ontstaan karmische banden die ons in spirituele zin de hele tijd dichter tot elkaar zullen brengen. Neem nu dezelfde gedachte en volg in uw denken de evolutie van een niet-zelfbewuste godsvonk door de eonen heen. Hij vormt banden of schakels, karmische banden, met andere godsvonken die verder of minder ver gevorderd zijn dan hijzelf. Zij werken op elkaar in en reageren op elkaar, en de verder gevorderde godsvonk heeft een karmische verantwoordelijkheid ten opzichte van de minder ver gevorderde godsvonken. De betrekking komt nauw overeen met de betrekking die bestaat tussen ons mensen en de dieren die achter ons aan komen. De mensheid heeft de dieren gewoonlijk afschuwelijk, schandelijk behandeld, zodat deze behandeling door de eeuwen heen gestaag heel nauwe karmische banden heeft gevormd en nog steeds vormt. En de mensheid zal, als de tijd ervoor rijp is, de reactie van deze karmische banden ondervinden, waardoor ze ertoe zal worden gedreven of aangetrokken om de dieren te helpen. Deze betrekking bestaat uit karmische banden die in vroegere manvantara’s zijn ontstaan.

Vr. – Als wij manasaputra’s zijn geworden, zullen de manasaputra’s die ons hebben doen ontwaken zich dan terugtrekken?

GdeP – Nee, tegen die tijd zullen ze vorderingen hebben gemaakt en goden zijn geworden – volledig ontwikkelde goden. Ze zullen dan onze goddelijke gidsen zijn. Wij als manasaputra’s zullen nog steeds tegen hen opzien als goden, zoals wij mensen nu onbewust de manasaputra-gidsen die ons deden ontwaken als goden beschouwen.

Vr. – Kunt u ons zeggen wat er na onze dood gebeurt met de manasaputra’s die kwamen om onze manasaputra’s wakker te roepen? Ze moeten ongetwijfeld een andere weg volgen dan de onze?

GdeP – Bedoelt u nadat ons fysieke lichaam sterft?

Vr. – Ja.

GdeP – De manasaputra’s die ons tijdens het derde wortelras deden ontwaken, deden dat op grond van de zojuist genoemde karmische banden. Deze kunnen bij de dood van het fysieke lichaam niet worden verbroken en daarna ophouden te bestaan. Ook wordt iedere nieuwe handeling een nieuwe oorzaak, zodat de karmische banden door de eeuwen heen blijven veranderen. Dus, wanneer zo’n onbetekenende gebeurtenis als de dood van het menselijk lichaam plaatsvindt – onbetekenend vanuit het gezichtspunt van de bezielende manasaputra – heeft dit geen enkele invloed op de bezielende manasaputra – noch op zijn banden met het ego dat hij nog altijd overschaduwt, en tot op zekere hoogte leidt en stimuleert. Deze banden blijven gedurende de devachanische periode bestaan, gedurende de volgende incarnatie, en zo verder door de eeuwen heen. Als u een ogenblik nadenkt, zult u begrijpen dat als de karmische banden volledig konden worden verbroken, er in het heelal geen samenhang zou kunnen zijn. Het wordt bijeengehouden door karmische banden die tussen alle delen ervan, hoge en lage, bestaan.

Vr. – Ik dacht dat de manasaputra tussen de incarnaties in misschien een andere weg moest gaan.

GdeP – De manasaputra die ons deed ontwaken ontwikkelt zich in zijn eigen hoge sfeer evenals wij hier evolueren. In veel gevallen, misschien in de meeste gevallen, is de manasaputra die een mens deed ontwaken, zich op dit moment nauwelijks bewust dat hij de leidende genius van een mens is. Nogmaals, het menselijk lichaam bestaat uit atomen, uit niet-zelfbewuste godsvonken. Deze atomen worden in het lichaam bijeengehouden door het hen allen omvattende en doordringende leven van de mens. Deze atomen zijn bovendien zijn kinderen, zijn nakomelingen, delen van zijn eigen essentie, en worden in elk nieuw leven weer tot hem aangetrokken. Hoewel deze atomen, wanneer het lichaam sterft, hun vele verschillende omzwervingen maken door alle rijken heen, zijn ze niettemin steeds doordrongen van een geheimzinnige aantrekking tot elkaar, omdat ze allen uit dezelfde bron komen, uit dezelfde bron van leven die ontspringt aan het hart van de mens van wie zij nu het lichaam vormen. Deze atomen zijn als een stroom van leven. Ze behoren allen tot één levensstroom.

De manasaputra die ons deed ontwaken ontwikkelt zich voortdurend op zijn eigen verheven gebied. Hij heeft zijn lotsbestemming zoals wij de onze hebben. Het feit dat hij ons doet ontwaken is slechts een kortstondig moment in zijn karmische loopbaan.

Het spreken over de ‘neerdaling’ van de monaden, of zelfs van de manasaputra’s, is juist als beeldspraak, maar deze ‘neerdaling’ moet niet worden opgevat als een werkelijke val door de ruimte en het binnentreden van een menselijk lichaam. Dat wordt niet bedoeld en zo gebeurt het ook niet. Het wordt een ‘neerdaling’ genoemd omdat het een neerdaling of verandering is van een hoge staat naar een lagere. Het is enigszins te vergelijken met een mens die gedeeltelijk zou moeten incarneren in een dierenlichaam om die dier-entiteit een beetje zelfbewustzijn te geven; hij zou dan intussen al of niet met zijn gewone werkzaamheden kunnen verdergaan. Zo’n daad van psychische magie zou geen ‘neerdaling’ of ‘val’ zijn door de fysieke ruimte en het binnentreden van een dierenlichaam, maar een ‘neerdaling’ in de betekenis van het verwisselen van een meer verheven graad voor een lagere graad.

Vr. – Als u zegt dat de manasaputra’s ons deden ontwaken, wat bedoelt u dan met ‘ons’?

GdeP – Ik dacht dat ik dat duidelijk had gemaakt. Ik bedoel de onontwikkelde mens, of mensheid, van het derde wortelras in deze vierde ronde op deze aarde. Die toen onvolkomen ontwikkelde of geëvolueerde mensen waren geen dieren. Fysiek gesproken waren ze psychoastrale lichamen, ontwikkeld door de laagste klasse van maanpitri’s die wèl een bezield lichaam konden opbouwen, met een zekere lage graad van psychische energie, met fysieke erfelijkheid, enz.; maar deze maanpitri’s konden die onvolkomen ontwikkelde wezens geen denkvermogen geven, omdat ze die zelf niet bezaten. Het denkvermogen was niet ontwikkeld. Het was er wel, maar niet ontwaakt, latent. Het was er niet zelfbewust. Daarom leefden die mensen van het vroege derde ras als het ware in een trance, een dagdroom, bijna zoals een klein kind bij ons leeft gedurende een jaar, of langer, na zijn geboorte. Het menselijk kind is geen dier. Het heeft een menselijk fysiek lichaam. Maar het heeft nog geen zelfbewust denkvermogen. Wel zijn er de kiemen van het denken, maar het denkvermogen is nog niet voortgebracht, nog niet ontwaakt, het slaapt nog. Langzaam, naarmate de dagen en maanden en jaren verstrijken, zal de oplettende moeder in de ogen van het kind de vonk van intelligentie zien verschijnen. Zelfs zijn handelingen worden anders.

Het ging precies zo in het eerste deel van het derde wortelras, toen de mensen als het ware in een trance, in een dagdroom, leefden. Ze groeiden op van kind tot volwassene en stierven toen, maar verkeerden geheel in een staat van verdoving; hun hele leven lang verkeerden ze in een kinderlijke staat. Ook nu zijn er veel mensen die ongeveer op die manier leven. Ze zijn nog niet werkelijk volkomen ontwaakt. Natuurlijk is het helemaal waar dat ze nu veel verder zijn ontwikkeld dan de mensen van het derde wortelras toen waren, maar toch zijn die mensen van nu over wie ik spreek psychisch, mentaal, moreel en spiritueel nog maar onvolkomen ontwikkeld. Ze zijn niet werkelijk ontwaakt. Het werk van de manasaputra’s werd, wat deze individuen betreft, veel later in de menselijke evolutie volbracht, misschien zelfs pas in het vierde wortelras. Dit zijn voorbeelden van gevallen waarin enkele manasaputra’s – zoals u in De Geheime Leer van HPB kunt lezen – hun werk van mededogen tot een veel latere tijd uitstelden dan anderen.

Vr. – De Geheime Leer zegt over de lagere rijken, het dierenrijk bijvoorbeeld, dat ze zijn gemaakt van de afgeworpen ‘huid’ van de vroege mensheden.

GdeP – Dat is in essentie heel juist.

Vr. – Zijn de rijken daardoor niet onafscheidelijk van ons, zodat de karmische band ontstaat die van ons eist dat wij hen aanvuren of stimuleren wanneer wij op onze beurt ons verheffen tot het gebied van de manasaputra’s?

GdeP – U heeft de gedachte precies begrepen. Wij en zij zijn allen met elkaar verbonden. Geen enkele entiteit kan alleen voor zichzelf leven. We helpen elkaar en we doen elkaar pijn of we willen of niet. Het is onze plicht elkaar doelgericht en welbewust te helpen, in plaats van elkaar met opzet pijn te doen. Dit is het verschil tussen de edele mens en hij die dat niet is.

De dieren, tenminste de zoogdieren, de hogere dierklassen, zijn been van ons been, vlees van ons vlees, bloed van ons bloed, omdat ze oorspronkelijk van ons afstammen. Wij waren geen dieren, maar zij werden uit ons geboren – lagere entiteiten die door de mensheid grotendeels tijdens het tweede en derde wortelras werden afgeworpen. In andere lezingen heb ik geprobeerd dit mysterie te verklaren en u kunt een min of meer duidelijke uiteenzetting ervan vinden in mijn boek Mens en Evolutie.

Vr. – Als ik het me goed herinner heeft u in een eerdere lezing gezegd dat de dieren een klasse van elementalen waren. Zijn ze nu verder ontwikkeld, en hebben ze daarom dit gebied bereikt, of bevinden ze zich om een andere reden, door een andere oorzaak, op dit gebied?

GdeP – De dieren, bedoelt u?

Vr. – Ja. Uit wat men leest of wat men hoort over het elementalenrijk krijgt men de indruk dat de dieren niet in het evolutiestadium verkeren waarin enkele bewoners van het elementalenrijk zich bevinden. Enkele elementalen zijn werkelijk vijandig, andere zijn vriendelijk van aard; en veel entiteiten uit het dierenrijk schijnen niet zo ver ontwikkeld te zijn.

GdeP – U spreekt over het ‘elementalenrijk’, maar vergeet niet dat het elementale levensgebied verdeeld is in drie duidelijk gescheiden rijken: het eerste of minst ontwikkelde, dan het tussenliggende, daarna het meest ontwikkelde. Deze drie elementalenrijken kunnen zelf weer worden onderverdeeld in tenminste zeven onderafdelingen voor elk rijk. Waarschijnlijk zijn er tien of twaalf onderafdelingen voor elk rijk. Dus zijn er eenentwintig, of misschien dertig of zesendertig verschillende klassen of families of groepen van elementale wezens, van de minst ontwikkelde tot de zeer hoog ontwikkelde. Iedere entiteit in het heelal, hoog, laag of daartussenin, gaat in een bepaald stadium van haar loopbaan door het stadium van een elementaal. Wij mensen waren eens elementalen en zijn door alle drie elementalenrijken heengegaan. Dat deden de goden ook. Iedere niet-zelfbewuste godsvonk wordt op een bepaald moment van zijn evolutie een elementaal.

De term ‘elementaal’ moet in zijn strikt etymologische betekenis worden opgevat als het ‘element’ van een entiteit die in de toekomst een ontwikkeld zelfbewustzijn zal verkrijgen, wanneer dat ‘element’ of dat elementaal door ontplooiing, door zich te ontvouwen, vanuit zichzelf tevoorschijn zal hebben gebracht wat er in hem besloten ligt. Met andere woorden de godsvonk zal in de loop van de eeuwen langzaam zijn latente krachten en vermogens ontvouwen.

Alle dieren, van het kleinste micro-organisme tot de mensaap, zijn elementalen. De mensaap staat op de drempel van het mensenrijk. De mensaap is de hoogste klasse van belichaamde elementalen op deze aarde. Enkele van de dieren staan laag op de schaal van elementale levens. Zo kunnen we ons de elementalen voorstellen als een doorlopende reeks van entiteiten.

Laten we nu de elementalen vanuit een ander gezichtspunt beschouwen. Er zijn spirituele en minder spirituele elementalen. Er zijn etherische elementalen. Ook zijn er astrale elementalen die tot de astrale wereld behoren, waarvan sommige klassen stoffelijker zijn dan andere. Met andere woorden, de elementalen omvatten een uitgestrekt gebied van wezens, en ze worden zo genoemd omdat ze nieuw zijn op dit kosmische gebied of op deze reeks van kosmische gebieden. Ze leven en werken in de elementen van dit kosmische gebied.

Laten we nu een grote sprong vooruit maken. Wanneer wij mensen in onze huidige kosmos of dit heelal met zijn zeven kosmische gebieden volledig ontwikkelde goden zijn geworden, en wanneer we ons dan gereedmaken om ons huidige heelal te verlaten om naar een hoger heelal te gaan, dan zullen we de zevenvoudige gebieden in dat hogere universum als elementale wezens binnengaan, hoewel we in dit heelal de status van goden zullen hebben bereikt.

Zo ziet u nog eens waarom we spreken over de ‘godsvonk’ in het hart van iedere entiteit die aan haar evolutionaire pelgrimstocht begint. Ieder kosmisch levensgebied, of ieder heelal, houdt een nieuw en verbazingwekkend avontuur in voor de entiteiten die het betreden. Ze beginnen natuurlijk bij het begin, gaan door alle evolutionaire ervaringen in dat nieuwe heelal, en verlaten het uiteindelijk als volledig ontwikkelde goden – alleen voor dat heelal – om aan een nieuwe reeks ervaringen in een nog verhevener heelal te beginnen.

De dieren zijn elementalen, maar er zijn verschillende soorten dieren. Sommige dieren zijn veel verder ontwikkeld dan andere. Er zijn ook bepaalde elementalen die in dit manvantara van onze planeetketen zich nooit in dierenlichamen zullen hullen, omdat ze daarvoor nog niet gereed zijn. Alle dieren die er nu zijn, wat hetzelfde is als te zeggen alle dieren die in het verleden hebben bestaan, zijn op weg om mensen te worden – niet overeenkomstig de theorie van Darwin, maar omdat ze langzaam van binnenuit hun latente of sluimerende spirituele en intellectuele krachten en vermogens tot ontwikkeling zullen brengen. Ze zijn dus onvermijdelijk bestemd om het mensstadium te doorlopen, om het menselijke niveau te bereiken.

De elementalen in hun drie rijken of, wat op hetzelfde neerkomt, in hun eenentwintig of zesendertig klassen, hebben vele soorten gedaanten of vormen of lichamen: enkele zijn heel spiritueel, bijna ‘arupa’ – vormloos; andere zijn beslist ‘rupa’ – dat wil zeggen, ze hebben een vorm. Enkele zijn spiritueel, andere etherisch of astraal. De elementalen doorlopen alle de respectieve verschillende stadia van hun evolutiereis, zoals ook wij mensen dat doen. Enkele elementalen van de hoogste klassen hebben een menselijke vorm of gedaante, of tenminste quasi-menselijk. Als u hen kon zien, zou u misschien denken dat ze etherische mensen waren met een nogal vreemde vorm; en toch zou u moeten nadenken vóór u zich een mening kunt vormen, omdat er iets vreemds aan hen schijnt te zijn. Voor u zouden ze iets eigenaardigs hebben. U zou zeggen: ‘Ze lijken beslist op een mens, maar ze zijn toch geen mensen. Ze hebben een quasi-menselijke vorm. Het is duidelijk dat ze de mens imiteren. Mensen hebben kennelijk een sterke invloed op hen zodat ze automatisch en duidelijk iets van een menselijke vorm en gedaante aannemen – maar toch zijn ze geen mensen.

Hierop zinspeelden de middeleeuwse mystici in Europa toen ze spraken over de vier grote klassen van onontwikkelde wezens die ze kabouters, undinen, salamanders en sylfen noemden – respectievelijk elementalen van de kosmische elementen ‘aarde’, ‘water’, ‘vuur’ en ‘lucht’. Dit waren natuurlijk maar namen. Maar alle elementalen van welke klasse of welk type ook zijn op weg om mensen te worden. Om mensen te worden moeten ze eerst het dierstadium doormaken. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs de dieren die we nu kennen, maar het betekent de evolutiestadia die overeenkomen met die van het dierstadium bij ons. Dit is een stadium lager dan zelfbewustzijn, of het menselijke stadium.

De wereld is vol levens. Er zijn elementalen in de lucht die we inademen, in onze bloedstroom, in onze hersenstof. Elementalen geven vorm aan de baby in de moederschoot. Door elementalen groeit ons fysieke lichaam. Ze volgen instinctmatig, automatisch, de fundamentele wetten van de natuur, en de mens maakt onbewust gebruik van hen. Door elementalen bereiden we ons voedsel. Elementalen drijven onze elektrische trams en auto’s aan. Elementalen geven ons de energie waarmee we onze armen, benen of ogen kunnen bewegen. Door elementalen in ons kan ons hart kloppen.

Ieder van die elementalen begon als een niet-zelfbewuste godsvonk, en is nu op weg een mens te worden, en doorloopt het stadium van een dier, of een stadium dat is te vergelijken met dat van een dier. Ieder elementaal zal uiteindelijk tot volle wasdom komen als een volledig ontwikkelde god, een godheid – groots, schitterend, het meest volmaakte dat de natuur heeft voortgebracht – om daarna echter in een nieuwe kosmische wereld of reeks van werelden te beginnen aan een nieuwe reeks prachtige avonturen, maar veel verhevener dan die welke hij het laatst heeft doorlopen.

Vr. – Zijn deze elementalen dan de instrumenten van karma?

GdeP – Dat zijn ze; alles is een instrument van karma. Maar denk niet dat karma een abstracte wet of entiteit is die buiten ons staat. Karma is al wat is. Wat er ook bestaat, is karmisch – het zijn karmische gevolgen.

Vr. – Kunt u iets zeggen over de manier waarop de wet van karma werkt? Als iemand een bepaalde handeling verricht, zijn er dan elementalen of geesten of een of ander soort wezens die het gevolg tot stand brengen?

GdeP – De elementalen doen dat. Mensen doen dat. De goden doen dat. Laat ik u vertellen wat karma werkelijk is. Vanuit een bepaald standpunt zijn het gevolgen, resultaten – dat wil zeggen, het resultaat van een energie, het effect van een kracht. De oorzaak wordt dus gelegd door een handelende entiteit, die handelt vanuit krachten die inherent aan haar zijn. Ze handelt vanuit en door zichzelf. De omringende natuur, die bestaat uit andere entiteiten, reageert dan ogenblikkelijk. De handeling is de oorzaak, de reactie is het gevolg. De entiteit reageert op de reactie en schept dus een tweede oorzaak. De omringende natuur reageert dan op de tweede handeling. En zo gaat het voort. Karma is met andere woorden de vereffening tussen actie en reactie: de actie die door en in een entiteit ontstaat, en de reactie die ligt besloten in de omringende levens die op die handeling reageren. Dat is alles. Er bestaat geen karma los van entiteiten.

Maak dus niet de fout om te denken dat karma iets is dat los van ons bestaat. Dat is niet het geval. Zoiets bestaat niet. Veel mensen nemen bijvoorbeeld aan dat de zwaartekracht een soort natuurwet is waaraan de dingen zijn onderworpen. Dat is niet zo. Zwaartekracht is niets anders dan de werking van aantrekkingskrachten die inherent zijn aan handelende entiteiten. Er bestaan geen ‘natuurwetten’ los van handelende entiteiten. De handelende entiteit brengt karma voort. In laatste analyse is karma dus de entiteit zelf.

Vr. – In De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett wordt gezegd dat er nog enkele avatara’s op aarde zijn. Kunt u daar enig licht op werpen?

GdeP – Het betreft een algemene verwijzing naar avatara’s en niet naar specifieke gevallen van avatara’s, zoals Jezus of Sankaracharya, of zelfs Gautama de Boeddha, die een avatara van een bepaald type was. In De Mahatma Brieven werd bedoeld dat bepaalde menselijke individuen zelfs nu, hoewel de mensheid in de stof is verzonken, toch tot een meer of minder zelfbewuste vereniging zijn gekomen met de innerlijke god, en dus avatara’s zijn geworden van die innerlijke god. De meesters zelf zijn zulke avatara’s. Als het woord echter zonder een beperkend bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt, betekent avatara wat ik u al bij verschillende gelegenheden heb gezegd.

Vr. – U zei op een van deze bijeenkomsten dat er mensen op bol A van de aardketen waren, of beter gezegd die daar waren toen wij daar aankwamen, die we nu meesters en boeddha’s noemen. Ik zou willen vragen wie ze waren, waar ze vandaan kwamen, en of wat ze zijn verband houdt met de ‘periode van keuze’ in de vijfde ronde – natuurlijk bedoel ik de vijfde ronde op de maanketen?

GdeP – Ja, dat is zo. De individuen waar u op doelt en die het menszijn op bol A of de eerste bol hadden bereikt, zelfs in de eerste ronde, waren de hoogste klasse van monaden die van de maanketen kwamen. Ze waren de leiders van de stroom van levens die van de maan kwam, die zelfs op de maanketen zover waren gevorderd dat ze de leiders en gidsen werden van de levens op de nieuwe planeetketen aarde.

Vr. – Waren ze degenen die op de maanketen waren tekortgeschoten? Zou u ons willen vertellen over de ‘periode van keuze’ en wat gebeurt er met hen die niet verdergaan, en waren zij het die op deze aardketen de leiding kregen?

GdeP – Wat bedoelt u met ‘niet verdergaan’?

Vr. – Ik begreep uit wat HPB in De Geheime Leer zegt dat voor de mensheid tijdens de vijfde ronde het grote ‘moment van keuze’ komt, en dat een bepaald deel van de mensheid niet ver genoeg zal zijn gevorderd en geëvolueerd om verder te mogen gaan, en dat ze daarom in een slaaptoestand komen, terwijl de rest van de mensheid verdergaat. Als dat juist is, komt het mij voor dat wanneer de nieuwe aardketen wordt gevormd, zij die achteraan kwamen, en natuurlijk al viereneenhalf of vijf ronden hadden doorlopen, de leiders zouden worden van de volgende mensheid. Ik vroeg me af of de meesters en de boeddha’s daaruit voortkwamen?

GdeP – U heeft helemaal gelijk, en over het geheel genomen heeft u het goed verklaard. In iedere planeetketen komt er in de loop van de zeven ronden een periode die technisch het ‘moment van keuze’, de ‘uiteindelijke keuze’, wordt genoemd. Deze komt altijd in de vijfde ronde wanneer het manasische deel van de constitutie van de evoluerende entiteiten zijn hoogste punt van ontwikkeling in het planetaire manvantara bereikt. In het manas zetelt de menselijke wilskracht, de menselijke intelligentie en het menselijke zelfbewustzijn. Deze drie zijn praktisch één.

Neem onze aardketen, bijvoorbeeld. Wij zijn nu in de vierde ronde. De volgende ronde zal de vijfde zijn. Wanneer wij als mensen deze vierde bol in de vijfde ronde zullen bereiken, zal deze vierde bol het keerpunt zijn in de vijfde ronde en dan moeten we de ‘uiteindelijke keuze’ maken voor deze planeetketen. Als we de spirituele krachten in ons voldoende hebben ontwikkeld om de heuvel van de zesde ronde en daarna de zevende ronde te kunnen beklimmen, zullen we deze keten als volledig ontwikkelde zelfbewuste goden – dhyan-chohans – verlaten. Als we niet voldoende wilskracht en spirituele intuïtie hebben ontwikkeld, als we ons tijdens de vijfde ronde niet voldoende met de god in ons hebben verenigd, ieder individu met zijn eigen innerlijke god, zullen we niet in staat zijn met succes de niveaus van de zesde en de zevende ronden te doorlopen. We zullen in verduistering geraken, in een soort eonenlange slaap, tot het volgende planetaire manvantara, het kind van de planeetketen aarde. Dan zullen we opnieuw tot evolutionaire manifestatie komen als hoogontwikkelde mensen, en in de nieuwe aardketen een nieuwe kans krijgen.

Vr. – Omdat u heeft gezegd dat alle entiteiten moeten beginnen als niet-zelfbewuste godsvonken wanneer ze van het ene manvantara, of de ene keten van bollen, naar het andere gaan, zoals de dhyan-chohans – zij die op de maanketen het dhyan-chohanschap bereikten – neem ik aan dat deze als niet-zelfbewuste godsvonken naar deze aardketen kwamen, en alle evolutiestadia moesten doorlopen en dat ze dus op een bepaald moment op deze aarde mensen moeten zijn geweest – deze manasaputra’s. Heb ik duidelijk kunnen maken wat ik bedoel?

GdeP – Ja, ik denk het wel. Mag ik de stenograaf vragen de vraag voor te lezen? [De vraag wordt opgelezen.]

Ik ben bang dat ik die vraag niet helemaal begrijp. Maar ik kan het volgende hierover zeggen. Het zou u kunnen helpen. Ik geloof niet dat ik gezegd heb dat de entiteiten die de ene keten verlaten daarna de volgende keten als niet-zelfbewuste godsvonken binnengaan, omdat dat niet het geval is. Ik heb gezegd dat ze het ene universum verlaten om naar het volgende en hogere heelal te gaan als niet-zelfbewuste godsvonken voor dat nieuwe heelal.

Vr. – Dan heb ik het verkeerd begrepen. Ik dacht dat alles op een nieuwe keten door alle stadia moest gaan.

GdeP – Dat is óók waar.

Vr. – Dan neem ik aan dat de manasaputra’s, als ze alle stadia moeten doorlopen, op een of ander moment door het menselijke stadium op aarde moeten gaan.

GdeP – Nee, omdat de manasaputra’s geëvolueerde of gevorderde ego’s zijn uit een vroeger manvantara en niet verplicht zijn om op de aardketen die op de maanketen volgt, de laagste, lagere, tussenliggende en hogere stadia te doorlopen. Met andere woorden, een volwassen mens gaat niet terug naar de kleuterschool wanneer hij naar een andere stad verhuist.

Vr. – Maar als hij wordt wedergeboren moet hij een nieuw lichaam vormen.

GdeP – Ja, dat is waar. Maar de manasaputra’s die ons deden ontwaken zijn geen ego’s die nu tot onze eigen planeetketen behoren. Ze zijn echter wel karmisch met ons verbonden. Ze zijn entiteiten die in vroegere manvantara’s eerst het stadium van een mens en daarna dat van een dhyan-chohan hebben bereikt. Ze leven op hun eigen gebieden. Aan de andere kant moeten zelfs de dhyan-chohans die toen de maanketen was geëindigd het dhyan-chohanschap bereikten, aan het begin van de nieuwe aardketen gedurende een korte periode de elementaire stadia van de aardketen doorlopen, omdat ze die helpen opbouwen.

Een mens, bijvoorbeeld, moet aan het begin van iedere nieuwe reïncarnatie alle groeistadia van het fysieke lichaam – van levenskiem tot volwassenheid – doorlopen, hoewel hij vroeger in andere incarnaties vaak een mens is geweest. Hij moet het nieuwe lichaam beginnen als een levenskiem. Begrijpt u?

Vr. – Ja, dat is exact wat ik bedoelde.

GdeP – En alle stadia van voorgeboortelijk leven doorlopen vóór hij als een baby wordt geboren en zich weer tot een mens kan ontwikkelen. Maar dat heeft alleen betrekking op zijn lichaam en heeft niet te maken met de innerlijke god. Die god wordt niet een levenskiem. De god is het voortbrengsel van vroegere manvantara’s van de mensheid. Is daarmee uw vraag beantwoord?

Vr. – Ja, volledig, geloof ik. Ze moeten gaan door . . .

GdeP – Over wie spreekt u als u zegt ‘ze’?

Vr. – De manasaputra’s die dhyan-chohans waren op de maanketen. Ze zijn manasaputra’s op deze keten, en ze moeten gebruikmaken van de elementalen. Klopt dat?

GdeP – Dat is juist.

Vr. – En ze moeten al deze verschillende vormen gebruiken die de aarde zullen bewonen. Dus geloof ik dat ze ook korte tijd gebruik moeten maken van een menselijke vorm.

GdeP – Spreekt u over de manasaputra’s van de maanketen?

Vr. – Ze waren dhyan-chohans op de maanketen. Ik heb begrepen dat deze dhyan-chohans op de maanketen onze manasaputra’s zijn.

GdeP – Bedoelt u zij die ons deden ontwaken?

Vr. – Ja, ik bedoel zij die ons deden ontwaken.

GdeP – Nee. De manasaputra’s die ons stimuleerden zijn de hooggeëvolueerde entiteiten uit manvantara’s uit een ver verleden. Ze wonen op hun eigen spirituele gebieden; maar omdat ze niet hoog genoeg zijn ontwikkeld om geheel los te staan van alle gebeurtenissen op dit kosmische gebied, zijn ze nog karmisch gebonden aan de entiteiten op onze aardketen, het kind van de maanketen. Omdat ze aldus karmisch waren gebonden, offerden ze zich op om de niet-geëvolueerde manasaputra’s van de mensheid van het derde wortelras te doen ontwaken. Deze baby-manasaputra’s of niet-geëvolueerde manasaputra’s, dat zijn wij.

Dit is een moeilijk onderwerp, nietwaar? Het vereist jaren en jaren zorgvuldig nadenken. Maar als u eenmaal de sleutel ertoe heeft, is het werkelijk heel eenvoudig.

Vr. – Dat gedeelte is voor mij niet moeilijk te begrijpen – over het doen ontwaken. Maar ik begreep dat u zei dat we op deze keten dhyan-chohans worden, en de zeven graden doorlopen, de zeven ronden op deze keten, en dat wij dan degenen zullen worden die de menselijke ego’s op de volgende keten zullen doen ontwaken.

GdeP – Dat is juist.

Vr. – De menselijke ego’s op de volgende keten?

GdeP – Dat is juist.

Vr. – Dan neem ik aan dat zij, onze tegenwoordige manasaputra’s, op de maanketen de dhyan-chohans waren.

GdeP – Dat is niet helemaal juist. Ik denk dat uw moeilijkheid ligt in het feit dat één woord ‘manasaputra’s’ voor verschillende dingen wordt gebruikt. Bedenk dat er vele klassen van manasaputra’s zijn: lage, hoge en daartussenin. ‘Manasaputra’ betekent ‘zoon van het denkvermogen’, een volkomen ontwaakte mentale entiteit, een volledig ontwaakt ego. In ieder mens zijn twee manasaputra’s: de individuele manasaputra, die zijn vermogens nog niet tot volle kracht heeft ontwikkeld, maar die toch langzaam evolueert, en de andere manasaputra die ons deed ontwaken – u, mij en alle anderen. Deze tweede manasaputra is een entiteit uit lang vervlogen perioden van evolutie. Begrijpt u het nu?

Vr. – Ja, dank u.

GdeP – Laat mij nu een vraag stellen. Ik geloof dat deze zal helpen om het onderwerp duidelijker te maken. Wat waren wij mensen op de maanketen?

Vr. – Ik veronderstel dat we dieren waren.

GdeP – Het antwoord is bijna juist. Of entiteiten die op de maanketen wat betreft evolutie de positie innamen die de dieren op deze aardketen in onze huidige evolutie innemen. Dat antwoord is helemaal juist. Wat gaf ons ons ego?

Vr. – Welk ego?

GdeP – Uw ego, mijn ego.

Vr. – Ik denk dat we dat ego altijd hebben gehad, maar het werd wakker gemaakt – ik neem aan dat u het manas-element bedoelt – door de manasaputra. Maar misschien begrijp ik het niet.

GdeP – Uw antwoord is goed, maar niet volledig. Hadden de dieren, of wezens die gelijkstonden aan de dieren, die wij op de maanketen waren, dit ego in zich?

Vr. – Zeker, maar slapend.

GdeP – Juist. Hoe komt het dat wij op deze aardketen mensen zijn?

Vr. – Omdat ons zelfbewustzijn is gewekt.

GdeP – Dat is gedeeltelijk juist.

Vr. – En ook omdat we ons hebben ontwikkeld.

GdeP – Dat maakt het antwoord volledig. We hebben door evolutie onze eigen vermogens naar buiten gebracht, bijgestaan door de manasaputra’s die ons deden ontwaken, ons stimuleerden. Maar in welke verhouding stonden deze manasaputra’s tot de maanketen?

Vr. – Daar probeer ik juist achter te komen.

GdeP – Dat dacht ik al.

Vr. – Ik vroeg me af of ze het manas-element in de mensen dáár hebben wakker geroepen.

GdeP – Dat is het antwoord. En ik heb getracht dat antwoord te geven; en door de manier van Socrates te volgen – dat is door vragen te stellen – begrijpen we elkaar nu. De manasaputra’s die op deze aardketen ons denkvermogen deden ontwaken waren ook de dhyan-chohans die entiteiten op de maanketen deden ontwaken.

Waar kwamen die manasaputra’s die ons deden ontwaken vandaan?

Vr. – Natuurlijk zijn ze door de stadia heengegaan waar wij nu doorheen gaan. In vroegere tijdperken zijn ze door het menselijke stadium gegaan, en ze waren en zijn dhyan-chohans. Daarom vroeg ik of ze spirituele monaden waren. Ik zou willen weten hoeveel manvantara’s geleden zij menselijk waren.

GdeP – Dat weet ik niet. Ik kan u niet zeggen hoeveel manvantara’s geleden. Ik weet het eenvoudig niet. Het antwoord is afhankelijk van de graad van de manasaputra’s. Er zijn manasaputra’s die heel hoog staan. Ze zijn in feite goden. Er zijn andere klassen van manasaputra’s die maar weinig verder zijn ontwikkeld dan de essentiële manasaputra’s in mensen.

Beseft u, vrienden, dat u in uw menselijke ik-ben-ik een manasaputra bent voor de dierlijke kant van uzelf – dat wil zeggen voor de dierlijke monade in u? Er is niet maar één klasse van manasaputra’s werkzaam in het heelal. Het heelal is vol goden, vol manasaputra’s, vele klassen die op verschillende gebieden actief zijn. Ja, ook de goden zelf worden op bepaalde tijden in hun evolutie door nog verhevener wezens – de ‘manasaputra’s’ van de goden – verlicht.

De natuur volgt overal één regel, één evolutiewet. Als u de wet, of beter gezegd het principe, van de analogie nauwkeurig volgt, zult u in staat zijn om de meest verbazingwekkende problemen uit te denken en tot juiste en exacte oplossingen te komen.

Vr. – Begrijp ik het goed dat u zei dat de niet-zelfbewuste godsvonk, nadat hij zich tot een zelfbewuste god heeft geëvolueerd, na het uiteenvallen van dit heelal naar het volgende heelal zal gaan, en dat heelal als een niet-zelfbewuste godsvonk zal binnengaan?

GdeP – Ja, bij het eerste begin ervan. Maar de godsvonk zal in het nieuwe heelal snel en gemakkelijk de laagste stadia doorlopen, en weer een zelfbewuste god worden. Zo gaat het ook met het menselijke kind. Weer een analogie! Het kind wordt geboren uit een levenskiem, maar toch draagt die levenskiem in zijn kern het reïncarnerende ego, en het kind doorloopt heel snel alle vroege stadia van menselijk leven, en wordt snel weer mens.

Vr. – Ik kon niet begrijpen hoe een entiteit wanneer deze eenmaal zelfbewustzijn had verkregen, die ooit kon verliezen. Ik zie nu dat haar zelfbewustzijn slechts voor korte tijd wordt verduisterd.

GdeP – Dat is in wezen juist. Ze kan het niet verliezen als we ‘verliezen’ in de absolute zin van het woord gebruiken. Het zelfbewustzijn raakt eenvoudig in een latente toestand zoals ook met het reïncarnerende menselijke ego gebeurt. Het ongeboren kind is niet zelfbewust zoals de mens dat is.

Vr. – Ons is door Judge en anderen gezegd, en we weten het zelf ook, dat de dieren geen karma maken in de betekenis zoals wij dat doen, omdat ze manas nog niet hebben ontwikkeld. Daarom hebben ze volgens Judge geen devachan; en toch lijden ze zo wreed door toedoen van de mens. Ik kan geen rechtvaardige verklaring voor deze toestand vinden.

GdeP – Er zijn verschillende soorten karma. Dieren maken geen zelfbewust karma, zoals de mensen dat doen. Daarom is het dier in wat het doet vrij van morele blaam. Als een mens zich beestachtig zou gedragen, zou dat beslist een morele ongerechtigheid zijn, omdat hij beter weet. Hij is zoveel verder geëvolueerd dan het dier.

Maar er zijn andere soorten karma. De atomen hebben hun eigen karma. De dieren hebben karma. De elementalen hebben karma. Zon, sterren, maan – alles – wordt door karma bepaald of verloopt volgens karmische lijnen. Iedere handeling, bewust of onbewust, is karmisch, omdat iedere daad uitgaat van, of de manifestatie is van, degene die bewust of onbewust handelt. Daarom moet op iedere daad onvermijdelijk een reactie volgen, en op die manier heeft u dezelfde keten van veroorzaking, van gevolgen, van resultaten.

Waarom lijden de dieren zo? Het is verkeerd hun lijden op dezelfde manier te beschouwen als dat van een mens. Hun lijden wordt door hen niet begrepen en beseft, noch feitelijk gevoeld in die zin en in die mate waarin wij mensen lijden begrijpen, voelen en ons ervan bewust zijn. Toch lijden ze. Het lijden van de dieren is het karmische gevolg van de daden in vroegere heelallen, of beter gezegd in vroegere belichamingen van het zonnestelsel. Dat is uw sleutel.

Wanneer een jongen zo dom is zijn vinger in het vuur te steken om te laten zien dat hij dat durft, zou u kunnen zeggen dat in zo’n geval de moleculen van het vlees de pijn van het branden voelen, en dat de pijn ‘onrechtvaardig’ is voor die onschuldige moleculen. U zou eraan kunnen toevoegen dat hun individuele bestaan tijdelijk wordt onderbroken; dat het grotere verstand van de mens heeft ingegrepen in de karmische levensstroom van de moleculen en atomen. Toch wordt in de natuur alles zo precies en subtiel in evenwicht gehouden dat per slot van rekening niet één molecule of atoom in het oudervoertuig onrechtvaardig lijdt. Elk lijden is in zekere zin slechts een automatische reactie. Deze vleesmoleculen zijn daar op het ogenblik dat het gebeurt. Ze zijn er door karma.

Vr. – Bestaat er een karmische band tussen de twee manasaputra’s: de manasaputra van wie wijzelf een onvolkomen ontwikkelde entiteit zijn, en de manasaputra die ons inspireerde?

GdeP – Ja, een heel innige band.

Vr. – Want als er een karmische band tussen de manasaputra’s zelf bestaat, dan moet die wel zo verreikend, zo diep zijn dat alles wat wijzelf doen in onze poging te evolueren, ons niet in staat stelt voor onszelf een manasaputra van hogere orde te kiezen om ons te inspireren.

GdeP – Nee, de keuze komt van ‘boven’. Maar de karmische band tussen de manasaputra die inspireert en de slapende of niet-gemanifesteerde manasaputra van wie het lagere deel wordt gestimuleerd, is bijzonder nauw. In elk afzonderlijk geval vindt het ontsteken van het vuur van het denken plaats omdat de beide manasaputra’s gewoonlijk kinderen zijn van dezelfde ster. Hun karmische bestemming in het heelal is innig verweven, onderling verbonden. In deze dingen liggen wonderbaarlijke mysteries besloten. De band tussen chela en leraar is heel innig, en gaat veel dieper dan iets dat het fysieke betreft, dieper dan het mentale, dieper zelfs dan het spirituele deel. Hij gaat terug tot de wortels van het heelal.

Aansluitend bij deze gedachten wil ik u herinneren aan een mooie passage die HPB uit de Esoterische Catechismus citeert. Daarin staat dat de leraar dichter bij ons staat, een nauwere band met ons heeft en ons dierbaarder is dan onze eigen ouders. Dat is waar. De ouders geven het lichaam, en mentaal en spiritueel zijn ze karmisch met hun kinderen verbonden, maar de leraar laat de mens zelf geboren worden. De leraar brengt de innerlijke mens tot geboorte. In zekere zin is iedere leraar om Socrates’ treffende omschrijving te gebruiken, een spirituele vroedvrouw.

Vrienden, laten we de bijeenkomst voor vanavond sluiten.

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 734-57

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag