29

Bijeenkomst op 17 maart 1931

 

GdeP – Ik ben nu gereed vragen te beantwoorden.

Vr. – Is er een deel van de hogere triade dat zich belichaamt of incarneert in de tijd tussen twee levens op aarde?

GdeP – De hogere triade is in essentie de spirituele monade en is verbonden met haar eigen innerlijke god, de goddelijke monade. Omdat ze een spirituele entiteit is, kan men echter nauwelijks zeggen dat ze ‘incarneert’, of zelf vlees wordt, of zelfs dat ze zich belichaamt in voertuigen of omhulsels die gelijkstaan met wat onze lichamen van vlees op aarde zijn. De spirituele monade – of het reïncarnerende ego in al zijn delen of aspecten – is wat we de hogere triade noemen. Strikt gesproken is het reïncarnerende ego echter het manasische deel van deze hogere triade. Maar zelfs dit manasische deel, het laagste deel van de hogere triade, gaat in feite geen lichamen van vlees binnen, maar ‘overschaduwt’ ze. Met andere woorden, het verlicht, of zendt een straal vanuit zichzelf naar de astrale gebieden, of werkt door het astrale of etherische lichaam van de entiteit, en daarom is het deze straal die de triadische essentie en haar beginselen en eigenschappen overdraagt, en op die manier de mens vormt of hem samenstelt.

Men kan niet zeggen dat de hogere triade zich ergens op een of ander moment belichaamt, tenzij we veronderstellen – en die veronderstelling is waar – dat de hogere triade, of de monade die haar omzwervingen maakt, zich belichaamt in voertuigen die in hoge mate overeenstemmen met haar eigen spirituele soort of karakter.

Toch kan men zeggen dat de hogere triade zich belichaamt in een spiritueel lichaam dat een emanatie is uit haar eigen hart – de neerslag, de droesem of het bezinksel, spiritueel gesproken, van wat ze zelf uitzendt. Op precies dezelfde manier is het fysieke lichaam het bezinksel of de droesem of de neerslag van de astrale mens, de astrale monade.

Vr. – Er is ons verteld dat bij het sterven een bepaald deel van ons naar de ouder-ster terugkeert. Is dat deel de manasaputra die het manasische beginsel verlicht?

GdeP – Nee, beslist niet. Het deel dat naar zijn ouder-ster terugkeert is de meest goddelijke essentie van het individu. Het gebruik van het woord ‘terugkeert’ is zuiver menselijk taalgebruik. U moet niet denken dat dit meest goddelijke deel van de entiteit op het moment van de fysieke dood door de kosmische of zonneruimte heen schiet zoals de staart van een komeet. Dat wordt niet bedoeld. De essentie van de entiteit is haar ouder-ster, en haar interactie met die ster duurt zó lang dat het ons een eeuwigheid zou toeschijnen. Tijdens het leven van de mens op aarde is ze evenzeer in en van haar ouder-ster als na de dood van het vleselijk omhulsel dat we de fysieke mens noemen.

Er wordt dus bedoeld dat de entiteit steeds meer goddelijk bewust wordt één te zijn met haar ouder-ster. Het aannemen van de voertuigen van incarnatie of belichaming op een planeet verduistert tot op zekere hoogte haar licht. Ze is zich bewust dat dit haar eigen licht verzwakt. Ze is zich mystiek gesproken bewust dat dit veel vergt van haar vitaliteit. Maar als ze die belichamingen heeft afgeworpen, als ze haar bestaan als een zevenvoudige entiteit heeft opgegeven en weer enkelvoudig wordt in haar essentie, of monadisch, dan wordt ze zich weer volledig bewust van haar eigen glorie, en deze verandering van haar bewustzijn wordt technisch beschreven als een ‘terugkeer’ of een ‘opstijging’ naar haar ouder-ster.

Vr. – Mag ik dan weten wat er bij de dood van het fysieke lichaam met de manasaputra gebeurt?

GdeP – De manasaputra keert terug naar zijn eigen gebied zoals elk ander deel van de constitutie dat doet bij de dood. Als de zevenvoudige entiteit uiteenvalt en zich ontbindt – en deze ontbinding noemen we dood – ‘gaat’ elk deel van die zevenvoudige constitutie ‘terug’, in sommige opzichten ogenblikkelijk, naar zijn eigen gebieden, naar zijn eigen sfeer. Het goddelijke keert dus terug naar de goddelijke gebieden, het spirituele keert terug naar de spirituele gebieden, en het hogere manasische deel of de manasaputra keert terug naar zijn eigen thuis of woning. Het hartstochtelijke en emotionele deel keert terug naar zijn eigen verblijf in de hogere atmosfeer van de aarde; het vitale deel wordt weer aangetrokken tot het reservoir van levenskrachten van de planeet waarop het lichaam zich bevindt dat ontbindt of sterft, en tenslotte keert het fysieke terug naar de aarde waaruit het is voortgekomen. ‘Stof tot stof’ is het oude kerkelijke gezegde. Voorzover dit het fysieke lichaam betreft, vormt deze bewering één zevende deel van de waarheid.

Deze feiten van de ontbinding van de zevenvoudige entiteit zult u vrij duidelijk vermeld vinden in alle oude literatuur; ze zijn niet altijd volkomen helder weergegeven, omdat deze feiten te maken hebben met enkele leringen van de innerlijke mysteries van de scholen, en natuurlijk zijn deze mysteries altijd zorgvuldig versluierd geweest. Maar Vergilius, de Romeinse dichter, bijvoorbeeld, gebruikt aan het eind van een van zijn werken, waarin hij de dood van een van zijn helden beschrijft, woorden die duidelijk aangeven dat het lichaam naar de aarde terugkeert, de ‘adem’ naar de lucht, enz. Bovendien zult u in veel oude geschriften in min of meer opgesmukte taal het ware feit vermeld vinden dat het zonnedeel van de mens naar de zon terugkeert, dat het maandeel terugkeert naar de maan, het lichaam aan de aarde wordt teruggegeven, terwijl de geest terugkeert naar het goddelijke waaruit hij als uit een bron tevoorschijn is gekomen.

De mens is een samengestelde entiteit. Hoe vaak heb ik dat niet gezegd! Het is een schitterende sleutel. De mens is een microkosmos. Hij heeft in zich elk beginsel, elke essentie, elk vermogen, elke stof, substantie en energie die het grenzeloze in zich heeft. Zie eens hoe deze schitterende gedachte, hoe deze verbazingwekkende leer, de menselijke zelfzucht in de wortel aantast. Zodra een mens beseft dat hij maar een voorbijgaande samenstelling is, verzameld rond een onsterfelijk goddelijk-geestelijk centrum – onsterfelijk uitsluitend in de theosofische betekenis van voortduren in de eeuwigheid, maar alleen door te groeien en dat betekent door te veranderen – zodra een mens deze gedachte in zijn bewustzijn heeft ingeprent en vastgelegd, verandert zijn gevoel voor waarden. Hij wordt zachtaardiger, vriendelijker, en gaat meer aan anderen denken. Hij beseft zijn eigen persoonlijke vergankelijkheid en de vergankelijkheid van de dingen waaraan de meeste mensen zoveel waarde hechten. Hij leeft dan voor grotere dingen. Hij leeft in de eeuwigheid waar zijn aspiraties en verwachtingen op zijn gevestigd.

Vr. – Onlangs werd er in de San Diego Lodge van gedachten gewisseld over het geheugen, en ik zou daarover graag wat meer willen weten. Hoe komt het dat oude mensen bij wie de geest zich bijna geheel heeft teruggetrokken, zo’n scherpe herinnering hebben aan de ervaringen uit hun kindertijd. In hoeverre is de herinnering vastgelegd in het hersenverstand; en bevindt het werkelijke geheugen zich buiten het lichaam?

GdeP – De werkelijke herinneringen van de mens zijn innig verbonden met de migrerende entiteit, met het reïncarnerende ego. Daarom is het geheugen van de mens eigen aan de menselijke essentie – het reïncarnerende ego. De reden waarom zeer oude mensen denken, of beter gezegd herinneringen hebben, aan hun kindertijd is dat de levenscyclus terugkeert naar zijn begin, naar een nieuw begin – spiraalsgewijs. Bij de dood, en misschien enkele jaren vóór de fysieke dood, begint het denken de miljoenen voorvallen, gebeurtenissen en de enkele belangrijke feiten van bewustzijn en gevoel die zich in het voorbije leven hebben voorgedaan en die het leven heeft voortgebracht, de revue te laten passeren. Naarmate een bejaarde steeds dichter komt bij wat men de dood noemt, wordt het fysieke geheugen zwakker en zwakker voor gebeurtenissen en voorvallen die dan plaatsvinden, en het ligt voor de hand dat het daardoor meer en meer de toestand van een kind benadert. Toch zijn belangrijke gebeurtenissen blijvend verbonden met de essentie van het reïncarnerende ego, en omdat het denkvermogen van de mens die de dood nadert zwak is en de wil minder controle heeft over dat denkvermogen, geeft het automatisch de meest treffende gebeurtenissen weer die in de kindertijd en de jeugd een sterke indruk op het bewustzijn hebben gemaakt. Ze worden bijna even automatisch weergegeven als de geluiden op een grammofoonplaat.

Bij zo’n bejaarde worden de optekeningen van het geheugen opnieuw gelezen, maar als het ware in omgekeerde volgorde. De reeks van gedachten en gevoelens waarmee we tijdens de groei van kind tot volwassene waren verbonden, worden nu losgewikkeld en weer losgemaakt en opzijgezet.

Vr. – Het is dus niet het hersenverstand dat zich herinnert, dat de herinnering heeft.

GdeP – Nee. Het hersenverstand is alleen het instrument, en in feite een van de zwakste instrumenten van de mens, maar vreemd genoeg het instrument waarmee hij in ons huidige evolutiestadium het nauwst is verbonden. Toch is het hersenverstand een heel belangrijk instrument van het bewustzijn, maar ondanks dat is het een laag, stoffelijk instrument. Het hersenverstand per se kan niet logisch denken. De werking ervan is quasi-instinctief. Het werkelijke vermogen om te redeneren is iets hogers. Strikt gesproken is redenering visie – visie op de waarheid. Het hersenverstand weerspiegelt slechts wat het intellect beredeneert of intuïtief aanvoelt.

Wat de mensen de kindsheid van de ouderdom noemen heeft ook met iets anders te maken, waarover niet vaak wordt gesproken. Hoewel we allen weten dat de dood de ontbinding betekent van de tot dat moment levende mens, is hij ook een voorbereiding op de kindertijd die op de dood volgt – op een nieuwe bewustzijnstoestand in andere sferen.

U zult dit beter begrijpen als u begrijpt wat devachan is. De devachani begint zijn devachan door in zijn bewustzijn te blijven stilstaan bij die spirituele verlangens en begeerten die het eerst in het bewustzijn van de mens kwamen toen hij op aarde was geïncarneerd – heel vroeg in zijn leven. Devachan is het overzien, het herhalen van al de edele, spirituele, onpersoonlijke, schone, heilige aspiraties en gedachten die de mens had toen hij leefde, te beginnen bij zijn vroege kindertijd en voortgaande tot het moment dat hij zijn persoonlijke bewustzijn verloor bij de dood of vlak vóór de dood. Het wonderlijke van dit alles is dat, in plaats van ze snel in het bewustzijn door te nemen, iedere edele aspiratie, ieder prachtig verlangen en iedere niet-vervulde spirituele verwachting in devachan door de devachani telkens weer in het bewustzijn wordt herhaald, en op die manier vanuit duizend verschillende en nieuwe invalshoeken wordt beschouwd en ervaren. Alle veranderingen ervan worden uitgeprobeerd: als u bijvoorbeeld één enkele aspiratie neemt die de mens in het fysieke leven heeft gehad, dan wordt deze in devachan herhaald en herhaald en mooier en grootser gemaakt en vanuit veel verschillende invalshoeken beschouwd.

Vr. – Als iemand tijdens het leven op aarde geen bewustzijn heeft gehad van aspiraties tot hij fysiek volwassen wordt, zou het leven in devachan dan ondanks dat beginnen met de onbewuste aspiraties en deze de revue laten passeren? Of kan men zeggen dat iemand zijn leven, zijn groei, in devachan begint met de eerste zelfgeleide inspiraties en verlangens om een goed leven te leiden, die de mens vóór de dood had?

GdeP – Ik denk dat ik begrijp wat u bedoelt, maar ik denk ook dat hier sprake is van een klein misverstand. Devachan is niet een ‘groei’. Het is niet een nieuw stadium van leven en ervaring. Met andere woorden, het is niet een gebied van oorzaken. Het is een gebied van spirituele en intellectuele gevolgen of resultaten van al wat het edelst was in het voorbije leven, en ook van verheven rust. Daarom is het min of meer als een mooie droom, en de aard van de droom is afhankelijk van hoe het individu leefde toen hij wakker was.

Alles van een spiritueel en werkelijk intellectueel karakter dat de levende mens ervaart komt terug in het bewustzijn van de devachani, maar dan duizend keer zo mooi en verheven. Devachan is in een andere betekenis van het woord een verwerking en assimilatie van al wat mooi en verheven was in het zojuist geëindigde leven. Als er in dat leven heel weinig schoonheid en spirituele verhevenheid was, zal het devachan erg kort zijn. Als het leven van de kindertijd tot de dood vol onvervulde spirituele aspiraties was, onvervulde verlangens naar spirituele grootsheid en schoonheid, en vol zelfvergetelheid, dan zal het devachan heel lang zijn en bijzonder mooi. Het devachan is in feite de plaats waar het karakter – ik kan niet zeggen wordt gemaakt – maar waar het karakter wordt versterkt en vormgegeven. Dat komt omdat ons blijvende karakter bestaat uit de gehele spirituele en intellectuele evolutie van het ego.

Vr. – Maar is dat geen groei?

GdeP – Nee, want de groei kwam tot stand gedurende het voorbije leven waarin de wil en het intellect bewust erop werden gericht om bepaalde doelen te bereiken. Misschien zou u kunnen zeggen dat slaap en assimilatie van voedsel een groeistadium zijn. Als u het zo stelt, zou ik er geen bezwaar tegen hebben te zeggen dat de verwerking en assimilatie van ervaringen en van bewustzijn in het devachan een stadium van ‘groei’ kunnen worden genoemd, maar technisch gezien is het woord verkeerd. Groei betekent toename, ontwikkeling, en in devachan is er geen toename of ontwikkeling van het essentiële bewustzijn. Er vindt een verwerking en assimilatie plaats en er wordt vormgegeven aan het essentiële karakter van de mens, wat geheel afhangt van het gebruik dat de mens gedurende zijn voorbije leven op aarde van zijn vermogens heeft gemaakt. Het lijkt daarom op een slaap.

Vr. – Mag ik wat vragen over de zodiak en de mens, in verband met een uitspraak van Judge dat de astronomen nu nog niet tot het inzicht zijn gekomen dat de mens zelf een zodiakale weg is waarlangs zijn eigen specifieke zon een baan beschrijft? U heeft ons zoveel beelden van de sterren gegeven dat ik zou willen vragen, als we dat mogen weten, om een meer omlijnd beeld van de analogie die Judge trekt: de analogie van de reis van onze zon door onze eigen menselijke zodiak, en die van de grote pelgrimstocht van onze aardse ster.

GdeP – De hele loop van de menselijke evolutie op deze planeet kan van het begin tot het eind in twaalf stadia of trappen worden verdeeld, en ieder van deze twaalf stadia of trappen van evolutie heeft zijn eigen type of karakter, precies zoals de twaalf huizen van de dierenriem, of de twaalf tekens of de sterrenbeelden van de dierenriem, ieder zijn eigen type of karakter heeft. De tocht van de menselijke zon, om uw eigen beslist poëtische taal te gebruiken – deze menselijke zon is de innerlijke god – door deze twaalf stadia van evolutie op onze planeetketen, brengt daarom door evolutie vanuit de innerlijke god twaalf verschillende eigenschappen of kenmerken voort door middel van die planeetketen in die kosmische tijdsperiode.

Uw vraag is heel esoterisch. Ik heb die zo volledig mogelijk beantwoord, maar vrij vaag, dat geef ik toe.

Vr. – Ik zou graag terugkomen op de vraag over het geheugen. We horen er zo weinig over, en voor mij is het een van de grote mysteries. U heeft zojuist gezegd dat het geheugen in het reïncarnerende ego zetelt. Is dit hetzelfde als intuïtie? En als intuïtie geestelijk geheugen is, dan neem ik aan dat het instinct, het fysieke geheugen, in de levensatomen moet zijn gezeteld wanneer deze naar het lichaam terugkeren tijdens het incarneren. Is dat juist?

GdeP – Wat u zegt is volkomen waar op één klein punt na. Instinct is niet ‘fysiek geheugen’ zoals u zegt, maar het is veeleer een psychoastraal geheugen waarvan het fysieke geheugen een weerspiegeling is, en dit psychoastrale geheugen zetelt in de essentie van de astrale of etherische levensatomen. U herinnert zich misschien wat de grote Plato over dit alles had te zeggen, dat al de werkingen van het bewustzijn herinneringen zijn van de activiteit van bewustzijn in andere levens. Daarom kan intuïtie het ontsluiten worden genoemd van de deuren van de schatkamer van de in het geheugen vastgelegde gebeurtenissen uit vorige levens – want intuïtie is onmiddellijk bewustzijn, ogenblikkelijke herkenning van de waarheid of van dingen of van individuen.

Maar intuïtie heeft nog een andere kant, en ik zou haar misschien onvolkomen kunnen beschrijven als de aangeboren werking van het spirituele bewustzijn. Maar zelfs dit laatste zou heel goed de herinnering kunnen worden genoemd aan een grotere levenscyclus die in vroegere manvantara’s werd doorlopen.

Vr. – Aansluitend op uw gedachten over devachan, wil ik vragen of u ons meer kunt vertellen over de kiemtoestand vóór de geboorte? In De Mahatma Brieven staan verschillende toespelingen op een kiemtoestand.

GdeP – Dat zijn toespelingen op de toestand vóór devachan – de kiemtoestand van het ontlichaamde ego. Maar u had het ook over de ‘kiemtoestand’ vóór de geboorte. Welke bedoelt u?

Vr. – Misschien heb ik het niet goed begrepen. Ik dacht dat de hogere beginselen in die toestand kwamen die men de kiemtoestand vóór de geboorte noemt, en dat deze kiemtoestand die vóór de geboorte op het spirituele gebied bestond overeenkomt met de toestand op het fysieke gebied net vóór de fysieke geboorte.

GdeP – Natuurlijk is er een kiemtoestand vóór de fysieke geboorte, maar ik geloof dat u verwijst naar de psychospirituele kiemtoestand die aan devachan voorafgaat. De term ‘kiem’ in deze laatste betekenis is ontleend aan het menselijke bestaan. Het betekent echter niet dat de devachani wordt geboren uit ouders die in het devachan zijn en daar een kiemperiode moet doormaken, zoals de fysieke baby een fysiek kiemstadium moet doorlopen. Het woord is slechts een menselijke term, ontleend aan het menselijke bestaan, om te verklaren hoe het komt dat voordat de geëxcarneerde entiteit bewust kan worden in het devachan zij zich moet hebben voorbereid op de devachanische sferen – en deze voorbereiding, dit zich uiteindelijk losmaken van de banden van het afgelopen leven, hebben de meesters de ‘kiemperiode’ genoemd. Met andere woorden, iedere bewustzijnstoestand heeft zijn begin, zijn hoogtepunt en zijn einde. Dit is van toepassing op het menselijke leven, op het devachan en in feite op ieder stadium van het zijn. Is dit een antwoord op uw vraag?

Vr. – Ja, ik begrijp nu dat het op dat gebied is. Het staat gelijk met de voorbereiding vóór de geboorte op een hoger gebied.

GdeP – Niet helemaal. Het is een voorbereidende toestand die het reïncarnerende ego doormaakt wanneer het in een toestand komt waarin elk zelfbewustzijn van het zojuist geëindigde leven is verdwenen. Dit uiteindelijke losmaken van de laatste draad van persoonlijke herinnering aan het leven op aarde, en het terugtrekken van de draden van zijn eigen bewustzijn als voorbereiding op de devachanische periode, is de door u genoemde ‘kiemperiode’.

Bovendien is het niet het hogere spirituele deel van onze constitutie dat de devachani wordt. Het is het hogere menselijke deel van ons dat het devachan binnengaat. Het is de menselijke entiteit in haar spiritueel-intellectuele essentie die de devachani wordt, en juist dat afwerpen van alle minder volmaakte en minder spirituele eigenschappen van de mens vormt de kiem- of voorbereidingsperiode waarover u heeft gesproken. Dit gebeurt wanneer alle lagere menselijke elementen tenslotte uit het bewustzijn van de entiteit zijn weggevallen; en zij gaat dan op in de zuiver geestelijk-intellectuele staat. Dit is haar geboorte in devachan – het woord ‘geboorte’ is hier maar een manier van zeggen, zoals we kunnen spreken over een mens die in een droom wegzinkt, zijn ‘geboorte’ in de droomtoestand.

Vr. – Is de volgende gedachte juist: ieder deel van de zevenvoudige constitutie heeft een bewustzijn, en die bewustzijnstoestand blijft altijd ononderbroken op zijn eigen gebied, hoewel wij alleen kennis hebben van het ene gebied waar wij onze handelingen verrichten?

GdeP – Dat klopt.

Vr. – En als we in alle delen van onze constitutie leefden, of op alle gebieden, zouden we ons bewust kunnen zijn van alle bewustzijnstoestanden, wanneer we dat maar willen.

GdeP – Juist. Dat is de toestand van de geïncarneerde boeddha’s van mededogen. Ze zijn zelfbewust op alle gebieden van hun constitutie. Wij mensen zijn betrekkelijk volledig bewust in maar één deel van onszelf, in het menselijke deel, gedeeltelijk bewust in de lagere triade met slechts vage ingevingen van het bewustzijn van de hogere triade. Juist omdat ons zelfbewustzijn in het menselijke deel is geconcentreerd, hebben we na de dood een devachanisch bestaan. Onze andere delen – hoewel deze bij ons horen, en bij de volgende wedergeboorte naar ons terugkeren – zijn we nog niet volkomen meester; noch hebben we de respectieve bewustzijnstoestanden ervan overstegen of zijn we ze vergeten. We hebben ze niet in ons zelfbewustzijn opgenomen, met als gevolg dat deze andere delen van ons buiten onze zelfbewuste waarneming vallen. We verliezen het bewustzijn ervan – tenminste tijdelijk.

Ieder deel van de mens behoort natuurlijk tot de mens, want deze is een samengestelde entiteit en is tegelijkertijd een eenheid. Dit is weer een van de ‘mysteries van het bewustzijn’. Ik heb me vaak erover verbaasd dat u zich zo interesseert voor vragen over het bewustzijn; en ik verheug me daarover omdat het een bewijs is dat u werkelijk nadenkt en op zoek bent naar de waarheid in uzelf – dat u zelfbewust bekend raakt met uzelf.

Vr. – Als we weten hoeveel ellende en verdriet en lijden er tegenwoordig in de wereld is, is het dan zelfzuchtig van ons om te proberen die dingen te vergeten en onze ogen te richten op de mooie en goede kant van het leven? Ik heb soms ervaren dat zelfs het in gedachte blijven stilstaan bij die sombere en naargeestige levensomstandigheden mij bijna verlamt. Maar als we dit vergeten, of het laten zoals het is, zijn we daardoor dan niet zelfzuchtig en laf en zonder mededogen?

GdeP – Uw vraag gaat diep. Daarin heeft u een probleem gesteld dat ieder mens op een of ander ogenblik moet oplossen. U heeft in uw bewustzijn de keus naar voren gebracht die wij allemaal zullen moeten maken. Zullen we het pad van vrede en geluk alleen voor onszelf volgen – het pad van de pratyekaboeddha’s, een heilig en schitterend pad? Of zullen we het pad van zelfverzaking ten behoeve van de wereld kiezen, een verheven pad, een pad van persoonlijk leed, maar toch een pad waar het zonlicht van de eeuwigheid op schijnt, en waar ons na lange eonen de beloning van de goden wacht?

Nee, het is niet verkeerd krachtig vast te houden aan de mooie kant van het leven. Het is eigenlijk een plicht dat te doen. Maar het wordt een spirituele zelfzucht, wanneer we, door op die manier aan de mooie kant van het leven vast te houden, zelfzuchtig daarin opgaan en dus onze broeders en de wereld vergeten. We moeten inderdaad vasthouden aan de mooie dingen, maar tegelijk dienen we te werken voor anderen, en proberen hen in contact te brengen met de mooie kant van het leven.

Het is als met een mens die in zijn hart verlangt om de wereld te helpen, en toch houdt hij van alle mooie dingen, van alle heilige, verheven en edele dingen. Er is hier geen tegenspraak. De mens moet zijn liefde voor het schone, het grootse, het verhevene en ware aankweken. Hij moet dag en nacht en op ieder moment daaraan vasthouden, maar tegelijkertijd moet hij ook eraan werken dat anderen dezelfde grootse dingen gaan zien en daarnaar gaan verlangen, en hij moet anderen helpen datzelfde verheven bewustzijn te verkrijgen waarvan hijzelf een paar vluchtige straaltjes begint op te vangen.

De boeddha’s van mededogen zijn in feite veel heiliger dan de pratyekaboeddha’s. De eerstgenoemden leven voor de wereld. Ze doen afstand van alles wat zelfzuchtig is. Ze geven hun eigen spirituele doeleinden op om langs het pad terug te keren om hun medemensen te kunnen helpen die minder ver zijn gevorderd dan zijzelf. Maar intussen leven ze toch in de glorie en schoonheid van het leven. Ze leven in het licht. Hun eigen innerlijke leven is een baken van goddelijk licht.

Ze verliezen nooit hun contact met de spirituele kant van het zijn; en het vreemde en mooie van het pad van verzaking is het volgende: alles welbeschouwd is het de snelste weg tot spirituele groei. Het is de weg waarlangs we het snelst vooruitgaan, hoewel het schijnbaar de langzaamste is omdat we het verlangen naar persoonlijke, of beter gezegd individuele, vervulling opgeven. Is dit niet een interessante paradox? Dat we, door achter te blijven, en voor onszelf de ‘verlossing’ te weigeren om onze medemensen te kunnen helpen, sneller die ‘verlossing’ verkrijgen dan de pratyekaboeddha’s die, gefascineerd door de glorie op de bergtoppen in de verte, alles vergeten en in individuele spirituele vervoering daar naartoe snellen. De pratyekaboeddha’s worden tenslotte wat hun evolutionaire groei betreft ingehaald door de boeddha’s van mededogen die op het pad zijn teruggegaan en hun handen uitstrekken om anderen te helpen die spiritueel en intellectueel minder sterk zijn dan zij – en die moeizaam achter hen aan komen.

De reden waarom het pad van de boeddha’s van mededogen het snellere pad van vooruitgang is wordt nu duidelijk, want het houdt het oefenen en daarom trainen in van onze edelste en verhevenste en goddelijkste vermogens. Het is het oefenen van de schitterendste eigenschappen in ons, van de goddelijke en spirituele delen van ons wezen. Door deze voortdurende oefening worden deze delen sneller sterk.

Vr. – Ik herinner me een deel van de leer over de monadische evolutie en de sishta’s die u ons het afgelopen najaar tamelijk uitvoerig heeft gegeven – u heeft toen heel wat licht daarop geworpen, het eerste licht dat we erover kregen, geloof ik. Het kwam me voor dat er een kloof was, die enorme evolutieperioden beslaat, tussen de verschillende rijken, het planten-, dieren- en mensenrijk, enz. U vertelde ons dat er boven het mensenrijk drie hogere rijken zijn, die gewoonlijk de dhyan-chohanische evolutiestadia worden genoemd. Enkele van onze mahatma’s worden ‘chohans’ genoemd. Het leek me dat er betrekkelijk weinig van die wezens op aarde zijn, en dat deze weinigen, in verhouding tot de menigten die in een chohanisch evolutiestadium verkeren, hier als sishta’s schijnen te zijn. Als dat het geval is, dan hebben ze een veel hogere graad van mededogen bereikt dan enige andere waarvan we ons in onze studie van de evolutie een beeld hebben gevormd.

Mijn vraag sluit aan bij het onderwerp bewustzijn. Het komt me voor dat zij als onze leraren verbindingsschakels zijn tussen onze mensenmenigte en die verheven chohanische menigte, en als het ware een open deur vormen, of een weg omhoog, tussen ons mensen en de chohans. Kunt u hierop wat meer licht werpen?

GdeP – In het algemeen is dat helemaal juist. Er zijn meesters van vele rangen en graden. Sommigen zijn maar weinig meer dan gevorderde chela’s. Anderen zijn meesters van die meesters. Weer anderen staan nog hoger, en zijn de meesters van de meesters van de laatstgenoemden; en zo strekt de ladder van spirituele evolutie zich naar boven uit door al de graden van leven tot aan de goden zelf. Elke graad van de meesters is een sport op deze levensladder, en het geheel van deze bijzondere levensladder is wat u me vaak de ‘orde van de broeders van mededogen’ heeft horen noemen. Dit is onze eigen heilige orde, de orde waarin wij aspiranten, leerlingen, werkers zijn. Door en via deze verschillende schakels die steeds hoger reiken, zijn we verbonden met de goden die ook zelf in hiërarchische graden bestaan.

U heeft me vaak horen spreken over het ‘hart van het heelal’, en ik heb me wel eens afgevraagd of deze uitdrukking het ‘hart van het heelal’ ooit verkeerd is opgevat als een plaats of een bepaalde entiteit.

Vat het alstublieft niet zo op. Het is maar een aanschouwelijke omschrijving. Het betekent dat onmetelijke en onuitsprekelijke hoogste – en ook ‘hoogste’ is verkeerd, want in feite is er geen ‘hoogste’. Maar ik bedoel dat grootse en onuitsprekelijke geheel van treden van de ladder van het leven die geen begin heeft, geen einde, en steeds en zonder onderbreking meer en meer binnenwaarts voert. Het is bijna onmogelijk deze dingen in gewone mensentaal te beschrijven. Maar zie eens wat een schitterend vooruitzicht dit biedt aan iemand die slaagt, die wint, die het haalt: eerst discipelschap, dan het meesterschap, dan het chohanschap, dan een graad die nog hoger is, en zo eeuwig verder in de eindeloze duur.

Onthoud dit zorgvuldig: Dit alles is zelfs nu in u. Het ‘hart van het heelal’ is uw goddelijke hart. Ieder van u is, als individu, het grenzeloze heelal. Nogmaals: het heelal is één in verscheidenheid en is toch ook een verscheidenheid die opgaat in een eenheid.

Vr. – U heeft een deel van mijn vraag heel duidelijk beantwoord. Op basis van een studie van de evolutie van de verschillende groepen wezens lijkt het mij dat, voorzover ons daarover iets is meegedeeld, een beperkt aantal van deze verheven mensen die behoren tot de mahatma-orde of -graad, chohans worden genoemd. Het lijkt erop dat er een verband is tussen hen en de volgende evolutiegolf van zielen, zoals ook wordt gezegd dat er een verband is tussen de sishta’s en andere latere evolutiegolven van zielen. Is dat zo?

GdeP – Er is hier ongetwijfeld een analogie, maar geen identiteit. De sishta’s zijn de overblijfselen die door een voortgaande levensgolf van entiteiten worden achtergelaten om de voertuigen te verschaffen voor dezelfde levensgolf als deze terugkeert.

Vr. – Ja, ik begrijp dat heel goed. Als er drie andere levensgolven zijn boven de menselijke, en als deze andere drie gewoonlijk de dhyan-chohanische levensgolven worden genoemd, dan lijkt het er eigenlijk niet op dat ze op aarde tegenwoordig in een actieve manvantarische toestand verkeren.

GdeP – Maar ze zijn wel actief. Dat is eenvoudig het verbazingwekkende van dit alles.

Vr. – Dan zijn we ons daarvan helemaal niet bewust.

GdeP – Ook dat is waar.

Vr. – Dan zijn in die zin geen van de mahatma’s sishta’s. Toch zijn ze sporten of graden op de levensladder tussen ons en die monadische menigten.

GdeP – Ik geloof dat ik nu begrijp waar u naartoe wilt. U heeft een heel ingewikkeld onderwerp aangeroerd. Ik hoop dat ik mijn antwoord duidelijk kan maken.

In iedere grote periode in de menselijke evolutie is er één graad van de mahatmische orde die meer actief is dan op andere tijden. Als u naar die dhyan-chohans verwijst die niet tot de huidige grote periode van evolutie behoren, maar die niettemin bestaan als de sishta’s van komende cyclussen, dan is wat u zegt in die zin volkomen waar. En wanneer deze nieuwe en grootsere cyclussen van evolutie voor een mensheid aanbreken, dan zullen deze meer verheven dhyan-chohanische entiteiten zich energieker en krachtiger manifesteren of werken dan ze nu doen.

Vr. – Dat was mijn vraag. En zo’n evolutiegolf moet zelfs nu op aarde zijn sishta’s hebben, hoewel voor ons met ons beperkte bewustzijn van onzichtbare gebieden deze sishta’s te ver geëvolueerd zijn om ze te kunnen waarnemen. Toch scheen het mij toe dat onze meesters banden zouden kunnen hebben met deze sishta’s van de toekomstige en veel verhevener evolutiegolf in het mahatmische evolutiestadium – in plaats van beperkt te zijn tot een relatief gering aantal zoals nu het geval is. Is dat juist?

GdeP – Als ik u goed begrijp, is dat volkomen juist. Maar het gebruik van het woord sishta’s is onnauwkeurig. Deze wachtende Groten worden nooit ‘sishta’s’ genoemd. Ze zijn wachters, bewakers – ‘stille wachters’ is een algemene naam voor hen. Ze zijn geen sishta’s; ze zijn de Ouderen, ze vormen de voorhoede van de mensheid, ze zijn spiritueel en intellectueel veel verder ontwaakt dan wij. Maar, zoals gezegd, er is een bepaalde analogie tussen de menselijke sishta’s en de stille wachters van een grote levensgolf. Dat is waar.

Vr. – Omdat de Groten in deze verschillende hiërarchieën op de verschillende en steeds hogere sporten van de levensladder bestaan, wordt ons gezegd dat er goden zijn, maar geen hoogste persoonlijke God. In verband met de levensladder moet ik denken aan een school; daar zijn leraren, en de rector en de inspecteur, enz. Wanneer deze hiërarchieën grootser en verhevener worden, zijn er daarin dan minder individuen, of is het tegenovergestelde waar?

GdeP – Vraagt u, indien we in ons denken opstijgen langs de levensladder, of de entiteiten op die treden steeds minder in aantal worden naarmate de top van de hiërarchische ladder wordt bereikt?

Vr. – Ja; of nemen ze in aantal toe?

GdeP – Ze worden steeds minder in aantal tot we de top van een hiërarchie bereiken. In onze eigen spirituele hiërarchie, bijvoorbeeld, is die top een entiteit, de spirituele vader, de stille wachter van onze hiërarchie. Hetzelfde geldt voor elke andere hiërarchie, waar die hiërarchie zich ook bevindt.

Vr. – Hoe staat het dan met de heelallen? Geldt daar dezelfde analogie?

GdeP – Ja. Maar u moet bedenken dat er aan deze hiërarchieën nooit een einde komt, want het heelal is eindeloos, grenzeloos. Naar de gedachte die u heeft wordt vaak verwezen in wat ik de ‘leer van de hiërarchieën’ heb genoemd, en is daarin uitgewerkt. Al deze hiërarchieën zijn onderling verbonden, vermengen zich, ze werken op elkaar in, ze bestaan in wisselwerking met elkaar. En in hun onbegrijpelijke totaliteit vormen ze wat het ook mag zijn – een zonnestelsel, een heelal, of zelfs het grenzeloze. Dit woord ‘grenzeloos’ is tenslotte maar een beschrijvende term. Het is een uitdrukking waaruit het onvermogen van de mens blijkt om de grenzeloze oneindigheid, en de beginloze en eindeloze tijd of duur, te begrijpen. Het is een woord waarmee we ons onvermogen erkennen om de eindeloosheid en eeuwigheid te begrijpen. Theosofen noemen het eenvoudig het grenzeloze. Heel nadrukkelijk betekent het niet één hoogste entiteit, één opperwezen.

Vr. – Men zou natuurlijk denken dat deze wezens, naarmate ze hoger en hoger worden, tenslotte één groot wezen zouden worden. Maar dit is kennelijk iets onbegrijpelijks.

GdeP – Dat is het inderdaad. Bedenk dat de top of het hoogste punt van een hiërarchie de stille wachter van die hiërarchie is; en hij – we zullen spreken van die entiteit als ‘hij’ – is de schakel met de laagste sport van een andere levensladder, een andere hiërarchie, die op haar beurt als hoogste punt een stille wachter heeft. En deze laatste is maar een schakel met de laagste sport van weer een andere levensladder; enzovoort door de eindeloze ruimte.

U moet deze hiërarchieën niet beschouwen als de ene bovenop de andere, als een reeks etages in een woonhuis. Ze strekken zich in alle richtingen uit. Het zijn hiërarchieën van bewustzijn.

Vr. – Toen ik de geur van enkele bloemen opmerkte vóór ik naar deze bijeenkomst ging, kreeg ik plotseling sterk het gevoel dat die bloemen zich schijnen te verheugen in het verspreiden van hun geur. Ze waren mooi en gaven een heerlijke geur af. Het scheen me toe dat er meer achter zat dan alleen het fysieke aantrekken van een bij of een vlinder. Het was of ze deze vanuit hun innerlijke natuur verspreidden. Hierdoor moest ik denken aan wat de ‘heilige man’ uit Benares zei over zijn leraar: hij was eens in een dorp en alleen al zijn tegenwoordigheid verspreidde een spiritueel aroma dat die mensen in een hogere gemoedstoestand hield tijdens veel van hun moeilijkheden. En dit doet me denken aan het doel van ons werk, dat het belangrijk is om onzelfzuchtig te zijn, en toch tegelijkertijd te werken zoals zij die vol ambitie zijn. Ik zou hierover graag iets meer willen horen, aansluitend op de gedachte over deze bloemen – dat ze hun geur afgeven op een mooie, inspirerende wijze, en toch tegelijkertijd bezig zijn, hun zaden vormen, enz.

GdeP – Ja, een bloem ademt haar leven uit in geur en schoonheid. De evolutie heeft ons het reukorgaan gegeven waarmee we deze bijzondere uitwaseming van vitaliteit die we de geur van bloemen noemen kunnen opvangen en in ons opnemen. Dit voorbeeld van de mooie bloem die haar leven uitademt in een zoete geur staat echter niet op zichzelf maar is een voorbeeld van de algemene regel.

Beseft u dat mensen hun leven op dezelfde manier uitademen in geur, en ook in kleur en geluid? Maar wij beschikken niet over het zintuigorgaan om het geluid of de kleur waar te nemen. We zien de kleuren die de bloemen uitstralen omdat we daarvoor het orgaan hebben. Ze brengen ook geluid voort, maar dat horen we niet. We hebben daarvoor niet het gehoororgaan.

Ieder atoom van de enorme menigten atomen die het lichaam van een entiteit samenstellen heeft zijn eigen grondtoon, zingt onophoudelijk zijn eigen lied of lofzang. Het heeft niet alleen zijn eigen grondtoon, maar ook die grondtoon verandert in de loop van de eeuwen. Als we bedenken dat een mens of een bloem of een dier, fysiek gesproken, een verzameling atomen is, beseffen we dat we – als we de zintuigen hadden om dit alles in ons op te nemen – het leven, de bewegingen, van zo’n entiteit zouden horen als een schitterend harmonisch gezang, als een lied. Als we daarvoor geschikte zintuigorganen hadden, zouden we bovendien een mens gehuld zien in een stralende kleurenpracht. Maar daarvoor hebben we nog geen zintuigen ontwikkeld. We weten niets van de vele verbazingwekkende dingen die in feite om ons heen bestaan. En al deze dingen die door elke entiteit worden uitgeademd of uitgezonden – door een bloem, een dier, een mens of iets anders – zijn slechts manifestaties van haar vitaliteit, van het leven dat opwelt uit de bron binnen die entiteit en dat in vorm, kleur, geluid, geur en op andere wijze tot uitdrukking komt. Sommige dieren kunnen dingen horen en zien die mensen niet kunnen horen en zien. Enkele mensen kunnen dingen zien en horen en op andere manieren gewaarworden die door andere mensen niet worden waargenomen.

Bij het trainen van een chela – natuurlijk niet in het begin, maar de latere training van een chela – wordt gedeeltelijk deze procedure gevolgd om hem meer volkomen bewust te maken van wat er in het ons omringende heelal bestaat. Door zijn training wordt hij zich bewust van de manifestaties van de levenskrachten van de wezens die hem omringen. Hij kan nauwkeurig de aura van een medeleerling lezen. Hij kan in de aura die een dier omringt zien, en begrijpen welke bedoelingen of gedachten het dier heeft. Hij kan in tegenwoordigheid van een ander mens horen waar de ander over denkt en wat hij van plan is. Hij hoeft over al deze dingen niet diep na te denken. Hij verkrijgt de kennis instinctief zoals wij nu met onze ogen het soort neus dat iemand heeft, of de vorm van zijn schouders, of wat al niet, zien. Wij denken er niet over na hoe we zien. Het zien is voor ons zo gewoon geworden dat we niet langer beseffen hoe wonderbaarlijk dit is.

Maar de dingen die onze zintuigen ons laten zien, hoe onvolmaakt ze ook zijn geëvolueerd, zijn niets vergeleken bij wat er werkelijk bestaat. Als we de andere zintuigen hadden geëvolueerd om ons in staat te stellen in ons op te nemen wat er om ons heen gebeurt, dan zouden we weten dat iemand die boos is niet alleen wordt omringd door een lelijk smerig rood dat de kleur van zijn aura volkomen verandert, maar de geluiden die hij onhoorbaar uitstoot, treffen het oor met hun krijsende wanklanken, en deze zijn heel onaangenaam. Wij hebben vijf onvolkomen ontwikkelde zintuigen: gezicht, reuk, gevoel, gehoor en smaak.

Er zijn tenminste twee andere zintuigen die de mensen fysiek zullen evolueren vóór ze deze planeet verlaten – tot op zekere hoogte zelfs in deze vierde ronde. Het eerste is het vermogen door fysieke dingen heen te zien, en ik gebruik dit woord ‘zien’ omdat het het enige is dat me invalt om dit nog niet geëvolueerde vermogen te beschrijven. Het is niet alleen een zien, maar ook een aanvoelen. Dit zesde zintuig – en ik doel niet op het zevende of laatste zintuig, maar op het zesde – is de kracht om kennis te verkrijgen van wat in de dingen is: om ze te doorzien. Dit zintuig zal even bliksemsnel werken als onze andere zintuigen nu. Er zal geen wilskracht voor nodig zijn. Het is zoals de tastzin nu werkt. U raakt iets heets aan en u hoeft niet erover na te denken of het heet is. U weet dat het heet is.

In ons mensen zijn wonderen verborgen waarvan de huidige onontwikkelde mens niets weet en zelfs niet droomt. Hij heeft er geen enkel besef van dat al deze verbazingwekkende dingen en tot dusver onontwikkelde vermogens en krachten in hem bestaan.

Vr. – Deze training in het chelaschap zou dan naar ik aanneem een spirituele training zijn om vooral het zesde en het zevende zintuig te ontwikkelen?

GdeP – Nee, de training van deze zintuigen is maar bijzaak, een nevenactiviteit. De training in chelaschap is het naar buiten brengen van wat de mens in zich heeft, vooral van wat een goddelijk en spiritueel en psychisch karakter heeft – dat wil zeggen, de vermogens en krachten die tot het hogere deel van zijn wezen behoren. Het zal daarom duidelijk zijn dat zo’n training ook het tot op zekere hoogte opwekken van de innerlijke en tot nog toe latente zintuigen betekent, maar dit laatste is slechts bijkomstig. Het is het geringste deel van de training voor het chelaschap. Bij die training gebeuren veel verhevener en edeler dingen dan alleen de ontwikkeling van de innerlijke zintuigen.

Bij de vierde inwijdingsgraad worden onderricht en discipline voortgezet zoals ze in de drie eraan voorafgaande graden of stadia bestaan, maar toch gebeurt er bij de vierde graad voor de initiant iets nieuws: werkelijke individuele of beter gezegd persoonlijke ervaring van wat er op andere planeten, op andere gebieden of in andere werelden gebeurt, zodat de initiant de omstandigheden daar werkelijk kan leren kennen. Om ze op die manier te kennen moet u vooraf tenminste tot op zekere hoogte de geschikte innerlijke zintuigen hebben geëvolueerd – anders zou uw reis naar die innerlijke gebieden of sferen, of zelfs op andere fysieke planeten, min of meer als een droom zijn, en wel een min of meer dwaze droom. U zou zich bewust zijn dat u daar bent, maar niets kunnen begrijpen.

Normale mensen in een rustige slaap gaan in feite naar deze innerlijke werelden of gebieden; in enkele gevallen gaan ze naar andere planeten van ons eigen zonnestelsel, maar ze herinneren zich er niets van. Ze zijn er inderdaad geweest, maar omdat ze daarvoor niet de innerlijke zintuigen hebben geëvolueerd, wordt het bewustzijn niet aangeraakt en daarom kunnen ze zich niets daarvan herinneren.

Inwijding en training in chelaschap betreffen niet alleen een versnelling van de evolutie, hoewel de evolutie in de verre toekomst deze nieuwe zintuigen tot actieve manifestatie zal brengen. Inwijding en training zijn niet alleen dat, maar ook het opwekken, het evolueren van het vermogen om te begrijpen en te zijn.

De mens, het individu, heeft alles in zich wat het heelal in zich heeft; dus waarheen hij in de innerlijke of uiterlijke werelden ook gaat, in essentie is hij daar thuis. En hoe verder zijn innerlijke wezen en zijn innerlijke zintuigen en vermogens zijn ontwaakt, des te meer is hij er thuis. Met andere woorden, om hem in staat te stellen te kennen, dus te weten, en te onthouden wat hij weet, moet hij zelfbewust beseffen wat hij in deze innerlijke werelden ervaart.

Vr. – Ik sprak niet alleen over de bloem, maar ook over het ethische aspect daarvan. Is het te rechtvaardigen dat wij van het leven genieten terwijl er om ons heen zulke verschrikkelijke dingen gebeuren? Maar hebben we anderzijds niet het recht om te zijn zoals de bloem, om als deel van ons werk iets moois voort te brengen en niet alleen onverschillig ‘dingen te doen’? Dat was wat de man uit Benares zei: ‘Maak u geen zorgen om wat u doet. Maak u zorgen om wat u bent.’

GdeP – Dat is helemaal juist. Het is een plicht om wat mooi en edel is, te koesteren; het is niet verkeerd zich onpersoonlijk daarover te verheugen. Van het genieten van schoonheid raakt men nooit oververzadigd. Het verveelt nooit. Het zuivert ons karakter. Maar waar het werkelijk op aankomt is dat we nooit moeten vergeten dat we alleen daarvan genieten om anderen beter te kunnen helpen. We moeten nooit zozeer in onze persoonlijke vreugde opgaan dat we onze verhevenste en edelste plicht uit het oog verliezen, namelijk om anderen te helpen, hen bij te staan, hun de zegeningen te bezorgen die ons ten deel vallen. In dit opzicht zouden we als de bloemen moeten zijn, die schoonheid, vrede en goedheid om zich heen verspreiden. Ons leven zou als mooie bloemen moeten zijn die onbeperkt aan allen geven en elk vleugje wind dat langskomt doordringen van de innerlijke schoonheid die opwelt uit het binnenste van onze ziel, zodat dat vleugje wind onze innerlijke schoonheid aan anderen kan overbrengen en hen zo kan helpen en hen ertoe kan brengen ons na te volgen.

We zouden zo moeten leven dat we ons steeds meer en meer van alles bewust worden. Daar komt het altijd op aan. De pratyekaboeddha is geen slecht wezen, begrijp dat alstublieft goed. Hij is niet zelfzuchtig in de gewone menselijke zin van het woord. Op grond van de vlekkeloze zuiverheid van zijn leven en aspiraties is de pratyekaboeddha een heilige entiteit, een zeer verheven en in veel opzichten schitterend individu; maar, per slot van rekening denkt hij alleen aan zichzelf. Zijn leven is daarom beperkt, en hij zal zijn nirvana ingaan en daarin eonenlang in gekristalliseerde zuiverheid blijven en geen enkele vooruitgang boeken. De boeddha van mededogen daarentegen, die voor de wereld en in de wereld leeft, maar niet van de wereld is, groeit de hele tijd, ontwikkelt zich en neemt in innerlijke grootsheid toe. Zodat de pratyekaboeddha in de verre toekomst, wanneer hij uit zijn nirvanische staat komt om aan een nieuwe evolutiereis te beginnen in een verhevener bestaan dan dat wat hij verliet toen hij het nirvana inging, ver achter de boeddha van mededogen zal aankomen die intussen voortdurend verder is geëvolueerd.

Vr. – Bij het lezen van de gelijkenis van de verloren zoon in het Nieuwe Testament heb ik me vaak afgevraagd of wij die in verband moeten brengen met een manvantarische levenscyclus. Zo ja, is er dan iets dat we in de gelijkenis moeten zien dat betrekking heeft op de broer die niet heenging en zich enigszins benadeeld voelde toen de andere broer bij zijn terugkeer vreugdevol werd ontvangen? Ik vraag me af of dit enig verband heeft met de pratyekaboeddha’s.

GdeP – Er zijn gewoonlijk bepaalde overeenkomsten tussen de parabels of morele legenden uit verschillende tijdsperioden. Maar ik denk dat de parabel van de verloren zoon de vreugde weergeeft die de leraren voelen wanneer de rondtrekkende zielen van de mensen tenslotte weigeren te eten van het kaf van het leven en naar huis terugkeren – naar hun familie terugkeren.

U kent het oude christelijke gezegde dat er meer vreugde in de hemel is over één zondaar die berouw heeft dan over negenennegentig rechtvaardigen. De ‘zondaar die berouw heeft’ kan worden beschouwd als een andere lezing van de gelijkenis van de verloren zoon die tenslotte naar huis terugkeerde.

Vr. – In het Dodenboek staat een verwijzing naar de initiant of gestorvene die verschillende zintuigen terugkrijgt, bijvoorbeeld het gehoor en de reukzin. Slaat dit op de zintuigen die een chela ontwikkelt?

GdeP – Heeft u het over het Egyptische Dodenboek?

Vr. – Ja.

GdeP – Nee. Natuurlijk kan er een indirecte verwijzing zijn want, omdat alle delen van de natuur op overeenkomstige wijze zijn opgebouwd, volgt daaruit dat wat in het ene deel bestaat zijn overeenkomsten heeft met alle andere delen. Maar ik denk dat de verwijzing in het Egyptische Dodenboek betrekking heeft op wat er na de dood en ook bij inwijding gebeurt.

Vr. – Er is ook een passage die vrij uitvoerig ingaat op het ‘openen van de mond’, en ik heb me afgevraagd waar dat op slaat. Kunt u dat uitleggen?

GdeP – U weet misschien dat in de esoterie de mond soms het ‘orgaan van de scheppende logos’ is genoemd. Het betekent eenvoudig dat de mond in het fysieke lichaam een van de organen is die een innerlijke kracht vertegenwoordigen: het orgaan door middel waarvan het denken tevoorschijn komt als woorden en daardoor het leven van onze medemensen wijzigt en verandert. Door de mond en de tong geven we uitdrukking aan de gedachten die we in ons hebben. Dat kan ook door gebaren, maar het gebeurt vooral door de mond. Het ‘openen van de mond’ is een technische uitdrukking uit de oude mysteriën. Het heeft betrekking op het verkrijgen van een spirituele kracht, de kracht om de esoterische wijsheid zó door te geven dat deze door anderen wordt begrepen. Men moet een ingewijde zijn om de esoterische wijsheid te kunnen overdragen. De leraar moet kristalhelder de lering in zijn geest hebben. Hij moet ook in staat zijn de kristalheldere gedachte die hij in zijn denken heeft uit te drukken in woorden die goed worden begrepen.

Vrienden, ik denk dat het goed is om de bijeenkomst van vanavond te besluiten. Wilt u op de gong slaan?

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 768-88

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag