30

Bijeenkomst op 14 april 1931

 

GdeP – Vrienden, binnenkort zal ik het Hoofdkwartier voor vijf of zes maanden verlaten. Voor ik vertrek, zou ik graag willen nagaan hoeveel u van de leringen die ik in de KTMG heb gegeven in u heeft opgenomen. Daarom geloof ik dat ik de werkwijze vanavond zal veranderen, en in plaats van vragen te beantwoorden zal ik ze stellen. Ik heb nog niet besloten of ik vrijwilligers zal oproepen om de vragen te beantwoorden die ik van plan ben te stellen, of dat ik bepaalde sprekers bij name daarvoor zal uitnodigen.

Om te beginnen heb ik me vaak afgevraagd hoeveel u van de werkelijke esoterische lering over devachan in u heeft opgenomen. Wat is het dat het devachan ervaart, en waar is het devachan als het werkelijk een plaats of positie inneemt, en wat zijn deze devachanische ervaringen precies? Ten tweede wil ik nagaan wat uw ideeën zijn over nirvana vergeleken met devachan.

Dus ten eerste, wat betekent dit woord ‘devachan’?

D – Een toestand van rust.

E – Het ‘verblijf van de goden’.

GdeP – Deze antwoorden geven korte beschrijvingen van de devachanische toestand. Maar wat het woord zelf betreft, is het een Engelse term?

Vele stemmen – Nee.

F – (Boven vele stemmen uit gehoord) Devachan is een leenwoord uit het Sanskriet.

GdeP – Neem me niet kwalijk maar als u allemaal tegelijk antwoord geeft, zullen de stenografen niet in staat zijn de antwoorden te noteren. Ik zal de sprekers nu bij name moeten noemen. F, wat is ‘devachan’ als woord beschouwd. Wat is de oorsprong en de wortel ervan?

FDeva is een Sanskriet- en chan een Tibetaans woord, en de betekenis is ‘de godenwereld’.

GdeP – Dat is juist,* en dat is ook de exoterische betekenis die door het Tibetaanse volk wordt gegeven aan het woord devachan, dat in feite een bepaalde bewustzijnstoestand betekent, ondergaan of ervaren door een geëxcarneerde mens. Door het het godenrijk te noemen geeft men een nauwkeurige vertaling van dit hybridische woord dat deels Sanskriet en deels Tibetaans is; en deze exoterische interpretatie is in zekere zin juist, omdat de entiteit die de devachanische ervaringen ondergaat tot die klasse van wezens behoort die in India vaak deva’s worden genoemd.

*Noot vert.: Het woord bde-ba-can, uitgesproken ‘devachan’, is het Tibetaanse equivalent van het Sanskrietwoord sukhavat dat ‘geluk hebbend’ betekent. Het Tibetaanse bde-ba-can-gyi-shing-khams betekent letterlijk ‘het gelukhebbende gebied’ een uitdrukking waarvan de betekenis overeenkomt met de bewustzijnstoestand die in theosofische literatuur ‘devachan’ wordt genoemd.

Een deva, of beter gezegd een hindoe-deva, is niet precies hetzelfde als wat een Griekse ‘god’ in de mythologie van Griekenland was. Er bestaat in feite een groot verschil tussen die twee. Toch is een deva of een devata een spiritueel wezen, of een wezen dat spirituele eigenschappen bezit. Bij de Ouden van het Verre Oosten was het gebruikelijk om elk geïndividualiseerd deel van de menselijke constitutie boven het astrale algemeen aan te duiden als een deva of devata, wat juist is, omdat de deva’s of devata’s zelf in heel verschillende graden of stadia van ijlheid of spiritualiteit, en in veel verschillende typen of soorten bestaan. Deva of devata is daarom een algemene term met de betekenis van een spiritueel of halfspiritueel wezen van bijna elke soort.

Mijn volgende vraag is: Welk deel van de mens gaat devachan binnen of gaat naar devachan, of beter gezegd, welk deel van de menselijke constitutie wordt een devachani?

D – Het vijfde en zesde beginsel.

GdeP – Ja, dat is juist, met nadruk op het vijfde.

B – Het hogere deel van manas.

P – Het reïncarnerende ego.

GdeP – Juist. Tot dusver waren uw antwoorden in het algemeen volkomen juist, maar u had ze zelfs in onze exoterische boeken gemakkelijk kunnen vinden. Ze geven geen blijk van een heel diep en helder begrip van de exacte aard van devachan. Hoe ziet u de devachani? Is hij een entiteit? Is hij alleen een energie. Als hij een entiteit is, heeft hij dan een lichaam?

F – Devachan is een bewustzijnstoestand, de hoogste bewustzijnstoestand die we kunnen bereiken.

GdeP – Ja, dat is waar als we de gewone mens beschouwen maar dat is niet precies een antwoord op de vraag. De vraag is: Wat is de devachani? Als hij een entiteit is, heeft hij dan een lichaam? Is hij één meter tachtig lang of één meter zestig? Heeft hij al dan niet brede schouders? Heeft hij een lange neus en grote voeten of een korte neus en kleine voeten? Welke kleur hebben zijn ogen? Met andere woorden, hoe ziet uw mentale beeld, als u er een heeft, van de devachani eruit?

V – Hij is de menselijke monade en hij heeft een voertuig, dat wil zeggen hij is een entiteit; maar in feite is hij een levensatoom zou men kunnen zeggen. Hij komt terug als een levensatoom.

T – Ik denk dat de devachanische entiteit of tenminste haar lichaam het aurische ei is.

L – Ik geloof dat hij het beste is van de laatste persoonlijkheid van het ego op aarde, dat deel ervan dat in staat is zich met het hogere manas te verenigen, en dat hij daarom leeft in de gespiritualiseerde en hoogste elementen die het afgelopen leven op aarde bevatte. Men zou inderdaad kunnen zeggen dat hij een lichaam heeft, en dat lichaam zou kunnen worden voorgesteld als een kleine uitbreiding van ruimte. Ik kan het niet heel duidelijk zeggen – maar ik denk dat hij leeft in een sfeer van het aurische ei en ook in de schoot van de monade.

GdeP – Ja, deze antwoorden zijn alle tot op zekere hoogte juist.

K – Ik kan nauwelijks inzien dat hij de monade zou kunnen zijn. Ik dacht dat hij eerder de projectie van de monade was: het kind van de monade door middel waarvan de monade ervaring kreeg in het leven op aarde en op die manier evolueerde; en dat hij belichaamd zou worden in materie die tot dat gebied behoorde. Hij zou niet vormloos zijn. Volgens mij zou hij een vorm moeten hebben maar van stof die tot het devachanische gebied behoort. In feite heb ik me nooit een voorstelling van een devachani gemaakt.

GdeP – U spreekt over het menselijke ego, nietwaar?

K – Ik spreek over het reïncarnerende ego, het hogere deel van het ego. Ik bedoel het hogere manas en het buddhi-beginsel, misschien wel het atma-buddhi-manas.

GdeP – U stelt het u daarom voor als een deel van de monade, en dat is juist. Het menselijke ego is een projectie van de monade. Dat is ook waar. Maar hoewel al deze antwoorden uitstekend waren, vormen ze geen duidelijk en nauwkeurig antwoord op de vraag. Ik geloof dat V, in de paar woorden die zij zei, het dichtst bij het juiste antwoord kwam, maar de vraag zelf is nog niet beantwoord. Ik herhaal die: Wat is uw voorstelling van de devachani als een entiteit, even afgezien van zijn spirituele en intellectuele eigenschappen? Heeft hij omvang, neemt hij ruimte in?

C – Ik probeer mij hiervan een voorstelling te maken door altijd mijzelf te onderzoeken. Het bewustzijnscentrum in mijzelf moet ruimte innemen, en toch kan het niet duidelijk worden omlijnd. Het schijnt een eenheid van ruimte te zijn die in elke richting bijna oneindig uitgebreid is, groot of klein, zodat ik geen voorstelling van mezelf maak als een bewustzijnscentrum met een bepaalde begrenzing wat ruimtelijke uitgebreidheid betreft.

Volgens mij is de devachani een bewustzijnscentrum waarin de hoogste aspiraties en gedachten van het daaraan voorafgaande leven door verwantschap of aantrekkingskracht rond dit bewustzijnscentrum zijn samengetrokken, verenigd en verdicht. Dit bewustzijnscentrum blijft binnen het aurische ei, al is het een emanatie van de monade, gedurende de tijd die nodig is om de spirituele ervaringen uit het juist geëindigde leven te verwerken en te assimileren, terwijl het proces van denken of verwerken ongeveer zoals in diepe meditatie of overdenking verloopt. Deze schets verduidelijkt misschien het beeld dat ik me van de devachani heb gevormd. Ik denk dat hij vorm en substantie heeft, en toch zijn deze van een soort die moeilijk af te bakenen of zelfs te omschrijven is.

GdeP – Dat is heel goed gezegd, maar nog steeds heb ik het gevoel dat de kern van mijn vraag niet is beantwoord. Ik zou graag een scherpomlijnd en ondubbelzinnig antwoord hebben op de volgende vraag: Stelt u zich de devachani voor als een entiteit met uitgebreidheid of als iets zonder uitgebreidheid? Het is volkomen juist om over hem te spreken als een bewustzijnscentrum. Hij is ook het reïncarnerende ego. Hij bestaat ook in de kern van het aurische ei. Al de kenmerken en eigenschappen die door de verschillende sprekers aan hem zijn toegeschreven zijn juist. Maar heeft de devachani op dezelfde manier uitgebreidheid als dat ons menselijke fysieke lichaam ruimte inneemt? Laten we ieder punt beantwoorden zoals het zich aandient, en daarna zullen we het volgende punt bespreken. Op deze manier hoop ik uit uw bewustzijn de wijsheid en kennis tevoorschijn te brengen waarvan ik weet dat ze er zijn, maar die u zelf nog niet tevoorschijn heeft gebracht. Wil iemand mijn vraag beantwoorden?

T – Geen uitgebreidheid zoals wij mensen die hebben.

GdeP – Dat is juist.

G – Omdat de devachani zich niet langer op de vormgebieden bevindt, zou hij geen vorm hebben en als bewustzijnscentrum zou hij geen stoffelijke uitgebreidheid hebben.

GdeP – Ja, dat is waar; toch behoort de devachani strikt genomen niet tot of bestaat hij niet in de arupa- of zogenaamde ‘vormloze’ gebieden. De devachani behoort nog tot de ene of de andere van de rupa-werelden, maar devachan zelf heeft vele graden die zich uitstrekken van de hoogste graden van de rupa-wereld opwaarts naar de arupa- of vormloze werelden.

De devachani is goed omschreven als een bewustzijnscentrum zonder stoffelijke uitgebreidheid. Trek nu alstublieft een belangrijke conclusie uit dit juiste antwoord. Een bewustzijnscentrum zonder uitgebreidheid betekent een bewustzijnscentrum zonder delen, zonder lichaam, en neemt geen plaats in zoals dat gewoonlijk wordt opgevat. Wat is het dan? Een mathematisch of denkbeeldig ‘punt’ – en toch bestaat het. Daarom is het. Ga een stap verder. Vat moed! Wees niet bang voor een waarheid wanneer u die ziet. Waar is het devachan?

Vele stemmen – Nergens! Overal! Overal om ons heen!

GdeP – ‘Nergens, overal, overal om ons heen.’ Dat is het antwoord. Begrijpt u dan dat een entiteit – een bewustzijnscentrum zonder uitgebreidheid – haar devachan kan hebben in de zon of in de maan of op aarde of op een van de planeten of in de blaadjes van een bloem op aarde, in een druppel water of in een stuk lood of staal? Is dat juist?

F – Ze bevindt zich in de schoot van de monade.

GdeP – Tot op zeker hoogte is het antwoord juist. Maar hoe brengt u dat antwoord in overeenstemming met de uitspraak die eerder werd gedaan, dat het devachan overal kan zijn?

L – De devachani leeft volgens mij in zijn eigen ideële bewustzijn in een wereld van mentale vormen, in zijn gedachtebeelden; hij leeft dus ook in een wereld van kleur en vorm, dus beweegt hij zich en leeft hij een werkelijk leven. Hij heeft een idee van uitgebreidheid van vorm, van geluiden, van kleuren, maar dan van een spiritueel gehalte. Natuurlijk is dit maya, zoals alles. Toch moet de devachani op een of andere manier worden voorgesteld – niet zo vastomlijnd als onze lichamelijke levens, met vorm en misschien een ideële uitgebreidheid, maar deze zou heel heel klein kunnen zijn; ook zou de devachani samen met de monade de circulaties in de kosmos kunnen volgen, naar de zon, misschien zelfs naar de ouder-ster.

Devachan heeft daarom geen vaste plaats in de ruimte, maar ik stel het me altijd voor als een wereld van ijlere stof; toch zou die wereld uiterst klein kunnen zijn. Als alles in die wereld relatief is, zal de devachani zich even gemakkelijk ideeën vormen van die wereld als van een grote wereld.

GdeP – Vooral het laatste deel van het antwoord is helemaal juist. Het eerste schijnt nogal vaag, maar is ook juist. Volgens wiskundigen heeft een mathematisch punt een positie maar geen uitgebreidheid. Nu komt de vraag: Kan een mathematisch punt een deel van een concrete substantiële entiteit zijn? Kan het zich in een bloemblaadje bevinden, in een deel van een stalen lemmet van een zakmes, in een deel van een boomtak? Nee, want dit zijn allemaal stoffelijke dingen, en de devachani bestaat in een andere bewustzijnssfeer dan die waarin deze dingen bestaan. Toch zou de devachani, hoewel hij op een ander en meer spiritueel gebied bestaat dan het onze, door de verbeelding overal kunnen worden gesitueerd: in een bloemblaadje, in een stukje hout of wol, eigenlijk overal, maar niet als een atoom van die stoffelijke dingen. De devachani is in essentie een centrum of punt van bewustzijn.

We kunnen nu een andere interessante conclusie trekken. De adept, de meester van menselijk bewustzijn, met andere woorden een mahatma, vindt het heel gemakkelijk zijn bewustzijn kleiner dan het kleinste atoom te maken, met andere woorden een bewustzijnscentrum te worden. Als hij dat is geworden, is de hele stoffelijke sfeer voor dat bewustzijnscentrum doordringbaar, en met een enkele inspanning van zijn wil kan hij, dit bewustzijnscentrum, zichzelf naar elke plek in de ruimte verplaatsen, waarheen hij maar wil. Hierin ligt het geheim van wat de Tibetanen het toepassen van hpho-wa noemen – het projecteren van het bewustzijn.

Ik heb deze vraag om een speciale reden gekozen. Als u heldere ideeën heeft over de devachani, zijn aard, zijn karakter, zijn plaats in de ruimte als hij die heeft, zijn eigenschappen en vermogens, dan kunt u uit deze heldere ideeën veel interessante geheimen van het occultisme afleiden en veel verklaringen van mysteries vinden die tot nog toe voor u moeilijk waren te doorgronden, omdat u over deze onderwerpen geen heldere ideeën heeft gehad en zich geen scherpomlijnd beeld erover heeft gevormd.

We zullen nu de aard of het karakter van het bewustzijn van de devachani bespreken. Devachan wordt soms een ‘droom’ genoemd. Vindt u deze bewering juist?

L – Nee.

GdeP – Mw. L zegt: nee. Haar antwoord is juist. Maar waarom wordt het zo vaak en in zeker opzicht terecht een droomtoestand genoemd?

S – Omdat het opvatten van devachan als een droomtoestand de beste benadering is die door ons menselijk denken kan worden begrepen. Het lijkt het meest op de droomtoestand zoals we die kennen.

GdeP – Dat is tot op zekere hoogte juist. Het wordt ook, en misschien is dat nauwkeuriger, een droomtoestand genoemd omdat het geen oorzakelijke bewustzijnstoestand is. Het is een bewustzijnstoestand die een gevolg, een resultaat, is. En een droomtoestand is een gevolg van wat aan de slaap waarin de droom optreedt is voorafgegaan. Devachan wordt alleen een droom genoemd omdat dit woord ‘droom’ misschien het meest vertrouwde beeld vormt dat kan worden opgeroepen om het te beschrijven. Devachan wordt een ‘droom’ genoemd want, zoals de droomtoestand van een slapende mens een abstractie vormt van het werkelijke deelnemen aan fysieke zaken en niettemin een bewustzijnstoestand is, zo vormt de bewustzijnstoestand van de devachani een abstractie van het oorzakelijk werken in de wereld terwijl hij toch in een staat verkeert van spirituele verwerking en assimilatie. De devachani verkeert in een toestand van gevolgen, precies zoals een droom van een slapende mens voor zijn bewustzijn een staat van gevolgen is.

Het is onjuist te zeggen dat de devachani ‘slaapt’, als u het woord ‘slaapt’ letterlijk neemt. De devachani bevindt zich in feite in een heel actieve bewustzijnstoestand, maar ook een droom kan een heel actieve bewustzijnstoestand zijn. Zoals dromen de gevolgen zijn van niet alleen alle gebeurtenissen van de vorige dag die een indruk hebben achtergelaten op het denkvermogen, maar ook van het hele eraan voorafgaande leven – dat wil zeggen het leven vanaf de geboorte tot de dag van die slaap – evenzo is het devachan het gevolg, het resultaat van het leven dat juist is geëindigd en ook van alle daaraan voorafgaande incarnaties.

Wanneer deze ideeën u helder voor de geest staan, kunt u de vragen van nieuwe studenten beantwoorden, van vreemden die pas met de theosofie hebben kennisgemaakt, en die vanzelfsprekend min of meer verbijsterd zijn door wat hen toeschijnt als een rijke voorstellingswereld en een rijke schatkamer van gedachten die zich dan voor het eerst aan hun denken openbaart. Daarom zullen enkele eenvoudige gedachten over deze zaken u veel kunnen helpen bij het beantwoorden van vragen, en ook uzelf aanwijzingen kunnen geven over andere mysteries waarnaar ik heb verwezen.

In welk opzicht verschilt de toestand van de devachani van die van de nirvani?

R – Ons is verteld dat het devachan een lagere staat is dan de nirvanische. Dat houdt in dat het devachan in zekere zin dichter bij het stoffelijke gebied staat. Ik stel me de nirvani voor als een mathematisch punt van bewustzijn, en dat het nirvanische gebied in een andere ruimte bestaat dan het gebied van devachan. Toch beschouwen we de nirvani als hoger dan de devachani. Maar als de devachani een mathematisch punt wordt, hoe kan de nirvani – die waarschijnlijk ook een mathematisch bewustzijnscentrum is – dan hoger staan dan de devachani, want beiden worden omschreven als bewustzijnscentra?

Enige tijd geleden sprak u over de verschillende soorten verdelingen in het aurische ei, en u zei dat er graden in het aurische ei waren, opklimmend van iets dat heel dicht bij het fysieke stond tot iets dat bijna zuiver etherisch was.

GdeP – Die laatste uitspraak is waar.

R – Dat leek me een waardevolle aanwijzing. Met ons zwakke hersenverstand kunnen we een punt zonder uitgebreidheid niet begrijpen. We kunnen alleen geloven dat het zo is. In geringe mate kunnen we een intuïtieve glimp van die dingen opvangen.

Maar het was voor mij een probleem dat de graden van devachan lager waren, dichter bij de stoffelijke gebieden lagen, dan die van nirvana, en dat de devachani en de nirvani toch bewustzijnscentra worden genoemd die niet-stoffelijke punten zijn. Hoe kan de devachani, die een niet-stoffelijk punt is, dan minder hoog zijn dan de nirvani die ook een niet-stoffelijk punt is?

GdeP – U maakt niet alleen enkele zeer interessante opmerkingen, maar heeft daarbij een nogal gevaarlijke uitspraak gedaan. U zegt dat het menselijk denken de staat van nirvana niet kan bevatten, of woorden van die strekking.

R – Nee, ik bedoelde dat het menselijke denken zich een zuiver mathematisch punt, een abstract punt, niet kan voorstellen.

GdeP – Waarom niet?

R – We hebben het met Euclides geprobeerd.

GdeP – Als u bedenkt dat een mathematisch punt, volgens de theorie, geen uitgebreidheid maar alleen positie heeft, dan zult u beseffen dat daarover als een stoffelijke entiteit – wat het in feite niet is – niets te begrijpen valt. Dus bent u bezig in een kringetje rond te draaien wanneer u het zo probeert te beschouwen. Een mathematisch punt kan worden beschouwd als een bewustzijnspunt. Onderzoek de bewustzijnskant ervan in plaats van de stoffelijke-uitgebreidheid-kant ervan, die het niet heeft, en het wordt onmiddellijk duidelijk, gemakkelijk te begrijpen – tenminste in theorie.

Nirvana kan in één betekenis van het woord worden beschouwd als precies het tegenovergestelde van devachan. In nirvana is het bewustzijnscentrum of -punt geheel en al ontwaakt, actief, zich volledig bewust van zijn individuele bestaan als entiteit, en ondanks dit feit zelfbewust van zijn eenheid met het heelal. Deze twee sluiten elkaar noodzakelijkerwijs in. Het zijn twee manieren om hetzelfde te zeggen. De devachani daarentegen is een ‘dromende’ entiteit, verkeert in een toestand waarin het bewustzijn alleen met gevolgen te maken heeft, en daarom met een bepaald aantal visioenen, beelden of voorstellingen van bewustzijn. Rondom en door en boven dit beperkte aantal voorstellingen van het bewustzijn blijft hij eeuwenlang bestaan zolang het devachan duurt. Hij doorloopt de cyclussen van het geheel van gedachten waarin hij dan is gewikkeld, weerspiegelt al de mogelijke veranderingen van deze bewustzijnstoestanden. Kunt u dit volgen?

R – Ja, heel verhelderend.

GdeP – De nirvani is daarentegen geheel vrij in zijn bewustzijn. Hij is volledig ontwaakt. Hij is één geworden met het heelal. Nirvana is in zekere zin precies de tegenovergestelde toestand van devachan. De nirvani is vrij – niet gewikkeld in een droomstaat van zijn eigen gedachtebeelden.

Nirvana betekent een ‘uitblazen’, een verdwijnen, zoals de vlam verdwijnt wanneer u een kaars uitblaast. Elke vlam en warmte en geur en geluid, het leven vol zorgen en onrustig gepraat van de fysieke persoon wordt ‘uitgeblazen’, en het zuivere bewustzijn, onvervalst, puur en niet gehinderd door beperkingen, wordt dan bevrijd, zodat alleen bewustzijn overblijft. Dat is nirvana.

Wanneer een mens alle persoonlijke beperkingen kan overstijgen – en het aantal daarvan is heel groot – dan is hij in nirvana, althans in een van de lagere graden ervan. De devachani is een entiteit die nog is gewikkeld in de sluiers en gewaden van de individuele persoonlijkheid, of anders gezegd van de persoonlijke individualiteit, hoewel vergeestelijkt en als in een droom.

C – Ik heb begrepen dat de toestand van de devachani, zoals die in de boeken wordt beschreven, iets is dat zich voordoet na de dood van het fysieke lichaam. Het is een bewustzijnstoestand waarbij de entiteit wordt omringd door iets wat even werkelijk en substantieel lijkt als de wereld waarin zijn bewustzijn zich bevond vóór de verandering die de dood wordt genoemd. Het wordt vergeleken met een droomtoestand, maar een droomtoestand die even werkelijk is als wat wij de waaktoestand noemen. In onze dromen die levendig zijn, zijn er oorzaken die tot gevolgen leiden overeenkomstig de aard van ons bewustzijn op dat moment.

Daarom rijst de vraag: Volgens welke maatstaf kunnen we in ons eigen bewustzijn vaststellen of we al dan niet een devachani zijn? En volgt daaruit logischerwijs dan niet dat, pas als het bewustzijnscentrum – dat wil zeggen de innerlijke entiteit van ieder van ons – door en door zelfbewust is geworden, bewust van zijn eigen goddelijkheid, van zijn werkelijke zelf – met andere woorden een nirvani is – men kan zeggen dat de devachanische toestand onafgebroken bestaat? Volgens welke maatstaf kunnen we bepalen of we op dit moment in deze schijnbaar werkelijke wereld in de devachanische toestand verkeren die door onze eigen verbeelding is voortgebracht?

GdeP – Dat is heel bewonderenswaardig gesteld. Het is in feite een bijzonder diepzinnige uitspraak. Maar ik zou één voorbehoud willen maken. Het is volkomen waar dat het devachan alleen een uitbreiding is van onze tegenwoordige menselijke bewustzijnstoestand op een etherisch gebied, precies zoals een droom dat is. Maar ‘devachan’ is niettemin een technisch woord, en betreft alleen de bewustzijnstoestand van het geëxcarneerde reïncarnerende ego.

In feite zijn er mensen, en velen van hen leven op dit moment op aarde, die ook nu hun devachan nauwelijks hebben verlaten. Ze hebben het devachan met zich meegebracht bij hun reïncarnatie. Ze bevinden zich tot op zekere hoogte nog in de devachanische toestand, in een droomtoestand, een toestand die min of meer een voortzetting is van de toestand tussen twee levens. Iemand die het leven meester is, is erin geslaagd zich blijvend uit deze droomtoestand – die ten onrechte, maar vaak zo wordt genoemd – te verheffen naar een hogere spirituele staat van werkelijkheid, en dit is het begin van nirvana, zelfs tijdens het leven op aarde.

B – Is het juist om devachan een gelukzalig visioen te noemen, en nirvana een gelukzalig besef?

GdeP – Ja, dat is vanuit één gezichtspunt misschien waar.

B – En zou men het nirvanische bewustzijn niet moeten beschrijven als monadisch, een bewustzijnstoestand waarin iemands individuele bewustzijn is opgegaan in het monadische?

GdeP – Ja, beide uitspraken zijn juist. Ik wil graag het laatste deel van wat u zei nader bepalen niet om het te verbeteren, maar misschien om er iets meer licht op te werpen.

De nirvanische staat is een zuiver monadische staat, maar in de betekenis van de ontwikkelde monade. Alle vermogens en krachten die nu eigen zijn aan de monade worden dan volledig tot uitdrukking en tot bloei gebracht.

Ik wil nu terugkomen op de opmerking die T terecht maakte over devachan, en hoe dat zich verhoudt tot het aurische ei. Denkt u dat het aurische ei onveranderlijk is?

Vele stemmen – Nee.

GdeP – Dat is juist. Zoals al het andere verandert het aurische ei voortdurend. Het is geen twee opeenvolgende seconden hetzelfde. Zoals al het andere is het in beweging. Het groeit, het ontwikkelt zich, het verandert. Maar terwijl het waar is dat de devachani in de kern van het aurische ei ‘zetelt’, is dit aurische ei dan, ruimtelijk gesproken, zolang de staat van devachan duurt, even omvangrijk als tijdens het leven?

L – Nee.

GdeP – Ook dat is juist. Wat gebeurt er dan met het aurische ei tijdens het devachan indien het kleiner is dan tijdens het leven op aarde van het individu?

G – Omdat de beginselen die de constitutie van de mens vormen zijn samengesteld uit de verschillende graden van het aurische ei, zou daaruit volgen dat, wanneer de lagere beginselen worden afgeworpen, de lagere graden van het aurische ei in feite tijdelijk worden afgeworpen en dat dan alleen de hogere delen blijven bestaan en opgaan in de schoot van de monade.

GdeP – Dat is juist, maar het beantwoordt nog steeds niet de kern van de vraag. Ik zal deze een beetje anders stellen: Hoe groot is het aurische ei van de devachani? Welke ruimte neemt het in?

J – Een die in verhouding staat tot zijn omvang in die toestand.

GdeP – Werk dat iets verder uit. U heeft geen ongelijk, maar ik had graag dat u uw antwoord duidelijker formuleerde.

J – Als de devachani slechts een mathematisch punt is, dan zou het aurische ei alleen maar een bedekking zijn van dat mathematische punt.

GdeP – Precies. Bedoelt u dat het aurische ei in afmeting krimpt tot een mathematisch punt dat geen afmeting heeft?

J – Men denkt er niet over als iets dat een afmeting heeft.

GdeP – Hoe denkt u er dan over?

J – Een mathematisch punt is een levend bewustzijnscentrum, en dus moet het aurische ei daarvan ook leven. Het kan een bewustzijnscentrum zijn, en het aurische ei bestaat dan uit de gevolgen van dit bewustzijnscentrum.

GdeP – Dat antwoord is veel dichter bij de waarheid. Het hele aurische ei, dat de hele mens is, krimpt in tijdens het devachan, maar bij verschillende individuen gebeurt dit op verschillende manieren. Toch kan men zeggen dat het aurische ei in het algemeen krimpt tot ‘slechts een bedekking’ of een huid rond het bewustzijnscentrum.

Nu een andere vraag: Als het bewustzijnscentrum wordt vergeleken met een mathematisch punt met positie maar zonder volume, zonder omvang, slaat dit dan alleen op onze fysieke wereld, of ook op de innerlijke gebieden?

F – Alleen op de fysieke werelden.

GdeP – Dat is juist. Met andere woorden, het aurische ei bestaat nog steeds op andere gebieden als de sluier, of het geheel van sluiers, rond de devachani. Is dat juist?

F – Ja.

GdeP – Dat is juist. Het aurische ei is een uitbreiding van de verschillende energieën die het bewustzijnscentrum tijdens het reïncarneren bevat. Naarmate deze energieën opwellen uit de kern van het bewustzijnscentrum, uit de monade, groeit het aurische ei, zet het pari passu uit. Dit uitzetten begint vanaf het ogenblik dat de devachani devachan verlaat, en gaat door vóór en na de geboorte tot de volwassenheid is bereikt. Het hele postmortale proces bestaat uit het intrekken van de verschillende sluiers die het aurische ei samenstellen en die weer worden opgenomen in het bewustzijnscentrum. U moet dit weer opnemen niet beschouwen als een verdichting. Ze worden weer in het bewustzijn opgenomen, en wat vroeger was uitgeworpen, wordt nu teruggetrokken in het hart van het bewustzijn.

Daarom is de devachani een entiteit die overal kan bestaan, omdat ze geen duidelijk afgebakende lichamelijke afmetingen heeft. Devachan is een bewustzijnstoestand. De devachani is een bewustzijnscentrum in de kern van de menselijke kind-monade, en deze kind-monade, die als het ware een mathematisch punt is, wordt dan teruggetrokken in de schoot van de monadische essentie, in de schoot van haar ouder, de spirituele monade.

G – Is het juist als men zegt dat, omdat deze entiteit, deze devachani, in de schoot van de monade is, de monade daarom de staat van devachan in zich bevat, en nog een stap verder, dat ze de staat van nirvana in zich bevat, of in feite elke staat?

GdeP – Zeker.

G – En daarom zeggen we ‘Ik ben Dat’?

GdeP – Zo is het. Wanneer we in het algemeen over een monade spreken, en niet over een bepaalde monade – een spirituele of menselijke of psychische of astrale – kan men zeggen dat de monadische essentie alle bewustzijnstoestanden, actief of latent, in zich bevat. Haar hogere deel is in nirvana of is een nirvani. Het menselijke deel is, na de dood van de fysieke mens, in zijn devachan. Het astrale deel is in een droomloze slaap, is als entiteit tijdelijk tenietgedaan, maar bestaat nog als onbewust bewustzijn, ongeveer als een slapend levenszaad – zoals het geval is met het zaad van een boom waarin de levenskiem tijdelijk passief is en slaapt, maar er niettemin is.

Deze onderwerpen en denkbeelden die we vanavond hebben besproken zijn van toepassing op zowel een heelal als een mens. Bent u zich goed bewust dat wat wij mensen door de zwakheid van ons intellect het ‘grenzeloze’ of de ‘grenzeloze ruimte’ noemen, eenvoudig het akasa en zijn ethers is, en dat de monaden en atomen die in dat akasa en zijn ethers bestaan tot een uitgestrekte en onbegrijpelijke entiteit behoren? In het klein kan deze worden vergeleken met een geïncarneerde mens. De christelijke schrift zegt: ‘Daarin leven we, bewegen we en hebben we ons bestaan.’ Zoals een scheikundig atoom in een menselijk lichaam leeft, zich beweegt en daarin zijn levenscyclus heeft, zo vormt een zonnestelsel of een zon of een planeet of een mens een deel – groot of klein, afhankelijk van het geval – van deze uitgestrekte, onbegrijpelijke kosmische of superkosmische entiteit.

Toch heeft deze superkosmische entiteit, vergeleken met de grenzeloze oneindigheid, slechts de omvang van een dimensieloos punt, om een paradox te gebruiken. De superkosmische entiteit zelf is maar een levensatoom in het wezen – in het lichaam – van een nog omvangrijkere entiteit. De natuur herhaalt zich overal, omdat er volgens een bepaalde wet maar één leven is, en deze wet is de wet van dat universele leven zelf. Daarom moet iedere ondergeschikte entiteit of ieder ondergeschikt levensatoom dat het lichaam of het wezen van dat ene leven vormt, die fundamentele wet gehoorzamen. Dit is de reden waarom de natuur zich herhaalt, waarom cyclussen bestaan, en waarom de wet van analogie zo’n grote sleutel is om de mysteries van het heelal te ontsluiten: ‘zo boven, zo beneden’. Wat beneden is kunt u, als u wijs genoeg bent, interpreteren als een cyclische reproductie of weerspiegeling van wat boven is.

We hebben vanavond vaak de uitdrukking ‘een mathematisch punt’ gehoord. Dat zijn geliefde woorden van de Europese en Amerikaanse wiskundigen van deze tijd, en ik heb me vaak afgevraagd wat ze er precies mee bedoelen. Het is voor het denken een heel gemakkelijk te gebruiken cliché, een bewustzijnsvakje dat het etiket ‘een mathematisch punt’ draagt. Deze wiskundigen zeggen dat een mathematisch punt positie heeft maar geen omvang. In zekere zin is deze uitspraak juist, omdat het min of meer nauwkeurig een ‘bewustzijnspunt’ beschrijft. Bewustzijn per se heeft geen omvang, wat beperking betekent, omdat het het kenmerk van een punt heeft maar ook universeel is. Het heeft positie en duur en ook een geschiedenis. Het betekent een entiteit of een groep of groepen van entiteiten.

Maar ik wil nog iets dieper ingaan op de leringen van onze Oosterse School en u erop wijzen dat, omdat een ‘mathematisch punt’ van bewustzijn een entiteit is en een geschiedenis heeft – omdat het karma maakt en tenietdoet – het bereik van zijn zelf, juist omdat het geen afmetingen heeft, niet door omvang wordt beperkt. Zo’n bewustzijnspunt is niet per se aan een bepaalde plaats gebonden omdat het is geworteld in het universele bewustzijn; en dit alles betekent precies hetzelfde als dat men zegt dat het overal kan zijn.

Denk na over deze verbazingwekkende paradox van essentieel bewustzijn. Het betekent dat de essentie van bewustzijn zowel universeel als specifiek is – universeel per se, en specifiek in de positie die het op een bepaald moment of in een bepaalde cyclus inneemt. Anders gezegd, de essentie van bewustzijn is universeel, maar zijn levende of specifieke sluier of voertuig heeft positie. De wortel van de wortel van de kern van het hart van de kern van u is het hart van het heelal. Wat een verbazingwekkende paradox! U kunt geen grenzen stellen aan de essentie van bewustzijn, bewustzijn per se, door een bepaalde omvang te vergroten of te beperken. Bewustzijn staat buiten de tijd zoals mensen tijd opvatten, zoals de duur van een dag en een nacht, en van jaren, en van de tijdsperioden van het heelal. Het is verhevener dan deze verschijningsvormen, en het is noumenaal. Daarom staat het boven elke omvang of maat die tot de stof behoren. Het is feitelijk nergens omdat het nergens in het bijzonder is, wat zou betekenen dat het op één plaats zou bestaan en nergens anders zou kunnen bestaan. Dus bestaat het nergens in het bijzonder en bestaat toch overal.

Enkele Europese filosofen hebben deze gedachte min of meer duidelijk begrepen, zoals Pascal, die het denkbeeld aan bepaalde Griekse en Romeinse filosofen heeft ontleend. Pascal wees erop dat ‘God’ kan worden opgevat als een cirkel waarvan het middelpunt overal is en de omtrek of uiterste begrenzing nergens is – dat wil zeggen, overal. Of u kunt de beeldspraak omdraaien en zeggen dat de goddelijkheid datgene is waarvan het centrum nergens is en de omtrek of de beperkende grens overal. De omschrijving komt in beide gevallen neer op hetzelfde ideale denkbeeld.

_____

Vrienden, denkt u niet dat mijn vragen en uw antwoorden u hebben geholpen?

Vele stemmen – Ja.

GdeP – Dat denk ik ook. We zullen onze discussie vanavond nog enige tijd voortzetten, en dan zal ik de bijeenkomst sluiten. Begrijpt u, uit wat we tot nu toe samen hebben bestudeerd, wat de essentie van de mens is? Als we alle eigenschappen even buiten beschouwing laten, wat is dan de essentie van een mens?

Vele stemmen – Bewustzijn.

GdeP – Dat is juist. Dat bewustzijn bestaat in ieder van ons mensen als een geïndividualiseerd bewustzijnscentrum. Begrijpt u dat dit bewustzijnscentrum eeuwig is?

Vele stemmen – Ja.

Vele stemmen – Nee.

C – Dat zou het kunnen zijn.

R – Ik denk niet dat het bewustzijnscentrum eeuwig kan zijn, maar dat het bewustzijn zelf eeuwig is.

GdeP – Dat is het juiste antwoord als we het hebben over de essentie van bewustzijn, of bewustzijn per se. Maar het bewustzijnscentrum is een tijdelijk brandpunt van bewustzijnsenergie. En omdat dat brandpunt een geschiedenis heeft, met andere woorden karma maakt en afwerkt, moet het noodzakelijkerwijs een voortdurende en nooit eindigende reeks veranderingen ondergaan.

Toen de Heer Boeddha een van zijn verhevenste en edelste waarheden verkondigde: ‘Broeders, denk eraan, de mens heeft geen eeuwige ziel’, gaf hij daarmee uiting aan een van de diepste psychologische feiten die ooit door een mens werden uitgesproken. Deze verklaring is een van de meest hoopgevende gedachten die ik ken. Ik ben benieuwd of u begrijpt waarom dat zo is. Deze verklaring van de Boeddha betekent eeuwige groei, en doet het denkbeeld teniet dat het menselijke ego een veronderstelde onsterfelijkheid heeft waarbij het altijd hetzelfde blijft in gekristalliseerde onbeweeglijkheid, wat zou betekenen dat dit ego zich niet zou kunnen verbeteren. Is het niet opmerkelijk dat die verheven gedachte van de Heer Boeddha voor Europeanen altijd zo onaanvaardbaar is geweest? Het is werkelijk een leer die veel steun geeft, een heel bemoedigende gedachte. Wat houden westerlingen toch van zichzelf met hun persoonlijke beperkingen!

A – Tijdens de discussie van vanavond is bij mij de gedachte opgekomen dat onpersoonlijkheid de sleutel is tot alles in het heelal; dat de devachanische toestand zelf slechts een veredelde staat van onpersoonlijkheid is – dat wil zeggen, vanuit de persoonlijkheid gezien het hoogste. En hoe onpersoonlijker we worden, des te meer naderen we nirvana en worden we ons bewust van ons werkelijke zelf. Dat wil zeggen, het gewone bewustzijn van het zelf wordt overstegen en wordt het bewustzijn van al wat is.

GdeP – Dat is volkomen waar. U heeft begrepen wat de diepste essentie van de waarheid is. Onpersoonlijkheid, die een groei van bewustzijn betekent, is het geheime mysterie van goddelijkheid. Alle esoterische evolutie, alle training voor het chelaschap, houdt een voortdurende groei in van onpersoonlijk leven, een zich steeds uitbreidende onpersoonlijkheid in en van bewustzijn. Het goddelijke is volkomen onpersoonlijk, tenminste voor ons mensen. Wat voor ons goddelijk is, is in feite een entiteit, in tegenstelling tot de onbegrensde, grenzeloze oneindigheid; maar voor ons mensen is goddelijkheid onpersoonlijkheid en die goddelijkheid is de diepste kern van ons. Elke groei, elke evolutie, elke training in chelaschap betekent eenvoudig een meer en meer onpersoonlijk worden in ons bewustzijn. Onze individuele beperkingen zijn de dingen die ons bewustzijn aan banden leggen, die ons gebonden houden aan de persoonlijkheid, die ons verblinden, die de ketenen zijn aan onze spirituele energie. Deze beperkingen vernauwen onze visie, omdat ze de persoonlijke sluiers om ons heen zijn.

De sterke mens is hij die onpersoonlijker is dan anderen, die objectief kan waarnemen, onpersoonlijk kan waarnemen, met andere woorden die meer kan zien, spiritueel meer kan voelen, meer kan begrijpen, omdat hij zich niet heeft vernauwd, verdicht, rond het min of meer tijdelijke bewustzijnscentrum dat hij ‘ikzelf’ noemt – mij, ik. Het ik-ben-ik is getransformeerd of opgegaan in het ik-ben.

A – Uw commentaren op de antwoorden op de vragen die u stelde, komen mij voor als een verklaring van die schitterende passage in De Geheime Leer waar HPB spreekt over leven, werkelijk leven, als een steeds verdergaande reeks van ontwakingen waarbij men meer en meer het bewustzijn van het geheel gaat beseffen, waarvan wij als individuen, als individueel groeiende bewustzijnscentra, onlosmakelijke delen zijn.

GdeP – Dat is volkomen waar.

Laat ik vóór het sluiten van de bijeenkomst zeggen dat ik A dankbaar ben dat hij me in staat stelt de bijeenkomst te besluiten met gedachten over dit verheven thema. Vergeet nooit dat onpersoonlijkheid niet verlies van bewustzijn betekent. Het betekent heel nadrukkelijk een steeds verdere uitbreiding ervan. Het betekent dat het verpersoonlijkte bewustzijn zijn schaal van persoonlijkheid, die tot het lagere zelf behoort, doorbreekt en in de kosmische ruimten zijn vleugels uitslaat. Wanneer wij bewust in die kosmische ruimten kunnen leven, worden we als de goden, en dit is onze toekomstige bestemming. Ook daar houden we niet op; van goddelijkheid, van het worden van een god, zijn er eindeloze reeksen sporten die zich op de levensladder boven ons uitstrekken. Wij worden hogere goden, dan supergoden, dan godheden boven de supergoden, enz. De reeks is eindeloos. Iedere verandering naar onpersoonlijkheid in bewustzijn is werkelijk een nieuwe ontwaking, een ontwaking tot een grootser, een gelukkiger, een aangenamer, een meeromvattend leven.

Heeft u ooit in het hart van een mooie bloem gekeken? Heeft u nooit uw bewustzijn in sympathie voelen trillen met het bewustzijn van die mooie bloem? Wanneer u dat kunt, bent u al bezig de schaal van de persoonlijke beperkingen te doorbreken. En kijk dan – en dit is voor sommige mensen misschien gemakkelijker – onpersoonlijk in de ogen van iemand van wie u onpersoonlijk houdt en zie daarin de wonderlijke mysteries van bewustzijn, en de gesluierde diepten van gedachten. Als u op deze manier uit uw persoonlijke omhulsel komt, dan is dat in zekere zin een inwijding. Als u dit kunt, doorbreekt u de persoonlijke schaal om u heen, de schaal van de persoonlijkheid. Ga verder met deze training, ontplooi u steeds – ontplooi uw zelf. Elke nieuwe groei betekent een nieuw ontwaken tot glorie, tot een gevoel van heilige en wonderbaarlijke kracht. Ik weet niet hoe ik deze dingen op de juiste manier moet beschrijven. Woorden schieten tekort, maar in elk geval kan ik u, door zo tot u te spreken, aanwijzingen geven van de waarheden.

P – Er is één gedachte die zich aan mijn denken opdringt. Terwijl u spreekt, heb ik het gevoel dat dit ik-ben-bewustzijn een onbewust bewustzijn is. Ik kan het niet anders beschrijven. Is dat niet zo?

GdeP – Ja. Het is inderdaad ‘onbewust bewustzijn’ voor het zwakke persoonlijke denkvermogen, maar als u de schaal van het persoonlijke denken doorbreekt, wordt dit ‘onbewuste bewustzijn’ een groter licht van zelfbewustzijn omdat het spiritueel en onbeperkt is. Persoonlijkheid verdwijnt in onpersoonlijkheid, duisternis maakt geleidelijk plaats voor de dageraad.

Vrienden, ik geloof dat het goed is met deze gedachte te eindigen en de bijeenkomst te besluiten. Wilt u alstublieft op de gong slaan?

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 789-807

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag