31

Bijeenkomst op 12 mei 1931

 

GdeP – Vrienden, u zult zich herinneren dat ik op onze vorige bijeenkomst dacht dat het, in plaats van vragen te beantwoorden, interessant zou zijn te toetsen in hoeverre u de leringen die in deze KTMG zijn gegeven heeft begrepen. Het verheugt me te zeggen dat over het geheel genomen de antwoorden bijzonder bevredigend waren. Er was een zeker gebrek aan bekendheid met de details van de leringen, maar dit was ook te verwachten; de grondgedachten schenen door u echter duidelijk te zijn begrepen en werden in het algemeen duidelijk onder woorden gebracht. Ik denk dat we vanavond die manier van studeren zouden moeten voortzetten.

Ik vind het jammer dat dit onze laatste bijeenkomst is vóór ik op mijn lezingentournee ga, omdat ik had gehoopt om uw begrip van de leringen te vergroten door enkele bijeenkomsten met dit nieuwe plan door te gaan. Het is voor mij interessant te toetsen in hoeverre u heeft kunnen onthouden wat u al heeft gehoord, maar bovendien vergroot dit uw begrip van de leringen. Er is geen betere, praktischer en doeltreffender manier van leren dan om wat u heeft gehoord in eigen woorden weer te geven. Uw eigen denkvermogen wordt uw leraar, want u wordt dan gedwongen uw gedachten in begrijpelijke taal in te kleden. En dit doet een beroep op bepaalde mentale en zelfs spirituele vermogens die niet zo gemakkelijk worden opgeroepen door de leringen alleen maar aan te horen.

Ik zal deze methode vanavond voortzetten. Iedereen die dat wil kan antwoord geven op de vragen. Mijn eerste vraag luidt: In onze esoterische leringen en ook in de religieuze en filosofische geschriften van de hindoes wordt vaak gezegd dat de essentie van de mens het heelal is. Hoe vat u deze uitspraak op en welk beeld roept ze bij u op?

D – Dat de mens, de hoogste essentie van de mens, eenvoudig een straal van goddelijkheid is uit het Al-goddelijke dat alles doordringt.

GdeP – Heel juist. Als de mens in zijn essentie de grenzeloze oneindigheid is, met andere woorden het heelal, hoe komt het dan dat hij nu geen actief onbegrensd bewustzijn heeft? Waarom heeft hij niet een functionerend intellect dat geen beperkende grenzen van kennis heeft? Waarom is zijn bewustzijn een menselijk bewustzijn? Waarom is het niet een kosmisch bewustzijn?

M – Wanneer de hoogste essentie haar lange evolutiereis begint, hult ze zich doelbewust in illusie, in een steeds grotere en grotere illusie van afgescheidenheid, om een inzicht in en waardering voor haar eigen essentiële eenheid te ontwikkelen; en door dat te ontdekken, beseft ze wat de betekenis is van mededogen, dat niet alleen eenheid inhoudt, maar zelfbewuste eenheid.

GdeP – Ja, dat is in het algemeen waar, maar als u niet verder gaat dan dat, stuit u op deze vraag: Hoe komt het dat oneindigheid zich hult in het kleed van eindigheid? Hoe komt het dat grenzeloze energie en kracht heel beperkte energie en kracht worden?

U heeft me vaak horen zeggen dat de mens een samengestelde entiteit is. Hij leeft in een samengesteld heelal – technisch zeggen we een tienvoudig heelal, of een zevenvoudig heelal op de gemanifesteerde gebieden.

Neem me niet kwalijk, broeder E – spreekt u maar eerst, en daarna zal ik verdergaan met mijn eigen verklaring.

E – Ik wilde zeggen dat de vraag een implicatie bevat die in strijd is met de feiten. De vraag was: Waarom heeft de mens geen kosmisch bewustzijn? Misschien heeft hij dat wel. Het beschouwen van de mens als iets kleins en het heelal als iets groots, daarbuiten, zie ik als een wetenschappelijke of religieuze ketterij waar we vanaf proberen te komen. Maar ik zie niet waarom het heelal groot en de mens klein is. De mens kan een kosmisch bewustzijn hebben en als zijn bewustzijn beperkt is, dan kan ook kosmisch bewustzijn beperkt zijn. We zitten allen in hetzelfde schuitje, voorzover ik het begrijp.

GdeP – Filosofisch gezien is dat uitstekend verwoord. Ik zal nu verdergaan met wat ik begon te zeggen voor u sprak. De mens heeft inderdaad een kosmisch bewustzijn in het kosmische deel van zijn constitutie. Hij verwerft zich dat kosmische bewustzijn niet. Hij vormt het niet en wekt het niet op uit de uitgestrekte diepten van ruimte en tijd. In essentie heeft hij het reeds. In diepere zin is hij het. In het kosmische deel van zijn constitutie is hij dat kosmische bewustzijn.

Omdat de mens een samengesteld wezen is, leeft hij op tenminste tien gebieden, waarvan zeven gemanifesteerd en drie verborgen zijn. Het hoogste deel van de constitutie is Dat, waarover u me vaak heeft horen spreken als ‘het hart van het hart van de kern van de kern’ van hem – van zijn constitutie. Alle delen van zijn constitutie die lager zijn of die daarbuiten staan, al zijn andere vermogens en krachten, en dat betekent alle andere gebieden van zijn zevenvoudige of tienvoudige wezen, zijn alleen sluiers of gewaden van energie en bewustzijn die hij door zijn eigen psychische magie, die in tijd en ruimte werkt, door middel van evolutie om zich heen heeft geweven, ongeveer zoals een cocon wordt geweven rondom zijn inwonende entiteit.

Het is het hersenverstand dat zegt dat de oneindigheid zich in eindige gewaden hult. In feite is dat niet zo omdat het heelal in de grenzeloze duur tienvoudig blijft. U kunt zich het heelal voorstellen als een constante levensstroom of als levensrivieren uit het hart van het zijn, die voortdurend ontelbare menigten of legers van zelfbewuste godsvonken meevoeren, geboren uit de schoot van het heelal. Deze entiteiten zijn het die op deze levensrivieren worden meegedragen. En in feite zijn deze levensrivieren zelf samengesteld uit deze zelfbewuste en niet-zelfbewuste godsvonken, die hun tocht maken door de levenswoningen die eeuwig blijven bestaan, door de tien gebieden van de grenzeloze ruimte, van de binnenste naar buiten tot het tiende is bereikt. Dan keren ze op hun schreden terug, maar bij elke stap naar buiten en bij elke stap weer naar binnen naar het centrum waaruit ze oorspronkelijk zijn voortgekomen, wekken ze, ieder vanuit zichzelf, goddelijke, spirituele, intellectuele, psychische, astrale, vitale en fysieke energieën en vermogens en krachten op. Deze goddelijke vonken of monaden naderen op hun terugreis of na het keerpunt wanneer de cyclus weer omhoog leidt, steeds dichter tot de goddelijke bron waaruit ze oorspronkelijk zijn voortgekomen, niet langer als niet-zelfbewuste godsvonken, maar als zelfbewuste goden die uit zichzelf voortdurend meer volmaakte manifestaties van de altijd levende innerlijke energieën, ontwikkelen.

De mens heeft, of beter gezegd is, in zijn diepste kern een kosmisch bewustzijn. Dat is het hart van zijn wezen. Dat is in feite de oneindigheid. Hij heeft ook een goddelijk bewustzijn dat de schakel vormt met het thuisheelal waarin hij nu leeft, en dit thuisheelal is alles wat besloten ligt binnen de omringende gordel van de melkweg. Daarbij heeft hij ook een spiritueel bewustzijn waardoor hij karmisch in verband staat met ons eigen zonnestelsel, wat hem daarom maakt tot een zoon van de zon, want de spirituele zon is het spirituele hart en denkvermogen van ons zonnestelsel. Hij heeft ook vanuit zijn eigen spirituele diepten een intellectueel bewustzijn ontwikkeld of geëvolueerd, een manasaputrisch bewustzijn, dat het hoogste deel is van zijn eigen egoïsche individualiteit. Ook heeft hij een zuiver menselijk bewustzijn geëvolueerd, het kama-manasische bewustzijn waarin hij nu op deze aarde leeft, het gewone menselijke bewustzijn. Hij heeft ook een dierlijk bewustzijn ontwikkeld, bestemd om na verloop van tijd tot een menselijk bewustzijn te groeien, zoals het menselijke bewustzijn bestemd is om uit te groeien tot een spiritueel bewustzijn, en dit weer tot een goddelijk bewustzijn, enz.

Behalve een dierlijk bewustzijn heeft hij ook een fysiek gestel geevolueerd dat een bepaald fysiek of instinctief bewustzijn omvat, nauwkeuriger gezegd een astraal-fysiek bewustzijn, dat zijn levenskracht is die is verbonden met het lingasarira of astrale modellichaam en zijn fysieke lichaam. In feite functioneert de mens tegelijkertijd op alle tien verschillende treden of gebieden van zijn constitutie, maar niet tegelijkertijd op alle gebieden met dezelfde kracht.

Nadat ik u dit korte algemene beeld heb gegeven, zal ik nu mijn eigen vraag nauwkeuriger beantwoorden. Hoewel de mens in het hart van zijn hart kosmisch is, is hij niet kosmisch in zijn menselijk deel. Waarom? Omdat zijn menselijk deel een ego is dat hij vanuit zichzelf heeft ontwikkeld, en dit gedeeltelijk geëvolueerde egoïsche bewustzijnscentrum heeft wat zijn betrekkingen of zijn bewustzijn betreft een bereik dat precies in overeenstemming is met zijn eigen gedeeltelijk ontwikkelde innerlijke energieën. Op een soortgelijke manier heeft hij op een hoger gebied een spiritueel ego ontwikkeld, de bron van al wat verheven, edel en mooi is in de mensheid. Nog hoger heeft hij een goddelijk ego met een kosmisch bereik ontwikkeld, verhevener dan dat van het spirituele ego, waarvan het bereik zich nog verder uitstrekt dan dat van het menselijke ego. Terwijl de mens dus op alle tien gebieden van zijn constitutie functioneert, en terwijl hij zich op alle bewust is, is hij niet zelfbewust bekend met zijn bewustzijn op ieder gebied, behalve op dat ene gebied waar hij nu het meest actief is, dat wil zeggen het menselijke ego.

Als deze gedachten u duidelijk zijn, zult u gemakkelijk begrijpen dat de mens in zijn diepste kern het heelal zelf kan zijn – dat hij één kan zijn met het heelal: been van zijn been, bloed van zijn bloed, leven van zijn leven, en zich daarvan toch slechts vaag bewust is, omdat het menselijk voertuig dat hij heeft ontwikkeld en waarin hij nu leeft en functioneert nog niet zó veelomvattend is, nog niet verfijnd genoeg is, nog niet ver genoeg is geëvolueerd om het kosmische bewustzijn in zich op te kunnen nemen of het te bevatten. Het is misschien te vergelijken met een kwal die in zeewater leeft. De substantie van de kwal is dezelfde als die van de hem omringende zee. Maar de kwal – een ego – is een verdichte en daarom beperkte entiteit, en kan alleen begrijpen, als we kunnen zeggen dat hij begrip heeft, overeenkomstig zijn eigen lage graad van ontwikkeling. Hoewel hij alleen op dat beperkte gebied en in dat beperkte voertuig zelfbewust is, bevindt hij zich niettemin in het universele leven waaruit hij is voortgekomen en waarin hij tenslotte zal terugkeren, verrijkt met de karmische eigenschappen van evolutie die hij zal hebben verworven en de indrukken die hij zal hebben opgedaan.

Sir James Jeans, de eminente Engelse natuurkundige en astronoom, deed onlangs in zijn boek The Mysterious Universe een van de opmerkelijkste uitspraken die ik een wetenschapper ooit heb horen doen: ‘Hoe ver we ons ook van een elektrisch geladen deeltje verwijderen, we kunnen niet buiten het gebied van zijn afstotende en aantrekkende krachten komen. Dit bewijst dat een elektron, in zekere zin tenminste, de hele ruimte moet innemen.’ Wanneer u bedenkt dat een elektrisch geladen deeltje, wat de wetenschap een elektron noemt, een van de samenstellende elementen of bouwstenen van een fysiek atoom is, wordt duidelijk dat zo’n kleine entiteit, ondanks haar grenzen of eindigheid, toch ook een universeel bereik heeft, of, wat op hetzelfde neerkomt, in haar werkingen en haar daarmee overeenkomende reacties universeel is.

Dat is precies het denkbeeld van de oude wijsheid en van de edelste stelsels van filosofische en religieuze leringen in Hindoestan, en het is duidelijk van toepassing op het onderwerp dat we nu bestuderen. Wanneer het fysieke atoom in de sfeer van zijn werking en in de sfeer van zijn bewustzijn begrensd kan zijn, en tegelijkertijd toch een universele essentie heeft – of wat hetzelfde is, een universeel bereik heeft – waarom zou het hart of de kern van het elektron, of het hart of de kern van een mens, dan niet ook kosmisch zijn? Dat is kennelijk zo. Het diepste in de mens is kosmisch, omdat het de essentie van het hart van de kosmische energie-substantie is. Daarom is de diepste kern van de mens het heelal.

O – Er is een verschil tussen bewustzijn en geheugen. We maken veel dingen bewust mee die we ons later niet herinneren. Ik heb dus de tijd op dit gebied opgevat als trilling, zelfs de kleinste trilling; en omdat een mens in werkelijkheid bewust op alle gebieden leeft, zou elk zo’n trilling als een klein manvantara en een kleine pralaya kunnen worden beschouwd. Ik geloof dat deze in De Geheime Leer ‘nityapralaya’s’ en ‘nityasarga manvantara’s’ worden genoemd. Tussen twee van die manvantara’s is een pralaya, waarin de mens kosmisch bewust is, maar hij herinnert zich dat niet in het volgende ogenblik in het manvantara dat onmiddellijk erop volgt. Ik weet niet of wat ik zeg juist is.

GdeP – De gedachte is juist. Merkwaardig genoeg brengt ze me op de volgende vraag die ik van plan was te stellen, en die ook een onderwerp betreft waarover we op de vorige bijeenkomst hebben gesproken. Ik probeerde toen uit te leggen dat de devachani wat omvang betreft kleiner kan zijn dan het kleinste atoom. In zijn diepste kern heeft hij een kosmisch bewustzijn. Hij maakt het devachan door, de beperkte ervaringen in de devachanische droomwereld, omdat het nog maar gedeeltelijk geëvolueerde ego van de devachani slechts zoveel bewustzijn in zich kan opnemen als zijn gedeeltelijk geëvolueerde staat toelaat.

De evolutie van de mahatma in de mens – zoals u weet leeft een mahatma reeds in ieder van ons, de manasaputrische essentie in ons – is eenvoudig een zich verheffen van het menselijke ego tot een spiritueel ego. Het ontwikkelen van de mahatma is een versnelde evolutie die door inwijding wordt verkregen. Als er geen inwijding is, zal de staat van mahatmaschap tenslotte zeker worden bereikt, maar alleen door de langzame langdurige processen die de universele natuur volgt. Alle inwijding, alle evolutie, is een proces van naar buiten brengen, een ontvouwingsproces van wat in ons binnenste besloten ligt.

Mag ik u nu vragen wat de uitdrukking ‘zoon van de zon’ volgens u betekent?

W – Ik denk dat iemand van wie het bewustzijn zich op het solaire bewustzijnsgebied bevindt, een zoon van de zon is. Wat we zijn komt overeen met het gebied waarop we ons bewustzijn houden, en wanneer we dit voortdurend op het solaire gebied houden, dan worden we zonen van de zon. Is dat juist?

GdeP – Absoluut; dat is heel goed gezegd. Deze solaire zoon in ons is de manasaputra die we in wezen zijn. Hij is de manasaputrische essentie in ons. Hij wordt terecht ‘zoon van de zon’ genoemd. Als u de meeste cartouches van de oude Egyptische koningen gaat onderzoeken, zult u zien dat aan hen de titel ‘zoon van de zon’ is gegeven. Het betekent dat ze tenminste de vierde inwijding hadden doorgemaakt en zelfbewust de zonne-essentie in zichzelf hadden leren kennen, dat ze niet alleen waren begonnen deze te kennen, maar ook om deze te zijn, en in en met dat deel van zichzelf te leven, in plaats van in en met het onvolkomen ontwikkelde hersenverstand, zoals gewone mensen doen.

Hoewel deze ‘zoon van de zon’ juist wordt omschreven als de zonne-essentie in ons, is hij niettemin een egoïsche entiteit. Het is een wezen, en daarom herhaal ik: vergeet nooit dat een mens een samengestelde entiteit is. In hem leeft een god; boven de god leeft er wat we – omdat het anders zo moeilijk is te begrijpen – de kosmische essentie kunnen noemen. Er leeft in hem ook een ondergeschikte goddelijke entiteit die we de spirituele ziel kunnen noemen. Dan leeft er in hem, als entiteit, de manasaputra, de zoon van de zon. Er leeft in hem ook als een functionerende entiteit en tegenwoordig heel sterk in ons, de ‘zoon van de maan’, de maanentiteit, die ieder van ons als mens is. Er leeft in ons ook een dier.

Het is mogelijk, en tijdens inwijding gebeurt het altijd, deze verschillende delen van de menselijke constitutie zo van elkaar te scheiden dat ze werkelijk afzonderlijk kunnen leven, tenminste tijdelijk, hoewel ze onderling heel nauw met elkaar zijn verbonden, waarbij ze alle samenwerken en toch afzonderlijk functioneren. En dat is werkelijk niets vreemds. Onderzoek uzelf zoals u nu bent. U weet heel goed dat u leeft in het menselijke deel van uw constitutie waar uw menselijke verlangens, uw gevoelens van liefde, haat, angst en verdriet, en uw aspiraties zich bevinden. U weet heel goed dat er in u ook een dierlijke entiteit is. Sommige mensen worden sterk aangetrokken tot hun eigen dierlijke entiteit, en zij verlagen hun menselijkheid door het zelfbewuste deel van henzelf te verbinden met het dier – in plaats van met het manasaputrische deel.

Vergeet dit deel van de leringen nooit, want het is een belangrijke sleutel: ‘De mens is een samengestelde entiteit.’ Dit was een van de laatste uitspraken van de Heer Boeddha, en vóór hij stierf voegde hij eraantoe: ‘Breng uw eigen verlossing tot stand.’ Hij verwees naar de leringen die hij in de loop van zijn leven aan zijn leerlingen had gegeven, waaronder juist die waren die ik hier heb genoemd. U kunt u met de god in u verbinden, of u kunt uw menszijn verlagen door één te worden met het dier in u.

Uit deze woorden moet u niet afleiden dat het dier in u, dat een deel van u is, van u verschilt. Het is eenvoudig het laagste deel van u, en dit dier zal door evolutionaire vooruitgang na verloop van tijd een menselijk deel in u worden. Maar het menselijke deel van u zal tegen die tijd een solair deel van u zijn geworden, een manasaputra; en ons tegenwoordige manasaputrische deel zal op ongeveer hetzelfde moment in de toekomst iets nog verheveners zijn geworden. Bovendien zal de geestelijke ziel op ongeveer hetzelfde moment in de toekomst goddelijk zijn geworden of een ‘innerlijke god’.

Zoals u ziet, evolueert ieder deel van de mens. De mens is een samengestelde entiteit. Hij is een klein heelal; en ik zou eraan kunnen toevoegen om de lering ten volle te geven en af te ronden, dat het de bestemming van ieder mens is om in de ver in de toekomst liggende eonen een heelal te worden – eerst een zon die schittert in de diepten van de ruimte, dan een zonnestelsel, en dan een heelal vol met zijn legers van zich ontwikkelende entiteiten. Wie en wat zijn zij die deze legers van evoluerende entiteiten zullen worden? Zij zijn de wezens die nu in de mens als zijn levensatomen bestaan en die zich in en op de tien bestaansgebieden van de mens bevinden.

Als ik dus vraag wat er wordt bedoeld met de uitdrukking ‘een zoon van de zon’, wat ziet u dan als de oorsprong van deze ‘zoon van de zon’, deze manasaputra?

F – Het komt me voor dat de laatste drie vragen bij elkaar horen en het antwoord ligt, algemeen gesproken, in de leer over het uitademen en inademen van Brahma. Zoals ik het begrijp, ligt het in de natuur van het hoogste om te proberen zichzelf aan zichzelf te openbaren. Om vanuit zichzelf zichzelf aan zichzelf te openbaren, zendt het uit zijn eigen essentie dat uit wat zijn sluier of gewaad wordt, en dit zich manifesteren gebeurt natuurlijk op een lager gebied dan de essentie van de entiteit zelf. Maar deze sluier of dit gewaad, die op deze manier is geëmaneerd, en die uit ontelbare entiteiten bestaat, manifesteert een andere sluier, of zendt deze vanuit zichzelf uit, en wordt dus het hart van deze tweede sluier die alle entiteiten of levensatomen die dat gewaad of die sluier vormen, omvat. Er is dus een kern in een kern. Ten derde: deze laatst geëmaneerde levende sluier of dit gewaad manifesteert zich op een nog lager gebied en bekleedt zich met die entiteiten die we goden kunnen noemen. Vervolgens zenden de goden uit hun hart hun eigen ‘vonken’ uit om voor zichzelf voertuigen te maken om zich op een lager gebied te manifesteren. Deze entiteiten, de dhyani’s en de manasaputra’s, zenden daarna uit hun hart ‘vonken’ of levensatomen van zichzelf uit, die de menselijke monaden worden. Op hun beurt zenden die menselijke monaden ‘vonken’ van zichzelf uit die de dierlijke monaden worden, die op hun beurt voor zichzelf daaropvolgende sluiers maken op nog stoffelijker gebieden.

Bij elke emanatie staat de emanator hoger dan het geëmaneerde en is dus het hart van zijn emanatie. We kunnen dan in ons denken de stadia van emanatie in omgekeerde volgorde doorlopen, en steeds hoger en dieper gaan, tot we komen bij de essentiële goddelijkheid van alles. Daaruit volgt dat ook in het hart van de laagste emanatie of manifestatie, de ware kern of essentie van het heelal besloten ligt. In de loop van de evolutie, het zogenaamde ‘uitademen’, kleedt deze kern van alle dingen zich in gewaden van steeds verdergaande manifestatie, die steeds stoffelijker worden. Dan komt het ‘inademen’; dit is een involutie van de stof maar een evolutie van het innerlijke spirituele: het loswikkelen, het uit de buitenste levende gewaden tevoorschijn komen van die spirituele essentie die altijd in het hart van alle dingen besloten ligt.

In ons evolutiestadium proberen we dat te vinden wat ons spirituele hart is, dat wat ‘de zoon van de zon’ is. Maar zelfs als we dit zelfbewust hebben gevonden, zal er nog meer uit te wikkelen zijn, een verder losmaken van de levende gewaden, van de zonlicht-gewaden, totdat we, wanneer dit proces voor dit kosmische manvantara zijn einde bereikt, weer de ware essentie van het Al zijn, plus zelfbewust goddelijk bestaan.

GdeP – Dat is werkelijk heel goed onder woorden gebracht. Wat u heeft gezegd bevat de hoofdpunten van de leer. Het verheugt me dat u het zo goed heeft begrepen. Dat is de leer van evolutie of ontwikkeling en van involutie of inwikkeling. Geen van beide staat boven de andere. Ze vinden door de eeuwigheid heen gelijktijdig plaats; dat ligt voor de hand. Als de geest zijn latente levende krachten en vermogens evolueert of ontwikkelt, is dit evenzeer een inwikkeling van alle stoffelijke bestaan; en omgekeerd als stoffelijke vermogens en krachten hun energieën ontwikkelen en naar buiten brengen is dit een involutie of inwikkeling van spirituele vermogens en krachten. Dit laatste is het afdalen van de geest, het eerste het opklimmen van de geest.

Op eenzelfde manier ontwikkelt de mens – naarmate hij spiritueel groeit – zijn spirituele hart, maar wikkelt zijn lagere delen weer in; hij legt ze terzijde als zaden voor de volgende periode van kosmische evolutie.

Evolutie en involutie vinden gelijktijdig plaats. Wat evolutie van de geest is, die nu plaatsvindt omdat we op de opgaande boog zijn, is involutie van de stof. Stof involueert, of verdwijnt naarmate de geest evolueert of verschijnt. Anderzijds vindt op de neergaande boog, of tijdens het tot manifestatie komen op de schaduwboog, de ‘uitademing’, het tegenovergestelde proces plaats en dat is de evolutie van de stof, het verschijnen van de stof en gelijktijdig wordt het spirituele geïnvolueerd of ingewikkeld.

We horen tegenwoordig in de wereld heel wat over ‘evolutie’, maar heel weinig over involutie. In het westen heeft men daarover tot dusver geen enkele kennis. Maar na verloop van tijd zal men daarover kennis verkrijgen.

Ieder mens is bestemd om, naarmate zijn bewustzijn gestaag groeit en een steeds groter kosmisch bereik krijgt, van een mens een zelfbewuste god te worden, om uiteindelijk een zevenvoudige zon te worden, dan een zevenvoudig zonnestelsel, vervolgens een zevenvoudig heelal, dan een nog verhevener heelal, en zo steeds verder. Daaruit volgt dat het heelal waarin we nu leven eens een mens is geweest of een entiteit die een evolutiestadium doormaakte zoals dat van onze mensheid. Onze eigen schitterende dagster was in ver in het verleden liggende eonen van kosmisch bestaan een beperkte maar zelfbewuste entiteit zoals wij mensen. Wat een verheven beeld om in ogenblikken van kalme overdenking onze gedachten over te laten gaan. Ik heb zojuist alleen over ‘mensen’ gesproken, maar dat was slechts ter illustratie. Elk kleinste atoom dat tijdens zijn leven zijn lied zingt, het lied van zijn eigen grondtoon, zijn svabhava, heeft eenzelfde bestemming vóór zich. Wij mensen, en dus iedere schitterende zon, in feite ieder heelal, was ooit een eenvoudig levensatoom. Dat levensatoom had in zijn kern alle krachten, vermogens, mogelijkheden, die sindsdien in de loop van de eeuwen zijn geëvolueerd. Alles wat bestaat is daarom, in de kern van zichzelf, het heelal waarin wij leven en bewegen en ons bestaan hebben. Ik geloof dat dit onderwerp nu redelijk goed is toegelicht.

Nu een andere vraag: Hoe komt het dat de devachani, bevrijd van het belemmerende gewicht van de astrale en fysieke bekleedselen niet een ruimer, dieper en edeler bewustzijn heeft dan dat van zijn droomtoestand?

J – De leer is dat we in devachan onze hoogste aspiraties en verwachtingen en verlangens die we in het voorbije leven hebben gehad, opnieuw beleven; en als ons bewustzijn niets hogers heeft dan dat, is het duidelijk dat we geen kosmisch bewustzijn kunnen ervaren. Als we op aarde dat kosmische bewustzijn niet hebben, dan kunnen we het in devachan ook niet hebben.

GdeP – Helemaal juist. Laat ik dan dezelfde gedachtegang volgend nog een vraag stellen. U is verteld dat het enige verschil tussen een gewoon mens en een meester van wijsheid en mededogen en vrede is dat de laatstgenoemde zich heeft bevrijd van de kluisters en verblindende sluiers van het lagere deel van zijn constitutie en daardoor in de hogere delen leeft. Als de devachani zich van deze lagere en verblindende sluiers heeft ontdaan, waarom is zijn bewustzijn dan niet dat van een mahatma?

B – Omdat de droomtoestand van de devachani niet een zelfbewust bereikt mahatmisch bewustzijn is, zoals een mahatma dat heeft.

GdeP – Dat is het precies. Uw antwoord is juist, maar dat van J eveneens. Beide antwoorden worden vanuit twee verschillende gezichtspunten gegeven. De mahatma is al tijdens het leven als mens zelfbewust één geworden met zijn spirituele natuur. Hij heeft zich, althans tot op zekere hoogte, zelfbewust met zijn innerlijke god verbonden. Daarom is zijn bewustzijn mahatmisch terwijl hij zich in een fysiek lichaam bevindt. Het bewustzijn van de gemiddelde mens is menselijk, en als hij sterft wordt zijn bewustzijn de mooie devachanische droomtoestand. Zoals J naar voren heeft gebracht, leeft hij in de resultaten van karmische gevolgen van de stroom van spirituele gedachten die hij had toen hij zich in een fysiek lichaam bevond. Maar wanneer de mahatma zijn lichaam afwerpt komt hij òf weer in de wereld – met andere woorden, hij neemt een nieuw lichaam aan om zijn medemensen te helpen – òf hij gaat tijdelijk nirvana binnen.

Kunt u mij zeggen wat het verschil is tussen een boeddha van mededogen en een pratyekaboeddha?

W – De pratyekaboeddha is iemand die op zijn weg naar nirvana alle graden van inwijding heeft doorlopen en nirvana binnengaat, terwijl hij zich helemaal erop heeft gericht, hoewel hij een heilige, zuivere, spirituele entiteit is, om voor de rest van het manvantara de nirvanische gelukzaligheid te genieten. Maar een boeddha van mededogen doorloopt op zijn weg naar nirvana dezelfde inwijdingen. Ik begrijp het zo dat hij onderweg zijn ziel vervult van liefde en mededogen voor al wat bestaat, de hele weg lang, zodat hij tenslotte zelf de hoogste keuze wordt; en als hij op de drempel van nirvana staat, is hij de keuze, is hij mededogen zelf, en ziet daarom van nirvana af, en blijft in de wereld om de mensheid te helpen.

GdeP – Dat klopt. Als een kleine correctie zou ik eraan willen toevoegen dat de pratyekaboeddha niet noodzakelijk alle inwijdingen doorloopt. Zoals u zegt, moet de boeddha van mededogen echter door iedere fase of graad van inwijding gaan, maar de pratyekaboeddha doet dat soms niet. Dat gebeurt maar zelden. Het essentiële verschil is precies zoals u zo schitterend heeft uiteengezet: na alles te hebben bereikt, na alles te hebben verkregen, ziet de boeddha van mededogen af van het recht op kosmische vrede en geluk, zodat hij als een zoon van het licht kan terugkeren om de mensheid, en in feite al wat bestaat, te helpen. De pratyekaboeddha gaat verder en betreedt de onuitsprekelijke gelukzaligheid van nirvana, en blijft daar een eon of een miljoen eonen lang al naar het geval, terwijl de boeddha van mededogen, die alles heeft verzaakt omwille van het mededogen, omdat zijn hart zo vol liefde is, zich blijft ontwikkelen. Dus komt eens de tijd dat de boeddha van mededogen, hoewel hij alles heeft verzaakt, veel verder zal zijn gevorderd dan de staat die de pratyekaboeddha heeft bereikt; en wanneer de pratyekaboeddha na verloop van tijd uit de nirvanische staat tevoorschijn komt om zijn evolutiereis voort te zetten, zal blijken dat hij ver bij de boeddha’s van mededogen achterop is geraakt.

R, wilde u iets vragen of zeggen?

R – Ik dacht over devachan maar u ging over op een ander onderwerp.

GdeP – Breng uw gedachte alstublieft naar voren.

R – Bevindt de entiteit in devachan zich niet in werkelijkheid in een zeer hoge staat, met slechts een aroma van de vorige incarnatie? Is de leer niet dat de entiteit tot een werkelijk hoog deel van zijn natuur is gekomen – niet slechts de gewone persoonlijkheid die in een transcendente toestand verkeert, maar tot een zeer hoog deel van het manas, zoals H.P. Blavatsky heeft gezegd, met net genoeg van het aroma van de herinneringen van het voorbije leven om het verband tussen de incarnaties voort te zetten?

GdeP – Precies, maar juist door dit ‘aroma’ van de persoonlijkheid is het devachan. Indien het spirituele leven van de geëxcarneerde mens sterk genoeg was om de onvolmaakte persoonlijkheid die hij had afgeworpen volledig te vergeten, indien de devachani voldoende was geëvolueerd om zelfbewust in het spirituele deel van zichzelf te leven, zou hij de devachanische ervaring niet hoeven door te maken, maar zou hij in feite een mahatma zijn. Juist omdat de devachani zozeer opgaat in de karmische gevolgen van de spirituele verlangens en aspiraties van het zojuist geëindigde leven, is hij een devachani. Hij staat nog niet hoog genoeg om zich boven zijn spirituele aspiraties te verheffen, maar raakt gevangen zoals een vogel wordt gevangen door een lijmstok. De mahatma is daarentegen spiritueel zo sterk dat hij zelfs boven zijn spirituele individuele aspiraties kan uitstijgen. Hij is veel onpersoonlijker dan de devachani. Zijn bewustzijn is daarom universeler, meer kosmisch. Het lijkt me in feite heel eenvoudig.

R – Mag ik vervolgens vragen of de mahatma nirvana kan verzaken om terug te komen als een boeddha van mededogen; of wordt die keus alleen voorbehouden aan hen die de hoogste bodhisattvastaat hebben bereikt?

GdeP – De mahatma’s zijn natuurlijk nog geen boeddha’s. Een boeddha is een mahatma van de hoogste graad. Een mahatma is iemand die zelfbewust in het spirituele deel van zijn constitutie is gaan leven, terwijl een boeddha zelfbewust leeft in het goddelijk-spirituele deel van zijn constitutie. Er zijn mahatma’s die in een lagere graad van nirvana kunnen komen – slechts enkelen doen dit werkelijk. De meesten van hen bereiden zich voor boeddha van mededogen te worden, en daarom een nirvanische staat te verzaken. Ze staan reeds ver boven de devachanische staat, en als het lichaam wordt afgeworpen, keren ze terug, òf om als een nirmanakaya in de aurische sfeer van de aarde te leven en dus onzichtbaar voor de mensheid te werken en de levende ‘stenen’ van de ‘beschermmuur’ te worden, om onze mystieke omschrijving te gebruiken, òf om opnieuw te reïncarneren.

Vergeet niet dat een nirmanakaya een verheven mens is, een mahatma, die eenvoudig zijn fysieke lichaam heeft afgeworpen, maar alle andere delen van zijn constitutie blijven bijeen. Met andere woorden, hij is een mens zoals hij vóór zijn dood was, of vóór hij het fysieke lichaam afwierp. Hij leeft in het aurische omhulsel van de aarde. Te zeggen dat hij in de ‘astrale wereld’ leeft zou waar zijn, maar die omschrijving is te vaag. De astrale wereld is te uitgestrekt zodat die uitdrukking niet duidelijk genoeg zou zijn. Het is nauwkeuriger om te zeggen dat hij in de aurische atmosfeer van de aarde leeft.

P – U heeft gezegd dat een mahatma iemand is die zich met zijn eigen innerlijke wezen, met zijn geestelijke wezen, heeft verbonden. Er is ons verteld dat we in dit leven ons tijdens de slaap kunnen ontwikkelen, in die zin dat we in de slaap spirituele lessen kunnen leren. In zulke bewustzijnstoestanden is het, evenals in het dagelijks leven, mogelijk buiten zichzelf te treden, zodat men bijvoorbeeld pijn of verdriet kan doorstaan door zich uit het fysieke lichaam terug te trekken. Dan is het tijdens meditatie mogelijk te denken aan het zich terugtrekken uit het fysieke lichaam en het zich verbinden met zijn geestelijke essentie. Dan is het bovendien mogelijk te denken aan een zich terugtrekken en een zich verbinden met al wat is, met de hele mensheid, en universeel behulpzaam te zijn. Zijn dit de stadia van vooruitgang waarmee u bijvoorbeeld bekend bent, of zijn het alleen denkbeeldige stadia of het éénworden met de natuur in het volmaakte denken van een ware student of chela?

GdeP – Vraagt u of een student of chela dit kan bereiken?

P – Nee, ik geloof dat hij dit kan. Maar ik vroeg me af of vooruitgang wordt bereikt door bijvoorbeeld het verlangen om in een wereld van zuiver denken te leven, wat natuurlijk een verlangen is zich met zijn hogere, innerlijke spirituele zelf te verenigen, en dit door meditatie te doen maar niet met geweld, en met een verlangen om anderen te helpen. Zijn dit werkelijk de stadia die een mahatma doorloopt, of is het alleen een heel mooie droom van de student dat het zo zou kunnen zijn?

GdeP – Nee, het is volstrekt geen droom. Het is een van de studiemethoden die iedere chela volgt. Ik zou niet zeggen dat een mahatma dit stadium moet doormaken, omdat hij in werkelijkheid al verder is gevorderd. Hij heeft dat stadium al bereikt en is er voorbij.

Mag ik ook zeggen dat ‘meditatie’ een uitstekend woord is, maar het wordt vaak misbruikt door onnauwkeurige theosofische schrijvers, zodat veel mensen meditatie beschouwen als een moeilijk te volgen procedure om in het hoogste deel van zichzelf te leven. De beste vorm van meditatie die ik ken is een voortdurend denken, verlangen, aspireren, om alles zo goed mogelijk te doen, zo edel mogelijk te leven, en deze gedachte dag en nacht bij zich te houden. Het is niet nodig naar zijn slaap- of studeerkamer te gaan, te zitten of te staan of te liggen, en met een inspanning van de wil de hersenen aan te zetten om over bepaalde dingen te denken. Ik betwijfel of dit eigenlijk wel raadzaam is. Ik zeg niet dat u dat met uw vraag zou bedoelen, maar wat u heeft gezegd heeft me de gelegenheid gegeven om een korte toelichting te geven. De beste meditatie is een verlangen om alles zo goed mogelijk te doen en zo edel mogelijk te leven, en als dat verlangen voortkomt uit een geest van mededogen die in het hart opwelt als een heilige stroom van energie, zal het iemand snel naar de ‘Gouden Poort’ leiden.

Concentratie betekent eenvoudig het vestigen van uw aandacht op een onderwerp of denkbeeld en deze daarop gericht houden. Het is een van de gemakkelijkste dingen in de wereld, en het middel om dat moeiteloos te doen is door er belangstelling voor te hebben. Als u werkelijk ergens in geïnteresseerd bent, zult u zich vanzelf daarop concentreren. Meditatie is daaraan zeer verwant: het betekent niet alleen belangstelling te hebben in en dus zich te concentreren op een denkbeeld, maar ook mentaal de verschillende aspecten van dat waaraan men denkt de revue te laten passeren.

T – Er is een verschil tussen het bewustzijn van de mens op aarde en het menselijk bewustzijn in devachan. Wat is het verschil tussen het bewustzijn van de mahatma of iemand die op aarde tot kosmisch bewustzijn is gekomen en zijn staat in nirvana?

GdeP – Ik geloof dat de moeilijkheid ligt in het gebruik van de woorden ‘kosmisch bewustzijn’. Ik zou niet willen zeggen dat de mahatma iemand is die tot kosmisch bewustzijn is gekomen terwijl hij nog in het lichaam leeft. Hij heeft spiritueel bewustzijn verworven, dat in zekere zin ook kosmisch is.

Uw vraag is misschien gerechtvaardigd, maar wanneer men eenmaal in nirvana is, wordt het kosmisch bewustzijn per se; en elk gevoel van persoonlijke beperking dat de overhand heeft wanneer men in het lichaam is, wordt opgegeven of opzijgezet. De nirvani wordt een spirituele energie en verheugt zich in kosmisch bewustzijn, kosmische vrede en kosmische gelukzaligheid, zonder te worden afgeleid door het persoonlijke of het individuele.

T – Is nirvana een staat van de allerhoogste activiteit?

GdeP – Dat is het zeker.

T – Is het van grote betekenis voor al het leven?

GdeP – Dat is het. De nirvani is iemand die ‘uit het bestaan geblazen’ is – maar niet uit zijn essentiële zijn. Alleen de goddelijke en de spirituele en de manasaputrische essentie blijven over, ongebonden, vrij van ketenen, ongesluierd, ongehinderd door alle lagere energieën en gebieden van de menselijke constitutie. Nirvana betekent daarom volmaakte, totale, volledige vergetelheid van al de lagere vijf graden of gebieden van het heelal.

De persoonlijke mens wordt letterlijk ‘uit’ het bestaan ‘geblazen’, maar als u bedenkt dat de persoonlijke mens slechts een tijdelijke groep levensatomen is, en dat het de persoonlijke mens is waarin alle verdriet en pijn ontstaan, al onze menselijke ellende en misère, al ons lijden en onze rampspoed, alle onwetendheid en beperking, dan zult u onmiddellijk begrijpen dat om al deze dingen ‘uitgeblazen’ te hebben ananda is zoals de hindoes het noemen, volmaakte gelukzaligheid. U kent de drie woorden die zo veelvuldig worden gebruikt in de Vedanta: sat-chit-ananda, gewoonlijk samengetrokken tot sachchidananda. Sat betekent zuiver bestaan – de westerling zou zeggen, zuiver geestelijk zijn. Chit betekent bewustzijn, zuiver bewustzijn, niet een of andere bijzondere activiteit van een individueel bewustzijn van de dingen, maar bewustzijn zelf – das Ding an sich, zoals de Duitsers zeggen. Ananda betekent gelukzaligheid, zonder enige afleidende en dus beperkende gedachten, maar zuiver bewustzijn op de geestelijke gebieden, dat niet wordt afgeleid of gestoord door iets dat lager is dan dit bewustzijn zelf. Deze toestand is nirvana.

Natuurlijk is in onze eigen esoterische filosofie de leer heel duidelijk dat voor elke entiteit zelfs aan nirvana een einde komt, hoewel het een bijna ondenkbaar aantal menselijke jaren kan duren. Wanneer aan nirvana een einde komt, moet het individu opnieuw aan zijn evolutiereis beginnen, maar natuurlijk op een hoger gebied dan tevoren.

Uit het voorafgaande blijkt dat er bepaalde redenen zijn waarom zelfs het nirvana, als het voor zichzelf wordt gewenst, als een soort gesublimeerde geestelijke zelfzucht kan worden beschouwd. Het zou per slot van rekening erop lijken dat de poging van iemand die probeert nirvana voor zichzelf te bereiken feitelijk een puur individueel verlangen is om zich te ontdoen van het gemanifesteerde leven, ervan los te staan in de grootst mogelijke vrede en gelukzaligheid, in zuiver bewustzijn, en zonder zich om al het andere te bekommeren.

Wat verschilt de leer van Heer Boeddha hiervan: ‘Kan ik in een toestand van volkomen gelukzaligheid blijven zolang ook maar één enkel menselijk hart pijn lijdt?’ Geef mij, zo is veeleer de gedachte, het lijden van persoonlijk bestaan, opdat ik anderen kan helpen en troosten in plaats van het zuiver zelfzuchtige geluk van individueel paranishpanna te bereiken. Zo is de leer van Boeddha. Het is ook de leer van onze Heilige School. Zo’n edele keuze brengt haar eigen beloning met zich mee, omdat de natuur tenslotte niet zal toestaan dat een van haar kinderen in zelfzuchtige afzondering terzijde staat. Het is tegen de fundamentele natuurwet van eenheid, van verbondenheid. We zijn hier allen tezamen. We zijn allen onderling verbonden. We helpen elkaar of we willen of niet. ‘Voor een tijd, en voor een halve tijd, en voor tijden’,* om de mystieke taal van het Nieuwe Testament te gebruiken, zouden we ons afzijdig kunnen houden, terzijde kunnen staan, en toestaan dat de voortsnellende evolutiestroom ons voorbijgaat, maar vroeg of laat zal de natuur er genoeg van hebben, en dan moeten we in ons eigen belang weer verdergaan, om te groeien, om edeler en universeler te worden.

*De Openbaring van Johannes 12:14.

M – Ik heb begrepen dat voor dat wezen waarvan de spirituele zon het hart is, kosmische pralaya gelijk zou staan met de dood voor een mens. Volgt daaruit dat er tijdens die kosmische pralaya voor dat wezen een devachanische staat is?

GdeP – Ja, pralaya betekent het uiteenvallen. Bij een mens is het de dood. Wanneer het een zon of zonnestelsel betreft is het ook een dood, maar de dood van zijn laagste samenstellende delen. Maar het betekent ook dat de solaire entiteit in een verheven, hoge bewustzijnstoestand zal komen, die overeenkomt met het devachan van de mens.

Natuurlijk is alles betrekkelijk. Wat de mens zijn devachan noemt zou voor een levensatoom een nirvana zijn, en in feite voor alle menigten levensatomen die zijn lichaam vormen. Het devachan van een zonnestelsel zou voor ons mensen een paranirvana zijn. Al deze dingen zijn relatief.

W – Begint de pratyekaboeddha zijn evolutie opnieuw nadat hij zijn nirvanische gelukzaligheid, die de rest van het manvantara duurt, heeft beëindigd, en begint de nirvani die ook een staat van spirituele zelfzucht schijnt te genieten, zijn evolutie opnieuw bij het begin van een nieuw manvantara?

GdeP – Natuurlijk wordt ieder geval bepaald door het karma van dat geval of individu. De evolutie begint opnieuw op precies het geschikte karmische punt. Een van onze leraren, ik geloof meester M, gebruikt in De Mahatma Brieven de analogie van een horloge dat is gestopt. Laten we zeggen dat het stoppen ervan het nirvana is, wat inderdaad een stoppen betekent voorzover het het bestaan van alle lagere, persoonlijke of individuele delen betreft. Laten we zeggen dat het horloge weer begint te lopen: het is duidelijk dat het begint te lopen vanaf het punt waar het was gestopt. Dus begint de evolutie voor de pratyekaboeddha of voor elke nirvani op precies het punt waar hij tevoren nirvana was binnengegaan of een nirvani werd.

W – Maar meester KH spreekt in De Mahatma Brieven over het mislukken van dhyan-chohans, en zegt dat ze hun evolutie van voren af aan moeten beginnen, dat is bij de elementalenrijken. Als ze door alle lagere rijken heen moeten om weer het menselijke stadium te bereiken, en dan alleen terugwinnen wat ze hadden verloren – hun spirituele en hoge intelligentie zoals die van een deva, aan het eind van de zevende cyclus in de zevende ronde – vroeg ik me af waar precies de pratyekaboeddha’s weer met hun evolutie zouden beginnen.

GdeP – Uw vraag is nogal ingewikkeld. De pratyekaboeddha begint zijn evolutie opnieuw op het meest geschikte punt in de ruimte en op precies het juiste moment, waarbij alles afhangt van het karma van het individu. Natuurlijk zou het onmogelijk zijn om zonder meer te zeggen waar precies in elk afzonderlijk geval een nieuwe evolutietocht zou beginnen, maar deze begint op het punt in de ruimte en op het tijdstip zoals karma dat bepaalt.

Men moet niet denken dat degenen die als dhyan-chohans zijn mislukt, in de elementalenrijken opnieuw aan hun evolutie beginnen. Dat is onjuist. Ze hebben het dhyan-chohanschap al bereikt, en het is alleen aan deze ‘mislukten’ te danken dat een nieuwe evolutie van een planeetketen kan plaatsvinden. Deze dhyan-chohanische mislukten zijn verheven spirituele entiteiten – ‘mislukten’ omdat ze nog niet voldoende waren geëvolueerd om buiten het bereik van de karmische aantrekkingskracht te komen waardoor ze tot een nieuwe planeetketen werden aangetrokken. Ze waren tekortgeschoten om, laten we zeggen, de laatste graad van kosmische inwijding te bereiken, maar niettemin zijn ze werkelijk spirituele entiteiten. Vandaar dat deze dhyan-chohans die de laatste 20 of 30 meter van het traject niet hebben gehaald, wanneer de nieuwe planeetketen op het punt staat haar evolutie te beginnen, gereed zijn – al is het als achterblijvers, luiaards, ‘mislukten’ – de evolutie van die planeetketen op gang te brengen door het spirituele plan ervan vast te stellen en daaraan leiding te geven. Ze ontwaken het eerst, zelfs vóór de elementalen, en door hun activiteit, door hun tegenwoordigheid, door hun energieën die inwerken op de kosmische stof van die plaats, maken ze het grote plan van de toekomstige planeetketen bekend en beginnen met de uitvoering ervan. Ze worden nog vóór de elementalen overgebracht naar het juiste punt in de ruimte en beginnen daar met hun werk, met hun verheven plan.

Wanneer dit verheven plan is geschetst en vastgesteld op de door karma bepaalde kosmische plaats, dan worden de elementalen als de volgende categorie van samenwerkende entiteiten daarheen gebracht, en beginnen te bouwen volgens dit door de dhyan-chohans geschetste of vastgestelde plan. De dhyan-chohans vermengen zich dan met deze elementalen. Ze worden niet zelf elementalen, maar ze vermengen het laagste deel van hun essentie met deze elementale wezens, en door op deze manier leiding te geven aan de elementalen, wordt voorzichtig een begin gemaakt met de bovenbouw van de toekomstige planeetketen.

Nadat de drie rijken van de elementalen – die op deze manier worden geleid door de dhyan-chohans die het niet hadden gehaald – hun werk hebben gedaan, komen de andere zes klassen van monaden die na verloop van tijd de planeetketen opbouwen en voltooien.

T – We hebben een gezegde: ‘Eens een mens, altijd een mens.’ Dus zal de monadische essentie nadat ze in het mensenrijk is gekomen, niet meer de lagere rijken binnengaan. Is het altijd waar: eens een dhyan-chohan, altijd een dhyan-chohan?

GdeP – Ja, eens een god, altijd een god. Maar wees niet te streng bij het toepassen van een zo volkomen nauwkeurige en ware regel als deze. Neem de uitspraak: ‘Eens een mens, altijd een mens’. Toch kunnen uit de diepten van het innerlijke wezen van een mens de rivieren van levensatomen uitstromen, en hij is betrokken bij deze levensatomen waarmee hij de lagere delen van zijn constitutie vermengt. Ze zijn zijn eigen nakomelingen, zijn eigen kinderen. Hij heeft ze voortgebracht, en moet met hen werken en ze verheffen. Hij kan het niet helpen, het is de wet van de natuur. Hoewel hij in zijn eigen essentie altijd mens blijft, als het menselijke stadium eenmaal is bereikt, wordt het lagere deel van zijn constitutie niettemin gevormd uit deze stromen van levensatomen die uit zijn wezen zijn voortgekomen.

S – Ik had een vraag over nirvana, maar kunt u, voor ik die stel, iets verduidelijken over de vraag van W? Daarin scheen ze een onderscheid te maken tussen een pratyekaboeddha in nirvana en een nirvani. Is een pratyekaboeddha als hij in nirvana komt niet een nirvani?

GdeP – Ja, want het woord nirvani is eenvoudig een algemene term voor elke entiteit die in de nirvanische toestand verkeert. Het punt wat u noemt was ook mij opgevallen. Maar ik geloof dat W over nirvani’s in het algemeen sprak. De pratyekaboeddha is een speciaal geval.

S – Mijn vraag is: Is er in de evolutie van een boeddha van mededogen niet een tijd dat ook hij nirvana in moet gaan, omdat het bestaan van nirvana in de wetten van de natuur ligt? En als dat zo is, dan zou het tegen de natuurwetten zijn wanneer een boeddha nooit nirvana ingaat. Dat zou erop wijzen dat de natuur zorgde voor iets als een verleiding waar de mensen aan kunnen toegeven? Natuurlijk weet ik dat dit niet zo is. Het komt me voor dat de enige verklaring misschien zou zijn dat er in de evolutie van een boeddha van mededogen tijden zijn waarin bepaalde lessen moeten worden geleerd door zijn eigen individuele vooruitgang te vertragen – door nirvana in te gaan.

GdeP – Dat is werkelijk een diepzinnige vraag, en ik ben blij dat u deze heeft gesteld. Ik zal die beantwoorden. Maar als opmerking vooraf: U moet niet denken dat nirvana beschouwd moet worden als een vertraging van de vooruitgang, of een soort uitstel of straf. Zo zit het niet. De entiteit verzaakt nirvana niet louter omdat ze naar een snellere evolutionaire vooruitgang verlangt. Dat zou juist een zelfzuchtig idee zijn. Ze verzaakt nirvana omdat nirvana een zich verenigen met het goddelijke heelal betekent; en deze verzaking is verheven onzelfzuchtig en groots, en ze verzaakt het nirvana alleen om in de gemanifesteerde wereld te kunnen blijven en al wat leeft te helpen.

Het antwoord op uw specifieke vraag is: Ja. Zelfs voor de boeddha van mededogen zal onvermijdelijk het moment aanbreken dat voor die bijzondere stroom van kosmische evolutie de natuur eist dat hij rust en zijn plicht zal dan zijn dat hij het gemanifesteerde bestaan verzaakt en enige tijd een nirvanisch bestaan doormaakt. Men kan dat illustreren met het fysieke lichaam op aarde. Een mens met grote wilskracht, met grote vitaliteit, die goed gezond is, kan de aanvallen van ziekten en zelfs de dreigende dood veel langer afweren dan de zwakke mens; maar vroeg of laat zal de natuur eisen dat het lichaam wordt afgelegd. En het is goed dat dit zo is. De gevolgen zijn uitstekend. Mensen komen dan in devachan. Een boeddha van mededogen gaat dan nirvana in – of misschien paranirvana.

Maar op dat geval werd niet gezinspeeld toen het onderscheid werd gemaakt tussen de boeddha van mededogen en de pratyekaboeddha. Bij dit onderscheid gaat het om de doelbewuste keuze. Welke weg zal ik gaan – de weg van persoonlijke rust, volkomen vrede, gelukzaligheid en leven in het goddelijke; of het steile en doornige pad van individueel gemanifesteerd bestaan? Toch is dit laatste een evolutieweg die uiteindelijk naar het hart van het heelal leidt.

K – Is verzaking van nirvana niet slechts een voorbeeld in het groot van wat wij ervaren wanneer we langs het levenspad de vreugden van verzaking ervaren? We hebben dagelijks deze kansen. En hebben we – naarmate we in bewustzijn en kracht en inzicht groeien – niet op eenzelfde manier de gelegenheden om te verzaken, wat op dat punt voor het bewustzijn misschien even groots is als de verzaking van de boeddha in zijn veel hogere evolutiestadium? Is het verzaken van nirvana niet het grote voorbeeld van wat op kleinere schaal op de lagere sporten van de levensladder in feite heel vaak gebeurt?

GdeP – Zo is het. De training voor het mahatmaschap verloopt juist op die manier – ze beginnen bij het begin en wel onmiddellijk. Ieder ogenblik dat een mens een onzelfzuchtige keuze doet, een keuze die schitterend is omdat ze edel en moedig is, heeft hij zich in die mate voorbereid op die uiteindelijke keuze, die hij ongetwijfeld eens zal maken. Hij wint zo aan kracht voor die laatste en hoogste krachtsinspanning. Denk geen moment dat de verzaking waarover zo vaak in onze esoterische literatuur wordt gesproken niets anders is dan pijn en verdriet en ellende! Ik zeg u, vrienden, dat deze verzaking een gelukzaligheid is, zo diepgevoeld en zo intens dat er een werkelijk gevaar in ligt – het gevaar van een bewust gevoel van persoonlijke of individuele spirituele superioriteit. Ruk dit gevoel voorgoed uit uw hart. Het is een slang die zal bijten en uw innerlijk leven zal vergiftigen. Wees onpersoonlijk.

K – Mag ik nog een vraag stellen?

GdeP – Ja. Ik zou vanavond zelf de vragen stellen, maar stel uw vraag maar!

K – Ik zal daarom de vraag beantwoorden die u over het manasaputrische bewustzijn heeft gesteld: Vanwaar kwam de manasaputrische essentie in onszelf? Is het juist als ik de verklaring zoek in uw lering over het feit dat wij een samengesteld wezen zijn bestaande uit delen, uit onze erfdelen, respectievelijk van de zeven gebieden van de natuur en van de zeven heilige planeten, zodat een deel van onze essentie dus van de zon komt? Daarom zijn we zonen van de zon. Maar zijn we niet evenzeer zonen van de ouder-ster?

GdeP – Volkomen waar.

K – Zijn we niet ook zonen van de astraal-vitale delen van onze natuur?

GdeP – Zeker. Ik heb u vaak gezegd dat de mens een samengestelde entiteit is. Dit betekent dat ieder kosmisch deel van de grote moeder zijn aandeel heeft gehad in het vormen van de mens.

De universele natuur heeft de mens, haar kind, een onafscheidelijk deel van zichzelf, voortgebracht. Daarom heeft dat kind ieder deel van de universele moeder in zich. Het deel is bevat in het geheel, en heeft deel aan elk verborgen of actief vermogen, iedere energie, van dat geheel. Maar deze algemene verklaring is niet alles. De meer specifieke lering is dat in ons zonnestelsel, ieder van de heilige planeten – die de planeet op het vierde gebied van haar zevenvoudige keten is – haar eigen bijzondere en karakteristieke aandeel of stroom van levensatomen geeft om onze planeetketen te vormen. Daarom is er in de mens een zonne- en een maan-essentie, een Saturnus-, een Jupiter- en een Mars-essentie, een Hermetische of Mercurius-essentie, en een Venus-essentie. Ik spreek nu over onze eigen zeven heilige planeten, dat zijn de zeven planeten die nauw zijn verbonden met het bouwen van onze planeetketen. Van elk van deze heilige planeten komt een karakteristieke en bijzondere levensstroom vol levende entiteiten. En natuurlijk geeft onze aarde op dezelfde manier terug aan die zeven heilige planeten. Verder zijn er in ons zonnestelsel andere groepen ‘heilige planeten’ die volgens soortgelijke regelingen samenhangen, maar daarmee hebben we niet zo rechtstreeks te maken.

Ons manasaputrische bewustzijn komt voort uit de bron van onze eigen wezenskern. Maar om deze manasaputrische essentie tot daadwerkelijke activiteit op te wekken, traden andere manasaputra’s – die door karma nauw met ons zijn verbonden, ieder met één individu – de onvolkomen constituties binnen van de ‘mensheid’ van het derde wortelras in deze vierde ronde en ontstaken of stimuleerden de latente manasaputrische essentie van de individuen. Na het ontsteken van die manasaputrische essentie die in ieder individu tot dan toe latent aanwezig was, verlieten die ‘verlossende’ manasaputra’s, de stimulerende manasaputra’s, deze sfeer – met andere woorden, ze lieten een menigte individuen achter met een ontwaakte manasaputrische essentie of een ontwaakt manasaputrisch instinct of vermogen of orgaan, noem het zoals u wilt.

Deze manasaputrische essentie, deze zonnevlam die in ons tot actieve werkzaamheid werd gebracht, is nu ons hogere manas – in feite het buddhi-manas in ons.

Vrienden, het is bijna tijd om deze avond te besluiten, maar eerst wil ik nog iets zeggen over chelaschap, en over de training voor het esoterische leven.

Chelaschap, of de training voor het meesterschap, is een inspannend werk waarbij het hart wordt gestimuleerd. Iedere stap ervan is vreugde, hoewel er soms psychische reacties kunnen optreden waarvoor men op zijn hoede moet zijn. Het chelaleven heeft me vaak doen denken aan iemand die bezig is met een belangrijk, fascinerend, heel interessant maar zeer inspannend fysiek werk. Hij werkt hard, hij mat zich af, zijn adem gaat snel, zijn voorhoofd en lichaam zijn bezweet, maar toch voelt hij onder zijn handen een werk van wonderbaarlijke schoonheid groeien. Hij is bezield om alle kracht waarover hij beschikt eraan te geven. De chela weet dat achter de verre heuvels – misschien voor hem niet zó ver weg als zijn karma gunstig is – de tempel van wijsheid staat, waarvan de deuren zich voor hem zullen openen wanneer hij die, zuiver en sterk, kan bereiken. Komt hij er met bezoedelde voeten, met voeten die niet met de tranen van zijn ogen en het bloed van zijn hart zijn gewassen, dan moet hij op zijn schreden terugkeren, of wachten tot de tijd komt dat zijn hart niet langer zal bloeden en zijn ogen niet meer verblind worden door de tranen van zelfzuchtige, persoonlijke toewijding aan slechts persoonlijke doeleinden. Dan zullen de ogen door de onsterfelijke innerlijke vlam worden verlicht en het hart zal enkel voor anderen kloppen omdat het zichzelf volkomen vergeet. Dan zullen schoonheid, onuitsprekelijke vreugde, onvoorstelbare kracht en vrede in zijn leven komen.

Chelaschap betekent training voor het meesterschap. Op zich is het niet moeilijk, maar gemakkelijk, bijna onbeschrijflijk gemakkelijk. Het betekent het opgeven van pijn, van verdriet, van boosheid, van wellust, van zelfzucht, van alles wat kwetst, verblindt en ons verlamt en tegenhoudt. Het betekent rein zijn, vriendelijk, gezond, sterk, zuiver, mooi. Het betekent het leven van een geïncarneerde god te gaan leiden. Ik zeg dit niet in dichterlijke zin. Het betekent één worden met zijn innerlijke god, steeds meer en meer – eerst een beetje, dan bij de volgende poging wat meer, want bij elke poging verkrijgt de chela meer en meer van het innerlijke licht, van het innerlijke leven, van de innerlijke inspiratie, van de innerlijke buddhische luister. Met andere woorden, het betekent meer en meer één worden met de innerlijke meester. In ieder van u is ook nu een verheven entiteit, een mahatma, de manasaputra waarover ik u heb gesproken. Een meester worden betekent uw menszijn verheffen tot het mahatmaschap.

Is dat zoiets beangstigends, zoiets verschrikkelijks? Is er een reden of noodzaak waarom onze ogen voortdurend door tranen zouden worden verblind, en waarom onze voeten voortdurend zouden worden gewassen met het bloed van het hart? Begrijpt u niet dat het betekent om dingen die ons kwetsen en tegenhouden en pijn doen te verwisselen voor zaken van onuitsprekelijke harmonie en kracht en schoonheid? Het betekent zwakheid in te ruilen voor kracht. U heeft een wil – een goddelijk vermogen. U heeft intelligentie – een goddelijk vermogen. U heeft leven dat u onbeperkt kunt verlengen, op zich een goddelijk vermogen. Leef daarin! Leef op een natuurlijke manier daarin. Groei op een natuurlijke manier zoals de bloem haar bladeren openvouwt en de knop zijn hart opent.

Het chelaleven is prachtig. Wees niet ontmoedigd als u tekortschiet, als u niet in overeenstemming met het edelste in u leeft. Verspil zelfs geen tijd aan spijt. Dat werkt verzwakkend. Neem eenvoudig het besluit: ik zal het niet meer doen! En als u er weer niet in slaagt, herhaal dan: ik zal het niet meer doen, want door zo te handelen ben ik alleen de verliezer. Door steeds de mantra te herhalen, door voortdurend met hart en denken te aspireren en u in te spannen om het beste, het edelste te zijn wat in u is, zal de dag aanbreken dat u het plotseling zult zijn, het plotseling zult worden. U zult er verbaasd over zijn hoe gemakkelijk en snel u zult groeien wanneer u maar hardnekkig doorzet. Maak u niet druk over de dood, als deze zou komen. U zult snel genoeg naar het leven op aarde terugkeren. Ik zeg u dat ieder lid van onze Heilige Orde, ieder lid van de KTMG wordt geholpen, maar alleen wanneer de hulp onpersoonlijk wordt ontvangen. Er is hier een paradox. U kunt niet bij een edele poging zoals deze worden geholpen, tenzij u uzelf helpt. U kunt gemakkelijk begrijpen waarom: de meesters, de helpers, kunnen niet voor u groeien. Ze kunnen niet voor u leven. Ze kunnen niet voor u eten. U moet dat zelf doen. Het is allemaal heel eenvoudig. Het chela-leven is in feite het eenvoudigste in de wereld: vriendelijk zijn, zachtaardig zijn, rechtvaardig zijn, en uw spirituele en intellectuele krachten ontwikkelen. Soms kan het uw plicht zijn om streng te zijn. Maar als dat zo is, wees dan rechtvaardig en vriendelijk streng. Laat u nooit meeslepen door boosheid of hartstocht. Niet alleen levert het niets op, maar bovendien maakt u hierdoor slecht karma dat u eens onder ogen zult moeten zien en zult moeten overwinnen. Dan, wanneer de gloriedag aanbreekt, zult u de stem horen die u misschien gedurende vele jaren heeft willen horen, wanneer u de tegenwoordigheid van de leraar zult voelen, en dan zult u weten dat u bent geslaagd. Het kan zijn dat u zelfs vóór u de tegenwoordigheid voelt of de stem hoort, de geliefde stem die u verlangde te horen, zult beseffen dat u een aangenomen chela bent.

Streef naar wat u het meeste liefheeft en wat u als het meest juiste ervaart, en laat al het andere los. Doe in alles uw plicht, ongeacht wat dit uzelf kost, en u zult ervaren dat er in dit alles een onuitsprekelijke vreugde besloten ligt. U zult bijna een genoegen scheppen in het gevoel van kracht dat in u zal groeien, en in het besef van het nieuwe en edeler leven dat u gaat ervaren. Dan zal vroeg of laat het innerlijke oog, het innerlijke zintuig, zich openen, en u zult bekend worden met heel verbazingwekkende en vreemde dingen om u heen.

Misschien kan ik u een kleine aanduiding geven van wat dit betekent. Is het u nooit overkomen dat u plotseling een flits van inspiratie had, dat plotseling uw hele denkvermogen werd verlicht, en dat u dan nadacht en u verbaasd afvroeg: Waarom heb ik dat niet eerder begrepen? Is uw hart nooit gesmolten van medelijden waarbij u een ongewone warmte en vrede voelde? Dit zijn tekenen van het chelaleven. Is het u nooit overkomen dat u weerstand heeft geboden aan een verleiding waar u graag aan toegaf en die heeft overwonnen, en dat u dan neerziet op het verslagen zelf, het verachtelijke wezen dat u tevoren in zijn greep had, en dat u zich afvraagt hoe u ooit het slachtoffer heeft kunnen zijn van zoiets laags? Vrienden, ik weet dat u deze ervaringen heeft gehad.

Beschouw zelfverzaking waarover in de boeken zoveel is geschreven dus niet als iets verschrikkelijks! Integendeel, het is iets heel moois. Het gevoel van vrede, van groeiende vermogens, van groeiende innerlijke kracht, het inzicht, het licht – al deze dingen die komen zijn schatten zo groot dat niets dat ik ken, tenminste in het fysieke bestaan, er ook maar een ogenblik mee kan worden vergeleken.

Ik herinner me het moment dat ik in deze incarnatie voor het eerst mijn eigen leraar ontmoette. Ik was niet in het minst verwonderd. Het scheen me de natuurlijkste zaak van de wereld – even natuurlijk als een ontmoeting met een goede vriend. Ik had hem nooit met deze ogen gezien vóór ik hem deze keer zag; en het was alles heel vertrouwd en onbeschrijflijk bemoedigend en plezierig. Het was of ik een dierbare vriend ontmoette; en de schoonheid van dat gelaat, die zachtheid, die vriendelijke ogen – het was alles waard wat ik had meegemaakt, alles van het persoonlijke zelf dat ik had opgegeven. Ik schaam me bijna om in de prachtige atmosfeer van deze bijeenkomst zo’n woord te gebruiken als ‘opgegeven’. Want geven is eigenlijk ontvangen. Alleen de groten kunnen zichzelf geven. U weet wat Jezus de avatara zei: ‘Geef uw leven op, als u het wilt vinden.’

Wilt u zo goed zijn op de gong te slaan?

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 813-38

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag