Duizend lichten aansteken
Grace F. Knoche

bestel boek

1ste druk 2002

© 2002  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Westers occultisme

De vermenging van culturele en religieuze tradities die tegenwoordig plaatsvindt, heeft een diepgaande invloed op ons denken en onze ethische normen. Evenals westerse methoden en denkgewoonten hun stimulerende en vaak ontwrichtende indruk hebben achtergelaten op het oosten, evenzo heeft de toestroom van oosterse denkbeelden en rituelen het denken en de ingeburgerde opvattingen van duizenden in Europa en Amerika beïnvloed. Als gevolg daarvan zijn er grote scheuren aan het ontstaan in stevig verankerde standpunten. In het westen gebeurde dit doordat men in contact kwam met filosofische en psychofysieke disciplines uit India, Tibet, China en Japan; ook voor een deel door de groeiende belangstelling voor de riten en heilige kennis van de oorspronkelijke volkeren van de beide Amerika’s, Austraal-Azië en Afrika. Hoewel het accent grotendeels op de ‘occulte kunsten’ (slechts het buitenste laagje van het ware occultisme) ligt, vindt er al een duidelijke verandering plaats. In plaats van een uitsluitend door de stof beheerste visie te hebben, gaan we inzien dat geest/bewustzijn/energie de oorzakelijke basis van al het leven is, van de microwereld van het atoom tot de macrowereld van de kosmos, en alles daartussen.

Het introduceren in het westerse denken van de moeilijk te doorgronden metafysische geschriften van het oosten werd in de jaren na 1780 vooral tot stand gebracht door Britse ambtenaren in India. Zij werden door de toenmalige Gouverneur-Generaal Warren Hastings aangemoedigd om Sanskriet en daarmee verwante talen te gaan studeren, zodat ze beter zouden begrijpen wat de hindoeziel beweegt. Enkele van deze ambtenaren waren zo onder de indruk dat ze de grote epische geschriften van India begonnen te vertalen, het Ramayana en Mahabharata, vooral de Bhagavad-Gita, en ook de Upanishads. In 1785 publiceerde Sir Charles Wilkins in Londen de eerste Engelse vertaling van de Gita – het is ongelooflijk dat wij in het westen nog maar nauwelijks meer dan tweehonderd jaar op de hoogte zijn van het bestaan daarvan. Terwijl soortgelijk vertaalwerk aan de gang was in Frankrijk en Duitsland, drongen de filosofische schatten van het oosten geleidelijk door in het denken en bewustzijn van het westen.

Op dat moment was er een scherpe scheidslijn tussen de geleerde elite en de grote meerderheid die niet academisch was geschoold en daarom grotendeels onbewust bleef van de intellectuele en spirituele invloed van deze bevrijdende ideeën. De verspreiding van theosofie vanaf 1875, en ook de publicatie van goedkope edities van de Gita en Patañjali’s Yoga Sutra’s, was de noodzakelijke katalysator om zowel het populaire als het wetenschappelijke en filosofische denken van de westerse cultuur te doen gisten.

Tegenwoordig worden de begrippen karma en reïncarnatie, de verbondenheid van mens en natuur, de fysieke wereld als slechts een vergankelijke verschijning van het werkelijke, en de mogelijkheid om in nauw contact te komen met de bron van het Zijn door iedereen die bereid en in staat is de nodige discipline daarvoor op te brengen – worden al deze dingen een vertrouwd deel van het westerse denken. Nu hathayoga, meditatietechnieken, en andere oosterse methoden van zelfontwikkeling snel worden aangepast aan het westerse karakter, kan men het alleen maar eens zijn met de profetische uitspraak van W.Q. Judge dat een soort ‘westers occultisme’ al in de maak is.

Dit alles heeft zowel positieve als negatieve aspecten, wat alleen maar natuurlijk is bij iedere vernieuwing, vooral van geestelijk en intellectueel belang. Sommige ervan kunnen misschien niet gemakkelijk worden onderscheiden, omdat hun neveneffecten pas na jaren volledig duidelijk worden. Maar alleen omdat een lering of ceremonie oud is of uit het oosten komt is op zichzelf noch een garantie voor noch een ontkenning van de geestelijke waarde ervan. Dus zal alles wat we zien of horen de test van onze innerlijke toetssteen moeten ondergaan. Dit zal in de toekomst steeds noodzakelijker zijn omdat het verlangen naar zelftranscendentie het denken van een toenemend aantal ernstige zoekers bezighoudt. Onder de talrijke cursussen op het gebied van zelfontwikkeling die tegenwoordig worden aangeboden in seminars, workshops, en retraites, beloven vele een zelftransformatie binnen enkele weken. Het enige wat nodig is, zo wordt ons verteld, is om een aantal minuten te gaan zitten en een mantra te reciteren of te luisteren naar een bandopname met een onderbewuste of openlijke boodschap, en zielenrust, bevrijding van stress, eenheid met het kosmische bewustzijn, en herstel van lichamelijke gezondheid zullen u toekomen!

Misschien komt dit doordat een aantal hedendaagse goeroes hebben ontdekt dat veel mensen in het westen niet zozeer op zoek zijn naar middelen om zich naar binnen te keren, maar naar een soort religie die de uiterlijke leefomstandigheden zullen verbeteren. De werkelijke vraag is: Wat is het motief achter de drang naar zelftranscendentie, naar zelfidentificatie met onze bron? Zouden we niet iets van onszelf moeten opofferen voor het privilege van ‘sereniteit, vrede in het hart, eenheid met het Al’? Niemand kan de innerlijke motieven van een ander kennen, maar we zouden onze eigen motieven moeten onderzoeken voorzover we die kunnen achterhalen. Wat opvalt bij veel van de huidige methoden waarin men zich verliest, niet alleen bij geïmporteerde oosterse stelsels maar ook bij westerse programma’s voor zelfverwerkelijking, is de benadering ‘voor zichzelf’ – een trend die diametraal tegenover het pad van mededogen staat.

Het is goed te bedenken dat in de oude Griekse mysteriën de stadia van het inwijdingsproces op verschillende manieren werden opgesomd, vaak ruwweg als drie: katharsis, zuivering, reiniging van de ziel; muesis, het testen of beproeven van de kandidaat, om de integriteit van zijn motief en de vastberadenheid van zijn wil vast te stellen; en ten derde, als hij slaagde, epopteia, openbaring, dat wil zeggen, het ‘zien’ achter de sluier van de natuur. Het karakter moest altijd worden gevormd in overeenstemming met de edelste idealen; niets werd zonder offer verkregen. De zielenplant kan niet worden geboren, tenzij het zaad van het zelf sterft.

Zuiver occultisme – dat altruïsme in de praktijk is, samen met kennis van de innerlijke structuur van de mens en van het heelal – vraagt van zijn volgelingen volledige zuiverheid van denken en handelen, en de uiterste zelfbeheersing. In de esoterische cyclus van leren en discipline wordt van de neofiet eerst verlangd om zover hij dat kan het ideaal van zelfvergetelheid en liefde voor alle wezens in zich op te nemen. Pas nadat hij grondig heeft begrepen dat van hem wordt verwacht dat hij eerder aan anderen denkt dan aan zichzelf, wordt hem toegestaan zijn aandacht te richten op verheven filosofie: ‘Leef het leven, en u zult de leer kennen’. Voordat we aan een gespecialiseerd trainingsprogramma beginnen, zouden we onze innerlijke motieven moeten onderzoeken om zeker te zijn dat de richting die we willen inslaan een is die ons hogere zelf zou goedkeuren.

Zelftranscendentie, wil deze blijvend zijn, wordt niet bereikt door uiterlijke middelen alleen. Ze vindt zonder formaliteit in de stille diepten van iemands innerlijke zelf plaats. Bovendien gaan we steeds meer groeien en leren naarmate de leringen en het pad dat door die leringen wordt verlicht steeds verder tot in de kern van ons wezen doordringen. Geen enkele exoterische training in zelftransformatie kan de innerlijke transmutatie van de ziel evenaren die in de stilte plaatsvindt, en waarvan de gevolgen tot voorbij de dood voortduren. Ze zijn blijvend want ze worden in onze geestelijke natuur opgetekend.

Als we van buitenaf naar binnen toe werken, heeft dit misschien tamelijk snel bepaalde effecten, maar omdat deze zelden hogere dan de mentale en emotionele aspecten van onze natuur bereiken, zullen ze van korte duur zijn. Wanneer onze gedachten en gevoelens op anderen zijn gericht, bouwen ze stevige geestelijke karaktertrekken op die de cyclussen zullen overleven. Eenvoudig gezegd, wanneer onze eerste zorg is om met heel ons hart toegewijd te zijn aan het ideaal en de praktijk van broederschap zodat deze uiteindelijk door iedereen in hun leven tot uitdrukking wordt gebracht – als we trouw kunnen blijven aan dit doel, zal dat voor ons een krachtig kanaal zijn naar esoterische werkelijkheid.

Ideeën zoals deze geven een frisse kijk op veel trends die aan populariteit winnen. Yoga, bijvoorbeeld, komt bijna overal in het westen voor; hathayoga in zijn meer eenvoudige vormen is het meest populair. Yoga betekent ‘eenheid’, van de Sankrietwortel yuj, ‘samenvoegen, verenigen’. Yoga verwees oorspronkelijk, en doet dat in zijn zuivere betekenis nog steeds, naar de zoektocht naar vereniging van de ziel met het goddelijke innerlijk: de unio mystica of de mystieke vereniging van de eerste christenen en de middeleeuwse mystici die probeerden vereniging te bereiken van de ziel met het goddelijke of het innerlijke godsbeeld.

Er zijn veel soorten yoga, en deze spreken mensen van verschillend temperament aan: bhaktiyoga, ‘yoga van devotie’; karmayoga, ‘yoga van handelen’; jñanayoga, ‘yoga van kennis’; en andere. Het pad van rajayoga(1) is de ‘koninklijke vereniging’ van het persoonlijke zelf met het verlichte zelf. Het is van weinig belang welk pad we uiterlijk nemen, zolang ons innerlijke doel het hoogste in ons is. ‘Op welke manier mensen mij ook benaderen, op die manier sta ik ze bij; maar welk pad er ook wordt genomen door de mensheid, dat pad is het mijne.’(2)

Tegenwoordig zijn er in het westen veel beoefenaren van yoga die herstel van de fysieke gezondheid als doel hebben en, waar dat mogelijk is, proberen iets van de buitengewoon grote spanning te verlichten die mensen in deze cruciale tijden ervaren. We zouden ons echter tweemaal moeten bedenken voor we geraffineerde ademhalings- en andere technieken gebruiken die, als ze op een onverstandige manier worden beoefend, de juiste werking van de prana’s in de war gooien. Prana is een Sanskrietterm voor de vijf of zeven ‘levensadems’ die door het lichaam stromen en de gezondheid van het lichaam instandhouden.

De Chinezen hebben eeuwenlang geleerd dat een goede fysieke en psychische gezondheid afhangt van het evenwicht tussen yin en yang. Als iemand echter, zonder het te weten, de natuurlijke ritmische stroom van de ch’i – hun term voor prana – door de twaalf voornaamste meridianen of energiekanalen van het lichaam in de war gooit, heeft dit een onevenwichtigheid van yin/yang tot gevolg. Met andere woorden, als de natuurlijke krachtlijnen worden verstoord, kan het pranische evenwicht ontzet raken, vaak met ernstige consequenties. In plaats van zich te concentreren op de psychische en fysieke aspecten van de constitutie is het veel beter om de aandacht te richten op de geestelijke en hogere mentale en morele vermogens. Als er innerlijk evenwicht wordt bereikt en de normale maatregelen voor een goede gezondheid in acht worden genomen, zal het fysieke na verloop van tijd vanzelf volgen (tenzij, zoals kan gebeuren, grotere karmische hindernissen moeten worden genomen).

Veel nadruk wordt ook gelegd op het vinden van je innerlijke kern, en terecht. Dit zich naar binnen richten is een individueel persoonlijk proces van ‘zichzelf wegcijferen’, het ontmantelen van het zelf, zoals de mystici het noemen, het ledigen van onze natuur van externe dingen, en één worden met ons essentiële zelf. Het kan een heel leven duren, of verschillende levens, om dit volledig te bereiken – geen uiterlijke omstandigheden zullen zoveel effect hebben als ‘het verliezen van het zelf opdat we het zelf zullen vinden’.

Na 1960 zijn overal in de wereld groepen ontstaan die programma’s voor zelftranscendentie steunen die verschillende methoden aanbieden om alternatieve bewustzijnstoestanden te bereiken: hoe men de kundalini of het ‘slangenvuur’ kan opwekken, dat onderaan de ruggengraat is gezeteld; hoe men de chakra’s kan activeren, hoe men moet mediteren door zich te concentreren op een triangel, een kaarsvlam, een kristal, een verlichte bol, of door een mantra te herhalen. Deze en andere psychofysieke oefeningen worden uitgevoerd in de hoop nirvanisch bewustzijn te verkrijgen. Ik zou geen enkele van die methoden aanbevelen, niet omdat ze in essentie verkeerd zijn, maar omdat ze door onze ingewortelde zelfzuchtige neigingen schadelijk kunnen uitwerken.

Tegenwoordig is de honger naar nieuwe en betere manieren om te leven heel sterk. Mensen verlangen ernaar de zin te ontdekken van een schijnbaar zinloze opeenvolging van crises, en ze experimenteren met alternatieve methoden, alles wat anders is dan dat waarmee ze zijn opgegroeid. Dit is een onderdeel van de spirituele en psychische bewustwording die wereldwijd aan de gang is, maar om een methode van zelfontwikkeling te gaan volgen zonder deze eerst zorgvuldig en streng aan een onderzoek te onderwerpen, vooral methoden die onmiddellijke resultaten beloven, is een hoogst riskante onderneming. Wanneer het karakter instabiel is (en wie van ons is in zijn hart en in zijn motieven volmaakt zuiver?), kunnen de verderfelijke invloeden die onze psyche vanuit de laagste gebieden van het astrale licht binnendringen schadelijk zijn voor zowel de fysieke als de mentale gezondheid. Trouwens, het concentreren van mentale en psychische energie op de vergankelijke elementen van de natuur heeft het nadeel dat het de aandacht afleidt van essentiële naar uiterlijke zaken. Dit kan niet zo’n heilzaam effect hebben op de aspirant als de altruïstische en niet op het zelf gerichte benadering van rajayoga. Dit alles is oude wijsheid die velen tegenwoordig intuïtief beginnen aan te voelen en in hun leven gaan toepassen.

In de Bhagavad-Gita staat een zinsnede: atmanam atmana pasya – ‘zie het zelf door middel van het zelf’. Dit kan op twee manieren worden geïnterpreteerd: zie het beperkte zelf, de persoonlijkheid, door middel van het stralende zelf of de atman in ons; of, zie de atman in ons, het licht van het ware zelf, door middel van het ontwakende persoonlijke zelf. Het ideaal is om een onbelemmerde stroom van energie, van bewustzijn, te hebben tussen onze atmische bron en de persoonlijkheid. Wanneer we in de eerste plaats proberen onszelf aan het edelste in ons te offeren, wakkeren we het vuur van onze hoogste chakra aan, het atmische centrum, dat op zijn beurt zijn invloed zal uitstralen over alle andere chakra’s.

Als we de zeven beginselen van de menselijke constitutie beschouwen als een zuil van licht, waarbij elk beginsel zevenvoudig is, en stel dat we proberen atman te bereiken, dan zullen we vrij snel de subatman van ons psychische centrum bereiken. Als we ons echter te sterk op dat niveau hebben geconcentreerd dan is er voor sommigen van ons een grote waarschijnlijkheid dat we niet alleen van ons doel worden afgeleid, maar helaas ook dat onze beginselen uit hun verband raken.

Als we zonder onszelf geweld aan te doen en zonder enig gevoel van trots onszelf volledig en oprecht aanbieden om ons meest innerlijke zelf te dienen, dan zal het licht van de hoogste atman – het atmische subbeginsel van onze atman – ons hele wezen van bovenaf naar beneden verlichten. We zullen dan op één doel gericht blijven omdat onze psychische en intellectuele en andere centra zullen worden beschenen door het verheven atmische licht, en er zal een transformerende invloed vanuit gaan op ons leven.

Het populariseren van meditatiepraktijken in het westen heeft bepaalde positieve resultaten gehad en heeft velen geholpen hun diepgewortelde onrust de baas te kunnen. Het verstillen van het denken en het tot rust brengen van de emoties gedurende enkele minuten per dag werkt therapeutisch: door met opzet onze zorgen los te laten, worden we innerlijk vrij en kunnen we onszelf opnieuw concentreren op onze levenstaak. Aan de andere kant kan een intensieve promotie van meditatie aan zijn doel voorbijschieten. Bijvoorbeeld, het wordt je bij het begin al tegengemaakt wanneer geld wordt gevraagd voor een mantra om je tot kosmisch bewustzijn te verheffen. Niemand heeft een mantra nodig om zijn bewustzijn naar de geestelijke bergtoppen te verheffen en de zegening te ontvangen van een tijdelijke vereniging met het hoogste in hem.

Er zijn allerlei manieren om te mediteren, en er zijn allerlei manieren om een hoger bewustzijn te bereiken. Wanneer we innerlijk stil worden, kan onze innerlijke stem worden gehoord in die rustige en toch heldere inspiratie die de ziel roert. Iedere nacht als we naar bed gaan kunnen we de weg openen voor de intuïtie door onze natuur te ontdoen van alle rancunes en irritaties, en ons hart vrijmaken van alle arrogante en onvriendelijke gedachten en gevoelens over anderen. Als we ons een beetje hebben laten gaan overdag, laten we dat dan erkennen met de wil om het beter te doen. Dan komen we in harmonie met ons werkelijke zelf, en het bewustzijn wordt vrij om te gaan waarheen het wil. Dit is een mysterie dat we niet werkelijk begrijpen, maar het wonder is dat we ’s ochtends met een verfriste geest wakker worden, met een nieuw en warmer gevoel voor anderen, en vaak met antwoorden op lastige vragen.

Het volgen van deze eenvoudige oefeningen werkt op alle gebieden herstellend, en we zullen dan eerder bijdragen aan de harmonie van onze omgeving dan daaraan afdoen. Welke weg men ook volgt om zichzelf te verbeteren, er wordt een offer gevraagd: we kunnen niet hopen toegang te verkrijgen tot de hogere gebieden van het zijn als we niet het recht hebben verworven daar binnen te gaan. Alleen zij die zich hebben bevrijd van boosheid, verontwaardiging, en zelfzuchtige verlangens zijn geschikt om de sleutels tot de wijsheid van de natuur te ontvangen. Iets anders te verwachten betekent dat we het risico lopen om de deur open te zetten voor elementale krachten van een lage soort die misschien moeilijk uit het bewustzijn zijn te verdrijven. Gebed, aspiratie en meditatie zijn in dat opzicht effectief dat ze overal in de natuur een trillingsreactie teweegbrengen; hoe vuriger de aspirant, hoe meer kracht ze hebben om edele (of onedele) energieën op te wekken zowel in het individu als in het aurische omhulsel dat de aarde omringt.

Ware meditatie is ware aspiratie, een ‘ademen naar’ het goddelijke, een zich verheffen van het denken en het hart naar het hoogste en is, als zodanig, even essentieel voor de ziel als voedsel voor het lichaam. Als we ons leven willen richten naar het licht dat uit onze innerlijke god emaneert, dan moeten we aspireren; maar laten we wat betreft de intensiteit van ons verlangen voorzichtig zijn om geen doodlopende wegen van zelfzuchtige aard in te slaan die de aandacht neigen te richten op onze eigen vooruitgang, onze eigen status en prestaties. Waar we – geestelijk en anderzijds – staan, is immers van weinig belang vergeleken met de kwaliteit van onze bijdrage aan het geheel. Waar het werkelijk om gaat is: Geven we het beste van onszelf aan deze wereld om warmte en moed te brengen aan onze omgeving in plaats van harteloosheid en somberheid?

Meister Eckhart, de 14de eeuwse mysticus, die door de zuiverheid van zijn leven zelfs nu nog glans geeft aan zijn instructies en preken, beschreef het voortreffelijk:

Als iemand in een extase verkeerde zoals Paulus, en er was een zieke man die hulp nodig heeft, dan zou het beter zijn de extase te beëindigen en praktische liefde te beoefenen door degene die in nood verkeert te helpen. . . .

In dit leven bereikt niemand het punt waar hij kan worden ontheven van het verlenen van praktische hulp.(3)

De beste soort meditatie is een richten van de ziel naar het licht binnenin ons, in een aspiratie om meer van dienst te zijn, zonder een overdreven verlangen naar een bijzondere openbaring. Iedere meditatiemethode die ons helpt om ons minder op onszelf te richten is heilzaam; als ze de egocentriciteit vergroot, is ze schadelijk.

Het is inderdaad onze plicht om naar waarheid te zoeken, waar die ook is; en ook om ons scherpste onderscheidingsvermogen te gebruiken in iedere omstandigheid, met een waardering voor wat van waarde is en toch alert voor wat vals is, terwijl we weten dat ieder mens het onvervreemdbare recht heeft om dat pad te kiezen wat hem het beste schijnt. In werkelijkheid is het enige pad dat we kunnen volgen het pad dat we vanuit ons binnenste zelf ontvouwen terwijl we proberen te evolueren en te worden wat we innerlijk zijn.

Evenals de spin uit zichzelf de zijden draden spint die haar web moeten vormen, zo ontvouwen wij vanuit de diepten van ons wezen het pad dat het onze is. Onze uitdaging is om meer te luisteren naar de aanwijzingen van ons innerlijke zelf dan naar de invloeden van buitenaf; als we dat niet doen, brengen we onszelf – en ook anderen – schade toe totdat we gaan leren. Soms vragen die aanwijzingen om een mate van zelfdiscipline en moed waaraan we niet gewend zijn, en vragen om het opofferen van dingen waarvan we houden. Maar alles wat als offer wordt opgegeven is als niets vergeleken bij dat waarnaar we in ons diepste zelf verlangen.

De meest vruchtbare meditatie is dus een opgaan van het denken en de aspiratie in het edelste ideaal dat we ons kunnen voorstellen. We zullen ons geen zorgen hoeven te maken over bepaalde lichaamshoudingen, technieken of goeroes; er zal een natuurlijke stroom van licht zijn naar en in onze natuur, want onze innerlijke meester, onze werkelijke goeroe is ons Zelf.

 

Noten
  1. Zie Bhagavad-Gita 9:2, de eerste regel daarvan luidt: rajavidya rajaguhyam, letterlijk ‘koninklijke kennis, koninklijk mysterie’.
  2. Op. cit., 4:11.
  3. Sheldon Cheney, Men Who Have Walked with God, blz. 194; vgl. Meister Eckhart, A Modern Translation, Eng. vert. Raymond Bernard Blakney, blz. 14.

 


Duizend lichten aansteken, blz. 113-26

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag