Duizend lichten aansteken
Grace F. Knoche

bestel boek

1ste druk 2002

© 2002  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Psychische vermogens en paranormale verschijnselen

Nu er een spiritueel ontwaken plaatsvindt, wordt het een dringende noodzaak om de dieperliggende en gewoonlijk onbewuste niveaus van de menselijke psyche te onderzoeken. Aan het ene einde van het spectrum zien we op ieder terrein van onderzoek briljante denkers die de barrière van de stof doorbreken en nieuwe dimensies van bewustzijn – van de wisselwerking tussen ziel, denken en lichaam – onderzoeken. Hun doel is een nieuw model te ontwikkelen voor de mens als een planetair wezen in een heelal dat wordt erkend als zijn thuis en oorsprong. Dit gaat vergezeld van de roep van gewone mensen om de aarde te erkennen als onze moeder, om een ecologie van denken en geest en lichaam, om holistische benaderingen tot het genezen en helen te accepteren samen met een verlichte zorg voor de ouderen, de zieken en de stervenden, en ook voor de verstandelijk en emotioneel gehandicapten. Aan het andere einde van het spectrum staan personen die psychische prullaria beschikbaar stellen en duizenden mensen misleiden met aanlokkelijke aanbiedingen van ‘een rechtstreekse weg naar uiteindelijke macht’ en dergelijke.

In het tussenliggende gebied bevindt zich een snel toenemend aantal individuen en organisaties die hun steun geven aan alle mogelijke retraites, seminars, en workshops over psychofysiologische praktijken: het terugtrekken van de zintuigen, methoden van zelfregulering, het zuiveren van psychische blokkades, technieken om energie op te wekken, droomevaluatie en -beheersing, het behandelen van stress en spanning, allerlei soorten ‘therapieën’ als ervaringshulpmiddelen om alternatieve bewustzijnsniveaus te kunnen bereiken. Velen worden hierdoor in verwarring gebracht en zijn niet in staat te herkennen wat van blijvende waarde is.

Een gewaarschuwd mens telt voor twee: zolang we opletten en verantwoordelijk zijn, en de waarheid of onwaarheid van alles wat op onze weg komt testen met onze innerlijke toetssteen, is er geen werkelijke reden voor angst. Maar het is een noodzaak dat we de teugels om te beslissen in eigen handen houden en zelf ontdekken in welke richting dit of dat ‘pad’ of een of andere ‘belofte’ of ‘inwijding’ ons brengt: naar bevrijding van de ziel, of naar ijdelheid en grotere verwarring van doeleinden. Ongetwijfeld zijn er bij iedere grens gevaren, en waar de grenzen op de rand liggen van de astrale gebieden van onze constitutie en die van onze aardbol, is de noodzaak om alert te zijn des te groter. Omdat we hier te maken hebben met niet-fysieke dimensies, vergt dit een groter onderscheidingsvermogen.

Een eerste vereiste is om te weten waarover we het hebben. Wat bedoelen we met ‘astraal’? De term komt oorspronkelijk uit het Grieks – astron, ‘ster’ – en werd gebruikt door middeleeuwse en Renaissancefilosofen, alchemisten, en hermetici voor de subtiele, onzichtbare substantie die onze fysieke aarde omsluit en doordringt. Paracelsus verwijst ernaar als het siderische licht, en Éliphas Lévi noemde het de slang of draak waarvan de emanaties de mensen vaak het leven zuur maken. De Upanishads van India gebruiken de term akasa, ‘schijnend’, voor de lichtgevende substantie die de hele ruimte, zon en maan, bliksem en sterren, en ook het zelf (atman) van de mens, doordringt. De stoïcijnse filosofen kenden hun kwintessens, ‘vijfde essentie’, of aether waaruit de lagere vier elementen worden afgeleid, en de Romeinen hun anima mundi, ‘ziel van de wereld’, waarvan ze aannamen dat deze alle wezens omringde en leven schonk. Voor de meeste volkeren uit vroeger tijden waren de hemellichamen, sterren en planeten, ‘animalia’ – levende wezens vervuld van de ‘adem’ (anima, spiritus) van het leven. Het waren goden die stellaire en planetaire lichamen gebruikten als middel om ervaring op te doen; en ieder van hen heeft zijn nous en psyche (zijn noëtische en psychische aspecten, zijn geest en ziel). In het denken van degenen die geschoold waren in de mysteriën was nooit enige twijfel over de nauwe en onderlinge band tussen mens en natuur.

In de moderne theosofie wordt de term ‘astraal’ gebruikt voor het subtiele model op basis waarvan de fysieke lichamen van zowel de mens als de wereld zich vormen. Tegenwoordig wordt het woord astraal vaak gebruikt in tijdschriften over parapsychologie, hoewel daar tevens verschillende andere termen worden gebruikt, zoals energielichaam, bioplasma, en dergelijke.

Het astrale licht, zoals de meer subtiele tegenhanger van de aarde in het theosofische spraakgebruik wordt genoemd, loopt van het meest dichte tot het meest etherische en spirituele, waarbij de laagste niveaus zwaar zijn van de droesem van de gedachten en emoties van de mens, terwijl de hogere niveaus ervan opgaan in het akasa door middel waarvan hogere wezens bij zeldzame gelegenheden kunnen communiceren met hen die hun interesse afdwingen. H.P. Blavatsky verwijst naar het astrale licht als ‘de grote beeldengalerij van de eeuwigheid’ want het bevat ‘een getrouw verslag van iedere handeling en zelfs gedachte van de mens, van alles wat was, is of ooit zal zijn in het heelal van verschijnselen’.(1)

Omdat alles wat wordt ervaren zijn stempel drukt op de aura van de aarde en van onszelf, is het astrale licht de voorraadschuur van – en dus weerspiegelt het – zowel de meest altruïstische gedachten en aspiraties als de meest ontaarde menselijke impulsen van de talloze mannen en vrouwen die ooit op onze planeet hebben geleefd. Er is een voortdurende uitwisseling: we maken afdrukken op het astrale licht, en het astrale licht laat op zijn beurt zijn afdruk op ons achter, een stroom in twee richtingen van astrale energieën die in en door de aarde en haar rijken circuleren. In feite worden we de hele tijd overspoeld door astrale stromen: onze gedachten zijn astraal, onze gevoelens ook. Wanneer we met elkaar spreken, maken we gebruik van astrale denksubstantie. Wanneer we innerlijk in harmonie zijn, kunnen we zonder het te weten de ontvanger zijn van aanduidingen van waarheid en schoonheid, hetzij afkomstig van onze innerlijke god, of van de hogere gebieden van het astrale licht (akasa). Als we daarentegen gedeprimeerd zijn en toelaten dat negatieve gedachten en emoties ons bewustzijn binnendringen, openen we misschien zonder het te weten de deur naar de lagere astrale invloeden. Tenzij we onszelf volkomen in de hand hebben, is het vaak zonder meer moeilijk die deur te sluiten wanneer we dat willen, en zelfs nog moeilijker om die gesloten te houden. Bovendien kunnen de stromen van het astrale licht voor hen die niet gedisciplineerd en getraind zijn, uiterst misleidend en daarom gevaarlijk blijken te zijn. Het is even roekeloos om op drijfzand te springen als om je overhaast te storten op astrale en psychische experimenten, onwetend van de risico’s die daarmee worden genomen en, wat belangrijker is, zonder de bescherming van een volkomen zuivere ziel.

Ondanks waarschuwingen tegen het potentiële misbruik van onze latente psychomentale vermogens, is het aantal paranormale verschijnselen dat zich de laatste tientallen jaren bij allerlei soorten mensen heeft voorgedaan aanzienlijk toegenomen. Daardoor is de interesse in ESP (buitenzintuiglijke waarneming), levitatie, waarzeggerij, kristal- en piramidekracht, psychokinese, en allerlei soorten astrale activiteiten enorm gegroeid, zoveel dat we ons genoodzaakt voelen enkele vragen te stellen: Is het in ons huidige evolutiestadium verstandig om het ontwikkelen van psychische vermogens te forceren, als het ware in een broeikas, wanneer we nog zo egocentrisch zijn? Zijn we door innerlijke zuiverheid en zelfbeheersing voldoende voorbereid om ons in te laten met astrale krachten die tot nu toe in bedwang zijn gehouden omdat de natuur onze fysieke zintuigen beschermt en afsluit voor octaven die buiten het normale gebied liggen?

Wat te denken van channeling, de veelbesproken ‘gave’ van mediumschap? Het is nauwelijks een gave: als we een medium zijn voor het channelen van boodschappen van wezens van de ‘andere kant’ kan dit ons een tijdje goed van pas lijken te komen, maar het gebeurt vaak dat de ontvanger na verloop van tijd het slachtoffer wordt van krachten van buitenaf waarover hij geen controle heeft. Onze psychiatrische afdelingen van ziekenhuizen en gevangenissen vertellen een schokkend verhaal over de vele duizenden ongelukkige slachtoffers van psychische bezetenheid. Toch is het een alledaagse gebeurtenis om een channel te zijn. Wij zijn, ieder van ons, voortdurend het kanaal of de ontvanger van gedachten en atmosferen die zich in onszelf of bij onze familie, vrienden, buren, ons land, en de mensheid als geheel, aandienen. Dit is onvermijdelijk. Zouden we niet af en toe een kanaal kunnen zijn voor een inspiratie die we – meestal ondanks ons gewone denken – horen, zien, of voelen, wanneer we tijdelijk een doorgever zijn geworden van licht en inspiratie vanuit de akasische hoogten? Hieraan is niets bijzonders; dit is al millennia lang aan de gang, in ieder land en bij alle volkeren. Maar dit staat veraf van het soort channelen dat de krantenkoppen haalt.

Hoe staat het echter met diegenen die gruwelijke daden verrichten: velen weten nauwelijks waarom, of wat hen ertoe kan hebben gebracht om te moorden of te verkrachten. Heeft de inherente zwakheid van hun wil het mogelijk gemaakt dat kwaadaardige krachten uit de laagste delen van het astrale licht hun psyche binnenkwamen? Hoewel de natuur alle dingen uiteindelijk ten goede gebruikt, en ruimere inzichten soms heel goed bij ons kunnen binnenkomen, zou channelen veel oprechte zoekers kunnen afbrengen van hun werkelijke doel; in het ergste geval zouden ze zich in een psychische draaikolk van verwarring, en misschien wel in onbewuste toverij, kunnen storten.

We kunnen lering trekken uit het geval van Macbeth: bijna onmiddellijk nadat hij van de heksen van Endor hoorde dat hij de Vrijheer van Cawdor zou worden, werd hij ongerust. Zal alles werkelijk zijn zoals zij het voorspellen? Als we Macbeth gadeslaan terwijl hij onder zware emotionele spanning staat, en heen en weer wordt geslingerd tussen hebzucht en angst, mijmert Banquo:

        Maar het is vreemd:
Om ons voor zich te winnen, vaak tot onze schade,
Vertellen de instrumenten van de duisternis ons waarheden,
Om ons voor zich te winnen met eerlijke onbenulligheden,
En ons als diepste consequentie te verraden.
                – Macbeth, eerste bedrijf, derde toneel

Dit is precies wat er gebeurt met velen die ‘boodschappen’ ontvangen van hen ‘aan de andere kant’. Astrale entiteiten die door mediums worden gechanneld weten ons vaak over te halen met eerlijke onbenulligheden, bepaalde kleine waarheden, die ons verleiden, enkel om ons later te verraden in zaken van groot belang.

Dan zijn er degenen die geïnteresseerd zijn in ‘astrale reizen’, in het verlaten van het lichaam en het proberen om hun atman te bereiken; of om astraal mensen, andere landen, planeten, of gebieden, te bezoeken. Velen geloven oprecht dat ze vrienden of familieleden op deze manier kunnen helpen. Om te begrijpen waarom dit geen verstandige manier is om één te worden met onze atman of ons goddelijke zelf, dienen we over kennis te beschikken van de zevenvoudige aard van het menselijke bewustzijn: het goddelijke, het geestelijke, en het hogere denken, het lagere denken samen met het begeertebeginsel, en het vitale, astrale, en fysieke. Het begeerte/denken deel van de mens vormt ons gewone persoonlijke zelf, en wanneer het wordt verlicht door het intuïtieve en hogere denken, hebben we een ontwaakte ziel. Ziel is een nogal ruime term die voor veel aspecten van ons wezen kan worden gebruikt. De Grieken spraken gewoonlijk over nous als het hogere denken, de hogere intelligentie, en over psyche, de dochter van nous, als de ziel.

Om een dogmatische houding aan te nemen en alle paranormale verschijnselen botweg te verwerpen, is echter even kortzichtig als om alles wat astraal of psychisch is te onderschrijven. Hier heeft men onderscheidingsvermogen nodig: de oude wijsheid heeft aangetoond dat het wijd openzetten van de deur naar de astrale gebieden te vergelijken is met het openen van een doos van Pandora met elementale energieën, zowel goedaardige als kwaadaardige. We waarschuwen tegen het ontrouw worden aan altruïstische intenties, want elke keer dat we ons inlaten met astrale zaken, hoe onschuldig het motief aanvankelijk ook is, leidt de opwinding over een gemakkelijk te verkrijgen succes maar al te vaak tot het ondermijnen van morele beginselen. De menselijke natuur is altijd gevoelig voor een beroep dat wordt gedaan op het eigenbelang; hoe meer verhuld dat gebeurt, hoe groter de noodzaak om op je hoede te zijn, opdat niet ongemerkt het zaad van trots ontkiemt. Psychische ijdelheid vormt in vele en vreemde vormen een heel verleidelijke valstrik, en bindt de aspiraties aan het persoonlijke niveau in plaats van ze te bevrijden zodat ze kunnen reageren op de roep van iemands diepste wezen.

Er zijn natuurlijk veel graden van psychische of astrale betrokkenheid. Zoals eerder werd opgemerkt, gebruiken we voortdurend niet-fysieke vermogens: liefde, haat, denken, en emotie van allerlei soort zijn manifestaties van geestelijke vermogens. De meeste mensen zijn bovendien van nature telepathisch, en ervaren gedachteoverdracht veel vaker dan ze beseffen, vooral met personen met wie men een nauwe band heeft. Dan zijn er de sensitieven, die een soort zesde zintuig hebben dat, wanneer het zich ongezocht en op een volkomen natuurlijke manier manifesteert, vaak een bescherming betekent voor anderen en voor henzelf. Maar wanneer deze vermogens uit ijdelheid worden nagestreefd, voor eigen genoegens, of als vlucht uit de discipline van de dagelijkse verantwoordelijkheid, dan worden ze algauw een gevaar. Zij die een ‘geleidegeest’ hebben, die spreken over het horen van de ‘bellen’, of die door automatisch schrijven de ‘meest prachtige leringen ontvangen’, zouden op hun hoede moeten zijn, want wat ze ‘zien’ of ‘horen’ zou wel eens geen wijsheid ‘van boven, maar van deze aarde’ (Jacobus 3:15) kunnen zijn; of zijn als kaarslicht vergeleken met de schittering van de zon.

Laten we op het gevaar af te veel te vereenvoudigen een vergelijking maken tussen het lot van een alcoholist en een verslaafde aan paranormale verschijnselen. Voor ze beseffen wat er gebeurt, zijn ze ‘bezeten’ door een kracht buiten zichzelf en staan machteloos om die te beheersen. Zoals ijzervijlsel wordt aangetrokken naar de krachtlijnen in een magnetisch veld, zo worden ‘elementale wezens’ uit het astrale lichaam van de aarde aangetrokken tot iedereen die hen een kans geeft; en de laagste regionen van het astrale gebied zijn overladen met de meest kwade gedachten van de mensheid. Gelukkig zijn zij die door hun zuivere goedheid worden beschermd, want ze zullen alleen reageren op wat aan hen verwant is.

In boeddhistische geschriften staan waarschuwingen tegen het onjuiste gebruik van psychische vermogens. In een van de teksten van de Pali-canon(2) wordt verteld over een koopman uit Rajagaha die een blok sandelhout had gekocht en daarvan een schitterende houten schaal had gemaakt. Hij daagde iedereen uit die beweerde over de iddhi,(3) ‘vermogen, kracht, vaardigheid’, te beschikken, om deze schaal van de top van een hoge bamboe te halen; wie daarin slaagde, mocht de schaal houden. Verschillende mensen speelden met het idee, maar gingen niet verder. Tenslotte kwam de eerwaarde monnik Bharadvaja naar voren, en ‘steeg op in de lucht, nam de schaal, en ging drie keer’ rond Rajagaha. De dorpelingen waren extatisch en begonnen luid te roepen en achter hem aan te lopen. Toen de Boeddha de aanleiding vernam van dit uitzinnige gedrag, riep hij de monniken bijeen. Toen Bharadvaja verklaarde dat hij de schaal inderdaad had bemachtigd door gebruik te maken van de iddhi, zei de Boeddha tegen hem en de verzamelde monniken:

Dit is verkeerd, Bharadvaja, niet volgens de regels, ongepast, een samana [asceet] onwaardig, onbehoorlijk, en zou niet moeten worden gedaan. Hoe kan jij, Bharadvaja, om een armzalige houten schaal te verkrijgen, voor de lekengemeenschap de bovenmenselijke eigenschap van jouw vermogen van iddhi vertonen?     – Op. cit., blz. 80

Na deze berisping sprak de Boeddha over geestelijke onderwerpen, en zei toen tegen de verzamelde monniken:

Jullie moeten niet, o bhikkhu’s, voor de leken het bovenmenselijke vermogen van iddhi demonstreren. Wie dat doet, zal schuldig zijn aan een dukkata [een overtreding]. Breek die houten schaal in stukken, o bhikkhu’s, en als jullie haar tot poeder hebben vermalen, geef haar dan aan de monniken als geurstof voor hun oogzalven.     – Op. cit., blz. 81

Ook als we trouw vasthouden aan het oude voorschrift tegen het onjuiste gebruik van psychische vermogens, vinden er diepgaande innerlijke veranderingen in het karakter en in de constitutie plaats wanneer de paramita’s (‘transcendente deugden’ – zie hfst. 13) met ijver en gedurende een langere periode worden beoefend. Het individu zal mogelijk ontdekken, vooral bij het beoefenen van dhyana, ‘meditatie, concentratie’, dat bepaalde iddhi’s worden geactiveerd. Dit is niet ongepast als men maar een stilzwijgen hierover bewaart, innerlijk evenwichtig blijft, het motief zuiver houdt, en waakt tegen psychische ijdelheid.

Dit alles werd door HPB volkomen duidelijk gemaakt in het Eerste Memorandum en de Voorschriften die ze stuurde aan mensen die lid wilden worden van de pasgevormde Esoterische Sectie (1888):

aan de studerende zal – op enkele uitzonderingen na – niet worden geleerd hoe hij fysieke verschijnselen kan teweegbrengen, en evenmin zal worden toegestaan dat er zich magische krachten in hem ontwikkelen; mocht de leerling deze vermogens van nature bezitten, dan zal het hem niet worden toegestaan deze te gebruiken voordat hij een grondige kennis heeft verkregen van het zelf, . . . voordat hij volkomen beheersing heeft over al zijn lagere hartstochten en zijn PERSOONLIJKE ZELF. . .

9. Geen lid zal voorwenden in het bezit te zijn van psychische vermogens die hij niet heeft, noch prat gaan op die vermogens die hij misschien heeft ontwikkeld. Afgunst, jaloezie, en ijdelheid zijn geniepige en krachtige vijanden van vooruitgang, en het is uit langdurige ervaring bekend dat, vooral onder beginners, het prat gaan op of de aandacht vestigen op hun psychische vermogens bijna onveranderlijk leidt tot deze fouten en deze versterkt als ze aanwezig zijn. Vandaar –

10. Geen lid zal aan een ander vertellen, vooral niet een medelid, hoever hij is gevorderd of welke erkenning hij heeft verkregen, en evenmin zal hij door hints te geven ervoor zorgen dat dit bekend wordt.(4)

Terwijl paranormale verschijnselen onder bepaalde omstandigheden een functie hebben, zijn ze slechts een uiterlijke uitdrukking van een meer subtiele gesteldheid. Gelukkig hebben de meeste mensen, zowel vroeger als ook nu, een ingebouwd waarschuwingssignaal om alles wat van psychische aard is niet in hun leven toe te laten: hetzij uit een natuurlijke angst voor het onbekende, of omdat iemand die weg al is gegaan in dit of in een vorig leven en heeft ontdekt dat het een doodlopende weg is. Hypergevoeligheid ontstaat bij sommige mensen spontaan; bij anderen wordt deze teweeggebracht door programma’s om het bewustzijn te trainen of door drugs. Op dit kruispunt van cyclussen, wanneer het Vissentijdperk op z’n retour is en het Watermantijdperk wereldwijd de overheersende invloed begint te worden, nemen paranormale manifestaties ongetwijfeld toe samen met een versterkte belangstelling voor en een ontwikkeling van ooit latente vermogens. Als iemand wordt geboren met psychische vermogens die min of meer zijn ontwikkeld, zouden we dat moeten herkennen voor wat het is maar het belang ervan niet overdrijven. Er zijn tegenwoordig veel meer mensen, zelfs heel jonge kinderen, die paranormale ervaringen blijken te hebben, voor een deel omdat de grens tussen het fysieke en het astrale dunner begint te worden.

H.P. Blavatsky voorzag dat de mensheid snel een ‘nieuwe cyclus binnenging [waarin] de latente psychische en occulte krachten in de mens beginnen te ontkiemen en te groeien’. Maar, voegde ze eraan toe, ‘Begrijp eens en voor altijd dat er in geen van deze manifestaties iets ‘geestelijks’ of ‘goddelijks’ is.’(5) In haar vierde brief aan de Amerikaanse theosofen geschreven in april 1891, kort voor haar dood, drong ze er bij hen op aan om ‘daarom deze ontwikkeling zorgvuldig in de gaten te houden, die in uw volk en evolutieperiode onvermijdelijk is, zodat ze uiteindelijk ten goede en niet ten kwade zal uitwerken’. Haar waarschuwing is expliciet:

De psychische vermogens met al hun verlokkingen en gevaren ontwikkelen zich nu onvermijdelijk onder u en u moet oppassen dat de psychische ontwikkeling de manasische [mentale] en geestelijke niet overtreft. Wanneer psychische vermogens volkomen onder controle worden gehouden, beheerst en geleid door het manasische beginsel, vormen ze waardevolle hulpmiddelen voor onze ontwikkeling. Maar als deze vermogens vrij spel krijgen, leiding nemen in plaats van geleid worden, gebruiken in plaats van gebruikt worden, brengen ze de onderzoeker tot uiterst gevaarlijke waanvoorstellingen en de zekerheid van morele ondergang.     – Op. cit., blz. 49

Opmerkelijk is echter het verschil in nadruk in de psychische belangstelling in deze tijd vergeleken met wat die was in de laatste tientallen jaren van de negentiende eeuw. In die tijd – even afgezien van degenen die zoals in elk tijdperk gegrepen werden door de bekoring van verschijnselen – werden maar relatief weinig onverschrokken denkers aangetrokken, want het grootste deel van de wetenschappelijke en ontwikkelde wereld keurde dat soort zaken af. In de twintigste eeuw, en vooral in de laatste decennia ervan, zijn het potentieel van het menselijke bewustzijn in het bijzonder en van paranormale verschijnselen in het algemeen onder controleerbare omstandigheden onderzocht en getoetst. Het experimenteren in deze en aanverwante gebieden wordt geleid door neurowetenschappers en anderen in een poging door te dringen tot de innerlijke lagen van het menselijke bewustzijn. Tegelijkertijd is er ook heel gevaarlijk onderzoek aan de gang. We hoeven slechts een blik te werpen op de huidige ‘metafysische’ tijdschriften om te beseffen hoe onheilspellend de trend is van een deel van dit onderzoek en van de daaruit voortvloeiende praktijken overal in de wereld.

Gelukkig is een aantal onderzoekers in het veld zich bewust van de inherente risico’s, vooral voor hen die mentaal en psychisch onstabiel zijn. Sommigen van hen spreken zich uit tegen ‘hypnotische programmering’ en waarschuwen tegen de psychische vervuiling waaraan gehypnotiseerde slachtoffers zich blootstellen. We kunnen niet genoeg benadrukken hoe gevaarlijk het is om zichzelf onder de wil of binnen de aura van een ander te plaatsen. Dat wordt niet aanbevolen; het is niet aan te raden. We moeten op elk moment meester over onszelf zijn; en om onszelf – ook al is het onbewust – door een ander te laten overheersen, betekent dat we in dat opzicht onze innerlijke kracht verzwakken om ons eigen leven aan te kunnen.

Wij mensen zijn hier met een enorme achtergrond aan kracht, voortgebracht in de loop van levens, die we leren te richten op die paden van het lot die ons rechtmatig toekomen. Terwijl we op elkaar inwerken en daardoor tot op zekere hoogte elkaars karma beïnvloeden, heeft niemand – geen god in de hemel, geen demon in de hel, geen meester of adept – het recht om zich te bemoeien met het innerlijke leven van een mens, wie dan ook. Als we een ander zouden toestaan zijn wil aan de onze op te leggen en in te breken in de citadel van onze zelfheid, dan zouden we ons menszijn degraderen en het doel van ons hogere zelf prostitueren.

Vooral jonge mensen zouden zich bewust moeten zijn van het potentiële risico, want naarmate de jaren verstrijken zullen ze steeds meer te maken krijgen met dit soort binnendringing. Fysieke oorlog is niet half zo gevaarlijk als de controle over de wil en het denken die steeds subtielere vormen aanneemt. Op een dag, en hopelijk in deze eeuw, zal oorlog op het slagveld een nachtmerrie van het verleden zijn. We zullen echter onze waakzaamheid moeten behouden, want de strijd zal zich voor het grootste deel richten op de mentale en psychische gebieden. Dan zal er evenals nu een behoefte zijn aan de moed en vastberadenheid om de op het onderbewuste gerichte pijlen af te weren die het innerlijke weefsel van ons wezen zouden kunnen doorboren.

Hoe kunnen we onszelf beschermen tegen psychische indringing? Het is een beproefde bescherming om ons bewust te zijn van de gevaren, maar toch niet bang. Als we volledig vertrouwen op ons diepste innerlijke wezen – en wanneer angst, werkelijke angst, greep op ons dreigt te krijgen – dan zullen we weten dat niets ons kan treffen, geen entiteit of wezen ons werkelijke zelf kan kwetsen. ‘Volmaakte liefde bant angst uit.’ De liefde moet werkelijk zijn, onzelfzuchtig en onvoorwaardelijk. Als we ons bewustzijn consequent afstemmen op onzelfzuchtigheid, met een zuiver motief, dan vormt dat een natuurlijke bescherming.

Terwijl we de toekomst ingaan, is het het beste om op de hoogte te blijven van de snelle veranderingen op het gebied van bewustzijn. We zouden de aard moeten begrijpen van onze constitutie die uit veel facetten bestaat, van het fysieke tot het spirituele, en dienen in te zien dat ieder van ons noodzakelijk meester over zijn eigen beslissingen zou moeten zijn. Door eerst onze morele en spirituele vermogens te versterken, zullen onze mentale en psychische vermogens zich in verhouding ontwikkelen; we zullen in een betere positie zijn om ze verstandig te gebruiken en voor het welzijn van allen. De wijsheid van de eeuwen is samengevat in de woorden van Jezus: ‘Zoek eerst het koninkrijk Gods [van de geest] . . . en al deze dingen zullen u worden geschonken’ (Matth. 6:33).

De uitdaging die nu voor ons ligt is niet hoe we de getijdengolf van psychische experimenten kunnen stopzetten, maar hoe we kunnen helpen om deze in de noodzakelijke opwaartse richting te stuwen zodat ze ‘uiteindelijk ten goede en niet ten kwade zal uitwerken’. De toekomst staat open met enorme mogelijkheden voor zowel vooruitgang als terugval. We kunnen niet voorspellen waaraan de toekomstige generaties het hoofd moeten bieden. Hun dilemma’s en kansen kunnen zich heel goed richten, evenals die van ons in deze tijd, op hoe men zich innerlijk moet voorbereiden om de vereiste morele zuiverheid en kracht te bereiken om aan de voortdurende stroom van astrale en psychische invloeden – van binnenuit, van anderen, en vanuit het astrale licht van de aarde – die binnenkomt in de gedachteatmosfeer van onze planeet, het hoofd te bieden.

We vragen opnieuw, waarom zijn zoveel mensen geïnteresseerd in het verwerven van bovenzinnelijke vermogens? Van welk nut zal dit voor iemand zijn? Stel dat we leren om gedachten te kunnen lezen, in ons astrale lichaam te reizen, helderziend te zijn, de toekomst te voorspellen, zou daardoor iets van spirituele waarde worden gewonnen? Duidelijker gezegd, misschien is de enige vraag: Wat is ons werkelijke motief in het leven? Als we dit eerlijk kunnen beantwoorden, tot tevredenheid van zowel het verstand als de intuïtie, dan kunnen we misschien ontdekken dat we onze aandacht dienen te richten op onze geest-ziel, waar ‘ik’ en ‘jij’ één zijn – niet op de psychische en fysieke, de minst permanente delen van onze constitutie.

Het bouwen aan ons karakter is een voortdurende uitdaging: het omzetten van zelfzucht in altruïsme, van persoonlijke interesse in de warmte van mededogen – een langzame alchemie die veel geduld vergt.

 

Noten
  1. De Geheime Leer 1:134.
  2. Cullavagga, V, 8:1-2, Sacred Books of the East, 20:78-81.
  3. Pali-vorm van het Sanskriet siddhi. Daarvan zijn twee soorten: de ene ‘omvat de lagere, grove, psychische en mentale energieën; de andere vereist de hoogste training van geestelijke vermogens’. – H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte, blz. 71.
  4. E.S. Instructions III:4-5, blz. 21-2; herdrukt in H.P. Blavatsky, Collected Writings 12:488, 495.
  5. H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies: 1888-1891, blz. 42-3.

 


Duizend lichten aansteken, blz. 127-44

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag