Duizend lichten aansteken
Grace F. Knoche

bestel boek

1ste druk 2002

© 2002  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

De paramita's

In De Stem van de Stilte vat H.P. Blavatsky de weg van mededogen als volgt samen:

Leven voor het welzijn van de mensheid is de eerste stap. De zes verheven deugden in praktijk brengen is de tweede.         – blz. 31

De zes verheven deugden zijn de paramita’s. Van de neofiet wordt verlangd dat hij deze zich eigen maakt terwijl hij het pad betreedt dat naar de hoogste inwijdingservaring leidt. HPB maakt gebruik van de mahayana-boeddhistische terminologie wanneer ze in haar Stem deze ‘transcendentale deugden’ of ‘volmaaktheden’ presenteert als de ‘gouden sleutels’ die de poorten van het meesterschap doen opengaan. In de boeddhistische teksten van zowel de Noordelijke als de Zuidelijke School wisselt het aantal, de volgorde, en soms ook de opgenomen selectie van deze ‘deugden’. De woorden die voor de ene of de andere ‘deugd’ zijn gekozen, hun aantal, of hun volgorde zijn van ondergeschikt belang; waar het om gaat is trouw aan de poging om de beperkingen van het alledaagse zelf te overstijgen.

Wat zijn deze paramita’s? Van de zeven die in de Stem worden vermeld, is de eerste dana, ‘geven’, begaan zijn met anderen, altruïstisch zijn in ons denken, spreken en handelen. De tweede is sila, ‘ethiek’, het moreel hoogstaande gedrag dat van een serieuze leerling wordt verwacht; de derde, kshanti, ‘geduld’, uithoudingsvermogen, verdraagzaamheid, is het welwillende inzicht dat de tekortkomingen van anderen niet groter zijn, en misschien minder ernstig, dan die van onszelf.

Wat betreft de vierde paramita, viraga, ‘gelijkmoedigheid’, het niet gehecht zijn aan de gevolgen die de wisselvalligheden van het leven voor ons hebben: wat vinden we dit moeilijk en, toch, als we in ons diepste zelf het bodhisattva-ideaal koesteren, betekent het beoefenen van viraga nooit dat we toelaten dat we onverschillig staan tegenover de moeilijkheden van anderen. Veeleer vereist ze een wijze toepassing van mededogen. Het is interessant dat voorzover we weten deze paramita in de gebruikelijke opsommingen in het Sanskriet of Pali niet wordt gegeven. Dat viraga in de Stem is opgenomen is van betekenis, want de vierde positie staat centraal, halverwege de reeks van zeven. We worden hier herinnerd aan de zeven stadia van de inwijdingscyclus, waarvan de eerste drie voorbereidend zijn en voornamelijk bestaan uit instructie en innerlijke discipline.(1) In de vierde inwijding moet de neofiet dat waarover hij heeft geleerd worden, dat wil zeggen hij moet zich vereenzelvigen met de innerlijke gebieden van hemzelf en van de natuur. Als hij succes heeft, mag hij de drie hogere graden proberen die ertoe leiden dat hij moet verdragen dat de innerlijke god bezit neemt van zijn menszijn.

Om onder alle omstandigheden gelijkmoedig te blijven, in vreugde en in pijn, bij succes en mislukking, betekent dat we de kalmte van een muni, een ‘wijze’, hebben bereikt; het betekent dat we ons volledig vereenzelvigen met de waarheid dat, terwijl alles wat is geboren het zaad van verval in zich draagt, het inwonende wonder, de onvergankelijke geest – zoals in de Bhagavad-Gita zo prachtig wordt bezongen – onsterfelijk is, en door de paren van tegengestelden niet in beroering wordt gebracht. Het lijkt voor ons misschien nogal veraf om de status van een wijze te verkrijgen; als we het beoefenen van viraga echter een eerlijke kans geven, wat geeft dit ons dan een bevrijding van de last van spanning die we onszelf – en, helaas, ook anderen – onnodig opleggen.

De vijfde paramita is virya, ‘kracht’, moed, vastberadenheid; de wil en energie om standvastig trouw te blijven aan wat waar is, en met evenveel kracht tegenstand te bieden aan wat onjuist is. Iemand die virya meester is, is onvermoeibaar in zijn denken en handelen. Met de zesde, dhyana, ‘meditatie’, diepe contemplatie, het zich leegmaken van alles wat minder is dan het hoogste, vindt een natuurlijk ontwaken van latente krachten plaats, wat uiteindelijk culmineert in eenheid met de essentie van het Zijn.

Tenslotte de zevende, prajña, ‘verlichting, wijsheid’ – ‘de sleutel hiervan maakt van de mens een god, een bodhisattva, een zoon van de dhyani’s’. Wij zullen ‘van een sterveling een god’ zijn geworden, zoals de orfische kandidaat dit heilige moment van de zevende inwijding beschrijft, wanneer transcendentie en immanentie één worden.

Volledige beheersing van de paramita’s, hoe ze ook worden opgesomd, is vanzelfsprekend een langdurig proces, maar toegewijde beoefening ervan brengt direct voordeel zonder het risico van kortsluiting in de psyche. Alleen al het besluit om ermee te beginnen heeft een transformerend effect op onze houding en zienswijze, en ook op onze verhouding met anderen. Als we ons alledaagse zelf konden beoordelen vanuit de gunstige positie van ons wijzere zelf, dan zouden we beseffen dat er voortdurend een subtiel, innerlijk ontwaken aan de gang is; te subtiel voor ons om het te kunnen registreren, maar cumulatief in zijn effect op ons huidige en toekomstige karma. We hoeven niet geestelijk ‘gevorderd’ te zijn vóór we bewust de dagelijkse keuzen kunnen maken die het verschil uitmaken tussen het bodhisattvapad en het pratyekapad. Als we trouw proberen deze paramita’s in het leven in praktijk te brengen, komen we niet alleen dichterbij het verwerkelijken van de universele broederschap waar we allemaal naar verlangen, maar we zullen de weg gaan van de Meedogenden.

We moeten dagelijks de paramita’s ontwikkelen en de zaailingen van altruïsme begieten met de regen van mededogen, ondanks de karmische belemmeringen in de natuur die naar traagheid neigen. Tsong-kha-pa, de wijze van Tibet, dacht dat het eerbiedig in praktijk brengen van mededogen ‘de meest voortreffelijke oorzaak is voor het boeddhaschap, omdat het van nature een grondige bescherming biedt voor alle kwetsbare levende wezens die vastzitten in de gevangenis van het cyclische bestaan’.(2) Dit is amritayana of het ‘pad van onsterfelijkheid’ in de zuivere betekenis ervan. Wanneer uiteindelijk een discipel wordt geboren in ‘het geslacht van de Tathagata’s’, ervaart hij een alles overtreffende vreugde – en toch ook onmetelijk verdriet vanwege de geestelijke traagheid van zo’n groot deel van de mensheid.

Deze tijd gaat gebukt onder het karma dat we met z’n allen hebben gezaaid; maar ook de zaden van creatieve welwillendheid die vele levens lang zijn gevoed, moeten we niet vergeten. Als dat een lange periode lijkt om tot rijping te komen, moeten we bedenken dat prins Siddhartha niet zomaar ineens boeddha werd: al ‘vier onmetelijke perioden geleden’ deed hij de gelofte een bodhisattva te worden om het treurige lot van de mensheid te verlichten. Onnoemelijke levens achtereen verzorgde hij de plant van mededogen totdat deze tenslotte tot ‘volle wasdom’ kwam in zijn meest recente leven toen hij te Kapilavastu in India werd geboren.

Laten we een sprong terug maken in het verre, verre verleden – naar het ‘moment’ in de eeuwigheid toen Gautama de eerste impuls van liefde voor de hele mensheid voelde en vóór zich zag wat werkelijkheid zou kunnen en zou moeten worden, niet louter voor hemzelf, maar voor alle levende wezens. Toen werd het zaad van bodhisattvaschap tot leven gebracht en, toen de zaadhuid openbarstte, groeide daaruit een klein worteltje in de maagdelijke bodem van zijn ontwakend bewustzijn. Hij nam een ernstig besluit om wijs en grootmoedig te worden. Terwijl hij zijn visie ver in de toekomst projecteerde, nam hij zich onwrikbaar voor een ‘vlot van de dharma’ te bouwen, opdat hij talloze miljoenen wezens over de oceaan van illusie en pijn naar de andere oever van vrijheid en licht zou kunnen brengen.

Ver terug in de tijd was de historische Boeddha een gewoon mens, die weliswaar naar het hogere streefde maar ook, zoals wijzelf, zwakheden in zijn karakter had en karmische belemmeringen uit eerdere levens die nog niet waren weggenomen. We mogen aannemen dat hij zo nu en dan is gestruikeld en dan het verloren terrein moest terugwinnen, en ook dat degenen die in enig leven banden met hem hadden gemengde karmische invloeden van zowel zijn beoordelingsfouten als zijn zelfoverwinningen hebben ontvangen. Het is geen alledaagse zaak om tegen de algemene stroom in te gaan, maar omdat zijn motief onbaatzuchtig was, diende zijn vastberadenheid als een stabiliserende invloed – leven na leven was het bodhisattva-ideaal zijn inspiratie en gids. Ongetwijfeld zal zijn uiteindelijke triomf en zelfverloochening al degenen van wie hij het karma tijdens zijn lange wordingsproces van gewoon mens tot boeddha had beïnvloed, een drievoudige zegen hebben gebracht.

Iedere levensvonk is een bodhisattva, een christos, een god in wording. De Chinese Hui-neng, de nederige tempeldienaar, begreep dit, en toen zijn innerlijk oog ontwaakte en hij een ch’an-boeddhistische meester werd, verwoordde hij het zo:

Wanneer ze niet verlicht zijn, zijn boeddha’s niet anders dan gewone mensen; als er verlichting optreedt, veranderen gewone mensen ogenblikkelijk in boeddha’s.(3)

Dezelfde mogelijkheid staat ook voor ons open: om nu te beginnen de zaden van liefde en zorg te zaaien, ondanks de trekken van zelfzucht en opstandigheid die ons karakter ontsieren. Volledige verlichting bereiken we misschien pas na vele eeuwen in de toekomst, en hoewel ook wij op het laatste moment van onze bestemming de allerhoogste keuze moeten maken, zal deze zijn voorbereid gedurende de hele tijd dat we ons op het pad hebben begeven. Ieder moment van ons leven bouwen we in ons karakter òf het egocentrische op dat uiteindelijk tot het pratyekaschap leidt, òf de grootmoedigheid van geest die ons ertoe zal bewegen de eerste stap op het bodhisattvapad te zetten. Beide paden bevinden zich aan de lichtzijde van de natuur, maar er is niettemin een duidelijk onderscheid: zoals in de boeddhistische geschriften staat vermeld, wordt de pratyeka vergeleken met ‘het licht van de maan’; de Tathagata daarentegen ‘lijkt op de duizendstralige zonneschijf in de herfst’.(4)

Ieder levend wezen is de vrucht van een voortdurende stroom vanuit een goddelijk zaad, die geen begin en geen einde heeft, want binnenin de zaad-essentie bevindt zich de belofte van wat zal zijn: een immense kracht, inert tot het mystieke ogenblik waarop de levenskracht plotseling naar buiten treedt en bloemen en vruchten voortbrengt. Als een zaad eenmaal in een geschikte omgeving is gezaaid, wordt het door de natuurelementen aarde, water, lucht en vuur beschermd en in zijn groei gestimuleerd. Zo is het ook met onszelf: de gedachtezaden die we dag en nacht zaaien worden geholpen door de onzichtbare tegenhangers van deze elementen en laten indrukken achter op de subtiele energieën die door onze planeet stromen. Omdat we één mensheid vormen, hoe afgescheiden we ons soms ook voelen, delen we met alle anderen wat we zijn, zowel in onze edelste als in onze minder goede aspecten. Wat een verantwoordelijkheid hebben wij, maar ook wat een prachtige kans. Zoals we gevoelig zijn voor de onderste lagen van de gedachtekrachten als we moedeloos zijn, evenzo kunnen we meetrillen met de bovenste regionen van de aurische atmosfeer van de aarde en misschien horen we, als we stil zijn, de subtiele fluisteringen die ons inspireren tot verwondering en edele daden.

Velen laten tegenwoordig in hun toegewijde arbeid om het lijden van miljoenen te verlichten een kwaliteit van barmhartigheid zien die wellicht in een vroeger leven is aangewakkerd door een gebaar van vriendschap en begrip van een bodhisattva-in-spe. Misschien zijn ook wij ooit op dezelfde manier in beweging gekomen. Deze gedachte wekt diepe nederigheid en maakt de mens meer vastberaden om het voorbeeld van de Verlichten te volgen die een diep inzicht en een grenzeloos geduld hebben. Het is geen wonder dat een boeddha van mededogen terugkomt om te onderwijzen. Hij wordt daartoe bewogen door het karma van allen van wie het lot het zijne heeft gekruist in vroegere cycli; meer nog wordt hij gedreven door een liefde die zo alomvattend is dat zij het geheel van alle natuurrijken omvat, een liefde die kracht geeft aan nieuwe aspiranten en aan hen die mogelijk in een toekomstig leven de eerste tekenen van interesse in het welzijn van anderen zullen vertonen.

De boeddhistische geloofsbelijdenis geeft op beknopte wijze uitdrukking aan de essentie van de boeddhistische filosofie en praktijk:

Buddham saranam gacchami
Dharmam saranam gacchami
Sangham saranam gacchami
Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha
Ik neem mijn toevlucht tot de dharma
Ik neem mijn toevlucht tot de gemeenschap (toegewijden, volgelingen)

We stellen ons vertrouwen in Boeddha als de belichaming van het ‘Grote Offer’, de hoogste inwijder en beschermer van de mensheid, die het voor avatara’s en bodhisattva’s mogelijk maakt om periodiek de velden van het menselijk bewustzijn te verlichten.

We stellen ons vertrouwen in de dharma, in de oerwaarheden die ons verlichten wat betreft de universele natuur en de ziel, en door ons daarmee te vereenzelvigen vangen we een glimp op van ons kosmische doel.

We stellen ons vertrouwen in de sangha, de broederschap of het gezelschap van zoekers, een verbondenheid die de hele menselijke levensgolf omvat.

Door elkaar als broederaspiranten vertrouwen en loyaliteit te geven, worden we deel van een gezelschap dat ons magnetisch verbindt met het spirituele hart van onze planeet, de Broederschap van Adepten. In zoverre we trouw zijn aan hun doeleinden, zijn we partners in deze universele broederschap die is toegewijd aan het opheffen – voorzover het wereldkarma dat toestaat – van de last van leed en ellende en onwetendheid die de gesel van de mensheid is. Als genoeg mannen en vrouwen niet alleen geloven in, maar ook hun intuïties volgen en bewust hun lot verbinden aan de zaak van mededogen, is er alle reden om erop te vertrouwen dat onze beschaving op een dag de sprong zal maken van zelfzucht naar werkelijke broederschap in alles wat de mens onderneemt.

Het is het edelste en mooiste ideaal om in menselijke harten die naar het hogere streven de oude gelofte leven in te blazen om hun lamp aan te steken met de vlam van mededogen; het is een ideaal dat, als het standvastig wordt volgehouden, aan dit streven kracht en diepte geeft.

 

Noten
  1. Vgl. De Mysteriescholen door de eeuwen heen, blz. 46-64.
  2. Compassion in Tibetan Buddhism, blz. 101.
  3. Vgl. The Sutra of Hui-neng, Eng. vert. Thomas Cleary, blz. 20.
  4. Buddhaghosa, geciteerd in World of the Buddha, blz. 160.

 


Duizend lichten aansteken, blz. 154-63

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag