Duizend lichten aansteken
Grace F. Knoche

bestel boek

1ste druk 2002

© 2002  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Karma en/of genade

Het dogma dat een verlosser ‘voor onze zonden is gestorven’ is vaak verkeerd begrepen, want er schuilt grote schoonheid in de leer van de incarnatie van een godheid in menselijke vorm: ‘Want God had de wereld zo lief, dat hij zijn eniggeboren Zoon schonk’ (Joh. 3:16). Dit is de christelijke manier om te zeggen dat de goden medelijden hadden met de mensheid en een straal van henzelf in de ziel van een edel mens zonden zodat hij bij zijn werk onder de mensen krachtiger het licht van goddelijkheid kon openbaren – niet om ons van onze zonden te verlossen of om het karma van onze overtredingen ten opzichte van onszelf en anderen te zuiveren. Wij zijn verantwoordelijk voor wat we hebben gedaan. Voor wat we denken, moeten wij de prijs betalen òf het strekt ons tot voordeel. Vergiffenis is alleen mogelijk door onszelf. De uitspraak van Paulus over de universeel toepasbare wet van oorzaak en gevolg, kismet of karma, is verfrissend direct:

Als de Geest de bron van ons leven is, laat de Geest dan onze weg leiden. . . .

Vergis u hierin niet: God laat niet met zich spotten; een mens oogst wat hij zaait. Als hij zaait op de akker van zijn lagere natuur, zal hij een oogst van verderf binnenhalen, maar als hij zaait op de akker van de Geest, dan zal de Geest hem een oogst van eeuwig leven brengen. Laten wij dus niet ophouden goed te doen, want als wij onze pogingen niet verminderen, zullen we te zijner tijd onze oogst binnenhalen. Laten we daarom, omdat de gelegenheid zich voordoet, doen wat goed is voor allen . . .
        – Galaten 5:25; 6:7-10 (vertaald naar The New English Bible)

Kort samengevat: we zetten ieder moment van iedere dag nieuwe oorzaken in beweging en oogsten de gevolgen van vroegere daden. Het is de kwaliteit van onze motieven die vorm heeft gegeven en zal blijven geven aan ons karakter en onze toekomst. En omdat we één mensheid zijn en niet los van elkaar staan, beïnvloeden we niet alleen het lot van degenen met wie we omgaan, maar ook van duizenden anderen die op onze golflengte zitten. Als onze motieven altruïstisch zijn, zaaien we in de gebieden van de geest; dienen we onszelf, dan zaaien we op de akker van ons persoonlijke zelf. We oogsten zoals we zaaien, want de natuur reageert onpersoonlijk zonder rekening te houden met wat voor de zaaier aangenaam of onaangenaam zou zijn. De oogst zal zich automatisch aanpassen aan het zaaisel, omdat ieder mens zijn eigen oogster en optekenaar is die op de geheugencellen van zijn karakter, en in feite op elk niveau van zijn wezen, afdrukt wat hij is.

Hoe valt dit te rijmen met het begrip genade? Zoals genade in het Nieuwe Testament wordt gebruikt, betekent het woord bijna uitsluitend het middel van God om door tussenkomst van Christus Jezus vergeving van zonden te schenken. ‘Hij die gelooft . . . zal worden gered’ (Marcus 16:16). Wat een mens ook is geweest of heeft gedaan, door Christus als zijn verlosser aan te nemen, kan hij rekenen op vergeving van schuld en de zegen van Gods genade. Als we dit letterlijk opvatten, zoals de meer orthodoxe christenen doen, is het ontstellend: wat voor soort rechtvaardigheid is dit als een verdorven mens, alleen door Jezus als de enige zoon van God te aanvaarden, zijn hele staat van dienst kan schoonwassen en zijn karakter van ongerechtigheden kan zuiveren? Is het geen vereiste om wandaden weer goed te maken? En hoe staat het met het kwaad dat anderen is aangedaan door wrede en onbezonnen daden? Vanuit het standpunt van menselijke, laat staan goddelijke, rechtvaardigheid, is het ondenkbaar ermee in te stemmen dat Gods vergeving van zonden alleen van toepassing zou zijn op gelovigen; het druist in tegen alles wat de mens moreel juist en rechtvaardig vindt. Maar gezien in samenhang met het gebod van Jezus ‘ga heen en zondig niet meer’, krijgt het vers van Marcus een diepe betekenis, en meer nog wanneer het in verband wordt gebracht met de verklaring van Jezus aan Nicodemus: ‘Tenzij iemand opnieuw wordt geboren, kan hij het koninkrijk Gods niet zien’.

Tenzij iemand wordt geboren uit water en uit de Geest, kan hij het koninkrijk Gods niet binnengaan. Wat uit het vlees is geboren, is vlees; en wat uit de Geest is geboren, is geest. Verwonder u niet dat ik u heb gezegd: u moet opnieuw worden geboren.         – Johannes 3:3, 5-7

Het verhaal van Saulus van Tarsus is daarvan een voorbeeld. Hij was opgevoed in de traditie van zijn volk, maar begon de last van zijn schuld door vroegere zonden als ondraaglijk te ervaren, zozeer zelfs dat hij zich niet met zijn God kon vereenzelvigen. Als Hebreeër wist hij dat hij Gods goedkeuring moest verdienen door morele rechtschapenheid en door te leven volgens zijn geboden. Hij was inwendig zó verscheurd dat hij zijn woede en wanhoop koelde op hen die deze vreemdeling, Jezus, volgden. Toen hij op een dag onderweg was naar Damascus, werd hij plotseling omgeven door licht dat zo intens scheen, dat hij verblind neerviel en hoorde hoe de Heer hem riep. Na drie dagen was hij ‘een nieuw schepsel’, zijn gezichtsvermogen was hersteld, het verleden was vergeten en na verloop van tijd zelfs zijn naam. Had zijn sterke verlangen om de zin van het leven te vinden zijn ziel tijdelijk geopend voor zijn eigen innerlijke licht?

Als Paulus begon hij nu aan een nieuw leven, bezield door een bijzondere kracht, en spoorde iedereen die hij sprak of schreef aan de weg van de geest te volgen in plaats van die van het vlees: ‘Als iemand dus in Christus is, is hij een nieuw wezen: alle oude dingen zijn voorbijgegaan; zie, alle dingen zijn nieuw geworden’ (2 Cor. 5:17). Als er sprake is van een echte bekering of een ‘zich afwenden’ van de wegen van disharmonie van het verleden en een volledig opgaan van de ziel in het leven van de geest, dan is hij als een ‘pasgeborene’ – niet omdat zijn vroegere karma is uitgewist, maar omdat hijzelf innerlijk is vernieuwd, ‘geboren uit de Geest’. Voortaan treedt hij het leven met een nieuwe visie en een gesterkte wil tegemoet.

Het is een prachtige waarheid, en vanouds bekend, dat voor elke oprechte stap die in de richting van iemands innerlijke godheid wordt gezet, deze overeenkomstig reageert en dan straalt er een glans over het hart en het denken van de aspirant. Een voortgezet streven om het leven te vernieuwen door oprechte aspiratie en ontwikkeling van de wil voor onzelfzuchtige doeleinden, zal ongetwijfeld ertoe leiden dat er een ‘zuivering’ plaatsvindt en dat de stem van de intuïtie hoorbaar wordt. Of het de stem is van de Heer of een andere godheid of die van de eigen innerlijke god is niet van belang. ‘Ga heen en zondig niet meer’ heeft veel toepassingen, maar wee degene die niet probeert in overeenstemming te leven met de plicht die hij op zich heeft genomen om de genade van goddelijke goedkeuring waard te zijn.

Het is heel belangrijk dat een daad van genade, wat ook de bron ervan is en hoe deze ook wordt ervaren, in geen geval betekent dat de wet van karma wordt opgeheven, of dat de vroegere dwaasheden en fouten uit ons individuele Boek van het Lot worden gewist. Al wat we hebben gedaan of nagelaten vóór onze herschepping moet in dit leven of in toekomstige levens in evenwicht worden gebracht – en dit zou blijmoedig onder ogen moeten worden gezien, want het lijden biedt een welkome kans om de lei schoon te wissen en vroegere onjuiste daden recht te zetten. Even belangrijk is het dat alles wat we verlangden te doen en te zijn, alle stille, niet erkende verlangens een licht te zijn in de duisternis die ons omringt, getrouw worden opgetekend in de onvergankelijke verslagen van de eeuwigheid om te zijner tijd als een zegen tot ons terug te keren, een geschenk van genade voor onszelf en anderen, dat ons in strikte harmonie met de karmische wet toekomt.

We kunnen het dogma van Jezus die ‘voor onze zonden is gestorven’ vanuit een ander perspectief zien. Het feit dat op cyclische tijdstippen edele leraren worden uitgezonden om te werken onder dit of dat volk geeft aan dat ze voor een heilig doel komen: om de aspiratie aan te moedigen in de ziel van diegenen die gehoor geven aan de oproep. Het verschijnen van zo’n incarnatie van een goddelijke straal betekent dat er een goddelijke energie naar de aarde afdaalt die samenvalt met een steeds sterkere roep vanuit het hart van de mensen. Het elkaar kruisen van menselijke en goddelijke cyclussen dient dus een tweeledig doel. Wanneer de geest-ziel van het gekozen werktuig samensmelt met de godheid, vindt er een explosie met zo’n enorme kracht plaats dat de bliksem van de goden over de mensheid losbarst om onze gedachtewereld te laden met goddelijk-geestelijk magnetisme. Dit is in het verleden gebeurd; en, als we het oproepen, zal het weer gebeuren.

Er is overal een verweving van karma’s, een verweving tussen de godenwerelden en onszelf. Volgens de overlevering betreden goddelijke wezens of avatara’s de aarde als een soort onderwereld, en ‘sterven’ dus op hun eigen hoge gebieden, en ondergaan daardoor een inwijding – een majestueuze gedachte. Door doelbewust geboren te worden onder de bewoners van de aarde, sterft een deel van hen – er bestaat zoiets als een ‘sterven voor onze zonden’, letterlijk en figuurlijk. Zij laten een indruk achter op het lot van de mensen als een stroom van licht en mededogen. Doordat ze een deel van hun goddelijke energie in de wereld hebben achtergelaten, nemen ze in mystieke zin een deel van het karma van de mensheid op zich. Hoewel wij onszelf moeten bevrijden, verbindt iedereen die zich naar het innerlijke licht keert en daardoor wordt aangeraakt – al is het maar een beetje – in die mate zijn karma met dat van de Groten.

Als wij verantwoordelijk zijn voor het ‘redden’ van onszelf, dan bestemt God de mensen niet voor tot een leven van eeuwige gelukzaligheid of eeuwige verdoemenis. Toch kunnen we het niet daarbij laten, want er zit een greintje waarheid in het idee van voorbestemming, namelijk dat wij onszelf in het verleden hebben voorbestemd tot wat we nu zijn. Dat betekent dat bepaalde karmische lijnen van gebeurtenissen en van het karakter zijn voorbeschikt – niet door een of andere god of een wezen buiten ons, maar door onszelf. Zoals Shakespeare zegt: ‘Er is een godheid die ons leven vormgeeft, hoewel wij het maar ruw uithakken.’(1) Die godheid is ons eigen diepste zelf; wij zijn degenen die ons lot met onze vrije wil vormgeven. Hoe we de gebeurtenissen en omstandigheden van het leven tegemoet treden en hoe we met onze medemensen omgaan, hebben we elk moment zelf in de hand. Daarbij vormen en herscheppen we ons karakter en onze toekomstige bestemming. Er kan niets buiten de wetten van karma om plaatsvinden; en omdat ieder van ons zijn karma is, zijn we de vrucht, het gevolg, de uitdrukking van ons hele verleden. Ieder van ons is daarom de schrijver van zijn eigen karmische lot.

Het lijdensverhaal van Christus symboliseert een heel heilige beproeving die elke verlosser bereid is te ondergaan, als een daad van zuiver mededogen, opdat het ideaal van geestelijke overwinning krachtig in het bewustzijn van de mens wordt vastgelegd. Het evangelieverhaal gaat over de menselijke ziel, en Jezus vertegenwoordigt de goddelijke climax van wat iedereen op aarde eens kan bereiken – de christuszon in zijn eigen hart geboren laten worden. Dit houdt niet de belofte van een overwinning in die zonder verdienste kan worden behaald; iedereen moet door individuele inspanning meester worden over zichzelf. Hoewel we misschien geketende geesten zijn, zijn we geesten, niet ketenen, en geen kracht op aarde of in de hemel kan de menselijke geest eeuwig gevangen houden. Waar de geschiedenis de tragedie van menselijk falen te boek stelt, getuigt een hogere geschiedenis van de onoverwonnen menselijke geest, want het lijden en de triomf van een christos karakteriseren het pad naar de zon dat ieder mens uiteindelijk moet kiezen.

 

Noten
  1. Hamlet, vijfde bedrijf, tweede toneel.

 


Duizend lichten aansteken, blz. 84-91

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag