Aan de lezer*

[*Onverkorte vertaling van ‘To the reader’ uit de eerste Engelse editie van The Esoteric Tradition, in twee delen.]

Het schrijven van deze delen was om een aantal redenen niet gemakkelijk; de eerste en voornaamste daarvan was het gebrek aan beschikbare tijd om eraan te besteden. Het dicteren vond van de eerste tot de laatste bladzijde gehaast en vaak in een hoog tempo plaats, want dat was de enige manier om dit werk binnen een redelijke tijd uit te brengen nadat de schrijver in de zomer van 1934 voor het eerst het verschijnen van dit boek had aangekondigd. Als er tijd was genomen om het manuscript op zo’n manier gereed te maken dat de schrijver zelf en zijn medewerkers er helemaal tevreden mee zouden zijn geweest, dan zou het verschijnen een of twee jaar, of mogelijk langer, zijn vertraagd. In dat geval zou de schrijver het uitstekende advies hebben kunnen opvolgen van de geniale Horatius, de Latijnse dichter, in zijn Satires, I, x, 73: Saepe stilum vertas, iterum quae digna legi sint scripturus. Hier is echter geen tijd geweest om ‘de schrijfstift om te keren’ en het geschrevene uit te wissen; en evenmin was er tijd voor herziening en voor het bijschaven van zinnen.
    Het is grotendeels te danken aan de toewijding en het enthousiasme van een aantal vrienden en medewerkers, verbonden aan de verschillende afdelingen van het Internationale Theosofische Hoofd kwartier te Point Loma, dat THE ESOTERIC TRADITION nu tenslotte aan de lezers wordt aangeboden. Aan dr. Joseph H. Fussell, die de proefvellen las en met waardevolle suggesties kwam; mw. Helen Savage, die het secretariële werk deed; mw. Hazel Minot, verantwoordelijk voor het controleren en verifiëren van citaten; mw. Guy Ponsonby en S. Hecht die de omvangrijke index samenstelden; mw. Elizabeth Schenck, mw. Grace Knoche en W.E. Small die de drukproeven corrigeerden: aan dezen en alle anderen die op een of andere manier hebben geholpen de publicatie van dit boek tot stand te brengen betuigt de auteur zijn oprechte dank.
    In het bijzonder moet de Theosophical University Press worden genoemd waar iedereen, de manager en de assistent-manager en alle anderen die de staf vormen, samenwerkten om alle tijd die ze maar konden vrijmaken, naast die voor de normale uitgaven van onze verschillende tijdschriften en het andere regelmatig terugkerende werk van de drukkerij, te besteden aan het zetwerk en daarna het drukken van deze twee delen.
    Over een aantal aanhalingen die in dit werk zijn opgenomen, ontleend aan boeken in andere talen dan het Engels, vooral oude talen, is het misschien goed te zeggen dat de auteur waar mogelijk gebruik heeft gemaakt van standaard of veel geciteerde vertalingen; maar in bepaalde gevallen waar hij meer tevreden was met zijn eigen weergave heeft hij het vertaalwerk zelf gedaan.

_______________________

Men kan niet vaak genoeg herhalen waar H.P. Blavatsky in haar ‘Inleiding’ tot De Geheime Leer (1:3) op wees:

Het is vóór alles belangrijk voor ogen te houden dat geen enkel theosofisch boek ook maar de minste extra waarde ontleent aan zogenaamd gezag.

Elk theosofisch boek moet op zijn eigen merites worden beoordeeld en als de tekortkomingen groter zijn dan de verdienste ervan, zal het daardoor mislukken - en hoe eerder dat gebeurt des te beter voor alle betrokkenen. De schrijver voelt dit feit zeer sterk aan met betrekking tot deze boekdelen, zijn meest recente bijdrage aan de theosofische literatuur; en al is het voor hem en zijn medewerkers een werk van pure theosofische toewijding en liefde, toch verwacht hij niet alleen, maar wenst hij dat dit boek voor zichzelf zal spreken en zal standhouden omdat het de mensen zal aanspreken. Wat er goed in is zal blijven: als er iets in is dat niet goed is, laat het dan vergaan en snel vergaan.
    Werken zoals deze literaire onderneming zijn nu in de wereld hard nodig. Aan de verspreiding van het theosofische gedachtegoed onder de mensen kan veel worden bijgedragen door het opnieuw presenteren van de eeuwenoude waarheden die de meesters van wijsheid en mededogen sinds onheuglijke tijden levend hebben gehouden.
    In dit verband worden we herinnerd aan een belangrijke brief geschreven door meester Koot Hoomi, gedateerd 10 december 1880, die we aantreffen in het gedenkwaardige boek met de titel De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, samengesteld en ingeleid door A.T. Barker. Het volgende citaat uit deze brief vinden we op bladzijden 26 en 27, echter gewijzigd met de eigen correcties van de verheven schrijver die worden aangetroffen op de bladzijden 473-4 van hetzelfde boek:

De waarheden en mysteries van het occultisme vormen inderdaad een stelsel dat van het hoogste spirituele belang is, en even diepzinnig als praktisch voor de wereld in het algemeen. Maar ze werden u niet gegeven om de verwarde massa theorieën en speculaties in de wereld van de wetenschap te vergroten, maar om hun praktische betekenis in het belang van de mensheid. De termen ‘onwetenschappelijk’, ‘onmogelijk’, ‘hallucinatie’, ‘bedrieger’, zijn tot nu toe op een heel oppervlakkige en onzorgvuldige manier gebruikt, waarbij wordt geïmpliceerd dat occulte verschijnselen òf iets mysterieus en abnormaals òf vooropgezet bedrog zijn. En daarom hebben onze meerderen besloten om voor enkele ontvankelijke denkers meer licht op het onderwerp te werpen, . . . De betweters zeggen: ‘De tijd van wonderen is voorbij’, maar wij antwoorden, ‘hij heeft nooit bestaan!’ . . . [Deze waarheden] zullen zowel destructief als constructief blijken te zijn - destructief als het gaat om de funeste fouten uit het verleden, het oude geloof en bijgeloof die zoals het Mexicaanse onkruid in hun giftige omhelzing bijna de hele mensheid verstikken; maar constructief als het gaat om nieuwe instituties van een oprechte, praktische broederschap van de mensheid waarin allen medewerkers van de natuur worden, voor het welzijn van de mensheid zullen werken met en door de hogere planeetgeesten - de enige ‘geesten’ waarin wij geloven.* [*Vanaf hier geven de cursieve woorden de bovengenoemde ‘correcties’ aan.] Verschijnselen waaraan men vroeger niet eens dacht, . . . zullen tenslotte de geheimen van hun mysterieuze werkingen onthullen. Plato had gelijk toen hij elk element van bespiegeling dat Socrates verwierp, weer toeliet. De problemen van het universele zijn zijn niet onbereikbaar of, eenmaal bereikt, niet waardeloos. ‘Ideeën beheersen de wereld’; en naarmate het denken van de mens nieuwe ideeën ontvangt en de oude en versletene terzijde legt, (zal) de wereld vooruitgaan; grote revoluties (zullen) hieruit voortkomen; instituties (ja, en zelfs geloofsovertuigingen en mogendheden, zouden ze eraan kunnen toevoegen) - ZULLEN bezwijken onder hun opmars . . . Het zal even onmogelijk zijn hun invloed te weerstaan als de tijd daar is, als te trachten de loop van het getij te stuiten . . . dit alles zal geleidelijk gebeuren; en . . . voor het zover is, hebben zij zowel als wijzelf een plicht te vervullen, een taak te verrichten: en wel het zoveel mogelijk verwijderen van de onzuiverheden die onze vrome voorvaderen achterlieten. Nieuwe ideeën moet en in schone grond worden geplant, want deze ideeën raken de gewichtigste onderwerpen. Niet de stoffelijke verschijnselen . . . maar juist deze universele ideeën moeten we bestuderen: het noumenon, niet het fenomenon, want om het LAATSTE te begrijpen, moeten we eerst het EERSTE verstaan. Zij raken inderdaad de werkelijke plaats van de mens in het heelal, . . . De stoffelijke verschijnselen, hoe wonderlijk deze ook zijn, kunnen de mens nooit zijn oorsprong verklaren, laat staan zijn uiteindelijke bestemming, . . . - de relatie tussen het sterfelijke en het onsterfelijke, tussen het tijdelijke en het eeuwige, het eindige en het oneindige, enz., enz.

Het zijn ongetwijfeld deze ‘universele ideeën’ die iedereen zou moeten bestuderen en die door hun invloed op het denken van de mensen de verandering in het menselijke bewustzijn zullen teweegbrengen waarvoor alle ware theosofen werken en waarnaar zij streven; zo dragen ze bij om de dingen bekend te maken waarvoor The Theosophical Society in 1875 oorspronkelijk werd gesticht.
    Laten we niet vergeten dat er een universele en werkelijk onfeilbare toets of een criterium bestaat waarmee alle nieuwe toevoegingen van theosofische leringen kunnen worden getest; die testmethode of dat criterium is UNIVERSALITEIT. Universaliteit staat hier gelijk aan spiritualiteit; en iedere leer waarvan kan worden bewezen dat ze universeel is, dat wil zeggen in harmonie en in overeenstemming met alle andere grote leringen uit het verleden - of van het heden - is zeer waarschijnlijk een echte theosofische waarheid; en omgekeerd kan dus iedere leer, waarvan niet kan worden bewezen dat ze inherent is aan en een deel is van de grootste overdrachten van theosofische waarheden in het verleden, veilig worden verworpen als zijnde nieuw in de zin van verschillend en min of meer onecht omdat ze niet de zojuist genoemde toets kan doorstaan.
    De schrijver hoopt, als hij daarvoor de tijd en de energie kan vinden, in de toekomst nog een of twee boeken uit te geven met theosofische leringen die tot nu toe strikt vertrouwelijk zijn gehouden. De reden voor deze beslissing is de grote, ja enorme vooruitgang in het denken die heeft plaatsgehad sinds H.P. Blavatsky zich op haar herculische manier inspande om wat ze de ‘denkpatronen’ noemde te doorbreken. Wat toen esoterisch was, tenminste tot op zekere hoogte - esoterisch eenvoudig omdat het toen echt niet mogelijk was het openlijk te zeggen, want het zou steevast verkeerd zijn begrepen en misbruikt - zou door het meer ontwaakte verstand van de mens nu redelijk goed worden begrepen; als gevolg daarvan heeft de grotere mate van milde ontvankelijkheid voor nieuwe ideeën een totaal ander en in feite braakliggend terrein van bewustzijn opgeleverd: het is de plicht van theosofen daarin zaden van waarheid te planten. We zullen zien.
    Intussen gaan de beide delen van dit werk naar het lezende publiek; het oordeel erover zal de auteur afwachten met gevoelens die bestaan uit humor en een flinke hoeveelheid menselijke nieuwsgierigheid. Niets in deze delen is voortgekomen uit zijn eigen brein. Zijn positie is in dit opzicht geheel identiek aan die van iedere theosofische schrijver die innerlijk een echte theosoof is en die weet waarover hij schrijft: Iti mayâ srutam - ‘Zo heb ik het gehoord’. ‘Ik geef door wat mij is gegeven en op de manier zoals ik het heb ontvangen. Niet anders.’ Daarom weigert de auteur zich te hullen in de huid van een ezel, of - in die van een leeuw!
G. de P.

Internationaal Theosofisch Hoofdkwartier,
    Point Loma, Californië


©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag