
Aan de lezer* [*Onverkorte vertaling van ‘To the reader’ uit de eerste Engelse editie van The Esoteric Tradition, in twee delen.]
Het schrijven van deze delen was om een aantal redenen niet gemakkelijk; de eerste
en voornaamste daarvan was het gebrek aan beschikbare tijd om eraan te besteden.
Het dicteren vond van de eerste tot de laatste bladzijde gehaast en vaak in een
hoog tempo plaats, want dat was de enige manier om dit werk binnen een redelijke
tijd uit te brengen nadat de schrijver in de zomer van 1934 voor het eerst het
verschijnen van dit boek had aangekondigd. Als er tijd was genomen om het manuscript
op zo’n manier gereed te maken dat de schrijver zelf en zijn medewerkers er helemaal
tevreden mee zouden zijn geweest, dan zou het verschijnen een of twee jaar, of
mogelijk langer, zijn vertraagd. In dat geval zou de schrijver het uitstekende
advies hebben kunnen opvolgen van de geniale Horatius, de Latijnse dichter, in
zijn Satires, I, x, 73: Saepe stilum vertas, iterum quae digna legi
sint scripturus. Hier is echter geen tijd geweest om ‘de schrijfstift om te
keren’ en het geschrevene uit te wissen; en evenmin was er tijd voor herziening
en voor het bijschaven van zinnen. _______________________ Men kan niet vaak genoeg herhalen waar H.P. Blavatsky in haar ‘Inleiding’ tot De Geheime Leer (1:3) op wees: Het is vóór alles belangrijk voor ogen te houden dat geen enkel theosofisch boek ook maar de minste extra waarde ontleent aan zogenaamd gezag. Elk theosofisch boek moet op zijn
eigen merites worden beoordeeld en als de tekortkomingen groter zijn dan de verdienste
ervan, zal het daardoor mislukken - en hoe eerder dat gebeurt des te beter voor
alle betrokkenen. De schrijver voelt dit feit zeer sterk aan met betrekking tot
deze boekdelen, zijn meest recente bijdrage aan de theosofische literatuur; en
al is het voor hem en zijn medewerkers een werk van pure theosofische toewijding
en liefde, toch verwacht hij niet alleen, maar wenst hij dat dit boek voor zichzelf
zal spreken en zal standhouden omdat het de mensen zal aanspreken. Wat er goed
in is zal blijven: als er iets in is dat niet goed is, laat het dan vergaan en
snel vergaan. De waarheden en mysteries van het occultisme vormen inderdaad een stelsel dat van het hoogste spirituele belang is, en even diepzinnig als praktisch voor de wereld in het algemeen. Maar ze werden u niet gegeven om de verwarde massa theorieën en speculaties in de wereld van de wetenschap te vergroten, maar om hun praktische betekenis in het belang van de mensheid. De termen ‘onwetenschappelijk’, ‘onmogelijk’, ‘hallucinatie’, ‘bedrieger’, zijn tot nu toe op een heel oppervlakkige en onzorgvuldige manier gebruikt, waarbij wordt geïmpliceerd dat occulte verschijnselen òf iets mysterieus en abnormaals òf vooropgezet bedrog zijn. En daarom hebben onze meerderen besloten om voor enkele ontvankelijke denkers meer licht op het onderwerp te werpen, . . . De betweters zeggen: ‘De tijd van wonderen is voorbij’, maar wij antwoorden, ‘hij heeft nooit bestaan!’ . . . [Deze waarheden] zullen zowel destructief als constructief blijken te zijn - destructief als het gaat om de funeste fouten uit het verleden, het oude geloof en bijgeloof die zoals het Mexicaanse onkruid in hun giftige omhelzing bijna de hele mensheid verstikken; maar constructief als het gaat om nieuwe instituties van een oprechte, praktische broederschap van de mensheid waarin allen medewerkers van de natuur worden, voor het welzijn van de mensheid zullen werken met en door de hogere planeetgeesten - de enige ‘geesten’ waarin wij geloven.* [*Vanaf hier geven de cursieve woorden de bovengenoemde ‘correcties’ aan.] Verschijnselen waaraan men vroeger niet eens dacht, . . . zullen tenslotte de geheimen van hun mysterieuze werkingen onthullen. Plato had gelijk toen hij elk element van bespiegeling dat Socrates verwierp, weer toeliet. De problemen van het universele zijn zijn niet onbereikbaar of, eenmaal bereikt, niet waardeloos. ‘Ideeën beheersen de wereld’; en naarmate het denken van de mens nieuwe ideeën ontvangt en de oude en versletene terzijde legt, (zal) de wereld vooruitgaan; grote revoluties (zullen) hieruit voortkomen; instituties (ja, en zelfs geloofsovertuigingen en mogendheden, zouden ze eraan kunnen toevoegen) - ZULLEN bezwijken onder hun opmars . . . Het zal even onmogelijk zijn hun invloed te weerstaan als de tijd daar is, als te trachten de loop van het getij te stuiten . . . dit alles zal geleidelijk gebeuren; en . . . voor het zover is, hebben zij zowel als wijzelf een plicht te vervullen, een taak te verrichten: en wel het zoveel mogelijk verwijderen van de onzuiverheden die onze vrome voorvaderen achterlieten. Nieuwe ideeën moet en in schone grond worden geplant, want deze ideeën raken de gewichtigste onderwerpen. Niet de stoffelijke verschijnselen . . . maar juist deze universele ideeën moeten we bestuderen: het noumenon, niet het fenomenon, want om het LAATSTE te begrijpen, moeten we eerst het EERSTE verstaan. Zij raken inderdaad de werkelijke plaats van de mens in het heelal, . . . De stoffelijke verschijnselen, hoe wonderlijk deze ook zijn, kunnen de mens nooit zijn oorsprong verklaren, laat staan zijn uiteindelijke bestemming, . . . - de relatie tussen het sterfelijke en het onsterfelijke, tussen het tijdelijke en het eeuwige, het eindige en het oneindige, enz., enz. Het zijn ongetwijfeld deze ‘universele
ideeën’ die iedereen zou moeten bestuderen en die door hun invloed op het denken
van de mensen de verandering in het menselijke bewustzijn zullen teweegbrengen
waarvoor alle ware theosofen werken en waarnaar zij streven; zo dragen ze bij
om de dingen bekend te maken waarvoor The Theosophical Society in 1875 oorspronkelijk
werd gesticht. Internationaal Theosofisch
Hoofdkwartier, |