11

Hemelen en Hellen

Alle volkeren op aarde, zowel nu als in het verleden, hadden een verzameling leringen of opvattingen over de postmortale bestemming van de menselijke ‘ziel’. Deze opvattingen hebben betrekking op twee algemene categorieën: postmortale beloning of vergoeding voor een goed en moreel leven en, omgekeerd, bestraffing of wraak voor een slecht leven. Er werd bijna overal verondersteld dat deze beide toestanden van de ‘ziel’ na de dood werden doorgebracht in hierbij passende verblijfplaatsen, ‘hemel’ genoemd voor de ene groep van ontlichaamde mensen en ‘hel’ voor de andere groep. In de verschillende religieuze en filosofische stelsels variëren de denkbeelden sterk zowel over de aard van de beloning of de bestraffing als met betrekking tot de tijd die in deze twee postmortale bestaans toestanden zou worden doorgebracht, alsook over de plaatsen van deze ‘hemelen’ en ‘hellen’. Niettemin zijn er bepaalde opvallende overeenkomsten tussen al deze verschillende denkbeelden.
    De verschillende opvattingen of leringen over de zogenaamde hemelen en hellen zijn slachtoffer geworden van degeneratie. Het zijn bijna zonder uitzondering sterk aangedikte en onjuiste verklaringen geworden van de oorspronkelijke leer die door de stichter van elk stelsel werd verkondigd in een poging om aan de grote massa de onvermijdelijke gevolgen te tonen van een slecht leven aan de ene kant en van een goed en moreel leven aan de andere kant. In de loop van de tijd begon men deze latere uitbreidingen van de oorspronkelijke leringen letterlijk te nemen in plaats van symbolisch; en in enkele gevallen hebben zulke verkeerde letterlijke uitleggingen aan mensenharten onnoemelijk veel leed en ellende bezorgd.
    Het waren de oorspronkelijke betekenissen achter deze verkeerde interpretaties die de wereld in het verleden hebben wakker geschud. Het enige wat ons dus te doen staat, is te zoeken naar deze oorspronkelijke waarheden. Zij leiden de mens niet alleen naar de paden van gerechtigheid, maar maken ook een eind aan bijgeloof, verdrijven de angst uit het menselijk hart, en leggen in plaats hiervan de kiem van kennis en hoop.
    Mogelijk leren alleen de verschillende vormen van de westerse godsdienst ons over een eeuwige hel waarin de mens, van wie het eenmalige leven op aarde slecht is geweest, bestemd is de eeuwigheid onder altijd voortdurende kwellingen door te brengen; al is het waar dat het westerse christendom gedurende de Middeleeuwen en een deel van de vroegste periode van de nieuwe tijd, voordat dat denkbeeld impopulair werd, er een vrij vage voorstelling van had dat hel alleen maar een algemene term was, en dat er verschillende hellen waren, meer of minder geschikt voor de diverse graden van menselijke zielen die op verschillende manier door slecht handelen waren besmet. Zelfs nog in de tijd van Dante, die in de dertiende en de veertiende eeuw schreef, waren zulke ideeën min of meer algemeen aanvaard, zoals door hem in zijn meesterwerk, La Divina Commedia (De goddelijke komedie), wordt aangetoond.
    De volgende citaten uit wat gedurende een twaalftal eeuwen of langer de orthodoxe opvatting is geweest over de aard van de kwellingen van hen die door hun slechte gedrag tijdens het leven op aarde tot eeuwige verdoemenis zijn veroordeeld, zijn typerend:
    Het eerste is van een zeer orthodoxe Engels baptistische predikant, de beroemde Spurgeon:

Wanneer u sterft zal alleen uw ziel worden gefolterd; dat zal voor haar de hel zijn; maar op de dag des oordeels zal uw lichaam zich voegen bij uw ziel en zult u een dubbele hel hebben; uw ziel zal druppels bloed zweten en uw lichaam krimpen van pijn. In hoog oplaaiend vuur, precies als dat wat wij op aarde hebben, zal uw lichaam zijn, en zal zoals asbest nooit worden verteerd. Al uw aderen zullen wegen zijn voor de voeten van de pijn, elke zenuw een snaar waarop de duivel voor altijd zijn diabolisch lied zal spelen van de onuitsprekelijke weeklacht van de hel.

Een ander is uit een rooms-katholiek boek voor kinderen, geschreven door pater Furniss:

De vierde krocht is de kokende ketel. Luister: daar is een geluid als dat van een kokende ketel. Het bloed kookt in de gloeiende hersenen van die jongen; de hersenen koken en sudderen in zijn hoofd; het merg kookt in zijn beenderen. De vijfde krocht is de roodgloeiende oven met een klein kind erin. Hoor hoe het schreeuwt om eruit te komen, zie hoe het zich wringt en keert in het vuur; het slaat zijn hoofd tegen het dak van de oven; het stampt met zijn voeten op de vloer van de oven.

Tevens hebben er in dezelfde periode van de christelijke jaartelling wijdverbreide opvattingen bestaan dat ‘hemel’ alleen maar een algemene term was waarmee men verschillende sferen van gelukzaligheid bedoelde, waarin menselijke zielen die op aarde een goed leven hadden geleid na hun dood hun zorgvuldig geordende woonplaatsen vonden. Toch schijnen het christendom in de periode na de Middeleeuwen en ook de islam in haar meer orthodoxe vorm de enige twee grote godsdienststelsels te zijn geweest die het bestaan leren van maar één algemene hemel, waarin zij die op aarde een min of meer deugdzaam leven hebben geleid na de dood een eindeloze eeuwigheid doorbrengen in een soort onbeschrijflijke gelukzaligheid – waarbij ze blijkbaar niet denken aan hen die de pijn van de eeuwige kwelling in de hel ondergaan.
    Volgens de opvatting van veel van de eerste kerkvaders, zoals Tertullianus in De spectaculis (De schouwspelen; par. 30), zou de ‘gelukzaligheid’ van de ‘heiligen’ juist toenemen door het zien van de onuitsprekelijke kwellingen van de ‘verdoemden’! Deze monsterlijke leer is een leugen, omdat ze volstrekt bijgeloof is. Wat is bijgeloof? Bijgeloof is iets dat ‘bij’ een oorspronkelijke waarheid wordt gevoegd en deze daardoor verminkt.
    Neem bijvoorbeeld een boek. We kunnen eerbied hebben voor de leringen van dat boek en voor de edele geest die het heeft geschreven; maar vanaf het ogenblik dat onze eerbied ontaardt in een of andere vorm van angst of blind geloof, omdat de suggestie wordt gewekt dat indien wij, al is het maar per ongeluk, dat boek verkeerd behandelen, de een of andere geheime kracht uit dat boek of vanwaar dan ook ons zal doden of ziek maken of ons zal blootstellen aan de gevaren van eeuwige kwelling – vanaf dat ogenblik lijden we aan een bijgeloof, en als gevolg hiervan gaat de oorspronkelijke eerbied voor een edele gedachte verloren. Het is natuurlijk geen bijgeloof om in een waarheid te geloven, hoe vreemd die ons op het eerste gezicht ook toeschijnt – en veel waarheden zijn inderdaad heel vreemd. De verslagen van de Europese geschiedenis van religie, filosofie en wetenschap bevatten tal van gevallen, waarin een natuurfeit of een waarheid aanvankelijk ‘bijgeloof’ werd genoemd, om later rustig als natuurfeit te worden aanvaard.
    Alle grote religies, in het bijzonder die van archaďsche oorsprong – het brahmanisme, het boeddhisme, de leringen van de grote Chinese wijze Lao-Tse, de beste filosofische leringen van de Griekse en Romeinse beschavingen, de oorspronkelijke religie van de Germaanse volkeren, en zelfs veel van de oeroude leringen van zogenaamd onbeschaafde en primitieve volkeren – die helemaal geen jonge rassen zijn, maar in feite gedegenereerde afstammelingen van eens machtige voorouders, die leefden in tijden van grote beschavingen waarvan alle sporen van de aarde zijn verdwenen – alle hebben of hadden verheven leringen, gebaseerd op de ontdekking en het begrijpen van enkele van de diepzinnigste geheimen van de natuur. Het is slechts een teken van gezond verstand om deze mysteries te doorgronden voordat we ons veroorloven kritiek uit te oefenen op wat we niet begrijpen.
    Het brahmanisme heeft in zijn leringen over de postmortale avonturen van de menselijke ‘ziel’ veel denkbeelden die grote overeenkomst vertonen met de esoterische filosofie. Dit kan ook worden gezegd over het boeddhisme, dat op dit moment misschien het minst is afgeweken van de oorspronkelijke denkbeelden van zijn grote stichter. Dit geldt ook voor het taoďsme en het confucianisme en voor alle archaďsche religieuze en filosofische stelsels van het verleden, waar hun overblijfselen zich ook bevinden.
    Het is waar dat enkele van de leringen van deze oude religies of filosofieën, die dateren van vele eeuwen vóór de periode van respectievelijk de islam en het christendom, nu min of meer zijn gedegenereerd. En bovendien zijn ze door westerse geleerden vaak totaal verkeerd begrepen en verkeerd uitgelegd. Toch zijn deze archaďsche religies en filosofieën over het algemeen trouw gebleven aan hun eigen oorspronkelijke bron.
    Maar het christendom is in zijn leringen wel heel ver afgeweken van de oorspronkelijke denkbeelden van zijn grote stichter, omdat de verkondiging ervan na de tijd van Jezus in handen viel van minder hoogstaande mensen. Ofschoon velen van hen ongetwijfeld vol komen oprecht waren, waren sommigen waarschijnlijk intellectueel onoprecht, in die zin dat zij de min of meer vage ideeën van henzelf – verkeerd begrepen en verkeerd uitgelegde aanduidingen, die ze hadden ontvangen uit de grote bron – probeerden voor te stellen als universele waarheden van de natuur. Dit was in het kort de oorzaak dat de oorspronkelijke leringen van Jezus de avatâra verloren zijn gegaan of gedegenereerd raakten.

De theosofische filosofie omvat een breed en gevarieerd stelsel van sferen van gelukzaligheid en van loutering; maar haar leringen laten duidelijk zien dat deze verschillende sferen in geen enkel opzicht alleen maar de verblijfplaatsen van de overledenen of van hun ‘zielen’ zijn, maar eerder integrale en dus samenstellende delen van de structuur van de universele natuur zelf, en die structuur is overal continu en wordt doordrongen en bezield door een alles beheersende hiërarchische intelligentie van kosmische omvang. Het grootste deel van de universele natuur bestaat dus uit de bijna on tel bare hiërarchieën die al de uitgestrekte rijken van het onzichtbare samenstellen en inderdaad zijn, en alle gebieden van de Kosmische structuur omvatten, vanaf het supergoddelijke tot onze eigen fysieke sfeer die slechts de schil of het buitenste omhulsel van alles is. Verreweg het belangrijkste deel van de Kosmos bestaat dus uit deze uitgestrekte werelden of sferen die voor ons onzichtbaar en ontastbaar zijn, en die in hun verschillende hiërarchieën en in hun bewoners die sferen van bewoning en karmische gevolgen bevatten die de esoterische filosofie ‘hemelen’ en ‘hellen’ noemt.
    Noch ‘hemelen’ noch ‘hellen’, opgevat als integrale natuurrijken, zijn plaatsen die door een kosmische schepper werden gevormd, maar ze maken feitelijk deel uit van het leven en de substantie van de onzichtbare en onbegrijpelijke godheid van wie het aldoordringende leven en de intelligentie, de wil en de substantie niet alleen het heelal vullen, maar het in feite zijn. De christen Paulus, zelf een ingewijde in tenminste enkele van de lagere graden van de oude mysteriën, had laatstgenoemde gedachte toen hij zei: ‘daarin leven we, bewegen we en hebben we ons bestaan’ (Handelingen, 17:28), waarbij hij de Griekse dichter Aratus (derde eeuw v.Chr.) citeerde.
    Wat een volkomen ander gezichtspunt! In plaats van de ongelukkige schepsels van een ondoorgrondelijke ‘schepper’ te zijn, die ons ‘maakte’ met de hoeveelheid intelligentie en wilskracht die wij bezitten om hetzij in een dwaze hemel van gelukzaligheid te worden opgenomen of om eeuwig straf te ondergaan in een hel van de verdoemden – allebei nachtmerries van de verbeelding van monniken – krijgen we een beeld van letterlijk ontelbare sferen en werelden, die het oneindige kosmische leven samenstellen en die de essentie van dat leven zelf hebben, en dus de woningen of verblijfplaatsen van ervaring zijn waarin de rondzwervende monaden voortdurend evolueren en revolueren.
    De ‘hemelen’ zijn dus die spirituele gebieden van ervaring, waar alle monaden gedurende hun eeuwenlange omzwervingen op een bepaalde tijd doorheen moeten gaan en waarin ze wonen gedurende een tijd evenredig aan hun karmische verdienste. De ‘hellen’ zijn die sferen of gebieden van loutering waarheen alle monaden gedurende bepaalde perioden van hun omzwervingen moeten gaan om daarin hun door materie zwaar beladen zielen schoon te wassen, zodat ze na deze reiniging weer kunnen opstijgen langs de opgaande boog van de kosmische ervaring – ‘In het huis van mijn Vader zijn vele woningen’ (Joh., 14:2).
    Men ziet dus dat de ware betekenis van deze zich ver uitstrekkende innerlijke werelden, die door exoterische devotie en religieus fanatisme ten onrechte zijn veranderd in sferen van gelukzaligheid voor overledenen aan de ene kant en in sferen van loutering en kwelling aan de andere kant, noch het ene noch het andere is, maar dat ze de structurele en samenstellende delen van het heelal zelf zijn.
    Het is echter waar dat de spirituele werelden in algemene zin gebieden of bollen van werkelijk geluk of zaligheid zijn, in tegenstelling tot de in de stof verzonken werelden of bollen zoals de andere planeten en sferen van het zonnestelsel, die op hetzelfde kosmische gebied bestaan waarop onze aardbol zich bevindt. Dit komt omdat in de spirituele werelden alles van spirituele aard is – onvergelijkelijk veel etherischer, helderder is en juist door die aard dichter bij het spirituele hart van het heelal staat; terwijl alle stoffelijke sferen of gebieden of bollen verder afstaan van het spirituele hart van het zijn.
    Wat betreft de beloning als vergoeding en straf als vergelding, deze hebben eveneens een heel werkelijk bestaan. Alle wezens, welke dan ook, ervaren niet alleen gelukzaligheid als beloning voor goed geleefde levens, omdat een dergelijke zaligheid overeenkomt met hun eigen aanleg en karakter, maar evenzo moeten ze in sferen van loutering en bestraffing komen wanneer het laatst geleefde leven hen zo zwaar heeft beladen met materiële smetten en hartstochten dat ze zich niet kunnen ‘verheffen’ tot de spirituele en meer etherische sferen waar ze niet op hun plaats zouden zijn en die ze niet zouden kunnen binnengaan eenvoudig omdat ze door hun psychomagnetische natuur niet daarheen worden aangetrokken.
    In deze laatste cursief gedrukte woorden ligt de sleutel tot het geheim waarom bepaalde geëxcarneerde ‘zielen’ hun devachanische rust ingaan, waar ze onuitsprekelijke zaligheid genieten als vergoeding voor de ellende van het aardse leven; en waarom andere ‘zielen’ daarentegen, gelukkig meestal gering in aantal, in minder spirituele toestanden verzinken. Het is een kwestie van aantrekkingskracht, zowel in het algemeen als in het bijzonder; of wat op hetzelfde neerkomt, het gaat allemaal om individuen die hun respectieve en geschikte woonplaats vinden in precies die omgeving en die omstandigheden die passen bij hun innerlijke ontplooiing.

Terwijl de moderne theosofie voor het gemak de werelden van spirituele gelukzaligheid na de dood onder de ene Tibetaanse term devachan heeft gerangschikt, is devachan strikt genomen geen ‘plaats’, maar een toestand of, nauwkeuriger gezegd, toestanden die opklimmen vanaf de lagere of halfmateriële devachanische toestand door alle tussenliggende graden tot de gebieden van de relatief zuivere geest waar de hoogste of meest etherische devachanische toestanden zich bevinden. Zo zijn er ook in de andere richting toestanden of graden die precies geschikt zijn en passende verblijfplaatsen vormen voor ‘zielen’ waarin de aantrekkingskracht van de stof gedurende het leven op aarde heeft overheerst. Het kan dus niet anders dan dat zulke ‘zielen’ van nature tot deze meer materiële en minder etherische sferen worden aangetrokken. De laagste delen daarvan vormen gezamenlijk wat avîchi wordt genoemd.
    Noch devachan in al zijn opeenvolgende gradaties, noch kâma loka of de tussenliggende gebieden, noch avîchi daaronder is een bepaalde plaats. Elk ervan is een reeks toestanden, waartoe entiteiten worden aangetrokken als gevolg van oorzaken, die in het pas beëindigde leven op aarde hun oorsprong vonden. Het is natuurlijk volkomen waar dat de toestand van enig wezen niet los van een bepaalde positie of plaats kan bestaan; maar noch devachan, noch kâmaloka, noch avîchi in al hun respectieve gradaties is op zichzelf een plaats: het zijn allemaal toestanden die gewoonlijk na de dood door geëxcarneerde menselijke zielen worden ervaren. Deze toestanden komen overeen met ‘hemel’, ‘vagevuur’ en ‘hel’. De enige ‘hel’ die theosofen erkennen is de reeks toestanden van het bewustzijn dat ze ervaart die gezamenlijk worden aangeduid met de term avîchi. Omdat avîchi een reeks bewustzijnstoestanden is van wezens die deze ervaren, zijn er zelfs avîchi’s voor mensen op aarde, vóór de dood. Dit doelt in het algemeen op de avîchi in zijn ergste en meest hevige vorm die behoort tot de bijna ‘absolute stof’ en tot de heel ongelukkige wezens die daarin verblijven.
    Natuurlijk moeten deze toestanden niet als ‘waterdicht’ van elkaar gescheiden of afzonderlijke reeksen worden beschouwd. Elk van deze gaat onmerkbaar over in de erop volgende. De devachanische toestanden lopen dus van de hoogste of halfspirituele door vele tussenliggende graden of toestanden tot aan de laagste of halfetherische van devachan, waar de toestand onmerkbaar overgaat in de hoogste van kâmaloka. De kâmalokische toestanden zelf gaan van het meer etherische omlaag door de tussenliggende stadia naar de meest grove of materiële van de kâmalokische reeks waar ze onmerkbaar overgaan in de hoogste of minst materiële van de avîchi-toestanden, die op hun beurt omlaaggaan in voortdurend toenemende verstoffelijking, tot we de laagste toestand van avîchi bereiken die niet veraf staat van het gebied van de ‘absolute materie’, de meest grove materiële substantie die in onze algemene kosmische hiërarchie voorkomt.
    Maar dit is niet alles. Hoger dan het devachan in de ene richting en lager dan de avîchi in de andere richting zijn er andere werelden of gebieden in het eindeloze kosmische continuüm: een grensland of grens vóór het structurele bouwsel aan de rechterhand overgaat in de kosmische hiërarchie daarboven en aan de linkerhand in de kosmische hiërarchie lager dan de onze. Boven devachan, hoger dan zijn hoogste toestanden en zonder brede grens of scheidslijn, beginnen de gestaag opklimmende reeksen van spirituele bestaanstoestanden die gezamenlijk worden aangeduid met de algemene term nirvâńa. In de andere richting onder de laagste avîchi en zonder brede scheidslijn zijn er die sferen van absolute materie die het gevreesde en afschuwelijke lot zijn van wat technisch ‘verloren zielen’ worden genoemd. Hier vallen deze ongelukkige en ‘verloren’ entiteiten uiteen in hun samenstellende levensatomen en worden ze ‘vermalen in het laboratorium van de natuur’. Dit laatste en laagste bestaansgebied van onze eigen kosmische hiërarchie is de ‘achtste sfeer’, anders gezegd, de ‘planeet van de dood’.
    In De Mahatma Brieven verwijst Meester K.H. hiernaar met de volgende ernstige en waarschuwende woorden:

Slecht, onherstelbaar slecht moet dat ego zijn, in wie niet iets van zijn vijfde beginsel leeft en die moet worden vernietigd om in de Achtste Sfeer te verdwijnen. Zoals ik zeg, als er slechts iets van dit beginsel uit het persoonlijke ego is vergaard is dat al voldoende om hem dit droeve lot te besparen. Zo is het echter niet na de voltooiing van de grote cyclus; ňf een lang nirvâńa van zaligheid (al is hij daar onbewust, volgens uw grove opvatting); waarna – een leven als een dhyan-chohan gedurende een heel manvantara, ňf anders ‘avitchi nirvâńa’ en een manvantara van ellende en verschrikking als een ____ u moet het woord niet horen, en ik – het niet uitspreken of schrijven. Maar ‘zij’ hebben niets te maken met de stervelingen die door de zeven sferen gaan. Het collectieve karma van een toekomstige planeetgeest is even schoon als het collectieve karma van een ____ vreselijk is. Genoeg. Ik heb al teveel gezegd. – blz. 185-6

In de uitdrukking ‘avîchi-nirvâńa’ ligt een van de te vrezen geheimen van de natuur. Omdat avîchi en nirvâńa allebei toestanden van bewustzijn zijn van een wezen dat deze toestanden ervaart of erin verkeert, zodat nirvâńa in al zijn mystieke betekenissen in bepaalde gevallen – die gelukkig uiterst zeldzaam zijn - even toepasselijk is op de term avîchi als wanneer het erom gaat de bovenste of geestelijke pool van bewustzijn aan te duiden. Er wordt hier gedoeld op bepaalde uiterst zeldzame soorten wezens, van wie het bewustzijn zowel geestelijk als slecht is en die daarom hun enige geschikte woonplaats vinden in een toestand die tegelijk avîchi en een nirvâńa in avîchi is, en die een heel manvantara lang duurt. Toch is zelfs dit geen ‘hel’ in de christelijke betekenis van het woord, maar iets dat nog vreselijker en schrikwekkender is.
    Geen exoterische hemel die een monnik in afzondering tijdens zijn meest vruchtbare dromen heeft uitgedacht, kan de onuitsprekelijke gelukzaligheid evenaren, die wordt gesmaakt door spirituele geëxcarneerde zielen; omgekeerd is geen monnik in zijn verbeelding ooit verder gekomen dan tot het zich voorstellen van ‘martelingen’ van min of meer fysieke aard, ondergaan in hetzij een etherisch of een ‘asbestachtig’ lichaam. Zo’n exoterische ‘hel’ benadert dus in het geheel niet de bewustzijnstoestanden die worden ervaren door die uiterst zeldzaam voorkomende wezens die in de achtste sfeer ver zinken. Laatstgenoemden worden niet ‘gemarteld’, al of niet door groteske duivels met bokkenpoten, maar maken eeuwenlang een kwellende zielenstrijd door, die de exacte en oneindig gevarieerde karmische vergelding is van oorzaken die deze entiteiten zelf in de weegschaal van de karmische vergelding hebben geworpen toen ze in de sferen van veroorzaking verkeerden.
    Deze bewustzijnstoestanden van de omzwervende monaden zijn te vinden in de hiërarchische werelden of gebieden zowel na de dood als vóór de geboorte op aarde. Onze eigen bol, de aarde, is in feite technisch gesproken een ‘hel’ omdat ze een relatief dichte materiële sfeer is en de bewustzijnstoestanden van haar bewoners relatief sterk verwikkeld zijn in de weefsels van mâyâ – illusie. Daarom spreekt H.P. Blavatsky in De Stem van de Stilte over ‘mensen van Myalba’. Myalba is een Tibetaanse term voor een van de hellen in de filosofie van het noordelijke boeddhisme, en Myalba is onze aarde.
    Gedurende de periode van het manvantarische bestaan van de mensen op en in de verschillende bollen van de planeetketen, waarvan onze aardbol de vierde en meest materiële is, verschaffen juist deze bollen van onze aardketen de ‘lokaties’ waarin onze menselijke hiërarchie zowel haar ‘hemelen’ en ‘hellen’ vindt – haar devachanische gelukzaligheid en haar vergeldende bestraffing in de lagere kâmaloka en de avîchi. De toestanden van leven en bestaan op de hogere bollen van onze aardketen zijn buitengewoon mooi en gelukzalig vergeleken met de heel bedrieglijke en vaak vreselijke toestanden waarin het menselijke bewustzijn hier op aarde is verwikkeld. Bedenk wel dat dit betrekking heeft op de ‘menselijke ziel’. Wat het lot van de geestelijke ziel van een mens na de dood is, is een ander verhaal dat op een andere plaats in dit boek wordt behandeld.
    De moderne theosofie die de technische termen van het oude brahmanisme gebruikt omdat ze gemakkelijk en krachtig zijn, groepeert deze hiërarchische werelden of rijken onder de termen loka’s en tala’s, die gedurende lange eeuwen van onbegrip en verkeerde interpretatie zijn veranderd in de exoterische theologische begrippen ‘hemelen’ en ‘hellen’. (Zie mijn Occulte Woordentolk voor definities.)

Loka’s zijn in het algemeen gesproken de spirituele en minder bedrieglijke toestanden in elk zo’n wereld of sfeer of bol, terwijl tala’s de bijzondere toestanden zijn die tot substanties en stoffen van grovere en meer materiële aard behoren. Maar toch zijn de loka’s en tala’s onafscheidelijk. Elke loka heeft zijn overeenkomstige tala: de hoogste loka heeft als zijn benedenpool of alter ego, de meest spirituele of etherische van de tala’s, en zo verder door de reeks naar beneden tot het laagste of minst spirituele van ieder paar wordt bereikt. Deze zeven met elkaar verstrengelde loka’s en tala’s zijn dus de hië rarchische toestanden van elk van de werelden, sferen, gebieden of verblijfplaatsen waarnaar werd verwezen.
    Omdat de samenstelling van de natuur op alle gebieden steeds weer dezelfde is, is iedere ondergeschikte hiërarchie of wereld in haar samenstelling een getrouwe herhaling van wat de hogere hiërarchieën en werelden zijn en omvatten; zodat elke ondergeschikte hië rarchie of wereld zelf is opgebouwd uit haar eigen reeks loka’s en tala’s, en deze feitelijk is.
    De loka’s en tala’s worden in de Purâńa’s op verschillende manieren opgesomd, hoewel erbij moet worden gezegd dat niet de tala’s en hun verschillende eigenschappen variëren, maar de namen die eraan worden gegeven.
    De meest gebruikelijke namen ervan zijn:

LOKA’sTALA’S
l. satya-lokal. atala
2. tapar-loka 2. vitala
3. janar-loka 3. sutala
4. mahar-loka4. talâtala
5. svar-loka5. mahâtala
6. bhuvar-loka6. rasâtala
7. bhűr-loka 7. pâtâla

Er is een eigenaardig verhaal over een van de grote wijzen, Nârada, dat een diepe waarheid bevat. Hij bezocht eens ‘deze regionen’ en deed er bij zijn terugkeer naar de aarde ‘geestdriftig verslag’ van, en vertelde dat ze in sommige opzichten rijker aan vreugden waren dan de hemel van Indra en dat ze vol weelde en zinsbekoringen waren. Dit bewijst duidelijk dat deze tala’s en de daarmee corresponderende loka’s eenvoudig de materiële sferen of halfetherische sferen zijn die de kosmische ruimte vullen, terwijl de hoogste loka’s en tala’s zuiver spiritueel zijn. De eerste of materiële behoren tot de rűpa- of ‘gevormde’ werelden, terwijl de laatstgenoemde of spirituele de arűpa- of ‘vormloze’ sferen zijn.
    Al deze hiërarchische loka’s en tala’s, die de hele manvantarische ‘eeuwigheid’ door onafscheidelijk met elkaar zijn verweven, zijn in geen enkel opzicht ‘geschapen’ of het product van toeval; en ook zijn ze niet beperkt in manvantarische vorm of ruimte – behalve in zoverre dat ze zijn verzameld tot verschillende heelallen of geaggregeerde hiërarchische kosmische lichamen. Ze staan niet los van elkaar, maar zijn alle gedurende het hele kosmische manvantara met elkaar verweven en worden omvat door de omringende oneindigheid. Deze oneindigheid is geen ‘leegte’, of zonder leven en intelligentie, maar elk zo’n geaggregeerd heelal is er één van een oneindige menigte heelallen die het grenzeloze universele ALvormen.
    Passages zoals de bovenstaande, waarin wordt verwezen naar een alomvattende oneindigheid of naar het alomvattende en aldoordringende GODDELIJKE, betekenen niet dat het goddelijke slechts het aggregaat is van gemanifesteerde heelallen, en dat het daarin niet transcendent aanwezig zou zijn.
    De esoterische filosofie is duidelijk pantheďstisch van aard, volgens haar eigen interpretatie van dit woord. Dat betekent niet alleen dat het goddelijke in de eindeloze duur kosmisch gesproken alles doordringt, maar ook dat het alle gemanifesteerde aggregaten van heelallen te boven gaat en dus meer is dan dat alles, want de onuitsprekelijke bron en oorzaak van alle wezens en entiteiten en dingen, en het uiteindelijke doel waarnaar alle zullen terugkeren.
    Deze gedachte wordt in de Bhagavad-Gîtâ, de bekende filosofische verhandeling van de hindoes, goed tot uitdrukking gebracht door Krishńa, al is het in microkosmische zin, wanneer deze manifestatie van de kosmische logos met de volgende woorden spreekt over de godheid van wie hij een avatârisch voorbeeld is: ‘Ik breng dit grenzeloze heelal tot stand met delen van mijzelf en blijf toch ervan gescheiden’ (10:42).
    De pantheďstische betekenis is dus niet dat ieder levend wezen en iedere steen ‘God’ is, wat een belachelijke verdraaiing zou zijn van de esoterische betekenis, maar dat niets in de grenzeloze ruimte en in de eindeloze duur in wezen verschilt van het eeuwig goddelijke, en dat dit eeuwig goddelijke zowel het kleinste van het kleine als het grootste van het grote omvat en er de essentiële bron van is, en toch alles te boven gaat.
    Bovendien wordt geleerd dat deze vele hiërarchieën van loka’s en tala’s of, wat hetzelfde is, van werelden, gebieden, enz., tot aanzijn komen door een proces van emanationele evolutie, dat de hoogste de hogere ontvouwen, de hogere de lagere en de lagere op hun beurt de laagste ontwikkelen, totdat via emanatie een typische universele hië rarchie tot aanzijn is geroepen voor het kosmische manvantara waarin het dan en aldus zijn uitdrukking vindt.
    Dit proces is een fundamenteel deel van de leringen van de grote religies en filosofieën van het Indische schiereiland, van China, Babylon, Perzië, Egypte en van tenminste enkele van de grote filosofische scholen van het oude Griekenland en Rome, zoals de stoďcijnen en zelfs de platonische en neoplatonische scholen. Al deze verschillende stelsels waren ‘kinderen’ van de eens algemeen verspreide wijsheidsreligie van de oudheid.
    Als men een goed begrip hiervan heeft, ziet men dat de verschillende ‘hemelen’ en ‘hellen’ van de oude religieuze stelsels eigenlijk populaire vormen zijn van de stelling dat het heelal uit sferen of werelden of bollen van geest en van min of meer dichte stof bestaat. En omdat de oude religies en filosofieën zelfs in hun dagen van verval nog als overgebleven herinneringen van hun oorspronkelijke eso terische leer enige kennis hadden behouden van het feit dat er toestanden van geluk en van vergeldende bestraffing bestaan, zoals devachan en avîchi, zijn deze toestanden eeuwenlang verward met het ruimere en meer fundamentele feit van de hiërarchische structuur van de spirituele en materiële werelden. Bij de studie van dit onderwerp moet men dus een scherp onderscheid maken tussen de toe standen van de wezens die in en door deze werelden, enz., rondtrekken, en de werelden, gebieden en sferen zelf.

De opvattingen van honderd jaar geleden kwamen erop neer dat voordat het heelal door het goddelijke fiat, door ‘God almachtig’, werd geschapen er helemaal niets bestond, behalve de oneindige God. Hij was geen stof; Hij was een geest. Niemand wist precies wat een geest was, maar de leer stelde dat ‘God een geest is’, en men nam algemeen aan dat de hemel de woonplaats van God en zijn dienende of in rust verkerende engelen was. Ja, ook de engelen waren door God geschapen.
    Daarna werd op een onbepaald moment - vermoedelijk nadat God de aarde en alles wat erop is had gemaakt – de ‘hel’ geschapen, die het verblijf werd van de opstandige engel die later satan werd genoemd, en ook van de engelen die met hun aanvoerder rebelleerden en samen met hem uit de hemel vielen, en terechtkwamen in deze vergaarplaats die ergens in de ruimte bestond – vermoedelijk een ‘spi rituele’ vergaarplaats of deel van de natuur – hel genoemd. Daar hielden de duivel en zijn engelen verblijf; en dit was eveneens de bestemming van alle slechte menselijke zielen die niet op de door de gangbare theologie aangegeven manier voor dit lot bewaard waren gebleven.
    Theologen uit die periode hadden over al die zaken bepaalde denkbeelden. Alles was tot hun eigen tevredenheid uitgewerkt, deels op grond van de joodse en christelijke Testamenten en deels uit wat vroegere theologen hadden uitgedacht en onderwezen. Sommigen van hen wisten zelfs precies wanneer het heelal – dat voor hen bestond uit hemel, hel en aarde alsmede de kristallijne sferen die de aarde omringen, bezaaid met de hemellichamen die daar door de almachtige God tot genoegen en stichting van de mensen waren geplaatst – ja, deze oude theologen wisten zelfs wanneer dit alles werd geschapen: het jaar, de maand, de dag en het uur! Hiervan getuigt de uitspraak van dr. John Lightfoot, een beroemde Engelse bijbeluitlegger en hebraďcus die leefde in de eerste helft van de zeventiende eeuw:

Hemel en aarde, middelpunt en omtrek, werden op hetzelfde ogenblik gemaakt, en wolken vol water, en de mens werden geschapen door de drievuldigheid op 25 oktober 4004 v.Chr. om negen uur ‘s morgens.*

*Noot vert.: Dit citaat bevat niet de exacte woorden van dr. Lightfoot (1602-1675); er is hier sprake van een verwarring met de berekening van bisschop James Ussher (1581-1665). Usshers datum voor de schepping is: zaterdagavond, 22 oktober 4004 v.Chr. Lightfoots datum voor de schepping van de wereld is de herfstequinox van 3928 v.Chr. Het tijdstip van negen uur ‘s morgens noemt Lightfoot alleen in verband met de schepping van de mens. Zie ‘Bishop Ussher, John Lightfoot and the Age of Creation’ door William R. Brice, Journal of Geological Education, 1982, blz. 18-24.

Het feit alleen al dat de meesten van ons tegenwoordig dit bijgeloof niet meer aannemen, is op zichzelf iets goeds; maar aan de andere kant is het beslist een vergissing dat we in het westen te ver de andere richting zijn opgegaan, waarbij elk soort van vergeldende gerechtigheid bijna algemeen wordt ontkend; want dit is in strijd met alles wat er in de natuur zelf bestaat. Overal neemt het ziende en begrijpende oog overeenkomstige gevolgen waar van oorzaken die in beweging werden gezet. En vergelding is niets anders dan dat – in dit leven of in een later leven op aarde; de gevolgen ervan worden ook gevoeld in de devachanische toestand en, in de ergste gevallen, in de avîchi.
    De oudere religies spreken niet over één enkele ‘hemel’. Men telt er gewoonlijk negen, soms zeven, enz.. Hetzelfde geldt voor de ‘hellen’ van deze oude stelsels. Zij die werden verondersteld in deze ‘hemelen’ en ‘hellen’ te verblijven, zouden dit gedurende een tijdsduur doen die in beide toestanden afhankelijk zou zijn van de oorspronkelijke energie van de veroorzakende gedachten en daden van hen die erin verkeerden.
    Behalve dat deze ‘hemelen’ en ‘hellen’ tijdelijke verblijfplaatsen waren, werden ze nooit beschouwd als oorden of plaatsen waar de zielen van overledenen zich bevonden uit hoofde van een goddelijk mandaat, waarin zijzelf geen rol speelden behalve als hulpeloze, willoze slachtoffers. Er was geen buiten ons staande godheid die tot het geëxcarneerde ego zei: ‘Ziel, u heeft een goed, spiritueel en hoogstaand leven geleid gedurende uw verblijf op aarde. Kom opwaarts naar de hemel en rust hier in vrede en eeuwigdurende zaligheid.’ Of aan de andere kant: ‘Ziel, u heeft gedurende uw verblijf op aarde een leven van moedwillige ontaarding en grote zonde geleid. Daal af naar de hel en verblijf daar in eeuwige pijn.’ Zulke denkbeeldige opdrachten van een buitenkosmische godheid zijn louter fantasieën van niet-ingewijde geesten.
    In de archaďsche religies dacht men altijd dat de geëxcarneerde ‘zielen’ in de hemelen of in de hellen kwamen als gevolg van goede of slechte daden waarvoor zijzelf tijdens het laatste zojuist afgesloten leven op aarde verantwoordelijk waren. Zo waren de ’ bij de volkeren van de oudheid dus geen plaatsen van eeuwige zaligheid, en ‘hellen’ niet van eeuwigdurende martelingen. De wezens verbleven daar altijd voor een bepaalde tijd, als een noodzakelijk stadium in de wonderbaarlijke postmortale reis van de ‘ziel’. Ons leven op aarde is volgens die wijze oude filosofen slechts één zo’n tijdelijk of cyclisch stadium. Naar hun mening was het als een verblijf in een herberg gedurende een dag en een nacht, zoals zo vaak door dichters is bezongen. We komen naar deze aarde vanuit de onzichtbare werelden; we leven hier korte tijd en gaan dan verder naar andere stadia in de onzichtbare sferen, waarheen onze zwerftochten ons voeren – alles als onderdeel van het wonderbaarlijke avontuur van het leven.
    Omdat de ‘hemelen’ en ‘hellen’ slechts als tijdelijk werden beschouwd, waren ze eveneens bestemd om aan een einde te komen en te verdwijnen wanneer het heelal waarin ze zich bevonden zijn uiter lijke ontwikkelingsgang had voltooid, en alle dingen terugkeerden in de substantie van het goddelijke waaruit ze zich in het begin van de dingen door emanatie hadden ontwikkeld.

In het ruimere wereldproces dalen de eerste oorzaken af in de elementen en de elementen in lichamen; daarna worden de lichamen opnieuw in de elementen opgelost en de elementen in de eerste oorzaken.
– Erigena, De Verdeling van de Natuur, 866, 696 B
    (naar Eng. vert. Bett, blz. 85: Johannes Scotus Erigena)

Zo kan dus zelfs in de geschriften van een middeleeuwse neoplatonische christelijke theoloog-filosoof een duidelijke echo worden gehoord van de archaďsche leringen over de trapsgewijze evolutie of ontvouwing van het heelal en de uiteindelijke terugkeer ervan tot zijn oorspronkelijke goddelijke bron. Maar men moet bedenken dat Erigena’s werk door de officiële kerk in de dertiende eeuw formeel werd verworpen en op de Index geplaatst, hoewel het het hele middeleeuwse christelijke denken meer dan twee eeuwen lang had beheerst.
    Sommige denkbeelden over de ‘hemelen’ en ‘hellen’ van de verschillende volkeren op aarde zijn nogal vreemd. De Guaycuru’s, indianen uit het noorden van Zuid-Amerika, plaatsten hun hemel in de maan; en daar gingen hun grote helden en wijzen na de fysieke dood enige tijd heen, totdat ze naar de aarde terugkeerden. De Saliva-indianen, ook uit het noorden van Zuid-Amerika, dachten dat de hemel een plaats was waar helemaal geen muskieten waren!
    Andere volkeren hadden eveneens hun eigen merkwaardige ideeën. Enkele hadden de hel in de zon geplaatst, wat een tamelijk geliefde plek was in de verbeelding van sommige Engelse schrijvers uit een recent verleden – wat ongetwijfeld te danken was aan de in die tijd nieuwe astronomische denkbeelden over de zon als een fel brandende bol. Het kwam ook voor dat in het denken van sommige mensen de ‘hemel’ zich bevond in de zon; gewoonlijk echter kreeg hij een plaats in een onbekend deel van het blauwe firmament.
    Bovendien zijn niet alle ‘hellen’ uit de legenden en verhalen plaatsen van lijden of kwelling; sommige ervan worden beschreven als plaatsen van vermaak of betrekkelijke schoonheid, zoals onze aarde voor ons is. De ‘hel’ – of de ‘hellen’ – is soms in de kern van onze aarde geplaatst. In de Middeleeuwen was dit in Europa een alge mene lering, en het was ook het literaire thema van Dante, die in La Divina Commedia zijn Inferno verdeelt in negen stadia van een steeds gruwelijker wordende kwelling. Deze ‘kringen’ van de ‘hel’ plaatst hij in de richting van de kern van de aarde. Boven zijn Inferno liggen volgens zijn beschrijving zeven stadia van vagevuur die, met het opstijgen uit het vagevuur en het aardse paradijs dat na het hoogste van de zogenoemde gebieden van loutering komt, nog eens negen stadia of tussenliggende sferen, of hogere hellen, vormen. Dan komen nog etherischer en nog verder van zijn infernale gebieden verwijderd, de negen ‘hemelse’ sferen of werelden. Deze worden overkoepeld door het firmament, waar God bijgestaan door zijn engelen en het talrijke gezelschap van heiligen verblijven. Dit hiërarchische stelsel, dat de hellen, de gebieden van het vagevuur en die van de hemel omvat, berust op oude maar vaak verkeerd begrepen Griekse leringen uit de neoplatonische school die in de christelijke theologische beschouwingen zijn opgenomen, voornamelijk via de geschriften van de pseudo-Dionysius de Areopagiet.
    Volgens de Ilias van Homerus, die in mystieke zin de ‘bijbel’ van de Grieken vertegenwoordigde, en waarnaar ze verwezen voor de werkelijke betekenis van hun mythologische leringen – zoals de christenen meestal voor de ware betekenis van de christelijke theologische leringen naar het Nieuwe en het Oude Testament verwijzen - bestaat de Kosmische hiërarchie uit vier fundamentele stadia: Olympus of de hemel; de aarde; Hades of de onderwereld, waarvan vaak werd aangenomen dat ze in het middelpunt van de aarde ligt; en de duistere Tartarus, het laagste van alle, waarin de titanen werden geworpen die in opstand waren gekomen tegen Zeus, de vader van goden en mensen, en die daar werden gevangengezet en in ketenen geslagen, totdat er een tijd aanbrak waarin hun boeien werden losgemaakt en ze hun vrijheid herkregen.
    Tartarus vertegenwoordigt in deze mythologie kennelijk de elementalenwerelden, waar de titanische krachten van de geopenbaarde natuur in de onwrikbare greep worden gehouden van wat algemeen de ‘wet’ wordt genoemd. Losgelaten richten deze verschrikkelijke natuurkrachten verwoestingen aan op aarde; en de Grieken vatten de geheime betekenis van dit deel van hun mythologie inderdaad zo op. Ze verwezen daarom naar de gevangen genomen titanen als zouden ze door hun activiteiten in Tartarus de aardbevingen, de vloedgolven en andere verschijnselen teweeg brengen, wanneer de ontzagwekkende krachten van de natuur tijdelijk schijnen te worden ontketend.
    In de oude geschriften verwijzen heel veel passages over de ‘paden’ naar de ‘goden’ of naar de ‘demonen’, naar de ‘hemelwerelden’ of naar de ‘helwerelden’. Zo staat er in het Mahâbhârata:

Twee paden zijn bekend: het ene voert naar de goden, het andere naar de vaderen.
– XII, 525

De zon wordt de poort genoemd tot de paden die naar de goden leiden; en de maan wordt de poort genoemd tot de paden die naar de vaderen voeren.
– XIII, 1082

In de religie van het oude Hindoestan betekent ‘vaderen’ wat de christenen ‘heengegane geesten’ noemen, terwijl ‘goden’ betrekking heeft op hetzelfde als wat de oude Grieken en Romeinen bedoelden wanneer ze spraken over de godheden van wie velen ‘volmaakt geworden mensen’ waren – goddelijke wezens die langgeleden het menselijk stadium hebben doorgemaakt en nu goddelijk zijn geworden, één zijn geworden met hun eigen innerlijke god. De hogere werelden of de ‘hemelwerelden’ zijn dus de sferen van de goden, terwijl de lagere of materiële werelden het domein zijn van de ‘demonen’ – met andere woorden, van entiteiten van wie het karma of de bestemming hen naar sferen en gebieden heeft gevoerd die van grovere stof zijn dan onze aarde.
    De oude mysteriën, zoals die van Griekenland, omvatten leringen die identiek zijn met wat hierboven is geschetst. Het streven in de oude inwijdingsriten en -ceremoniën van het archaďsche Griekenland was er geheel op gericht het menselijke bewustzijn tot het inzicht te brengen van zijn onlosmakelijke één-zijn met de universele natuur en van de essentiële verwantschap van de mens met de goden.
    ‘Het doel van alle inwijding’, zei Sallustius, de neoplatonische filosoof, ‘is de mens zich bewust te doen worden van zijn onscheidbare eenheid met de orde van het heelal en met de goden’ (Over de goden en de wereld, hfst. 4). Proclus, een andere neoplatonist uit een latere periode, zegt praktisch hetzelfde in zijn Commentaar op de Timaeus van Plato:

Wie weet niet dat de mysteriën en alle inwijdingen uitsluitend tot doel hebben onze zielen uit het materiële en sterfelijke leven terug te trekken, om ons met de goden te verenigen en de duisternis in de ziel te verdrijven door daarin het goddelijke licht van de waarheid te verspreiden?

Deze oude Griekse leringen en methoden van inwijding waren in wezen identiek met de leringen en de in praktijk gebrachte stelsels in het verre oosten, omdat ze alle oorspronkelijk waren ontleend aan de wijsheidsreligie van de grijze oudheid. De uitdrukkingswijze in de verschillende landen was natuurlijk anders, maar de grondgedachten waren overal dezelfde. Het pad naar de ‘goden’ of naar de ‘vaderen’ waarover de hindoe spreekt, is maar een manier om de activiteiten van de evoluerende menselijke zielen onder woorden te brengen, waarbij deze enerzijds belanden op het pad dat naar de goden of de hogere sferen voert, en anderzijds op het pad naar de lagere rijken. Deze paden zijn hetzelfde als de ‘circulaties in het heelal’, die in een ander hoofdstuk van dit boek worden behandeld.
    Dit doet denken aan een prachtige passage van de neoplatonist Plotinus, die door zijn tijdgenoten Theiotatos werd genoemd, wat ‘goddelijkste’ betekent. De kern van zijn ideeën formuleert hij als volgt:

    Er staan uitgestrekte en heel gevarieerde gebieden open voor de heengaande ziel. De goddelijke wet is onontkoombaar, en niemand kan ooit de pijn en het verdriet ontgaan die door slechte daden zijn teweeggebracht. . . . De bezoedelde ziel wordt voortgestuwd naar wat haar lot is, als het ware zonder zich daarvan bewust te zijn, steeds gedreven door de eigen impulsen van het in het verleden begane kwaad. Dat gaat zo door totdat de ziel, daardoor versleten en gekweld, de voor haar passende plaats vindt en de bestemming bereikt die ze nooit bewust had gezocht, maar die haar deel wordt door de onstuimigheid van haar eigenwijsheid. De natuur bereidt op die manier de duur en de intensiteit van het lijden voor, regelt ook het einde van de straffen en geeft de ziel het vermogen om de plaatsen van het lijden die ze misschien bereikt, weer te verlaten; en dit gebeurt door de goddelijke harmonie die het universele plan doordringt. Zielen die tot een lichaam worden aangetrokken, worden ook voor hun straf aangetrokken tot een lichaam, terwijl edeler zielen die reiner zijn en weinig of geen aantrekking tot een lichaam voelen, hierdoor buiten de aantrekkingskrachten van de materiële sferen blijven; en daar waar de goddelijke essentie is, het goddelijkste van het goddelijkste en de waarheid zelf, daar wordt zo’n bevrijde ziel zich van haar roeping bewust.
Enneaden, ‘Over de ziel’, IV, iii, 24

Het neoplatonische denken, dat in veel opzichten werkelijk het beste is van de leringen van Plato, wordt in de geest van zowel hedendaagse mystieke als metafysische denkers in ere hersteld. Er zijn tegenwoordig nadenkende mensen die niet aarzelen in geestelijk en intellectueel opzicht daarvoor hun erkentelijkheid te betuigen, in het bijzonder aan Plotinus, een van de laatste vertegenwoordigers ervan in de tijd van het Romeinse Rijk. Zo schrijft de Engelse geestelijke en filosoof Dean Inge over Plotinus het volgende:

Geen enkele gids komt Plotinus in gezag, inzicht en diepgaande geestelijke scherpzinnigheid zelfs maar nabij. Ik heb me in zijn geschriften verdiept en ik heb geprobeerd ze niet alleen te begrijpen, zoals men ieder ander intellectueel stelsel zou kunnen begrijpen, maar ze ook als een leidraad te nemen tot juist leven en juist denken. . . . hij stelt nadrukkelijk dat alleen geestelijke zaken werkelijk zijn; evenzeer als de evangeliën zelf ontkracht hij dat waar de wereld gewoonlijk waarde aan hecht. . . . Ik heb bijna dertig jaar met hem geleefd en ik heb hem in voor- en tegenspoed niet vergeefs geraadpleegd.

De fundamentele gedachte achter het onderwerp ‘hemelen’ en ‘hellen’ is dat het heelal, dat vervuld is van entiteiten in alle evolutiestadia van zijn hiërarchische structuur, op veel kosmische gebieden bestaat: met andere woorden het bevat enorme aantallen werelden en sferen, elk vervuld van levens die wetenschappers nu ‘energie’ of krachten noemen.
    Er zijn geen absolute grenzen of scheidslijnen tussen de ene wereld of sfeer en de andere; er zijn in de universele natuur geen ‘absoluten’ van welke aard ook; daarom geen startplaatsen, geen volstrekte begin- en eindpunten van de met elkaar verweven delen van de kosmos. Natuurlijk bestaan er relatieve begin- en eindpunten; maar deze hebben betrekking op de kosmische delen en staan daarom in verband met de evoluerende entiteiten die deze verbindingspunten of -stadia als vormen van ‘begin’ en ‘einde’ opvatten. Vandaar dat we van nature ervan worden weerhouden om van het ALwelke entiteit ook zoals een bol, een sfeer, een wereld, een hiërarchie, of wat dan ook, af te zonderen.
    Leibniz, die gelijktijdig met Isaac Newton de filosofie en techniek van de differentiaalrekening vervolmaakte, geeft tamelijk nauwkeurig dezelfde opvatting weer van een organische natuur als een levend organisme dat zich in onderling verbonden hiërarchieën openbaart en zo een eindeloos continuüm van zijn vormt:

Alle natuurlijke indelingen van de wereld laten één enkele aaneenschakeling van wezens zien, waarin alle verschillende klassen van levende schepsels als evenzoveel schakels zo volmaakt met elkaar zijn verstrengeld, dat het onmogelijk is om voor elk daarvan te zeggen, hetzij op grond van verbeelding of van waar neming, waar deze begint of eindigt. . . .

Alles in de natuur ontwikkelt zich in stadia en deze wet van vooruitgang die op ieder individu van toepassing is, maakt deel uit van mijn theorie over de onafgebroken opeenvolging.

Het heelal is dus een samengesteld organisme dat aan de ene pool is gevormd uit kosmische geest, en aan de andere pool uit verdichte of gekristalliseerde geest die we materie noemen. Van alle tussenliggende graden verschaft de hoogste van de gebieden of werelden of hiërarchieën de substantie van het oorspronkelijke, archaďsche denken achter de leringen over de ‘hemelen’, waarvan er gewoonlijk zeven, negen, tien of zelfs twaalf werden geteld. Evenzo waren de ‘hellen’ die sferen of werelden van grovere materie die eveneens vol levens waren en daarom, evenals de werelden van de geest, het toneel of decor waren voor de werking en wisselwerking van de krachten en substanties die ze samenstellen. Deze innerlijke en onzichtbare werelden zijn de ‘sferen’ waar de menselijke entiteit en evenzeer de entiteiten op andere planeten - aan de mens gelijkwaardige zelfbewuste wezens – na de dood doorheen gaan, terwijl ze naar ‘omhoog’ of ‘omlaag’ gaan omdat ze de loop volgen van de uitwerkingen van oorzaken die tijdens het laatste leven of de laatste belichaming in beweging zijn gezet. Wanneer het fysieke lichaam sterft, verdwijnt onmiddellijk het beste deel van de mens uit het fysieke gebied, omdat het instrument of lichaam dat het hier hield en het in staat stelde op dit gebied van materie te functioneren, zich uit de constitutie heeft losgemaakt en tenslotte in zijn samenstellende chemische elementen uiteenvalt. Het is ongeveer alsof iemand een telegraaftoestel heeft stukgemaakt: de boodschappen kunnen niet langer van de andere kant doorkomen; de ontvanger werkt niet meer.
    Bij de dood wordt het fysieke lichaam als een oud en versleten kledingstuk afgelegd – buiten beschouwing blijven hier gevallen van dood door een ongeval en van zelfmoord, omdat daarbij, hoewel tenslotte dezelfde algemene regel geldt, het breken van de gouden draad van de levenskracht een tussenliggende reeks toestanden teweegbrengt die afzonderlijk moeten worden besproken. Ook het vitaal-astrale lichaam dat iets etherischer is dan het fysieke lichaam, wordt bij de dood achtergelaten. Het raakt in verval of lost op en verdwijnt dan na verloop van tijd, terwijl het slechts iets langer intact blijft dan het fysieke lijk. Maar het edelste deel van de gestorven mens verlaat het fysieke voertuig op het ogenblik dat de ‘gouden levensdraad’ wordt verbroken. Het is dan bevrijd en gaat nu geleidelijk opnieuw de geestelijke monade binnen van de mens die op aarde was; en in de schoot van de monade verblijft dit edelste deel van de essentiële mens dan op en in de hogere gebieden van de innerlijke en onzichtbare kosmos in de vrede en onuitsprekelijke gelukzaligheid van de devachanische toestand, totdat de tijd opnieuw aanbreekt waarin de natuur het weer zal oproepen voor een volgende verschijning op aarde door reďncarnatie.
    Maar wat gebeurt er met dat tussenliggende deel, de menselijke ziel, dat deel dat puur menselijke gevoelens van liefde en haat vertoont, menselijke aantrekkingskracht en afkeer, en de gewone psychische, mentale en emotionele verschijnselen van de mens? Wanneer de dood intreedt nadat het beste deel van de mens zich heeft terug getrokken, valt deze menselijke tussennatuur onmiddellijk in slaap en ondergaat gedurende een kortere of langere periode een droomloze slaap. Omdat het hogere deel van deze tussennatuur of men selijke ziel de straling is die op haar is weerspiegeld vanuit de monadische geest – die zich nu in zichzelf heeft teruggetrokken en die het edelste deel is van de mens die was – wordt deze straling, naarmate de tijd voorbijgaat, steeds sterker aangetrokken tot haar eigen bron, de geest die haar uitzond, en verenigt zich tenslotte weer daarmee. Deze straling van de geest is het reďncarnerende ego; en nadat het zich na de dood heeft verenigd met zijn geest, gaat het zijn devachanische periode in. Maar omdat dit hogere deel van de tussennatuur een uitstraling van de geest is en niet de geest zelf, en omdat deze uitstraling elementen van louter menselijkheid in zich heeft in plaats van zuiver goddelijk te zijn, zoals zijn ouder de monadische geest, is zuivering of reiniging van deze lagere of puur menselijke eigenschappen nodig, voordat het kan deelhebben aan de onbe perkte en zuivere devachanische geluk zaligheid, waarin natuurlijk geen enkel menselijk element, dat onvolmaaktheid betekent, kan doordringen.
    Hoe wordt het nu gezuiverd of gereinigd? Het stijgt op door de sferen van de innerlijke en onzichtbare delen van de natuur. Als het zojuist beëindigde leven op aarde een edel en een goed leven is geweest, wordt het geëxcarneerde ego aangetrokken tot die sferen die in hoge mate etherisch zijn en waarin het betrekkelijke vrede en gelukzaligheid ervaart in de devachanische toestand. Maar voordat het deze devachanische toestand kan ingaan, moet het noodzakelijk de verschillende stadia van kâmaloka doormaken, waar het in elk van de opklimmende stadia onderweg naar de devachanische toestand, die bijzondere en onvolmaakte menselijke eigenschappen afwerpt of daarvan wordt gezuiverd die eigen zijn aan en overeenstemmen met deze respectieve opeenvolgende kâmalokische stadia van de ‘weg omhoog’. Tenslotte gaat het op in de bewustzijnstoestand die de laagste is van de reeks devachanische graden en vindt het zijn passende rustpunt of het stadium van de langste devachanische duur in die bijzondere devachanische toestand waar het karmisch recht op heeft.
    Dit betere deel van de menselijke ziel blijft enige tijd in elk van deze sferen of werelden en gaat dan vanuit dat stadium naar een nog hogere, waarbij de grotere of kleinere aantrekkingskracht de oorzaak is van de tijdsduur die in elke onzichtbare graad van de verschillende werelden wordt doorgebracht. Tenslotte brengt het de hereniging tot stand – zij het geheel onbewust – met zijn monadische essentie, en daar verblijft het eeuwenlang totdat zijn aangeboren neigingen het ertoe brengen door dezelfde sferen af te dalen naar een nieuwe incarnatie op aarde.
    Als daarentegen zijn leven op aarde zo vervuld was geweest van zelfzucht en boze verlangens dat het een grof en sterk materialistisch leven had geleid, wat gebeurt er dan? Zijn gehechtheden beginnen het onmiddellijk naar lagere en materiëlere sferen te trekken, de ene na de andere, waarin het langere of kortere tijd doorbrengt, afhankelijk van de kracht van de aantrekkingen die het daar bracht, totdat de energieën die oorspronkelijk in beweging waren gezet, zijn uitgewerkt. Wat dan na dit proces van zuivering overblijft, wordt geschikt, zoals goud dat in het vuur is gezuiverd, om zijn reis naar hereniging met zijn zon, zijn geestelijk zelf, te hervatten.
    Deze bepaalde sferen of werelden, waartoe het zich weder belichamende ego wordt aangetrokken, zijn zeer nadrukkelijk geen op zichzelf staande ‘hemelen’ of ‘hellen’, zoals die woorden gewoonlijk verkeerd zijn begrepen, maar integrale delen van de hiërarchische structuur van het heelal die als gevolg van hun geestelijke en etherische karakter enerzijds en hun materiële aard anderzijds de plaats en de omgeving verschaffen waartoe het zich wederbelichamende geëxcarneerde ego wordt aangetrokken door zijn geneigdheid tot het ene of het andere soort bestaan.
    In de oudheid werd onze aarde, technisch gesproken, altijd als een van de ‘hellen’ beschouwd, omdat ze een bol is van min of meer dichte en grove materie. Toch is onze planeet aarde in geen geval de meest materiële woonplaats van menselijke bewuste wezens die het zonnestelsel in zich bevat, want er zijn vele planeten of planetaire werelden binnen ons zonnestelsel, waarvan de meeste voor ons onzichtbaar zijn, en die veel dichter en grofstoffelijker zijn dan onze aarde. Ze is noch de slechtste noch de beste van alle mogelijke werelden, maar een aardig voorbeeld van een wereld tussen deze beide in, want in haar evolutie hebben goed en kwaad zich tamelijk goed in de kraters van het lot vermengd.
    Met betrekking tot de opbouw van het heelal is het misschien interessant hieronder een reeks overeenkomsten te laten zien tussen deze onafscheidelijk met elkaar verweven loka’s en tala’s, en de hiërarchische reeks tattva’s.
    Tattva is een samengesteld Sanskrietwoord dat kan worden vertaald met ‘dat-heid’ en komt nauwkeurig overeen met het laat-Latijnse of middeleeuws scholastieke quidditas. De feitelijke betekenis van deze term tattva is dus de energisch-substantiële grondslag van alles wat in de loop van de evolutionaire ontwikkeling van de natuur daarvan is afgeleid, en komt op die manier betrekkelijk nauwkeurig overeen met de term beginsel of element. De tattva’s zijn daarom de universele beginselen of elementen waaruit het heelal is opgebouwd.
    De tattva’s en de daarmee corresponderende loka’s en tala’s zijn dus in essentie praktisch identiek; de drie verschillende reeksen betreffen dezelfde substantiële kosmische werkelijkheden van de elementen, gezien vanuit verschillende invalshoeken; ook zijn de loka’s en tala’s de respectieve manifestaties van hun corresponde rende tattva’s, wanneer we de tattva’s opvatten als stadia in een hiërarchische ontwikkeling. De tattva’s brengen de andere voort.
    Er zijn zeven kosmische tattva’s die zich in alle ondergeschikte gebieden van de kosmische hiërarchieën herhaaldelijk opnieuw voortbrengen, naarmate de laatstgenoemden zich gedurende het proces van de opbouw van de wereld ontplooien of evolueren; en deze hiërarchieën, gezien als structureel tot stand gebrachte werelden of sferen of gebieden zijn in feite de onafscheidelijk met elkaar verbonden en verweven loka’s en tala’s. Omdat er zeven kosmische tattva’s of kosmische beginsel-elementen zijn, zijn er eveneens zeven corresponderende en altijd op elkaar inwerkende en met elkaar verstrengelde hiërarchische loka’s en tala’s, waarbij elk van die paren van loka’s en tala’s correspondeert met het kosmische tattva waaruit ze oorspronkelijk zijn voortgekomen en dat in hen het dominerende kosmische beginsel of element is. De drie reeksen worden nu hieronder opgesomd en zijn genummerd, zodat ze met elkaar corresponderen; ze staan in de volgorde van hun kosmische ontplooiing of evolutie.

1. âdi-tattva

– voortkomende uit de eerste logos

2. anupapâdaka-tattva

,, ,, ,, tweede logos

3. âkâsa-tattva

,, ,, ,, derde logos

4. vâyu-tattva
5. taijasa-tattva
6. âpas-tattva
7. prithivî-tattva

 
l. satyaloka l. atala
2. taparloka 2. vitala
3. janarloka 3. sutala
4. maharloka 4. talâtala
5. svarloka 5. mahâtala
6. bhuvarloka 6. rasâtala
7. bhűrloka 7. pâtâla

 

Eén belangrijk punt is dat te beginnen met het eerste of âdi-tattva, het tweede of anupapâdaka-tattva daaruit emaneert of voortkomt, terwijl het een bepaald deel van het eerste tattva behoudt in zijn eigen substantie en complex van krachten; vanuit het tweede tattva emaneert het derde tattva in de reeks, dat niet alleen zijn eigen svabhâva of karakteristieke krachten en substanties heeft, maar ook zijn deel van zijn ouder, het tweede kosmische tattva, en zijn grootouderlijke kosmische tattva; en zo naar omlaag tot het zevende en laatste. Als deze reeks van hiërarchische emanatie eenmaal is voltooid, bestaat het heelal eeuwenlang in de volheid van zijn onbegrijpelijk grootse activiteiten. Wanneer de tijd van de kosmische pralaya nadert, gaat het hele proces dat plaatshad bij het ontvouwen van het heelal nu de omgekeerde procedure volgen van het zichzelf inwikkelen of involueren, te beginnen met het zevende of laagste dat het eerst wordt weg-’gestraald’ naar het volgende en hogere tattva, dat op die manier het laagste in zich opneemt. Dan wordt het proces herhaald met het daaropvolgende hogere kosmische tattva, waarin de ‘zaden’ of slapende ‘kiemen’ van het reeds geďnvolueerde kosmische tattva opgaan, en zo zet het hele proces van het zich inwikkelen zich voort totdat alle lagere tattva’s in het hoogste of veroorzakende kosmische tattva zijn opgenomen. Dan is het manvantara van het heelal ten einde en volgt de lange periode van kosmische rust totdat de tijd voor het volgende kosmische manvantara aanbreekt, wanneer alles opnieuw wordt geëmaneerd op een iets hogere reeks gebieden.
    Het bovenstaande was ook de leer van de stoďcijnen, en eveneens van de joods-christelijke bijbel waarin naar dit kosmische drama van de ontbinding van het heelal wordt verwezen. Bijvoorbeeld:

En alle hemelse menigten zullen vergaan, en de hemelen zullen als een boekrol worden samengerold.
Jesaja, 34:4
En de hemel week terug als een boekrol, die wordt opgerold.
Openbaring, 6:14

Er is nog een andere lering van de oude wijsheid die moeilijk is te begrijpen, en dat is die van nirvâńa. Het nirvâńa is niet een ‘hemel’; het is niet een kosmische sfeer of wereld of gebied; het is volstrekt en absoluut een toestand van het bewustzijn dat het ervaart. Het is de bewustzijnstoestand van de geestelijke ziel, wanneer elk gevoel van een beperkende persoonlijkheid of zelfs van een onvolkomen egoďsche individualiteit volledig is verdwenen, zodat niets anders overblijft dan het ongebonden bewustzijn van het geestelijke essentiële zelf dat de ondeelbare en onuitsprekelijke essentie van de mens is – de goddelijk-geestelijke individualiteit; het is een zuiver monadisch bewustzijn. Het is een verbond van de innerlijke god met de zich ontwikkelende geestelijke ziel, zodat haar bewustzijn dan kosmisch wordt in de, hiërarchisch gesproken, onbegrensde ruimten van die speciale kosmische hiërarchie.
    Wat betreft het probleem van het identiek of niet-identiek zijn van de individuele geest, als monade beschouwd, met de kosmische geest, leert de esoterische traditie de gelijkheid van alle ‘zielen’ met de overziel, of van alle monaden met de kosmische monade; maar deze identiteit betekent geen verlies van de individualiteit van welke ondergeschikte ‘ziel’ of monade ook. De naam ‘monade’ betekent een eenheid, een individualiteit die een eenheid vormt, die tijdens het hele kosmische manvantara of de kosmische wereldperiode in stand blijft. De prachtige woorden waarin Sir Edwin Arnold in zijn Het Licht van Azië uitdrukking geeft aan de oude boeddhistische leer, ‘de dauwdruppel vloeit in de glinsterende zee’, geven de gedachte goed weer. Het zal een westerling toeschijnen dat de dauwdruppel die in de zee vloeit een totale vernietiging van zijn individualiteit ondergaat, omdat we gewend zijn in termen van mechanische processen en materiële substantie te denken. Het vloeien in de glinsterende zee van de dauwdruppel of monade betekent dat ze in de onmetelijke kosmische ruimte opgaat om haar eigen meest innerlijke kosmische bereik van praktisch onbeperkt bewustzijn te herwinnen, en intussen in de vorm van een zaad voor de toekomst haar eigen monadische individualiteit te behouden. Wanneer ze zich opnieuw zal manifesteren, zal ze dat doen als een wedergeboorte van de monadische individualiteit die ze vroeger was, plus alle ontwakingen van het bewustzijn, ervaring genoemd, die ze tijdens haar voorafgaande evolutionaire omzwervingen had verzameld en die deel van haar waren geworden.
    Plotinus verwijst in zijn verhandeling ‘Over het probleem van de ziel’ naar de hereniging van het individuele met het kosmisch goddelijke. We vatten samen:

Over aardse zaken zal ze zich dan niets herinneren, omdat het geheugen, dat een doorgang van het denken betekent van het ene ding naar het andere, daar tijdelijk in onbruik is geraakt en er dus niet zo’n beperkt geheugen in de geestelijke wereld kan zijn. Trouwens, er zal zelfs geen herinnering blijven bestaan van het individu als individu, d.w.z. geen gedachte waarvan het individuele zelf de denker is, want dit houdt beperking in. . . . Wanneer de geest in de geestelijke wereld is, wordt hij noodzakelijkerwijs tijdelijk volmaakt één met de geest van de godheid, wat voortvloeit uit het feit zelf van zijn verbondenheid daarmee, want deze verbondenheid maakt een eind aan alle intervallen van het bewustzijn die mensen de functies en de werking van het geheugen noemen. De individuele geest wordt opgenomen in een volmaakt harmonische overeenstemming met het goddelijke en wordt in deze harmonie tijdelijk één met het goddelijke – maar helemaal niet om zelf te worden vernietigd, want de twee zijn in wezen één; en toch, omdat ze twee zijn, blijven ze twee.
Enneaden, IV, iv, 1, 2

Plotinus, met al zijn opmerkelijke geestelijke en intellectuele begripsvermogen en zijn beheersing van het onderwerp, herhaalde de oude wijsheid en sprak de mensen uit zijn tijd noodgedwongen toe in een filosofische taal die zij konden begrijpen. Het gaat hierom: wanneer de individuele mens een ’volmaakt harmonische overeenstemming met het goddelijke’ tot stand brengt, betekent dit niet dat hij het gebied van zijn eigen constitutie geheel te boven gaat en een bewustzijn buiten hemzelf betreedt dat in geen enkel opzicht verschilt van het hoogste in hemzelf, behalve misschien in de zin van een grotere intensiteit. De ware betekenis ervan is dat zijn eigen ‘hoogste’ in essentie reeds identiek is met het goddelijke en dat al een eeuwigheid is geweest en tot in eeuwigheid zal zijn; de belangrijke strekking van deze gedachte is dat het hoogste deel van de mens al in een nirvâńische toestand verkeert. Het is de dhyâni-boeddha in hem.
    Dit benadrukt duidelijk de onlosmakelijke eenheid van het hoogste bewustzijn van de mens met het bewustzijn van het heelal, het goddelijke. Anderzijds zijn de lagere delen van de samengestelde constitutie van de mens in de stoffelijkheid ‘verzonken’ – en dat is de reden waarom de mens in contact kan komen met de materiële werelden en zo ervan kan leren. Hij is in zijn laagste delen een integrerend deel van deze stoffelijke werelden, zoals hij dat in zijn hoogste delen is van het goddelijke. Zijn hoogste delen worden samengevat onder de term ‘de innerlijke god’, de goddelijk-geestelijke monade. Zijn meest materiële delen worden gegroepeerd onder de algemene term ‘de persoonlijkheid’, een woord dat is afgeleid van het Latijnse per sona, en dat betekent een masker, met behulp waarvan de acteur – de werkelijke mens – werkt en zich uitdrukt. De tussenliggende delen van de menselijke constitutie vormen de ‘hogere mens’ of menselijke monade. De persoonlijkheid betekent dus het menselijke masker waarin we onszelf tot uitdrukking brengen en dat een web is van denkbeelden en gevoelens dat door onze verlangens en begeerten en onze emoties en alledaagse gedachten is geweven. Deze persoonlijkheid bouwt aldus een weefsel van het lot om zich heen. Wanneer nu de persoonlijkheid volledig wordt overwonnen, of met andere woorden, wanneer het fundamentele bewustzijn van de mens uitgaat boven dit versteende web van begoocheling, en het tussenliggende deel van de menselijke constitutie overstijgt, bereikt het de toestand van zuiver geestelijk monadisch bewustzijn, het nirvâńa. Daar is de hele persoonlijkheid opgegaan in zuiver geestelijke individualiteit, waarin het bewustzijn betrekkelijk universeel wordt door heel de kosmische hiërarchie waarin de monade zich beweegt, leeft en haar bestaan heeft. Deze toestand of omstandigheid houdt daarom zuivere, onvervalste kennis in, wijsheid en gelukzaligheid, en dus onbeschrijflijke vrede – bewustzijnstoestanden waarvan de gewone mens geen begrip heeft en die hij beschouwt als verschillende soorten bewustzijn in plaats van facetten van zijn geestelijke bewustzijn dat het ‘juweel’ is van de bekende Tibetaanse aanroep, ‘om mańi padme hum’ – ‘waarlijk, het juweel in de lotus!’ – waarbij lotus hier de menselijke constitutie is waarin het geestelijke juweel leeft.
    In het nirvâńa wordt de monadische essentie van de mens dan praktisch tot een eenheid verbonden met de universele overziel van onze kosmos. Zoals Plotinus zegt:

Evenmin is de ziel van de mens volledig in het rijk van de stof verzonken, omdat iets ervan voortdurend en voor altijd in de geestelijke wereld is, hoewel dat deel van onze ziel dat in de rijken van de zintuigen is verzonken, hier gedeeltelijk wordt vastgehouden, en door deze wordt bedwelmd, waardoor ze blind wordt voor het overpeinzen van het goddelijke waarmee haar eigen hogere deel zich bezighoudt.
- Enneaden, ‘De afdaling van de zich belichamende ziel’, IV, viii, 8

Het goddelijke bewustzijn van de mens is dus voor altijd nirvâńisch van aard; en dit verwonderlijke feit verschaft de sleutel tot het esoterische mysterie dat besloten ligt in het bereiken van het boeddhaschap door de bodhisattva’s en het niettemin voortzetten door de boeddha van het menselijk bestaan als een volledige en volmaakte mens.
    Het verschil tussen de gelukzaligheid en wijsheid en vrede die de nirvâńî geniet en de gelukzaligheid en vrede en betrekkelijke rust van de devachanî is dit: de nirvâńî is volledig en volkomen zelfbewust, terwijl de devachanî in vergelijking met de geestelijke werkelijkheid van het nirvâńa feitelijk in een toestand van hoogst gelukkig ‘dromen’ verkeert. De term ‘dromen’ is enigszins onnauwkeurig en maakt ook niet werkelijk duidelijk dat de toestand van de devachanî min of meer het zelfbewuste besef van zijn eigen gelukzaligheid mist, maar alleen dat, hoe ‘spiritueel’ de devachanische toestand ook is, deze verge leken met de nirvâńische nogal illusoir is.
    Nirvâńa is een toestand die mensen van zeldzame en uitzon derlijke geestelijke vermogens en ontwikkeling kunnen bereiken, zelfs wanneer ze belichaamd zijn. Gautama Boeddha is daarvan een voor beeld, zoals alle menselijke of mânushya-boeddha’s dat zijn. Sankarâchârya, een grote avatârische wijze uit India, is nog een voorbeeld van iemand die nirvâńa had bereikt terwijl hij op aarde leefde; en zelfs mensen van geringere geestelijke vermogens dan deze twee kunnen in relatief mindere mate nirvâńa ervaren. Het ligt daarom voor de hand dat zo’n toestand van verheven geestelijke grootsheid, zowel wat de intensiteit betreft van het ontwikkelde bewustzijn als de kwaliteit van verlichte spiritualiteit, de hoogste geestelijke toestand die door welk wezen ook in zelfs de hoogste ‘hemelen’ wordt ervaren, ver te boven gaat.
    In de tegenovergestelde richting van het nirvâńa is de avîchi, die ten onrechte een ‘hel’ wordt genoemd. Hij wordt figuurlijk omschreven als de lagere pool van het nirvâńa. Bepaalde toestanden van wezens in de avîchi zijn als gevolg van een daarmee gepaard gaande ‘spiritualiteit van verdorvenheid’ terecht nirvâńa-avîchi genoemd. Niettemin is avîchi zowel een toestand als een wereld of sfeer, wat het nirvâńa niet is, want nirvâńa is alleen een toestand, hoewel het evenzeer waar is dat, omdat het nirvâńa de toestand van bewustzijn van bepaalde wezens is en deze wezens een plaats in de abstracte ruimte moeten hebben, deze nirvâńî’s daarom in de geestelijke rijken zijn of bestaan.
    Als een mens een lange reeks levens op een heel slechte manier heeft geleefd, en dat bewust heeft gedaan, waarbij de ziel in steeds toenemende mate in materiële dingen is ‘opgegaan’, leidt dit tot een vergroving en vermaterialisering van zijn bewustzijn; en het uiteindelijke resultaat van de overweldigende materiële aantrekkingskrachten of impulsen die zo in de structuur van zijn bewustzijn zijn ingebouwd, is dat zo’n wezen tot de avîchi wordt aangetrokken of daarin verzinkt. Het is heel goed mogelijk dat een mens van het zojuist beschreven karakter een dergelijke avîchi-toestand zelfs tijdens zijn leven in het lichaam op aarde ervaart.
    Wanneer het bewustzijn van de materiële persoonlijkheid in een mens op die manier sterk wordt benadrukt; wanneer bijna alle besef van of intuďtief inzicht in het goddelijke zich zowel uit het hart als uit de geest heeft teruggetrokken, en hij als gevolg daarvan een belichaming wordt van louter zelfzucht; wanneer er in de intellectuele structuur van zijn wezen zelfs niet een vonk van het goddelijke vuur bewust actief blijft – dan verkeert de ongelukkige mens reeds in de toestand van avîchi, ook al leeft hij misschien op aarde.
    Als bovendien de neerwaartse impulsen van de mens, die zich al in een bewustzijnstoestand van avîchi bevindt, zo krachtig worden dat zelfs de laatste zwakke schakel met zijn monadische zon wordt verbroken, dan overschrijdt hij na verloop van tijd zelfs de grens van de avîchi en komt in de noodlottige karmische stroom terecht die hem snel naar een volledig en onherstelbaar uiteenvallen van zijn psychische samenstelling voert. In zo’n geval sterft de ongelukkige entiteit af en is ‘verloren’. De deeltjes van zijn aldus uiteengevallen psychische natuur worden dan bliksemsnel omlaaggetrokken en voegen zich bij de elementaire atomen in die speciale moederbron van elementaire materie waartoe zijn svabhâva hem heeft aangetrokken. Dit is dan het geval waarin de esoterische filosofie van een ‘verloren ziel’ spreekt. Zulke voorbeelden van ‘verloren zielen’ zijn gelukkig even zeldzaam aan de ene pool als gevallen van het bereiken van nirvâńa aan de andere of goddelijk-geestelijke pool van het menselijke bewustzijn. Als dit laatste gebeurt, wordt de mens een geďncarneerde god op aarde, een nirvâńî; in het eerste geval gaat het wezen zelfs uit de avîchitoestand over in de elementaire materie, waar wat van zijn psychische constitutie overblijft uiteenvalt in zijn samenstellende levensatomen, die daar in de elementaire alchemistische laboratoria van de natuur telkens weer worden vermalen.
    De avîchi zelf staat in feite aan de onderste grens van de ‘absolute stof’ – elementaire materie. Hij komt misschien het dichtste bij de middeleeuwse idee van een ‘hel’ waarin de natuur voorziet. Maar toch is hij niet een gerechtelijke straf die door een oppermachtige godheid aan een ongelukkige ziel wordt opgelegd; want de ongelukkige entiteit die dit ‘pad van de linkerhand’ volgt, dat vaak het ‘maanpad’ wordt genoemd, doet dit aanvankelijk volkomen vrijwillig door onder de impulsen van haar betrekkelijk vrije wil te handelen. Haar treft dit vreselijke lot als het feilloos rechtvaardige gevolg van karmische oorzaken die zijn teweeggebracht en in beweging gezet door kwade gedachten, door lage en zelfzuchtige verlangens, door mateloze en ongebreidelde hartstochten en begeerten van wezenlijk slechte aard.
    Toch heeft zelfs zo’n ongelukkig wezen nog altijd een kans, eigenlijk veel kansen, om aan zijn vreselijke lot te ontkomen, voordat zijn uiteindelijke ontbinding zich voltrekt. Men zegt, en terecht, dat zelfs één enkele zuivere, de ziel doordringende gedachte, als ze op tijd wordt ervaren, het ten onder gaande wezen zal redden van de karmische gevolgen van veel slecht geleide levens, want het bestaan van zo’n gedachte zou in feite betekenen dat de schakel met zijn eigen innerlijke god nog niet definitief is verbroken. Terwijl de entiteit die het pad omlaag naar de avîchi en misschien verder volgt, geen pijn ondervindt in de alledaagse betekenis van het woord en haar geen buitensporige of verschrikkelijke kwellingen worden aangedaan door krachten van buitenaf, zoals de ‘hel’ van de westerse religie met zich mee zou brengen, is niettemin een besef van een steeds verdere vermindering van het geestelijke en intellectuele bewustzijn altijd aanwezig, gepaard gaand met een krachtige concentratie van kwade impulsen, die van alle aspiratie, liefde en hoop zijn verstoken. Deze laatste zouden het vervagende bewustzijn van zo’n ongelukkig wezen omgeven met een lijden dat nauwelijks kan worden beschreven. Het is een van de meest afschuwelijke ervaringen die de menselijke verbeelding zich kan voorstellen, want er is een min of meer bewust besef, hoezeer dit misschien ook ‘vervaagt’, van de terugtrekking van het geestelijke licht en leven, en een toenemend besef van de dreigende ontbinding van alle zelfbewuste leven. Men mag wel aannemen dat de belachelijke straffen van de zogenaamde hellen op aarde lang niet opwegen tegen de psychische, mentale en emotionele marteling die het besef van dit feit voor het zwakker wordende en vervagende bewustzijn moet betekenen. Evenmin kan welke theatrale kwelling van een middeleeuwse ‘hel’ dan ook opwegen tegen de marteling van hart en geest die zo’n entiteit moet ervaren als zij zich ervan bewust wordt dat haar toestand is teweeggebracht door haar eigen verdorven wil en haar daaruit voortvloeiende handelingen. Als daarom zo’n entiteit van kwaad tot erger vervalt, keert ze terug naar de moederbron van de materiële natuur waaruit haar levensatomen oorspronkelijk voortkwamen, zoals ook een regendruppel ophoudt te bestaan in een vlam.
    In zo’n geval begint de monade, die lang voordat deze gebeurtenis plaatsvindt reeds haar banden met de ongelukkige en uiteenvallende entiteit heeft verbroken, onmiddellijk een nieuwe psychospirituele emanatie uit zichzelf te ontwikkelen, een nieuw toekomstig menselijk ego, dat aldus verschijnt als een ‘godsvonk’ die haar lange evolutiereis door tijd en ruimte uit haar oudermonade begint en is voorbestemd om na verloop van tijd in haar omzwervingen naar de oudermonade terug te keren. Het is waar dat deze nieuwe emanerende straal al het beste bevat wat aanwezig was in de entiteit die nu ‘verloren’ is; maar het tussenliggende voertuig dat die opgeslagen geestelijke ervaring tot uitdrukking brengt is ‘verloren gegaan’, en daarom kunnen nog geen menselijke ervaringen worden ‘verzameld’ voordat een ander menselijk ego is ontwikkeld om de nieuwe schakel te vormen tussen de monadische straal en de werelden van de stof.
    De monade zelf die aldus is bevrijd van haar eigenzinnige voertuig, blijft echter betrekkelijk onaangetast behalve in die zin dat er vreselijk veel tijd is verspild, wat in sommige gevallen ongeveer een heel manvantara kan uitmaken. Tegen de tijd dat de monade vanuit zichzelf opnieuw een menselijk voertuig zal hebben ontwikkeld, door middel waarvan ze in de materiële werelden kan werken, is de menigte evoluerende entiteiten waarmee ze vroeger een eenheid had gevormd, nu ver vooruit op de eonenlange evolutiereis. Het is allemaal karmisch, zelfs voor zover het de monade zelf betreft.
    Er zijn inderdaad ontelbare ‘hellen’ en ontelbare ‘hemelen’, maar het zijn slechts omstandigheden of toestanden van tijdelijke geestelijke compensatie enerzijds en van tijdelijke loutering anderzijds; en, vergeleken met de eeuwigheid, lijken ze alle op niet meer dan vluchtige en voorbijgaande wolkenslierten tegen de berghelling. Ze komen, blijven maar een ogenblik, gezien tegen de achtergrond van de eeuwigheid, en gaan voorbij. Veel grootser dan zo’n ‘hemel’ en zo’n sfeer of loka van gelukzaligheid, is het weidse visioen van eindeloze groei van vermogens en krachten, en van talrijke kansen om voor de wereld te werken.


De Esoterische Traditie, blz. 293-324

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag