| 11 Hemelen
en Hellen Alle volkeren op aarde, zowel nu als in het verleden,
hadden een verzameling leringen of opvattingen over de postmortale bestemming
van de menselijke ‘ziel’. Deze opvattingen hebben betrekking op twee algemene
categorieën: postmortale beloning of vergoeding voor een goed en moreel leven
en, omgekeerd, bestraffing of wraak voor een slecht leven. Er werd bijna overal
verondersteld dat deze beide toestanden van de ‘ziel’ na de dood werden doorgebracht
in hierbij passende verblijfplaatsen, ‘hemel’ genoemd voor de ene groep van ontlichaamde
mensen en ‘hel’ voor de andere groep. In de verschillende religieuze en filosofische
stelsels variëren de denkbeelden sterk zowel over de aard van de beloning of de
bestraffing als met betrekking tot de tijd die in deze twee postmortale bestaans
toestanden zou worden doorgebracht, alsook over de plaatsen van deze ‘hemelen’
en ‘hellen’. Niettemin zijn er bepaalde opvallende overeenkomsten tussen al deze
verschillende denkbeelden. De verschillende opvattingen
of leringen over de zogenaamde hemelen en hellen zijn slachtoffer geworden van
degeneratie. Het zijn bijna zonder uitzondering sterk aangedikte en onjuiste verklaringen
geworden van de oorspronkelijke leer die door de stichter van elk stelsel werd
verkondigd in een poging om aan de grote massa de onvermijdelijke gevolgen te
tonen van een slecht leven aan de ene kant en van een goed en moreel leven aan
de andere kant. In de loop van de tijd begon men deze latere uitbreidingen van
de oorspronkelijke leringen letterlijk te nemen in plaats van symbolisch; en in
enkele gevallen hebben zulke verkeerde letterlijke uitleggingen aan mensenharten
onnoemelijk veel leed en ellende bezorgd. Het waren de oorspronkelijke
betekenissen achter deze verkeerde interpretaties die de wereld in het verleden
hebben wakker geschud. Het enige wat ons dus te doen staat, is te zoeken naar
deze oorspronkelijke waarheden. Zij leiden de mens niet alleen naar de paden van
gerechtigheid, maar maken ook een eind aan bijgeloof, verdrijven de angst uit
het menselijk hart, en leggen in plaats hiervan de kiem van kennis en hoop.
Mogelijk leren alleen de verschillende vormen van de westerse godsdienst ons over
een eeuwige hel waarin de mens, van wie het eenmalige leven op aarde slecht is
geweest, bestemd is de eeuwigheid onder altijd voortdurende kwellingen door te
brengen; al is het waar dat het westerse christendom gedurende de Middeleeuwen
en een deel van de vroegste periode van de nieuwe tijd, voordat dat denkbeeld
impopulair werd, er een vrij vage voorstelling van had dat hel alleen maar een
algemene term was, en dat er verschillende hellen waren, meer of minder geschikt
voor de diverse graden van menselijke zielen die op verschillende manier door
slecht handelen waren besmet. Zelfs nog in de tijd van Dante, die in de dertiende
en de veertiende eeuw schreef, waren zulke ideeën min of meer algemeen aanvaard,
zoals door hem in zijn meesterwerk, La Divina Commedia (De goddelijke komedie),
wordt aangetoond. De volgende citaten uit wat gedurende
een twaalftal eeuwen of langer de orthodoxe opvatting is geweest over de aard
van de kwellingen van hen die door hun slechte gedrag tijdens het leven op aarde
tot eeuwige verdoemenis zijn veroordeeld, zijn typerend:
Het eerste is van een zeer orthodoxe Engels baptistische predikant, de beroemde
Spurgeon: Wanneer u sterft zal alleen uw ziel worden gefolterd;
dat zal voor haar de hel zijn; maar op de dag des oordeels zal uw lichaam zich
voegen bij uw ziel en zult u een dubbele hel hebben; uw ziel zal druppels bloed
zweten en uw lichaam krimpen van pijn. In hoog oplaaiend vuur, precies als
dat wat wij op aarde hebben, zal uw lichaam zijn, en zal zoals asbest nooit worden
verteerd. Al uw aderen zullen wegen zijn voor de voeten van de pijn, elke zenuw
een snaar waarop de duivel voor altijd zijn diabolisch lied zal spelen van de
onuitsprekelijke weeklacht van de hel. Een ander is uit een rooms-katholiek
boek voor kinderen, geschreven door pater Furniss: De vierde krocht
is de kokende ketel. Luister: daar is een geluid als dat van een kokende ketel.
Het bloed kookt in de gloeiende hersenen van die jongen; de hersenen koken en
sudderen in zijn hoofd; het merg kookt in zijn beenderen. De vijfde krocht is
de roodgloeiende oven met een klein kind erin. Hoor hoe het schreeuwt om eruit
te komen, zie hoe het zich wringt en keert in het vuur; het slaat zijn hoofd tegen
het dak van de oven; het stampt met zijn voeten op de vloer van de oven.
Tevens hebben er in dezelfde periode van de christelijke jaartelling wijdverbreide
opvattingen bestaan dat ‘hemel’ alleen maar een algemene term was waarmee men
verschillende sferen van gelukzaligheid bedoelde, waarin menselijke zielen die
op aarde een goed leven hadden geleid na hun dood hun zorgvuldig geordende woonplaatsen
vonden. Toch schijnen het christendom in de periode na de Middeleeuwen en ook
de islam in haar meer orthodoxe vorm de enige twee grote godsdienststelsels te
zijn geweest die het bestaan leren van maar één algemene hemel, waarin zij die
op aarde een min of meer deugdzaam leven hebben geleid na de dood een eindeloze
eeuwigheid doorbrengen in een soort onbeschrijflijke gelukzaligheid waarbij
ze blijkbaar niet denken aan hen die de pijn van de eeuwige kwelling in de hel
ondergaan. Volgens de opvatting van veel van de eerste kerkvaders,
zoals Tertullianus in De spectaculis (De schouwspelen; par. 30), zou de
‘gelukzaligheid’ van de ‘heiligen’ juist toenemen door het zien van de onuitsprekelijke
kwellingen van de ‘verdoemden’! Deze monsterlijke leer is een leugen, omdat ze
volstrekt bijgeloof is. Wat is bijgeloof? Bijgeloof is iets dat ‘bij’ een oorspronkelijke
waarheid wordt gevoegd en deze daardoor verminkt. Neem bijvoorbeeld
een boek. We kunnen eerbied hebben voor de leringen van dat boek en voor de edele
geest die het heeft geschreven; maar vanaf het ogenblik dat onze eerbied ontaardt
in een of andere vorm van angst of blind geloof, omdat de suggestie wordt gewekt
dat indien wij, al is het maar per ongeluk, dat boek verkeerd behandelen, de een
of andere geheime kracht uit dat boek of vanwaar dan ook ons zal doden of ziek
maken of ons zal blootstellen aan de gevaren van eeuwige kwelling vanaf
dat ogenblik lijden we aan een bijgeloof, en als gevolg hiervan gaat de oorspronkelijke
eerbied voor een edele gedachte verloren. Het is natuurlijk geen bijgeloof om
in een waarheid te geloven, hoe vreemd die ons op het eerste gezicht ook toeschijnt
en veel waarheden zijn inderdaad heel vreemd. De verslagen van de Europese
geschiedenis van religie, filosofie en wetenschap bevatten tal van gevallen, waarin
een natuurfeit of een waarheid aanvankelijk ‘bijgeloof’ werd genoemd, om later
rustig als natuurfeit te worden aanvaard. Alle grote religies,
in het bijzonder die van archaďsche oorsprong het brahmanisme, het boeddhisme,
de leringen van de grote Chinese wijze Lao-Tse, de beste filosofische leringen
van de Griekse en Romeinse beschavingen, de oorspronkelijke religie van de Germaanse
volkeren, en zelfs veel van de oeroude leringen van zogenaamd onbeschaafde en
primitieve volkeren die helemaal geen jonge rassen zijn, maar in feite
gedegenereerde afstammelingen van eens machtige voorouders, die leefden in tijden
van grote beschavingen waarvan alle sporen van de aarde zijn verdwenen
alle hebben of hadden verheven leringen, gebaseerd op de ontdekking en het begrijpen
van enkele van de diepzinnigste geheimen van de natuur. Het is slechts een teken
van gezond verstand om deze mysteries te doorgronden voordat we ons veroorloven
kritiek uit te oefenen op wat we niet begrijpen. Het brahmanisme
heeft in zijn leringen over de postmortale avonturen van de menselijke ‘ziel’
veel denkbeelden die grote overeenkomst vertonen met de esoterische filosofie.
Dit kan ook worden gezegd over het boeddhisme, dat op dit moment misschien het
minst is afgeweken van de oorspronkelijke denkbeelden van zijn grote stichter.
Dit geldt ook voor het taoďsme en het confucianisme en voor alle archaďsche religieuze
en filosofische stelsels van het verleden, waar hun overblijfselen zich ook bevinden.
Het is waar dat enkele van de leringen van deze oude religies
of filosofieën, die dateren van vele eeuwen vóór de periode van respectievelijk
de islam en het christendom, nu min of meer zijn gedegenereerd. En bovendien zijn
ze door westerse geleerden vaak totaal verkeerd begrepen en verkeerd uitgelegd.
Toch zijn deze archaďsche religies en filosofieën over het algemeen trouw gebleven
aan hun eigen oorspronkelijke bron. Maar het christendom
is in zijn leringen wel heel ver afgeweken van de oorspronkelijke denkbeelden
van zijn grote stichter, omdat de verkondiging ervan na de tijd van Jezus in handen
viel van minder hoogstaande mensen. Ofschoon velen van hen ongetwijfeld vol komen
oprecht waren, waren sommigen waarschijnlijk intellectueel onoprecht, in die zin
dat zij de min of meer vage ideeën van henzelf verkeerd begrepen en verkeerd
uitgelegde aanduidingen, die ze hadden ontvangen uit de grote bron probeerden
voor te stellen als universele waarheden van de natuur. Dit was in het kort de
oorzaak dat de oorspronkelijke leringen van Jezus de avatâra verloren zijn gegaan
of gedegenereerd raakten. De theosofische filosofie omvat een breed
en gevarieerd stelsel van sferen van gelukzaligheid en van loutering; maar haar
leringen laten duidelijk zien dat deze verschillende sferen in geen enkel opzicht
alleen maar de verblijfplaatsen van de overledenen of van hun ‘zielen’ zijn, maar
eerder integrale en dus samenstellende delen van de structuur van de universele
natuur zelf, en die structuur is overal continu en wordt doordrongen en bezield
door een alles beheersende hiërarchische intelligentie van kosmische omvang. Het
grootste deel van de universele natuur bestaat dus uit de bijna on tel bare hiërarchieën
die al de uitgestrekte rijken van het onzichtbare samenstellen en inderdaad zijn,
en alle gebieden van de Kosmische structuur omvatten, vanaf het supergoddelijke
tot onze eigen fysieke sfeer die slechts de schil of het buitenste omhulsel van
alles is. Verreweg het belangrijkste deel van de Kosmos bestaat dus uit deze uitgestrekte
werelden of sferen die voor ons onzichtbaar en ontastbaar zijn, en die in hun
verschillende hiërarchieën en in hun bewoners die sferen van bewoning en karmische
gevolgen bevatten die de esoterische filosofie ‘hemelen’ en ‘hellen’ noemt.
Noch ‘hemelen’ noch ‘hellen’, opgevat als integrale natuurrijken, zijn plaatsen
die door een kosmische schepper werden gevormd, maar ze maken feitelijk deel uit
van het leven en de substantie van de onzichtbare en onbegrijpelijke godheid van
wie het aldoordringende leven en de intelligentie, de wil en de substantie niet
alleen het heelal vullen, maar het in feite zijn. De christen Paulus, zelf een
ingewijde in tenminste enkele van de lagere graden van de oude mysteriën, had
laatstgenoemde gedachte toen hij zei: ‘daarin leven we, bewegen we en hebben we
ons bestaan’ (Handelingen, 17:28), waarbij hij de Griekse dichter Aratus
(derde eeuw v.Chr.) citeerde. Wat een volkomen ander gezichtspunt!
In plaats van de ongelukkige schepsels van een ondoorgrondelijke ‘schepper’ te
zijn, die ons ‘maakte’ met de hoeveelheid intelligentie en wilskracht die wij
bezitten om hetzij in een dwaze hemel van gelukzaligheid te worden opgenomen of
om eeuwig straf te ondergaan in een hel van de verdoemden allebei nachtmerries
van de verbeelding van monniken krijgen we een beeld van letterlijk ontelbare
sferen en werelden, die het oneindige kosmische leven samenstellen en die de essentie
van dat leven zelf hebben, en dus de woningen of verblijfplaatsen van ervaring
zijn waarin de rondzwervende monaden voortdurend evolueren en revolueren.
De ‘hemelen’ zijn dus die spirituele gebieden van ervaring, waar alle monaden
gedurende hun eeuwenlange omzwervingen op een bepaalde tijd doorheen moeten gaan
en waarin ze wonen gedurende een tijd evenredig aan hun karmische verdienste.
De ‘hellen’ zijn die sferen of gebieden van loutering waarheen alle monaden gedurende
bepaalde perioden van hun omzwervingen moeten gaan om daarin hun door materie
zwaar beladen zielen schoon te wassen, zodat ze na deze reiniging weer kunnen
opstijgen langs de opgaande boog van de kosmische ervaring ‘In het huis
van mijn Vader zijn vele woningen’ (Joh., 14:2).
Men ziet dus dat de ware betekenis van deze zich ver uitstrekkende innerlijke
werelden, die door exoterische devotie en religieus fanatisme ten onrechte zijn
veranderd in sferen van gelukzaligheid voor overledenen aan de ene kant en in
sferen van loutering en kwelling aan de andere kant, noch het ene noch het andere
is, maar dat ze de structurele en samenstellende delen van het heelal zelf zijn.
Het is echter waar dat de spirituele werelden in algemene zin gebieden of bollen
van werkelijk geluk of zaligheid zijn, in tegenstelling tot de in de stof verzonken
werelden of bollen zoals de andere planeten en sferen van het zonnestelsel, die
op hetzelfde kosmische gebied bestaan waarop onze aardbol zich bevindt. Dit komt
omdat in de spirituele werelden alles van spirituele aard is onvergelijkelijk
veel etherischer, helderder is en juist door die aard dichter bij het spirituele
hart van het heelal staat; terwijl alle stoffelijke sferen of gebieden of bollen
verder afstaan van het spirituele hart van het zijn. Wat
betreft de beloning als vergoeding en straf als vergelding, deze hebben eveneens
een heel werkelijk bestaan. Alle wezens, welke dan ook, ervaren niet alleen gelukzaligheid
als beloning voor goed geleefde levens, omdat een dergelijke zaligheid overeenkomt
met hun eigen aanleg en karakter, maar evenzo moeten ze in sferen van loutering
en bestraffing komen wanneer het laatst geleefde leven hen zo zwaar heeft beladen
met materiële smetten en hartstochten dat ze zich niet kunnen ‘verheffen’ tot
de spirituele en meer etherische sferen waar ze niet op hun plaats zouden zijn
en die ze niet zouden kunnen binnengaan eenvoudig omdat ze door hun psychomagnetische
natuur niet daarheen worden aangetrokken. In deze laatste
cursief gedrukte woorden ligt de sleutel tot het geheim waarom bepaalde geëxcarneerde
‘zielen’ hun devachanische rust ingaan, waar ze onuitsprekelijke zaligheid genieten
als vergoeding voor de ellende van het aardse leven; en waarom andere ‘zielen’
daarentegen, gelukkig meestal gering in aantal, in minder spirituele toestanden
verzinken. Het is een kwestie van aantrekkingskracht, zowel in het algemeen als
in het bijzonder; of wat op hetzelfde neerkomt, het gaat allemaal om individuen
die hun respectieve en geschikte woonplaats vinden in precies die omgeving en
die omstandigheden die passen bij hun innerlijke ontplooiing. Terwijl
de moderne theosofie voor het gemak de werelden van spirituele gelukzaligheid
na de dood onder de ene Tibetaanse term devachan heeft gerangschikt, is
devachan strikt genomen geen ‘plaats’, maar een toestand of, nauwkeuriger gezegd,
toestanden die opklimmen vanaf de lagere of halfmateriële devachanische toestand
door alle tussenliggende graden tot de gebieden van de relatief zuivere geest
waar de hoogste of meest etherische devachanische toestanden zich bevinden. Zo
zijn er ook in de andere richting toestanden of graden die precies geschikt zijn
en passende verblijfplaatsen vormen voor ‘zielen’ waarin de aantrekkingskracht
van de stof gedurende het leven op aarde heeft overheerst. Het kan dus niet anders
dan dat zulke ‘zielen’ van nature tot deze meer materiële en minder etherische
sferen worden aangetrokken. De laagste delen daarvan vormen gezamenlijk wat avîchi
wordt genoemd. Noch devachan in al zijn opeenvolgende gradaties,
noch kâma loka of de tussenliggende gebieden, noch avîchi daaronder is een bepaalde
plaats. Elk ervan is een reeks toestanden, waartoe entiteiten worden aangetrokken
als gevolg van oorzaken, die in het pas beëindigde leven op aarde hun oorsprong
vonden. Het is natuurlijk volkomen waar dat de toestand van enig wezen niet los
van een bepaalde positie of plaats kan bestaan; maar noch devachan, noch kâmaloka,
noch avîchi in al hun respectieve gradaties is op zichzelf een plaats: het zijn
allemaal toestanden die gewoonlijk na de dood door geëxcarneerde menselijke zielen
worden ervaren. Deze toestanden komen overeen met ‘hemel’, ‘vagevuur’ en ‘hel’.
De enige ‘hel’ die theosofen erkennen is de reeks toestanden van het bewustzijn
dat ze ervaart die gezamenlijk worden aangeduid met de term avîchi. Omdat
avîchi een reeks bewustzijnstoestanden is van wezens die deze ervaren, zijn er
zelfs avîchi’s voor mensen op aarde, vóór de dood. Dit doelt in het algemeen op
de avîchi in zijn ergste en meest hevige vorm die behoort tot de bijna ‘absolute
stof’ en tot de heel ongelukkige wezens die daarin verblijven.
Natuurlijk moeten deze toestanden niet als ‘waterdicht’ van elkaar gescheiden
of afzonderlijke reeksen worden beschouwd. Elk van deze gaat onmerkbaar over in
de erop volgende. De devachanische toestanden lopen dus van de hoogste of halfspirituele
door vele tussenliggende graden of toestanden tot aan de laagste of halfetherische
van devachan, waar de toestand onmerkbaar overgaat in de hoogste van kâmaloka.
De kâmalokische toestanden zelf gaan van het meer etherische omlaag door de tussenliggende
stadia naar de meest grove of materiële van de kâmalokische reeks waar ze onmerkbaar
overgaan in de hoogste of minst materiële van de avîchi-toestanden, die op hun
beurt omlaaggaan in voortdurend toenemende verstoffelijking, tot we de laagste
toestand van avîchi bereiken die niet veraf staat van het gebied van de ‘absolute
materie’, de meest grove materiële substantie die in onze algemene kosmische hiërarchie
voorkomt. Maar dit is niet alles. Hoger dan het devachan
in de ene richting en lager dan de avîchi in de andere richting zijn er andere
werelden of gebieden in het eindeloze kosmische continuüm: een grensland
of grens vóór het structurele bouwsel aan de rechterhand overgaat in de kosmische
hiërarchie daarboven en aan de linkerhand in de kosmische hiërarchie lager dan
de onze. Boven devachan, hoger dan zijn hoogste toestanden en zonder brede grens
of scheidslijn, beginnen de gestaag opklimmende reeksen van spirituele bestaanstoestanden
die gezamenlijk worden aangeduid met de algemene term nirvâńa. In de andere richting
onder de laagste avîchi en zonder brede scheidslijn zijn er die sferen van absolute
materie die het gevreesde en afschuwelijke lot zijn van wat technisch ‘verloren
zielen’ worden genoemd. Hier vallen deze ongelukkige en ‘verloren’ entiteiten
uiteen in hun samenstellende levensatomen en worden ze ‘vermalen in het laboratorium
van de natuur’. Dit laatste en laagste bestaansgebied van onze eigen kosmische
hiërarchie is de ‘achtste sfeer’, anders gezegd, de ‘planeet van de dood’.
In De Mahatma Brieven verwijst Meester K.H. hiernaar met de volgende ernstige
en waarschuwende woorden: Slecht, onherstelbaar slecht moet dat
ego zijn, in wie niet iets van zijn vijfde beginsel leeft en die moet
worden vernietigd om in de Achtste Sfeer te verdwijnen. Zoals ik zeg, als
er slechts iets van dit beginsel uit het persoonlijke ego is vergaard is dat al
voldoende om hem dit droeve lot te besparen. Zo is het echter niet na de voltooiing
van de grote cyclus; ňf een lang nirvâńa van zaligheid (al is hij daar onbewust,
volgens uw grove opvatting); waarna een leven als een dhyan-chohan gedurende
een heel manvantara, ňf anders ‘avitchi nirvâńa’ en een manvantara van
ellende en verschrikking als een ____ u moet het woord niet horen,
en ik het niet uitspreken of schrijven. Maar ‘zij’ hebben niets te maken
met de stervelingen die door de zeven sferen gaan. Het collectieve karma
van een toekomstige planeetgeest is even schoon als het collectieve karma van
een ____ vreselijk is. Genoeg. Ik heb al teveel gezegd. blz. 185-6
In de uitdrukking ‘avîchi-nirvâńa’ ligt een van de te vrezen geheimen van
de natuur. Omdat avîchi en nirvâńa allebei toestanden van bewustzijn zijn van
een wezen dat deze toestanden ervaart of erin verkeert, zodat nirvâńa in al zijn
mystieke betekenissen in bepaalde gevallen die gelukkig uiterst zeldzaam
zijn - even toepasselijk is op de term avîchi als wanneer het erom gaat de bovenste
of geestelijke pool van bewustzijn aan te duiden. Er wordt hier gedoeld op bepaalde
uiterst zeldzame soorten wezens, van wie het bewustzijn zowel geestelijk als slecht
is en die daarom hun enige geschikte woonplaats vinden in een toestand die tegelijk
avîchi en een nirvâńa in avîchi is, en die een heel manvantara lang duurt. Toch
is zelfs dit geen ‘hel’ in de christelijke betekenis van het woord, maar iets
dat nog vreselijker en schrikwekkender is. Geen exoterische
hemel die een monnik in afzondering tijdens zijn meest vruchtbare dromen heeft
uitgedacht, kan de onuitsprekelijke gelukzaligheid evenaren, die wordt gesmaakt
door spirituele geëxcarneerde zielen; omgekeerd is geen monnik in zijn verbeelding
ooit verder gekomen dan tot het zich voorstellen van ‘martelingen’ van min of
meer fysieke aard, ondergaan in hetzij een etherisch of een ‘asbestachtig’ lichaam.
Zo’n exoterische ‘hel’ benadert dus in het geheel niet de bewustzijnstoestanden
die worden ervaren door die uiterst zeldzaam voorkomende wezens die in de achtste
sfeer ver zinken. Laatstgenoemden worden niet ‘gemarteld’, al of niet door groteske
duivels met bokkenpoten, maar maken eeuwenlang een kwellende zielenstrijd door,
die de exacte en oneindig gevarieerde karmische vergelding is van oorzaken die
deze entiteiten zelf in de weegschaal van de karmische vergelding hebben geworpen
toen ze in de sferen van veroorzaking verkeerden. Deze bewustzijnstoestanden
van de omzwervende monaden zijn te vinden in de hiërarchische werelden of gebieden
zowel na de dood als vóór de geboorte op aarde. Onze eigen bol, de aarde, is in
feite technisch gesproken een ‘hel’ omdat ze een relatief dichte materiële sfeer
is en de bewustzijnstoestanden van haar bewoners relatief sterk verwikkeld zijn
in de weefsels van mâyâ illusie. Daarom spreekt H.P. Blavatsky in De
Stem van de Stilte over ‘mensen van Myalba’. Myalba is een Tibetaanse
term voor een van de hellen in de filosofie van het noordelijke boeddhisme, en
Myalba is onze aarde. Gedurende de periode van het manvantarische
bestaan van de mensen op en in de verschillende bollen van de planeetketen, waarvan
onze aardbol de vierde en meest materiële is, verschaffen juist deze bollen van
onze aardketen de ‘lokaties’ waarin onze menselijke hiërarchie zowel haar ‘hemelen’
en ‘hellen’ vindt haar devachanische gelukzaligheid en haar vergeldende
bestraffing in de lagere kâmaloka en de avîchi. De toestanden van leven en bestaan
op de hogere bollen van onze aardketen zijn buitengewoon mooi en gelukzalig vergeleken
met de heel bedrieglijke en vaak vreselijke toestanden waarin het menselijke bewustzijn
hier op aarde is verwikkeld. Bedenk wel dat dit betrekking heeft op de ‘menselijke
ziel’. Wat het lot van de geestelijke ziel van een mens na de dood is, is een
ander verhaal dat op een andere plaats in dit boek wordt behandeld.
De moderne theosofie die de technische termen van het oude brahmanisme gebruikt
omdat ze gemakkelijk en krachtig zijn, groepeert deze hiërarchische werelden of
rijken onder de termen loka’s en tala’s, die gedurende lange eeuwen van onbegrip
en verkeerde interpretatie zijn veranderd in de exoterische theologische begrippen
‘hemelen’ en ‘hellen’. (Zie mijn Occulte Woordentolk voor definities.)
Loka’s zijn in het algemeen gesproken de spirituele en minder bedrieglijke toestanden
in elk zo’n wereld of sfeer of bol, terwijl tala’s de bijzondere toestanden zijn
die tot substanties en stoffen van grovere en meer materiële aard behoren. Maar
toch zijn de loka’s en tala’s onafscheidelijk. Elke loka heeft zijn overeenkomstige
tala: de hoogste loka heeft als zijn benedenpool of alter ego, de meest
spirituele of etherische van de tala’s, en zo verder door de reeks naar beneden
tot het laagste of minst spirituele van ieder paar wordt bereikt. Deze zeven met
elkaar verstrengelde loka’s en tala’s zijn dus de hië rarchische toestanden van
elk van de werelden, sferen, gebieden of verblijfplaatsen waarnaar werd verwezen.
Omdat de samenstelling van de natuur op alle gebieden steeds weer dezelfde is,
is iedere ondergeschikte hiërarchie of wereld in haar samenstelling een getrouwe
herhaling van wat de hogere hiërarchieën en werelden zijn en omvatten; zodat elke
ondergeschikte hië rarchie of wereld zelf is opgebouwd uit haar eigen reeks loka’s
en tala’s, en deze feitelijk is. De loka’s en tala’s
worden in de Purâńa’s op verschillende manieren opgesomd, hoewel erbij
moet worden gezegd dat niet de tala’s en hun verschillende eigenschappen variëren,
maar de namen die eraan worden gegeven. De meest gebruikelijke
namen ervan zijn:
| LOKA’s | TALA’S | |
l. satya-loka | l. atala | | 2.
tapar-loka | 2. vitala | | 3.
janar-loka | 3. sutala | | 4.
mahar-loka | 4. talâtala | | 5.
svar-loka | 5. mahâtala | | 6.
bhuvar-loka | 6. rasâtala | | 7.
bhűr-loka | 7. pâtâla |
Er is een eigenaardig verhaal over een van de grote wijzen, Nârada, dat een diepe
waarheid bevat. Hij bezocht eens ‘deze regionen’ en deed er bij zijn terugkeer
naar de aarde ‘geestdriftig verslag’ van, en vertelde dat ze in sommige opzichten
rijker aan vreugden waren dan de hemel van Indra en dat ze vol weelde en zinsbekoringen
waren. Dit bewijst duidelijk dat deze tala’s en de daarmee corresponderende loka’s
eenvoudig de materiële sferen of halfetherische sferen zijn die de kosmische ruimte
vullen, terwijl de hoogste loka’s en tala’s zuiver spiritueel zijn. De eerste
of materiële behoren tot de rűpa- of ‘gevormde’ werelden, terwijl de laatstgenoemde
of spirituele de arűpa- of ‘vormloze’ sferen zijn. Al deze
hiërarchische loka’s en tala’s, die de hele manvantarische ‘eeuwigheid’ door onafscheidelijk
met elkaar zijn verweven, zijn in geen enkel opzicht ‘geschapen’ of het product
van toeval; en ook zijn ze niet beperkt in manvantarische vorm of ruimte
behalve in zoverre dat ze zijn verzameld tot verschillende heelallen of geaggregeerde
hiërarchische kosmische lichamen. Ze staan niet los van elkaar, maar zijn alle
gedurende het hele kosmische manvantara met elkaar verweven en worden omvat door
de omringende oneindigheid. Deze oneindigheid is geen ‘leegte’, of zonder leven
en intelligentie, maar elk zo’n geaggregeerd heelal is er één van een oneindige
menigte heelallen die het grenzeloze universele ALvormen.
Passages zoals de bovenstaande, waarin wordt verwezen naar een alomvattende oneindigheid
of naar het alomvattende en aldoordringende GODDELIJKE, betekenen niet dat het
goddelijke slechts het aggregaat is van gemanifesteerde heelallen, en dat het
daarin niet transcendent aanwezig zou zijn. De esoterische
filosofie is duidelijk pantheďstisch van aard, volgens haar eigen interpretatie
van dit woord. Dat betekent niet alleen dat het goddelijke in de eindeloze duur
kosmisch gesproken alles doordringt, maar ook dat het alle gemanifesteerde aggregaten
van heelallen te boven gaat en dus meer is dan dat alles, want de onuitsprekelijke
bron en oorzaak van alle wezens en entiteiten en dingen, en het uiteindelijke
doel waarnaar alle zullen terugkeren. Deze gedachte wordt
in de Bhagavad-Gîtâ, de bekende filosofische verhandeling van de hindoes,
goed tot uitdrukking gebracht door Krishńa, al is het in microkosmische zin, wanneer
deze manifestatie van de kosmische logos met de volgende woorden spreekt over
de godheid van wie hij een avatârisch voorbeeld is: ‘Ik breng dit grenzeloze heelal
tot stand met delen van mijzelf en blijf toch ervan gescheiden’ (10:42).
De pantheďstische betekenis is dus niet dat ieder levend wezen en iedere steen
‘God’ is, wat een belachelijke verdraaiing zou zijn van de esoterische betekenis,
maar dat niets in de grenzeloze ruimte en in de eindeloze duur in wezen verschilt
van het eeuwig goddelijke, en dat dit eeuwig goddelijke zowel het kleinste van
het kleine als het grootste van het grote omvat en er de essentiële bron van is,
en toch alles te boven gaat. Bovendien wordt geleerd dat
deze vele hiërarchieën van loka’s en tala’s of, wat hetzelfde is, van werelden,
gebieden, enz., tot aanzijn komen door een proces van emanationele evolutie, dat
de hoogste de hogere ontvouwen, de hogere de lagere en de lagere op hun beurt
de laagste ontwikkelen, totdat via emanatie een typische universele hië rarchie
tot aanzijn is geroepen voor het kosmische manvantara waarin het dan en aldus
zijn uitdrukking vindt. Dit proces is een fundamenteel deel
van de leringen van de grote religies en filosofieën van het Indische schiereiland,
van China, Babylon, Perzië, Egypte en van tenminste enkele van de grote filosofische
scholen van het oude Griekenland en Rome, zoals de stoďcijnen en zelfs de platonische
en neoplatonische scholen. Al deze verschillende stelsels waren ‘kinderen’ van
de eens algemeen verspreide wijsheidsreligie van de oudheid.
Als men een goed begrip hiervan heeft, ziet men dat de verschillende ‘hemelen’
en ‘hellen’ van de oude religieuze stelsels eigenlijk populaire vormen zijn van
de stelling dat het heelal uit sferen of werelden of bollen van geest en van min
of meer dichte stof bestaat. En omdat de oude religies en filosofieën zelfs in
hun dagen van verval nog als overgebleven herinneringen van hun oorspronkelijke
eso terische leer enige kennis hadden behouden van het feit dat er toestanden
van geluk en van vergeldende bestraffing bestaan, zoals devachan en avîchi, zijn
deze toestanden eeuwenlang verward met het ruimere en meer fundamentele feit van
de hiërarchische structuur van de spirituele en materiële werelden. Bij de studie
van dit onderwerp moet men dus een scherp onderscheid maken tussen de toe standen
van de wezens die in en door deze werelden, enz., rondtrekken, en de werelden,
gebieden en sferen zelf. De opvattingen van honderd jaar geleden
kwamen erop neer dat voordat het heelal door het goddelijke fiat, door ‘God almachtig’,
werd geschapen er helemaal niets bestond, behalve de oneindige God. Hij was geen
stof; Hij was een geest. Niemand wist precies wat een geest was, maar de leer
stelde dat ‘God een geest is’, en men nam algemeen aan dat de hemel de woonplaats
van God en zijn dienende of in rust verkerende engelen was. Ja, ook de engelen
waren door God geschapen. Daarna werd op een onbepaald moment
- vermoedelijk nadat God de aarde en alles wat erop is had gemaakt de ‘hel’
geschapen, die het verblijf werd van de opstandige engel die later satan werd
genoemd, en ook van de engelen die met hun aanvoerder rebelleerden en samen met
hem uit de hemel vielen, en terechtkwamen in deze vergaarplaats die ergens in
de ruimte bestond vermoedelijk een ‘spi rituele’ vergaarplaats of deel
van de natuur hel genoemd. Daar hielden de duivel en zijn engelen verblijf;
en dit was eveneens de bestemming van alle slechte menselijke zielen die niet
op de door de gangbare theologie aangegeven manier voor dit lot bewaard waren
gebleven. Theologen uit die periode hadden over al die zaken
bepaalde denkbeelden. Alles was tot hun eigen tevredenheid uitgewerkt, deels op
grond van de joodse en christelijke Testamenten en deels uit wat vroegere theologen
hadden uitgedacht en onderwezen. Sommigen van hen wisten zelfs precies wanneer
het heelal dat voor hen bestond uit hemel, hel en aarde alsmede de kristallijne
sferen die de aarde omringen, bezaaid met de hemellichamen die daar door de almachtige
God tot genoegen en stichting van de mensen waren geplaatst ja, deze oude
theologen wisten zelfs wanneer dit alles werd geschapen: het jaar, de maand, de
dag en het uur! Hiervan getuigt de uitspraak van dr. John Lightfoot, een beroemde
Engelse bijbeluitlegger en hebraďcus die leefde in de eerste helft van de zeventiende
eeuw: Hemel en aarde, middelpunt en omtrek, werden op hetzelfde
ogenblik gemaakt, en wolken vol water, en de mens werden geschapen door de drievuldigheid
op 25 oktober 4004 v.Chr. om negen uur ‘s morgens.* *Noot vert.:
Dit citaat bevat niet de exacte woorden van dr. Lightfoot (1602-1675); er is hier
sprake van een verwarring met de berekening van bisschop James Ussher (1581-1665).
Usshers datum voor de schepping is: zaterdagavond, 22 oktober 4004 v.Chr. Lightfoots
datum voor de schepping van de wereld is de herfstequinox van 3928 v.Chr. Het
tijdstip van negen uur ‘s morgens noemt Lightfoot alleen in verband met de schepping
van de mens. Zie ‘Bishop Ussher, John Lightfoot and the Age of Creation’
door William R. Brice, Journal of Geological Education, 1982, blz. 18-24.
Het feit alleen al dat de meesten van ons tegenwoordig dit bijgeloof
niet meer aannemen, is op zichzelf iets goeds; maar aan de andere kant is het
beslist een vergissing dat we in het westen te ver de andere richting zijn opgegaan,
waarbij elk soort van vergeldende gerechtigheid bijna algemeen wordt ontkend;
want dit is in strijd met alles wat er in de natuur zelf bestaat. Overal neemt
het ziende en begrijpende oog overeenkomstige gevolgen waar van oorzaken die in
beweging werden gezet. En vergelding is niets anders dan dat in dit leven
of in een later leven op aarde; de gevolgen ervan worden ook gevoeld in de devachanische
toestand en, in de ergste gevallen, in de avîchi. De oudere
religies spreken niet over één enkele ‘hemel’. Men telt er gewoonlijk negen, soms
zeven, enz.. Hetzelfde geldt voor de ‘hellen’ van deze oude stelsels. Zij die
werden verondersteld in deze ‘hemelen’ en ‘hellen’ te verblijven, zouden dit gedurende
een tijdsduur doen die in beide toestanden afhankelijk zou zijn van de oorspronkelijke
energie van de veroorzakende gedachten en daden van hen die erin verkeerden.
Behalve dat deze ‘hemelen’ en ‘hellen’ tijdelijke verblijfplaatsen waren, werden
ze nooit beschouwd als oorden of plaatsen waar de zielen van overledenen zich
bevonden uit hoofde van een goddelijk mandaat, waarin zijzelf geen rol speelden
behalve als hulpeloze, willoze slachtoffers. Er was geen buiten ons staande godheid
die tot het geëxcarneerde ego zei: ‘Ziel, u heeft een goed, spiritueel en hoogstaand
leven geleid gedurende uw verblijf op aarde. Kom opwaarts naar de hemel en rust
hier in vrede en eeuwigdurende zaligheid.’ Of aan de andere kant: ‘Ziel, u heeft
gedurende uw verblijf op aarde een leven van moedwillige ontaarding en grote zonde
geleid. Daal af naar de hel en verblijf daar in eeuwige pijn.’ Zulke denkbeeldige
opdrachten van een buitenkosmische godheid zijn louter fantasieën van niet-ingewijde
geesten. In de archaďsche religies dacht men altijd dat
de geëxcarneerde ‘zielen’ in de hemelen of in de hellen kwamen als gevolg van
goede of slechte daden waarvoor zijzelf tijdens het laatste zojuist afgesloten
leven op aarde verantwoordelijk waren. Zo waren de ’ bij de volkeren van de oudheid
dus geen plaatsen van eeuwige zaligheid, en ‘hellen’ niet van eeuwigdurende martelingen.
De wezens verbleven daar altijd voor een bepaalde tijd, als een noodzakelijk stadium
in de wonderbaarlijke postmortale reis van de ‘ziel’. Ons leven op aarde is volgens
die wijze oude filosofen slechts één zo’n tijdelijk of cyclisch stadium. Naar
hun mening was het als een verblijf in een herberg gedurende een dag en een nacht,
zoals zo vaak door dichters is bezongen. We komen naar deze aarde vanuit de onzichtbare
werelden; we leven hier korte tijd en gaan dan verder naar andere stadia in de
onzichtbare sferen, waarheen onze zwerftochten ons voeren alles als onderdeel
van het wonderbaarlijke avontuur van het leven. Omdat de
‘hemelen’ en ‘hellen’ slechts als tijdelijk werden beschouwd, waren ze eveneens
bestemd om aan een einde te komen en te verdwijnen wanneer het heelal waarin ze
zich bevonden zijn uiter lijke ontwikkelingsgang had voltooid, en alle dingen
terugkeerden in de substantie van het goddelijke waaruit ze zich in het begin
van de dingen door emanatie hadden ontwikkeld. In het ruimere wereldproces
dalen de eerste oorzaken af in de elementen en de elementen in lichamen; daarna
worden de lichamen opnieuw in de elementen opgelost en de elementen in de eerste
oorzaken. Erigena, De Verdeling van de Natuur,
866, 696 B (naar Eng. vert. Bett, blz. 85: Johannes Scotus
Erigena) Zo kan dus zelfs in de geschriften van een
middeleeuwse neoplatonische christelijke theoloog-filosoof een duidelijke echo
worden gehoord van de archaďsche leringen over de trapsgewijze evolutie of ontvouwing
van het heelal en de uiteindelijke terugkeer ervan tot zijn oorspronkelijke goddelijke
bron. Maar men moet bedenken dat Erigena’s werk door de officiële kerk in de dertiende
eeuw formeel werd verworpen en op de Index geplaatst, hoewel het het hele
middeleeuwse christelijke denken meer dan twee eeuwen lang had beheerst.
Sommige denkbeelden over de ‘hemelen’ en ‘hellen’ van de verschillende volkeren
op aarde zijn nogal vreemd. De Guaycuru’s, indianen uit het noorden van Zuid-Amerika,
plaatsten hun hemel in de maan; en daar gingen hun grote helden en wijzen na de
fysieke dood enige tijd heen, totdat ze naar de aarde terugkeerden. De Saliva-indianen,
ook uit het noorden van Zuid-Amerika, dachten dat de hemel een plaats was waar
helemaal geen muskieten waren! Andere volkeren hadden eveneens
hun eigen merkwaardige ideeën. Enkele hadden de hel in de zon geplaatst, wat een
tamelijk geliefde plek was in de verbeelding van sommige Engelse schrijvers uit
een recent verleden wat ongetwijfeld te danken was aan de in die tijd nieuwe
astronomische denkbeelden over de zon als een fel brandende bol. Het kwam ook
voor dat in het denken van sommige mensen de ‘hemel’ zich bevond in de zon; gewoonlijk
echter kreeg hij een plaats in een onbekend deel van het blauwe firmament.
Bovendien zijn niet alle ‘hellen’ uit de legenden en verhalen plaatsen van lijden
of kwelling; sommige ervan worden beschreven als plaatsen van vermaak of betrekkelijke
schoonheid, zoals onze aarde voor ons is. De ‘hel’ of de ‘hellen’
is soms in de kern van onze aarde geplaatst. In de Middeleeuwen was dit in Europa
een alge mene lering, en het was ook het literaire thema van Dante, die in La
Divina Commedia zijn Inferno verdeelt in negen stadia van een steeds
gruwelijker wordende kwelling. Deze ‘kringen’ van de ‘hel’ plaatst hij in de richting
van de kern van de aarde. Boven zijn Inferno liggen volgens zijn beschrijving
zeven stadia van vagevuur die, met het opstijgen uit het vagevuur en het aardse
paradijs dat na het hoogste van de zogenoemde gebieden van loutering komt, nog
eens negen stadia of tussenliggende sferen, of hogere hellen, vormen. Dan komen
nog etherischer en nog verder van zijn infernale gebieden verwijderd, de
negen ‘hemelse’ sferen of werelden. Deze worden overkoepeld door het firmament,
waar God bijgestaan door zijn engelen en het talrijke gezelschap van heiligen
verblijven. Dit hiërarchische stelsel, dat de hellen, de gebieden van het vagevuur
en die van de hemel omvat, berust op oude maar vaak verkeerd begrepen Griekse
leringen uit de neoplatonische school die in de christelijke theologische beschouwingen
zijn opgenomen, voornamelijk via de geschriften van de pseudo-Dionysius de Areopagiet.
Volgens de Ilias van Homerus, die in mystieke zin de ‘bijbel’ van de Grieken
vertegenwoordigde, en waarnaar ze verwezen voor de werkelijke betekenis van hun
mythologische leringen zoals de christenen meestal voor de ware betekenis
van de christelijke theologische leringen naar het Nieuwe en het Oude Testament
verwijzen - bestaat de Kosmische hiërarchie uit vier fundamentele stadia: Olympus
of de hemel; de aarde; Hades of de onderwereld, waarvan vaak werd aangenomen dat
ze in het middelpunt van de aarde ligt; en de duistere Tartarus, het laagste van
alle, waarin de titanen werden geworpen die in opstand waren gekomen tegen Zeus,
de vader van goden en mensen, en die daar werden gevangengezet en in ketenen geslagen,
totdat er een tijd aanbrak waarin hun boeien werden losgemaakt en ze hun vrijheid
herkregen. Tartarus vertegenwoordigt in deze mythologie
kennelijk de elementalenwerelden, waar de titanische krachten van de geopenbaarde
natuur in de onwrikbare greep worden gehouden van wat algemeen de ‘wet’ wordt
genoemd. Losgelaten richten deze verschrikkelijke natuurkrachten verwoestingen
aan op aarde; en de Grieken vatten de geheime betekenis van dit deel van hun mythologie
inderdaad zo op. Ze verwezen daarom naar de gevangen genomen titanen als zouden
ze door hun activiteiten in Tartarus de aardbevingen, de vloedgolven en andere
verschijnselen teweeg brengen, wanneer de ontzagwekkende krachten van de natuur
tijdelijk schijnen te worden ontketend. In de oude geschriften
verwijzen heel veel passages over de ‘paden’ naar de ‘goden’ of naar de ‘demonen’,
naar de ‘hemelwerelden’ of naar de ‘helwerelden’. Zo staat er in het Mahâbhârata:
Twee paden zijn bekend: het ene voert naar de goden, het andere naar de vaderen.
XII, 525 De zon wordt de poort
genoemd tot de paden die naar de goden leiden; en de maan wordt de poort genoemd
tot de paden die naar de vaderen voeren. XIII, 1082
In de religie van het oude Hindoestan betekent ‘vaderen’ wat de christenen ‘heengegane
geesten’ noemen, terwijl ‘goden’ betrekking heeft op hetzelfde als wat de oude
Grieken en Romeinen bedoelden wanneer ze spraken over de godheden van wie velen
‘volmaakt geworden mensen’ waren goddelijke wezens die langgeleden het
menselijk stadium hebben doorgemaakt en nu goddelijk zijn geworden, één zijn geworden
met hun eigen innerlijke god. De hogere werelden of de ‘hemelwerelden’ zijn dus
de sferen van de goden, terwijl de lagere of materiële werelden het domein zijn
van de ‘demonen’ met andere woorden, van entiteiten van wie het karma of
de bestemming hen naar sferen en gebieden heeft gevoerd die van grovere stof zijn
dan onze aarde. De oude mysteriën, zoals die van Griekenland,
omvatten leringen die identiek zijn met wat hierboven is geschetst. Het streven
in de oude inwijdingsriten en -ceremoniën van het archaďsche Griekenland was er
geheel op gericht het menselijke bewustzijn tot het inzicht te brengen van zijn
onlosmakelijke één-zijn met de universele natuur en van de essentiële verwantschap
van de mens met de goden. ‘Het doel van alle inwijding’,
zei Sallustius, de neoplatonische filosoof, ‘is de mens zich bewust te doen worden
van zijn onscheidbare eenheid met de orde van het heelal en met de goden’ (Over
de goden en de wereld, hfst. 4). Proclus, een andere neoplatonist uit een
latere periode, zegt praktisch hetzelfde in zijn Commentaar op de Timaeus van
Plato: Wie weet niet dat de mysteriën en alle inwijdingen uitsluitend
tot doel hebben onze zielen uit het materiële en sterfelijke leven terug te trekken,
om ons met de goden te verenigen en de duisternis in de ziel te verdrijven door
daarin het goddelijke licht van de waarheid te verspreiden? Deze
oude Griekse leringen en methoden van inwijding waren in wezen identiek met de
leringen en de in praktijk gebrachte stelsels in het verre oosten, omdat ze alle
oorspronkelijk waren ontleend aan de wijsheidsreligie van de grijze oudheid. De
uitdrukkingswijze in de verschillende landen was natuurlijk anders, maar de grondgedachten
waren overal dezelfde. Het pad naar de ‘goden’ of naar de ‘vaderen’ waarover de
hindoe spreekt, is maar een manier om de activiteiten van de evoluerende menselijke
zielen onder woorden te brengen, waarbij deze enerzijds belanden op het pad dat
naar de goden of de hogere sferen voert, en anderzijds op het pad naar de lagere
rijken. Deze paden zijn hetzelfde als de ‘circulaties in het heelal’, die in een
ander hoofdstuk van dit boek worden behandeld. Dit doet
denken aan een prachtige passage van de neoplatonist Plotinus, die door zijn tijdgenoten
Theiotatos werd genoemd, wat ‘goddelijkste’ betekent. De kern van zijn
ideeën formuleert hij als volgt:
Er
staan uitgestrekte en heel gevarieerde gebieden open voor de heengaande ziel.
De goddelijke wet is onontkoombaar, en niemand kan ooit de pijn en het verdriet
ontgaan die door slechte daden zijn teweeggebracht. . . . De bezoedelde ziel wordt
voortgestuwd naar wat haar lot is, als het ware zonder zich daarvan bewust te
zijn, steeds gedreven door de eigen impulsen van het in het verleden begane kwaad.
Dat gaat zo door totdat de ziel, daardoor versleten en gekweld, de voor haar passende
plaats vindt en de bestemming bereikt die ze nooit bewust had gezocht, maar die
haar deel wordt door de onstuimigheid van haar eigenwijsheid. De natuur bereidt
op die manier de duur en de intensiteit van het lijden voor, regelt ook het einde
van de straffen en geeft de ziel het vermogen om de plaatsen van het lijden die
ze misschien bereikt, weer te verlaten; en dit gebeurt door de goddelijke harmonie
die het universele plan doordringt. Zielen die tot een lichaam worden aangetrokken,
worden ook voor hun straf aangetrokken tot een lichaam, terwijl edeler zielen
die reiner zijn en weinig of geen aantrekking tot een lichaam voelen, hierdoor
buiten de aantrekkingskrachten van de materiële sferen blijven; en daar waar de
goddelijke essentie is, het goddelijkste van het goddelijkste en de waarheid zelf,
daar wordt zo’n bevrijde ziel zich van haar roeping bewust.
Enneaden, ‘Over de ziel’, IV, iii, 24 Het
neoplatonische denken, dat in veel opzichten werkelijk het beste is van de leringen
van Plato, wordt in de geest van zowel hedendaagse mystieke als metafysische denkers
in ere hersteld. Er zijn tegenwoordig nadenkende mensen die niet aarzelen in geestelijk
en intellectueel opzicht daarvoor hun erkentelijkheid te betuigen, in het bijzonder
aan Plotinus, een van de laatste vertegenwoordigers ervan in de tijd van het Romeinse
Rijk. Zo schrijft de Engelse geestelijke en filosoof Dean Inge over Plotinus het
volgende: Geen enkele gids komt Plotinus in gezag, inzicht en diepgaande
geestelijke scherpzinnigheid zelfs maar nabij. Ik heb me in zijn geschriften verdiept
en ik heb geprobeerd ze niet alleen te begrijpen, zoals men ieder ander intellectueel
stelsel zou kunnen begrijpen, maar ze ook als een leidraad te nemen tot juist
leven en juist denken. . . . hij stelt nadrukkelijk dat alleen geestelijke zaken
werkelijk zijn; evenzeer als de evangeliën zelf ontkracht hij dat waar de wereld
gewoonlijk waarde aan hecht. . . . Ik heb bijna dertig jaar met hem geleefd en
ik heb hem in voor- en tegenspoed niet vergeefs geraadpleegd. De
fundamentele gedachte achter het onderwerp ‘hemelen’ en ‘hellen’ is dat het heelal,
dat vervuld is van entiteiten in alle evolutiestadia van zijn hiërarchische structuur,
op veel kosmische gebieden bestaat: met andere woorden het bevat enorme aantallen
werelden en sferen, elk vervuld van levens die wetenschappers nu ‘energie’ of
krachten noemen. Er zijn geen absolute grenzen of scheidslijnen
tussen de ene wereld of sfeer en de andere; er zijn in de universele natuur geen
‘absoluten’ van welke aard ook; daarom geen startplaatsen, geen volstrekte begin-
en eindpunten van de met elkaar verweven delen van de kosmos. Natuurlijk bestaan
er relatieve begin- en eindpunten; maar deze hebben betrekking op de kosmische
delen en staan daarom in verband met de evoluerende entiteiten die deze verbindingspunten
of -stadia als vormen van ‘begin’ en ‘einde’ opvatten. Vandaar dat we van nature
ervan worden weerhouden om van het ALwelke entiteit ook zoals een bol, een sfeer,
een wereld, een hiërarchie, of wat dan ook, af te zonderen.
Leibniz, die gelijktijdig met Isaac Newton de filosofie en techniek van de differentiaalrekening
vervolmaakte, geeft tamelijk nauwkeurig dezelfde opvatting weer van een organische
natuur als een levend organisme dat zich in onderling verbonden hiërarchieën openbaart
en zo een eindeloos continuüm van zijn vormt: Alle natuurlijke
indelingen van de wereld laten één enkele aaneenschakeling van wezens zien, waarin
alle verschillende klassen van levende schepsels als evenzoveel schakels zo volmaakt
met elkaar zijn verstrengeld, dat het onmogelijk is om voor elk daarvan te zeggen,
hetzij op grond van verbeelding of van waar neming, waar deze begint of eindigt.
. . . Alles in de natuur ontwikkelt zich in stadia en deze wet
van vooruitgang die op ieder individu van toepassing is, maakt deel uit van mijn
theorie over de onafgebroken opeenvolging. Het heelal is dus een
samengesteld organisme dat aan de ene pool is gevormd uit kosmische geest, en
aan de andere pool uit verdichte of gekristalliseerde geest die we materie noemen.
Van alle tussenliggende graden verschaft de hoogste van de gebieden of werelden
of hiërarchieën de substantie van het oorspronkelijke, archaďsche denken achter
de leringen over de ‘hemelen’, waarvan er gewoonlijk zeven, negen, tien of zelfs
twaalf werden geteld. Evenzo waren de ‘hellen’ die sferen of werelden van grovere
materie die eveneens vol levens waren en daarom, evenals de werelden van de geest,
het toneel of decor waren voor de werking en wisselwerking van de krachten en
substanties die ze samenstellen. Deze innerlijke en onzichtbare werelden zijn
de ‘sferen’ waar de menselijke entiteit en evenzeer de entiteiten op andere planeten
- aan de mens gelijkwaardige zelfbewuste wezens na de dood doorheen gaan,
terwijl ze naar ‘omhoog’ of ‘omlaag’ gaan omdat ze de loop volgen van de uitwerkingen
van oorzaken die tijdens het laatste leven of de laatste belichaming in beweging
zijn gezet. Wanneer het fysieke lichaam sterft, verdwijnt onmiddellijk het beste
deel van de mens uit het fysieke gebied, omdat het instrument of lichaam dat het
hier hield en het in staat stelde op dit gebied van materie te functioneren, zich
uit de constitutie heeft losgemaakt en tenslotte in zijn samenstellende chemische
elementen uiteenvalt. Het is ongeveer alsof iemand een telegraaftoestel heeft
stukgemaakt: de boodschappen kunnen niet langer van de andere kant doorkomen;
de ontvanger werkt niet meer. Bij de dood wordt het fysieke
lichaam als een oud en versleten kledingstuk afgelegd buiten beschouwing
blijven hier gevallen van dood door een ongeval en van zelfmoord, omdat daarbij,
hoewel tenslotte dezelfde algemene regel geldt, het breken van de gouden draad
van de levenskracht een tussenliggende reeks toestanden teweegbrengt die afzonderlijk
moeten worden besproken. Ook het vitaal-astrale lichaam dat iets etherischer is
dan het fysieke lichaam, wordt bij de dood achtergelaten. Het raakt in verval
of lost op en verdwijnt dan na verloop van tijd, terwijl het slechts iets langer
intact blijft dan het fysieke lijk. Maar het edelste deel van de gestorven mens
verlaat het fysieke voertuig op het ogenblik dat de ‘gouden levensdraad’ wordt
verbroken. Het is dan bevrijd en gaat nu geleidelijk opnieuw de geestelijke monade
binnen van de mens die op aarde was; en in de schoot van de monade verblijft dit
edelste deel van de essentiële mens dan op en in de hogere gebieden van de innerlijke
en onzichtbare kosmos in de vrede en onuitsprekelijke gelukzaligheid van de devachanische
toestand, totdat de tijd opnieuw aanbreekt waarin de natuur het weer zal oproepen
voor een volgende verschijning op aarde door reďncarnatie.
Maar wat gebeurt er met dat tussenliggende deel, de menselijke ziel, dat
deel dat puur menselijke gevoelens van liefde en haat vertoont, menselijke aantrekkingskracht
en afkeer, en de gewone psychische, mentale en emotionele verschijnselen van de
mens? Wanneer de dood intreedt nadat het beste deel van de mens zich heeft terug
getrokken, valt deze menselijke tussennatuur onmiddellijk in slaap en ondergaat
gedurende een kortere of langere periode een droomloze slaap. Omdat het hogere
deel van deze tussennatuur of men selijke ziel de straling is die op haar is weerspiegeld
vanuit de monadische geest die zich nu in zichzelf heeft teruggetrokken
en die het edelste deel is van de mens die was wordt deze straling, naarmate
de tijd voorbijgaat, steeds sterker aangetrokken tot haar eigen bron, de geest
die haar uitzond, en verenigt zich tenslotte weer daarmee. Deze straling van de
geest is het reďncarnerende ego; en nadat het zich na de dood heeft verenigd met
zijn geest, gaat het zijn devachanische periode in. Maar omdat dit hogere deel
van de tussennatuur een uitstraling van de geest is en niet de geest zelf,
en omdat deze uitstraling elementen van louter menselijkheid in zich heeft in
plaats van zuiver goddelijk te zijn, zoals zijn ouder de monadische geest, is
zuivering of reiniging van deze lagere of puur menselijke eigenschappen nodig,
voordat het kan deelhebben aan de onbe perkte en zuivere devachanische geluk zaligheid,
waarin natuurlijk geen enkel menselijk element, dat onvolmaaktheid betekent, kan
doordringen. Hoe wordt het nu gezuiverd of gereinigd? Het
stijgt op door de sferen van de innerlijke en onzichtbare delen van de natuur.
Als het zojuist beëindigde leven op aarde een edel en een goed leven is geweest,
wordt het geëxcarneerde ego aangetrokken tot die sferen die in hoge mate etherisch
zijn en waarin het betrekkelijke vrede en gelukzaligheid ervaart in de devachanische
toestand. Maar voordat het deze devachanische toestand kan ingaan, moet het noodzakelijk
de verschillende stadia van kâmaloka doormaken, waar het in elk van de opklimmende
stadia onderweg naar de devachanische toestand, die bijzondere en onvolmaakte
menselijke eigenschappen afwerpt of daarvan wordt gezuiverd die eigen zijn aan
en overeenstemmen met deze respectieve opeenvolgende kâmalokische stadia van de
‘weg omhoog’. Tenslotte gaat het op in de bewustzijnstoestand die de laagste is
van de reeks devachanische graden en vindt het zijn passende rustpunt of het stadium
van de langste devachanische duur in die bijzondere devachanische toestand waar
het karmisch recht op heeft. Dit betere deel van de menselijke
ziel blijft enige tijd in elk van deze sferen of werelden en gaat dan vanuit dat
stadium naar een nog hogere, waarbij de grotere of kleinere aantrekkingskracht
de oorzaak is van de tijdsduur die in elke onzichtbare graad van de verschillende
werelden wordt doorgebracht. Tenslotte brengt het de hereniging tot stand
zij het geheel onbewust met zijn monadische essentie, en daar verblijft
het eeuwenlang totdat zijn aangeboren neigingen het ertoe brengen door dezelfde
sferen af te dalen naar een nieuwe incarnatie op aarde.
Als daarentegen zijn leven op aarde zo vervuld was geweest van zelfzucht en boze
verlangens dat het een grof en sterk materialistisch leven had geleid, wat gebeurt
er dan? Zijn gehechtheden beginnen het onmiddellijk naar lagere en materiëlere
sferen te trekken, de ene na de andere, waarin het langere of kortere tijd doorbrengt,
afhankelijk van de kracht van de aantrekkingen die het daar bracht, totdat de
energieën die oorspronkelijk in beweging waren gezet, zijn uitgewerkt. Wat dan
na dit proces van zuivering overblijft, wordt geschikt, zoals goud dat in het
vuur is gezuiverd, om zijn reis naar hereniging met zijn zon, zijn geestelijk
zelf, te hervatten. Deze bepaalde sferen of werelden, waartoe
het zich weder belichamende ego wordt aangetrokken, zijn zeer nadrukkelijk geen
op zichzelf staande ‘hemelen’ of ‘hellen’, zoals die woorden gewoonlijk verkeerd
zijn begrepen, maar integrale delen van de hiërarchische structuur van het heelal
die als gevolg van hun geestelijke en etherische karakter enerzijds en hun materiële
aard anderzijds de plaats en de omgeving verschaffen waartoe het zich wederbelichamende
geëxcarneerde ego wordt aangetrokken door zijn geneigdheid tot het ene of het
andere soort bestaan. In de oudheid werd onze aarde, technisch
gesproken, altijd als een van de ‘hellen’ beschouwd, omdat ze een bol is van min
of meer dichte en grove materie. Toch is onze planeet aarde in geen geval de meest
materiële woonplaats van menselijke bewuste wezens die het zonnestelsel in zich
bevat, want er zijn vele planeten of planetaire werelden binnen ons zonnestelsel,
waarvan de meeste voor ons onzichtbaar zijn, en die veel dichter en grofstoffelijker
zijn dan onze aarde. Ze is noch de slechtste noch de beste van alle mogelijke
werelden, maar een aardig voorbeeld van een wereld tussen deze beide in, want
in haar evolutie hebben goed en kwaad zich tamelijk goed in de kraters van het
lot vermengd. Met betrekking tot de opbouw van het heelal
is het misschien interessant hieronder een reeks overeenkomsten te laten zien
tussen deze onafscheidelijk met elkaar verweven loka’s en tala’s, en de hiërarchische
reeks tattva’s. Tattva is een samengesteld Sanskrietwoord
dat kan worden vertaald met ‘dat-heid’ en komt nauwkeurig overeen met het laat-Latijnse
of middeleeuws scholastieke quidditas. De feitelijke betekenis van deze
term tattva is dus de energisch-substantiële grondslag van alles wat in
de loop van de evolutionaire ontwikkeling van de natuur daarvan is afgeleid, en
komt op die manier betrekkelijk nauwkeurig overeen met de term beginsel of element.
De tattva’s zijn daarom de universele beginselen of elementen waaruit het heelal
is opgebouwd. De tattva’s en de daarmee corresponderende
loka’s en tala’s zijn dus in essentie praktisch identiek; de drie verschillende
reeksen betreffen dezelfde substantiële kosmische werkelijkheden van de elementen,
gezien vanuit verschillende invalshoeken; ook zijn de loka’s en tala’s de respectieve
manifestaties van hun corresponde rende tattva’s, wanneer we de tattva’s opvatten
als stadia in een hiërarchische ontwikkeling. De tattva’s brengen de andere voort.
Er zijn zeven kosmische tattva’s die zich in alle ondergeschikte gebieden van
de kosmische hiërarchieën herhaaldelijk opnieuw voortbrengen, naarmate de laatstgenoemden
zich gedurende het proces van de opbouw van de wereld ontplooien of evolueren;
en deze hiërarchieën, gezien als structureel tot stand gebrachte werelden of sferen
of gebieden zijn in feite de onafscheidelijk met elkaar verbonden en verweven
loka’s en tala’s. Omdat er zeven kosmische tattva’s of kosmische beginsel-elementen
zijn, zijn er eveneens zeven corresponderende en altijd op elkaar inwerkende en
met elkaar verstrengelde hiërarchische loka’s en tala’s, waarbij elk van die paren
van loka’s en tala’s correspondeert met het kosmische tattva waaruit ze oorspronkelijk
zijn voortgekomen en dat in hen het dominerende kosmische beginsel of element
is. De drie reeksen worden nu hieronder opgesomd en zijn genummerd, zodat ze met
elkaar corresponderen; ze staan in de volgorde van hun kosmische ontplooiing of
evolutie.
|
1. âdi-tattva |
voortkomende uit de eerste logos |
|
2. anupapâdaka-tattva |
,, ,, ,, tweede logos |
|
3. âkâsa-tattva |
,, ,, ,, derde logos |
|
4. vâyu-tattva
5. taijasa-tattva 6. âpas-tattva 7. prithivî-tattva |
|
| l. satyaloka |
l. atala |
| 2. taparloka |
2. vitala |
| 3. janarloka |
3. sutala |
| 4. maharloka |
4. talâtala |
| 5. svarloka |
5. mahâtala |
| 6. bhuvarloka |
6. rasâtala |
| 7. bhűrloka |
7. pâtâla |
Eén belangrijk punt is dat te beginnen met het eerste of âdi-tattva, het
tweede of anupapâdaka-tattva daaruit emaneert of voortkomt, terwijl het een bepaald
deel van het eerste tattva behoudt in zijn eigen substantie en complex van krachten;
vanuit het tweede tattva emaneert het derde tattva in de reeks, dat niet alleen
zijn eigen svabhâva of karakteristieke krachten en substanties heeft, maar ook
zijn deel van zijn ouder, het tweede kosmische tattva, en zijn grootouderlijke
kosmische tattva; en zo naar omlaag tot het zevende en laatste. Als deze reeks
van hiërarchische emanatie eenmaal is voltooid, bestaat het heelal eeuwenlang
in de volheid van zijn onbegrijpelijk grootse activiteiten. Wanneer de tijd van
de kosmische pralaya nadert, gaat het hele proces dat plaatshad bij het ontvouwen
van het heelal nu de omgekeerde procedure volgen van het zichzelf inwikkelen of
involueren, te beginnen met het zevende of laagste dat het eerst wordt weg-’gestraald’
naar het volgende en hogere tattva, dat op die manier het laagste in zich opneemt.
Dan wordt het proces herhaald met het daaropvolgende hogere kosmische tattva,
waarin de ‘zaden’ of slapende ‘kiemen’ van het reeds geďnvolueerde kosmische tattva
opgaan, en zo zet het hele proces van het zich inwikkelen zich voort totdat alle
lagere tattva’s in het hoogste of veroorzakende kosmische tattva zijn opgenomen.
Dan is het manvantara van het heelal ten einde en volgt de lange periode van kosmische
rust totdat de tijd voor het volgende kosmische manvantara aanbreekt, wanneer
alles opnieuw wordt geëmaneerd op een iets hogere reeks gebieden.
Het bovenstaande was ook de leer van de stoďcijnen, en eveneens van de joods-christelijke
bijbel waarin naar dit kosmische drama van de ontbinding van het heelal wordt
verwezen. Bijvoorbeeld: En alle hemelse menigten
zullen vergaan, en de hemelen zullen als een boekrol worden samengerold.
Jesaja, 34:4 En de hemel week terug als een boekrol, die wordt
opgerold. Openbaring, 6:14
Er is nog een andere lering van de oude wijsheid die moeilijk is te begrijpen,
en dat is die van nirvâńa. Het nirvâńa is niet een ‘hemel’; het is niet een kosmische
sfeer of wereld of gebied; het is volstrekt en absoluut een toestand van het bewustzijn
dat het ervaart. Het is de bewustzijnstoestand van de geestelijke ziel, wanneer
elk gevoel van een beperkende persoonlijkheid of zelfs van een onvolkomen egoďsche
individualiteit volledig is verdwenen, zodat niets anders overblijft dan het ongebonden
bewustzijn van het geestelijke essentiële zelf dat de ondeelbare en onuitsprekelijke
essentie van de mens is de goddelijk-geestelijke individualiteit;
het is een zuiver monadisch bewustzijn. Het is een verbond van de innerlijke god
met de zich ontwikkelende geestelijke ziel, zodat haar bewustzijn dan kosmisch
wordt in de, hiërarchisch gesproken, onbegrensde ruimten van die speciale kosmische
hiërarchie. Wat betreft het probleem van het identiek of
niet-identiek zijn van de individuele geest, als monade beschouwd, met de kosmische
geest, leert de esoterische traditie de gelijkheid van alle ‘zielen’ met de overziel,
of van alle monaden met de kosmische monade; maar deze identiteit betekent geen
verlies van de individualiteit van welke ondergeschikte ‘ziel’ of monade ook.
De naam ‘monade’ betekent een eenheid, een individualiteit die een eenheid vormt,
die tijdens het hele kosmische manvantara of de kosmische wereldperiode in stand
blijft. De prachtige woorden waarin Sir Edwin Arnold in zijn Het Licht van
Azië uitdrukking geeft aan de oude boeddhistische leer, ‘de dauwdruppel vloeit
in de glinsterende zee’, geven de gedachte goed weer. Het zal een westerling toeschijnen
dat de dauwdruppel die in de zee vloeit een totale vernietiging van zijn individualiteit
ondergaat, omdat we gewend zijn in termen van mechanische processen en materiële
substantie te denken. Het vloeien in de glinsterende zee van de dauwdruppel of
monade betekent dat ze in de onmetelijke kosmische ruimte opgaat om haar eigen
meest innerlijke kosmische bereik van praktisch onbeperkt bewustzijn te herwinnen,
en intussen in de vorm van een zaad voor de toekomst haar eigen monadische individualiteit
te behouden. Wanneer ze zich opnieuw zal manifesteren, zal ze dat doen als een
wedergeboorte van de monadische individualiteit die ze vroeger was, plus alle
ontwakingen van het bewustzijn, ervaring genoemd, die ze tijdens haar voorafgaande
evolutionaire omzwervingen had verzameld en die deel van haar waren geworden.
Plotinus verwijst in zijn verhandeling ‘Over het probleem van de ziel’ naar de
hereniging van het individuele met het kosmisch goddelijke. We vatten samen:
Over aardse zaken zal ze zich dan niets herinneren, omdat het geheugen, dat een
doorgang van het denken betekent van het ene ding naar het andere, daar tijdelijk
in onbruik is geraakt en er dus niet zo’n beperkt geheugen in de geestelijke wereld
kan zijn. Trouwens, er zal zelfs geen herinnering blijven bestaan van het individu
als individu, d.w.z. geen gedachte waarvan het individuele zelf de denker is,
want dit houdt beperking in. . . . Wanneer de geest in de geestelijke wereld is,
wordt hij noodzakelijkerwijs tijdelijk volmaakt één met de geest van de godheid,
wat voortvloeit uit het feit zelf van zijn verbondenheid daarmee, want deze verbondenheid
maakt een eind aan alle intervallen van het bewustzijn die mensen de functies
en de werking van het geheugen noemen. De individuele geest wordt opgenomen in
een volmaakt harmonische overeenstemming met het goddelijke en wordt in deze harmonie
tijdelijk één met het goddelijke maar helemaal niet om zelf te worden vernietigd,
want de twee zijn in wezen één; en toch, omdat ze twee zijn, blijven ze twee.
Enneaden, IV, iv, 1, 2
Plotinus, met al zijn opmerkelijke geestelijke en intellectuele begripsvermogen
en zijn beheersing van het onderwerp, herhaalde de oude wijsheid en sprak de mensen
uit zijn tijd noodgedwongen toe in een filosofische taal die zij konden begrijpen.
Het gaat hierom: wanneer de individuele mens een ’volmaakt harmonische overeenstemming
met het goddelijke’ tot stand brengt, betekent dit niet dat hij het gebied van
zijn eigen constitutie geheel te boven gaat en een bewustzijn buiten hemzelf betreedt
dat in geen enkel opzicht verschilt van het hoogste in hemzelf, behalve misschien
in de zin van een grotere intensiteit. De ware betekenis ervan is dat zijn eigen
‘hoogste’ in essentie reeds identiek is met het goddelijke en dat al een eeuwigheid
is geweest en tot in eeuwigheid zal zijn; de belangrijke strekking van deze gedachte
is dat het hoogste deel van de mens al in een nirvâńische toestand verkeert. Het
is de dhyâni-boeddha in hem. Dit benadrukt duidelijk de
onlosmakelijke eenheid van het hoogste bewustzijn van de mens met het bewustzijn
van het heelal, het goddelijke. Anderzijds zijn de lagere delen van de samengestelde
constitutie van de mens in de stoffelijkheid ‘verzonken’ en dat is de reden
waarom de mens in contact kan komen met de materiële werelden en zo ervan kan
leren. Hij is in zijn laagste delen een integrerend deel van deze stoffelijke
werelden, zoals hij dat in zijn hoogste delen is van het goddelijke. Zijn hoogste
delen worden samengevat onder de term ‘de innerlijke god’, de goddelijk-geestelijke
monade. Zijn meest materiële delen worden gegroepeerd onder de algemene term ‘de
persoonlijkheid’, een woord dat is afgeleid van het Latijnse per sona,
en dat betekent een masker, met behulp waarvan de acteur de werkelijke
mens werkt en zich uitdrukt. De tussenliggende delen van de menselijke
constitutie vormen de ‘hogere mens’ of menselijke monade. De persoonlijkheid betekent
dus het menselijke masker waarin we onszelf tot uitdrukking brengen en dat een
web is van denkbeelden en gevoelens dat door onze verlangens en begeerten en onze
emoties en alledaagse gedachten is geweven. Deze persoonlijkheid bouwt aldus een
weefsel van het lot om zich heen. Wanneer nu de persoonlijkheid volledig wordt
overwonnen, of met andere woorden, wanneer het fundamentele bewustzijn van de
mens uitgaat boven dit versteende web van begoocheling, en het tussenliggende
deel van de menselijke constitutie overstijgt, bereikt het de toestand van zuiver
geestelijk monadisch bewustzijn, het nirvâńa. Daar is de hele persoonlijkheid
opgegaan in zuiver geestelijke individualiteit, waarin het bewustzijn betrekkelijk
universeel wordt door heel de kosmische hiërarchie waarin de monade zich beweegt,
leeft en haar bestaan heeft. Deze toestand of omstandigheid houdt daarom zuivere,
onvervalste kennis in, wijsheid en gelukzaligheid, en dus onbeschrijflijke vrede
bewustzijnstoestanden waarvan de gewone mens geen begrip heeft en die hij
beschouwt als verschillende soorten bewustzijn in plaats van facetten van zijn
geestelijke bewustzijn dat het ‘juweel’ is van de bekende Tibetaanse aanroep,
‘om mańi padme hum’ ‘waarlijk, het juweel in de lotus!’ waarbij
lotus hier de menselijke constitutie is waarin het geestelijke juweel leeft.
In het nirvâńa wordt de monadische essentie van de mens dan praktisch tot een
eenheid verbonden met de universele overziel van onze kosmos. Zoals Plotinus zegt:
Evenmin is de ziel van de mens volledig in het rijk van de stof verzonken, omdat
iets ervan voortdurend en voor altijd in de geestelijke wereld is, hoewel dat
deel van onze ziel dat in de rijken van de zintuigen is verzonken, hier gedeeltelijk
wordt vastgehouden, en door deze wordt bedwelmd, waardoor ze blind wordt voor
het overpeinzen van het goddelijke waarmee haar eigen hogere deel zich bezighoudt.
- Enneaden, ‘De afdaling van de zich belichamende
ziel’, IV, viii, 8 Het goddelijke bewustzijn van de mens
is dus voor altijd nirvâńisch van aard; en dit verwonderlijke feit verschaft de
sleutel tot het esoterische mysterie dat besloten ligt in het bereiken van het
boeddhaschap door de bodhisattva’s en het niettemin voortzetten door de boeddha
van het menselijk bestaan als een volledige en volmaakte mens.
Het verschil tussen de gelukzaligheid en wijsheid en vrede die de nirvâńî geniet
en de gelukzaligheid en vrede en betrekkelijke rust van de devachanî is dit: de
nirvâńî is volledig en volkomen zelfbewust, terwijl de devachanî in vergelijking
met de geestelijke werkelijkheid van het nirvâńa feitelijk in een toestand van
hoogst gelukkig ‘dromen’ verkeert. De term ‘dromen’ is enigszins onnauwkeurig
en maakt ook niet werkelijk duidelijk dat de toestand van de devachanî min of
meer het zelfbewuste besef van zijn eigen gelukzaligheid mist, maar alleen dat,
hoe ‘spiritueel’ de devachanische toestand ook is, deze verge leken met de nirvâńische
nogal illusoir is. Nirvâńa is een toestand die mensen van
zeldzame en uitzon derlijke geestelijke vermogens en ontwikkeling kunnen bereiken,
zelfs wanneer ze belichaamd zijn. Gautama Boeddha is daarvan een voor beeld, zoals
alle menselijke of mânushya-boeddha’s dat zijn. Sankarâchârya, een grote avatârische
wijze uit India, is nog een voorbeeld van iemand die nirvâńa had bereikt terwijl
hij op aarde leefde; en zelfs mensen van geringere geestelijke vermogens dan deze
twee kunnen in relatief mindere mate nirvâńa ervaren. Het ligt daarom voor de
hand dat zo’n toestand van verheven geestelijke grootsheid, zowel wat de intensiteit
betreft van het ontwikkelde bewustzijn als de kwaliteit van verlichte spiritualiteit,
de hoogste geestelijke toestand die door welk wezen ook in zelfs de hoogste ‘hemelen’
wordt ervaren, ver te boven gaat. In de tegenovergestelde
richting van het nirvâńa is de avîchi, die ten onrechte een ‘hel’ wordt genoemd.
Hij wordt figuurlijk omschreven als de lagere pool van het nirvâńa. Bepaalde toestanden
van wezens in de avîchi zijn als gevolg van een daarmee gepaard gaande ‘spiritualiteit
van verdorvenheid’ terecht nirvâńa-avîchi genoemd. Niettemin is avîchi zowel een
toestand als een wereld of sfeer, wat het nirvâńa niet is, want nirvâńa is alleen
een toestand, hoewel het evenzeer waar is dat, omdat het nirvâńa de toestand van
bewustzijn van bepaalde wezens is en deze wezens een plaats in de abstracte ruimte
moeten hebben, deze nirvâńî’s daarom in de geestelijke rijken zijn of bestaan.
Als een mens een lange reeks levens op een heel slechte manier heeft geleefd,
en dat bewust heeft gedaan, waarbij de ziel in steeds toenemende mate in materiële
dingen is ‘opgegaan’, leidt dit tot een vergroving en vermaterialisering van zijn
bewustzijn; en het uiteindelijke resultaat van de overweldigende materiële aantrekkingskrachten
of impulsen die zo in de structuur van zijn bewustzijn zijn ingebouwd, is dat
zo’n wezen tot de avîchi wordt aangetrokken of daarin verzinkt. Het is heel goed
mogelijk dat een mens van het zojuist beschreven karakter een dergelijke avîchi-toestand
zelfs tijdens zijn leven in het lichaam op aarde ervaart.
Wanneer het bewustzijn van de materiële persoonlijkheid in een mens op die manier
sterk wordt benadrukt; wanneer bijna alle besef van of intuďtief inzicht in het
goddelijke zich zowel uit het hart als uit de geest heeft teruggetrokken, en hij
als gevolg daarvan een belichaming wordt van louter zelfzucht; wanneer er in de
intellectuele structuur van zijn wezen zelfs niet een vonk van het goddelijke
vuur bewust actief blijft dan verkeert de ongelukkige mens reeds in de
toestand van avîchi, ook al leeft hij misschien op aarde.
Als bovendien de neerwaartse impulsen van de mens, die zich al in een bewustzijnstoestand
van avîchi bevindt, zo krachtig worden dat zelfs de laatste zwakke schakel met
zijn monadische zon wordt verbroken, dan overschrijdt hij na verloop van tijd
zelfs de grens van de avîchi en komt in de noodlottige karmische stroom terecht
die hem snel naar een volledig en onherstelbaar uiteenvallen van zijn psychische
samenstelling voert. In zo’n geval sterft de ongelukkige entiteit af en is ‘verloren’.
De deeltjes van zijn aldus uiteengevallen psychische natuur worden dan bliksemsnel
omlaaggetrokken en voegen zich bij de elementaire atomen in die speciale moederbron
van elementaire materie waartoe zijn svabhâva hem heeft aangetrokken. Dit is dan
het geval waarin de esoterische filosofie van een ‘verloren ziel’ spreekt. Zulke
voorbeelden van ‘verloren zielen’ zijn gelukkig even zeldzaam aan de ene pool
als gevallen van het bereiken van nirvâńa aan de andere of goddelijk-geestelijke
pool van het menselijke bewustzijn. Als dit laatste gebeurt, wordt de mens een
geďncarneerde god op aarde, een nirvâńî; in het eerste geval gaat het wezen zelfs
uit de avîchitoestand over in de elementaire materie, waar wat van zijn psychische
constitutie overblijft uiteenvalt in zijn samenstellende levensatomen, die daar
in de elementaire alchemistische laboratoria van de natuur telkens weer worden
vermalen. De avîchi zelf staat in feite aan de onderste
grens van de ‘absolute stof’ elementaire materie. Hij komt misschien het
dichtste bij de middeleeuwse idee van een ‘hel’ waarin de natuur voorziet. Maar
toch is hij niet een gerechtelijke straf die door een oppermachtige godheid aan
een ongelukkige ziel wordt opgelegd; want de ongelukkige entiteit die dit ‘pad
van de linkerhand’ volgt, dat vaak het ‘maanpad’ wordt genoemd, doet dit aanvankelijk
volkomen vrijwillig door onder de impulsen van haar betrekkelijk vrije wil te
handelen. Haar treft dit vreselijke lot als het feilloos rechtvaardige gevolg
van karmische oorzaken die zijn teweeggebracht en in beweging gezet door kwade
gedachten, door lage en zelfzuchtige verlangens, door mateloze en ongebreidelde
hartstochten en begeerten van wezenlijk slechte aard. Toch
heeft zelfs zo’n ongelukkig wezen nog altijd een kans, eigenlijk veel kansen,
om aan zijn vreselijke lot te ontkomen, voordat zijn uiteindelijke ontbinding
zich voltrekt. Men zegt, en terecht, dat zelfs één enkele zuivere, de ziel doordringende
gedachte, als ze op tijd wordt ervaren, het ten onder gaande wezen zal redden
van de karmische gevolgen van veel slecht geleide levens, want het bestaan van
zo’n gedachte zou in feite betekenen dat de schakel met zijn eigen innerlijke
god nog niet definitief is verbroken. Terwijl de entiteit die het pad omlaag naar
de avîchi en misschien verder volgt, geen pijn ondervindt in de alledaagse betekenis
van het woord en haar geen buitensporige of verschrikkelijke kwellingen worden
aangedaan door krachten van buitenaf, zoals de ‘hel’ van de westerse religie met
zich mee zou brengen, is niettemin een besef van een steeds verdere vermindering
van het geestelijke en intellectuele bewustzijn altijd aanwezig, gepaard gaand
met een krachtige concentratie van kwade impulsen, die van alle aspiratie, liefde
en hoop zijn verstoken. Deze laatste zouden het vervagende bewustzijn van zo’n
ongelukkig wezen omgeven met een lijden dat nauwelijks kan worden beschreven.
Het is een van de meest afschuwelijke ervaringen die de menselijke verbeelding
zich kan voorstellen, want er is een min of meer bewust besef, hoezeer dit misschien
ook ‘vervaagt’, van de terugtrekking van het geestelijke licht en leven, en een
toenemend besef van de dreigende ontbinding van alle zelfbewuste leven. Men mag
wel aannemen dat de belachelijke straffen van de zogenaamde hellen op aarde lang
niet opwegen tegen de psychische, mentale en emotionele marteling die het besef
van dit feit voor het zwakker wordende en vervagende bewustzijn moet betekenen.
Evenmin kan welke theatrale kwelling van een middeleeuwse ‘hel’ dan ook opwegen
tegen de marteling van hart en geest die zo’n entiteit moet ervaren als zij zich
ervan bewust wordt dat haar toestand is teweeggebracht door haar eigen verdorven
wil en haar daaruit voortvloeiende handelingen. Als daarom zo’n entiteit van kwaad
tot erger vervalt, keert ze terug naar de moederbron van de materiële natuur waaruit
haar levensatomen oorspronkelijk voortkwamen, zoals ook een regendruppel ophoudt
te bestaan in een vlam. In zo’n geval begint de monade,
die lang voordat deze gebeurtenis plaatsvindt reeds haar banden met de ongelukkige
en uiteenvallende entiteit heeft verbroken, onmiddellijk een nieuwe psychospirituele
emanatie uit zichzelf te ontwikkelen, een nieuw toekomstig menselijk ego, dat
aldus verschijnt als een ‘godsvonk’ die haar lange evolutiereis door tijd en ruimte
uit haar oudermonade begint en is voorbestemd om na verloop van tijd in haar omzwervingen
naar de oudermonade terug te keren. Het is waar dat deze nieuwe emanerende straal
al het beste bevat wat aanwezig was in de entiteit die nu ‘verloren’ is; maar
het tussenliggende voertuig dat die opgeslagen geestelijke ervaring tot uitdrukking
brengt is ‘verloren gegaan’, en daarom kunnen nog geen menselijke ervaringen worden
‘verzameld’ voordat een ander menselijk ego is ontwikkeld om de nieuwe schakel
te vormen tussen de monadische straal en de werelden van de stof.
De monade zelf die aldus is bevrijd van haar eigenzinnige voertuig, blijft echter
betrekkelijk onaangetast behalve in die zin dat er vreselijk veel tijd is verspild,
wat in sommige gevallen ongeveer een heel manvantara kan uitmaken. Tegen de tijd
dat de monade vanuit zichzelf opnieuw een menselijk voertuig zal hebben ontwikkeld,
door middel waarvan ze in de materiële werelden kan werken, is de menigte evoluerende
entiteiten waarmee ze vroeger een eenheid had gevormd, nu ver vooruit op de eonenlange
evolutiereis. Het is allemaal karmisch, zelfs voor zover het de monade zelf betreft.
Er zijn inderdaad ontelbare ‘hellen’ en ontelbare ‘hemelen’, maar het zijn slechts
omstandigheden of toestanden van tijdelijke geestelijke compensatie enerzijds
en van tijdelijke loutering anderzijds; en, vergeleken met de eeuwigheid, lijken
ze alle op niet meer dan vluchtige en voorbijgaande wolkenslierten tegen de berghelling.
Ze komen, blijven maar een ogenblik, gezien tegen de achtergrond van de eeuwigheid,
en gaan voorbij. Veel grootser dan zo’n ‘hemel’ en zo’n sfeer of loka van gelukzaligheid,
is het weidse visioen van eindeloze groei van vermogens en krachten, en van talrijke
kansen om voor de wereld te werken. |