13

Hoe de mens wordt geboren en wedergeboren

Het voortgaan in en door herhaalde eindige bestaansvormen van de zich wederbelichamende monade in verschillende lichamen of rűpa’s, om het Sanskrietwoord te gebruiken, is de essentie van de leer van wederbelichaming, die in het geval van de mens reďncarnatie wordt genoemd.
    Een menselijke ziel heeft in vorige levens bepaalde handelingen verricht, bepaalde gedachten gehad, emoties gekoesterd, en dit alles heeft andere mensen beďnvloed en ook de persoon zelf. Deze verschillende werkingen van de menselijke natuur zijn de resulterende acties van de oorzakelijke krachten die zetelen in de tussenliggende natuur en die van daaruit niet alleen de gedachten, handelingen en emoties van de mens beheersen en er vorm aan geven, maar door hun effect zelfs de atomen van het fysieke lichaam waarin de ziel op een of ander moment leeft krachtig beďnvloeden. Wanneer de dood dan intrad werden de fysieke boeien losgemaakt, en de menselijke geest-ziel nam deze tussenliggende natuur in zich op en keerde terug naar het spirituele gebied vanwaar ze is voorbestemd om na verloop van tijd weer te voorschijn te komen om opnieuw een fysiek lichaam te bewonen. In dat geestelijke gebied geniet de tussenliggende natuur rust en onuitsprekelijke gelukzaligheid in de schoot van haar oudermonade of geest-ziel; want de toestand-na-de-dood van herstel en van mentale verwerking is ook de gelegenheid waarin alles wat de menselijke ziel in haar laatste leven als het dierbaarste en hoogste beschouwde, maar waarvoor ze geen gelegenheid had om het volledig te ervaren, hoewel tijdelijk, tot volle bloei komt.
    Deze toestand-na-de-dood staat in de moderne theosofie bekend onder de naam devachan, een Tibetaanse term waarvan het equivalent in het Sanskriet Sukhâvatî is of ‘gelukkig land’. Aldus rust de ziel, of het geëxcarneerde menselijke ego, in gelukzalige rust in die verschillende gebieden van devachan die overeenkomen met haar eigen graad van bewustzijn, en tijdens haar verblijf daar is de ziel onuitsprekelijk gelukkig. De hele ervaring in deze gebieden van spirituele vrede wordt niet verstoord door het minste spoor van tegenstrijdigheden of ongelukkige omstandigheden. Wanneer haar cyclus in deze staten of toestanden van bewustzijn ten einde loopt, daalt ze eerst langzaam en dan steeds sneller af langs de reeks hiërarchische graden, en incarneert uiteindelijk opnieuw op aarde – psychomagnetisch aangetrokken tot de sfeer waarin ze al eerder had geleefd. In dit stadium van haar postmortale avontuur kan ze alleen daarheen gaan waar ze naartoe wordt aangetrokken, want de werkingen van de natuur treden niet zomaar op, lukraak of toevallig, maar vinden alleen plaats in overeenstemming met orde en gerechtigheid. Het gevolg komt onvermijdelijk na de oorzaak, en deze keten van veroorzaking reikt van eeuwigheid tot eeuwigheid, als een aaneenschakeling van onderling verbonden gebeurtenissen die elkaar regelmatig en ononderbroken opvolgen.
    Het hele proces is een systematisch en compenserend samenspel van psychologische en andere krachten, waarbij in elk van de gevallen de krachten die overheersen hun oorsprong vinden in de individuele ziel zelf. Daarom volgt de ziel het gemakkelijkst die krachten waarmee ze het meest bekend is; en daarom zijn dat de krachten die nu werken als drijvende oorzaken, en die de ziel aantrekken terug naar het toneel van haar vroegere activiteiten: onze aarde. De krachten die aldus werkzaam zijn als aandrijvende oorzaken werden oorspronkelijk tijdens haar vorige leven op aarde in het weefsel van de ziel gezaaid; en dat deze zaden tegen het einde van het devachan tot leven komen betekent hetzelfde als te zeggen dat ze de aantrekking voelen van de aarde waar ze in vorige levens opgeroepen en ‘geboren’ waren als kiemen van toekomstige oorzaken.
    Zoals de verloren zoon in de parabel uit het Nieuwe Testament weer naar huis terugkeert, aangetrokken door herinneringen aan zijn jeugd en hun sterke maar subtiele invloed op zijn denken en hart; zo keert ook de zich wederbelichamende monade terug naar het leven op aarde.
    Op die manier worden op aarde harten verenigd die elkaar in vroegere tijden hebben liefgehad, en ontmoeten zielen die de ander begrepen elkaar weer in vriendschappelijke betrekkingen. Want zij die elkaar eens hebben liefgehad zullen elkaar weer ontmoeten. Zij kunnen zelfs niet anders. De meest magnetische kracht die in het heelal bestaat is liefde; haar hele wezen betekent vereniging en hereniging. De onpersoonlijke Eros van het heelal is de kosmische energie die de sterren en planeten in hun banen houdt, en de bouw en de structuur van atomen bepaalt. Hij doordringt alles en is daardoor almachtig. Hij is de oorzaak van de energie die in myriaden vormen overal werkzaam is, in zowel ster als atoom, en hen bijeenhoudt in een onontkoombare omhelzing. Maar, wat een wonderbare paradox, het is deze zelfde kracht die de individuele integriteit van elke kosmische eenheid garandeert. Hij is ook de mystieke en verbazingwekkende magnetische sympathie die mensen bij elkaar brengt; en, in een van haar terreinen van werkzaamheid, man en vrouw in een waar huwelijk.
    De onpersoonlijke liefde van de kosmische godheid is – juist omdat zelfs niet het kleinste deeltje in het heelal buiten haar invloedssfeer kan komen – in haar meer materiële manifestaties evenzeer de oorzakelijke kracht die vaak grillige, schijnbaar abnormale en afkeurenswaardige vormen aanneemt. Niet de kosmische essentie zou men moeten afkeuren, want haar handelen is altijd onpersoonlijk; maar mensen, want zij kunnen, omdat ze een zekere mate van vrije wil en keuzevrijheid hebben, deze kosmische energie voor onwaardige doeleinden misbruiken – en door diezelfde kosmische energie brengt dat misbruik bijna automatisch en op onpersoonlijke manier lijden, pijn en in veel gevallen, ziekte teweeg. Maar, omdat het hart van de natuur oneindig mededogen is, is het lijden en de pijn zelfs in dit geval een middel waardoor we leren.
    Reďncarnatie scheidt niet; integendeel, ze verenigt. Men kijkt in de ogen van een vreemde, en ziet intuďtief een oude vriend. Onmiddellijk is er een verstandhouding, snel onderling begrip, en magnetische sympathie. Als reďncarnatie geen natuurfeit zou zijn, dan zouden mensen natuurlijk niet meer bij elkaar worden gebracht; hoewel het in de elkaar opvolgende levens best mogelijk is dat dezelfde individuen, door karmische oorzaken, niet in elke wederbelichaming worden herenigd.
    Er is bovendien een andere en meeromvattende leer dan die van wederbelichaming. Deze leer betreft het uiteindelijke verenigen van alle entiteiten in de goddelijke essentie wanneer de universele periode van manifestatie, of het kosmische manvantara, zijn complete cyclus heeft voltooid. Gedurende deze vereniging zal elke entiteit, terwijl deze één wordt met de goddelijke essentie, niettemin zijn monadische- of zaad-individualiteit behouden. Maar naast het eigen gevoel van individualiteit zal het een kosmisch gevoel van volledige eenheid met alle menigten van anderen voelen. Ons denken, verduisterd door de mist van de persoonlijkheid en verwrongen door emoties en hartstochten, kan dit niet gemakkelijk bevatten; maar het is de fundamentele betekenis van de leer, die zo algemeen is in de hogere oosterse filosofieën, over een individu dat ‘opgaat in’ paramâtman, brahman of de kosmische geest. Zo’n ‘opgaan in’ – dat alleen een ‘opgaan’ betekent in de zin van complete zelf-identificatie met het kosmische zelf terwijl men de onsterfelijke zetel van monadische individualiteit behoudt – is de regeneratie, of beter gezegd, de uitbreiding van het eigen, nu goddelijk geworden, bewustzijn tot de realisatie van volstrekte eenheid met al het andere. Dit duurt net zo lang als het ‘opgaan’ aanhoudt; dat kan eonen van kosmische tijd in beslag nemen, of in het geval van een minder gelukkige jîvanmukta, zoals in de meeste gevallen, tot het einde van het kosmische manvantara.
    Het woord ‘gelukkig’ moet niet worden uitgelegd als een of andere vorm van bevoorrechting, maar moet worden gezien als sinds lang geleden verzamelde karmische verdiensten, spiritueel gesproken, die het de ‘verloste monade’ of jîvanmukta mogelijk maken om voor deze lange tijd buiten de lagere sferen van manifestatie te blijven.

Onze gedachten tijdens één incarnatie hebben door de karmische reactie grote invloed op de volgende incarnatie en zelfs op alle daaropvolgende wederbelichamingen. We groeien door en door middel van gedachten. We hebben gedachten en worden daardoor beďnvloed. Ze maken een onuitwisbare indruk op het weefsel van ons bewustzijn. We zijn als een prachtige magische beeldengalerij in alle zichtbare en onzichtbare delen van onze constitutie – in zekere zin als een palimpsest, en ontvangen de ene indruk na de andere, waarbij elke indruk onuitwisbaar is vastgelegd en toch op magische manier wordt gewijzigd, hoewel hij door alle volgende indrukken wordt overschreven.
    Ons hele samengestelde wezen, als geheel en in zijn delen, is als een gevoelige fotografische film die voortdurend wordt vernieuwd en nieuwe indrukken ontvangt en vastlegt. Alles wat voor de ‘film’ langskomt wordt onmiddellijk daarin gegrift, en psycho-gefotografeerd; want ieder van ons is zo’n psycho-fotografische ‘film’. Op deze manier worden onze karakters vormgegeven, en worden daarom beďnvloed door onze gedachten en emoties, door de hartstochten die ons leiden of misleiden en zelfs door de handelingen die dit alles met zich meebrengt.
    Gedachten zijn energieën, belichaamde, elementale energieën. Ze ontstaan niet in een menselijk brein. Deze elementale entiteiten passeren door het gevoelige overbrengingsapparaat dat ons denkvermogen is, en zo kleuren we de gedachten terwijl ze door ons heen gaan, en geven we er een nieuwe richting aan, een nieuwe karmische impuls. Geen gedachte werd ooit gecreëerd in een menselijk brein. De inspiraties van een genie, de meest verheven voortbrengselen van de menselijke geest, komen eenvoudig tot ons via verheven en grote geesten, ruime kanalen die zo’n sublieme stroom kunnen overbrengen.
    Een mens kan degenereren door constant lage en ontaarde gedachten te hebben. Aan de andere kant kan een mens zichzelf tot de goden verheffen door zijn geestelijke wil te gebruiken en zijn wezen open te stellen voor alleen die verheven gedachten die het soort indrukken op ons wezen achterlaten dat automatisch een actieve en onophoudelijke bron van inspiratie wordt. En hij kan de weg versperren voor lagere gedachten zodat deze niet blijvend een indruk op hem zullen maken.
    Op de kosmische schaal is de mystieke beeldengalerij van de eeuwigheid het astrale licht; en een deel van onze constitutie – in feite 99% daarvan, dat het aurische ei wordt genoemd – is een volmaakte beeldengalerij. Anders gezegd: het is niet alleen een ‘ontvangstation’, maar ook een ‘zendstation’ voor allerlei innerlijke ‘radioboodschappen’. Alles wat om ons heen gebeurt, wordt daarom onuitwisbaar op het aurische ei afgedrukt, als we ons bewustzijn toestaan hiervan kennis te nemen en het te ontvangen. Maar door onze wil en door innerlijke magische processen die door ieder van ons instinctief, zij het onbewust, worden gevolgd, kunnen we de âkâsische barričre die automatisch slechte gedachten buitensluit versterken, zodat ze geen blijvende indruk op ons maken. Dat wil zeggen dat deze gedachten in ons wezen geen onderdak vinden, zodat hun effect op het reďncarnerende ego vrijwel nihil is. Maar als we toelaten dat ze vat op ons krijgen, dan is de indruk die ze achterlaten eeuwigdurend. Het weefsel van ons bewustzijn ontvangt het onuitwisbare stempel ervan, waarna we moeten werken om de indrukken weer te wijzigen of te spiritualiseren zodat wanneer deze in de volgende wedergeboorte weer automatisch worden voortgebracht, deze dit niet langer zullen doen als een opnieuw voortgebrachte oorzaak van onheil en dan ook heel weinig oorzakelijke kracht zullen hebben.
    Gedurende het kosmische manvantara hebben de processen van individuele wederbelichaming plaats door de onophoudelijke werking van die inherente natuurwet, gewoonlijk de wet van oorzaak en gevolg genoemd. Deze keten van oorzaken strekt zich van manvantara tot manvantara uit, en inderdaad van eeuwigheid tot eeuwigheid; maar de entiteiten die zich binnen haar bereik ontwikkelen gaan altijd voorwaarts onder de nog ruimere karmische wet die de omsluitende entiteiten bestuurt waarvan de eerdergenoemde entiteiten samenstellende delen zijn. In dit beeld hebben we dus ‘wielen binnen wielen’, waarbij de grotere de kleinere omvatten; en terwijl de kleinere strikt hun eigen bestemming volgen, staan ze tegelijkertijd onder de krachtiger invloed van het meeromvattende karma van het grotere levenswiel.
    Alle karmische activiteit vindt plaats volgens de wet van de cyclussen, een fundamentele werking van de natuur, die op zichzelf een aspect van het kosmische karma is. Ja, cyclische of herhaalde werking die zich overal in de natuur manifesteert is maar een van de manieren waarop het kosmische karma zijn geheimzinnige doelstellingen bereikt. De natuur herhaalt zichzelf voortdurend en onafgebroken, zodat het grote wordt weerspiegeld in het kleine en het kleine is slechts een weerspiegeling van het grote; en dus wat er in het grote is, is er in het kleine in miniatuur.
    Waarom herhaalt de natuur zich overal en voortdurend in haar werkingen en structuur? Het antwoord ligt in het feit dat alle werkingen van de natuur de groeven moeten volgen van eerder verrichte activiteit; dat komt op hetzelfde neer als te zeggen: paden van kracht of energie, lijnen van de minste weerstand. We zien overal om ons heen deze werking van universele periodiciteit: dag en nacht, zomer en winter, expansie in de lente en terugtrekking in de herfst, zijn enkele voorbeelden hiervan. Al de planeten van ons zonnestelsel volgen hetzelfde algemene patroon van een omloop. Groei verloopt volgens cyclische of periodieke wetten; ziekten volgen eveneens cyclische wetten. De periode van de zonnevlekken is weer een ander voorbeeld van cyclische periodiciteit. In feite heerst er overal in moeder natuur periodiciteit; niet alleen op ons fysieke gebied, maar ook op de onzichtbare gebieden.
    Voor mensen zijn dood en geboorte evenzeer cyclisch of periodiek. We vormen geen uitzondering op de kosmische methoden en werkingen. Hoe zouden we dat kunnen? We verschillen niet van het heelal, want we zijn er onafscheidelijke en integrale delen van. We staan er niet buiten of los van, en dat zullen we ook nooit kunnen. De mens kan zich niet bevrijden van het heelal; niets kan dat. Wat hij ook doet, doet hij uit noodzaak, maar niet door het lot, want hij is de schepper van zijn eigen bestemming, die, juist omdat ze door de tijd heen in de schoot van het heelal steeds verder wordt ontvouwd, noodzakelijk voortdurend wordt beheerst door de inherente wetten van periodiciteit die daarin gelden. Periodieke of cyclische werking kan men inderdaad een gewoonte van de natuur noemen, en menselijke gewoonten worden op dezelfde manier gevormd, door herhaling, tot de entiteit tenslotte de gewoonte automatisch volgt: voorlopig is het de ‘wet’ die zijn handelen beheerst. Geboorte en dood zijn daarom in feite ingeslepen gewoonten van de reďncarnerende entiteit; en deze gewoonte van reďncarnatie zal door de eeuwen heen voortduren totdat deze langzaam wordt afgebroken door de groeiende afkeer van het reďncarnerende ego voor een materieel leven, omdat de aantrekking naar dit gebied langzaam haar greep op hem verliest. Het is allemaal onderdeel van de natuurlijke processen van eindeloze evolutionaire groei, wanneer de zich wederbelichamende monade tijdens haar omzwervingen door de werelden en sferen van het kosmische leven reist.
    Soms zijn de mensen bitter gestemd en verzetten zich tegen wat in hun eigen belang is. Zij verzetten zich tegen en bestrijden dat waarvan ze weten dat het het beste voor hen is, en ze kiezen het slechtste. Zó zaaien ze zaden die ze eens als vruchten zullen oogsten, maar wanneer ze hebben geoogst, zullen ze steevast weer andere zaden zaaien; en dus hoe laag een mens misschien ook ‘valt’, hij heeft altijd andere kansen om zich te herstellen, ad infinitum. Is er iemand die denkt dat deze leer de mogelijkheid biedt tot losbandige praktijken of zelfzuchtige en slechte werken? Als hij dat denkt, heeft hij de Wet niet begrepen. De vruchten van vergelding zijn altijd bitter, want men kan niet ontkomen aan de gevolgen van een eens verrichte daad, van een gedachte die men eens heeft gehad, of een emotie waarin men zich heeft laten gaan; want precies wat u zaait zult u oogsten, totdat u door bittere ervaringen de fundamentele les van het leven leert, en die houdt in dat u het zelf in steeds grotere harmonie brengt met het kosmische Zelf. Er is in het leven geen les die zo hard nodig is als deze: dat vergeldende rechtvaardigheid de essentie is van het kosmische zijn; en dit verklaart de verbazingwekkende orde en symmetrie van de structuur die in de universele natuur overal duidelijk aanwezig is. Hoeveel succes een mens soms ook kan hebben om aan de vergeldende gevolgen van het kwaad dat hij heeft gedaan te ontkomen, vroeg of laat zal hij door de automatische gewoonte van de natuur worden geconfronteerd met de levende schimmen van dat waarvan hij denkt dat het zijn dode verleden is, en ondanks zichzelf zal hij bewust of onbewust verplicht zijn om zijn fouten recht te zetten. Paulus sprak ware woorden in zijn Brief aan de Galaten (6:7): ‘Dwaal niet, God laat niet met zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.’ Evenzo zegt het oude boeddhistische geschrift, het Dhammapada: ‘zoals het wiel van de wagen de os op de voet volgt’.
    In westerse landen waren er de laatste twee- of driehonderd jaar maar twee alternatieve verklaringen voor de aard, de oorsprong en de bestemming van de mens: de theologische en de wetenschappelijke. De christelijke theologie beweerde eeuwenlang dat de mens een ‘eeuwige’ ziel heeft die niettemin bij de geboorte of rond die tijd werd geschapen, en die bij de dood een van twee onherroepelijke bestemmingen zal hebben: eeuwige verdoemenis in de vlammen van een nooit-eindigende hel, of een eindeloos bestaan in een ‘hemel’ waar de ziel ter rechterhand van de almachtige God zal zitten en eeuwig lofzangen zingt voor de Eeuwige. In geen van beide gevallen is ooit aangetoond dat de menselijke ziel zo’n lot kon hebben verdiend. Om eeuwige verdoemenis en eindeloze foltering te hebben verdiend, zou de ziel, welke maatstaf voor rechtvaardigheid we ook volgen, in haar leven op aarde ongetwijfeld een oneindige zonde moeten hebben begaan, zo ernstig, en die haar zo hevig bezoedelde, dat een eeuwigheid van lijden haar niet zou kunnen louteren. Of aan de andere kant zou de menselijke ziel vanaf haar ‘schepping’ zo bovenmatig en goddelijk sterk en goed moeten zijn geweest, dat een eeuwigheid van zogeheten gelukzaligheid een beloning zou zijn die nauwelijks voldoende zou zijn voor zo’n onuitsprekelijke deugd!
    De alternatieve verklaring dat de mens niets anders is dan een fysiek lichaam en dat wanneer dit lichaam sterft alles is afgelopen, schijnt even willekeurig te zijn als de theologische. Hoe dan ook, het idee van vernietiging zou bijna de voorkeur verdienen boven de weinig bezielende hemel van de oude theologie of haar volkomen weerzinwekkende hel. Dit doet denken aan een uitroep die wordt toegeschreven aan Voltaire: ‘Même le néant ne laisse pas d’avoir du bon!’ – ‘Zelfs vernietiging heeft haar goede kant!’ Het idee dat een bron van kosmische energie – en dat is wat een mens in werkelijkheid blijkt te zijn – zo volkomen en praktisch ogenblikkelijk kan worden vernietigd, is niet alleen onredelijk, maar wat erger is, is door en door onfilosofisch. Men moet wel tot de conclusie komen dat de twee verklaringen van de aard en bestemming van de mens, zoals die tot voor kort in westerse landen werden geboden, treurig in gebreke blijven om enerzijds overeen te stemmen met de betreffende omstandigheden en anderzijds het intellect tevreden te stellen.
    De krachten en de stof waaruit de hele constitutie van de mens is samengesteld zijn de krachten en stof van de universele natuur. De veronderstelling dat deze krachten en stof hun eigen essentiële eigenschappen geweld kunnen aandoen en dat de mens kan worden gedreven ňf naar een eeuwige hel ňf naar een eeuwige hemel in opdracht van een veronderstelde en dictatoriale scheppende entiteit is als hypothese niet te bewijzen. Geen van deze bestemmingen kan de worstelende en begrensde mens terecht hebben verdiend, en de bezielende monade voelt zich niet in het minst tot deze aangetrokken. Ook de veronderstelling dat zo’n entiteit als de mens, die een onafscheidelijk deel van moeder natuur is, uit zijn bestaan wordt weg gevaagd alleen maar door een verandering van gesteldheid of door de ontbinding van zijn laagste samenstellende deel, het lichaam, is niet te bewijzen.
    Wat wordt er van die krachten die actief waren? Wat wordt er van die krachten die bij de dood nog maar pas waren begonnen zich uit te putten? Het is duidelijk dat geen mens in één leven al de gevolgen uitwerkt van de gedachten die hij heeft gehad of van de daden die hij heeft verricht, van het goede dat hij deed en het onheil dat hij heeft gesticht. Waar zijn deze nog niet uitgeputte krachten heengegaan? Worden ze vernietigd? Zo ja, waardoor werd die vernietiging veroorzaakt, en wat voor bewijs is er dat zo’n vernietiging heeft plaatsgehad, afgezien van speculatief getheoretiseer? Maken we maar nutteloze gebaren op het toneel van het leven en sterven we dan om tot niets te worden?
    Ieder van ons wordt elk ogenblik gewogen op de weegschaal van de steeds werkzame en niet falende natuurlijke rechtvaardigheid door de nooit slapende werking van de kosmische wetten. We kunnen het evenwicht in de natuur niet verstoren, en zelfs door onze dood haar stromen van oorzaak en gevolg niet veranderen, zonder dat dit effect op ons heeft. Elke daad die we verrichten; elke gedachte die we denken, beďnvloedt ons gedrag; zo moet elk daarvan haar onvermijde lijke gevolg hebben, strikt evenredig aan de kracht die haar deed ontstaan. Het punt waarop we hier de nadruk leggen is: waar brengt die kracht of energie zich tot uitdrukking in gevolgen? Alleen na de dood, of in toekomstige levens? Het antwoord is in allebei, maar het meeste in toekomstige levens op aarde, omdat een aardse kracht zich in haar gevolgen niet doeltreffend kan manifesteren in gebieden die niet van de aarde zijn. Een oorzaak moet haar gevolgen hebben waar haar gebied van actie is en nergens anders, hoewel het volkomen waar is dat die gedachten en daden het gestel van de handelende persoon zodanig beďnvloeden dat zelfs de postmortale toestanden worden gewijzigd door wat er tijdens het leven is gedaan. Dit komt omdat zulke gedachten en handelingen de substantie van de wil en intelligentie waaruit ze oorspronkelijk voortvloeiden - d.w.z. de constitutie van de mens – grondig wijzigen. Ja, de energieën in ons die zich hebben gemanifesteerd als aanduidingen van hogere dingen, van innerlijke energische werkingen, blijven leven en vinden tenminste gedeeltelijke uitdrukking in de toestand na de dood. Ze kunnen niet anders, want ze zijn manifestaties van zuivere energie die niet teniet kan gaan, en zijn daarom meer verwant aan de geestelijke gebieden dan aan de aarde, waarin onze lagere neigingen ten volle tot uitdrukking komen.

We zien dus dat een mens wordt geboren en wedergeboren, en dat vele keren, niet in opdracht van iemand buiten hemzelf, noch uitsluitend door een automatische werking van zielloze substantie, maar alleen door de oorzaken die door en in hemzelf op gang werden gebracht; en wanneer die oorzaken optreden als gevolgen, zetten ze hem ertoe aan terug te keren tot de gebieden waar hij in andere levens op aarde heeft gewerkt. In ons huidige leven zetten wij allen door gedachten en daden oorzaken in beweging die ons in de verre toekomst weer naar deze aarde zullen terugbrengen. We zullen dan de oogst binnenhalen van de zaden van gedachten en emoties en handelingen die we in dit leven zaaien in de velden van ons innerlijk gestel.
    Dit is die keten van noodzakelijkheid, dat weefsel van het lot, dat iedere ziel, terwijl de dagen voorbijvliegen, schakel na schakel smeedt, de onbreekbare keten van oorzaak en gevolg – karma. Wanneer de dood komt, blijven de zaden van die oorzaken die wij tijdens ons leven op aarde hebben gezaaid, en die tot nu toe nog niet zijn ontkiemd, bestaan als latente impulsen die als slapende zaden gereedliggen voor toekomstige bloei in volgende levens. Omdat ze oorzakelijke zaden zijn, in het leven geroepen door het fysieke lichaam en zijn eigen lagere en innerlijke gestel, kunnen ze zich natuurlijk niet manifesteren op die onzichtbare gebieden waarin onze psychische natuur na de dood slaapt. Maar, en hier gaat het om: wanneer de menselijke ziel in haar postmortale periode van onuitsprekelijke gelukzaligheid haar periode van herstel van eigen krachten heeft voltooid, beginnen die zaden onmiddellijk het opkomende getij te voelen van de levenskracht vanuit de menselijke ziel die nu begint te ontwaken. Die zaden beginnen dan te ontkiemen en krijgen steeds meer de neiging zichzelf tot uitdrukking te brengen. Deze steeds groeiende stroom van ontwakende lagere krachten of energieën, overgebracht uit het vorige leven en tot nu toe sluimerend als zaden, trekt of drijft de ziel omlaag, naar een nieuwe incarnatie op aarde. Ze wordt automatisch aangetrokken tot de familie op aarde die in haar atmosfeer en omgeving het meest aan haar eigen neigingen en eigenschappen verwant is, en dus incarneert ze zichzelf in dat sympa thieke milieu als een menselijk kind. Zodra de verbinding met de mense lijke kiem tot stand is gekomen, beginnen de lagere elementen van de zich wederbelichamende ziel haar toekomstige lichaam te vormen; en, als het kind eenmaal is geboren en de kindertijd voorbij is, worden de processen van de zich dan ontwikkelende hogere natuur zichtbaar binnen de lagere natuur die is belichaamd in het fysieke gestel. Ieder mens die de psychische processen van zijn eigen gedachten en gevoelens heeft onderzocht, beseft dat er met het voorbijgaan van de jaren een onophoudelijke en voortgaande reeks innerlijke openbaringen is, het begin en de uitbreiding van een nieuw inzicht.
    De verschillende spirituele, morele, mentale en psychische stadia waar de mens vanaf zijn kindertijd tot hij volwassen is doorheen gaat, zijn analoog aan of werkelijk een herhaling in het klein van wat plaatsvindt in de veel ruimere bestemming van de zich wederbelichamende monade zoals die rondzwerft door tijd en ruimte, van haar eerste verschijnen als een niet-zelfbewuste godsvonk in het begin van het kosmische manvantara tot haar tegenwoordige staat van zelfbewuste mens. De zich wederbelichamende entiteit treedt de fysiologische omgeving binnen waartoe ze zich het sterkst voelt aangetrokken, wat slechts een andere manier van zeggen is, dat ze een kind wordt in de familie waartoe ze door haar eigen psychomentale en vitale karaktertrekken heel sterk wordt aangetrokken. Men moet ‘erfelijkheid’ dus niet zien als iets dat op zichzelf staat, want het zich wederbelichamende ego bezit in zijn constitutie bepaalde eigenschappen of kwaliteiten die hem aantrekken tot de familie waar soortgelijke of identieke kenmerken of eigenschappen reeds tot uiting zijn gekomen. In plaats van een oorzakelijk werktuig te zijn, is ‘erfelijkheid’ dus alleen maar de voortzetting van bepaalde typen of karakters, niet overgegaan ‘van ouder op kind’, maar van ouder op kind voortgezet. En zo’n voortzetting komt tot stand omdat dezelfde kenmerken en typen eigen zijn aan of horen bij de zich weder belichamende ego’s die als kinderen worden geboren.
    Soms ontmoeten we mensen die zeggen: ‘Mijn God! moet ik nog een leven doormaken zoals ik dat nu meemaak? De hemel beware me! Ik heb mezelf niet hier gebracht, en de hemel weet dat ik niet in een leven zoals dit wil terugkeren!’ Wel, wie bracht u hier? Iemand anders? God, misschien? Dan is God verantwoordelijk en hoeft u zich ook niet meer te verzetten tegen het leven waarvan u zo’n afkeer heeft. Volgens die theorie maakte onze veronderstelde Schepper ons zoals we zijn; en omdat hij alwetend is, wist hij precies en in detail wat we gingen doen, en toch schiep hij ons voor verdoemenis of voor de hemel? – en geen van beide zouden we zelf hebben kunnen verdienen, want we waren geschapen voor het een of het ander in goddelijke alwetendheid en zonder de minste keuze van onze kant!
    Daartegenover zegt de theosofische leer dat ieder mens na verloop van tijd in de eindeloze duur precies ontvangt wat hij voor zichzelf heeft opgebouwd. Als hij eenmaal deze verheven waarheid heeft geleerd, zal hij zijn gelaat naar de opgaande zon keren, want het gevoel van morele verantwoordelijkheid zal zijn hart zijn binnengegaan en dit zal al zijn toekomstige handelingen leiden en beheersen.
    Omdat één leven niet lang genoeg is om alle krachten en vermogens van de ziel gelegenheid te geven tot bloei te komen, is het onvermijdelijk dat de mens telkens weer op aarde komt om zijn nog niet uitgeputte aspiraties in vervulling te doen gaan, of totdat hij alle zich niet geopenbaarde neigingen tot zwakheid heeft overwonnen. Bij de geboorte bezielt of ‘overschaduwt’ de reďncarnerende entiteit een mannelijk of vrouwelijk lichaam, in beide gevallen op grond van psychomentale en emotionele oorzaken die in de laatste paar voor afgaande geboorten op aarde in het leven waren geroepen. Het geslacht is bij mensen een voorbijgaande gebeurtenis in de bestemming van het zich wederbelichamende ego; de oorspronkelijke mensheid was geslachtloos, en de mensheid zal, na tussenliggende stadia te hebben doorgemaakt, in de verre toekomst op deze aarde opnieuw geslachtloos worden. Het geslacht is dus niet iets dat zich tot in de wortels van de menselijke constitutie uitstrekt, maar is een gevolg van vroegere gedachtebezinksels, van emotionele en psychische mentale neigingen waaraan men in vroegere levens op aarde heeft toege geven, zodat deze neigingen tijdelijk betrekkelijk sterke invloeden zijn geworden die het zich wederbelichamende ego vrijwel automatisch leiden bij zijn keuze, in zijn volgende belichaming op aarde als een jongen of een meisje. De voortbrengende oorzaken zijn niet dieper geworteld dan in het laagste deel van het menselijke ego of zijn ziel, en in het geheel niet in een van de edeler of hogere beginselen van de samenstelling van de mens.
    Gewoonlijk blijft het ene of het andere geslacht als een bijna automatische en betrekkelijk onbewuste keuze van het reďncarnerende ego gedurende enkele incarnaties bestaan, en dan vindt een bepaald aantal keren incarnatie in een lichaam van het andere geslacht plaats. Waarom en hoe gebeurt dat? De hoofdoorzaak van de verandering van geslacht is de sterke aantrekking tot het andere geslacht gedurende de paar – of in zeldzame gevallen kan het een groot aantal zijn – voorafgaande levens op aarde. Deze aantrekking, die de onmiddellijke oorzaak is van de genoemde neigingen en voorkeuren, die ontstaan uit het denken en de energie van emoties, vervrouwelijken of vermannelijken de levensatomen, al naar het geval; en het natuurlijke gevolg is een incarnatie in een lichaam van het geslacht waartoe zo’n aantrekking leidt.
    Het terrein van de seks krijgt zijn passende deel van de altijd vloeiende stroom van boven, maar alleen wanneer de lagere hartstochtelijke natuur zo goed onder controle wordt gehouden dat de stem van de innerlijke godheid kan worden gehoord, en haar geboden en opdrachten worden nagekomen. De meest mannelijke man en de meest vrouwelijke vrouw zijn dus niet mensen die hun aandacht in hoge mate richten op het terrein van de seks of op emoties die daardoor worden geboeid, maar zij die zich kunnen verheffen boven deze lagere gebieden van menselijk bewustzijn naar de ether van de hogere natuur. Dit moet in geen enkel opzicht worden beschouwd als een filosofische censuur van de eigen plaats die het geslacht speelt in het tegenwoordige evolutiestadium van de mens; want het hedendaagse huwelijk, zoals we dat bij de meeste mannen en vrouwen zien, is niet alleen gepast, maar is aan te bevelen, afgezien van het feit dat het een van de beste waarborgen is tegen losbandigheid en immoreel gedrag. Een eerzaam huwelijk houdt in dat men verantwoordelijkheden en plichten op zich neemt en banden van vertrouwelijkheid onderhoudt die hoogst belangrijke lessen in zelfvergetelheid en vaak zelfverloochening met zich meebrengen, in de loop waarvan het menselijk karakter wordt versterkt, zelfzucht wordt ondermijnd, en zorgzaamheid en steeds denken aan anderen en het verlangen zich te bekommeren om hun welzijn zo voortdurend in de psychologie van mannen en vrouwen worden ingeprent dat ze tot een gewoonte worden en daardoor integrale delen van het karakter worden dat daardoor des te sneller zal groeien en zich ontplooien.
    Men zou eraan kunnen toevoegen dat maar betrekkelijk weinig mensen in het tegenwoordige stadium van evolutie in staat zijn met volkomen succes welbewust normale menselijke betrekkingen en plichten opzij te zetten om het eenzame maar toch verheven pad van het chelaschap te betreden. Toch wordt dit niet gezegd om iemand te ontmoedigen de eerste stappen te zetten op dit verheven pad, want iedereen die een fatsoenlijk en oprecht leven leidt, kan dit doen; maar het wordt gezegd met het oog op die enigszins onstandvastige zielen die denken dat een zelfopgelegde lichamelijke onthouding is te bewonderen of aan te bevelen, hoewel het denken misschien een beerput van schandelijke neigingen is.
    Deze eerste stappen op het pad kunnen door iedereen worden gezet, en bestaan uit een innerlijke zuivering van hart en geest, en uit het reinigen van de Augiasstal van het mentale of emotionele of psychische vuil dat als een korst om de lagere mentaal-hartstochtelijke constitutie van de mens ligt. Niet hij die zich lichamelijk onthoudt en een geest heeft die wordt bezoedeld door slechte zinnelijke dromen volgt het pad, maar de man of vrouw, in welke positie ook in het leven, die met krachtige wil en door strenge training, begint om zo strikt mogelijk aan hen waarmee hij of zij banden heeft van eer of plicht, of aan wie hij of zij moreel is verbonden, die welwillende rechtvaardigheid en zorgzaamheid te geven die hen toekomt.
    Sterke genegenheid en sterke antipathie zijn psychomagnetische krachten die de man of vrouw waarin zij bestaan sterk kunnen beheersen, hetzij tot hun toekomstig welzijn of ongeluk. Het was een wijs man die zei dat liefde en afkeer fundamenteel hetzelfde zijn, maar gepolariseerd om verschillende richtingen te volgen. Antipathie of haat is niet altijd weerzinwekkend of afstotend in zijn manier van handelen en de resultaten die eruit voortvloeien, maar schijnt een even mysterieuze aantrekkende kracht te bezitten als liefde. Dit feit wordt geďllustreerd door de analogie met elektriciteit of magnetisme die twee polen hebben.
    Waar dus ňf liefde ňf haat over de kloof van de dood blijft bestaan, zoals praktisch altijd het geval is, brengen de karmische oorzaken een hereniging tot stand van hen die oorspronkelijk deze tegengestelde gevoelens hebben ervaren, en onvermijdelijk ontmoeten ze elkaar weer in latere levens. Als het ene of het andere gevoel heel sterk is geweest, is het heel goed mogelijk dat beide individuen in dezelfde familie incarneren. Gevallen van broers en zusters, en zelfs van ouders en kinderen, die een ‘onverklaarbare’ antipathie voor elkaar hebben, komen vaak genoeg voor om ze algemeen te erkennen. Het hele wezen van de mens is in de hem omringende natuur gewikkeld, en hij kan evenmin ontkomen aan het lot dat hijzelf heeft gemaakt door vele voorafgaande levens als dat de planeten van het zonnestelsel kunnen ontsnappen aan de dwingende greep van hun centrale zon.

Andere mensen zeggen: ‘Ik houd niet van het idee van reďncarnatie. Het lijkt me niet waar te zijn, omdat ik me mijn vroegere levens niet herinner.’ Maar waarom zou iemand zich zijn vorige levens herinneren? We zouden kunnen vragen: ‘Herinnert u zich zelfs in dit leven wanneer u zich voor het eerst bewust werd? Herinnert u zich wat er vanochtend is gebeurd zodat u alle details ervan in de juiste volgorde in herinnering kunt roepen? Herinnert u zich wat er een jaar geleden op deze dag van de maand gebeurde?’
    Als het argument van het ‘zich niet herinneren’ van enige waarde is om te gebruiken tegen het feit van reďncarnatie, dan geldt hier dezelfde regel. Voeg daarbij dat in elk nieuw lichaam zich een nieuw fysiek brein bevindt dat het werktuig is van het fysieke geheugen, dan is het duidelijk dat men niet als argument tegen een vorig bestaan kan aanvoeren dat het brein zich geen dingen kan herinneren die plaatsvonden vóór dat brein bestond, eenvoudig omdat het er nog niet was om zich te herinneren wat er gebeurde. Niettemin blijft er een herinnering hangen in de innerlijke structuur en het weefsel van het reďncarnerende ego – en het is mogelijk, hoewel uiterst moeilijk, om vroegere gebeurtenissen niet alleen in grote lijnen uit de lagen van het bewustzijn los te maken, maar ook in de kleinste details. Maar dit is voor de meeste mensen gelukkig onmogelijk; want als men in zijn vorige levens kon terugzien en daar de verschrikkingen zou zien, de angsten van hart en ziel, zou men terugschrikken voor die onthulling als voor een kijkje in de hel, ondanks het feit dat men er eveneens daden van edelmoedigheid en durf zou vinden, voorbeelden van zelfopoffering, en al het andere dat de vroegere levens mooi hebben gemaakt. Niemand die werkelijk weet wat het betekent ‘te schouwen in zijn vroegere incarnaties’ zou er ooit naar verlangen, maar hij zou zijn geboortester zegenen dat hij vóór zijn geboorte in de Lethe werd gedompeld, de rivier van gezegende vergetelheid, en niet langer wordt gekweld door de schimmen van boze herinneringen uit een onwaardig verleden. De onthullingen zouden hem ongetwijfeld een psychiatrische inrichting injagen. Op de vraag van A.P. Sinnett: ‘Beschikt u over het vermogen om de vroegere levens van nu levende personen terug te zien en hen te identificeren?’ antwoordt meester K.H.: ‘Helaas hebben enkelen van ons dit vermogen. Ik zou het niet graag gebruiken’ (De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 157).
    Zie bijvoorbeeld hoe een kinderziel zich ontwikkelt van een peuter, via de kindertijd, de jeugd, tot volwassenheid. In ieder stadium krijgt ze nieuwe krachten en vermogens; ze herinnert ze zich en vergeet dan dadelijk heel veel dat geen belangrijke indruk op de ziel heeft gemaakt. Niettemin is ergens in de innerlijke constitutie van de mens alles onuitwisbaar opgetekend, zelfs tot in de kleinste details.
    Een treffend bewijs dat de individualiteit blijft bestaan vindt men in die gevallen van psychisch geheugenverlies, waarbij een mens plotseling totaal alle persoonlijke herinnering en zelfs zijn werkelijke identiteit verliest. Dan, na verloop van tijd, keert het geheugen misschien even plotseling terug als het hem verlaten had. Volgens de theorie van ‘ik herinner me mijn vorige levens niet’, heeft zo iemand nooit zijn eerdere leven gehad; hij was nooit zijn vroegere zelf – eenvoudig omdat hij door zijn vreemde ziekte al die gebeurtenissen volledig was vergeten.
    Maar in feite hebben we wel een herinnering, maar meer in grote lijnen dan in bijzonderheden. We herinneren ons de dingen die in een leven de meeste indruk op ons bewustzijn hebben gemaakt, en die zich op ons karakter hebben afgedrukt en het hebben gevormd; die zich zo hebben gegrift op de schrijftabletten van de herinnering, van het denken en van de ziel, dat ze ons als onuitwisbare feiten en actieve functies van het bewustzijn zijn bijgebleven. Zelfs onze liefde voor de waarheid is de herinnering aan kennis die in vroegere levens werd verworven.
    Tennyson schreef op jeugdige leeftijd een sonnet, dat om een onbekende reden gewoonlijk in de latere edities van zijn werk wordt weggelaten.

Als we met neergeslagen ogen dromen,
    Wegglijdend in een eerder zijn,
    Afdwalend in verwarde schijn
    Naar een staat van mystiek overeenkomen;

Als je sprak, kuchte of je stoel verliet,
    Steeds groeide het wonder meer en meer.
    Dus zeg ik, dit alles was aleer,
    Waar wanneer, ik weet het niet.

Dus vriend, dra had ik jouw gelaat gekend,

Of onze gedachten reageerden, het is goed,
    Als spiegels opgesteld tegenover elkaar.

De plek weet ik niet meer of het moment
    Waar ik jou toen zo vaak had ontmoet.
    In elkaars hart en denken woonden we daar.
                                – Early Sonnets, I

Ja, dit is een van de dingen die we bewust met ons mee terugbrengen – liefde, herkenning van geestelijke sympathieën en wat de wortel van dit alles is, KARAKTER.
    Wat is karakter – die totaliteit van een ziel? Het is niet alleen de gedachten die ze had, en de emoties die ze heeft doorgemaakt, en de bron van alle daden die ze heeft verricht – karakter is meer dan dit alles. Het is de innerlijke stroom van geestelijk leven, een centrum of kracht, van waaruit de oorspronkelijke motieven voortvloeien die tot een daad, tot intelligentie en morele impulsen worden. Daarom is het karakter van een entiteit het zelf van die entiteit, tweevoudig in zijn manifestatie maar in essentie een eenheid; de essentiële stroom van bewustzijn, en het samengestelde weefsel van het denken, de emotie en de daaruit volgende impuls die ontstaat door de uitwerking van de krachten van het essentiële centrum op het omringende heelal waarin het leeft en beweegt en zijn bestaan heeft.
    Maar gebruiken we het woord karakter in de meer beperkte betekenis van de kleur van de individualiteit waarvan de manifestatie voortvloeit uit het essentiële zelf, en die daarom een wezen of entiteit ‘karakteristiek’ verschillend maakt van enige andere entiteit, dan wordt duidelijk dat ‘karakter’ op die manier gebruikt, psychologisch wordt gevonden in de ontwikkelde resultaten van ervaring die de schering en inslag van de zich manifesterende monade vormen, en daarom de opgehoopte karmische gevolgen van vroegere levens is. Iedere boom, plant, dier, ja elk atoom of iedere molecule heeft zijn eigen karakter, precies zoals een mens zijn karakter heeft dat hem onderscheidt van alle andere mensen. In al deze gevallen is dit karakter het karma van het verleden van de entiteit, zodat een mens feitelijk zijn eigen karma is.

Plato schreef alle kennis, wijsheid en innerlijk weten toe aan herinnering, het zich te binnen brengen van de gedachten die we hadden en van zowel de ideële als de materiële dingen die we in andere levens tot een deel van onze eigen ziel maakten. Deze herinneringen brengen we uit vorige levens als ons karakter mee; want het karakter van een mens is de bron van al zijn vermogens, genie, neigingen en instincten, aantrekkingen en afstotingen.
    Waar kwamen al deze elementen van ons karakter vandaan? Ze waren beslist niet toevallig, want we leven in een geordende wereld van strikte oorzakelijke activiteit waarin gevolgen volgen op vroegere oorzaken waaruit ze zijn voortgekomen. Door deze keten van oorzaken wordt het karakter opgebouwd, of nauwkeuriger, door de evolutie of emanatie van de innerlijke krachten of impulsen van iemands geest-ziel die altijd nieuwe uitingsmogelijkheden zoekt voor verdere expansie in telkens andere levensgebieden. Ieder van ons volgt die bijzondere levenslijn die voor hem noodzakelijk is door de richtinggevende invloeden van de verzameling van alle eigenschappen en neigingen uit zijn vroegere incarnaties die nu, als zijn huidige karakter, zijn samengebracht rond het monadische zelf dat de kern van zijn wezen is.
    Voor zover het hen betreft die in hun leven meer verdriet en strijd ontmoeten dan rechtvaardig schijnt, zijn die moeilijkheden terug te voeren op hun eigen verkeerde gedachten, gevoelens en handelingen in vorige incarnaties. Weloverwogen verdorvenheid van wil, onverschilligheid voor de ethische wet, en verwaarlozing van het goede gebruik van zijn eigen vermogens, hebben in vroegere levens trekken van onvolmaaktheid in hun karakter achtergelaten; en wanneer ze nu incarneren, openbaren die karmische resultaten zich onvermijdelijk in de vorm van onvolmaaktheden in het begrip of in beperkte vermogens, die onfeilbaar leiden tot perioden van ongeluk of verdriet.
    Toch is de natuur in wezen goed, want haar hart is absoluut mededogen. Het hele streven van het leven is een voortdurende drang naar verbetering, en de natuur geeft ons zo, door herhaalde incarnaties, ontelbare kansen om door onze fouten te leren, en ons karakter te vervolmaken. Het zijn in geen geval de armen of zij die lijden, die op de lange duur noodzakelijk het ongelukkigste zijn. Een kind dat wordt geboren met een schatkamer aan kwaliteiten in zijn geest-ziel, en daarom een karakter bezit dat wordt geleid door edele aspiratie, heeft iets waar een troetelkind van het lot niets van weet. De eerstgenoemde heeft iets van onuitsprekelijke waarde om op terug te vallen, ondanks alle beproevingen en verdriet die hem misschien overkomen, en dat iets – is hijzelf! Hij heeft in het binnenste van zijn ziel onnoembare schatten die gereedliggen om te gebruiken, en waarop bijna naar welgevallen een beroep kan worden gedaan. Anderzijds kan wat gewoonlijk vanuit het standpunt van materiële voorspoed een gelukkig leven wordt genoemd, niet bijzonder goed zijn voor een zwakke ziel gezien de bijna eindeloze reeks gelegenheden die de verleiding biedt waardoor hij op het levenspad omlaag kan gaan. In een toekomstig leven zal de keten van oorzaken die zwakke ziel leiden naar die plek waar ze door haar gedegenereerde neigingen toe wordt aangetrokken.
    De natuur maakt geen radicale fouten. Reďncarnatie is slechts het karmische resultaat van het in evenwicht brengen van de krachten in de constitutie van mensen. De reden waarom een oorzaak die in één leven op gang is gebracht, zich in dat leven niet kan openbaren, noch misschien in het volgende, is eenvoudig dat er zich nog geen gelegenheid heeft voorgedaan. Zo kunnnen de oorzaken latent blijven in het karakter van de mens gedurende één of twee of zelfs een dozijn levens, voordat ze een geschikt terrein vinden om tot uitdrukking te komen.

Om beter en duidelijker te begrijpen hoe de mens wordt geboren en wedergeboren, zou men enige kennis moeten hebben van wat er nu eigenlijk naar het fysieke leven op deze aarde terugkomt. Het is niet de ‘vonk’ of het centrum van de godheid die, zonder tussenliggende bekleedsels van bewustzijn, incarneert. Dit is onmogelijk, want zo’n onderbreking tussen het spirituele en het grove vlees en bloed zou een te grote kloof zijn. Er zijn tussenliggende en overbrengende factoren nodig om het geweldige vuur van de geest te transformeren zodat het door middel van zijn geëmaneerde straal het fysieke brein en lichaam kan bereiken. Bovendien heeft de goddelijke vonk zo’n fysieke ervaring niet nodig; want zij verheft zich hoog boven zulke lage toestanden waardoorheen ze zich in lang vervlogen eonen van evolutionaire cyclussen in de stof had geëvolueerd om een volledig ontplooide monade te worden. De goddelijke vonk blijft voor altijd in haar eigen sfeer van volkomen bewustzijn en geluk, van onuitsprekelijk licht en onzegbare macht. Toch is ze onze essentiële kern, onze goddelijke wortel; d.w.z. dat ieder mens in zijn diepste innerlijk door zo’n individuele monade wordt verlicht. Zoveel monaden in de hemel, zoveel mensen op aarde.
    Ook is het niet het fysieke lichaam dat reďncarneert, want dit lichaam is maar het werktuig door middel waarvan de reďncarnerende entiteit zich op dit fysieke gebied uitdrukt; en bovendien valt het lichaam aan het eind van ieder leven uiteen in zijn samenstellende delen. Het is het reďncarnerende ego dat door middel van zijn uitgeworpen straal zich weer belichaamt en daardoor zijn fysieke voertuig, het lichaam, bezielt en bijeenhoudt. Niettemin kan men in één opzicht zeggen dat het fysieke lichaam van één leven op aarde zich opnieuw belichaamt niet in maar als het fysieke lichaam van het volgende leven. Dat komt omdat de rondzwervende levensatomen die, als het lichaam bij de dood uiteenvalt, worden bevrijd en hun om zwervingen door de elementen en natuurrijken voortzetten. Ze worden weer naar elkaar toegetrokken om het lichaam in het volgende leven op aarde te vormen door de sterke psychomagnetische kracht die op hen wordt uitgeoefend door het ‘neerdalende’ zich wederbelichamende ego.
    Er zijn tussen de goddelijk-geestelijke monade en het fysieke lichaam een aantal tussenliggende gebieden van de menselijke constitutie, en elk van deze heeft zijn eigen karakteristieke vermogens en krachten. Ieder van die tussengebieden is het terrein van manifestatie van een van de bewustzijnscentra of monadische beginselen van de mens. Om nauwkeurig te zijn, het is een bepaald deel van deze psychische of tussennatuur die in leven na leven incarneert; want ze is de bron van waaruit de ‘persoonlijke entiteit’ die de draden van haar lot op deze aarde weer opneemt, zelfbewust gaat functioneren.
    Hoe lang duurt het voordat de reďncarnerende entiteit naar deze aarde terugkeert? Dat hangt af van een aantal factoren. Er is een regel in het occultisme, gebaseerd op de werkwijze van de natuur, dat een mens gewoonlijk niet reďncarneert binnen honderd keer het aantal jaren dat hij op aarde heeft geleefd. Als we dan het gemiddelde van een mensenleven in deze tijd op maar vijftien jaar stellen, en dit met honderd vermenigvuldigen, zien we dat de gemiddelde tijdsperiode tussen de dood en de volgende wedergeboorte op aarde vijftienhonderd jaar is, hoewel niet wordt beweerd dat dit precies juist is. Er zijn tijden waarin de gemiddelde lengte van een mensenleven misschien twintig of zelfs veertig jaar kan zijn, en daarom varieert deze postmortale periode aanzienlijk, in bepaalde gevallen zelfs enorm. Vaststaat dat de duur van de tijd doorgebracht in devachan wordt bepaald door de mate van spiritualiteit van de mens tijdens zijn leven op aarde, meer dan door enige zuiver statistische regel van gemiddelden.
    Het lijkt misschien vreemd dat er zo’n groot verschil zou zijn tussen de relatief korte tijd die door de mens op aarde wordt doorgebracht en de veel langere tijd die hij tussen twee levens in de onzichtbare werelden doorbrengt, vooral wanneer men bedenkt dat de perioden van manvantara en pralaya min of meer even lang zijn; niettemin is de analogie volmaakt. Spreken we over manvantara en pralaya dan spreken we over zichtbare en fysieke dingen; maar beschouwen we de mens als een manifestatie, dan moeten we denken aan de vreemde paradox dat hij als een evoluerende ziel verder is ontwikkeld dan de aarde waarop hij leeft. Dus heeft een mens, al is het in zijn kleinere bewustzijnssfeer, meer dan de geest van de aarde, dromen van schoonheid, verwachtingen die hij jaar in jaar uit op aarde heeft gekoesterd, en intuďties van geestelijke verhevenheid waarvoor geen leven op aarde lang genoeg is om ze te vervullen. Dus heeft hij met deze geestelijke aspiraties en intellectuele verlangens waarvan hij vol is, een langere tijd van herstel nodig en van ongebonden geestelijk-mentale activiteit om deze daarin een kans te geven tot bloei te komen. Hoe illusoir ze op zichzelf ook zijn, ze zijn heel reëel en worden intens ‘gevoeld’ door het ego in het bewustzijn waarvan deze dromen voorkomen.
    Zo is devachan: een periode van geestelijke en verheven intellectuele bloei van onderdrukte energieën, die hun uitwerking hebben op het weefsel van het karakter van de dromende entiteit die ze ervaart en ze aldus in zich opneemt. Zo wordt in devachan het karakter door deze geestelijke en intellectuele uitbreidingen van bewustzijn sterker gevormd of gewijzigd dan zelfs tijdens het leven op aarde, dat een ‘wereld van oorzaken’ is, terwijl devachan een ‘wereld van gevolgen’ is.
    In het manvantara en de pralaya van een zonnestelsel is de kosmische dag gelijk aan de kosmische nacht; want hier hebben we te doen met fysieke dingen waarbij de schaal in evenwicht is. Hiermee wordt volstrekt niet bedoeld dat het zonnestelsel geen geestelijke of onzichtbare delen heeft. Hier wordt gedoeld op het onderscheid tussen de kosmische dag en kosmische nacht aan de ene kant en de levensperioden van de hele menselijke constitutie aan de andere kant, met zijn geestelijke en intellectuele natuur die veel verder is geëvolueerd dan zijn fysieke lichaam.
    Onze menselijke ‘dag’, ons aardse leven, is voor de meeste mensen zo vol geestelijke en intellectuele verlangens naar schoonheid en wijsheid dat geen leven op aarde lang genoeg is om ze te vervullen; maar omdat ze diep geestelijke en intellectuele krachten zijn die tot uitdrukking willen komen in functie en actie, en gewoonlijk daarin worden tegengewerkt, hebben we de gelegenheid om ze in devachan tot uitdrukking te brengen. Maar als we ons herinneren dat bewustzijn steeds onafgebroken blijft bestaan, omdat de mens in wezen een bewustzijnsstroom is, en dat wij periodiek wanneer we op aarde terugkomen objectief bewustzijn krijgen, dan is het duidelijk dat deze aspiraties, hoezeer ze ook in devachan zijn vervuld, met ons terugkeren met een telkens iets grotere kans om te worden vervuld. Wanneer we bedenken dat deze wederbelichamingen van het ego zullen voortduren zolang onze planeetketen in dit manvantara duurt, dan gaan we beter beseffen dat we honderden en honderden keren naar de aarde zullen terugkeren, en dat we elke keer als ons karma het toestaat, beter worden toegerust om deze aspiraties en geestelijke en intellectuele verlangens in het weefsel van ons karakter innerlijk te versterken, dat daardoor in de loop van de eonen constant wordt verbeterd en veredeld.
    Ja, onze meest verheven dromen komen niet altijd uit, omdat ze bij hun verwezenlijking zich steeds uitbreiden en zich ontwikkelen tot iets dat nog grootser en hoger is. Hoe vaak wordt dit niet geďllustreerd door het opgroeiende kind, dat als adolescent niet langer hunkert naar de dingen uit de kinderkamer, en als hij een volwassen man is geworden, de gewoonten uit zijn jeugd aflegt.

Hoe hoger een mens op de evolutieladder staat, hoe langer gewoonlijk het devachan is; en hoe meer de mens grof materieel is, des te korter is zijn devachan. Zo zien we dat grof denkende mensen relatief gesproken heel snel reďncarneren; terwijl geestelijk ingestelde mensen veel langer in de onzichtbare werelden blijven. Waarom? Omdat hun zielen daar thuis zijn en omdat ze, doordat ze spiritueel verder zijn ontwaakt, een veel sterkere affiniteit voelen met die werelden, terwijl deze grofstoffelijke sfeer in zekere zin voor hun zielen een vreemd land is. Want zoals een mens in een incarnatie op aarde een leven leidt dat min of meer ten volle wordt bestuurd en beheerst door het karma van die mens, en daardoor aan dat leven binnen redelijke grenzen van variatie een bepaalde termijn stelt, zo wordt na de dood de devachanische periode verkort of verlengd door het karma van het zojuist geleefde leven op aarde, verenigd met het resterende nog niet uitgewerkte karma van vroegere levens. Als het individu een spiritueel karakter heeft gehad, en tijdens het leven op aarde maar een klein deel van zijn idealistische verlangens in vervulling zijn gegaan, omdat de meest recente incarnatie geen volledige gelegenheid bood om ze tot uitdrukking te brengen, dan is het waarschijnlijk dat de devachanische tussenperiode lang zal zijn.
    Als daarentegen de mens tijdens zijn vorige incarnatie een slecht leven heeft geleid, een leven waarin hij opging in de dingen van deze materiële sfeer, als hij hongert naar steeds meer sensatie totdat het hunkeren een ziekte van de ziel wordt, dan zal de aantrekking tot deze materiële sfeer op de devachanische entiteit heel sterk zijn; en dus zodra het geringe deel van onvervulde geestelijke hoop zal zijn tevredengesteld, wanneer de energie ervan in devachan zal zijn uitgeput, dan zal de sterke aantrekking naar de aarde de overhand krijgen. In zulke gevallen is de devachanische periode heel kort, als het individu niet een absoluut zielloze entiteit is.
    Zulke gevallen van ‘absoluut zielloze’ wezens zijn echter uiterst zeldzaam. Toch komen ze voor; en ze worden in de esoterische filosofie ‘verloren zielen’ genoemd. De lezer moet niet de fout maken te denken dat ieder individu dat een grof materieel of zelfs een misdadig gedegenereerd leven leidt een ‘verloren ziel’ is; want zolang er zelfs nog maar één spirituele aspiratie overblijft, hoe zwak ook de straal en hoe flauw het licht ervan dat in hun constitutie misschien nog schijnt, hebben ze een kans om innerlijk verlost te worden en terug te keren van hun weg naar beneden door gebruik te maken van hun eigen wil en keuzevrijheid, en hebben de mogelijkheid om weer omhoog te klimmen naar het licht. Zulke ‘verloren zielen’ hebben gewoonlijk heel wat ingeboren intelligentie, scherpzinnigheid en een vruchtbaar denkvermogen, want zulke energie is een half automatische werking van de oorspronkelijke geestelijk-intellectuele impulsen die in vroeger tijden in de constitutie actief waren toen dat ‘normaal’ of ‘gemiddeld’ was. Men kan dit misschien vergelijken met het geval van een machine die loopt en goed werk doet, maar die nog een tijdje doorloopt nadat de oorspronkelijke aandrijvingskracht is uitgeschakeld. De ‘machine’ is in dit geval eenvoudig aan het ‘uitlopen’.
    De meeste mensen hebben een bestaan in devachan van middellange duur. Een doorsnee goed mens, die oud is geworden – bijvoorbeeld 85 jaar – zal volgens de regel ongeveer 85 keer honderd jaar (8500 jaar) in de onzichtbare gebieden van het leven blijven. Een mens die op 40 jarige leeftijd sterft zal ongeveer 4000 jaar in de onzichtbare gebieden doorbrengen voor hij op aarde terugkeert. Toch moet deze regel niet al te streng worden toegepast. Individuele gevallen verschillen enorm, met ingewikkeld karma voor ieder geval; hoewel de regel geldt voor statistische gemiddelden, zal hij dan ook bijna zeker worden aangepast als het afzonderlijke individuen betreft. Een man zoals Plato zou (als andere omstandigheden het probleem niet ingewikkelder zouden maken) vele duizenden jaren in devachan kunnen doorbrengen.
    Er zijn ook heiligen; en boven deze, mensen van nog hogere geestelijke en evolutionaire rang – de werkelijk groten en de boeddha’s en christussen. Deze laatsten zijn zo ver geëvolueerd dat ze geen postmortale periode van assimilatie nodig hebben om te herstellen van de ervaringen van het afgelopen leven. Daarom verschilt de postmortale bestemming van de laatste twee klassen van die van de meerderheid van de mensheid. Als regel keren ze snel weer op aarde terug, en dat alleen als zijzelf dat wensen, gemotiveerd door een heilig verlangen om hun medemensen te helpen in hun evolutionaire vooruitgang. Want als we de devachanische toestand nauwkeurig analyseren, moeten we tot de conclusie komen dat, hoe schoon en geestelijk deze misschien ook is en hoezeer een gelegenheid tot herstel, hij toch tijdelijk een toestand van geestelijke afzondering is, en daarom, althans in essentie, een zelfzuchtige toestand. Toch is voor de grote meerderheid van de mensen devachan een noodzakelijk geestelijk intermezzo, juist omdat het een periode is van herstel en ongestoorde vrede waarin een heropbouw plaatsvindt van de innerlijke substantie van de constitutie door het verwerken van de ervaringen van het leven dat zojuist is afgesloten. Niettemin is het in wezen een zelfzuchtig bestaan omdat het volkomen afgesloten is van het leven en bestaan van andere wezens. Gedurende honderden of misschien duizenden jaren die in devachan worden doorgebracht, hebben de entiteiten rooskleurige dromen van onuitsprekelijk geluk en vrede, en al zou de wereld die ze hebben achtergelaten ten onder gaan, ze weten er niets van en bekommeren zich er niet om. Als ze het wisten en zich er zorgen om maakten, zou dit onzegbare angst en ellende in hun toestand brengen, wat de facto absoluut onmogelijk is, want dan zou het niet langer devachan zijn.
    Het denken of de geest van de boeddha’s van mededogen verkeert echter niet in die toestand, maar zij wijden hun hele wezen aan een zuiver onzelfzuchtige dienstbaarheid aan het welzijn en de vooruitgang van alle andere wezens, ongeacht de soort, de evolutionaire graad, of geestelijke en morele positie. Dus zal een onpersoonlijke liefde voor alle wezens, groot en klein, ons bevrijden van zelfs de heerlijke dromen van devachan; en juist deze geest van verlangen om allen zonder onderscheid te helpen, die toch geheel in overeenstemming is met de kosmische wet en harmonie, vormt de essentie van de geest die de boeddha’s van mededogen beheerst.
    In de verre toekomst zullen mensen hun nu latente spirituele vermogens en krachten zozeer hebben ontwikkeld, dat de hele mensheid uit voorbeelden zal bestaan van de geest die in de hiërarchie van de boeddha’s van mededogen heerst. De mensheid gaat gestaag naar deze grote bekroning van de evolutie, hoewel ze zich er helemaal niet bewust van is; maar de mahâtma’s en hun chela’s zijn zich hiervan wčl bewust. Zoals blijkt uit de levens en het onderricht van de leden van de grote broederschap, leeft en werkt daar dezelfde geest die de hiërarchie van mededogen als leidraad dient; want deze vertegenwoordigt die hiërarchie hier op aarde. Daarom is de training van de chela’s van de mahâtma’s met opzet erop gericht om, zover het onder de karmische wet mogelijk is, de geestelijke en intellectuele vermogens van de chela’s of discipelen te stimuleren zodat ze hun evolutionaire ontwikkeling sneller kunnen voltooien dan de gemiddelde mens, en dus het grote doel bereiken of de vervulling van al hun meest verheven dromen en hoogste verwachtingen.
    Een van de trainingsmethoden is de poging om een verkorting van devachan tot stand te brengen, zodat afgezien van alle andere factoren, door de chela meer tijd wordt gewonnen voor zelfbewust streven en het verrichten van goede daden, wat onmogelijk is wanneer het zich wederbelichamende ego is opgegaan in de dromen van devachan.
    Aldus doet de chela een bepaald aantal levens lang alles wat in zijn vermogen ligt onder leiding van zijn leraar, om de periode van devachanische rust te bekorten, door methoden te volgen die onder andere inhouden: een intense geestelijke en mentale concentratie op het koesteren van een onpersoonlijke liefde voor al wat leeft, wat een even sterk verlangen in zich sluit om alle wezens, welke ook, te helpen om geestelijk en intellectueel te groeien. Dit streven of deze poging verandert dus de plaats van het bewustzijn van de chela, van de gewone plaats die het in de menselijke constitutie inneemt naar een geestelijker en dus onpersoonlijker deel van zijn innerlijke wezen. Dit verplaatsen van het bewustzijn van de discipel naar hogere gebieden treft de wortel van de oorzaken van devachan, waardoor de behoefte aan devachan geleidelijk zwakker wordt. De gedachte is dat de discipel zijn zelfbewuste werkzame vermogens in een deel van zichzelf plaatst dat niet langer de devachanische periode van herstel nodig heeft of vereist.
    De leringen van de oude wijsheid en hun verspreiding in de wereld zouden de kern van het denken moeten zijn van hen die aspiraties hebben, want deze aspiratie brengt de hogere wens-energieën tot geestelijke activiteit waarvan de werking tot voorbij de dood van het lichaam reikt. Omdat deze zijn geworteld in de geestelijke gebieden, al ligt hun werkterrein op aarde, zijn ze dus steeds aan het werk om zelfs tijdens het leven op aarde het zelfbewuste centrum in de geestelijke gebieden te plaatsen, en zo verheffen ze dan de beoefenaar van deze ene ware spirituele yoga tot ver boven het verlangen naar en de behoefte aan de devachanische postmortale intermezzo’s.
    Anderzijds, de mens die verlangt naar vrede voor hemzelf, die hunkert naar kennis voor hemzelf, of misschien leeft in een religieuze of muzikale of filosofische of poëtische of wetenschappelijke of een andere dergelijke wereld van hemzelf, zonder de overheersende wens anderen te helpen – is iemand die het langste devachan zal hebben, het meest uitgesproken van karakter, en daarom het meest intense. Waarom? Omdat het een concentratie is van het zelf – het menselijke zelf – op die dingen voor iemands eigen individuele bevrediging en genoegen, die de devachanische vrucht voortbrengt van dat waarnaar men op aarde had verlangd en waarvoor geen enkel leven op aarde op enige wijze lang genoeg is om een adequate vervulling daarvan te bereiken. Het zijn juist deze gefrustreerde verlangens naar het verwezenlijken van schoonheid, verheven denken en geestelijke genoegens voor het individu, die na de dood het devachan teweegbrengen.
    Wanneer de chela zich dus onder geschikte leiding oefent en zich niet langer concentreert op het individuele zelf, dan verheft hij zich boven het gebied van devachan met zijn myriaden bewustzijnstoestanden. De discipel begint dus zijn devachan te bekorten en ten slotte heeft hij niet langer de behoefte devachan te ervaren. Wanneer dit laatste stadium is bereikt, is hij een meester van het leven, een ‘geslaagde’ discipel.
    Deze training van het individu door het zich richten op het onpersoonlijke en onzelfzuchtige leven houdt echter geen moment in dat men de menselijke plichten die men reeds op zich heeft genomen, verzaakt. Juist het omgekeerde is het geval. Niemand kan werkelijk een discipel of chela van de meesters zijn die moedwillig en onbezonnen verplichtingen en plichten van zich werpt die nog niet zijn vervuld. Die werkwijze zou precies het tegenovergestelde zijn van wat de chela nastreeft; want het zou slechts een nieuwe soort concentratie zijn, en in dit geval een heel zelfzuchtige, van zijn wensen en zijn aandacht op zichzelf, en geheel tegengesteld zijn aan het onpersoonlijke en onzelfzuchtige leven dat een vergeten van zijn eigen persoonlijke wensen en verlangens betekent waarvan hij de gezworen tegenstander is geworden.

De lezer zou zich kunnen afvragen wat er gebeurt in het geval van kleine kinderen die sterven? Wat is de aard van hun devachan, als dat er al is? Een kind dat sterft reďncarneert snel, en de reden voor zo’n spoedige wedergeboorte is dat het in zijn korte levensperiode geen tijd heeft gehad om een weefsel van persoonlijk bewustzijn op te bouwen, bestaande uit onvervulde aspiraties, enz.
    Het schijnt treurig en bijna nutteloos te zijn dat een mens op aarde wordt geboren om die na zo’n korte bestaansperiode weer te verlaten. Toch gebeurt alles in de natuur volgens de wetten van harmonie en dus van aanpassing. Alle gevallen van een voortijdige dood doen zich voor door karmische oorzaken uit vorige levens. De ziel heeft voor zichzelf bepaalde belemmeringen opgebouwd, ze heeft bepaalde doelen niet kunnen bereiken, en het kan gebeuren dat er door de vaak tegenstrijdige elementen die in het karakter van het individu werken, een poging wordt gedaan te incarneren, maar op een verkeerd moment. De drang in het reďncarnerende ego om te incarneren is zo sterk dat het zich met het ongeboren lichaam van een kind verbindt op een moment dat niet geschikt is om met succes het leven op aarde te kunnen voortzetten; of het kan zijn dat een zich wederbelichamend ego zich weer wil belichamen met een last van karmische complicaties en een karakter dat onfeilbaar de dood met zich brengt.
    Er zijn ook veel gevallen van mensen die sterven vóór wat zonder karmische tussenkomst een gelukkige oude dag zou zijn; maar al die gevallen van een vroegtijdige dood zijn te wijten aan karmische oorzaken die in het leven op aarde bij de eerste de beste gelegenheid uitwerken, en worden niet willekeurig veroorzaakt door buiten kosmische invloed of macht; en ze gebeuren alle voor het uiteindelijke welzijn van het zich wederbelichamende ego.
    Ieder geval van een te vroege dood wordt door een devachanisch interval gevolgd dat in lengte varieert en strikt in overeenstemming is met de oorzaken die in beweging zijn gezet in het juist afgesloten leven. Als de voortijdige dood in de jeugd intreedt, zou de norm een overeenkomstig kort devachan vereisen; als dat in de volle bloei van de volwassenheid gebeurt, zou devachan overeenkomstig langer zijn. De zaak wordt echter gecompliceerd door het feit dat bepaalde individuen van een hoog geestelijk en intellectueel type de facto een veel langer devachan zouden hebben dan een mens van een grof materieel karakter; zodat zelfs een te vroege dood van een jong persoon kan worden gevolgd door een devachan dat veel langer is dan het relatief korte devachan van een mens met een grof karakter die niettemin erg oud was geworden.
    Verder zijn er andere soorten mensen, bijvoorbeeld zwakzinnig geborenen voor wie devachan praktisch niet bestaat; of gevallen van zelfmoord waarbij mensen, juist omdat ze hun eigen leven afsnijden vóór het zijn karmische loop had volbracht, daardoor vernietigen wat een voortdurende opeenstapeling van devachanische oorzaken zou zijn. Er zijn ook gevallen van hen die stierven door geweld, zoals door moord, of als slachtoffer van oorlog of van een ongeluk: in al die gevallen gelden dezelfde algemene regels. Iets anders om te onthouden is dat devachan alleen kan komen wanneer het zich wederbelichamende ego het laatste spoortje van de lagere beginselen volledig heeft losgelaten: eerst het fysieke lichaam met zijn grove dierlijke levenskracht, en het bijbehorende lingasarîra, en dan de laagste kâma-mânasische bezinksels. In gevallen van een plotselinge dood, zoals door een ongeluk of door geweld, volgt er onmiddellijk en onveranderlijk een bewusteloosheid, totdat een bepaalde periode is afgelopen; deze periode is exact gelijk in lengte aan wat de gewone levensduur zou zijn geweest van het levende fysieke lichaam als niet door een ongeluk of door geweld de dood zou zijn ingetreden.
    Het geval van een zelfmoord is enigszins anders, en de gevolgen die optreden na zelfdoding zijn vaak vreselijk. Er is in de wereld tegenwoordig een groeiende tendens om zelfmoord te beschouwen als iets dat niet alleen ethisch toelaatbaar is, maar zelfs aanbevelenswaardig. Zelfmoord is nooit goed te praten, omdat ze een inbreuk is op het plan van de karmische bestemming die de mens vroeger voor zichzelf had gemaakt. In dit kader of deze opzet van omstandigheden werken de wetten van de natuur met niet falende nauwgezetheid en rechtvaardigheid om daaruit voor de mens zelf de beste gevolgen te doen voortkomen. We kunnen deze wetten niet terzijde schuiven, want ze zijn de werkingen van geestelijke intelligenties in het kosmische heelal, en ze besturen dat heelal; en deze intelligenties weten veel beter dan wij wat uiteindelijk het beste is, niet alleen voor onszelf maar ook voor het heelal waarin we leven en bewegen en ons hele bestaan hebben.
    Maar dit feit beperkt op geen enkele wijze de vrije werking van de wil van de mens, noch belet het in enig opzicht de vrijheid om te kiezen; maar de natuurwetten zien toe op elke selectie van de vrije wil en keuze van de mens, en werken in samenhang daarmee en tot op zekere hoogte ondergeschikt daaraan. De reden hiervan is dat de essentiële wil en intelligentie van de mens niet van de samen wer kende activiteit in het heelal rondom ons zijn afgeleid, maar van de geestelijke essentie van het heelal zelf. Als een mens gebruikmaakt van zijn vrije wil, handelt hij vanuit de werkelijke bron van het goddelijke in hemzelf, en dus rijst hij door iedere zodanige handeling van vrije wil en vrije keuze, zelfs al is hij intellectueel misleid, in zekere zin uit boven het lagere structurele raamwerk van het heelal, omdat zo’n willen en kiezen eigen is aan de fundamentele essentie van de kosmos.
    Daarom wordt de vrije wil of de vrije keuze van de mens niet ‘begrensd’ of beperkt door het omringende heelal, maar is meer of minder ontwikkeld, strikt naar verhouding van de evolutionaire status van de mens zelf. Dezelfde regel is van toepassing op alle wezens en entiteiten in het heelal, want ieder van hen is in het hart van zijn wezen op dezelfde manier verbonden met de essentie van het universum. De mug heeft evengoed als de god zijn beetje vrije wil, die als wil of keuze in beide gevallen volkomen vrij zijn, maar er is een onmetelijk verschil in de kracht om te handelen. In beide gevallen is de wil, de ‘hoeveelheid’ wilskracht, even vrij; maar omdat de innerlijke vermogens en krachten van een godheid verder zijn ontwikkeld, handelt hij om zo te zeggen met een groter volume of kracht van de wil, hoewel de essentiële eigenschap van vrijheid dezelfde is.
    Ieder die zichzelf doodt is in feite tijdelijk krankzinnig, verkeert in een abnormale toestand van emotionele spanning en mentale verwrongenheid; maar maakt het vuur een einde aan zijn aangeboren eigenschap van branden omdat een dwaas zijn vinger in het vuur steekt? Worden de natuurwetten opzijgeschoven omdat een mens als een krankzinnige handelt? Zelfs geestelijk gehandicapten kunnen leren; ze zijn althans op hun manier bewust. Zelfs zwaar gehandicapten kunnen tot op zekere hoogte leren. Waarschijnlijk kunnen alleen geboren zwakzinnigen niets anders leren dan alleen de zuiver fysieke handelingen.
    Ook kan men niet naar waarheid zeggen dat zelfmoord een zogenaamd onverantwoorde daad is. De mens die zichzelf doodt is voor zijn daad verantwoordelijk, juist omdat hij min of meer actief mentaal bewust is, hoe verwrongen zijn geestesgesteldheid tijdelijk misschien ook is. De mens die zichzelf doodschiet of gif inneemt, of op een andere manier zelfmoord pleegt, begaat een daad waarvoor hij tot de geringste kleinigheid aansprakelijk wordt gesteld; want hij is verantwoordelijk, en de natuurwetten zullen op hem en op zijn daad strikt onpartijdig reageren, want zij kennen geen gunst of angst. De natuurwetten kunnen niet worden opzijgeschoven omdat de werking ervan ons niet bevalt.
    Een mens wordt geboren met een bepaalde voorraad levensenergie, en hij kan niet werkelijk sterven voordat die voorraad tot de laatste druppel of het laatste beetje energie is uitgeput. Als het fysieke lichaam gewelddadig uit de weg wordt geruimd door het te doden, blijft de mens op de innerlijke gebieden even sterk actief als voorheen, maar in een toestand tien keer zo erg als die waarin hij verkeerde toen hij op aarde was belichaamd, omdat de mens op de innerlijke gebieden er helemaal is behalve het fysieke lichaam dat nu ‘dood’ is; en door deze daad van zelfmoord heeft hij zich in een bewustzijnstoestand gebracht waarin hij voortdurend de zelfmoorddaad zal herhalen met een steeds toenemende mentale afschuw, totdat de tijd aanbreekt dat de voorraad levenskracht is uitgeput. Dan komt voor hem een gelukzalige vergetelheid, totdat het ego op aarde opnieuw incarneert.
    De zelfmoord betekent het tijdelijke verlies van de geestelijke en intellectuele greep van een individu op zichzelf; maar het doden van het fysieke lichaam is een geweldige schok voor de innerlijke constitutie, omdat daarbij het hogere deel wordt losgemaakt van het lagere. Ogenblikkelijk volgt bewusteloosheid voor korte of lange tijd, afhankelijk van het individuele geval; dan volgt een langzaam of snel ontwaken in de astrale wereld of kâmaloka, waar het geschokte bewustzijn, waarin de afschuw over de laatste daad is gegrift, telkens weer de zelfmoord herhaalt; want die daad heeft zo’n indruk op het bewustzijn achtergelaten dat dit overheersend en dwingend functioneert. Het herhalen van de handeling gaat voort en wordt steeds minder intens tot het moment waarop de dood van de mens normaal zou zijn ingetreden als hij nog op aarde had geleefd. De entiteit verzinkt dan weer in een bewusteloosheid, en gedurende die tijd bevrijdt het hogere ego, dat tot nu toe op de lagere gebieden onbewust was, zich van de lagere delen van de constitutie en glijdt geleidelijk weg in de zegenrijke devachanische toestand waarin het zijn voorraad opgehoopte geestelijke verlangens uitput, tot de tijd voor zijn volgende karmische belichaming op aarde aanbreekt.
    Het is natuurlijk waar dat ogenblikkelijke bewusteloosheid, volledig en op alle gebieden, tijdelijk volgt op de dood van het fysieke lichaam; precies zoals het in slaap vallen een tijdelijke en toch onmiddellijke bewusteloosheid met zich meebrengt vóór de fase van het dromen begint. Zoals de dromer tijdelijk onderhevig is aan de ongeregelde grillen van het bewustzijn in de droomwereld, en die zijn het enige wat het fysieke brein van de dromer kan bereiken, zo volgt na de dood en zijn tijdelijke ogenblikkelijke bewusteloosheid eveneens een periode van verblijf in de kâmaloka waarin het lagere deel van het bewustzijn zijn dromen heeft – onrustig bij slechte mensen en bijna niet bestaand bij de mens met een hoogontwikkelde spiritualiteit. Als de mens die zichzelf heeft gedood een gemiddeld en normaal mens is met spirituele verlangens, glijdt hij tenslotte na de tijdelijke bewusteloosheid van de dood en de boze dromen in kâmaloka, naar de devachanische toestand die hij in zijn voorbije leven heeft verdiend. Als hij een slecht en heel materialistisch persoon is geweest, dan zal het devachan overeenkomstig kort zijn, maar deze gevallen zijn zeldzaam.
    In dit verband zou het volgende troost kunnen geven aan de treurende familieleden van een zelfmoordenaar. Als degene die zelfmoord heeft gepleegd op oudere leeftijd sterft en van het geestelijke type is, dan zal de toestand in kâmaloka kort zijn, en het devachan zal een veel langere duur hebben. Natuurlijk speelt het motief een belangrijke rol bij het veroorzaken van de soort gevolgen die optreden. Als de zelfmoord als daad een beoordelingsfout was, te wijten aan een gebrek aan kennis van de natuurwetten, en ook aan een of meer van het grote complex emotionele aandoeningen waar mensen in deze tijd aan lijden, en als de daad geen sterk element van grote zelfzucht bevatte, en overwegend werd gepleegd op grond van verkeerde gedachten voor het welzijn van hen die achterblijven, dan is het duidelijk dat de zelfdoding veel minder in zich heeft van de diepe morele blaam die er zou zijn als de zelfmoord alleen werd gepleegd omdat de mens die zich van het leven beroofde een lafaard was, of werd gemotiveerd door een andere immorele of verachtelijke reden. In al deze gevallen, zonder uitzondering, bepaalt alleen de kwaliteit van het bewustzijn de aard en kwaliteit van de gevolgen in kâmaloka van de zelfmoord.
    Dit alles ziet men duidelijk bij ongelukken, of bij de plotselinge dood door geweld, zoals moord of de dood op het slagveld. De dood van een goed mens bijvoorbeeld door een auto-ongeluk, of door de daad van een moordenaar, brengt geen slechte gevolgen mee voor iemand die op die manier sterft. Integendeel, er zal tenslotte een grote en overvloedige geestelijke vergoeding zijn in devachan. Niettemin kan het devachan niet intreden totdat wat de natuurlijke levensperiode zou zijn geweest voorbij is. Dit is een natuurwet, omdat de voorraad fysiek-astrale levenskracht in alle gevallen moet worden uitgeput voordat het zich wederbelichamende ego zich van de lagere delen van de constitutie kan bevrijden.

In verband met wederbelichaming wordt vaak nóg een vraag gesteld: Reďncarneren dieren? Het antwoord is ja. Dieren reďncarneren of belichamen zich opnieuw zoals alle andere ‘bezielde’ entiteiten dat doen; want een dier is, evenals een mens, een straal van een zich wederbelichamende monade. Toch zijn er belangrijke verschillen: de mens is een min of meer hoog geďndividualiseerd en ontwaakt ego, terwijl in het geval van de dieren het ontwaken van de ikheid, anders gezegd het functioneren van het mânasische bewustzijn, nog maar in een pril beginstadium verkeert. Mensen reďncarneren als meer of minder geďndividualiseerde ego’s, die ieder daarom in het bezit zijn van wilskracht, intellectueel onderscheidingsvermogen, gezond verstand en het morele instinct dat als richtsnoer dient bij zijn keuze ten goede of ten kwade; en al deze vermogens bestaan ook in de dieren, maar latent. Zelfs de planten wederbelichamen zich; evenals de atomen op hun eigen bijzondere gebied. Maar in geen van de rijken lager dan de mens zijn individuele gevallen van wederbelichaming de reďncarnatie van min of meer ontwikkelde ego-zielen zoals in het geval van individuele mensen.
    Het dier reďncarneert als een dicht omhulde en niet erg heldere monadische straal; het mist de specifieke eigenschappen of vermogens van een mens, omdat de evolutie deze vermogens nog niet tot zelf-uitdrukking heeft gebracht. In feite kunnen we zeggen dat het dier een onontwikkeld of baby-ego is, zoals de baby een niet-ontwikkelde of baby-mens is.
    De mens is niet alleen een centrum van kracht van een geestelijk, intellectueel en psychisch karakter, maar ook een brandpunt van waaruit de vitale, astrale en fysieke eigenschappen van de menselijke constitutie tot manifestatie komen. De mens schept zo zijn eigen lot, en wikkelt zichzelf in de wirwar van het net van zijn wezen, en legt daardoor voor zichzelf niet alleen de oorzaak van zijn eonen lange pelgrimstocht die hij maakt door de sferen, maar ontwikkelt ook de voertuigen waarin hij in deze verschillende sferen of werelden woont.
    De kerngedachte is dat de mens precies krijgt wat hijzelf wenst. Hij kan zich na verloop van tijd tot een god opwerken, die hij uiteindelijk in de lange loop van de evolutie zal worden; maar terwijl hij in de richting van dit grote doel van menselijke evolutie werkt, kan hij zichzelf ook in de verschillende diepten van een onwaardig bestaan brengen. Dit is de achtergrond van het oude gezegde: ‘Want zoals hij in zijn hart denkt, zo is hij’ (Spreuken, 23:7). De richting van het denken en verlangen van een mens bepaalt in alle gevallen niet alleen zijn lot, maar het pad dat hij zal volgen, de valkuilen die hij zal ontmoeten, of het geluk dat hij voor zichzelf op zijn tocht door de eeuwen zal scheppen.
    Niemand heeft deze kerngedachte van de esoterische leer ooit beter uitgedrukt dan Yâska, een hindoeschrijver uit de oudheid, die zelfs vóór de tijd van de grote Pâńini zou hebben geleefd.

Yadyad rűpam kâmayate devatâ, tattad rűpam devatâ bhavati.
                                                            – Nirukta, X, 17, 6

wat vertaald luidt: ‘Naar welk lichaam (of vorm) een goddelijk wezen ook verlangt, juist dat lichaam (of die vorm) wordt het goddelijke wezen.’
    Tijdens zijn omzwervingen door de werelden en de sferen staat het zich wederbelichamende ego niet los van het heelal, want dat kan het niet, en daarom gaat het niet slechts lichaam na lichaam binnen; maar op grond van zijn eigen vroegere karma, dat de totaliteit is van het ego zelf, wordt het de wezens en de dingen die het wenste of waarnaar het verlangde. Zijn begeerten en verlangens drijven het niet alleen ertoe lichamen aan te nemen die qua eigenschappen en hoedanigheden volkomen beantwoorden aan zijn eigen innerlijke dringende behoeften, maar het verbindt zich zo nauw hiermee dat het ze ook wordt - eenvoudig omdat het ernaar heeft verlangd en zich eraan heeft gelijkgemaakt.
    Deze grote waarheid van de natuur laat zien waarom de latente karmische zaden van impulsen, eigenschappen en emoties die overkomen uit vroegere manvantara’s, de rondzwervende monade ertoe brengen haar eonenlange reis in de werelden van stof en vorm te ondernemen, waarbij ze zich gedurende eeuwen en eeuwen daarmee vereenzelvigt, totdat haar eigen uit zichzelf ontstane en inherente verlangens en wensen naar hogere dingen haar weer doen terugtrekken naar de hogere sferen en werelden van de geest. Dit is de sleutel tot de oorzaken waardoor de spirituele monade in de stof ‘valt’, en later daaruit oprijst en na verloop van tijd een volledig zelfbewuste godheid wordt; en bovendien waarom en hoe het zich wederbelichamende ego wordt aangetrokken tot de hemelen en hellen.
    Wederbelichaming is de leer van herhaalde kansen voor allen, die voortdurend en in een cyclische opeenvolging terugkomen, in leven na leven, waarbij het reďncarnerende ego herhaalde kansen krijgt om de vermogens en de eigenschappen van de geestelijke monade in hem te ontwikkelen. Op die manier werden de Groten wat ze zijn.
    De menselijke ziel, het zich wederbelichamende ego, kan aan deze aantrekkingen die zijzelf vroeger heeft veroorzaakt niet ontkomen; ze heeft door haar eigen daden, eigen gedachten, haar eigen krachtige emoties, rond zichzelf het weefsel van het lot geweven waarin ze wordt vastgehouden. Dit alles brengt haar terug naar het fysieke leven.
    Want of de geest van de mens tijdelijk verblijf houdt voorbij Sirius of de poolster of de uiterste grenzen van de ruimte, hij kan de werking van de universele krachten niet beperken. Ze zullen hem terugroepen naar de plaats van vroegere aantrekking, en de zaden van toen zullen ontkiemen - zo niet in dit leven, dan toch in een volgend leven of volgende levens, wanneer de barričres zullen wegvallen door de drang van de innerlijke karmische impulsen om zich tot uitdrukking te brengen. Deze zaden zullen hun vruchten dragen in hem, hun oorsprong en ‘schepper’.
    Het leven is in werkelijkheid dat stille, smalle pad, zoals de Upanishads van de hindoes het zeggen, DAT HEM DIE HET VOLGT, LEIDT NAAR HET HART VAN HET HEELAL; en deze mystieke reis brengt de vervulling van de grote zoektocht van alle mensenzielen.


De Esoterische Traditie, blz. 365-98

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag