14

Het leven – in feite en in theorie

De 19de eeuw die nog niet is vergeten maar die in geen enkel opzicht wordt betreurd, heeft aan haar kind de 20ste eeuw een erfenis nagelaten waarvan de wereld nóg de last draagt; maar er zijn tekenen die wijzen op een bevrijding van haar onzalige heerschappij in geestelijk, intellectueel en moreel opzicht. Zij was een harde en bittere eeuw, een waarin elk aangeboren normbesef van de menselijke ziel een zware tol moest betalen.
    Er is in de geschiedenis, voor zover wij die kennen, waarschijnlijk geen enkele eeuw waarin morele mislukkingen in zo grote aantallen zijn opgetekend en die zo zwart is geweest door de bijna onbeteugelde zelfzucht en de strijd om de macht. Het was een zelfvoldane, zelfgenoegzame en heel egoïstische tijd, waarin de mensen zich verbeeldden dat ze de top hadden bereikt van alle mogelijke kennis van religie, filosofie en wetenschap; en dit alles werd voornamelijk tot stand gebracht door geestelijke en morele instincten ondergeschikt te maken aan een strijd om materiële welvaart te bereiken, gepaard gaand met nationale en politieke zelfzucht, wat uitliep op de verschrikkelijke internationale conflicten, en een hoogtepunt bereikte in de wereldwijde psychische brand van 1914.
    Ook in andere opzichten was het een vreemde eeuw, vol opvallende tegenstellingen en onmogelijke tegenstrijdigheden die naast elkaar bestonden en elkaar in het leven van de mensen probeerden te verdringen. Het was een eeuw waarin de meeste mensen bepaalde verkeerd begrepen geloofsovertuigingen aanhingen in één deel van hun brein, en in een ander deel wetenschappelijke theorieën koesterden die even onbewezen waren als de religieuze ideeën, maar die geheel onverenigbaar en daarom niet met elkaar te verzoenen waren. De menselijke natuur was gespleten, tegen zichzelf verdeeld door deze zwak waargenomen tegenstrijdigheden die de meeste mensen niet eerlijk onder ogen wilden zien.
    Iedereen had het over de leer van broederlijke liefde; maar de praktijk, zowel in internationale kwesties als in nationale, sociale en politieke betrekkingen, ging regelrecht tegen de edele leer in. Het was inderdaad een eeuw waarin de verering van het geweld, hoewel verhuld, overal merkbaar was; en hoewel men steeds zei ‘recht is macht’, was de praktijk bijna altijd ‘macht is recht’. Toch kan elk verstandig mens zien dat de alles goedmakende eigenschap in de betrekkingen van mens tot mens en van land tot land de onbuigzame wil is om welwillend rechtvaardig te zijn tegenover allen, ongeacht zijn eigenbelang.
    Er bestaat waarschijnlijk geen helderder beeld van de feiten dan dat wat kan worden gevonden bij het bestuderen van De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett. Hier deden twee van de grote leraren van de mensheid hun uiterste best tenminste een paar zaden van spiritualiteit te zaaien in het denken van twee gewone mensen uit de 19de eeuw, A.P. Sinnett en A.O. Hume. Sinnett was misschien de meerdere wat betreft geestelijk onderscheidingsvermogen, terwijl Hume misschien wat betreft intellectuele vermogens wat hoger stond. Twee typische mannen uit de 19de eeuw met al hun intellectuele gebreken en ook de relatief weinige deugden van hun tijd, correspondeerden met twee mahâtma’s; en niets zou interessanter kunnen zijn dan de verbazingwekkende en geduldige welwillendheid op te merken van de leraren in hun strijd tegen de volkomen onbewuste en toch ongelooflijke zelfvoldaanheid en het zelfgenoegzame egoïsme van hun twee ‘lekenchela’s’. Ze hadden een houding waarin ze er bijna onafgebroken op aandrongen dat de oude wijsheid moest worden overgebracht in overeenstemming met de denk- en zienswijze die zij in hun egoïsme vaststelden als het kanaal door middel waarvan de boodschap aan de mensheid moest worden overgebracht. Zij hielden vol dat er tijd zou worden gewonnen door het teweegbrengen van ‘verschijnselen’, waarbij ze dachten dat door het verrichten van materiële wonderen de wereld bijna met geweld tot het geloof in de esoterische wijsheid zou worden bekeerd. Toen de leraren erop wezen dat dit juist de slechtste manier was om de basis te leggen voor de geestelijke en intellectuele filosofie, was het voor de twee ‘lekenchela’s’ onmogelijk te begrijpen dat ‘verschijnselen’ onvermijdelijk de vraag oproepen naar meer ‘verschijnselen’. Toen de mahâtma’s vervolgens ronduit verklaarden dat het beter was voor de leringen van de oude wijsheid om voor altijd onbekend te blijven voor het brede publiek dan te worden gebaseerd op zulk drijfzand, gaven de twee ‘discipelen’ duidelijk te kennen dat volgens hen zedelijk gedrag en ethiek alleen maar conventies van de samenleving waren en geen werkelijke basis hadden in natuurwetten. Daarom vonden ze dat de voorwaarden voor het doorgeven van de verheven boodschap van de meesters zowel onnodig als willekeurig waren.
    Theosofen zijn Hume en Sinnett echter oprecht dankbaar voor het werk dat beiden hebben gedaan voor The Theosophical Society, waaraan ze enige tijd waren verbonden. Het was voor hen een gouden kans om direct in persoonlijk contact te komen met twee leden van de grote broederschap, iets wat zo zelden voorkomt dat men het zou kunnen beschrijven als een even zeldzame gebeurtenis als de verschijning van de traditionele feniks.
    Sinnett en Hume waren vooral geïnteresseerd in vraagstukken over leven en dood, maar omdat zij mensen van de 19de eeuw waren is het waarschijnlijk dat leven en dood voor hen twee volkomen tegengestelde dingen waren in plaats van twee aspecten van hetzelfde proces: een doortocht van de evoluerende en rondzwervende menselijke monade naar en weer uit de sfeer van de aarde. Met andere woorden, de dood is slechts een van de functies van het leven; en het juiste tegengestelde van de dood is niet ‘leven’ maar geboorte.
    In deze tijd zijn de inzichten van de mensen enorm veranderd. Het verwerpen van oude wetenschappelijke verboden en vooroordelen, die hun grootste bloei in de laatste jaren van de 19de eeuw hadden bereikt, heeft voor het huidige wetenschappelijke onderzoek zo’n nieuw en tot nu toe onbetreden terrein van denken en onderzoek geopend dat er nu een volkomen nieuwe gedachteatmosfeer heerst.
    Snel nadert de wetenschap het ogenblik dat zij bereid is tenminste enkele van de fundamentele leringen van de archaïsche wijsheid aan te nemen. Een van de voornaamste ideeën en opvattingen van niet weinigen is dat de essentie van het Zijn geest-stof is, zoals sommigen het noemen, of kosmisch bewustzijn zoals de esoterische traditie het noemt. Dit is werkelijk een enorme vooruitgang vergeleken bij het alles ontkennende materialisme dat aan het einde van de 19de eeuw bijna universeel werd aangenomen. Het spreken over een ‘kosmische wiskundige’ of over een ‘kosmische kunstenaar’, hoewel heel gebrekkig uitgedrukt, is een grote stap vooruit.
    ‘Leven’ en ‘dood’ zijn twee processen of ‘gebeurtenissen’, of beter, twee fasen van ervaring van de monadische kracht-substantie. Wat het gemanifesteerde heelal betreft, zijn ‘leven’ en ‘dood’ twee aspecten van de identieke werking van een universele kosmische kracht, die in alle perioden van evolutionaire manifestatie deze tweeledige vorm aanneemt. Maar achter deze twee processen staat de intelligente drang, de bewuste drijvende kracht of energie die wezens en dingen ertoe brengt om een pad van ontwikkeling te volgen dat al latent in de kiem of het zaad – kosmisch of individueel – aanwezig is, en dat door evolutionaire groei de intrinsieke factoren van de individualiteit ontvouwt die in het begin in het hart van het zaad van de toekom stige entiteit latent waren.
    Wat is deze drijvende kracht, deze intelligente en levende drang in de kiem? Elk van die kiemen of zaden is een van het oneindige aantal gemonadiseerde atomen van het kosmische leven. Wanneer we de individuele entiteit beschouwen, zoals een mens, een dier, een plant, of een atoom van een mineraal, wordt het nodig in bijzonderheden te treden, en we zien dat deze drijvende kracht of innerlijke drang de naar buiten gerichte werking is, of de uitdrukking van de stroom van levensenergie die in de monade opkomt en daaruit naar buiten vloeit, want de monade is het geestelijke centrum of de kern van elke entiteit. Dit geestelijke centrum is zelf een entiteit, waarin de karakteristieke eigenschappen of de individualiteit ervan in de eindeloze duur verborgen liggen en van daaruit uitstromen om tot evolutionaire ontwikkeling te komen. Dit is in het kort de algemene betekenis van de leer van svabhâva.
    Waarom is een eikel altijd de ouder van een eik? Waarom brengt een appelpit onveranderlijk een appelboom voort? Deze vragen zijn niet slechts banale herhalingen van iets dat iedereen weet; het zijn werkelijke vragen die door de westerse wetenschap nog nooit zijn verklaard. Het is volkomen zinloos te zeggen, dat ze ‘zomaar’ op die manier groeiden, want we hebben hier te maken met een feit van diepzinnig filosofisch, religieus zowel als wetenschappelijk belang. De leer van svabhâva, van de karakteristieke geestelijk-vitale monade, geeft antwoord op deze vragen door te stellen dat de eikel of elke andere individuele kiem onveranderlijk zijn eigen soort voortbrengt, op grond van de inwonende karakteristieke individualiteit, de monadische karakteristiek of straal in het hart van de kiem van de eik of van de appelpit. Wanneer alles in het wilde weg groeit, als er geen keten van geïndividualiseerde veroorzaking was die onfeilbaar gevolgen teweegbracht overeenkomstig de ‘individualiteit’ van de eraan voorafgaande oorzaken, als er geen wet was die de individualiteit in het universum steeds weer terugbrengt, waarom zou dan een appelpit geen bananenboom voortbrengen, of een perzikpit een aardbei struik? Of waarom zouden we niet kleine kindertjes kunnen ontdekken in het hart van een roos?
    Geheel afgezien van het feit dat hierin een van de geheime processen van wederbelichaming of reïncarnatie ligt, verklaart het ook de continuïteit van de soort en de verschillende geslachten of klassen die de diverse natuurrijken samenstellen. Bovendien is de oorsprong van de verscheidenheid van soorten, wat altijd een groot probleem voor de biologie is geweest, nauw met dit feit verbonden. Al dat soort oorsprongen met hun variaties in ruimte en tijd komen voort uit het feit dat de emanaties naar de fysieke wereld uitstromen vanuit de inwonende spirituele monaden van de verschillende rijken, en elke stroom draagt het stempel van zijn eigen inherente karakteristieke soort of svabhâva. Dit is duidelijk de oorzaak van de continuïteit van de soorten door de eeuwen heen, waarbij deze soorten natuurlijk onderhevig zijn aan de wijzigingen die ontstaan door de evolutionaire ontplooiing van innerlijke tot nu toe latente karakteristieke eigenschappen. En juist deze ontvouwing door emanatie doet de zogenaamde ‘oorsprongen’ en ‘variaties’ van levende wezens ontstaan.
    Verder is elke monade een ‘scheppend’ of liever een tot emanatie brengend centrum of brandpunt dat gedurende een manvantara altijd actief is, zodat tenminste in het begin van de periode van kosmische manifestatie, uit het hart ervan een nooit eindigende stroom van karakteristieke eigenschappen in kiem voortkomt, en elk daarvan is het uitgangspunt of de ‘oorsprong’ van een nieuwe variatie die, als ze in leven bleef en was opgewassen tegen de verschillende vijandige factoren in de omgeving, zich zou handhaven als een ‘nieuwe’ variëteit of soort, of als een meeromvattende groep.
    In dit verband moeten we een belangrijk punt in gedachte houden: juist omdat het bol-manvantara op onze aarde reeds het laagste punt in zijn neerdaling voorbij is en weer aan zijn opgang begint, zal het verbijsterende aantal nieuwe variëteiten en typen dat de hele tocht langs de neergaande boog karakteriseerde, van nu af aan voortdurend minder groot worden. Het hele verloop van het werken van de levensgolven op de opgaande boog is in de richting van integratie en brengt dus in de loop van de eeuwen een gestaag afnemend aantal soorten en families voort, terwijl op de neergaande boog de natuur een poging deed tot differentiatie of verspreidende activiteit, d.w.z. het voortbrengen van grote aantallen specifieke variaties van de fundamentele algemene soort, die omdat deze monadisch is, eeuwig blijft bestaan.
    Zoals gezegd, het is de monadische individualiteit, het geïndividualiseerde karakteristieke kenmerk dat zich in het zaad van de wordende entiteit bevindt en het bezielt, die niet alleen de drijfkracht veroorzaakt, maar ook de aard en soort bepaalt, als ras of anderszins, van de entiteit die later zal ontstaan. Deze levenbrengende en intelligente drang is het aggregaat van krachten van verschillende soorten, die latent zijn in de monadische straal die uit de monade zelf voortkomt; deze laatste wordt in het Sanskriet jîva genoemd. De karakteristieke individualiteit die is geworteld in de levensenergie van de straal, drukt voor altijd haar stempel op de werking van deze straal in al zijn functies, en brengt daarom in tijd en ruimte tot uiting wat reeds in het begin in de monade besloten lag. Dit is de ware betekenis van evolutie, een proces van het zich tot uitdrukking brengen van het rondzwervende wezen in de werelden en sferen van de stof, een proces dat plaatsvindt zowel tijdens de ‘dood’ als tijdens het ‘leven’. Elke individuele monade ontvouwt door middel van haar uitgeworpen kracht of monadische straal door emanatie die bijzondere levenskarakteristiek die, samen met haar verschijningsvorm, haar wezen afdrukt op de zich ontwikkelende substantie of het lichaam waarin ze op een bepaald moment misschien verblijft, en zo de enorm grote verscheidenheid van rassen en families, geslachten en soorten voortbrengt, en ook de verscheidenheid in de ons omringende natuurrijken.
    Hoewel over deze monadische straal wordt gesproken als over een individualiteit, is hij in werkelijkheid een schoof of bundel spirituele krachten die tot een eenheid zijn bijeengebracht. De constitutie van de mens is samengesteld, een stroom van bewustzijn die voortvloeit uit het onsterfelijke centrum van de spirituele monade, en deze laatste is tegelijk de onsterfelijke wortel van de mens en zijn essentiële zelf. De monade die dus de hoogste of meest innerlijke kern van elke gemanifesteerde entiteit is, is de fundamentele individualiteit, waaruit bewustzijn en zelfheid vloeien in een stroom die door alle verschillende graden of niveaus van de constitutie van de entiteit gaat, en deze stroom is aldus de monadische straal.
    Een vertrouwd symbool voor velen en gebruikt door meer dan één school in de oudheid, namelijk een zuil van licht, stelde de menselijke constitutie voor als één geheel. Deze zuil van licht, zoals zij uit het hart van de monade naar buiten stroomt en tot manifestatie komt, vertoont in haar hogere delen een hemelse glans; maar wanneer ze dieper in de stof afdaalt, wordt haar lichtsterkte gaandeweg flauwer, totdat ze de fysieke sfeer bereikt, waar ze onzichtbaar werkt in een omgeving die zo ‘zwart is als de nacht’ – dat is in de vitaal-astraal-fysieke triade van de menselijke constitutie. Door het hele bereik van deze lichtzuil loopt de stroom van essentiële zelfheid of monadisch bewustzijn, en deze stroom is de monadische straal die wordt omringd door de zuil van licht – de innerlijke en onzichtbare samengestelde menselijke constitutie.
    Wanneer deze monadische straal naar beneden stroomt door deze lichtzuil, maakt ze voor zichzelf op geschikte plaatsen knopen of brandpunten van actief bewustzijn die op zichzelf lagere monaden zijn, ego-zielen van de menselijke constitutie. In volgorde naar beneden zijn ze: de goddelijke ziel, de geestelijke ziel, de mânasische of menselijke ziel, de kâma-mânasische of dierlijke ziel, en de vitaal-astrale ziel. Door al deze heen stroomt en werkt en functioneert de essentiële monadische straal, die identiek is aan de sûtrâtman van de hindoefilosofie, een Sanskrietterm met de betekenis ‘draad-zelf’, die zijn zetels of respectieve knopen of brandpunten heeft in het geaggregeerde geheel van de verschillende subtiele omhulsels of ‘zielen’.
    Dus, wanneer voor een entiteit, bijvoorbeeld een mens, de dood intreedt, vindt er een proces van voortschrijdende involutie plaats; en dus juist het tegenovergestelde van het proces van evolutie dat vroeger tijdens de opbouw van de structuur van de samengestelde constitutie of zuil van licht had plaatsgehad. Het eerst wordt het fysieke lichaam afgeworpen met de het vergezellende grove astrale levenskracht, en deze omvat natuurlijk het modellichaam of lingasarîra. Na een zeker tijdsverloop, dat in ieder van de gevallen afhangt van de karmische eigenschappen en kwaliteiten van de mens in zijn zojuist geëindigde leven op aarde, stijgt het bewustzijn uit de astrale werelden op naar het daaropvolgende en hogere monadische centrum of brandpunt van bewustzijn, dat op zijn beurt tenslotte wordt ingetrokken in de schoot van de spirituele monade; en hier komt de menselijke monade of het menselijke ego in de devachanische toestand.
    Als het devachan ten einde loopt en voor de menselijke monade de tijd komt om te ontwaken uit haar gelukzalige dromen – want dan ontwaken de karmische zaden van eigenschappen en hoedanigheden die tot dan toe latent in het menselijke ego hebben gelegen en die vanuit het laatste leven op aarde zijn overgebracht – volgt ze automatisch de aantrekking naar de aardbol, en daalt af door de tussengebieden waar ze op haar opwaartse reis naar de devachanische toestand doorheen is getrokken. Zo gaat ze naar beneden vanuit de spirituele monade naar de meer materiële gebieden, terwijl ze voor zichzelf bij elke stap de passende omhulsels of subtiele lichamen opbouwt waarin ze op deze lagere gebieden kan leven. En zo vormt ze weer de knopen of brandpunten die ze tevoren in zichzelf had ingevouwen, totdat ze tenslotte de aardbol bereikt en door haar karmische affiniteiten tot de voor haar geschikte menselijke schoot wordt aangetrokken.
    Het moet duidelijk zijn dat de esoterische filosofie niet leert dat de mens een bestaan heeft als een onveranderlijk ego dat van het ene leven naar het andere gaat en alleen maar ervaringen opdoet zonder zelf te veranderen. Integendeel: het ego is zelf een zich ontwikkelend brandpunt van bewustzijn in de zuil van licht, en daarom ondergaat het menselijke ego het nooit eindigende proces van voortdurende uitbreiding van het bewustzijn zelf. Dus is het ego niet een onveranderlijke entiteit die snel van de ene geboorte naar de andere trekt; en daarom moet men het reïncarneren van dit menselijke ego nooit beschouwen als een doortocht van een spiritueel mannetje dat van het ene leven op aarde naar het andere gaat en altijd dezelfde blijft.
    Daarom zei Gautama de Boeddha met nadruk dat er geen blijvend – niet veranderend - ‘ego’ of ‘ziel’ in de mens is; en de diepe betekenis van deze mededeling is aan alle commentatoren sinds de tijd van de Boeddha ontgaan. Het is een subtiel punt, en daarom is het nogal moeilijk te begrijpen. Bekijk eens het geval van een mens zoals hij groeit vanaf zijn geboorte tot de volwassen leeftijd, en dan bij de portalen van de dood komt. Er zijn diepgaande wijzigingen geweest in het bewustzijn van deze mens; toch is de man van vijftig de vrucht of het directe karmische resultaat van de jongen van tien. De jongen en de man zijn dezelfde, en toch niet identiek; dezelfde omdat ze dezelfde bewustzijnsstroom zijn; maar niet identiek omdat het bewustzijn is gegroeid of ontwikkeld.
    Precies hetzelfde is het geval bij reïncarnatie. De ‘oude mens’ is dezelfde als de ‘nieuwe mens’, en toch niet identiek; want de ‘nieuwe mens’ in het nieuwe leven op aarde bezit al de toevoegingen verworven tijdens de devachanische tussenperiode die nu – met het totale karma van de ‘oude mens’ – de ‘nieuwe mens’ zijn geworden. De hele leer is een van ontzaglijke hoop, want ze laat zien dat elke nieuwe geboorte een stap vooruit is, en dit omvat het uitwerken en daarom vergeten van vroegere fouten en vergissingen, en houdt in dat er in de toekomst altijd weer nieuwe kansen komen. Dit betekent niet dat het ‘oude’ wordt vernietigd of uitgewist, want dit is onmogelijk, het ‘oude’ blijft als karmische oogst of erfdeel totdat het in evenwicht is gebracht of uitgeput; maar op dit ‘oude’ werkt de voortdurende instroom van nieuwe spirituele en intellectuele groei, waardoor het karakter radicaal wordt gewijzigd, zodat na verloop van tijd het oude geleidelijk verdwijnt omdat het zichzelf uitput, en het nieuwe steeds beter wordt.
    Het zou eenvoudig verschrikkelijk zijn te denken dat iemand die in het ene leven een misdadiger is, in alle toekomstige levens een misdadiger zou moeten blijven op grond van een volkomen onjuiste theorie dat zijn centrum van zelfbewustzijn of het menselijke ego blijvend is en niet verandert.

Leven is daarom niet louter een onafgebroken proces van het opbouwen van een fysiek lichaam dat, wanneer het opgebouwde een bepaald punt heeft bereikt, wordt gevolgd door een plotselinge ineenstorting en daaropvolgende ontbinding, omdat er in de structuur iets komt dat totaal van leven verschilt en dood wordt genoemd. Dood is het logisch tegengestelde van geboorte; ja als we strikt nauwkeurig spreken is de dood niet het tegenovergestelde van geboorte maar een andere vorm ervan – een gaan van de monadische straal uit de fase van het leven op aarde naar zijn daaropvolgende en eruit voortvloeiende fase die het astrale leven wordt genoemd.
    Alle processen in de natuur die elkaar in een regelmatige reeks opvolgen als een ononderbroken keten van oorzaken, verlopen methodisch en onophoudelijk en zijn ook samengesteld. Er zou geen proces van opbouw kunnen zijn zonder een ermee gelijkwaardige werking die de mensen dood noemen – ieder ogenblik, ieder uur, en altijd tegelijk werkend. De dood is maar een verandering: het eindigen van één gebeurtenis in de keten van oorzaken, die leidt tot de karmische gebeurtenis die erop volgt. Geboorte in een leven op aarde is precies analoog aan de dood van het fysieke lichaam, want de geboorte van het fysieke lichaam is de gebeurtenis die de rondzwervende monade in die fase van zijn reis brengt die leven op aarde wordt genoemd. Er kan geen geboorte zijn die niet tegelijk een dood of beëindiging is van een gebeurtenis die er onmiddellijk aan voorafging; de geboorte van de monade tot het leven op aarde is dus haar dood in de onmiddellijk eraan voorafgaande fase van het astrale leven.
    De zaad-kiem kan niet groeien tenzij de fysieke bedekking of buitenste schil ervan sterft, zodat de kiem kan ontspruiten. De majestueuze eik, geteisterd door de stormen van eeuwen, zou niet uit de eikel zijn ontstaan tenzij die eikel zijn leven ervoor had gegeven. Neem het fysieke lichaam: bij iedere stap zien we deze twee processen die hand in hand steeds doorgaan. Geen enkele cel van het lichaam blijft bestaan wanneer dat is versleten, maar ze verdwijnt in haar eigen nakomeling en wordt uit haar eigen substantie door een nieuwe cel vervangen. De levensfuncties zijn in feite gelijk aan de functies van de dood. Ieder ogenblik van groei is een ogenblik dichter bij ontbinding, en elke stap in de groei of in wat men het leven noemt, wordt veroorzaakt door de dood van de onmiddellijk eraan voorafgaande schakel in de keten van het bestaan van het leven. Er kan geen dood zijn waar geen leven is, want leven en dood zijn geen tegengestelden maar één, een identiteit. Sterfelijkheid is de vrucht van het leven, zoals het leven het kind van de dood is, en ook zoals dood of verandering een nieuwe fase van leven inleidt.
    Het is duidelijk dat apostel Paulus aan hetzelfde dacht toen hij in zijn Eerste Brief aan de Corinthiërs schreef:

Zo waar als ik, broeders, op u roem draag in Christus Jezus, onze Here, ik sterf elke dag.
    Maar, zal iemand zeggen, hoe worden de doden opgewekt? En met wat voor lichaam komen zij?
    Dwaas! Wat u zelf zaait, wordt niet levend, of het moet gestorven zijn, en als u zaait, zaait u niet het toekomstige lichaam, maar slechts een korrel, bijvoorbeeld van koren, of van iets anders.
    Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans van de hemelse is anders dan die van de aardse.
    Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.
– 15:31, 35, 36, 37, 40, 44

In een artikel over ‘Leven’ geschreven door dr. Peter Chalmers Mitchell voor The Encyclopaedia Britannica zegt hij:

Totdat men grotere kennis van het protoplasma en in het bijzonder van de proteïne heeft verkregen, is er geen wetenschappelijke ruimte voor de overweging dat er een mysterieuze factor is die levende materie van andere materie, en leven van andere werkingen doet verschillen.
– 16:601 (ed. 1911)

De schrijver heeft in zijn hart sympathie voor dit fragment uit het artikel van dr. Mitchell; want de grootste fout die de Europese wetenschap sinds de tijd van Newton heeft gemaakt, is dat men heeft verondersteld dat leven iets absoluuts is, of een ding op zichzelf, dat daarom in essentie niet alleen onderscheiden is van materie, maar volkomen ervan verschilt. Dit is een onjuiste veronderstelling die de esoterische filosofie verwerpt; want in haar leer is dat wat de wetenschap materie noemt, een onveranderlijke manifestatie van de kosmische jîva – van de onberekenbaar grote aantallen bewuste monaden die in heel verschillende graden van ontwikkeling bestaan, die niet alleen de materiële sfeer bezielen, maar werkelijk de materiële sfeer zijn. Met andere woorden, de hele reeks van hiërarchische materiële werelden of sferen, waaronder dus de fysieke sfeer, is een netwerk van op elkaar inwerkende brandpunten of monadische punten van bewustzijn, en elk zo’n monade of jîva is een centrum of brandpunt van wat wetenschappers geest-stof noemen. Omdat deze monaden of brandpunten van geest-stof bestaan en functioneren in verschillende graden van evolutionaire ontwikkeling en het totaal van al wat is in zich bevatten, wordt het dus duidelijk dat zelfs het atoom van de scheikunde met zijn oneindig kleine elektronen als brandpunten de uitdrukking is van een monadisch centrum in de minerale sfeer. Daarom staat het ‘leven’ niet los van en verschilt het niet van materie, die erop inwerkt als iets van buitenaf, maar de materie zelf bestaat in al haar fasen en graden uit de onderling op elkaar inwerkende uitdrukkingen van deze monadische centra – en elk zo’n monade is een bron van levenskracht.
    Zo wordt de natuur door al haar rijken heen van binnenuit in beweging en tot handeling gebracht; en daarom zijn alle voertuigen of uitdrukkingen van deze innerlijke en onzichtbare entiteiten wat wij de vele differentiaties van de materiële sferen noemen. Zelfs Herbert Spencer had er enig besef van dat de kosmische processen voortkwamen uit intelligent levende werkingen, want hij schreef:

Onder de mysteries die mysterieuzer worden hoe meer men erover nadenkt, zal altijd de ene absolute zekerheid blijven dat wij steeds in tegenwoordigheid zijn van een oneindige energie waaruit alle dingen voortkomen.
First Principles

- en waarnaar alle dingen na verloop van tijd tenslotte terugkeren voor hun periode van pralayische rust, om later weer daaruit te voorschijn te komen.

Toen het wetenschappelijke denken zich aan de lichtgelovigheden van de Middeleeuwen had ontworsteld, was het onvermijdelijk dat de mensen naar een bepaalde universele standaard zochten waaraan ze de ideeën en intuïties die op verschillende tijden voorkomen konden toetsen. Bij dit zoeken wendden mensen met een onderzoekende geest zich tot het enige wat aan de vereiste voorwaarden voor universaliteit scheen te voldoen – tot de natuur zelf. Maar wat konden ze, bij het benaderen van de natuur, zoals zij dat deden met de heersende vooropgezette meningen van hun tijd, verwachten te vinden bij een eerste studie van de natuur? Zonder leiding van een andere levensfilosofie dan die van het religieuze en scholastieke denken van de Middeleeuwen; ja, in zekere zin misleid door de sterke psychologische kracht van hun omgeving, was hun geest bij zo’n studie van de natuur onbewust al gekristalliseerd in bepaalde manieren van denken.
    Zo ontstond onder andere de theorie van het vitalisme, waarvan de algemene idee scheen te zijn dat achter de fysieke en chemische processen in lichamen van dieren en planten, iets bestaat dat leven wordt genoemd. Dit leven werd kennelijk gezien als een actieve kracht die losstond van en geheel verschilde van de stof; en de dood zou een zich terugtrekken zijn van dit geheimzinnige leven uit de materie van fysieke lichamen. De conclusie lijkt nogal duidelijk dat de grondgedachte van het vitalisme was dat het zogenaamde leven volkomen onstoffelijk was, en op geen enkele manier identiek met de stof zelf, maar dat het toch door de stof heen werkte en er verschillende eigenschappen en hoedanigheden aan gaf – afgezien van de inherente eigenschappen of hoedanigheden die scheikundige elementen van de stof zouden kunnen hebben.
    De filosofische en wetenschappelijke problemen die uit een theorie als deze voortkwamen, en die door velen als praktisch onoplosbaar werden beschouwd, deden denkers met een andere instelling schrikken en stootten hen daarom af. Omdat ze zich afkeerden van de vitalistische theorie, werden ze mechanisten genoemd, en ze zeiden dat er geen leven per se is, dat er niets is dan fysische en chemische krachten; en dat de onderlinge werkingen van deze krachten of energieën de variëteiten voortbrengen van het dieren- en plantenleven. Maar evenals het vitalisme zijn tijd heeft gehad, zo wijst alles erop dat we tot de conclusie mogen komen dat ook het mechanisme voorbij zijn hoogtepunt is.
    George C. Scott, Ph. D., hoogleraar biologie aan het College of the City of New York, schreef:

Het functioneren van protoplasma is onafscheidelijk verbonden met de ideeën van de natuur- en scheikunde over protoplasma. De celgroepen moeten onafscheidelijk zijn verbonden met een overkoepelende activiteit van de hele massa als een eenheid. Deze organisatie kan niet worden ontleed; men kan haar niet met behulp van een microscoop waarnemen. Ze is niet materieel in de gewone zin van het woord. Dit leidde tot de ontwikkeling van twee algemene denkbeelden of denkrichtingen – het vitalisme en het mechanisme. De vitalist zegt dat het leven meer is dan alleen fysische en chemische krachten en dat we tot nog toe niet in staat waren te verklaren wat leven is. De mechanist beweert dat levensactiviteiten niets meer of minder zijn dan uitingen van de werking van bekende fysische en chemische wetten. De bioloog en mechanist die zelfverzekerd beweert dat levensprocessen slechts vormen zijn van verschijnselen die plaatsvinden overeenkomstig bekende wetten van de natuur- en scheikunde, kan evengoed worden bekritiseerd als de vitalist. . . . Wanneer levensverschijnselen werkelijk worden begrepen, kan deze zogenaamde levenskracht of ‘vitale geest’ een vorm van energie blijken te zijn.
- The Science of Biology, blz. 38-9

Laatstgenoemde bewering toont duidelijk aan dat het vitalisme in sommige opzichten dichter bij de esoterische leer staat dan het mechanisme; maar theosofen verwerpen het vitalistische denkbeeld dat ‘leven’ radicaal verschilt van de eraan ten grondslag liggende substantie waaruit materie wordt gevormd.
    Een ander inzicht in deze discussie wordt naar voren gebracht door dr. Max Verworn, hoogleraar fysiologie aan de universiteit van Bonn. Na een beschrijving van de groei van het vitalisme in Europa, en van de aard van de ‘ziel’ en de ‘geest’ zoals men in Europa daarover dacht van de tijd van de Grieken tot in onze tijd, schildert hij de verdere ontwikkeling van wetenschappelijke denkbeelden als volgt:

Geleidelijk kwam de neiging weer naar voren om levensverschijnselen met mystieke middelen te verklaren, wat bijvoorbeeld uitdrukking vindt in het animisme van Stahl; en in de tweede helft van de 18de eeuw begon het vitalisme, dat zijn oorsprong in Frankrijk had, zijn glorierijke opmars door de hele wetenschappelijke wereld. Opnieuw werd gedacht dat de oorzaak van de levensverschijnselen een mystieke kracht was (force hypermécanique) – die ‘levenskracht’, noch fysisch noch chemisch van aard, waarvan men dacht dat ze alleen in levende organismen werkte. Het vitalisme bleef de heersende idee in de fysiologie tot ongeveer het midden van de 19de eeuw . . . in de tweede helft van de 19de eeuw werd de leer over een levenskracht tenslotte definitief verworpen om plaats te maken voor de triomf van de natuurlijke methode om levensverschijnselen te verklaren. . . . Het lijkt er inderdaad op dat in onze tijd, na verloop van een halve eeuw, mystieke neigingen opzij waren gezet om in het onderzoek van het leven opnieuw op te duiken. Hier en daar hoort men wederom het wachtwoord van het vitalisme.
The Encyclopaedia Britannica (21:554; ed. 1911)

Deze neiging tot verandering is op zichzelf uitstekend omdat ze kristallisatie van wetenschappelijke denkbeelden tot zuiver wetenschappelijke dogma’s voorkomt. Niettemin hebben wetenschappe lijke denkbeelden een sterke neiging dogmatisch te worden, zoals elke verzameling wetenschappelijke handboeken zal aantonen, hoewel de ondervinding ons leert dat een wetenschappelijke theorie even voorbijgaand is als de rages en theorieën op elk ander terrein van het menselijk leven.
    Verder zou men zich kunnen afvragen of de denkbeelden die in de theorieën van zowel vitalisme als mechanisme zijn te vinden niet in beide gevallen in strijd zijn met de hele richting van het huidige wetenschappelijke denken. Want volgens de wetenschap schijnt alles in essentie ‘energie’ te zijn; en materie zelf bestaat slechts uit de vormen of aspecten van kosmische energie, die sommigen vereenzelvigen met geest-stof. Hierin naderen zij dicht tot de theo sofische opvatting dat materie in werkelijkheid een verharding of kristallisatie is van krachten of, nauwkeuriger, een onbegrijpelijk grote verharding van monaden, levenscentra. Zoals H.P. Blavatsky jaren geleden schreef, materie is verdichte of hard geworden straling – of wat in die tijd ‘licht’ werd genoemd. In 1888 werd dit algemeen beschouwd als een verklaring van een idealist die het bij het verkeerde eind had, en zonder enige grond in de natuur. Maar nu zou deze uitspraak als wetenschappelijk orthodox worden beschouwd.
    Wat is licht? De wetenschappers vertellen ons dat licht een elektromagnetische trilling is en dat er vele soorten elektromagnetische ‘golven’ zijn – een veel gebruikt woord om uit te drukken hoe deze elektromagnetische energieën zich door de ruimte voortplanten. Wanneer een elektromagnetische energie een bijzonder hoge trillingsfrequentie heeft, die gaat tot triljoenen per seconde en zelfs hogere frequenties, gepaard gaand met een afname van de lengte van de individuele golf, dan moet zo’n verdichting van bewegingskracht of energie op elk menselijk zintuig exact de gevoelsindruk van een vorm van materie voortbrengen. Deze illustratie geeft tenminste enig besef van hoe een kracht met een zeer hoge trillingsfrequentie de indruk kan wekken van een lichaam of een massa materie.
    Onderstaande kolom van de frequenties van verschillende vormen van straling is misschien interessant:

Vorm van straling:
Frequentie (trillingen per seconde):
Draadloze telegrafie 100.000 tot 10 miljoen
Hertzgolven 10 miljoen tot 1 biljoen
Infrarood licht 1 triljoen tot 400 triljoen
Zichtbaar licht 400 triljoen tot 770 triljoen
Ultraviolet licht 770 triljoen tot 6 kwadriljoen
Röntgenstralen 6 kwadriljoen tot 30 kwintiljoen
Gammastralen van een atoom 30 kwintiljoen tot een onbekend aantal

En nog hoger, zegt men, is de trillingsfrequentie van de kosmische stralen van Kolhoerster, dr. Millikan, en anderen.
    Wat is in feite de betekenis van deze tabel van trillingsactiviteit? Ze laat zien dat er een afdalende reeks in de stof is die loopt van het etherische naar toenemende stoffelijkheid; dat we van de draadloze telegrafie tot aan de kosmische stralen steeds verder afdalen in dichtere materie, omdat de trillingsfrequentie of -snelheid toeneemt en de verharding dus volmaakter wordt, de kristallisatie meer volledig wordt; en als dus zichtbaar licht dat maar één octaaf op deze schaal is, materie blijkt te zijn, wat kunnen we materie dan anders noemen dan een verharding of verdichting van krachten of energieën die met onbegrijpelijke snelheid trillen binnen een gebied op de schaal? Men zou eraan kunnen toevoegen dat er geen reden is tot begrenzing van deze reeksen van straling om aan het ene einde alleen draadloze telegrafie en aan het andere einde de kosmische stralen eronder te laten vallen. Het lijkt heel onwaarschijnlijk dat deze de enige trillingsactiviteiten in het grenzeloze heelal zijn, of het nu op innerlijke gebieden is of op uiterlijke.

Wat is dan leven, per se? Wat is deze essentiële of fundamentele werkelijkheid in en achter organische structuren en hun respec tie ve verschijnselen, en die deze voortbrengt? Leven per se is intelligente substantiële spirituele kracht die zich in talloze vormen als energie manifesteert. Als geheel beschouwd is het de intelligente, en steeds actieve en innerlijke vitale kracht of krachten van een wezen. Leven is een etherisch fluïdum, een onmisbaar fluïdum, daarom is het ook substantie, maar etherische substantie; en leven is verder inherent actief in elk van de gebieden of werelden, zichtbare en onzichtbare, die alle tezamen het universum samenstellen en in feite zijn. Ja, zowel kracht als substantie zijn zelf fundamentele of essentiële aspecten of fasen van de aan het leven ten grondslag liggende universele werkelijkheid, de eeuwigdurende kosmische leven-substantie-intelligentie.
    Het is duidelijk dat geboorte en dood het begin en het einde zijn van een tijdelijke levensfase van een entiteit; terwijl leven per se, als de kosmische oorzakelijke voortbrenger, de intelligente drijvende kracht-substantie is achter en de oorzaak van zowel geboorte als dood. Termen zoals ‘leven’ zijn echter abstracties die, zo zou men kunnen redeneren, zelf geen entiteiten zijn, maar de betekenis hebben van abstracte aggregaten van levende wezens. Ter illustratie: de mensheid is zelf geen wezen of entiteit, maar bestaat uit mensen. Evenzo is er niet zoiets als kracht of substantie per se; maar er zijn uitgestrekte hiërarchieën van levende wezens die zich uitdrukken door te verschijnen als krachten en substanties.
    Licht, bijvoorbeeld, is een vorm van straling, emanerend uit een stralend lichaam dat niet alleen zijn oorzakelijke ouder is, maar zonder zo’n lichaam, dat zijn levenskracht in straling uitdrukt, zou licht niet bestaan. Met andere woorden, licht is het levensfluïdum van een levende entiteit, dat uit die entiteit straalt, en als de entiteit niet bestond, zou het levensfluïdum niet daaruit kunnen emaneren, en zou licht niet bestaan.
    Men vergist zich als men denkt dat licht als straling een entiteit is die ‘alleen maar bestaat’ in zogenaamde lege ruimte. Vroeg of laat zal het levensfluïdum, licht genoemd, dat uit de zon is voortgekomen en nadat het bijna ontelbare veranderingen van integratie en desinte gratie heeft ondergaan, terugkeren tot het ouderlichaam dat het oorspronkelijk deed ontstaan of zoals een christelijke mysticus zei: ‘de ziel keert terug naar God die haar heeft geschonken.’
    Bovendien is elektriciteit maar een andere soort straling of een ander octaaf op de schaal van het elektromagnetische spectrum. Kan men zeggen dat elektriciteit iets anders is dan de geëmaneerde entiteit of ouderbron die haar deed ontstaan, en dat het elektrische stralingsfluïdum had kunnen verschijnen als de ouderbron niet bestond? Elektriciteit is een abstracte term voor verschillende ‘elektrische’ levensstralingen uit diverse bronnen; ze is in feite een van de vormen van kosmische levenskracht. Ze is dus een entiteit omdat ze een bestaan heeft als een tijdelijk durend levensfluïdum dat we kennen als een soort straling; maar ze komt voort uit het verborgen levenshart van levende wezens van kosmische omvang – met andere woorden, de verschillende zonnen in de ruimte. Hoewel deze zonnen collectief de bron van kosmische elektriciteit zijn, is toch ieder wezen van de ontelbare hiërarchieën die de ruimte vullen en in feite de ruimte zijn, eveneens een bron van kleinere omvang, die op zijn beurt uit zijn eigen innerlijke levenskern zijn eigen elektrische en magnetische stroom of straling uitzendt. Achter en boven al zulke levensactiviteiten staat een allesdoordringende kosmische intelligentie, en waar het wezens van lagere orde betreft, de intelligenties van geringere omvang waarvan zij de evoluerende belichamingen zijn.
    Begin en einde hebben dus alleen betrekking op lichamen of voertuigen, fysieke of etherische, al naargelang van de situatie, die de oorzakelijke monadische of spirituele stralen omhullen. Dit begin en einde zijn eigenlijk dromen van illusie, wanneer we ons richten naar de ruimere schaal van het kosmische leven, naar die innerlijke aanhoudende stroom van intelligente levensessentie die ononderbroken door de poort van de geboorte naar het aardse bestaan komt en door de poort van de dood heengaat naar een andere fase van leven op een volgend gebied in een iets hogere wereld. Want die levensessentie of levensstroom is een levende en aanhoudende kracht van kosmische oorsprong, en juist omdat ze de essentie van het heelal is, duurt ze voort tot het einde van het zonnemanvantara. Dan verdwijnt ze uit de gebieden van lagere manifestatie en wordt in de zonnemonade getrokken, in een toestand die we het zonne-nirvâña kunnen noemen. Maar vele eeuwen daarna, zal ze weer tot manifestatie komen op de verschillende gebieden en werelden, wanneer Brahmâ opnieuw uit zijn eigen essentie het nieuwe zonneheelal uitademt, de wederbelichaming van het zonneheelal dat was.
    Elk begin en einde zijn dus inderdaad dromen van illusie, omdat ze niet absoluut zijn. Kunnen we ooit, zelfs in ons denken, een einde bereiken waarbuiten niets is? De natuur streeft altijd naar het onbereikbare, en dat doet ook de mens, een kind van de natuur: wanneer we dat bereiken waarvan we denken dat het het uiterste is, ontdekken we dat het maar een tussenstadium is op weg naar iets dat nog grootser en verhevener is.
    Sommige mensen hebben gezegd: ‘Er is iets in mijn hart dat zo mooi is dat ik het nooit zou willen verliezen’; en de mens klampt zich steeds meer vast aan dit wonderschone - voor zichzelf, en schept voor zichzelf een toekomstig pad van leed en verdriet. Nee! Zo groeien wezens niet. Terwijl het in alle opzichten goed is naar het schone te zoeken en zelfs naar het onbereikbare te streven, omdat hierdoor de goddelijke honger in ons hart de overhand zal krijgen en de boeien van persoonlijkheid die ons binden aan de materiële gebieden, zullen worden losgemaakt, is het geheim tot succes niettemin dat we onze verbeelding voor het schone nooit aan banden leggen, noch ons hart vereenzelvigen met betrekkelijke verworvenheden; want dat betekent het weven van een web van illusie rond onze geest, geweven uit onze eigen verlangens om te bezitten en te worden. Het is goed naar het schone en onbereikbare te streven, maar alleen als we beseffen dat het zonder enig gevoel van persoonlijk voordeel moet worden gedaan; want dit laatste houdt een beperking in, en zo bouwen we een gevangenis rond onze ziel. Hierin ligt de reden waarom alle grote zieners hebben geleerd dat we geen gevangenismuren om ons moeten optrekken, zelfs niet door de meest verheven strevingen van ons denken en ons gevoel, want dit betekent het zich vereenzelvigen met de gevangenismuren, de noodlottige fout van alle exoterische religies en van alle filosofieën, ontstaan in de voorhal van de tempel van goddelijke wijsheid. Wezens ontwikkelen zich als ze ruimer begrip krijgen, door ontplooiing, door afstand te doen van wat onvolmaakt is ten gunste van een grotere ‘volmaaktheid’. Zeg nooit dat een ding zo schoon is dat iets mooiers niet bestaat. In haar werking vernietigt de natuur om iets beters voort te brengen, hoewel soms zo omslachtig dat het vernietigen de dood schijnt te zijn, een einde.
    Zelfs als er voor ons tijden van verdriet en pijn aanbreken, zouden we altijd moeten bedenken dat het van ons afhangt daarin de nieuwe poorten te zien die toegang geven tot iets beters, iets hogers. Wanneer de eerste zwakke vlam van onpersoonlijke liefde het hart van een mens verwarmt, en iets onuitsprekelijk moois in hem begint te ontwaken, dan is het maar al te menselijk om het nieuwe en schone te omarmen. Toch moet het terzijde worden geworpen; anders belemmert de mens het verkrijgen van iets nog grootsers.

Wie zich aan een vreugde hecht
Heeft daardoor zich ‘t gevleugeld leven ontzegd.
Wie vreugde omhelst terwijl ze wiekt,
Leeft in een wereld die eeuwig kriekt.
    – William Blake, Songs of Innocence

Als een mens niet goed oppast, kan hij zelfs door dat waarvan hij houdt binnen diamanten muren worden opgesloten, en daarom oefent hij zich niet alleen om voortdurend naar iets beters te streven, maar gaat ook doelgericht te werk om de illusie van betrekkelijke volmaaktheid en voldoening te doorbreken, want hij weet dat buiten de gevangenismuren van het ego de onvoorstelbare glorie is te vinden waarmee zijn geest zijn gevoelige ziel vervult.
    Laten we niet klagen over het ‘vreselijke’ lot dat ons overkomt wanneer de Grote Bevrijder ons de heerlijke rust geeft die een inherente karakteristieke eigenschap is van bepaalde aspecten van geestelijke activiteit. We verlangen voortdurend naar bevrijding; maar wanneer ze komt, protesteren we tegen haar komst en geven er tijdelijk de voorkeur aan ons verdriet en de scherpe aanraking van pijn te omarmen in plaats van de vrede en gelukzaligheid waarnaar we verlangden.
    Er kan geen leven zijn zonder dood. Er kan geen dood zijn zonder leven. De twee zijn één, want de meest wijze mens die ooit leefde zou onmogelijk kunnen zeggen waar het werkelijke leven ophoudt en waar het begint, of waar dood of verandering eindigt en waar een aanvang neemt. Het verval en de uiteindelijke ontbinding van het fysieke lichaam zijn in feite evenzeer werkingen van levensfuncties, en zijn evengoed leven, als de groei van een microscopisch menselijk zaad tot een mens van 1,80 m, die de dood betekent voor het zich belichamende ego uit de andere wereld naar deze.
    Dit proces is een onophoudelijk wentelen van het levenswiel, dat veel fasen doorloopt, en daardoor vele en wisselende veranderingen van omgeving met zich meebrengt: en juist deze telkens terugkerende verande ringen vormen samen wat we ‘leven’ en ‘dood’ noemen. De juiste termen zijn eerder ‘geboorte’ en ‘dood’, want geboorte is de openingsscène in een nieuw bedrijf, en de dood het laatste toneel in hetzelfde bedrijf; het drama van het leven gaat intussen voort in zijn langzame en majestueuze loop door de resterende bedrijven, totdat aan het einde van het kosmische manvantara de geest of monade terugkeert om te rusten in de schoot van de zonnegodheid, waaruit ze aan het begin van die kosmische tijdsperiode voortkwam.
    De fout van het vitalisme schijnt, ondanks zijn aantrekkelijke filosofische aspecten, te hebben gelegen in de beperking van de term ‘leven’ of ‘levensactiviteit’ tot ‘bezielde’ wezens. Maar volgens de oude wijsheid is niets ‘dood’: alles is levend, en ‘dode stof’ is even vervuld van leven of levensactiviteit als de zogenaamde bezielde wezens. Dus, als het ‘animisme’ van vroege beschavingen alleen maar betekent dat alle entiteiten ‘zielen’ bezitten of zijn, ieder ervan volgens zijn eigen geëvolueerde type en ieder op zijn eigen bijzondere plaats op het wiel van het leven, dan is animisme een van de fundamentele waarheden van de natuur.

Er bestaan in het heelal sferen en werelden waarvan de bewoners niet sterven zoals wij, maar door stadia van onmerkbaar kleine veranderingen tot een ruimere ontplooiing van hun vermogens en eigenschappen komen, precies zoals in het leven van een mens de baby tot zijn jongensjaren komt en van een jongen een man wordt. Zo’n individu of bewoner vertrekt gemakkelijk en soepel uit ‘zijn’ zichtbare gebied naar de onzichtbare gebieden, zonder onderbreking van bewustzijn of verlies van het ‘fysieke’ voertuig.
    Deze uitspraak zal misschien ongeloofwaardig lijken, toch geeft de ervaring van wat er alleen al op onze aarde gebeurt ons een vage voorstelling van waarnaar hier wordt verwezen. Ze betekent dat wanneer het einde van de belichaming nadert, het ‘fysieke voertuig’ pari passu met het etherischer worden van de innerlijke constitutie van het belichaamde wezen, zelf etherischer wordt of geleidelijk minder materieel of ‘fysiek’ wordt; zodat er werkelijk geen ‘dood’ of ontbinding van het ‘fysieke’ omhulsel is, en dit proces wordt vervangen door een geleidelijk opgaan in de substantie en de stof van de hogere wereld of sfeer – wat we misschien kunnen vergelijken met het verdampen van water, of het veranderen van ijs in water. Maar deze entiteiten die niet zoals de mensen de ‘dood’ ondergaan – zoals alle entiteiten die in de werelden van manifestatie zijn belichaamd – hebben een zekere levensduur die is te vergelijken met die van de mens, waarna men kan zeggen dat ook zij ‘sterven’ en in hogere sferen of werelden komen dan die waarin ze zich nu bevinden, en waarin de ‘dood’, zoals wij die begrijpen, niet bestaat.
    In die eonen in de verre toekomst zullen de lichamen van de mensen van die tijd, wanneer wat dan een ‘leven’ wordt genoemd eindigt, langzaam verdwijnen met nauwelijks een onderbreking van het inwonende bewustzijn en zonder het terzijde leggen van het fysieke voertuig; want als de dood komt zal dit voertuig zelf in toenemende mate etherisch en ijl worden, en dus geschikt gemaakt voor zijn tocht naar of zijn opgaan in de innerlijke gebieden.
    Eonenlang vóór dit stadium in de verre toekomst zal de dood plaatsvinden als een rustig ‘inslapen’, waarbij het fysieke lichaam eerder zal vervluchtigen dan ontbinden.

In Miltons Paradise Lost, Bk. V, beschrijft Raphael de toekomst van de mensheid:

Jullie lichamen zullen tenslotte alle tot de geest keren,
In de loop van de tijd verbeterd, en door een gevleugelde opgang
Etherisch, zoals wij, of kunnen naar keuze
Hier of in hemelse paradijzen wonen.

Waarom gebeurt dit overgaan op die manier niet nu? Eenvoudig omdat we in een grove dichte en zwaar materiële sfeer leven, op de laagste bol van de planeetketen van de aarde; en onze lichamen die de kinderen zijn van deze materiële bol, zijn noodzakelijkerwijs overeenkomstig dicht, anders konden ze hier niet als actieve zich manifesterende fysieke entiteiten bestaan. Onze tegenwoordige lichamen zijn niet geschikt om, en kunnen daarom niet, de etherische inner lijke gebieden van de natuur binnengaan. De natuur maakt geen sprongen. In al haar werelden en sferen gaat ze bij al haar bewegingen, en daarom in haar evolutionaire ontwikkeling, stap voor stap te werk.
    In de oude Griekse spreuk ’Slaap en dood zijn broeders’, ligt heel wat waarheid; in feite zijn ze niet alleen broeders, voortgekomen uit dezelfde schoot van bewustzijn, maar ze zijn letterlijk één. De dood is een volmaakte slaap, met zijn ‘ontwaken’ in devachan en een vol komen ontwaken in de volgende reïncarnatie; terwijl de slaap een onvolkomen dood is, een profetie van de toekomst door de natuur, waarmee ze ons wil bekendmaken met het feit dat we ‘s nachts slapen, en daarom gedeeltelijk sterven. Ja, men zou nog verder kunnen gaan en zeggen dat dood en slaap en inwijding slechts verschillende vormen van hetzelfde proces zijn.
    Er is alleen een verschil van graad tussen ’dood’ en ‘slaap’. Ieder die aan iemands sterfbed heeft gestaan moet toen de indruk hebben gekregen dat er een overeenkomst is tussen het intreden van de dood en het in slaap vallen. Zoals in de slaap de geest of het bewustzijn het brandpunt wordt van vormen van mentale activiteit die we ‘dromen’ noemen, volgend op een periode van volkomen onbewustheid, evenzo wordt de dood gevolgd door ‘dromen’ na de periode van ogenblikkelijke maar volkomen onbewustheid die het ogenblik van heengaan kenmerkt.

Het hele proces van de dood is een ontbindingsproces; maar het leven vloeit ononderbroken voort. Niet alleen het fysieke lichaam sterft of ontbindt zich in zijn samenstellende atomen, maar de bundel energie, de schoof van krachten, die de mens is, zijn hele constitutie, ontbindt zich na de dood van het fysieke lichaam langzaam in zijn lagere delen. Gedurende het leven op aarde werkte deze bundel energieën in en door het lichaam, dat het terrein van de meest volledige manifestatie van deze energieën op aarde is. Maar er is een kern in deze schoof of bundel; en deze is het die bij de dood haar leven gevende straal terugtrekt, waardoor ze zich bevrijdt van haar ver ankering in deze lage sfeer. Deze kern bevat de bezielende en levengevende monadische straal.
    Ter illustratie: om ons te voorzien van elektrische stroom hebben we een centrale nodig waar elektriciteit wordt opgewekt en vanwaar zij wordt overgebracht naar verder verwijderde districten en daar verdeeld over de vele afnemers. Door op een knop te drukken kunnen we gebruikmaken van deze elektrische stroom of deze uitschakelen. Moeten we zeggen dat de stroom ogenblikkelijk wordt teruggebracht naar de centrale wanneer hij wordt uitgeschakeld op het punt waar hij werd gebruikt? Of moeten we eenvoudig zeggen dat de stroom ophoudt?
    Zo kan ook de monade, ons essentiële zelf, de geestelijke centrale van onze constitutie worden genoemd. De monade is, het zij met nadruk gezegd, niet in het lichaam, maar ze laat haar licht erover vallen; en haar monadische straal gaat door al de tussenliggende delen van de constitutie naar het lichaam, dat dus haar uiteindelijke voertuig of drager is. Zolang deze spirituele elektriciteit actief is in de laatste of laagste eenheid, duurt het proces dat we ‘leven’ noemen voort; maar het ogenblik waarop de dood intreedt is ook het moment waarop deze monadische straal in de monade wordt teruggetrokken, zo snel als het denken, sneller dan de bliksem.
    De dood is bevrijding; het openen van een nieuwe deur naar de onzichtbare woningen van de natuur. Het uitgeputte lichaam, het versleten hart, het vermoeide brein, functioneren nu niet meer. De goddelijke monade wordt op het ogenblik van de dood uit haar respectieve uitdrukkingsorganen in het lichaam teruggetrokken en komt in haar eigen van boeien bevrijde bewustzijn, en ervaart de volkomen verwezenlijking van al de glans van een geestelijk leven, en al de grootsheid van onpersoonlijk intellect; elk van deze functies is nu van haar boeien bevrijd en vrij in al haar activiteit, elk in haar eigen oorzakelijke gebied. Alles daaronder komt in een devachanische toestand, terwijl de lagere elementen van de zeven- of tienvoudige constitutie van de mens dan al zijn ontbonden in hun samenstellende levensatomen.
    Leven, beschouwd als een entiteit of als een proces, is niet iets mysterieus; het is voor de mens in feite de gewoonste zaak in de wereld, want het leven is al wat is, omdat het de wortel of essentie van dit alles is, zonder een denkbaar begin of einde. Wat is het dat ‘leven’ geeft aan een entiteit? Het is de levenselektriciteit in de entiteit zelf; of, om onze blik te richten op meer etherische en oorzakelijke delen van de constitutie van de entiteit, we zouden het ‘leven’ van zo’n entiteit de geestelijke elektriciteit van haar monade kunnen noemen, wat maar een andere naam is voor het levenskenmerk of de individualiteit van de monade. Leven is daarom in zekere zin geest-substantie; leven is bovendien de drager van bewustzijn. Bewustzijn en leven samen verwekken de manifestaties van kracht en energie en brengen deze uit zichzelf voort, en die doen op hun beurt de stof en substanties van het universum neerslaan, zoals wijn zijn droesem doet bezinken. Al deze entiteiten of elementen zijn slechts namen, gebruikt om onderscheid te maken tussen de volkomen verschillende vormen van de onophoudelijke activiteit van de fundamentele basis van het Kosmische zijn: oneindig en grenzeloos, de drager van al de hogere delen van de kosmische entiteit die de uiterlijke kosmos in evenwicht houdt en zijn bestaan continueert in de eindeloze duur. Toch is ‘kosmische entiteit’ maar een algemene uitdrukking, en is niet ‘God’ zoals deze gewoonlijk wordt opgevat. Het is eerder de uitgestrekte kosmische oceaan samengesteld uit alle individuele levensdruppels, de ontelbare kosmische levens of individuele entiteiten die in hun onbegrijpelijke totaliteit het heelal maken en inderdaad zijn. Er wordt niet ontkend dat dit kosmische aggregaat een eigen individualiteit kan hebben; maar zelfs dan is het vergeleken met de grenzeloze oneindigheid slechts een kosmisch vlekje, verloren in de oceaan van de oneindigheid, en slechts een van talloze andere menigten.


De Esoterische Traditie, blz. 399-421

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag