|
15 Het astrale licht en de levensatomen
Alles, dus ook de mens, verkeert in een toestand van voortdurende
beweging. Absolute traagheid is in de natuur of in het menselijke denken
onbekend. Waar we ook kijken, we zien beweging; we zien verandering,
groei, verval met andere woorden we zien LEVEN! Daarom worden
lichamen, van welke soort ook, opgebouwd of samengesteld uit kleinere
of lagere samenstellende delen; en op hun beurt kunnen deze lagere lichamen
in hun respectieve levensatomen worden onderverdeeld, hoewel deze levensatomen
zelf de astraal-vitale voertuigen zijn waardoor de essentiële monaden
werken of handelen. Als men dit beeld goed voor ogen houdt, zal duidelijk
zijn dat alle lichamen of voertuigen zonder uitzondering tijdelijke
‘gebeurtenissen’ zijn omdat ze samengestelde structuren zijn, gevormd
uit ‘atomen’ die door de meeste mensen als entiteiten worden beschouwd,
en dat zijn ze ook, maar alleen tijdelijke entiteiten omdat ze samengestelde
voertuigen of verschijningen zijn. Vandaar dat het volkomen nutteloos
is in deze voorbijgaande ’ naar altijd gelijk blijvende individuen te
zoeken. De blijvende individuen moet men alleen zoeken in de monaden
zelf de monadische essenties die homogeen zijn.
Iets wat is samengesteld kan alleen uiteenvallen
als er beweging in is; dit uiteenvallen of deze ontbinding is op zichzelf
een verandering, dat een ander woord is voor moleculair en atomair leven.
Elk fysiek lichaam is tenslotte samengesteld uit kracht, en ook uit
materie, die van nature altijd in beweging zijn. Hoe kan een kracht
of energie onbeweeglijk zijn? Hoe kan materie, die tenslotte uit atomen
en elektronen is samengesteld, volkomen stil zijn? Ieder atoom van ons
lichaam is samengesteld uit atomaire krachten of energieën die zich
in voortdurende en vitale beweging bevinden. Fysiek gezien is
de mens dus een verzameling van een bijna oneindig aantal elektronen
die met duizelingwekkende snelheid rondwentelen en bewegen. Wanneer
de menselijke ziel zich op wat men het ogenblik van de ‘dood’ noemt,
terugtrekt, dan is het gevolg niet dat het lichaam het leven verliest,
wat absurd is, maar de samenhang als individu. Het lichaam zelf is even
levend als altijd, maar het tot dan toe geïndividualiseerde leven van
het lichaam wordt diffuus leven zonder het overheersende toezicht van
een gecentraliseerde innerlijke leiding.
Dit verschijnsel kan misschien worden geïllustreerd
door wat onlangs door de scheikunde is ontdekt op het gebied van de
mineralen in de vorm van twee scheikundige elementen die verval vertonen
er zijn tenminste twee bekend, hoewel het bestaan van andere
wordt vermoed. Deze twee scheikundige elementen, die wat men radioactiviteit
noemt, vertonen, vormen of brengen bij dat proces een aantal andere
elementen voort die eruit worden afgeleid, waardoor de droom van de
middeleeuwse alchemisten van de omzetting van metalen uitkomt. Met andere
woorden, het is het overgaan van het ene scheikundige element in een
ander en later in weer andere door het verlies van een of meer elektronen.
De twee scheikundige elementen die hier speciaal worden bedoeld zijn
uranium en thorium, en elk van deze doet zijn bijzondere lijn van afleidingen
ontstaan, maar beide lopen uit op ‘afgeleid lood’.
De tabel [hieronder] van de processen waardoor uranium
tenslotte vervalt tot lood van zijn eigen type, wordt ontleend aan Dampier-Whethams
A History of Science. De kolom radioactiviteit geeft steeds het
type deeltjes of straling aan dat vrijkomt bij het voortbrengen van
het volgende afgeleide element. De massa van het uitgezonden deeltje
bepaalt de vermindering in atoomgewicht, wat in de tweede kolom is te
zien. De eerste kolom duidt een afname of toe name van het atoomgetal
aan naarmate de uitgezonden deeltjes een positieve of negatieve lading
hebben. Opgemerkt moet worden dat het atoomgewicht van dit uranium-lood
wordt gegeven als 206. Het atoomgewicht van gewoon lood is 207; en het
eindproduct van de overeenkomstige thoriumreeks is eveneens lood, maar
Soddy vond als atoomgewicht daarvan 208. Deze drie soorten lood hebben
dezelfde chemische eigenschappen en zijn bij de gewone processen van
analyse niet van elkaar te onderscheiden; en toch bezitten ze een duidelijk
verschil in gewicht.
Deze illustratie kan ons misschien enig vermoeden
geven van wat in het ‘dode’ menselijk lichaam plaatsvindt. Het is in
verval; het is nog even vol leven als altijd maar meer diffuus
leven omdat, nu de overheersende invloed is teruggetrokken, elk kleinste
deel ervan als individu zijn vrijheid zoekt; en het resultaat is lichamelijke
anarchie of ’dood’.
Wetenschappers weten nog niet of er in vroeger tijden evenveel radioactieve elementen
op aarde waren als nu, maar de meerderheid denkt van wel. Ze zinspelen er ook
op dat de rest van de fysieke stof radioactief is of straling uitzendt, maar in
minder uitgesproken mate. Het algemeen voorkomen van radioactiviteit is precies
de lering van de theosofie, en er wordt naar verwezen als naar de bewegingen of
werkingen van de levensatomen. De esoterische traditie vertelt ons dat onze planeet
in haar evolutie een cyclische loop volgt van ethe rische gebieden in haar oorsprong
omlaag naar wat voor haar het stadium is van haar eigen meest grove materie, en
dat wanneer dit laagste punt is bereikt, ze de boog van de evolutie weer begint
op te gaan om tenslotte tot haar vroegere etherische toestand te komen, maar op
een hoger gebied dan vanwaar ze in het begin startte. Onze planeet is het laagste
of meest grove stadium van de fysieke stof al voorbij, en de laagste en grofste
fysieke elementen voelen daarom het eerst de resultaten van het opwaarts gaan
en etherischer worden, en daarom staan deze zwaarste elementen nu aan het begin
van het proces van innerlijk verval, dat zijn uitdrukking vindt in spontane radioactiviteit.
Zij vallen uiteen in fijnere of minder zware elementen, meer etherische, die lichtere
elementen doen ontstaan dan zijzelf. Dit proces van radioactiviteit zal in de
toekomst in de natuur veel algemener voorkomen dan nu, en de manifestaties ervan
zullen zich bij het voortgaan van de tijd in steeds grotere mate voordoen.
Wanneer we dus deze denkwijze volgen en over ‘dode mensen’ spreken, gebruiken
we woorden die geen verdere betekenis hebben, en jagen vergeefs naar iets dat
met de algemene idee van de ‘dood’ overeenstemt, of naar enig bewijs dat er ‘dode
mensen’ zijn mensen die in de astrale gebieden bestaan die ‘dood’ zijn
en niettemin leven! Dit betekent niet dat de astrale simulacra
of ‘gedaanten’ die in de astrale wereld door het zich wederbelichamende ego worden
achtergelaten, niet lijken op de mens die op aarde bestond, want dat is juist
wel het geval. Nadat het fysieke lichaam is afgeworpen en het zich wederbelichamende
ego is bevrijd van de aantrekkingen van de fysieke sfeer, blijft het voor bepaalde
tijd in de lagere gebieden of sferen van het astrale licht, en tenslotte heeft
de ‘tweede dood’ plaats, wat betekent dat het zich wederbelichamende ego het kâmarûpa
afwerpt de min of meer nauwkeurige kopie in vorm of verschijning van de
mens zoals hij was toen hij nog op aarde leefde. De lagere gebieden van het astrale
licht zijn dus letterlijk vol menigten van zulke kâma rûpa’s of vormen.
Deze kâmarûpa’s of astrale reliquiae zijn de simulacra of astrale
evenbeelden van de wezens die op aarde hadden geleefd, die de ‘spoken’ of eidola
zijn waarover in de esoterische filosofie wordt gesproken. Ze zijn alle zielloos,
dat wil zeggen, niet meer dan ‘schillen’, omdat het zich wederbelichamende ego
dat vroeger zijn astrale kâmarûpa had gebruikt als schakel tussen zichzelf en
het fysieke lichaam, nu vrij is van zijn kâmarûpa, en in zijn omzwervingen op
weg is naar devachan. Wanneer deze kâmarûpa’s of astrale
spoken afkomstig zijn van mensen op aarde die een bijzonder slecht en grof leven
hebben geleid, dan vormen ze wat men elementaren noemt, die nog enig overblijfsel
van persoonlijke intelligentie bezitten en vol astrale automatische instincten
zijn. Daarom zijn ze voor levende mensen die via mediums of anderszins met hen
in contact proberen te komen, zeer gevaarlijke schepsels want het zijn
entiteiten met boze hartstochten en neigingen. Uit het voorgaande
ziet men dat evenals de mens zijn fysieke lichaam heeft, dat het omhulsel of de
sluier is van alle innerlijke en onzichtbare delen, evenzo is volgens een
exact overeenkomstige structuur de grofstoffelijke bol van onze aarde het
omhulsel of de sluier die alle andere van zijn zes beginselen of elementen omsluit
en daarom manifesteert, van het supergoddelijke omlaag door alle tussenliggende
stadia van stoffelijkheid tot onze rotsige bol zelf is bereikt.
Zoals in de mens het volgende en hogere beginsel in zijn constitutie het lingasarîra
of modellichaam is, zo heeft de aardbol zijn lingasarîra, waaraan gewoonlijk de
technische term het astrale licht wordt gegeven; in beide gevallen is het grofstoffelijke
lichaam het astrale bezinksel of de neerslag van de grofste elementen van het
innerlijke vitale deel of modellichaam. Voor we verdergaan,
kan het goed zijn ons een algemeen beeld te vormen van het microkosmische toneel,
of de levensfase waarin ’bezielde’ entiteiten zich op onze bol bevinden. We spreken
hier niet over de zeven (of twaalf) bollen van de planeetketen, beschouwd als
een samengestelde entiteit, maar alleen over onze aarde, die één is en
de laagste of meest fysieke van de bollen van de planeetketen. Elk van
die bollen is op zichzelf een entiteit, te verdelen in zeven (of tien of twaalf)
delen of beginselen. Onze aardbol is dus een zevenvoudig wezen of ‘animal’, zoals
de oude Latijnen het zouden hebben gezegd dat is een ‘levend wezen’ dat
in zichzelf, hetzij latent of gemanifesteerd, iedere eigenschap en essentie bezit
die de macrokosmos, zijn ouder, bezit. Nu is er een onophoudelijke
en uiterst actieve uitwisseling van krachten en substanties tussen het lingasarîra
en het fysieke lichaam, van hetzij de aarde of de mens; en deze uitwisseling neemt
de vorm aan van onbegrijpelijk talrijke legers of menigten rondzwervende atomen
van verschillende soorten die we ‘levensatomen’ kunnen noemen.
Wat er gebeurt bij de dood van een mens is identiek aan wat er gebeurt bij de
dood van de levensatomen van het menselijk lichaam. Die levensatomen, bijvoorbeeld,
dat is bijna hetzelfde als te zeggen de atomen in het fysieke lichaam van de mens,
zijn in een voortdurende toestand van in- en uitstroming. Natuurlijk is de levensduur
of peri ode van fysieke manifestatie van elk van die levensatomen of atomen in
de cyclus van hun omzwervingen in en uit het fysieke lichaam van de mens, uiterst
kort misschien één of twee seconden; terwijl de soortgelijke omzwervingen
van het ‘menselijke levensatoom’ in en uit de fysieke sfeer van de aarde een overeenkomstig
grotere duur heeft, maar de wet is dezelfde en de feiten zijn in beide gevallen
identiek. Wanneer een levensatoom in het fysieke lichaam van een mens sterft,
gaat het door uitstroming naar zijn astrale lichaam of lingasarîra, en daar ondergaat
het even snel bepaalde veranderingen vóór de monade of hogere beginselen van het
levensatoom opstijgt door de hogere beginselen van de constitutie van de mens,
vanwaar na een periode van rust het levensatoom weer ‘afdaalt’ door de beginselen
van de onzichtbare constitutie van de mens naar het lingasarîra, en vandaar naar
het fysieke lichaam. Naar volkomen analoge patronen volgen
de menselijke monaden hun weg. Dus, wat vanuit één gezichtspunt het levensatoom
is voor het fysieke lichaam van de mens, is naar analogie wat het menselijke geestelijke
levensatoom of de menselijke monade is voor de aardbol.
In dit proces ligt het hele geheim van de ‘dood’, zowel als van het ‘leven’, en
de lezer zal in staat zijn voor zichzelf tenminste enig idee te krijgen van de
aard van inwijding in de oudheid en van de leringen van de mysteriën, want beide
werden gebouwd rond de centrale gedachte van de dood en de postmortale reis van
de menselijke monade. Echter, daartoe behoorde kennis over
heel wat daarmee verwante zaken, die zowel door middel van lering als door individuele
ervaring werd opgedaan; want niet alleen het doel maar ook de gevolgen van de
oude mysterieleringen samen met hun inwijdingen droegen bij om de mens te bevrijden
van alle angst voor de dood en tegelijkertijd aan te tonen hoe onverbrekelijk
hij was verbonden met en betrokken bij alle processen van de natuur. Hem werd
geleerd zijn eenheid te voelen, niet alleen met de zon en de sterren, de planeten
en de maan, maar met het wezen van de aarde, en de plaats die elektriciteit en
magnetisme waaronder alle meteorologische verschijnselen, zoals aardbevingen
en vloedgolven, enz. in deze levensprocessen innemen.
De kandidaat voor inwijding werd in de eerste plaats geleerd in te zien dat hij
volkomen één is met de anima mundi waarvan het astrale licht of het lingasarîra
van de aarde het laagste gebied is afgezien van de fysieke aarde, die iets lager
dan het astrale licht kan worden geplaatst, omdat ze de neerslag of de droesem
ervan is. Hem werd geleerd niet alleen de aarde maar ook het hele universum te
beschouwen als iets dat in alle opzichten leeft, eeuwigdurend trilt in onophoudelijke
levensactiviteit, en zich een onafscheidelijk deel ervan te voelen.
Hij ging inzien dat zijn goddelijk-spirituele delen evenzeer delen van de hoogste
essentie van de anima mundi waren als dat zijn fysieke lichaam was afgeleid van
de elementen van de aardbol waarop hij als een complete zevenvoudige mens zijn
tijdelijke fase van zijn kosmische zwerftocht, die het leven op aarde wordt genoemd,
doormaakt. Hij begon tenslotte te weten en te voelen dat zoals de atomen van zijn
eigen fysieke lichaam rondtrekken en zich in en uit zijn lichaam begeven, hij
dit ook doet als een rondzwervend menselijk ‘levensatoom’ of menselijke monade
in en uit zijn levens op aarde, die elkaar ononderbroken opvolgen tijdens zijn
reis in een planetaire ronde op deze aardbol. Hij besefte dat tegelijkertijd de
andere delen van zijn zevenvoudige constitutie, als een eenheid, langzaam opstegen
naar de onzichtbare en hogere werelden, en gedurende dit proces het ene innerlijke
lichaam na het andere lieten vallen, terwijl de monade zich geleidelijk van haar
lichamen bevrijdde en daardoor steeds meer in staat werd haar weg omhoog in te
slaan. In alle tijden en landen wisten de Ouden tenminste
de ingewijden onder hen heel wat over de aard van de mens en zijn fysieke
lichaam, over de astrale wereld, en over de eigenschappen en krachten van de anima
mundi; en daarom lieten ze in hun verschillende literaturen veel verhelderende
wenken na, hoewel altijd versluierd in de vorm van een allegorie of een dubbelzinnige
uitspraak. Zo’n allegorie was voor de menigte; de ingewijden en adepten kenden
de waarheid. Zelfs de Romeinen, onder anderen, spraken over de astrale rijken
als de onderwereld of Orcus. Een zorgvuldige studie van deze oude schrijvers
stelt ons bovendien in staat een vrij nauwkeurige schets te geven van hun opvatting
over de menselijke constitutie (zoals weergegeven in onderstaande kolom), die
met de juiste veranderingen ook van toepassing zal zijn op de constitutie van
onze aardbol. Het karma van de geschiedenis wierp zich met volle kracht op iedere
aflevering van de esoterische filosofie voor de eeuw en het volk waaraan elk van
die openbaarmakingen werd gegeven. Het resultaat is dat door psychische zo niet
spirituele oorzaken de constitutie van het universum, van de aardbol of van de
mens zelf, altijd volgens hetzelfde basispatroon werd opgebouwd, maar telkens
met kleine verschillen; en deze verschillen zijn in geen geval onbelangrijk.
Evenzo kunnen we in een kolom hieronder stukjes van de kennis samenvatten die
zijn ontleend aan Griekse schrijvers:

Om
voor onze aardbol een analoge toepassing van de hierboven gegeven hiërarchische
lijst te maken, hoeft de lezer slechts de termen als volgt te substitueren:

De anima mundi, die zo vaak in de Latijnse geschriften
wordt gebruikt, moet eigenlijk als een omschrijving van de spiritueel-intelligente
achtergrond of de essentie van de natuur worden beschouwd, en zou daarom de zeven
punten op de lijst doordringen omdat ze de inspirerende kosmische intelligentie
is en zowel leven als substantie. Bovendien moeten de termen animus en
anima worden begrepen zoals ze door de Latijnse grammaticus Nonius Marcellus
zijn beschreven: animus is het vermogen waardoor we weten; anima
dat waardoor we leven’. Dus komt animus overeen met het denkvermogen of
de lagere manas, terwijl anima overeenkomt met de levenskracht of prâña.
Wat de aard van de onderwereld betreft, door de Grieken en Romeinen afwisselend
Hades, Orcus of het schimmenrijk genoemd, ze wordt naar waarheid beschreven als
zich voor een groot deel beneden de aarde te bevinden, feitelijk daar waar de
lagere delen of regionen van de kâmaloka zijn, ofschoon de kâmaloka zich evenzeer
opwaarts uitstrekt naar de atmosfeer van de aarde, en in zijn hoogste delen tot
de maan reikt. De onderwereld wordt ook beschreven als een trieste en troosteloze
plaats, zonder zonlicht, treurig en ‘moerassig’, maar met haar eigen zwakke lichtschijnsel
waarin de schimmen of umbrae of de ‘doden’ rusteloos en zonder duidelijk
doel rondzwerven; en deze schimmen die de kâmarûpa’s of weggeworpen schillen zijn
waaruit de vroegere inspirerende monaden zijn geweken, worden als fletse en bleke
wezens beschreven die op een besluiteloze en ietwat zinloze wijze brabbelen.
In de esoterische filosofie wordt de onderwereld, in al haar verschillende niveaus,
een ‘wereld van gevolgen’ genoemd, zoals ons leven op aarde een ‘wereld van oorzaken’
is. Met andere woorden, de onderwereld is een overgangsreeks van zaken en toestanden
tussen het leven op aarde en devachan, dat zelf ook een ‘wereld van gevolgen’
is, maar van een heel ander type. De Romeinse schrijvers,
die veel ontleenden aan de Grieken, gaven aan de delen van de constitutie van
de mens die de ontbinding van het fysieke lichaam overleven de algemene benaming
lemuren; en ze verdeelden de lemuren in twee klassen: de larvae
of spoken, ook de umbrae genoemd (de kâmarûpa’s); en het hogere deel van
de menselijke constitutie na zijn scheiding van de larvae noemden ze de
lares of manes. Deze uitspraak over de twee klassen van kâmalokische
entiteiten wordt gemaakt op gezag van Ovidius, Martianus Capella, en Servius,
de commentator van Vergilius’ Aeneis. Men moet bedenken
dat de tijd van het Romeinse Rijk reeds een geestelijk gedegenereerde eeuw was,
en dat nauwkeurige kennis over de toestanden na de dood dus niet gemakkelijk kon
worden verkregen. Vandaar dat tegenstrijdige meningen en uitspraken over de diverse
verschijningsentiteiten met een aan de aarde gebonden karakter bijna even talrijk
waren als de schrijvers die deze onderwerpen behandelden. Niettemin bleef er bij
enkelen een min of meer exacte kennis van de leringen van de esoterische traditie
bestaan, hoewel zij die deze kennis hadden dus voorzichtig waren met wat ze schreven,
hetzij over de aard van de postmortale toestand van geëxcarneerde entiteiten of
over de aard van de innerlijke werelden van òf het zonnestelsel òf onze eigen
aardbol. In dit verband is er een interessante Latijnse
strofe, waarvan elke zin correct is wanneer ze goed worden begrepen.
Terra tegit carnem, tumulum circumvolat umbra, Orcus habet
manes, spiritus astra petit. wat vertaald luidt:
De aarde bedekt het lichaam; de schim (of
het spook) waart rond het graf;
In Orcus is de manes; de geest schiet naar de sterren.
Men kan eraan toevoegen dat hier de juiste woorden worden
gebruikt voor wat men eeuwenlang voor het gemak de vier belang rijke
delen van de menselijke zevenvoudige constitutie heeft genoemd, namelijk:
het lichaam; de schim of het kâmarûpa in de astrale wereld, maar de
term kan evengoed van toepassing zijn op het lingasarîra en zijn handelingen
gedurende korte tijd na de ontbinding van het fysieke lichaam; de manes,
die hier wordt gebruikt voor het menselijke ego en die bestemd is om
door de Orcus of onderwereld heen te gaan vóór hij zijn devachanische
rust zoekt in de schoot van de monade of ‘geest’; en tenslotte de spirituele
monade die naar de ‘sterren’ schiet en dit verwijst duidelijk
naar de omzwervingen van de monade wanneer ze haar lange postmortale
reis door de sferen maakt.
Wat veroorzaakt de ‘dood’ die het uiteenvallen betekent van een samengestelde
entiteit? Deze vraag kan voor sommige denkers misschien worden beantwoord door
een illustratie te gebruiken ontleend aan de wetenschappelijke leer over de bouw
van het scheikundige atoom. Wetenschappers vertellen ons dat wanneer een atoom
[elektrisch] neutraal is, dat wil zeggen stabiel, dit zo is omdat het wat we zijn
volgroeidheid of volmaking zouden kunnen noemen heeft bereikt het verkeert
niet in een toestand van elektrische onevenwichtigheid. De positieve lading in
de kern, het proton of het aggregaat van protonen met hun elektrische ladingen,
die nog maar gedeeltelijk is geneutraliseerd, wordt in evenwicht gehouden door
een gelijkwaardige negatieve elektrische lading, gevormd door ‘losse’ elektronen,
die zoals men zich dat voorstelt cirkelen rond de kern met protonen, zodat de
krachten in de kern en die in de rondwentelende elektronen een tijdelijk evenwicht
vormen, of een atomaire stabiliteit. Toch verkeerde het atoom vóór het dat stadium
van ‘verzadiging’ of evenwicht had bereikt, in een toestand van groei, van elektrische
onverzadigdheid, veroorzaakt door een tekort aan elektronen die de onverzadigde
positieve lading in de kern konden neutraliseren. Wanneer zo’n atoom uit de omringende
atomaire ruimten een voldoende aantal elektronen had gevangen om de onverzadigde
posi tieve lading in de kern te neutraliseren, werd het neutraal of stabiel.
Laten we nu dit beeld toepassen op een volwassen menselijk lichaam dat we kunnen
beschouwen als dat van een mens in een betrekkelijk ’stabiel’ evenwicht; iemand
die tot volle groei is gekomen en tenminste voor bepaalde tijd niet in omvang
toeneemt, noch tekenen van ouderdom vertoont. De ouderdom, en de dood van de mens
of van enige andere entiteit, ontstaat door het ophouden of verbreken van het
atomaire en moleculaire evenwicht dat eerder op de volwassen leeftijd werd bereikt.
En wat wij de peutertijd, de kindertijd en de jeugd noemen, zijn normale stadia
die ontstaan door een onbesten dige toestand ten eerste van de innerlijke beginselen
van de mens, en ten tweede van de atomen en moleculen van zijn fysieke lichaam;
zowel zijn innerlijke beginselen als zijn fysieke lichaam zijn dan nog niet verzadigd,
in evenwicht gebracht, geneutraliseerd. Stabiliteit wordt tenslotte bereikt, maar
het is duidelijk dat dit evenwicht slechts een bepaalde tijd kan duren, en dan
verandert het noodzakelijkerwijs in onverzadigdheid en begint het verval.
Alles heeft zijn bepaalde levensduur. Dit feit dat alles voortdurend verandert,
zodat niets gedurende twee opeenvolgende seconden hetzelfde blijft, zelfs niet
het zojuist besproken evenwicht, is een van de fundamentele karakteristieke eigenschappen
van de natuur. Niets dat samengesteld is duurt eeuwig; elk wezen of entiteit of
ding dat in de natuur bestaat is samengesteld; dus kan geen van hen zelfs maar
een ogenblik onveranderd voortduren. Hoe zou een wezen of ding onveranderd kunnen
voortduren wanneer zijn bestaan juist afhangt van een verzameling van andere lagerstaande
entiteiten, die ieder hun eigen levensduur hebben en hoewel ze samenwerken, hun
eigen weg en bestemming volgen? Bovendien is er meer leven
op de volwassen leeftijd dan in de kinderjaren. De dingen sterven door een teveel
aan leven, niet door een tekort eraan; en de reden is de ontzaglijke activiteit
van de levens essentie die onophoudelijk aan het werk is met opbouwen en afbreken;
want haar ware aard is kracht en voortdurende beweging. Een kind zuigt het leven
in uit het omringende wereldmilieu en leeft ervan en bouwt zich daaruit
op door in zijn lichaam de menigten rondzwervende levensatomen op te nemen die
voortdurend in en uit het lichaam vloeien; en het lichaam van het kind doet dat
omdat het in een toestand van instabiliteit is, met andere woorden, omdat het
voortdurend hongerig is of onverzadigd, en vandaar steeds nieuwe levensatomen
toevoegt door ze in zich op te nemen hoewel het eveneens en even onophoudelijk
uitgeputte levens atomen uitwerpt. Groei is verandering, en verandering is het
tegengestelde van evenwicht of stabiliteit. Het kind heeft werkelijk levenshonger,
is om zo te zeggen leven-negatief, en zuigt het leven daarom in als een spons.
Het is in feite ‘leven’ dat na verloop van tijd het fysieke lichaam doodt, want
elk kleinste deeltje van de mens is in voortdurende beweging. Juist hierin ligt
het geheim waarom de mens sterft: het uitputten van de deeltjes die zijn lichaam
samenstellen gaat steeds door, en tenslotte komt de tijd dat de activiteit zo
sterk wordt dat de samenstellende elementen van de menigten moleculen en atomen
niet langer hun evenwicht kunnen bewaren. Dat leidt tot steeds toenemend verval,
die de ouderdom en tenslotte de dood met zich meebrengt.
Het lichaam is uit triljoenen fysieke cellen samengesteld; ieder ervan is opgebouwd
uit moleculen die op hun beurt uit atomen bestaan, en zelfs de atomen zijn samengestelde
entiteiten. G.B. Bazzoni, hoogleraar experimentele fysica
aan de Universiteit van Pennsylvania, schreef in zijn Kernels of the Universe:
Het kan ons helpen een duidelijker idee te krijgen van het
ontzaglijke aantal moleculen in een kubieke inch gas [hij spreekt over
gewone lucht] als we aannemen dat wij ze alle hebben vergroot tot de
omvang van honkballen, en dat we 6000 mensen hen laten tellen door ze
een voor een op te tillen, terwijl ieder voor elke bal één seconde nodig
heeft; en stel dat deze mensen bij geen enkele vakbond horen en dat
ze niet hoeven te eten of te slapen, zodat ze 24 uur per dag en 365
dagen per jaar zouden kunnen doortellen, dan zullen we ontdekken dat
er ongeveer 300 miljoen jaar zullen voorbijgaan voordat het werk van
het tellen van de moleculen in een kubieke inch lucht kan zijn voltooid.
blz. 29-30
Het aantal moleculen in één kubieke inch gas is volgens de bovenstaande berekening
ongeveer gelijk aan 6 x 1019 moleculen! En moleculen zijn relatief grote lichamen
vergeleken met atomen! Denkt u dan eens aan de talloze menigten oneindig kleine
elektrisch geladen deeltjes van verschillende soort die in één menselijk lichaam
zijn bevat! Toch is het menselijk lichaam klein vergeleken met de aarde, en de
aarde is heel klein vergeleken met ons zonnestelsel, dat op zijn beurt zeer klein
is in vergelijking met de melkweg waartoe het behoort. En ieder van deze oneindig
kleine of elektrisch geladen eenheden draagt de vermogens en eigenschappen in
zich van een onsterfelijk bewustzijnscentrum, een monade!
Wanneer het fysieke lichaam het einde van zijn levensperiode bereikt en uiteenvalt
in zijn samenstellende elementen, wat gebeurt er dan met deze menigten levensatomen?
Ze kunnen niet stilstaan, bevroren of gekristalliseerd in absolute traagheid,
want zulke toestanden bestaan alleen in relatieve zin. Nee, deze levensatomen
zijn groeiende entiteiten; voor geen enkel ding en nergens staat de natuur absolute
stilstand toe. Alle wezens en entiteiten en dingen zijn vol leven, vol kracht
of energie, vol beweging, wat een andere manier is om ze te beschrijven, omdat
ze alle zijn samengesteld uit zowel kracht als materie, uit zowel geest als substantie
twee aspecten van de eraan ten grondslag liggende WERKELIJKHEID, waarvan
we alleen de hogere en lagere mâyâ of denkbeeldige vormen zien. Deze denkbeeldige
verschijningen worden in de hindoe-Vedânta door het samengestelde Sanskrietwoord
nâmarûpa, ‘naam-vorm’ uitgedrukt, dat erop wijst dat aan verschijningsvormen
verborgen noumena ten grondslag liggen. Daarom worden deze
levensatomen, wanneer het lichaam in verval raakt en ze zowel tijdens het leven
als bij de dood loslaat, door affiniteit in die richtingen getrokken waarheen
de mens ze tijdens het leven door zijn overheersende stempel gestimuleerd heeft
te gaan. Met andere woorden, de neigingen, verlangens en impulsen van de mens
die dat lichaam gebruikte, geven deze levensatomen de kenmerkende eigenschappen
van psychomagnetische aantrekking of afstoting die ze belichamen. Bovendien werd
de grote meerderheid van deze levensatomen oorspronkelijk geboren uit zijn substantie
en zijn kracht of energie, dat is uit zijn vitaliteit, en daarom zijn ze feitelijk
zijn eigen kinderen. Daarom zijn ze, omdat ze groeiende entiteiten zijn, bestemd
om zich in de toekomst te ontplooien en precies te worden zoals hij nu is die
zich in voorbijgegane eonen zelf bevond in wat nu hun tegenwoordige stadium
is: bijzonder kleine, lerende wezens, goden in embryo.
Wanneer het ogenblik van de dood komt, breekt het etherische levenskoord dat de
innerlijke constitutie met het fysieke lichaam verbindt, en wordt als een bliksemflits
al het geestelijk beste van de mens teruggetrokken in de monade of het essentiële
zelf van de mens, waar het zijn oorsprong had en waarheen het noodzakelijkerwijs
terugkeert. Een elektrische flits, en het beste van de mens is gegaan naar zijn
Vader in de Hemel ‘Ik en mijn Vader zijn één’ (Johannes, 10:30).
Het ogenblik van de werkelijke dood is feitelijk niet het ogenblik waarop de laatste
adem wordt uitgeblazen of wanneer het hart voor het laatst klopt, omdat het fysieke
brein een zekere tijd daarna, wat in individuele gevallen verschilt, nog leeft
en is vervuld van het schitterende panorama van alles wat de mens tijdens zijn
leven heeft meegemaakt zelfs tot in het kleinste detail. Alles gaat door
het fysieke brein als een aaneenschakeling van beelden en mentale visioenen, te
beginnen bij de eerste zwakke gewaarwordingen van de kindertijd en voortgaand
door alle jaren die hij heeft geleefd tot het ogenblik waarop de laatste adem
wordt uitgeblazen en het hart voor het laatst klopte. Aan het einde van dit panorama
keert het ‘beste’ terug naar de schoot van de monade, en het blijft daar tot de
meer menselijke eigenschappen en kwaliteiten zich er weer mee verenigen, die zich
in kâmaloka in de volgende maanden of jaren moeten scheiden van het kâmarûpa dat,
aldus beroofd van zijn hogere deel, een spook of een schil wordt.
De hogere delen van de constitutie trekken zich dus uit het lichaam terug, en
laten dit over aan verval; ze hebben het als een versleten kledingstuk afgedankt.
Wat de levensatomen betreft, die volgen hun eigen respectieve paden. De levensatomen
van het fysieke lichaam gaan naar de grond of naar de planten; andere gaan naar
de verschillende dieren, waarmee ze zich na de dood van de mens psychomagnetisch
verwant voelen. Van levensatomen die dit pad opgaan, gaan sommige alleen naar
de lichamen van dieren, maar andere vormen het tussenliggende psychische
gestel van dieren. Andere levensatomen, die hetzelfde beginsel van aantrekking
volgen, gaan mensenlichamen binnen, als eten en drinken of door osmose, of ook
via de lucht die we in- en uitademen. De levensatomen van
de astrale of etherische delen van de vroegere mens helpen bij de opbouw van de
astrale of etherische lichamen van de drie lagere rijken maar ook bij de lichamen
van andere leden van het mensenrijk. Nogmaals, de levensatomen van de menselijke
ziel of het ego worden aangetrokken tot het psychomagnetische gestel van andere
mensen. Want de mens is een samengestelde entiteit; zijn
constitutie is uit verschillende beginselen of elementen samengesteld, afwisselend
als zeven of tien opgesomd: het eerste, een goddelijk monadisch beginsel, onvoorwaardelijk
onsterfelijk en met een kosmisch bereik van bewustzijn en handelen; het tweede,
een geestelijke monade, zijn straal of nakomeling, met een zuiver geestelijke
natuur en werking, maar lager dan haar goddelijke monadische ouder; het derde,
een geestelijk-intellectuele monade of hoger ego, dat het blijvende reïncarnerende
ego is, dat eveneens een straal is van het voorafgaande monadische beginsel of
element; het vierde, een menselijke natuur of persoonlijk ego, dat op zijn beurt
een straal is van het vorige; het vijfde, een astraal of modellichaam, een etherisch
lichaam, het linga sarîra; het zesde, een fysiek lichaam gebouwd om en gedeeltelijk
uit dit astrale of modellichaam; en het zevende en laatste, de levens essentie
of het leven, dat wil zeggen kracht of energie. Dit ‘leven’ dat door alle beginselen
of elementen loopt en ze verbindt, en dat zelf steeds minder etherisch wordt naarmate
het ‘afdaalt’ door de lagere delen van de constitutie, bestaat op zijn beurt,
zoals alle andere beginselen, uit monadische eenheden, levende oneindig kleine
lichaampjes of entiteiten die we levensatomen noemen. Zoals stromend water uit
moleculen bestaat die door atomen worden gevormd, die op hun beurt uit protonen
en elektronen worden gevormd, zo is deze stroom van levensessentie, de levensstroom
die door de hele constitutie van de mens loopt, zelf moleculair en corpusculair,
atomair en elektromagnetisch van aard. Tijdens het leven op
aarde werpt elk deel van de constitutie van de mens uit zichzelf, zoals een fontein,
menigten levensatomen uit op zijn eigen sfeer of gebied: van het spirituele door
al de tussenliggende stadia tot aan het fysieke lichaam. Maar dit is niet alles.
Er is een voortdurende uitwisseling bij het rondzwerven van die verschillende
levensatomen door het hele gebied van de constitutie van zijn wezen. Wat is dit
schitterend! Een levensatoom bijvoorbeeld dat voortvloeit uit het buddhische beginsel
van de mens behoort tot het buddhi-gebied; maar omdat het een evoluerende entiteit
is, heeft dat levensatoom een eigen bestemming. Het is evengoed als wij, of als
een god, een deel van de natuur, en zodra onze constitutie het doet ontstaan op
een of ander gebied, in dit geval op het buddhi-gebied, begint het een reeks zwerftochten
van gebied tot gebied in en uit onze constitutie, en het doet daarbij precies
hetzelfde als wij als individuen doen wanneer we incarneren en excarneren. In
dit geval komt het levensatoom van het buddhische gebied naar het mânasische,
naar het kâmische, omlaag naar het astrale gebied en tenslotte naar het fysieke
lichaam, en dan na zijn omzwervingen keert het terug naar zijn ouder-constitutie
en stijgt door die constitutie op om zich weer te verbinden met zijn buddhische
ouder, om daar zijn eigen atomaire ‘eonische’ periode van nirvâñische gelukzaligheid
door te maken voordat het een nieuwe pelgrimstocht begint die wel lijkt op maar
niet identiek is aan de zojuist beëindigde. De levensatomen
van alle delen van de constitutie van de mens zijn eeuwig aan het rondzwerven.
Wat is bijvoorbeeld een gedachte? Een gedachte is een mânasisch elementaal dat
op een pelgrimstocht wordt gezonden, en dit elementaal is in zijn eigen essentie
evenzeer een levend wezen als dat wij dat zijn. Gedachten zijn wezens omdat zij
substantie of stof zijn. Ze ontstaan op het mânasische gebied, en daar beginnen
ze aan hun zwerftochten. Ze komen tot ons als monaden vanuit andere gebieden,
van andere wezens, en gaan op het fysieke gebied door onze hersenen; zo doen wij
ze wedergeboren worden. Hoe kunnen we zo egoïstisch zijn ons zelfs een ogenblik
te verbeelden dat de gedachten die door onze hersenen gaan alle van onszelf zijn
- het energische nageslacht van de fysieke substantie van de hersencellen!
Ieder van ons, elke god in de ruimte, elk geestelijk wezen waar dan ook, was eens
de gedachte van een denkende entiteit. Zoals iedere god in vroegere manvantara’s
een mens is geweest, en zoals ieder mens in vroegere eonen zelf een levensatoom
is geweest, met andere woorden een belichaamd elementaal zo zijn onze gedachten
nu elementalen die door die ene bijzondere fase van hun evolutionaire ontwikkeling
heengaan als gedachten die door de geest van een denkend wezen gaan. En na verloop
van tijd zullen ze op dit gebied worden belichaamd in een geschikt voertuig van
hun bewustzijn, om vroeger of later levensatomen te worden.
Al deze verschillende klassen van levensatomen die tot al onze verschillende innerlijke
omhulsels van bewustzijn behoren, en waarvan elke klasse op haar eigen respectieve
gebied bestaat, of in haar eigen wereld, zijn wezenlijke onderdelen van onze stroom
van karmisch bestaan, prâñische kinderen van het brahman in ieder van ons, die
de individuele innerlijke god is. Na de dood volgen ze een identieke werkwijze
op hun eigen gebieden en op grond van precies dezelfde natuurlijke oorzaken die
de postmortale zwerftochten bepalen, voortgebracht door de aantrekkingen en afstotingen
van de levensatomen van het fysieke lichaam. De etherische
of astrale levensatomen zijn tijdens het leven in het astrale lichaam of voertuig
ingebouwd, dat tijdens het leven de spirituele krachten van de monade neertransformeerde,
zodat deze krachten op het brein van fysieke materie konden inwerken; want deze
geestelijke energieën of krachten zijn zonder zulke tussenschakels te subtiel,
te etherisch, om rechtstreeks invloed te hebben op onze wereld van materie. Dit
astrale voertuig of lingasarîra valt op het moment van de dood van het fysieke
lichaam niet onmiddellijk uiteen. Het zweeft enige tijd rond het fysieke lijk
in de astrale wereld, die zich juist over de drempel van het fysieke bestaan bevindt.
Veel mensen spreken gewoonlijk, omdat ze niet nadenken of omdat ze het niet weten,
over de astrale wereld als gescheiden van de fysieke wereld door een scheidsmuur
of een soortgelijk verdelend element dat zou voorkómen dat er een vrije en gemakkelijke
uitwisseling is tussen de astrale en fysieke werelden. Niets zou verder van de
waarheid kunnen zijn. Zo’n scheidsmuur of barrière tussen
het fysieke en het astrale is er absoluut niet, want de waarheid is dat zij in
elkaar overvloeien door niet te onderscheiden gradaties van materie die zich uitstrekken
van het meest etherisch-fysieke tot het meest astraal-materiële. Er is daarom
een constante uitwisseling tussen de fysieke en de astrale wereld. De enige scheidsmuur
of barrière die bestaat omvat die weinige graden van zich vermengende substanties
die, in plaats van hindernissen of belemmeringen voor onderling verkeer te zijn,
feitelijk de communicatiemiddelen zijn ongeveer zoals een elektrisch snoer
het middel is om de elektrische stroom van het ene punt naar het andere te brengen.
Er zijn in de geschiedenis van de mensheid tijden die met periodieke regelmaat
terugkeren, waarin deze niveaus tussen het fysieke en het astrale dun schijnen
te worden; en op die tijden komt er onvermijdelijk een uitbarsting van psycho-astrale
gebeurtenissen. We leven nu in juist zo’n fase van astraal-psychische uitbarstingen.
Deze perioden gaan onveranderlijk gepaard met werkelijke gevaren voor zowel het
menselijke denken als de emotionele stabiliteit, hoewel ze die ene verzachtende
eigenschap hebben (en het kan inderdaad zo worden genoemd) dat ze bij de mens
interesse wekken in andere zaken dan het fysieke, en hen laten nadenken over het
werkelijke bestaan van sferen of werelden van zijn die etherischer zijn dan de
fysieke. Deze meer etherische werelden zijn echter in geen
geval spiritueler dan de fysieke, want de fysieke sfeer is een heel veilige
en gezonde plaats, vergeleken met de lagere regionen van het astrale licht; en
juist met deze lagere sferen van de astrale wereld kan men vanuit het fysieke
gebied gemakkelijk in contact komen. Het lingasarîra blijft
zelf maar kort in zijn zwakke en kleurloze bestaan in de astrale wereld, na de
ontbinding van het fysieke lijk, want het is aan dezelfde processen van moleculaire
en atomaire ontbinding onderhevig als het fysieke lichaam. Zijn bestaansduur is
daarom, relatief gesproken, zeer kort, en duurt maar weinig langer dan dat van
het fysieke lichaam, wanneer dit wordt achtergelaten om te vergaan laten
we zeggen dat het lingasarîra ongeveer acht of tien jaar kan blijven bestaan voordat
het eveneens in zijn samenstellende astrale levensatomen is ontbonden.
Het gebeurt heel veel dat men het astrale modellichaam of linga sarîra met het
kâmarûpa verwart. Het kâmarûpa is tijdens het leven de zetel van de menselijke
ziel, en is zelf samengesteld uit leven s atomen, maar die zijn etherischer dan
de levensatomen van het veel grovere linga sarîra. Terwijl het linga sarîra maar
iets langer blijft bestaan dan het fysieke lijk, zal het kâmarûpa op zijn eigen
gebieden of niveaus van de astrale wereld gewoonlijk veel langer voortbestaan
dan het fysieke lichaam en het linga sarîra dat kan in uiterste gevallen
vele jaren zijn. Het hangt er helemaal van af wie en wat de mens tijdens zijn
leven op aarde is geweest. Als de mens van een grof materialistisch type was,
onderhevig aan de impulsen van zijn lagere hartstochten, met betrekkelijk weinig
spirituele inspiraties, dan is het kâmarûpa natuurlijk een heel dichte en astraal
grove entiteit en zijn bestaansduur in de astrale wereld, voordat het is ontbonden,
is overeenkomstig lang. Als daarentegen de mens van een
hoogstaand spiritueel en intellectueel type was, de meester over zijn lagere impulsen,
dan is zijn kâmarûpa overeenkomstig etherisch of lichtgevend en maar weinig dicht;
en daardoor is zijn bestaansperiode als een kâmarûpische entiteit in de astrale
wereld overeenkomstig kort, omdat ontbinding tamelijk snel plaatsvindt. Dit zijn
twee uitersten; en daartussen vallen alle andere categorieën van mensen.
Er zijn gevallen bekend waarin het kâmarûpa van een bijzonder slecht mens eeuwenlang
bleef bestaan in feite zó lang dat het nog als een kâmarûpische entiteit
samenhangt nadat zijn monade op aarde is teruggekeerd om te incarneren, en daarna
bij de ongeluk kige ‘nieuwe’ mens rondwaart door zich te hechten aan zijn pas
ont wikkelde kâmarûpa en in de meeste gevallen zich ermee te verbinden, waardoor
het fungeert als een onophoudelijke bron van boze neigingen en impulsen. Dit is
een geval van wat technisch een wachter op de drempel wordt genoemd, waarop Bulwer
Lytton in zijn roman Zanoni zinspeelt. Niet alleen
bij mensen kan zo’n wachter op de drempel bestaan, maar deze situatie komt feitelijk
voor bij sommige planeten: onze aarde is een van die ongelukkige planeten, en
de tegenwoordige maan is de kâmarûpische wachter op de drempel. Ja er zijn werkelijk
gevallen in de diepten van de sterrenruimte waar zelfs zonnen hun kâmarûpische
rondwarende wachters hebben! Het kâmarûpa van de mens is
daarom slechts de astrale schaduw van de vroegere mens. Deze astrale aan de aarde
gebonden entiteiten of schaduwen worden vaak ‘spoken’ en ‘geesten’ genoemd, en
elk zo’n schaduw is slechts een eidolon een Grieks woord met de
betekenis van ‘afbeelding’, het astrale beeld van de mens die was.
Soms is beweerd dat het kâmarûpa zich pas na de dood van het fysieke lichaam vormt;
maar deze bewering, hoewel in een bepaald opzicht waar, is zonder voorbehoud zowel
misleidend als onjuist. Het kâmarûpa wordt werkelijk stap voor stap, atoom voor
atoom, opgebouwd tijdens het leven op aarde van het wezen waarvan het een samenstellend
deel van zijn constitutie is, omdat het bestaat uit de astrale, emotionele, psychische
en lagere mentale levensatomen van de mens; maar pas na de dood van de mens neemt
het een defini tieve vorm aan, en wordt een afzonderlijke astrale entiteit.
Er zijn gevallen waarin de kâmarûpa’s van bijzonder slechte mensen niet alleen
vele jaren na de dood van het fysieke lichaam blijven bestaan, maar iets van de
laagste mentale vitaliteit van de mens behouden. Deze kâmarûpa’s worden wat men
technisch ‘elementaren’ noemt; ze zijn niet alleen maar schillen, wat het normale
geval is nadat de monade het kâmarûpa heeft afgeworpen, en dat dus zou moeten
desintegreren, maar houden nog bepaalde delen van grove en actieve mentale levensatomen
of energieën of krachten gevangen, die de mens gebruikte toen hij nog leefde.
Deze elementaren zijn uiterst gevaarlijke astrale bewoners, want ze handelen onder
de automatische impulsen van hun gevangen gehouden lage gedachten en verlangens,
en zoeken aanhoudend bevrediging en worden dus aangetrokken tot mensen met wie
ze zich verwant voelen. Bovendien worden ze aangetrokken tot plaatsen en zaken
waarheen hun lage verlangens en gedachten hen trekken. Als concrete voorbeelden
kan men noemen bordelen, slachthuizen, bloed van mens of dier, en in feite alle
dierlijke of menselijke uitscheidingsproducten, zelfs een van de onschuldigste
voedingsmiddelen van de mens, warme melk die pas uit de uier is gemolken. De reden
voor dit alles is de dierlijke uitwaseming die van deze plaatsen en dingen uitgaat.
Omdat er levensatomen zijn die tot elk van de samengestelde beginselen van de
constitutie van de mens behoren, is de mens zelfs in zijn tussennatuur een samengestelde
entiteit; en na de dood ontbindt deze tussennatuur, gewoonlijk menselijke ziel
genoemd, zich na verloop van tijd in haar samenstellende levensatomen, waardoor
de centrale kern ervan, die het menselijke ego is of de menselijke monade, wordt
bevrijd. Wanneer deze tussenliggende levensatomen op hun beurt worden achtergelaten,
wanneer de monadische straal die de ware mens is wordt teruggetrokken, verder
omhoog en nog dichter tot zijn oudermonade met andere woorden, in het hoogste
zelf van zijn wezen worden deze levensatomen van de tussennatuur van de
mens vrijgemaakt van de heerschappij van de monadische straal en vormen een menigte
op innerlijke gebieden. Al deze menigten van verschillende soorten levensatomen
worden aangetrokken tot andere mensen, die òf juist een leven op aarde beginnen
òf al een sterk persoonlijk leven op aarde hadden; precies zoals de levens atomen
van het fysieke lichaam door psychomagnetische affiniteit worden aangetrokken
tot de respectieve sferen waar ze van nature thuishoren.
De verlangens en hartstochten van de mens komen in werkelijkheid op in de omhulsels
van het menselijke ego, en worden dus na verloop van tijd na de dood met hun eigen
omhulsels door de monade afgeworpen die daardoor wordt bevrijd van de band die
haar verankert aan de astrale wereld. Wanneer Milton over de postmortale overblijfselen
van de mens schrijft, laat hij zien dat hij begrijpt dat de mens innerlijk is
opgebouwd uit verschillende soorten etherische stof. Natuurlijk heeft de grote
Engelse dichter zijn basisideeën aan de Griekse en Romeinse schrijvers ontleend,
die op hun beurt de esoterische traditie slechts herhaalden. In zijn Comus,
schreef Milton:
Maar
wanneer lust,
Door onzuivere blikken, losbandige gebaren, en smerige
taal,
Maar vooral door obscene en buitensporige daden van
zonde,
Vervuiling binnenlaat in de innerlijke gebieden,
Slibt de ziel dicht door besmetting,
Vervormt, en vergroft, tot ze de goddelijke eigenschap
Van haar oorspronkelijk zijn praktisch verliest.
Zo bestaan deze klamme dichte en duistere schaduwen,
Vaak waargenomen in grafgewelven en catacomben
Kwijnend en zittend bij een pas gedolven graf,
Niet genegen het lichaam te verlaten dat zo geliefd was,
En verbinden zich door vleselijke wellust
Aan een ontaarde en verworden staat.
Alles wat Milton in de bovenstaande regels schreef is waar,
ofschoon hij niet voldoende duidelijk een onderscheid maakte tussen
het lingasarîra en het kâmarûpa. Het lingasarîra houdt zich op bij de
‘grafgewelven en catacomben’, en het kâmarûpa doet precies hetzelfde,
en niet zelden; toch is het verschil tussen hen heel duidelijk. Terwijl
hij hier hoofdzakelijk verwijst naar dat ene aspect van het aardse leven,
namelijk de materieel hartstochtelijke neiging van de lagere natuur,
zijn er veel erger dingen dan alleen menselijke hartstocht; en deze
zijn de subtielere, en daarom gevaarlijker omdat ze wat aggressiever
zijn aandoeningen van de lagere ziel, zoals hevige boosheid,
aanhoudende haat, bittere jaloezie, verblindende afgunst, asociale persoonlijke
ambitie, hevige vrees, en andere soortgelijke gevoelens. Al deze doen
krachtig hun invloed gelden op de tussenliggende of psychische natuur
van de mens en oefenen er een sterk neerwaartse aantrekking op uit;
terwijl de verheven deugden die onpersoonlijk zijn, zoals hoop, naastenliefde,
vriendelijkheid, onpersoonlijke liefde, onzelfzuchtigheid, de intuïtieve
gevoelens zijn die voortkomen uit het hogere deel van onze constitutie.
Zoals eerder gezegd, zijn de afgeworpen omhulsels
van het tussenliggende deel van de menselijke constitutie uit levensatomen
samengesteld, en aan deze levensatomen hebben we tijdens ons hele leven
op aarde een bepaalde hoofdrichting of overheersende impuls gegeven.
Door deze krachtige invloed van de menselijke wil en intelligentie op
deze levensatomen worden we karmisch verantwoordelijk voor deze levensatomen
overeenkomstig de indruk die we op hen hebben gemaakt; en tot op zekere
hoogte zijn we ook verantwoordelijk voor de psychische, astrale, en
fysieke gevolgen die ze kunnen hebben voor andere mensen naar wie deze
levensatomen verhuizen. Want er heeft constant en ononderbroken een
uitwisseling van levensatomen plaats tussen alle mensen. Op deze levensatomen
worden zó talloze indrukken gegrift, veroorzaakt door het onbereken
bare aantal impulsen en invloeden die ze hebben ondergaan; en voor zover
we ons individuele of persoonlijke stempel erop hebben gezet, zijn we
daarvoor strikt verantwoordelijk. Eens zullen deze levens atomen bij
ons terugkomen. Voor zover ze die individueel kunnen bevatten, dragen
ze onze eigen levenskracht mee; en deze levensverwantschap met onszelf
is de oorzaak dat ze tot ons terugkomen. Via de levensatomen op alle
gebieden van ons zijn ondergaan we dus, door de feilloze rechtvaardigheid
van karma, een rechtvaardige en ons toekomende vergelding, door af te
rekenen met infinitesimale deeltjes van ons vroegere zelf of onze vroegere
zelven.
Natuurlijk zijn deze individuele invloeden op ieder
levensatoom oneindig klein, maar omdat er ontelbaar veel levensatomen
zijn, kan hun gezamenlijke invloed niet alleen tot handelen aanzetten
maar soms ook dwingen. Er is maar weinig inspanning van onze verbeelding
voor nodig om nu in te zien dat ons verleden zelfs via de levensatomen
tot ons terugkeert, en dat alleen al in dit feit een wezenlijke grondslag
ligt voor ethiek, voor edel denken, en voor de plicht om op de atomen
van onze hele constitutie de impulsen af te drukken die voortvloeien
uit onze hogere delen. Dan keren deze levensatomen als engelen tot ons
terug, ieder als een impuls ten goede zelfs voor onze fysieke
gezondheid.
Wanneer de monade op haar wonderbaarlijke postmortale
reis opstijgt door de sferen, werpt ze bij elke stap of in elk stadium
de levensatomen af die behoren tot het respectieve deel van de constitutie
dat in dat stadium thuis is. Bij iedere stap omhoog laat de monade die
groepen levensatomen achter die te materieel zijn om haar in meer etherische
gebieden te vergezellen totdat ze, wanneer de monade het einde van haar
reis heeft bereikt, zoals Paulus heeft gezegd, in ‘een geestelijk lichaam’
(1 Cor. 15:44) is gehuld het passende lichaam voor haar
eigen geestelijke eigenschappen.
Dat is de hoogste bestemming van de bevrijde monade,
die aldus een jîvanmukta wordt een volledig zelfbewuste godheid,
volmaakt voor wat er overblijft van de tegenwoordige levensperiode van
de wereld of het kosmische manvantara. Maar wat de meer beperkte periode
tussen de levens van het zich wederbelichamende ego betreft, tijdens
deze opwaartse reis van de monade na de dood glijdt dit zich wederbelichamende
ego geleidelijk in zijn devachanische toestand. Voor de meeste mensen
geldt dat het zich wederbelichamende ego in devachan rust in de schoot
van de monade en het brengt aldus in devachanische gelukzaligheid lange
eeuwen door voordat het zijn terugreis naar een nieuwe belichaming op
aarde begint zo’n periode van devachanisch herstel hangt in elk
van de gevallen af van de in het vorige leven opgewekte energieën, die
nu hun geschikte sfeer van activiteit vinden in het geestelijk-intellectuele
‘droomland’, devachan.
Wanneer de eeuwen van de zich ontwikkelende tijd
het einde brengen van de devachanische droom, beginnen de aantrekkingen
actief te worden en trekken het ego terug naar een incarnatie op aarde;
geleidelijk worden de stadia van de terugreis weer doorlopen, in precies
de omgekeerde volgorde van de treden waarlangs de monade was ‘opgeklommen’.
Het zich wederbelichamende ego gaat in tegenovergestelde richting door
de sferen naar beneden zonder een van de sporten van deze mystieke levensladder
over te slaan; en bij elk van die treden van de ‘neerdaling’ neemt het
door psychomagnetische aantrekking zoveel levensatomen in zich op als
het kan aantrekken van de menigten ervan die het in de respectieve stadia
of gebieden van zijn reis omhoog had achtergelaten. Zo worden zijn nieuwe
lichamen of voertuigen, onzichtbare en zichtbare, innerlijke en uiterlijke,
weer uit hen opgebouwd.
Gedurende het christelijke tijdperk hebben veel mensen
over het christelijke dogma van de ‘opstanding van het lichaam’ nagedacht
soms heel grof en onnauwkeurig uitgedrukt als de ‘opstanding
van de doden’. De werkelijke betekenis van deze theologische en kerkelijke
leer is op verschillende tijden verkondigd, vooral sinds de weder geboorte
van de vermogens van het menselijk intellect, toen men vragen begon
te stellen, en door te vragen werkelijk begon na te denken. Toch heeft,
naar het schijnt, niemand deze christelijke leer goed begrepen die,
zoals de meeste andere christelijke dogma’s, enige grond van waarheid
heeft.
Men mag aannemen dat geen verstandig mens tegenwoordig
kan geloven dat de fysieke elementen van het lichaam, wanneer ze eenmaal
naar de aarde zijn teruggekeerd, op een bepaald moment in de toekomst,
de Dag des Oordeels genoemd, weer zullen worden verzameld tot een samengesteld
en volmaakt geheel; wanneer volgens de ongewone beeldspraak van vroeger
alle soorten en klassen van mensen uit hun graven zullen opstaan bij
het geschal van de hemelse bazuin, en allen die uitverkoren zijn om
op te staan, dan hun plaatsen zullen innemen aan de rechterhand van
God in de hemel om daarna voor altijd lofzangen te zingen voor de Eeuwige!
Wat een groteske verzameling ideeën! Toch ligt er achter deze gedachte
van de ‘opstanding van het lichaam’ werkelijk een heel mooie waarheid
of een natuurfeit, die als volgt in twee vormen kan worden uitgedrukt:
Ten eerste, een bijzonder geval dat een mysterie
inhoudt een leer van de oude mysteriën: Wanneer een mens zijn
laatste graad van inwijding heeft ontvangen, zegt men dat hij is ‘opgestaan’
tot het meesterschap in hetzelfde fysieke lichaam.
Ten tweede, het algemene geval betreft het weer verzamelen
van de levensatomen. Deze levensatomen zijn het eigen kroost van de
mens, die tijdens zijn leven op aarde in zijn lichaam zijn ingebouwd,
die echter niet vanbuiten komen maar van binnenuit hemzelf. Niet alle
levensatomen die het lichaam van de mens samenstellen zijn zijn eigen
nakomelingen - emanaties van zijn eigen levensessentie. Wegens de onophoudelijke
zwerftochten of omzwervingen van de levensatomen tussen mens en mens
is er op elk ogenblik in elk menselijk lichaam een bepaald aantal levensatomen
die zogezegd de ‘gasten’ zijn in dit fysieke lichaam, en die door verwantschap
ertoe zijn aangetrokken en die het ook verlaten omdat er een andere
nog sterkere affiniteit is die hen psychomagnetisch naar een ander lichaam
trekt.
De meerderheid van de levensatomen die de constitutie
van de mens opbouwen zijn echter zijn kinderen; daarom worden ze psychomagnetisch
aangetrokken naar het zich wederbelichamende ego op zijn terugreis naar
het nieuwe leven op aarde; en het zich wederbelichamende ego kan evenmin
vermijden deze levensatomen weer in zich op te nemen, als het kan vermijden
zichzelf te zijn. Ze worden er weer naartoe getrokken omdat ze vroeger
ervan zijn uitgegaan. Ook deze levensatomen hebben gedurende de tijd
dat het zich wederbelichamende ego zijn devachanische periode doormaakte
hun eigen verbazingwekkende avonturen gehad in de verschillende sferen
en gebieden van de zeven bollen van de planeetketen. Dus wanneer het
neerdalende individu of het zich wederbelichamende ego de niveaus van
ons fysieke gebied bereikt, en het lichaam tenslotte wordt geboren,
is zijn groei daarna gewaarborgd door de magnetische aantrekkingen en
afstotingen van zijn vroegere levensatomen wanneer het van baby tot
volwassene wordt dezelfde levensatomen die het fysieke lichaam
van het zich wederbelichamende ego in zijn vorige leven op aarde hadden
gemaakt. Op deze wijze is het lichaam van het vroegere leven op aarde
weer opgestaan is het verrezen. Wanneer de tijd voor de
wedergeboorte van de mens in het fysieke leven is aangebroken, worden
door de geleidelijke condensatie of materialisatie van de innerlijke
voertuigen of elementen, van de monadische of geestelijke wereld omlaag
naar de fysieke, de zeven delen van de constitutie van de nieuwe mens
op aarde gevormd.
Wat ons opvalt bij dit verbazingwekkende natuurfeit
is de volkomen en feilloze rechtvaardigheid ervan; er is bij het incarnatieproces
geen toevallige werking of rangschikking van atomen, omdat de mens bij
iedere stap in deze procedure ontmoet wat hij vroeger heeft gemaakt,
en dat hij onvermijdelijk weer in zich moet opnemen. Hoewel hij in zijn
nieuwe aardse lichaam substantieel dezelfde fysieke mens is die hij
aan het eind van zijn vorige leven was, is het niet nauwkeurig noch
filosofisch juist te zeggen dat hij identiek is aan de ‘mens’ van het
vorige leven op aarde; want al is de ‘nieuwe mens’ een reproductie van
de ‘oude’, hij is niettemin als een persoonlijke entiteit een
duidelijk ‘nieuwe mens’, op grond van ‘nieuwe’ toevoegingen aan zijn
innerlijke vermogen en kracht die hij heeft verdiend als vrucht van
alle ervaringen van het vorige leven en hun assimilatie in zijn karakter
tijdens de devachanische tussenperiode. De mens kan dus ‘dezelfde’ mens
worden genoemd omdat hij is gevormd uit dezelfde identieke elementen
in zijn voertuigen, maar hij is een ‘nieuwe mens’ op grond van de groei
of het ontvouwen door evolutionaire ontwikkeling die sinds zijn vorige
leven heeft plaatsgevonden.
Het feit dat het fysieke lichaam na de dood soms
door crematie wordt vernietigd heeft geen effect op de levensatomen.
Vuur maakt de scheikundige atomen vrij; het vernietigt de uit atomen
samen gestelde moleculen, maar de atomen zelf worden door het vuur niet
aangetast. Vuur is een elektrisch verschijnsel. Het heeft gewoonlijk
een ontwrichtende werking, maar het is ook de grote bouwer van het universum,
en daarom vereerden sommige Ouden het vuur. Vuur is in feite een manifestatie
op de lagere gebieden van prâñische elektriciteit.
De levensatomen zijn de zielen
van de scheikundige atomen. Theosofen gebruiken tegenwoordig het woord atoom
in de Griekse etymologische betekenis van ‘ondeelbaar’, ‘monade’ of individu
dat wat absoluut een eenheid is en niet kan worden verdeeld. Op deze manier werd
het woord gebruikt door de oorspronkelijke stichters van de Griekse atomistische
school, die precies hetzelfde bedoelden als de school van Pythagoras toen daar
over de monade werd gesproken als een centrum van bewustzijn; wat we het werkelijke
spirituele atoom kunnen noemen, iets dat uiteindelijk ondeelbaar is in de zin
dat wanneer een van de psychische bekleedsels die elk zo’n bewustzijnscentrum
of monade omhullen, wordt weggenomen, daardoor een meer volmaakt omhulsel van
het bewustzijnscentrum wordt blootgelegd; en dit proces van ontwikkelen zou ad
infinitum kunnen voortgaan en toch nooit het hoogste of ‘absolute’ begin bereiken
- want waar zou men een denkbaar einde of begin van een bewustzijnscentrum kunnen
vinden? Waar het op neerkomt is dat deze omhulsels werkelijk stadia van bewustzijn
zijn, en dus, hoe talrijk deze ook zijn, dat daar altijd bewustzijn per se
is. De hindoes uit de oudheid noemden het levensatoom paramâñu,
een samengesteld woord dat uiteindelijke of ‘eerste’ añu betekent, waarbij
añu iets aanduidt dat oneindig klein is; zodat het wanneer het wordt toegepast
op substantie de betekenis heeft van wat we een levensatoom noemen, en wanneer
het op geest wordt toegepast zou het gemakkelijk monade kunnen betekenen. Niettemin
is de beste term voor monade jîva; en voor het centrum van bewustzijn zelf,
gezeteld in het hart van de monade, zou de passende beschrijvende term jîvâtman
zijn of monadisch zelf. In enkele van de Upanishads wordt gesproken over brahman
gezeteld in het hart van het atoom dat brahman dat kleiner is dan het kleinste,
en toch groter dan het grootste, ja in zijn uitgestrekte bereik het universum
omvat. Er moet echter op worden gewezen dat zulke oorspronkelijke
oneindig kleine kernen of paramâñu’s niet slechts punten zijn van ‘dode stof’;
deze opvatting mist totaal de hoofdgedachte; maar dat deze oneindig kleine kernen
centra zijn of punten van zuiver onvermengd bewustzijn ‘atomen bewustzijn’.
Daarom wordt naar het kosmische brahman in de hindoefilosofie verwezen als añîyas
añîyasâm ‘kleinste van het kleinste’, het ‘atomaire van het atomaire’,
of anders gezegd, de essentiële substantie of het bewustzijnspunt dat, juist omdat
het essentieel bewustzijn is, allesdoordringend is, en niet alleen het hart van
ieder atoom in het heelal is, maar dat heelal zelf vult.
Dit wordt goed beschreven door de term jîvâtman, want in het hart van iedere
entiteit is een goddelijke vonk, de innerlijke god ervan die wordt omhuld door
bekleedsels van afnemende graden van doorschijnendheid, en deze zijn de verschillende
‘omhulsels’ van bewustzijn. De hoogste van deze gewaden of sluiers zijn doorschijnend
en laten het geestelijke licht door dat vloeit uit deze innerlijke geeste lijke
monade of zon; en de uiterlijke of meer ondoorzichtige zijn minder etherisch,
en ze worden steeds dichter tot het fysieke lichaam wordt bereikt.
De Engelse astronoom en wiskundige Sir James Jeans schrijft in zijn The Mysterious
Universe:
Want hoever we ons ook van een elektrisch
geladen deeltje verwijderen, we kunnen niet buiten het bereik van zijn
aantrekkingen en afstotingen komen. Dit bewijst dat een elektron, tenminste
in een bepaald opzicht, de hele ruimte in beslag neemt.
blz. 58
Het is hieruit duidelijk dat Jeans, ongetwijfeld onbewust, aan een elektron van
de wetenschap enkele eigenschappen van de añu van de hindoes toekent. Wat
de monade is voor het levensatoom, dat is de paramâñu voor de añu.
De innerlijke god van de mens kan dus ook een ‘geestelijk atoom’, een paramâñu
worden genoemd, een monade, iets werkelijk ondeelbaars, iets dat het hele kosmische
manvantara voortduurt; echter niet eeuwigdurend in zijn omhullende sluiers, maar
in dat geheimzinnige onuitsprekelijke mysterie van zijn essentiële zelf. Wanneer
de menselijke ziel, door het proces van het vanuit zichzelf ontvouwen van haar
monadische mogelijkheden, haar innerlijke licht in meerdere of mindere mate te
voorschijn brengt, kunnen we deze menselijke ziel ‘het menselijke atoom’ noemen
of ook de menselijke monade of het menselijke ego, dat het zelfbewuste centrum
is van de gemiddelde mens. De mens, de werkelijke mens,
kan dus in laatste instantie worden beschouwd als een zelfbewuste kracht of stroom
van bewustzijn-energie, en in haar hoogste of monadische vorm is die bewustzijn-energie
homogeen, en omdat deze een eenheid is, is ze een individu. Het is deze monade
die van het ene geïndividualiseerde leven naar het andere gaat, van sfeer naar
sfeer, en steeds haar innerlijke eigenschappen en vermogens ontwikkelt, en op
die manier het pad volgt van ononderbroken kosmische evolutie. De ervaringen die
ze in één enkel leven opdoet vormen een onbetekenend deel van wat de kosmos voor
haar in zich heeft, als lessen om te leren, en als groei om tot stand te brengen!
Wetenschappers zien in de fysieke wereld een nooit eindigend
drama van in- en uitstroming, van verandering en uitwisseling, van een voortdurende
zwerftocht van fysieke deeltjes door het enorme bereik van het universum. Ze vertellen
ons over de zwerftochten van de atomen, samengesteld uit elektrisch geladen deeltjes,
die van de zon en ongetwijfeld van de andere planeten tot ons komen.
Ja, er is een aanhoudende circulatie langs de wegen van het heelal, van de levensatomen
die zichzelf belichamen in de scheikundige atomen tijdelijke voertuigen
die worden aangenomen en afgelegd in reeksen belichamingen die zich zonder ophouden
herhalen terwijl deze levensatomen in alle richtingen rondstromen; zo nemen ze
deel aan een constante beweging heen en weer, uit de schoot van vader zon en weer
naarbuiten door zijn rijk van de atomen, en maken de wegen of paden die door alle
wezens en entiteiten van hogere evolutionaire graad worden gevolgd en gebruikt.
Het is de ‘cyclus van noodzakelijkheid’ van de oude Griekse filosofen. Want geen
mens, ja geen entiteit, kan voor zichzelf alleen leven. We zijn allen leden van
één gemeenschappelijk geheel, waarvan de afmetingen in werkelijkheid de grenzeloze
ruimte is, en waarvan de individuen de eeuwigdurende rondzwervende monaden zijn.
|