16

De dood en daarna: een studie van bewustzijn

Als we de mens in zijn diepste kern als een onsterfelijke, en gedurende het kosmische manvantara altijd actieve, straal uit het hart of de essentie van het heelal beschouwen, en daarom als even eeuwig als het heelal zelf, dan blijkt dat wat men de dood noemt het begin is van het grootste avontuur van het leven.
    In het westen heeft men te veel de nadruk gelegd op de verschillende lichamen in de constitutie van de mens, maar deze zijn tenslotte slechts tijdelijke voertuigen om zichzelf heengeworpen door de monade, een schitterende straal van de zonnegodheid. Het zal onmogelijk zijn de dood en haar mysteries te begrijpen zolang men zijn aandacht alleen op de lichamen of omhulsels concentreert waarin deze straal of vlam van bewustzijn zich periodiek wikkelt. Als een mens wil weten wat zijn bestemming na de dood is, moet hij de zwerftochten van het bewustzijn per se volgen. Wanneer een mens dit kan doen zal hij niet langer bang zijn voor de dood, omdat hij zal zien dat deze niet bestaat, behalve als een fase van het leven die het begin betekent van de zwerftochten door de innerlijke werelden en sferen, totdat devachan wordt bereikt; en hij zal precies begrijpen wat de dood is, de meest welwillende helper en vriend die een mens heeft. Sterven betekent het terzijde leggen van het onvolmaakte voor betrekkelijke volmaking, een beperkt bewustzijn voor een verruimde sfeer van bewustzijn.
    Alle intuďtie uit het diepst van de mens zegt hem dat bewustzijn per se, en los van zijn lichamen, ononderbroken doorgaat; en de ervaring van de mens vertelt hem eveneens dat gemanifesteerd of egoďsch bewustzijn voortdurend verandering ondergaat, zodat de mens zelfs van seconde tot seconde niet hetzelfde identieke ego blijft – want elke seconde brengt een onvermijdelijke verandering in eigenschap of kwaliteit van het waarnemende of gemanifesteerde bewustzijn.
    De mens is per slot van rekening een bewustzijnsstroom die als hij zijn structuur van hoog tot laag opbouwt bij tussenpozen even ophoudt om knopen of brandpunten te vormen die de verschillende bewustzijnscentra van zijn constitutie zijn. We kunnen ons voorstellen dat deze stroom van essentieel bewustzijn bestaat uit tenminste drie inherente kwaliteiten of eigenschappen: denken, wil en gevoel. Toch is de stroom van essentieel bewustzijn in ons – die zo verschilt van het gemanifesteerde of ego-bewustzijn – tot de huidige dag van onze volwassenheid onafgebroken doorgegaan, hoewel zijn gemanifesteerde vormen, omdat ze door die knopen of brandpunten werkten, altijd aan verandering onderhevig zijn geweest.
    Ieder van ons kan van zichzelf zeggen ‘ik ben ik’ – ego sum. Nog verder doordringend in de diepten van ons eigen essentiële bewustzijn kan ieder van ons over zichzelf ook zeggen ‘ik ben’, hetzelfde ‘ik ben’ dat het lagere waarnemende ego bewust gewaarwerd toen het kind-brein voor het eerst voldoende was ontwikkeld om kennis te ontvangen. Precies hetzelfde ‘ik ben’ zal in normale gevallen bij ons blijven tot de dag van fysieke ontbinding; maar denk eens na over de veranderingen waarin en door middel waarvan dit essentiële bewustzijn leefde en zich bewoog en zijn bestaan had tijdens ons hele leven. Zie hoe we bijna ontelbare veranderingen hebben ondergaan van deze knopen en brandpunten van bewustzijn, terwijl het wezenlijke ‘ik-ben’-gevoel steeds ononderbroken aanwezig bleef en zelf geen enkele merkbare verandering heeft ondergaan – hoewel de volwassen mens een toename constateert van zijn ‘ik-ben-ik’-gevoel.
    Merk bovendien op dat dit ‘ik ben’ werkelijk in allen identiek is; maar dat het ‘ik ben ik’ in de een niet hetzelfde is als het ‘ik ben ik’ in een ander. Het is juist het ego of ‘ik ben ik’ in ieder van ons dat de een van alle anderen onderscheidt, en dat de verscheidenheid van persoonlijkheden veroorzaakt die de mensen en alle andere eenheden in de hiërarchische menigte maakt tot wat ze zijn.
    Het hoogste brandpunt of de hoogste knoop van het essentiële bewustzijn, en daarom zijn eerste geestelijke voertuig, is de buddhische monade, en het essentiële bewustzijn zelf is de âtman of het fundamentele zelf dat een straal is van de paramâtman of het hoogste zelf van de kosmos. De buddhische monade is daarom deze stroom van essentieel bewustzijn, de gouden draad van ononderbroken individualiteit waaraan al de lagere substantie-beginselen zijn geregen, zoals kralen aan een ketting, die door al de tussenliggende brandpunten of knopen van de menselijke constitutie gaat, en erdoorheen vloeit als een stroom van ononderbroken straling. Deze stroom wordt de sűtrâtman genoemd, een Sanskrietwoord dat ‘draad-zelf’ betekent. De sűtrâtman wortelt daarom in en vloeit voort uit de buddhische monade, uit haar monadische essentie of âtman, maar de stroom ervan wordt gekleurd door de zich steeds verder ontvouwende individualiteit van het reďncarnerende of zich wederbelichamende ego, en werkt door de innerlijke constitutie van de mens, zijn denken en emoties, zijn aspiraties, intellect, enz., en brengt het individuele persoonlijke bewustzijn voort dat het ‘ik ben ik’ is.
    Een van de diepzinnigste leringen van Plato, die daarin het voorbeeld van de pythagoreeërs volgde, is dat de karakteristieke eigenschappen, kwaliteiten, en functies van het bewustzijn van de mens tijdens zijn leven zijn toe te schrijven aan vorige belichamingen van zijn egoďsche centrum, en dat daarom al zijn ingeboren kennis, wijsheid en organische vermogens alleen herinneringen zijn uit vroegere bestaansperioden, wat hij anamnese noemde, of het weer tot een samenhangende eenheid bijeenbrengen van al de energische en substantiële bewuste activiteiten die het wezen in de voorafgaande incarnatie was. Dit is in zeer werkelijke zin een feitelijk weer verzamelen of weer in herinnering roepen van het verleden: niet noodzakelijk van details, maar van het totaal van de spirituele en psychische elementen die uit het verleden komen en zich als karmische resultaten in het huidige leven tot uitdrukking brengen, en die in hun totaliteit de mens zelf vormen. Dus is het duidelijk dat Plato dezelfde leer onderwees als de Boeddha, namelijk dat een mens zijn eigen karma is: dat geheel van zichzelf, op alle gebieden en in alle aspecten, dat zijn vorige levens van hem hebben gemaakt, en dat hij nu is of zal worden.

We zien dus dat het leven van een mens de reis door de fysieke sfeer is van een zich steeds ontwikkelend bewustzijn, het zich wederbelichamende ego; en wat de dood wordt genoemd is eenvoudig een voortzetting van zijn reis buiten deze sfeer naar een andere die voor ons onzichtbaar is. Ja, men kan zeggen dat de fysieke dood voor een groot deel wordt veroorzaakt door het feit dat het zich ontvouwende veld van bewustzijn, zelfs in de loop van één leven, zich uitbreidt tot voorbij de capaciteit van het fysieke lichaam dat de spanning voelt die erop wordt uitgeoefend, langzaam achteruitgaat, zachtjes aan oud wordt, en tenslotte wordt afgeworpen. Korte tijd voor de ontbinding van het fysieke lichaam plaatsheeft, beginnen de innerlijke beginselen van de mens zich van elkaar te scheiden, en het lichaam voelt dit. Zodat, wanneer de dood intreedt, het fysieke lichaam sterft of zich ontbindt in zijn samenstellende elementen omdat de beginselen zelf, die de innerlijke krachten en substanties van de mens zijn – reeds zijn begonnen zich van elkaar te scheiden, en het lichaam na verloop van tijd van nature en onvermijdelijk dat voorbeeld volgt.
    Het onsterfelijke deel van de mens, dat boven het menselijke ego of de ziel staat, is een bewoner van goddelijk-geestelijke sferen. De kracht en de doordringende invloeden van dit hogere deel van de mens zijn onvergelijkelijk meer dwingend in de oorzakelijke rijken dan zelfs het spirituele ego of de ziel, en er is een onophoudelijke aantrekking naar boven, naar deze hogere gebieden; en vooral bij het naderen van de dood wordt de reďncarnerende entiteit sterk opwaarts daarheen aangetrokken. Deze gestage en krachtige spiritueel-intellectuele aantrekking die op het hogere deel van de tussennatuur van de menselijke constitutie werkt, samen met de slijtage van de fysieke en astrale lichamen van een mens gedurende het leven, zijn de voornaamste twee oorzaken die tot de fysieke dood van de mens bijdragen. De dood wordt daarom primair van binnenuit veroorzaakt en alleen secundair van buitenaf, en sluit aan de ene kant een aantrekking van het zich wederbelichamende ego opwaarts naar de geestelijke sferen in, en anderzijds het steeds verdergaande verval van het astraal-vitaal-fysieke voertuig.
    Waarheen we ook kijken, overal zien we de verschijnselen van het leven: entiteiten in alle stadia van groei of ouderdom of stervend; en een van de meest gebruikelijke manieren waarop de mens de oorzaken van de dood beschrijft is als een ‘gebrek’ aan innerlijke levenskrachten. Alles begint van binnenuit naar buiten te sterven; zodat men werkelijk kan zeggen dat, als het mogelijk was de levensactiviteit van de innerlijke constitutie onverzwakt te laten voortduren, het uiterlijke of fysieke lichaam waarschijnlijk in het geheel niet tot ontbinding zou overgaan zolang de onverzwakte innerlijke vermogens blijven functioneren; want deze innerlijke vermogens en krachten vervullen het fysieke lichaam met al hun samenhang gevende energie, en stellen het in staat als een ‘levend wezen’ te blijven bestaan. Een boom, bijvoorbeeld, sterft niet door invloeden van buitenaf die erop inwerken, hoewel deze inderdaad een aandeel hebben wanneer het innerlijke verval eenmaal begint, maar een boom begint van binnenuit te vervallen, en als het verval niet op een of andere manier wordt tegengehouden, zal het zich uitbreiden tot de hele entiteit sterft. Evenzo wordt een zon niet een koud dood lichaam door krachten van buitenaf, maar omdat haar eigen innerlijke krachten of energieën zichzelf hebben uitgeput; ja, volgens de wetenschap ‘sterft’ een zon tenslotte omdat ze het grootste deel van de elektromagnetische en titanische energieën die zich in haar kern bevinden, zo niet alle, heeft uitgestraald.
    De dood vindt dus van binnenuit plaats en werkt naarbuiten toe. Ouderdom, ouderdomszwakte of fysiek verval zijn dus de fysieke uitwerkingen van het zich voorbereidend terugtrekken van het zich wederbelichamende ego uit zijn zelfbewust deelnemen aan de dingen van het leven op aarde; en kan worden vergeleken met de periode vóór de geboorte waarin het zich wederbelichamende ego zich enige maanden of zelfs jaren halfbewust heeft voorbereid op zijn ‘dood’ in het devachan en zijn afdaling door de tussenliggende lagere gebieden op weg naar de fysieke belichaming.
    Tenslotte komt het ogenblik dat de uiteenvallende constitutie van de mens het punt bereikt waarop het zich wederbelichamende ego zo krachtig gehoor geeft aan de aantrekkingen ‘opwaarts’ of ‘binnenwaarts’ naar de vrede en gelukzaligheid van devachan, dat het zilveren koord van het leven dat het met de hogere triade verbindt, knapt. Onmiddellijk daarna houdt het hart op met kloppen; daar is de laatste hartklop gevolgd door een ogenblikkelijke bewusteloosheid. Sneller dan een lichtflits wordt het hogere deel van het ego dan teruggetrokken omhoog in de geestelijke monade, zijn essentiële zelf; en daar blijft het in devachan, en rust in de schoot van de monade tot de volgende incarnatie op deze aarde komt, gewikkeld in onuitsprekelijke dromen van het met succes vervullen van al zijn tot nu toe onvervulde aspiraties. We kunnen deze ervaringen ‘dromen’ noemen, omdat ze voor het zich wederbelichamende ego evenzeer dromen zijn als de gewone dagdromen van een mens; maar deze devachanische dromen zijn voor het spirituele ego veel werkelijker dan het meest ‘werkelijke ding’ waarover het fysieke lichaam met zijn onvolmaakte zintuigen ons kan berichten.
    We moeten altijd bedenken dat devachan niet een objectieve sfeer of gebied is, maar dat het geheel en al een reeks bewustzijnstoestanden is, die om zich heen deze illusoire ‘beelden’ of ‘visioenen’ weeft die ogenschijnlijk de weerspiegelingen zijn van zijn eigen innerlijke activiteiten. Daarom is devachan voor degene die het ervaart altijd een individueel devachan. Een mens van wie het leven is voorbijgegaan zonder dat zijn verlangens van een filosofisch of wetenschappelijk karakter, enz., zijn vervuld, zal een devachan hebben dat precies overeenkomt met de overheersende stroom van bewustzijn tijdens zijn leven.
    Maar de dood is nog niet volkomen als het hart voor het laatst heeft geklopt, omdat het brein - het laatste orgaan van het lichaam dat sterft – nog enige tijd actief blijft; en het geheugen, hoewel onbewust voor het lagere menselijke ego, laat in volgorde en zonder onderbreking elke afzonderlijke gebeurtenis van het zojuist geëindigde leven, van de meest grootse tot de vluchtigste en geringste, de revue passeren. Het brein ziet alles in een continu vloeiend panorama van beelden vanaf het ogenblik dat het zelfbewustzijn in de babytijd voor het eerst begon tot het laatste moment van zelfbewuste gewaarwording toen het hart ophield te kloppen. Alles passeert de revue; en het zich wederbelichamende ego beseft de volmaakte rechtvaardigheid van alles wat het heeft ervaren, en ontvangt een onuitwisbare indruk daarvan die hem bijblijft in de devachanische tussentijd en hem helpt om hem te leiden naar de gepaste omgeving wanneer het naar de aarde terugkeert voor zijn volgende wedergeboorte.
    Zoals het panorama van het hele vorige leven bij het sterven de revue passeert, zo gaat hetzelfde tafereel dat onuitwisbaar op de structuur van zijn wezen is afgedrukt, opnieuw aan zijn ‘geestesoog’ voorbij vlak voor het zich wederbelichamende ego weer wordt geboren. Dit panoramische overzicht is zuiver automatisch, en het zielenbewustzijn van het zich wederbelichamende ego dat dit wonder baarlijke overzicht voorval na voorval bekijkt, is tijdelijk volkomen onbewust van al het andere. Het leeft dus tijdelijk in het verleden; en het geheugen maakt, om zo te zeggen, uit de âkâsische verslagen gebeurtenis na gebeurtenis los, zelfs tot in het kleinste detail.
    Er zijn duidelijke ethische en psychologische redenen waarom de natuurwetten nauw met dit proces zijn verbonden; want dit zich snel bewegende panorama omvat de hele reconstructie, mentaal gesproken, van zowel het goede als van het kwade dat in het vorige leven is gedaan; en drukt dit alles onuitwisbaar af op het weefsel van het spirituele geheugen van de mens die heengaat.
    Tenslotte komt het einde; en dan raken de sterfelijke en materiële delen van het panorama in vergetelheid; terwijl het zich wederbelichamende ego bewust de beste en meest spirituele en intellectuele delen van deze herinneringen van het panoramisch visioen behoudt en meeneemt naar devachan.
    Op blz. 203-4 van De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett staat het volgende:

Die herinnering zal langzaam en geleidelijk terugkeren tegen het einde van de kiemtijd (voor de entiteit of het ego), nog langzamer maar veel onvolmaakter en onvollediger voor de schil, en ten volle voor het ego op het moment dat het het devachan binnengaat.

De ‘herinnering’ waarover hier door Meester K.H. wordt gesproken, is het panoramische visioen, of het opnieuw zien van de gebeurtenissen uit het zojuist afgesloten leven, wat in ieder normaal mens tenminste twee keer na de dood gebeurt, en in sommige gevallen drie keer, en betrekking heeft op de ervaring van verschillende delen van de geëxcarneerde constitutie. De ‘kiemtijd’ betekent hier de voorlopige voorbereiding van het zich wederbelichamende ego dat zijn devachan binnengaat; juist zoals de kiemtijd van een kind aan zijn geboorte op aarde voorafgaat, is er een kiemtijd van de devachanische entiteit vóór ze devachan ingaat.
    De ‘schil’ in het bovenstaande fragment heeft betrekking op de kâmarűpische entiteit of het spook dat bij de ‘tweede dood’ wordt afgeworpen kort voor het binnengaan van het ego in de devachanische toestand, en daarom aan het einde van de kiemtijd. De betekenis is dat de ‘viervoudige’ entiteit – viervoudig omdat ze de lagere triade heeft afgeworpen – na de dood in een min of meer onbewuste of droomtoestand verkeert; en het panoramische visioen of de herinnering keert langzaam tot het ego terug aan het eind van de kiemtijd die aan devachan voorafgaat; maar volkomen wanneer de kiemtijd voorbij is en de entiteit als het ware op de drempel van devachan staat. De herinnering keert echter zeer onvolkomen en onvolledig tot de kâmarűpische schil terug en min of meer op het ogenblik dat het opstijgende zich wederbelichamende ego de kâmarűpische schil voor het eerst laat vallen; en deze herinnering moet onvolledig en onvolmaakt zijn omdat de schil, die slechts een bekleedsel is, hoewel tot op zekere hoogte bezield en daarom halfbewust zoals het fysieke lichaam, kennelijk geen volledige herinnering aan het hele voorbijgegane leven kan bewaren, omdat ze niet in staat is de spirituele en verheven intellectuele vergezichten uit het juist geleefde leven vast te houden. Deze laatste zijn nauw verbonden met het zich wederbelichamende ego.
    Op blz. 217 schrijft Meester K.H.:

Devachan is een toestand, geen plaats. rűpaloka, arűpaloka en kâmaloka zijn de drie sferen van opklimmende spiritualiteit, waartoe de verschillende groepen van subjectieve entiteiten zich voelen aangetrokken.

De drie sferen van ‘opklimmende spiritualiteit’ zijn in hun juiste volgorde kâmaloka, rűpaloka en arűpaloka, en zijn een manier om in het kort de drie algemene toestanden van zowel materie als bewustzijn tussen de laagste astrale en de hoogste devachanische sferen uit te drukken. Kâmaloka is de gewone astrale wereld, dat deel van het astrale licht dat de wereld van de omhulsels is, de afgeworpen kâmarűpische entiteiten of spoken; en zelf is hij verdeeld in verschillende graden van ijlheid, toenemend van de laagste kâmaloka of die welke het dichtst bij de toestand op aarde staat. De kâmaloka gaat dan over in de rűpaloka, een Sanskrietwoord dat ‘vorm-wereld’ betekent; en de rűpaloka is in dit verband het lagere deel van de devachanische sfeer van zijn. De rűpaloka is op zijn beurt verdeeld in opklimmende graden van ijlheid, zodat het hoogste deel van de rűpaloka onmerkbaar samensmelt met het laagste deel van de arűpaloka of ‘vormloze sfeer’. Door deze ‘sferen van ijlheid’ gaat de gemiddelde geëxcarneerde entiteit tijdens haar postmortale avontuur, te beginnen op het ogenblik van de dood – maar na het panoramische visioen – in het laagste deel van de kâmaloka, en eindigend met het hoogste deel van devachan. Hoewel de kâmaloka, de rűpaloka en de arűpaloka als werkelijke plaatsen of sferen kunnen worden beschouwd omdat ze respectieve afdelingen zijn van het astrale licht, dat in een andere zin het lingasarîra van de aarde is, zijn ze dat alleen omdat al de entiteiten die erin verblijven een positie in de ruimte moeten hebben. Het devachan per se is een reeks bewustzijnstoestanden zoals ook het avîchi.
    Op blz. 205 van De Mahatma Brieven leest men:

. . . terwijl de laatste trap van devachan voor het ego vaak leidt naar de zwakste toestand van avitcha, die tegen het einde van de ‘geestelijke selectie’ van de gebeurtenissen een bona fide ‘avitcha’ kan worden.

‘Avitcha’ is natuurlijk een verkeerde schrijfwijze van de chela-schrijver voor avîchi. De ‘geestelijke selectie’ van de gebeurtenissen is maar een uitdrukking die vrij zuiver het uitkiezen beschrijft – door de devachanische entiteit wanneer ze in devachan komt – van alle geestelijke en verheven intellectuele perspectieven, gebeurtenissen, samen met alle geestelijke emoties en aspiraties, van het vorige leven op aarde. Als er weinig perspectieven en gebeurtenissen, enz. zijn om weer bij elkaar te brengen of een keuze uit te doen, dan is de devachanische toestand niet hoog en zonder twijfel een rűpalokisch devachan. Evenzo als deze vergezichten en gebeurtenissen bijzonder klein in aantal zijn, dan is het devachan zo laag of zwak dat dit praktisch betekent dat het grenst aan het hoogste deel van avîchi; omdat het hoogste deel van kâmaloka onmerkbaar overgaat in de allerlaagste toestanden van devachan, terwijl het laagste deel van kâmaloka onmerkbaar overgaat in de hoogste toestanden van avîchi. Met andere woorden, er is geen onderbreking van de continuďteit tussen elke twee van deze drie; want zowel devachan als avîchi zijn toestanden: ze kunnen onmerkbaar in elkaar overgaan.

Bij de dood legt een mens het fysieke lichaam terzijde als een tot de draad versleten jas die zijn dienst heeft gedaan. Evenzo legt hij het modellichaam af dat tijdens het leven aan het fysieke lichaam zijn vorm en karakteristieke eigenschappen heeft gegeven, want het modellichaam komt molecule voor molecule, cel voor cel, met het fysieke lichaam overeen. Het modellichaam blijft bij het fysieke lichaam of er heel dichtbij en wordt afgeworpen als het fysieke lichaam wordt afgeworpen. Zowel het fysieke lichaam of sthűlasarîra als het modellichaam of lingasarîra zijn bestemd om in moleculen en zelfs in atomen uiteen te vallen wanneer ze niet langer worden bezield door de psycho-elektrische stromen die uit het overschaduwende en bestralende zich wederbelichamende ego vloeien. Evenzo vliegen de levensatomen van prâńa of het ‘elektrische veld’, die zowel het fysieke als het modellichaam doordringen en erin verblijven, op het ogenblik van de fysieke ontbinding voor een heel groot deel ogenblikkelijk terug naar de natuurlijke prâńische reservoirs van de planeet – of, wat op hetzelfde neerkomt, zover het de eerste stadia van dit proces betreft, ze worden in de omringende atmosfeer verspreid.
    Zoals eerder gezegd, moet men niet denken dat het fysieke lichaam sterft door een tekort aan ‘leven’; in feite is het lijk even vol met leven als het vóór het moment van de dood was. Het verschil tussen de twee toestanden is dat tijdens het leven de hele constitutie van de mens wordt doordrongen met het organische levensfluďdum dat zijn oorsprong heeft in de kern van het zich wederbelichamende ego, dat aldus werkt als een samenbindende factor – een organisch ‘elektrisch veld’ als het ware waarin alle levensatomen van alle gebieden van de constitutie van de mens, waaronder het fysieke lichaam, nauw zijn verbonden en zowel collectief als individueel werken en waarvan ze de organische impulsen en behoeften gehoorzamen omdat deze organische vitaliteit geďndividualiseerd is en alle kleine levensuitingen beheerst. Deze kleine levensuitingen weerspiegelen de individuele levenskracht van elk levensatoom.
    Zo begint het dode fysieke lichaam in verval te raken omdat deze levensatomen niet langer onder de samenbindende en overheersende invloed staan van het organische elektrische veld; maar ze beginnen ogenblikkelijk, ieder voor zich, zogezegd ‘op zichzelf’ te werken door elkaar collectief en individueel aan te trekken en af te stoten. Tenslotte gaan de onderlinge afstotingen van deze levensatomen overheersen, en dat gebeurt heel snel; en dit enorm grote aantal levensatomen die elkaar afstoten veroorzaakt daarom het uiteenvallen en tenslotte de volkomen ontbinding van het lijk zelf.
    Men kan eraan toevoegen dat één reden voor het ouder worden van het fysieke lichaam de intensiteit is van de onophoudelijke activiteiten van de levensatomen die het lichaam samenstellen en opbouwen; en deze activiteiten worden soms en naarmate de leeftijd vordert, zo sterk dat zelfs de overheersende invloed van het organische elektrische veld ze niet altijd in bedwang kan houden. Het gevolg hiervan is dat de lichaamsstructuur verzwakt – terwijl de krachten van de atomen erbinnen toenemen – en tenslotte erdoor wordt vernietigd. Deze innerlijke vitale activiteiten van de levens atomen die niet voldoende door de organische vitaliteit in toom werden gehouden zijn eveneens de oorzaak van vele, misschien wel alle, vormen van chronische ziekte. Gevallen van een kwaadaardige ziekte zijn te wijten aan dezelfde algemene oorzaak maar door speciale en ongewone omstandigheden worden ze in een bepaald deel van het lichaam gelokaliseerd waar de kracht of de beheersing van de organische vitaliteit sterk wordt verzwakt.
    Het lichaam sterft dus niet door een gebrek aan leven, maar door een teveel ervan. Tijdens de groeiperiode van de kindertijd en de jeugd vloeit de zich belichamende organische levenskracht met zo’n krachtige stroom, dat zijn verenigende en opbouwende invloeden alle tegenwerking overwinnen; maar wanneer de bloeitijd van onze kracht en vermogens is bereikt, beginnen de vitale activiteiten van de levensatomen als eenheden, hoe zwak aanvankelijk ook, de gevolgen teweeg te brengen die gepaard gaan met de gevorderde leeftijd. Het is dus het leven dat tenslotte het lichaam doodt, hoewel het volkomen waar is dat de dood binnenin begint en zich naar buiten werkt, en te wijten is aan de steeds verdergaande scheiding van de hogere delen van de menselijke constitutie van de lagere.
    Ouderdom hoeft nooit een periode van vermindering van de geestelijke en intellectuele vermogens van de mens te zijn, omdat deze – hoezeer ook het scheidingsproces plaatsvindt als de middelbare leeftijd is bereikt en juist omdat de krachtige stroom van binnenkomende vitaliteit die zich manifesteert in de jeugd niet langer zo actief is – de gelegenheid geeft om het beste wat in hem is tot uitdrukking te brengen. De reden waarom zoveel mensen op gevorderde leeftijd hun mentale vermogens schijnen te verliezen, komt door een verzwakt lichaam, gewoonlijk veroorzaakt door fouten in de jeugd, fouten die vaak voortkomen uit onwetendheid; of in zeldzamer gevallen door ondeugden die men nooit heeft overwonnen. Wanneer de mensheid wat verder is gevorderd dan nu, zal de ouderdom als de mooiste peri ode van het leven worden beschouwd omdat ze de volste is in intellectuele, psychische en geestelijke kracht, en dat zal zo blijven tot enkele uren vóór de fysieke dood werkelijk intreedt.
    Tijdens het leven is de mens, en maakt hij gebruik van, een menselijke ziel die het kind is van hemel en aarde: dat wil zeggen van de monadische geestelijke luister en kracht gecombineerd met de krachten en eigenschappen van de stof. Tijdens het leven doet de mense lijke ziel dienst als voertuig van haar hogere ouder, het monadische ego, als een instrument dat de krachten van de monadische essentie neertransformeert; tijdens het leven zet het de geestelijke energie van de monade om in de ziele-energie van de mens. Wanneer het lichaam sterft, en de lagere delen van de menselijke constitutie worden verlaten om later uiteen te vallen, terwijl de monadische straal of het zich wederbelichamende ego zich weer verenigt met zijn verheven bron, de monade, is er dan geen tussenliggend deel van de gestorven mens dat overblijft? Dat is er wčl, maar we kunnen het niet langer een mens noemen, omdat we onder een mens een wezen verstaan zoals we hem tijdens het leven kenden; en ook kunnen we dit tussenliggende deel niet langer werkelijk een ziel noemen.
    Tijdens het leven is de ziel in geen enkel opzicht een volledig ontwikkelde god, noch zelfs een min of meer zelfbewuste geest, maar is feitelijk een entiteit tussen een god en een levensatoom in. Zoals een grote Griekse filosoof kernachtig zei:

Ieder van ons is een spirituele wereld, en we zijn door de stoffelijke elementen in ons verbonden met deze materiële sfeer, en met de goddelijke geest (nous) door ons hoogste – ons geestelijke deel. Door ons hele noëtische (geestelijke) deel verblijven we steeds in het hoogste, terwijl we via de lagere gebieden van het spirituele in ons aan de lagere delen zijn geketend.
– Plotinus, Enneaden, ‘Onze beschermgeest’, III, iv, 3

Omdat de ziel een samengestelde entiteit is die deel heeft aan zowel ‘hemel’ als ‘aarde’, is ze natuurlijk niet onsterfelijk, want geen enkele samenstelling kan voor altijd blijven bestaan. Onsterfelijkheid zou voor een onvolmaakte en onontwikkelde entiteit zoals de menselijke ziel gedurende het fysieke leven op aarde is, ongeveer de ergste hel zijn die men zich kan voorstellen. Wanneer men beseft dat een steeds voortduren van een onvolmaakt en dus fouten makende, en als gevolg daarvan lijdende entiteit, op zichzelf niet alleen on mogelijk is, maar als het mogelijk was, zou het inderdaad een hel zijn om eeuwig onvolmaakt te blijven, aan beperkingen onderhevig te zijn, en de ermee gepaard gaande slavernij te moeten ondergaan.
    Wat er dus overblijft is een samengesteld centrum van vergankelijk bewustzijn - een tussenliggend bewustzijnscentrum, in het lagere deel samengesteld uit alle ingewortelde hartstochten en zelfzuchtigheden en haatgevoelens en andere soortgelijke dingen; en in het hogere deel samengesteld uit de geestelijke straling van het deel dat reeds is heengegaan en dat zelfs nu zijn straling op dit tussenliggende centrum werpt, het dus min of meer elektrisch oplaadt door de spirituele energie van de monadische straal die zich al naar zijn eigen gebied spoedt; en deze zwakke geestelijke bezieling veroorzaakt een tijdelijke samenhang van de levensatomen van het tussenliggende samenstel, zoals er ook tijdens het leven van de mens zo’n samenhang bestond – maar toen veel sterker dan nu.
    Deze tussennatuur is natuurlijk geen volledige mens. Stel u een mens voor van wie al het beste dat in hem was is heengegaan, en van wie niets dan de lagere hartstochtelijke en emotionele en de gewone hogere menselijke delen overblijven. Het is volkomen duidelijk dat zo’n wezen noch geschikt is voor de ‘hemel’ noch voor de ‘hel’ (als er zo’n plaats zou zijn). Deze tussenliggende en in hoge mate samengestelde entiteit, die veel etherischer is dan het modellichaam, blijft in kâmaloka in een toestand van verdoving; ze is niet bepaald zelf bewust; ze is meer als een mens in een dromerige trance. Bovendien is er geen lijden, geen pijn – tenminste niet voor een mens die een normaal leven op aarde heeft geleefd. Deze overlevende ‘schil’ van het menselijke ego of de ziel blijft gedurende langere of kortere tijd in deze toestand van half-onbewuste verdoving totdat het desintegratieproces van de samenstellende levensatomen is voltooid.
    Na verloop van tijd verflauwt langzaam de zwakke uitstraling van het zich wederbelichamende ego dat haar eerst min of meer had bezield zodat ze in een staat van halfbewustzijn bleef, omdat de uit straling opwaarts wordt teruggetrokken om zich weer met het zich wederbelichamende ego te verbinden waaruit ze oorspronkelijk was gekomen; en wanneer deze vervagende straling de ‘schil’ verlaat, gaat de desintegratie van de atomen in steeds toenemende mate verder.
    De persoon die is gestorven blijft in kâmaloka zolang haar karmische verdiensten het vereisen, en geen ogenblik langer. Heel spirituele mensen gaan snel door kâmaloka; in bepaalde gevallen zo snel dat ze zich nauwelijks ervan bewust zijn. Maar mensen die grof materieel hebben geleefd, en zich hadden gewikkeld in de hartstochten en mentale lusten van de tussenziel, en die regelmatig toegaven aan deze neigingen, en van wie de verlangens na de dood dus aards zijn, voelen natuurlijk sterke aantrekkingen tot het materiële bestaan; en kâmaloka, tenminste in zijn lagere sferen, is een heel materiële toestand. Het tijdelijke verblijf van deze laatstgenoemden in kâmaloka kan zelfs honderd jaar of meer duren.
    Het kan ook voorkomen dat mensen op het slagveld sterven. Wanneer de tijd is verlopen die de normale levensduur van het fysieke lichaam zou zijn geweest als het niet voortijdig was gestorven, is er als het ware een terugkeer naar het bewustzijn in kâmaloka, hoewel dit bewustzijn vaag en onduidelijk is, en dan beginnen de normale processen voor geëxcarneerde entiteiten in kâmaloka.
    Kâmaloka is geen verschrikkelijke plaats, noch in enige betekenis van het woord een plaats van lijden en pijn voor normale wezens, hoewel de gevallen van hen die op aarde werkelijk verdorven en laag waren daarvan verschillen, want hun ontwaken in kâmaloka is in zekere gevallen vrij volkomen. Ja, het leven op aarde zelf houdt voor de gewone mens bijna altijd meer lijden en pijn in, en in veel sterkere mate, dan wat ook wordt ervaren door de als het ware dromende, nauwelijks halfbewuste entiteit in kâmaloka. Betreft het uiterst slechte mensen die aan hun verdorven neigingen onbeperkt hebben toegegeven, dan is de situatie natuurlijk heel anders, omdat de hele kâmalokische toestand zozeer gelijk is aan wat de mens ervaart die droomt wanneer hij slaapt.
    Kâmaloka is geen strafplaats, geen plaats van kwelling – behalve in zijn laagste sfeer waar hij geleidelijk overgaat in het avîchi. Kâmaloka is een bewustzijnstoestand die de geëxcarneerde menselijke entiteit in het astrale licht doormaakt, waarbij de karmische gevolgen worden teweeggebracht van het feit dat dit wezen zichzelf ontmoet in zijn eigen bewustzijn – waar het tegenover de lagere delen van zichzelf moet komen te staan. Het is ook in kâmaloka dat het spirituele deel van de geëxcarneerde entiteit het lagere deel van zichzelf moet afschudden voordat het eerstgenoemde is vrijgemaakt en gereed voor zijn devachanische gelukzaligheid en rust.
    Er zijn mannen en vrouwen die zelfs terwijl ze nog in het fysieke lichaam leven feitelijk in kâmaloka als een bewustzijnstoestand zijn. Ook zijn er mensen in de devachanische bewustzijnstoestand terwijl ze nog in het fysieke lichaam leven, en deze gevallen zijn veel talrijker dan men gewoonlijk denkt. Ze verdromen hun leven in plaats van als mens een rol in de wereld te spelen – en gaan op in prachtige dagdromen, of deze nu muziek, filosofie, poëzie, wetenschap of religie betreffen - evenzeer onwetend van de lessen die moeten worden geleerd en de daden die op aarde moeten worden verricht.
    De scheiding van de straling van het zich wederbelichamende ego en zijn lagere astrale delen die de schil worden, volgt nauwkeurig dezelfde natuurwetten die werkzaam waren toen het fysieke lichaam en het modellichaam werden afgeworpen, en elk van deze zich in zijn samenstellende delen begon te ontbinden. Dit scheiden van de straling van het zich wederbelichamende ego van het kâmarűpa is wat de Ouden de tweede dood noemden. Plutarchus spreekt in zijn verhandeling ‘Over het schijnbaar aanwezige gezicht in de maanschijf’ in tamelijk versluierde taal over deze tweede dood. Deze lagere delen van de tussenliggende natuur blijven in de etherische of astrale sferen als de schil of het spook.
    Het scheidingsproces vindt op het psychomentale gebied van bewustzijn plaats dat voor dit menselijke ego vertrouwd is, en is automatisch, hoewel het bewustzijn van het zich wederbelichamende ego inderdaad eraan bijdraagt om de scheiding tot stand te brengen, want het streeft gestaag opwaarts, geholpen door de even sterke aantrekking van de geestelijke sferen op dat ego. Wat dus eens een kâma rűpa was, is nu beroofd van de hogere delen van de mense lijke constitutie die nauw zijn verbonden met het zich wederbelichamende ego, en blijft als schil in het astrale licht. Over deze schil spreken de legenden en verhalen in de oude wereldreligies en filosofieën als de schim, vaak de geest of het spook genoemd. Dit spook is wat vorm betreft het getrouwe beeld of de kopie van de mens zoals hij op aarde was – tenminste voor een bepaalde periode nadat de straling van het zich wederbelichamende ego het heeft afgeworpen. Maar op dit punt van scheiding begint ogenblikkelijk de ontbinding van de schil, en het uiterlijk ervan is na een paar maanden, en nog meer na een of twee jaar, bijzonder onaangenaam om te zien, want het is werkelijk een astraal lijk, en even weerzinwekkend om te zien als het lijk van een fysiek lichaam na verloop van eenzelfde periode.
    Men zou hieraan kunnen toevoegen dat een van de sterkste argumenten ten gunste van crematie ligt in het feit dat ze meehelpt aan de ontbinding van het modellichaam, dat dus niet langer magnetisch tot het vervallende lijk wordt aangetrokken; en de ontbinding ervan wordt overeenkomstig versneld. Verder ontbindt de schim of schil ook sneller wanneer er geen in verval verkerend fysiek lijk is waarmee ze levensatomen kan uitwisselen.
    Tijdens en vanaf het begin van het verval van de astrale schil stijgt het hogere deel, de straling, intussen door de hogere sferen – die in dit geval eerder bewustzijnsgebieden zijn dan gebieden in de ruimte - om zich weer te verbinden met de geestelijke monade en het zich wederbelichamende ego dat op zijn beurt de uitstraling van de monade is.

De opstijgende straling van het zich wederbelichamende ego maakt deel uit van de levensessentie van het reďncarnerende of zich wederbelichamende ego. Met deze straling is de hele verpersoonlijkte essentie van de egoďteit van de vroegere mens nauw verbonden. Waarom volgt ze bij de fysieke dood dan niet de monadische straal wanneer die zich ogenblikkelijk herenigt met zijn bron, de monade, omdat deze straling een werkelijk deel van de reeds opgestegen monadische straal is? Dit is een relevante vraag. De straling, die een levensstroom is en dus een soort spiritueel-intellectuele substantie, is zozeer verwikkeld in het ‘aroma’ van de volledige zevenvoudige mens die is gestorven – met andere woorden de straling is zo vermenselijkt – dat ze een zuivering van alle lagere elementen met een vermenselijkt karakter nodig heeft voor ze geschikt of in staat is uit de materiële gebieden op te stijgen om zich tenslotte in en door het zich wederbelichamende ego met haar monadische bron te herenigen. Als de monade, een zuiver geestelijke entiteit, in staat was haar eigen hogere krachten direct door de mens heen en zonder lagere tussenschakels of stralingen te manifesteren, dan zou zo’n mens een incarnatie van de monade zijn, en zou een mens-god zijn, of wat op hetzelfde neerkomt, een avatâra of een mânushya-boeddha – een menselijke boeddha die in de volheid van zijn spiritueel-intellectuele eigenschappen en krachten handelt.
    Daarom kan deze hereniging van de straling met haar bron niet onmiddellijk bij de dood worden bereikt, omdat ze zozeer beladen is met stoffelijke eigenschappen door haar verblijf in stoffelijke lichamen; want geen enkel gewoon mens is nog zó zuiver spiritueel, zó duidelijk zijn eigen spirituele monade, dat hij zo’n hereniging op het ogenblik van de dood mogelijk kan maken. Juist deze zuivering van de straling na de dood in de tussenliggende delen van de kâmaloka in het astrale licht brengt de verschillende postmortale toestanden teweeg. Voor een mens is deze straling de belangrijkste omdat ze het spiritueel-intellectuele element van zijn constitutie is; toch is ze niet het meest spirituele, niet het meest ontwikkelde deel, hoewel ze de werkelijke mens is. Ze is in feite het hoogste deel van de persoonlijkheid, en daarin liggen de zaden van de toekomstige mens in het volgende leven op aarde. De straling is de uitvloeiing of stroom van een geestelijk en intellectueel karakter, die haar oorsprong heeft in de monade en die door en in het zich wederbelichamende ego werkt, waardoor ze via de lagere delen van de menselijke constitutie wordt overgebracht, totdat haar laatste fijne vezeltjes van bewustzijn het brein en het hart aanraken; en door en via die organen worden stralingen van de Straling verspreid door het hele fysieke voertuig heen door middel van de verschillende prâńa’s; en zo is het hele lichaam verzekerd van haar organische levenskracht en van de verschillende vormen van instinct die het lichaam als een levend wezen te zien geeft.
    Deze straling wordt dus, omdat ze in haar essentie een geestelijk-intellectuele kracht of energie is, vermenselijkt door het grote aantal menselijke ervaringen die ze in andere levens op aarde heeft doorgemaakt, zowel als door haar ervaringen in andere werelden en op andere gebieden dan het menselijke terrein van bewustzijn. Ze is geen zuivere geest want ze is verwikkeld geraakt in de menselijke elementen van de constitutie van de mens. Met andere woorden, ze is materiële gebieden binnengegaan die lager zijn dan haar eigen vertrouwde sfeer. Hierdoor heeft ze natuurlijk in zekere mate de levensatomen waaruit deze lagere stof bestaat, naar een hoger niveau gebracht. Deze atomen worden daardoor tot hogere vormen van activiteit geprikkeld door dit contact met de straling; ongeveer zoals de evolutie van een hond of een kat die in het huis van een mens wordt gebracht, wordt versneld door de nabijheid en genegenheid van zijn baasje – hoewel deze versnelling voor het betreffende dier in geen geval iets goeds hoeft te zijn, hoe paradoxaal dit misschien ook klinkt.
    Deze bewering zal veel goedhartige mensen die werkelijk van hun huisdier houden misschien niet aanstaan, en het is beslist niet de bedoeling of mijn wens hen pijn te doen noch om aan te raden de wezens van lagere rijken te negeren of wreed te behandelen. Verre van dat; het is een van de plichten van de mens zo vriendelijk mogelijk te zijn voor alle wezens van de lagere rijken; maar dit neemt geenszins de kracht weg van de bewering dat het houden van huisdieren voor die huisdieren zelf niet goed is.
    Juist de nabijheid van de veel hoger geëvolueerde mensen veroorzaakt een gevaarlijke evolutie omdat ze op een verkeerd moment in deze lagere wezens plaatsvindt; en dit komt omdat de deur naar het mensenrijk ongeveer in het midden van het vierde wortelras is gesloten. Daarom veroorzaakt de prikkeling van de psychische en intellectuele vermogens die in het dier in normale gevallen latent zijn en onontwikkeld, in de dieren een afwijkende bijna-ontwaking van deze vermogens die, omdat de deur is gesloten, niet hun passende uitdrukkingsvorm kunnen vinden in het bewustzijn van het dier. Het resultaat is dat, terwijl het huisdier ongetwijfeld wordt gestimuleerd, de prikkeling te onpas gebeurt en vaak tot lijden en ziekten leidt en tot het ontwaken van abnormale gewaarwording, waardoor het dier feitelijk overgevoelig wordt en zijn leven vaak moeilijkheden kent.
    De enig mogelijke uitzondering op dit geval van een nauwe band met mensen zou die van de mensapen zijn, die juist omdat er een element, hoe zwak ook, van menselijkheid in hen is als groep de mogelijkheid hebben om het menselijke stadium te bereiken vóór deze aardbol in verduistering gaat. In de vijfde ronde zullen de mensapen verschijnen als laagontwikkelde mensen. Het is echter hoogst onwaarschijnlijk dat iemand een mensaap als huisdier zou willen hebben.

    Naarmate deze straling van het reďncarnerende of zich wederbelichamende ego opklimt naar haar Vader in de Hemel, naar haar samengaan met de geestelijke monade, gaat ze door de verschillende gebieden of sferen van het zijn van de innerlijke en onzichtbare werelden; en in elk daarvan schudt ze de levensatomen af die tot die wereld behoren, en die vooralsnog van te substantiële aard zijn om in de schoot van deze straling te worden verzameld voor een opgang naar nog hogere sferen.
    De levensatomen van de drie hoogste beginselen van de mens, de goddelijke âtmische vlam, de buddhische monade, en het hogere ego of de geestelijke ziel, volgen dezelfde procedure; maar in hun geval alleen wanneer de respectieve levensduur van elk van deze is geëindigd. Omdat de levensduur van deze drie buitengewoon lang is, waarbij dat van het hogere ego in miljarden jaren wordt uitgedrukt, en de levensduur van de twee andere zelfs veel grotere perioden omvatten, zijn deze drie hoogste beginselen dus praktisch onsterfelijk.
    De straling van het zich wederbelichamende ego, die voortdurend opwaarts wordt aangetrokken en langzaam uit de lagere gebieden verdwijnt, reist dus verder naarmate de postmortale tijd verstrijkt, totdat alles wat lager dan de spiritueel-intellectuele essentie van deze straling is in het astrale licht wordt achtergelaten; en dan, wanneer ze is herenigd met het zich wederbelichamende of reďncarnerende ego, is ze geschikt zich met haar spirituele monade te verenigen, de innerlijke god van de mens. In de spirituele atmosfeer van deze monade die het zich wederbelichamende ego omringt, rust het dan gedurende een lange periode in onuitsprekelijke vrede en gelukzaligheid in devachan, in elk individueel geval afhankelijk van het spirituele aroma of de karmische gevolgen die hun oorsprong hebben in zijn vorige leven op aarde.

    Als een mens in wezen een bewustzijnsstroom is, en dus in al zijn delen bewust zou zijn, waarom wordt hij dan onbewust wanneer hij sterft? Omdat op het ogenblik van de dood de zetel van het zelfbewustzijn (dat zich gewoonlijk in wat we het brein-verstand noemen bevindt) ogenblikkelijk wordt overgeplaatst naar het hoogste deel van de bewustzijnsstroom die de mens is; en juist omdat de mens in zijn leven zijn zelfkennend denkvermogen niet met dit hogere deel van zichzelf, beschouwd als een stroom van bewustzijn, heeft verenigd, verzinkt hij in wat dan voor hem zuivere onbewustheid is. Toch is het, strikt gesproken, een even volledig ‘bewustzijn’ als tevoren, ja een bewustzijn dat een miljoen keer meer werkelijk bewust is, omdat het nu de essentie van bewustzijn is – niet langer een zelfkennend bewustzijn van het brein-verstand.
    Zuiver en onbeperkt bewustzijn is de essentie van het eigen wezen van de mens, en zelfbewustzijn is de activiteit van de ene of de andere van de ‘knopen’ of brandpunten van bewustzijn; elk zo’n maalstroom van bewustzijn, veroorzaakt door de karakteristieke activiteit van zo’n ‘knooppunt’ van bewustzijn, heeft een begrenzende en beperkende uitwerking. In eonen die ver in de toekomst liggen zal de tijd aanbreken dat deze knopen of brandpunten van bewustzijn, die het karmische resultaat voortbrengen van wat wij zelfbewustzijn noemen, zullen verdwijnen, omdat de stroom van bewustzijn direct en ononderbroken zal vloeien.
    Het is dus een merkwaardige paradox dat zelfbewustzijn een tijdelijk stadium is in de evolutie van zuiver bewustzijn zelf. Wanneer wij eraan zullen zijn ontgroeid dat er binnenin ons ‘knopen’ of brandpunten van bewustzijn bestaan die ons tot mensen maken met onze bewustzijnsbeperkingen, dan zal ons essentiële bewustzijn een kosmisch bereik krijgen, en de individuele ‘dauwdruppel opgaan in de glinsterende zee’. Wij zullen dan een miljoen keer zo bewust zijn als nu, maar niet langer zelfbewust op deze lagere gebieden. Niettemin zullen we op veel hogere gebieden zelfbewust zijn omdat we dan door die gebieden zullen omzwerven en evolueren, terwijl we dan daarin de hogere ‘knopen’ of brandpunten van bewustzijn zullen maken zoals we die nu op deze gebieden van de stof maken. Van menselijk zullen we spiritueel zijn geworden.
    We kunnen als illustratie hiervan een klein kind nemen: Spreek tot het kind over een mooie filosofische waarheid, of over een wetenschappelijke ontdekking. Zou het zijn volle aandacht schenken aan wat u zegt? Nee, omdat het in het hogere deel van zijn constitutie nog niet zelfbewust en intellectueel actief is; niettemin groeit het begripsvermogen van het kind, en in de loop van de jaren begint het te denken en zelfbewust te worden van dat wat zijn ouders tegen hem hebben gezegd. Precies zo brengt de evolutie bij de mensen naar buiten wat reeds latent in hen is; en zo zullen de mensen stukje bij beetje leren de zetel van het zelfbewustzijn van het zuivere brein- verstand naar de hogere en onvergelijkelijk krachtiger delen van zichzelf over te brengen, zodat ze bewust op bijna kosmische gebieden zullen functioneren.
    Dit proces is, mutatis mutandis, precies wat er met het bewustzijn van de mens na de dood gebeurt. Het brein-verstand waarin wij gewoonlijk leven zinkt weg in onbewustheid. Maar het hoogste deel van dit brein-verstand, dat het lagere eind van de straal van het zich wederbelichamende ego is, is na de kâmalokische ervaring niettemin intens actief in zijn devachanische toestand. Als we ‘s nachts gaan liggen en verzinken in wat voor ons een staat van volkomen onbewustheid is, dan gebeurt dit alleen omdat we nog niet hebben geleerd overdag in onze hogere delen zelfbewust te worden; en als zelfs het lichaam en het brein-verstand dit kunnen, en als we ’s morgens naar ons lichaam terugkomen en er weer zelfbewust in worden, dan is het als we dit bekleedsel van vlees afwerpen ongetwijfeld als volgt: we gaan op vleugels de sterrenruimte in – slechts om terug te keren.
    Hypnos kai thanatos adelphoi, zeiden de Grieken: ‘Slaap en dood zijn broeders’. Maar in werkelijkheid zijn slaap en dood fundamenteel één. Het enige verschil is dat slaap een onvolmaakte dood is, de dood een volmaakte slaap. De mystieke soefidichters bezingen hetzelfde oude verhaal van slaap en dood:

In de nacht laat u de zielen van mensen vrij
Gevangen als ze zijn in klei.
In de nacht vliegt de ziel uit haar woning
Haar weg omhoog, niet langer slaaf of koning.
Tijdens de nacht staat de gevangene van zijn lot er niet bij stil;
Tijdens de nacht heeft de sultan van zijn staat geen wil.
Weg verdriet en smart, weg gedachten aan heb of had;
Geen gedachte aan zus en zo, dit of dat.
    .   .   .   .   .   .   .   .   .
Zelfs gewone mensen worden in hun slaap meegesleept.
De geest gaat naar de waarom-loze kusten,
Terwijl lichaam en denken rusten.
    .   .   .   .   .   .   .   .   .
Toch is in elke nacht voor een tijdje de geest op zijn ros
Van het lichamelijke harnas los:
‘Slaap is de broeder van de dood’: kom, verklaar dit raadsel!
Maar voor het geval ze bij het ochtendgloren zouden talmen,
Heeft Hij elke ziel gebonden met lange halmen,
Zo kan Hij ze oproepen vanuit die bossen en gebieden
Die rondtrekkende zielen, naar hun dagelijkse plicht te vlieden.
    – Mathnawi, van Jalâlű’d Dîn; naar Eng. vert. E.G. Browne

Als een mens ‘s nachts slaapt, sterft hij – maar onvolkomen, zodat de gouden draad van leven en bewustzijn tijdens de slaap zelfs in het fysieke brein nog trilt; als dit gebeurt, ontstaan de dromen die hem soms verrukken, die hem vaak kwellen en verontrusten. De draad van straling is daar nog ongebroken, zodat het ego dat tijdens de slaap het lagere verstand en het lichaam achter zich heeft gelaten en nu in de ruimten zich verheft, langs deze gouden levensdraad die de monade met het astraal-vitale brein van het lichaam verbindt, kan terugkeren. En anderzijds, wanneer een mens sterft, is het precies alsof hij in een diepe slaap valt: volkomen bewusteloosheid; en dan is de ziel, zoals de klank van een zachte gouden toon, ogenblikkelijk vrij.

Hoe staat het nu met dromen? Is er een parallel tussen de dromen in de slaaptoestand en die in de toestand na de dood? Er is veel meer dan alleen een parallel; ze zijn identiek in hun verloop en als feit; er is alleen een verschil in graad. Alle dromen hangen af van twee factoren: ten eerste, de wijze waarop het psychische bewustzijn van het dromende individu werkt, en ten tweede, twee soorten krachten die op deze manier van werken van invloed zijn. De eerste soort kracht bestaat uit de invloeden van de zon, de maan en de planeten waaronder een individu wordt geboren, die natuurlijk ononderbroken van geboorte tot dood op zo’n persoon blijven werken – en tot op zekere hoogte na de dood. De tweede soort kracht is de reactie van de gebeurtenissen en ervaringen die zich tijdens het waakleven van het individu voordoen, en deze reactie heeft automatisch invloed op het psychische bewustzijn wanneer het individu slaapt. Deze twee soorten krachten of invloeden geven dus richting aan en leiden de werkingen van het psychische bewustzijn van de dromer.
    De aard van de dromen wordt bijna geheel veroorzaakt door het waakleven dat iemand leidt. Een werkelijk heilig mens, een groots en verheven menselijk karakter heeft nooit slechte dromen, dat wil zeggen ze zijn uiterst zeldzaam. Als hij al ooit droomt zoals gewone mensen dat doen, dan zijn het dromen van onuitsprekelijke lieflijkheid en vrede. Aan de andere kant ondergaat een slecht mens die zo zelfzuchtig is, en van wie de verbeelding en gevoelens zo beperkt zijn dat er in zijn denken nooit een opwelling van vriendelijkheid voor zijn broeders opkomt, de onfeilbare reactie van deze impulsen en karakteristieken van zijn dagelijkse leven, zodat wanneer hij droomt, wat vaak gebeurt, hij tijdelijk in een emotionele en mentale hel is, en vaak wordt hij door zijn dromen vreselijk gekweld. Het is dus het denken dat alle dromen veroorzaakt, hetzij van de goede of van de slechte mens; in het laatste geval zijn het het denken aan slechte dingen, zelfzuchtige gedachten, de verschrikkelijke onzuivere gedachten die hij had toen hij wakker was, die in zijn brein als wraakgeesten rondspoken en de verschrikkelijke nachtmerries veroorzaken die zulke mensen zo vaak hebben. Maar de mens die een heilig leven leidt, die verheven gedachten heeft, die ernaar verlangt zijn medemensen te helpen, heeft - als hij al droomt – dromen die de goden hem zouden benijden; en de reden waarom boze dromen zijn slapende geest niet kwellen is eenvoudig omdat het denken ze daar niet veroorzaakt.
    Wat de doorsnee mannen en vrouwen betreft, zij hebben dromen die noch heel prettig noch heel angstaanjagend zijn, en vaak verward. Dromen zijn eenvoudig een weerspiegeling van de gedachten van het denkvermogen van de mens, en omdat het denken in de waakuren zich soms richt op de dingen van de geest, keren deze gedachten tot hem terug in mooie dromen; op eenzelfde manier hebben gewone mensen soms gedachten van geheel tegenovergestelde aard, die eveneens terugkeren om in de dromende geest rond te spoken.
    Op precies dezelfde gronden zijn de leringen gebaseerd over wat er met het menselijke bewustzijn na de dood gebeurt, zowel tijdens het verblijf in de kâmaloka van het astrale licht als gedurende de tussentijd van gelukzalige dromen, devachan genoemd.
    Er bestaat een zeker gevaar om teveel belang te hechten aan het onderwerp dromen en hun interpretatie. Natuurlijk zijn sommige dromen profetisch; ze komen grotendeels uit omdat ze de voorafschaduwing zijn van de automatische werking van bewustzijn van wat dat bewustzijn zelf op grond van zijn neigingen en aanleg in de toekomst zal laten gebeuren. Als we het bewustzijn aanduiden met X en de volgende twee evolutionaire uitbreidingen ervan met Y en Z, dan zijn Y en Z nauw verbonden met X, erin latent, en zullen na verloop van tijd daaruit worden ontwikkeld; maar het kan heel goed mogelijk zijn dat het dromende bewustzijn, hier X genoemd, de toevoeging Y of Y+Z vrijmaakt, die in het waakleven van de mens in de toekomst te voorschijn zal worden gebracht, zodat zo’n droom een voorteken wordt van wat het bewustzijn op een bepaald ogenblik in de toekomst tot ontvouwing zal brengen - eerst in de mate Y, en dan in de mate X+Y+Z. Dit soort dromen kunnen dus profetisch worden genoemd, maar ze komen beslist niet algemeen voor; hoewel men kan aanvoeren dat als een waarnemer van deze hypothetische dromende mens bijna alwetend zou zijn, hij in alle dromen van de mens zou kunnen onderscheiden wat de toekomst in het leven van de mens zou teweegbrengen. Maar het is duidelijk dat er heel weinig van die volmaakte voorspellers of droomuitleggers zijn!
    De meeste dromen zijn grillig, rommelig van aard, en dus volkomen onbetrouwbaar; en men zou er goed voor moeten waken om zich niet naar zulke dromen te richten. Er zijn gevallen geweest waarin mensen krankzinnig zijn geworden door te veel te vertrouwen op het veronderstelde profetische karakter van hun dromen. Alleen de volledige adept of ingewijde is in staat iedere droom uit te leggen en te weten of die een echte en profetische droom is of slechts een gewone psychische reactie op de ervaringen van de eraan voorafgaande dag.
    Om terug te keren tot het onderwerp van de dood: als een mens in zijn laatste leven – het leven dat juist voorbij was toen hij stierf – goed heeft geleefd, dan gaat deze mens als hij sterft heel snel het devachan in, want zijn verblijf in kâmaloka is kort. Zijn devachanische toestand is er een van onuitsprekelijke spirituele en mentale schoonheid, duizendmaal heerlijker dan alle dromen in de slaap toen hij nog op aarde leefde, en die honderden, misschien duizenden jaren duren, terwijl het bewustzijn de ene verandering aan de andere rijgt en nieuwe veranderingen op het thema maakt, met alle vrijheid van een intellectuele en spirituele verbeelding.
    De vraag kan hier opkomen: Is er voor het ego vooruitgang in devachan? Als vooruitgang de assimilatie betekent van alles wat de entiteit in haar laatste incarnatie heeft geleerd of ervaren of in haar bewustzijn vergaard, dan kunnen we het vooruitgang noemen; maar als vooruitgang betekent dat devachan een rijk is van voortbren gende oorzaken, waar oorzakelijke gedachten ontstaan die haar ertoe aanzetten zich verder te evolueren, dan is het antwoord: Nee. Zelfs in devachan gaan we alleen vooruit in die zin dat we opgezamelde ervaringen in devachan opnieuw doormaken, ze assimileren en volledig tot deel van ons karakter maken; zodat wanneer we terugkeren we in evolutie iets verder zouden moeten zijn gevorderd dan toen we de vorige keer stierven. Maar in devachan ondernemen we geen nieuwe avonturen zoals in het leven, omdat we geen nieuwe oorzakelijke gedachten ontwikkelen die ons daartoe aandrijven. Gaat een mens vooruit door zijn dromen? Nee.
    Als daarentegen een mens die in zijn leven een slecht karakter heeft gehad sterft, dan is zijn toestand volkomen gelijk aan zijn leven op aarde – alleen erger omdat hij in kâmaloka droomt, en het altijd actieve bewustzijn dat alleen gedachten van zijn eigen soort heeft, geeft hem noch rust noch vrede, en hij droomt een zeer boze droom. Toch duurt de boze droom zelfs in zulke zeldzame en extreme gevallen niet eeuwig; want als er genoeg goeds in de mens is, krijgt hij in de lagere devachanische toestanden precies in de juiste mate dat wat hij in zich had om dit devachan voort te brengen, en dan keert hij terug om te reďncarneren; maar zijn devachan is kort. Of als een mens zelfs geen ziertje goeds in zich had dat voldoende was om een devachanische toestand voort te brengen die zelfs maar kort duurt, dan heeft hij in het geheel geen devachan, maar keert snel terug om zich in de materiële sferen van het leven op aarde te belichamen, waarvan hij zich zelfs na de dood niet kon scheiden.
    Zo zijn er in de gewone slaap en ook na de dood dromen die we kunnen kwalificeren als dromen van het pad van de rechterhand en die van de linkerhand.
    Het is een feit dat iemand die de werkingen van zijn bewustzijn bestudeert, zonder zijn waarnemingen te beperken tot enige functie of enig gebied ervan, door oefening in staat zal zijn precies te begrijpen hoe de postmortale bewustzijnstoestand van de mens verschilt van zijn waaktoestand – die met de oude Sanskrietterm jâgrat wordt aangeduid. De reden is dat de essentie van de mens werkelijk een bewustzijnsstroom is, geconcentreerd in verschillende delen van deze stroom, die de verschillende zielen of ego’s of knopen van menselijk bewust bestaan worden genoemd. Dit is zó waar dat de regel ook met duizendvoudige kracht van toepassing is op de aard van het bewustzijn van die edelste bloemen van de mensheid, zoals de boeddha’s en christussen. Er is geen fundamenteel verschil tussen het bewustzijn van de gewone mens en dat van de menselijke god-mens, omdat de stroom van bewustzijn in beide gevallen dezelfde is; het onderscheid ligt niet in wezenlijke verschillen, maar in ruimere ontplooiingen tot zelfbewuste gewaarwording en egoďsch besef van de hogere en meer uitgestrekte gebieden die de menselijke mens-god heeft ontwikkeld van binnenuit zijn meest innerlijke zetel van zijn, die zijn schakel is met het kosmische bewustzijn.

Als een mens zijn bewustzijn in zijn werkingen van uur tot uur en van dag tot dag nagaat, en dus als een deel van de werkingen van zijn bewustzijn zijn nachtelijke dromen bestudeert, zal hij een universele sleutel vinden om te weten wat de dood en de slaap werkelijk zijn, en tevens het zogenaamde ‘mysterie’ van hoe deze hem overvallen. Hij zal vóór de dood precies weten wat er met hem als bewustzijnscentrum zal gebeuren, nadat hij op het kritieke punt van zijn leven, de dood genoemd, zijn fysieke lichaam heeft afgeworpen.
    Het eerste wat belangrijk is om te onthouden is dat er maar een ding is dat een entiteit in dit universum nooit kan doen; en het doet er niet toe wat haar graad is op de evolutieladder, noch in welke kosmische hiërarchie het wezen zich misschien bevindt. Het kan zichzelf niet vernietigen, juist omdat het in zijn essentie van het zijn een druppel is, een jîva of monade, van de kosmische oceaan van ‘geest-stof’. Zou een wiskundig punt van deze kosmische essentie van bewustzijn in staat zijn zichzelf te vernietigen of vernietiging te ondergaan, dan zou dat hetzelfde zijn als te beweren dat de essentie van het heelal kan worden vernietigd.
    Het tweede punt is dat niemand, tenzij hij een ingewijde of adept is, op het ogenblik van de dood weet dat hij dan sterft. Dit heeft geen betrekking op de dagen of uren die aan de dood voorafgaan, maar op het ogenblik dat de ‘dood’ werkelijk intreedt. Hoe dichter de dood nadert, des te meer krijgt het egoďsch bewustzijn een gevoel van onuitsprekelijke vrede, en wordt het meer en meer onverschillig voor de omstandigheden rondom hem. Langzaam glijdt het egoďsch zelfbewustzijn in wat men gewoonlijk ‘bewusteloosheid’ noemt, en dit duurt tot de gouden levensketen wordt teruggetrokken in de innerlijke delen van de constitutie, en dan zijn die innerlijke delen van de mens vrij. Het egoďsche bewustzijn of het gewone zelfbewustzijn is dan waarlijk ‘in slaap’ – werkelijk en niet alleen maar metaforisch.
    ‘Bewustzijn’ en ‘bewusteloosheid’ zijn geen verschillende dingen; en ook is ‘bewusteloosheid’ niet de tegenpool van bewustzijn. Want ‘bewustzijn’ of zelfbewustzijn is werkelijk een afgeleide van ‘bewusteloosheid’. Wat men gewoonlijk ‘bewusteloosheid’ noemt is in feite essentieel en fundamenteel BEWUSTZIJNen wat ‘bewustzijn’ wordt genoemd, het gewone dagelijkse vermogen van waarneming en besef van iemands bestaan, is het functioneren van een van de knopen of brandpunten van bewustzijn. Tenzij dit punt duidelijk wordt be grepen, kan niemand ooit verwachten de aard van het essentiële bewustzijn in zichzelf en in de verschillende werkingen en toestanden waarin het zich uitdrukt te begrijpen, en een van die toestanden is het zelfbewustzijn.
    Het wegglijden in ‘bewusteloosheid’ op het moment van de dood is dus een opgaan in het essentiële bewustzijn van de hogere natuur, waarvan het onvolmaakt ontwikkelde knooppunt of brandpunt dat het gewone zelfbewustzijn voortbrengt, geen egoďsch besef kan krijgen. Het essentiële bewustzijn is daarom als de oceaan en het zelf bewustzijn is als de druppel ervan of een kleine draaikolk die door zijn intense gelokaliseerde activiteit het voor ons werkelijke maar niet temin essentieel onwerkelijke of mâyâvische denkbeeld voortbrengt dat zelfbewustzijn wordt genoemd.
    Een mens wordt dus in staat gesteld van zichzelf niet alleen ‘ik ben’ te zeggen, wat, hoe onvolkomen ook, het kennen is van het fundamentele of essentiële bewustzijn, maar hij doet dit door middel van dat knooppunt of brandpunt van bewustzijn in hem dat zichzelf herkent als ‘ik ben ik’. Dit betekent echter niet dat hoe hoger een mens zich ontwikkelt, hoe meer ‘onbewust’ hij zal worden. Integendeel, hoe hoger een mens komt, des te meer wordt hij het zichzelf tot uitdrukking brengende ego van het essentiële of algemene bewustzijn dat de stroom is die vloeit vanuit de monadische wortel van zijn wezen. Evolutie veroorzaakt dus niet alleen een paradoxale vergroting van het brandpunt van egoďsch zelfbewustzijn tot in het onmetelijke algemene bewustzijn van zijn wezen, maar evenzo brengt deze ego-knoop zijn zetel van handelen over naar hogere en grotere brandpunten in zijn constitutie en doet dit in steeds hogere mate.
    Als iemand wil weten hoe hij zich zal voelen wanneer hij sterft, laat hij dan wanneer hij naar bed gaat om te slapen zijn bewustzijn met zijn wil vastgrijpen en de werkelijke processen van zijn inslapen bestuderen – als hij dat kan! Het is vrij gemakkelijk dit te doen als men eenmaal de gedachte heeft begrepen en min of meer met de oefening vertrouwd is geraakt. Niemand weet op het precieze ogenblik van het inslapen dat hij dan in slaap valt. Ogenblikkelijke bewusteloosheid treedt in op het kritieke ogenblik, en het kan al of niet door dromen worden gevolgd.
    Het sterven is in alle opzichten identiek met dit proces van inslapen. Het doet er volstrekt niet toe hoe de dood komt: hetzij door ouderdom, ziekte, door geweld van buitenaf of door zelfmoord. Dus zowel bij de gewone slaap als bij het sterven kan het proces van buiten bewustzijn raken bijna ogenblikkelijk of langzaam zijn, maar het is precies hetzelfde. Alle mensen sterven op deze manier en vallen zo in slaap; het in slaap vallen zelf, hetzij ‘s nachts of bij het sterven, gebeurt even snel als het knippen met de vingers, en zelfs sneller. Verder brengt het ogenblik van de dood altijd voor langere of kortere tijd een onuitsprekelijke vrede van volmaakte ‘bewusteloosheid’, wat lijkt op een voorproefje van devachan, precies zoals de zorgvuldige waarnemer zal ervaren wanneer hij ‘s nachts in slaap valt.

De esoterische traditie zegt ons dat menselijk bewustzijn zich in zeven toestanden kan bevinden en daarin zijn functies kan openaren. Deze kunnen weer tot vier basistoestanden worden teruggebracht; en om die vier te benoemen heb ik hier gebruik gemaakt van de Sanskriettermen. De eerste is jâgrat, wat de waaktoestand betekent. De volgende is svapna, de droom-slaaptoestand. Overdag zijn we in de jâgrat-toestand van bewustzijn; ‘s nachts als we dromen zijn we in de svapna-toestand.
    De derde toestand wordt sushupti genoemd, de diepste slaap die we allen kennen, waarin de slaap zo relatief volkomen is dat er in het geheel geen dromen in voorkomen, omdat het menselijke zelfbewustzijn tijdelijk in diepe zelfvergetelheid is gedompeld. Alleen uitzonderlijke en bijzonder ontwikkelde mensen kunnen naar welgevallen, terwijl ze nog in het fysieke lichaam leven, in deze toestand van sushupti komen. Niettemin gaat het bewustzijn tijdens de slaap niet zelden de sushupti-toestand binnen, en het is een verdienste van de mens wanneer dit gebeurt. Het is een eenwording van het menselijke zelfbewustzijn met het mânasische bewustzijn of mânasaputra-element in de mens, beschreven door bepaalde christelijke schrijvers als de beschermengel van een mens.
    Veel christenen hebben de beschermengel beschouwd als de entiteit of tegenwoordigheid van een engel die totaal verschilt van de mens zelf en als een van de wezens van de hiërarchie van engelen; maar het is belachelijk te veronderstellen dat een engel zou werken in opdracht van de almachtige God om een dwalende of onvolmaakte mens te ‘beschermen’, die al is geschapen door goddelijke alwetendheid die de eeuwigheid vooruitziet, bij het inslaan van een pad dat ňf in de ‘hemel’ ňf in de ‘hel’ moet uitkomen. ‘God’ kende de mens die hij schiep ňf hij kende hem niet; ex hypothesi wist God waar de mens tenslotte zou terechtkomen; en omdat God zo’n wezen schiep, en van tevoren wist wat er met hem zou gebeuren, schijnen alle praatjes over de mens die, geholpen door zijn bescherm engel, zijn vrije wil gebruikt om goed te handelen en zichzelf uit de ‘hel’ te houden, even onredelijk als absurd, en als verklaring een totale mislukking.
    De theosofische filosofie leert echter dat niet alleen mensen, maar iedere evoluerende entiteit, waar dan ook, zijn geestelijke kracht als beschermer heeft; en deze ‘beschermer’ is de eigen spirituele monade van de mens, die gedurende ieder leven waakt over haar onvolmaakte menselijke kind, en onophoudelijk tracht het te leiden en te beďnvloeden – hoewel door de eigenzinnigheid en het koppige zelfbewustzijn van de mens haar weldadige invloed voor het eigen bestwil van de mens veel te onvolkomen wordt gevoeld. Deze spirituele monade is wat de avatâra Jezus zijn ‘Vader in de Hemel’ noemde – zijn eigen innerlijke godheid.
    Deze sushupti-toestand is de ‘bewusteloosheid’ waarin de mens automatisch wegglijdt op het ogenblik waarin ňf de slaap ňf de dood hem overvalt. Als we gewend waren in deze sushupti te komen door ons te oefenen dat tijdens het leven te doen, dan zouden we ons zelfbewustzijn behouden wanneer we in slaap vallen of sterven. Zij die tijdens hun leven in deze toestand kunnen komen en zich aldus verbinden met overeenkomstige en hoog spirituele eigenschappen en actieve toestanden van hun bewustzijn, zijn de zieners.
    De vierde toestand is de turîya-samâdhi, en is een toestand die alleen de schoonste bloemen van de mensheid ooit hebben bereikt; maar die alle mensen eens zullen bereiken. De turîya-samâdhi is een toestand van bewustzijn die de boeddha’s en de christussen, en zo nu en dan andere grote maar minder ontwikkelde mensen bereiken op hun momenten van geestelijke extase.
    Dit zijn de vier basistoestanden waarin het menselijke bewustzijn kan komen en tenminste tijdelijk in kan blijven: jâgrat, onze waaktoestand; svapna, onze slaap-droomtoestand; sushupti, de toestand van eenwording met de essentiële druppel van het kosmische denkvermogen in ons; en turîya-samâdhi, hetzelfde als sushupti maar op een hoger gebied, met de betekenis van een eenwording, voor kortere of langere tijd, met het essentiële wezen van onze eigen kosmische godheid.
    Het is van belang te onthouden dat deze vier basistoestanden van het menselijke bewustzijn, die overeenkomen met de vier bases van de structuur van het heelal en ook van de constitutie van de mens, werkzaam zijn zowel in de postmortale toestanden als in de slaap. De eerste drie toestanden worden door iedereen die sterft doorgemaakt. Als de dood nadert, wordt jâgrat, de waaktoestand, vaag; dan begint men langzaam te vervallen tot dromen, vooral dagdromen, en dit is de toestand van svapna. Mannen en vrouwen op gevorderde leeftijd vertonen tekenen dat ze al bezig zijn deze toestand in te gaan. Het woord is ook van toepassing op het dromen tijdens de slaap. De mens die aldus de dood nadert, wordt min of meer bewust op bepaalde gebieden van de astrale rijken. Wanneer hij zich uit deze toestand verheft, hetzij door zijn wil, of wanneer hij na de dood de lagere psychische aantrekkingen van zich afwerpt, en de devachanische toestand ingaat, dan is hij – als zijn devachan op de hogere gebieden is – in de zuivere sushupti-toestand, de toestand van zuiver egoďsch bewustzijn. Deze sushupti-toestand is een toestand van ‘bewusteloosheid’ voor de gewone belichaamde mens, maar dat is alleen zo omdat het denkvermogen er nog niet aan gewend is zelfbewust erin te leven. Het is dus in feite een toestand van het meest levendige en intense bewustzijn per se.
    Ieder mens kan, als hij de juiste weg zou opgaan en een daarmee overeenkomstig leven zou leiden, individuele zelfbewuste ervaring hebben van deze wonderen van het bewustzijn, en kan de ‘dood’ zo vaak hij wil ervaren, en na die ervaring zeer veredeld terugkeren. Het is niet iets onnatuurlijks of vreemds of geheimzinnigs. Toch moet hier ernstig worden gewaarschuwd tegen dwaas en onverstandig zelfonderzoek dat op een verkeerde manier wordt verricht; en op geen enkele wijze mag men knoeien met zijn denkorgaan. Deze pogingen zonder leiding zullen het beoogde doel verijdelen. Het gaat er niet om kunstgrepen uit te halen met het lagere denken door een of an dere onverstandige poging om ‘yoga’ te beoefenen, maar om zijn wezenlijke bewustzijn te bestuderen – zichzelf te kennen, zoals het Griekse orakel te Delphi zo wijselijk heeft aangeraden.
    Hij die ernstig over deze vier bewustzijnstoestanden nadenkt, waarin hij zich door gepaste oefening naar welgevallen kan brengen, zal weten wat het is om door de poorten van de dood te gaan, en dat bewust. Dit dient u letterlijk op te vatten.
    Wanneer men bij het bed staat van iemand die men liefheeft en die op het punt staat heen te gaan, laat er dan vrede zijn in het hart, verban onrust uit het denken, en zorg ervoor dat er volkomen rust is. Verstoor niet door te spreken of te weeklagen het wonderlijke mysterie van het binnengaan van het bewustzijn van de stervende in zijn toekomstige staat. In elke betekenis van het woord staat hij op het punt in te slapen, en evengoed als het een opzettelijke wreedheid is bij het bed te gaan staan van iemand die moe is en hem te kwellen en iets te doen om hem wakker te houden, alleen omdat men niet wil dat hij slaapt, is het duizendmaal wreder dat te doen bij het sterven, wat de grotere slaap is. Laat hem vrij heengaan.
    Voor de dood, die gezegende engel van barmhartigheid, zou men geen angst moeten hebben. Hij is de meest gezegende verlichting en rust van de natuur, want hij is een slaap, volmaakt, volkomen, en vol onuitsprekelijk lieflijke dromen. De mens die is gestorven slaapt in vrede; en zijn geestelijke ziel, de omzwervende monade, gaudet in astris – verheugt zich tussen de sterren.


De Esoterische Traditie, blz. 450-78

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag