2

Allegorie en mystieke symboliek

Het bestaan van een stelsel van esoterische lering dat geheim wordt gehouden om te worden bestudeerd en toegepast door hen die hebben bewezen daar recht op te hebben, is niets nieuws in de geschiedenis van religie en filosofie. Deze werkwijze is noodzakelijk, want het is onmogelijk aan iemand die niet op de hoogte is van de beginselen van een studie de diepere aspecten daarvan te onderwijzen voordat hij zich met althans een beetje morele en intellectuele oefening geschikt heeft gemaakt om deze te begrijpen.
    Wie heeft niet gehoord van religieuze fanatici en het onheil dat zij hun medemensen hebben gebracht? Ze vormen een typisch voorbeeld van wat niet goed overdachte en verkeerd begrepen religieuze en filosofische ideeën kunnen aanrichten in het zwakke of onvoorbereide denken van de mens. Als iemand een edele leer niet op de juiste manier begrijpt, kan de schoonheid en diepzinnigheid ervan zijn oordeel dermate boeien en verdraaien, dat hij zijn normale mentale houvast aan gewone ethische beginselen verliest. De stroom van emoties van zo’n onvoorbereide persoon, die welwillend en automatisch de drang volgt die deze leringen bij hem opwekken, zou hem op een moment van mentale of morele zwakheid gemakkelijk ertoe kunnen brengen een ander psychisch onrecht aan te doen, en wordt daardoor de oorzaak dat zo iemand in intellectueel en ethisch opzicht schade wordt toegebracht, zoals de geschiedenis van het religieus fanatisme duidelijk aantoont.
    Enkele van de religieuze en filosofische leringen die in onze tijd openbaar zijn gemaakt waren in vroeger tijden esoterisch en werden toen onder een sluier van allegorieën en mystieke symbolen onder wezen. Het is in onze pragmatische eeuw niet gemakkelijk te begrijpen waarom zo’n terughoudendheid geboden is, omdat men tegenwoordig vaak zegt dat de waarheid alleen maar goed kan doen, en dat de feiten van de natuur het gemeenschappelijke eigendom van de mensheid zijn, en dat er in kennisoverdracht dus onmogelijk gevaar kan schuilen. Toch bestaat er geen grotere misvatting. Wie weet niet dat kennis dikwijls afschuwelijk kan worden en ook wordt misbruikt door zelfzuchtige personen? Wetenschappers beginnen nu in te zien dat het aan iedereen meedelen van alle waarheden van de natuur, zonder dat vooraf bepaalde voorzorgsmaatregelen zijn genomen, een handelwijze is die tal van ernstige en onvermoede gevaren met zich meebrengt, niet alleen voor individuen maar ook voor de hele mensheid.
    Twee van de leringen die door de theosofische beweging nu in het openbaar worden verkondigd, maar die in bepaalde tijdperken esoterisch waren, zijn de leringen van karma en wederbelichaming. Karma is een woord dat wordt gebruikt om de zogenaamde ‘wetten van de natuur’ te beschrijven, die in de bekende uitspraak van de apostel Paulus in het kort worden geformuleerd: ‘Wat de mens zaait, zal hij ook oogsten’ (Galaten, 6:7). Het is de leer van de resultaten, van de gevolgen die onvermijdelijk en absoluut rechtvaardig uit gedachten en daden voortvloeien, of deze gevolgen in de tijd onmiddellijk aan de dag treden dan wel tot een latere periode worden uitgesteld.
    Karma is dat totaal van een ziel, dat zijzelf is, in het tegenwoor dige bestaan geroepen door haar eigen willen, denken en voelen, die inwerken op het weefsel en de substantie van haarzelf, en zo haar toekomstig lot bereiden, zoals haar huidige bestaan het lot was dat zij voor zichzelf bereidde door haar eigen vroegere levens.
    Zoals H.P. Blavatsky zegt in De Stem van de Stilte, fragment II, ‘De Twee Paden’:

Leer dat geen poging hoe gering ook, hetzij in goede of verkeerde richting, uit de wereld van oorzaken kan verdwijnen. Zelfs verwaaide rook laat sporen na. ‘Een hard woord in vroegere levens uitgesproken, wordt niet vernietigd maar keert altijd weer’ (Voorschriften van de Prasanga School). De peperplant zal geen rozen voortbrengen, evenmin zal de zilveren ster van de geurige jasmijn een doorn of distel worden.
    U kunt op deze ‘dag’ uw kansen scheppen voor uw toekomst. Tijdens de ‘grote reis’ (de ‘grote reis’ of volledige cyclus van bestaansvormen in één ‘ronde’), brengen de oorzaken, elk uur gezaaid, ieder haar oogst van gevolgen voort, want in deze wereld heerst strikte rechtvaardigheid. Met de machtige beweging van haar nooit-dwalende werking brengt ze aan stervelingen levens van geluk of tegenslag, het karmische kroost van al onze vroegere gedachten en daden.
– blz. 32

Enerzijds is het een volstrekt onjuiste gedachte te veronderstellen dat karma fatalisme is en dat mensen aan de blinde en willekeurige werking hiervan zijn blootgesteld, als slachtoffers van een ondoorgrondelijk, amoreel lotsbestel van blind toeval; of anderzijds dat karma de schepping of de geschapen wet van handeling is van een kosmische entiteit die van het heelal zelf verschilt en er los van staat, en daarom buiten-kosmisch is. Het is even onjuist te veronderstellen dat wat een mens ook overkomt in zijn eindeloze reeks levens gedurende de eonenlange loop van zijn omzwervingen, strikt nauwkeurig beschouwd ‘onverdiend’ is, of dat hem dingen overkomen, in het bijzonder of in het algemeen, die los staan van zijn eigen oorspronkelijke veroor zakende handeling. Het is nodig dit te benadrukken, omdat enkele studenten in de mening verkeerden, op grond van bepaalde passages van H.P. Blavatsky, dat er zoiets als ‘onverdiend karma’ bestaat; daarbij vergeten ze dat, wil men haar leer naar behoren begrijpen, men rekening moet houden met elke uitspraak die zij over dit onderwerp heeft gedaan en aan geen enkele mag voorbijgaan. Er bestaat evenwel relatieve onrechtvaardigheid, of relatief ‘onverdiend lijden’ in de wereld, teweeggebracht door de wissel werking van de verschillende delen van de samengestelde constitutie van de mens, waarbij de hogere beginselen van zijn constitutie, zoals het reďncarnerende ego, vaak bij het verloop van het karmische lot de louter persoonlijke mens gebeurtenissen laat meemaken, waarvoor die persoonlijke mens in een bepaald leven niet zelf rechtstreeks verantwoordelijk is. Maar het reďncanerende ego was ten volle verantwoordelijk, hoewel zijn lagere voertuig, de astrale of persoonlijke mens door middel waarvan het reďncarnerende ego werkt, de rechtvaardigheid van de ongelukken, het lijden en het karmisch lot dat in andere levens werd veroorzaakt, niet herkent – en zo komt het dat de slagen van het lot voor de astrale of persoonlijke mens zowel onverdiend als onrechtvaardig schijnen te zijn. Maar het is inderdaad zoals H.P. Blavatsky zegt, ‘er is geen ongeval in ons leven, geen ongeluksdag en geen tegenspoed, die niet kan worden herleid tot onze eigen daden in dit of in een ander leven’ (De Geheime Leer, 1:714).
    Deze uitspraak, naast andere die zij heeft gedaan, is doorslaggevend. De mens heeft zelf in vroegere levens de oorzaken in werking gezet die later, door strikte karmische rechtvaardigheid, de gevolgen teweegbrengen waarover hij zich in dit leven beklaagt en die hij ‘onverdiend’ noemt. Diezelfde fout, gelegen in het niet begrijpen van de logica en van de delicate en subtiele redenering van deze leer, heeft in het vroege christendom die eerste noodlottige verschuiving veroorzaakt van het erkennen van oneindige en automatische rechtvaardigheid in de wereld naar de gedachte dat, daar het lijden van de mensen onverklaarbaar scheen, het daarom onverdiend was en te wijten aan de ondoorgrondelijke wijsheid van de almachtige God, en dat de mens nederig zijn verordeningen diende te aanvaarden zonder de wijsheid van de voorzienigheid, die men aldus als verklaring had opgesteld, in twijfel te trekken.
    Reďncarnatie valt onder de meer algemene lering van wederbelichaming. Het is de leer dat het menselijke ego op een toekomstig tijdstip naar de aarde terugkeert na de verandering die de mensen de dood noemen, en tevens na een min of meer lange periode van rust in de onzichtbare rijken in devachan. Zo’n reďncarnatie vindt plaats om het ego in staat te stellen nieuwe lessen op aarde te leren, in nieuwe tijden, in een nieuwe omgeving; en op deze aarde de oude banden van sympathie en vriendschap, van haat en afkeer, opnieuw aan te knopen, die ogenschijnlijk door de hand van de dood werden verbroken toen de ego-ziel onze sferen verliet.
    Deze twee leringen, die eens geheim werden gehouden of openlijk in een min of meer verzwakte vorm werden verkondigd, zijn voorbeelden van de wijze waarop van eeuw tot eeuw, wanneer de behoefte daaraan zich voordoet, esoterische leringen door de broederschap van wijzen en zieners openlijk worden ontvouwd. Zulke leringen veroorzaken ingrijpende veranderingen in een beschaving, omdat ze diepgaande wijzigingen in de werking van de psyche van de mens en in het spirituele en intellectuele inzicht van de mensheid teweegbrengen. Maar weinig mensen zijn zich bewust van de enorme maar steeds onzichtbare en stille psychologische invloed die nieuwe ideeën op het menselijk bewustzijn uitoefenen; en dit geldt vooral voor leringen van een spiritueel of intellectueel type. Al deze leringen zijn doordrenkt van de denkbeelden van de goden die voor het eerst aan de mensen de waarheid hebben geschonken; en dit is het geheim van de immense invloed die religie per se (los van ontaarde religies) op het menselijk intellect heeft.

De archaďsche belichaming van deze denkbeelden van de goden in oude mysterieriten en verhalen heeft geleid tot de formele instelling van ceremoniële inwijdingen. Elk volk, elk ras, bezat een eigen variant van hetzelfde stelsel van grondwaarheden. De Grieken hadden hun eigen mysteriën, die vanaf de vroegste tijden instellingen van de staat waren en door de wet werden bekrachtigd, zoals de inwijdingszetels van Eleusis en Samothrace.
    Ook de joden hadden hun eigen stelsel van mystiek onderzoek, dat min of meer volledig is belichaamd in de kabbala – de traditionele leer die van leraar aan leerling werd overgeleverd, die zich op zijn beurt bekwaamde en leraar werd om haar vervolgens aan zijn leerlingen over te leveren als een heilige, geheime verantwoordelijkheid die door de Vaderen was overgedragen. Zelfs onder de christenen doen tot in deze tijd nog geruchten de ronde over een stelsel van geheime leringen dat vroeger in christelijke gemeenschappen heeft bestaan. Hiëronymus bijvoorbeeld, een van de meest gerespecteerde kerk vaders, maakt melding van dit feit, waarover hij met zijn streng orthodoxe loyaliteitsbesef echter met minachting spreekt – wat op zichzelf al een bewijs is van zijn onbekendheid met het hart van de leer van zijn meester Jezus.
    Het is tevens algemeen bekend dat alle grote religies van Hindoestan hun respectieve esoterische groepen hadden, waarin de meer bekwame en betrouwbare leerlingen de edele wijsheid ontvingen en later doorgaven.
    Zelfs zogenaamd barbaarse stammen, zo hebben antropologen aangetoond, hebben hun bijzondere en geheime stammysteriën – in de meeste gevallen vreselijk ontaarde herinneringen aan de tijd dat hun voorvaderen tot de leidende en meest beschaafde rassen van de wereld behoorden.
    Deze noodzaak om een bepaald deel van de esoterische traditie geheim te houden verklaart de vaak prachtige maar in sommige gevallen ook bijna afstotende symbolische voorstellingswereld als vorm waarin alle oude geschriften zijn gegoten. Dezelfde natuurlijke moeilijkheid om kennis over te dragen aan een ongeoefend gehoor en verstand deed zich voor in de begintijd van de christelijke kerk. Zo kan men onder de eerste kerkvaders velen aantreffen die schrijven over het zogenaamde koninkrijk van Christus dat zou komen. Ze zeiden kennelijk niet alles wat zij op dat punt geloofden.
    Een christelijke getuige van het bestaan van een esoterische leer in de oudste christelijke gemeenschappen was Origenes, die deze noemt in zijn boek Contra Celsum (Tegen Celsus). Celsus was een Griekse filosoof, die zich verzette tegen de aanspraken van de christelijke leraren van zijn tijd dat zij vrijwel alle waarheid bezaten die er in de wereld was. Origenes, die werkelijk een groot en ruimdenkend man was, schreef het volgende over het onderwerp van een esoterische leer in de niet-christelijke religies van zijn tijd:

In Egypte hebben de filosofen een hoogst edele en geheime wijsheid over de aard van het goddelijke, een wijsheid die aan het volk uitsluitend in een gewaad van allegorieën en fabels wordt bekendgemaakt. . . . Alle oosterse volkeren – de Perzen, de Indiërs, de Syriërs – verbergen geheime mysteriën onder een waas van religieuze fabels en allegorieën; de werkelijk wijzen [de ingewijden] van alle volkeren begrijpen de betekenis ervan; maar de onwetende menigte ziet alleen de symbolen en het bedekkende kleed.
– Bk. I, hfst. xii

Dit werd door Origenes gezegd in zijn poging tot verweer tegen de aanval die door vele heidenen was gedaan op het christelijke stelsel en erop neerkwam dat het christendom slechts een mengsel of opgewarmde kliek van verkeerd begrepen heidense mythologische fabels was. Origenes betoogde dat er in het christendom een vergelijkbaar, ja identiek, esoterisch stelsel was; en wat dit ene argument betreft had hij gelijk.
    In de Zôhar van de joodse kabbala is een uitspraak te vinden dat een mens die beweert de Hebreeuwse bijbel in zijn letterlijke betekenis te begrijpen een dwaas is. ‘Elk woord hiervan heeft een geheime en verheven betekenis, die de wijzen kennen.’
    Maimonides, een van de grootste joodse rabbi’s uit de Middeleeuwen, die in 1204 is gestorven, schrijft:

Wat in het Boek van de Schepping staat geschreven, moeten we nooit letterlijk opvatten, en daarover evenmin dezelfde denkbeelden huldigen die de menigte eropna houdt. Als het anders was, zouden onze geleerde wijzen van de oudheid zich niet zoveel moeite hebben gegeven om de werkelijke betekenis te verbergen en de onwetende menigte de sluier van allegorie voor ogen te houden die de waarheid die deze bevat verbergt. Letterlijk opgevat, bevat dat boek de meest absurde en vergezochte denkbeelden over het goddelijke. Ieder die de werkelijke betekenis kan vermoeden, zou er nauwgezet voor moeten waken dat zijn kennis niet wordt onthuld. Dit is een regel die door onze wijzen wordt onderwezen, vooral in verband met het werk van de zes dagen.
Môre Nevôchîm (Gids voor de verwarden), II, xxix

Het is heel goed mogelijk dat de onderzoeker, wanneer hij deze literatuur uit vervlogen tijden doorneemt, veel dingen zal aantreffen die hem op het eerste gezicht misschien niet aanstaan. Is het daarom niet verstandiger, alvorens we definitieve conclusies trekken die ongunstig zijn voor iets dat we niet begrijpen, ons oordeel op te schorten in plaats van te zeggen dat de Ouden, omdat ze op die manier hebben geschreven, een stel onwetende of zinnelijke sukkels waren? Sommige van de versluieringen waarin de oude leringen zijn gehuld kunnen ons nu en dan lachwekkend toeschijnen; toch zijn enkele van deze gewaden werkelijk verheven waar het hun harmonie en de juiste verhoudingen van de gegeven schets betreft, terwijl andere in hun uitdrukkingswijze inderdaad grof zijn. Maar dit kan evenzeer aan onszelf te wijten zijn als misschien, tot op zekere hoogte, aan de methode die werd gevolgd door die grote figuren uit het verleden, omdat we noch de geest begrijpen die deze bijzondere uitdrukkingsvormen nodig maakte, noch een duidelijk inzicht hebben in de omstandig heden waaronder zij werden verkondigd.
    Laten we bijvoorbeeld het Nieuwe Testament opslaan, waar men in Mattheus (10:34) de volgende uitspraak van Jezus vindt: ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’ Verbazingwekkende woorden voor de ‘Vredevorst’ als ze letterlijk worden opgevat! Moeten we ze dan zonder verder onderzoek accepteren? Of zegt onze intuďtie ons niet dat er achter en in die woorden een diepere betekenis verborgen ligt?

In zijn tweede zendbrief heeft de kerkvader Clemens gezegd, dat toen aan Jezus eens de vraag werd gesteld wanneer zijn koninkrijk zou komen, deze antwoordde: ‘Het zal komen wanneer twee en twee één zijn; wanneer het uiterlijke gelijk is aan het innerlijke; en wanneer er noch mannelijk noch vrouwelijk is’ (hfst. 12). Veel mensen hebben zich over dit raadsel het hoofd gebroken, maar deze parabel zet in echt profetische trant uiteen wat er volgens de theosofie in de toekomst gaat gebeuren.
    Laten we de zinnen een voor een beschouwen: ‘Wanneer twee en twee één zijn.’ De mens wordt verdeeld in zeven beginselen of elementen: een hoogste duade, die we de geestelijke monade kunnen noemen, omdat de delen ervan werkelijk onafscheidelijk zijn en zij alleen tijdens de manifestatie tweevoudig is; een tussenliggende of psychische duade; en een lager drievoud. Dit lagere drievoud is de zuiver fysieke mens, bestaande uit lichaam, levensessentie, en een model- of astraallichaam waaromheen het fysieke lichaam wordt opgebouwd. Dit drievoud ondergaat een volledige ontbinding bij de dood, waarna de twee innerlijke duaden overblijven, die elk een eenheid zijn – de spirituele natuur en de psychische natuur. Deze twee duaden zullen in de verre toekomst door de processen van evolutionaire groei één entiteit worden: dat wil zeggen, de psychische of tussenliggende natuur wordt dermate verbeterd, wordt een zo volmaakt voertuig voor de manifestatie van de hoogste duade of de spirituele god binnenin ons, dat zij zich met deze laatste zal verenigen en zo een wezen worden dat één intrinsieke eenheid vormt. Mensen die er in onze eigen tijd en in het verleden in zijn geslaagd deze eenmaking van de twee duaden tot stand te brengen – ‘wanneer de twee en twee één zijn’ – worden christussen genoemd. De boeddhisten noemen zo iemand een boeddha, ‘een ontwaakte’, ‘een verlichte’.
    We gaan verder met de volgende zin: ‘Wanneer het uiterlijke gelijk is aan het innerlijke’. Het menselijk lichaam is niet altijd geweest wat het nu is – een grof, fysiek instrument, waar de fijnste krachten van de ziel en van de geest doorheen moeten werken, als er al sprake van is dat ze zich uitdrukken. Deze moeilijkheid om de innerlijke vermogens en krachten tot uitdrukking te brengen zal in de verre toekomst minder groot zijn; want naarmate de innerlijke mens zich ontwikkelt, gebeurt dat ook met zijn fysieke omhulsel. Dit wordt hoofdzakelijk tot stand gebracht door evolutie, die voortdurend werkt aan het geleidelijk dunner maken van de grove compactheid van het materiële en zo de oorzaak is dat dit in steeds hogere mate het substantiële weefsel van de bewustzijnslagen van de innerlijke mens nabijkomt. ‘Wanneer het uiterlijke gelijk is aan het innerlijke’ betekent eenvoudig: wanneer het levende, bewuste, uiterlijke instrument of omhulsel beter geschikt wordt om steeds gemakkelijker uitdrukking te geven aan de goddelijke en spirituele vermogens van dat innerlijke licht. Het fysieke mense lijke omhulsel, het ‘uiterlijke’ zal dan niet langer het ondoorschijnende en compacte fysieke voertuig zijn dat het nu is, maar het zal dan relatief transparant en lichtgevend zijn – een etherisch lichaam van gecondenseerd licht. ‘Het innerlijke zal dan gelijk zijn aan het uiterlijke’, omdat het uiterlijke het inner lijke zal zijn geworden – bijna geheel daarmee verenigd.
    En nu de derde zin: ‘Wanneer er noch mannelijk noch vrouwelijk is’. De huidige toestand van de mensheid die in mannen en vrouwen is verdeeld heeft in het verleden niet altijd zo bestaan, en hij zal evenmin zo zijn in de eonen van de verre toekomst. De tijd zal komen dat er noch mannen noch vrouwen zullen zijn, maar alleen mensen; want het geslacht, evenals vele andere eigenschappen van de menselijke entiteit, is een voorbijgaand evolutiestadium. De mensheid zal dan zijn ontgroeid aan deze manier om uitdrukking te geven aan de positieve en negatieve kwaliteiten van het psychische gestel van de mens. Wanneer er niet langer ňf mannen ňf vrouwen zullen zijn, maar eenvoudig mensen die in lichamen van licht zullen wonen, dan zal de innerlijke god, de immanente christus, de dhyâni-bodhisattva, met relatieve volmaaktheid aan zichzelf uitdrukking kunnen geven. Dan zal het koninkrijk van Christus, waarover de eerste christelijke mys tici hebben geschreven, zijn gekomen.
    Een studie van de theosofische leringen zal aantonen dat er een grootse wijsheid bestaat die achter deze mystieke parabels verborgen ligt, niet alleen in het christelijke stelsel, maar in de grote filosofische en religieuze geschriften van ieder volk. Deze parabels en mystieke leringen die onder een sluier van metaforen en allegorieën worden gegeven, zijn geenszins slechts verzonnen mystieke voortbrengsels van de verbeelding, maar in werkelijkheid symbolische of beeldende voorstellingen van gebeurtenissen die in de geschiedenis van de mensheid hebben plaatsgevonden, of mogelijk profetische visioenen van gebeurtenissen die in de toekomst zullen plaatshebben.
    Een ander voorbeeld van de mystieke methode van onderricht is ontleend aan de geschriften van een van de eerste kerkvaders, Irenaeus. Tussen haakjes, deze eerste kerkvaders deden niets liever dan met hun geschriften in te gaan tegen de opvattingen van mensen die niet de bijzondere religieuze standpunten eropna hielden, die in de patristische teksten werden gehuldigd, en die deze kerkvaders consequent ketters noemden; en de Gallische Irenaeus vormde op deze beminnelijke en destijds algemeen voorkomende gewoonte geen uitzondering.
    In zijn boek, Contra Haereses (Tegen Ketterijen), zegt hij dat Papias, een discipel van de apostel Johannes, de volgende parabel had gehoord uit de mond van Johannes zelf:

De Heer onderwees en zei dat de tijd zal komen dat er wijnstokken zullen groeien, waarvan elk tienduizend takken heeft, en elke tak zal tienduizend twijgen hebben, en elke twijg van een tak zal tienduizend ranken hebben, en elke rank zal tienduizend druiventrossen dragen, en elke tros zal tienduizend druiven tellen, en iedere druif zal, geperst, honderd liter wijn opleveren; en wanneer een van de heiligen een tros zal plukken, zal een andere tros uitroepen, ‘ik ben een betere tros; neem mij; en loof de Heer door mij!’
– Bk. V, hfst. xxxiii

In Het Evangelie naar Johannes (15:1,5-7) worden aan Jezus de volgende woorden toegeschreven:

Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. . . .
    Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht, maar afgesneden van mij [de wijnstok] brengt ge niets voort. Als een mens in mij niet blijft, wordt hij als rank afgesneden, en verdort; en de mensen rapen ze bijeen en werpen ze in het vuur, en ze worden verbrand. Blijf in mij en ik zal in u blijven.

Met andere woorden, zoals de rank geen vruchten draagt als zij niet aan de wijnstok blijft, zo kunt ook u dat niet als u niet in mij blijft. In deze prachtige christelijke parabel van de ‘wijnstok en de ranken’, stelt de wijnstok de spirituele natuur van de mens voor; en in de allegorie van Irenaeus zijn deze verschillende takken en twijgen en ranken en individuele druiven kennelijk bedoeld om de grote en kleine discipelen van de leraren weer te geven.
    Wij prozaďsche westerlingen vinden het moeilijk om een gevoel van geamuseerdheid te onderdrukken bij het luisteren naar verhalen of allegorieën die in hun blinde vertrouwen zo wonderlijk eenvoudig zijn; maar ongetwijfeld waren er in die vroeg-christelijke tijden grote aantallen mensen die geloofden dat deze verhalen ware aankondi gingen van toekomstige gebeurtenissen waren, en die ongetwijfeld eveneens geloofden dat ze een grote waarheid in een mystiek gewaad bevatten. Elk van die aan hen gegeven allegorieën of parabels, vergezeld van de bewering dat ze werd overgeleverd als een van de uitspraken van hun Heer Jezus, werd door hen zonder meer, of als bevatte zij een diep verborgen mystieke waarheid, aanvaard. Dit geloof was vaak terecht, want het was in die tijd de gewoonte om moeilijke leringen in de gedaante van parabels te kleden.
    Boeddha, Christus, Plato, Apollonius van Tiana, Pythagoras, Empedocles, Zarathoestra van Perzië, onderwezen alle op deze wijze. Ja, zelfs de pragmatische joodse rabbi’s schrijven in dezelfde allegorische en gesluierde stijl. Ze zeggen ons bijvoorbeeld dat er 60.000 steden in de heuvels van Judea zullen zijn, en dat elk van die steden 60.000 inwoners zal tellen; verder zeggen ze dat wanneer hun Messias komt, Jeruzalem een stad van enorme omvang zal zijn: dat het dan 10.000 steden binnen zijn grenzen zal hebben met 10.000 paleizen; terwijl rabbi Simeon ben Yachia verklaart dat er in de stad 180.000 winkels zullen zijn waar alleen parfums zullen worden verkocht, en dat elke druif in de wijngaarden van Judea dertig vaten wijn zal opleveren!
    Dit voorbeeld van joodse mystieke allegorie is ontleend aan Bartolocci’s Bibliotheca Rabbinica. Het maakt gebruik van dezelfde zinnebeelden als de christelijke allegorie van de wijnstok, de druif en de wijn, met ongetwijfeld dezelfde essentiële betekenis.

Er is veel in de verschillende oude wereldstelsels dat voor de moderne wetenschap zonder de sleutel van de interpretatie niet alleen paradoxaal maar gewoonlijk ook onverklaarbaar blijft. Laten we twee passages in het Nieuwe Testament beschouwen: In Het Evangelie ‘naar’ Mattheusnaar betekent hier blijkbaar dat de schrijver niet Mattheus is, maar iemand die beweerde te schrijven ‘naar’ de leringen van Mattheus – staat het volgende:

En rond het negende uur riep Jezus met luide stem, zeggende: ‘Eli! Eli! lama shabahhthanei!’ dat is: ‘God van mij! God van mij! Waarom heeft u mij verlaten?’ En sommigen van hen die daar stonden, dit gehoord hebbende, zeiden: ‘Deze mens roept Elia.’
– 27:46-7

In Het Evangelie ‘naar’ Marcus staat:

En in het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eloi! Eloi! lama shabahhthanei!’ wat betekent: ‘De God van mij, waartoe heeft u mij verlaten?’ En sommigen van hen die daar stonden, dit gehoord hebbende, zeiden: ‘Ziet, hij roept Elia.’
– 15:34-5

In deze twee passages heeft de auteur zelf de vertaling uit het oorspronkelijke Grieks gemaakt, en daarom is de Hebreeuwse zin die in beide passages voorkomt op zodanige wijze getranslitereerd dat hij de fonetische uitspraak van het oorspronkelijke Hebreeuws zoveel mogelijk benadert. De Griekse manuscripten van zowel Mattheus als Marcus verschillen onderling wat de spelling van deze Hebreeuwse zin betreft, toch zijn de variaties in geen enkel geval méér dan verschillende pogingen van de Griekse schrijvers om de Hebreeuwse woorden van deze zin in Griekse letters te spellen. Het Hebreeuws heeft bepaalde klanken die het Grieks niet kent, en daarom moesten de Griekse schrijvers die letters uit het Griekse alfabet kiezen die in klank het dichtst bij het Hebreeuws stonden. Waar het in hoofdzaak om gaat is dat dit onmiskenbaar Hebreeuwse woorden zijn, en ieder die zowel Grieks als Hebreeuws kent zal gemakkelijk begrijpen, dat het noodzakelijk is om ze correct te translitereren teneinde de klanken van de originele Hebreeuwse woordvormen te benaderen. Hoe de transliteratie van het Hebreeuws ook mag luiden, de betekenis is volkomen duidelijk, en zowel Mattheus als Marcus hebben het Hebreeuws een onjuiste vertaling gegeven, waardoor aan de Hebreeuwse woorden een betekenis is toegekend die ze niet hebben. Deze onjuiste vertaling was ňf een gevolg van onkunde ňf opzet.
    Deze twee schrijvers stellen het kennelijk zo voor dat de oog getuigen die volgens de legende rond het kruis stonden, dachten dat de roep tot Elia was gericht; met andere woorden, dat deze getuigen het Hebreeuwse Eli, Eli, dat ‘God van mij, God van mij’ betekent, ten onrechte voor de naam ‘Elia’ hielden. Hierdoor krijgt men een vreemde indruk van deze twee evangelieschrijvers, want de getuigen van de kruisiging, met uitzondering van de Romeinse wachter die daar zou zijn geweest, moeten het Aramees, dat evenals het Hebreeuws een van de Semitische dialecten is, als hun moedertaal hebben gesproken, en hadden daarom de Semitische wortel ’el die in de Semitische dialecten zo algemeen gangbaar was, moeten begrijpen. Hier rijst sterk het vermoeden dat de evangelieschrijvers zelf ňf niet hebben nagedacht ňf de juiste betekenis van de geciteerde Hebreeuwse roep niet hebben begrepen.
    Terloops moeten we erop wijzen, dat theosofen geen geloof hechten aan het middeleeuwse denkbeeld dat de oorspronkelijke schrijvers van het Nieuwe Testament woord voor woord onder toezicht van een goddelijke inspiratie stonden. Het mystieke verhaal van Jezus is een vaag symbolische geschiedenis van inwijding waarin Jezus, later de Christus genoemd, zinnebeeldig wordt voorgesteld als het model van een verheven mens die de beproevingen van de inwijdingscyclus ondergaat. Dit betekent niet dat er geen wijze zoals Jezus heeft bestaan. Zo’n grote wijze heeft wel bestaan in een iets eerdere periode dan het veronderstelde begin van de christelijke jaartelling. Dit betekent dat het Nieuwe Testament een symbolisch verhaal geeft van de inwijding van een wijze die de naam Jezus draagt.
    Deze woorden Eloi! Eloi! lama shabahhthanei! zijn voor zover het de spelling in het Nieuwe Testament betreft gehelleniseerd Hebreeuws. De gebruikelijke verklaring van bijbelse apologeten is dat het Aramese woorden zijn, maar toch zijn deze woorden goed Hebreeuws en in feite ook goed Chaldeeuws, en bevatten een betekenis die, zoals zal worden aangetoond, volkomen verschilt van de vertaling zoals die in deze twee passages wordt gegeven.
    De betekenis van deze Hebreeuwse zin is niet ‘God van mij! God van mij! Waarom heeft u mij verlaten?’ maar ‘God van mij! God van mij! Waarom schenkt u mij zo’n vrede?’, of ook, zoals het Hebreeuwse werkwoord (shâbahh) kan worden vertaald: ‘Waarom verheerlijkt u mij zozeer!’ Shâbahh betekent ‘loven’, ‘verheerlijken’, en ook ‘vrede schenken aan’. Ongetwijfeld is deze vertaling, afgezien van het feit dat de oorspronkelijke woorden goed en echt Hebreeuws zijn, meer in overeenstemming met het verhaal van het evangelie zelf, en staat dichter bij het verhaal van Jezus zoals de christenen zelf het ons geven! Waarom zou de ‘zoon van God’, die eveneens het menselijk voertuig van een van de drie onafscheidelijke personen van hun drieëenheid was, en daarom volgens de christelijke leringen een onafscheidelijk deel van de godheid zelf was, bij zijn lijden aan het kruis volgens de legende met woorden van grote angst hebben uitgeroepen, ‘Mijn God! Mijn God! Waarom heeft u mij verlaten?’
    Wij wenden ons nu tot het Oude Testament: in Psalm 22:1-2 staat dit: ‘Mijn God! Mijn God! Waarom hebt ge mij verlaten? Waar om zijt ge zo verre van mijn verlossing, en van de woorden van mijn jammerklacht?’ De eerste Hebreeuwse woorden luiden hier: ‘Elî Elî lâmâhh ‘azabthânî!’ en zijn correct vertaald. Het Hebreeuwse woord ‘âzab betekent ‘verlaten’, ‘aan zijn lot overlaten’, en is voor David een zeer natuurlijke uitroep gezien de situatie waarin hij toen zou hebben verkeerd. Het is een heel menselijke uitroep, een wanhoopskreet, die ieder mens misschien zou hebben geuit onder de druk van een zware spirituele en intellectuele beproeving.
    Maar zoals gezegd hebben we in het Nieuwe Testament de ‘Zoon van God’, die zegt: ‘Mijn God! Mijn God! Waarom heeft u mij aan mijn lot overgelaten?’ En wanneer we dan de woorden beschouwen die de schrijvers van de evangeliën zelf geven, constateren we dat ze die betekenis helemaal niet hebben, maar daarentegen een uitroep van extase bevatten. De zinspelingen op een esoterische betekenis in deze in de war geraakte episode van het Nieuwe Testament stemmen tot nadenken en zijn daardoor belangrijk. Als de schrijvers ‘naar’ Mattheus en ‘naar’ Marcus deze Psalm in gedachten hadden toen zij deze onjuiste vertaling maakten, rest ons de vraag waarom zij dit deden, omdat zij vermoedelijk beiden mensen waren die het Aramees en Hebreeuws beter begrepen dan onderzoekers in onze tijd, want het Aramees was hun moedertaal. En anderzijds, indien deze twee evangeliën in Alexandrië werden geschreven dan verandert de situatie hierdoor niet want Alexandrië had destijds een zeer grote en geleerde Hebreeuwse kolonie. Iedere soortgelijke poging om het raadsel op te lossen schijnt volkomen ongeoorloofd, omdat het Hebreeuwse woord ‘âzab, gebruikt in Psalm 22:1, met de betekenis van ‘aan zijn lot overlaten’ of ‘verlaten’, niet het Hebreeuwse woord shâbahh is dat door deze beide evangelieschrijvers werd gebruikt, en dat ‘loven’, ‘verheerlijken’ betekent.
    Maar, en hier gaat het om, toen de schrijvers van deze evangeliën schreven over dit ‘lijden’ - een oude term voor de inwijding van iemand die zijn verheerlijking, zijn tijdelijke opgaan in goddelijkheid, ondergaat – gebruikten ze precies het juiste woord. Want, zo wordt ons verteld, er komt in deze inwijdingscyclus een moment dat de initiant de hoogste beproeving nadert, waarbij hij het hoofd moet bieden aan het slechtste dat in hem is en het slechtste dat de wereld van de materie tegen hem kan inbrengen, en deze zwaarste van alle beproevingen met succes moet doorstaan. En op dat plechtige ogenblik, wanneer het lijkt of er geen innerlijk licht aanwezig is om kracht te geven, te helpen en te verlichten – wanneer hij, volgens het vooraf overeengekomen mechanisme zelf van de inwijdingsritus die op de lijdende mens zowel spiritueel als psychisch inwerkte, tijdelijk van elke steun die zijn spiritueel-goddelijke natuur hem zou kunnen geven verstoken bleef – moest hij als een mens op zichzelf staan, alleen in zijn eigen maar in hoge mate geoefende menselijke natuur, en, terwijl hij het hoofd bood aan het slechtste, moest hij als een mens de proef met succes doorstaan om onmiddellijk de zelfbewuste hereniging met zijn innerlijke god te bereiken. Succes betekende een gelukzaligheid die alles wat menselijk bewustzijn ooit heeft ervaren overtreft. Het was op dit verheven moment van de hereniging met de glorie van de levende god binnenin, dat de mens, die met enkel zijn men selijke natuur erin was geslaagd deze vreselijke beproeving te doorstaan, zowel in verrukking als met onuitsprekelijke spirituele verademing uitriep: ‘O mijn God! O mijn God binnenin mij! Hoe verheerlijkt u mij!’
    Hoe vaak ook zal in dat plechtige uur niet de roep in zielsangst: ‘O mijn innerlijke God! Waarom heeft u mij verlaten?’ van dit menselijk hart zijn uitgegaan; want bij de tijdelijke scheiding van de leidende inspiratie van de godheid binnenin schijnt het voor de op zichzelf staande menselijke natuur alsof hij door de innerlijke godheid is verlaten. Maar toch gebruikten deze twee evangelieschrijvers een verkeerde vertaling voor het Hebreeuwse woord dat zij gaven. Zij gebruikten het woord dat verheerlijking betekent en vertaalden het met verlaten, waardoor een tegenspraak in de gebruikte woorden ontstond die niettemin de sleutel tot het inwijdingsmysterie geeft – de mys tieke sleutel die laat zien dat er in deze tijdelijke scheiding van de inner lijke constitutie van de mens, van het hogere en het lagere tijdens de beproeving van de mens die aldus tijdelijk is gescheiden van zijn innerlijke god, de zaden liggen van de verheerlijking bij de hereniging die erop volgt, als de aspirant in zijn menselijke natuur de proef met succes doorstaat.
    Deze twee schrijvers hebben zelf misschien een eerdere en nog mystiekere leer overgenomen, die was belichaamd in een ouder document waarover zij toen beschikten en hebben, met opzet of per vergissing, woorden of passages weggelaten die stonden tussen de door hen gegeven Hebreeuwse zin en de foutieve vertaling hiervan die zij ňf zelf maakten dan wel hebben geciteerd. Wat was deze oudere en nu verloren geraakte bron?

.    .    .

    De Perzische soefimystici, die aanhangers waren van wat men de theosofie van de Perzische islam kan noemen, schreven over de overvloeiende wijnbeker en de genoegens van het caf‚, van de onvermengde vreugde en de transcendente zaligheid die zij in gezelschap van hun Geliefde ervoeren; en toch was de betekenis van hun geschriften nadrukkelijk het tegengestelde van de zinnelijke beeldspraak van het liefdeslied. De Perzische mysticus, Abű Yazîd, die in de negende eeuw leefde, schreef: ‘Ik ben de wijn die ik drink, en de schenker ervan.’ De wijnbeker symboliseerde in het algemeen de ‘genade Gods’, de invloeden en werkingen van de spirituele krachten die het heelal vervullen. Dezelfde soefischrijver zei: ‘Ik ging van god tot god totdat zij uit mij, in mij uitriepen, O! U, ik!’
    Wat een beeldende taal is dit! Het is alsof de ziel van de dichter een poging deed zich van alle persoonlijkheid te ontdoen en trachtte te zeggen, dat zijn eigen diepste innerlijk ook het diepste innerlijk van het Al was.
    Iedereen die de diepzinnige gedichten van de soefimystici aandachtig leest, en zich bewust is van hun verfijnde spiritualiteit, weet, tenzij hij zijn verstand heeft verloren of door vooroordeel redeloos is geworden, dat het geschrevene geheel en al symbolisch is. Neem als voorbeeld slechts de kwatrijnen van ‘Omar Khayyâm, of een fragment uit de Dîwân van Jalâlű’d-Din Rűmî, dat als volgt is vertaald:

Zie, ik ken mezelf niet, wat moet ik nu in godsnaam doen?
    Ik vereer noch het kruis, noch de halve maan, ik ben noch een ongelovige, noch een jood.
    Noch het oosten, noch het westen, noch het land, noch de zee, is mijn thuis; ik ben verwant met engel noch gnoom.
    Ik ben gesmeed noch uit vuur, noch uit schuim, ik ben gevormd noch uit stof, noch uit dauw.
    Ik werd geboren noch in het verre China, noch in Saksen, noch in Bulgarije.
    Noch in India met zijn vijf rivieren, noch in Irak of Koerdistan groeide ik op.
    Noch in deze wereld, noch in gene woon ik; noch in het paradijs noch in de hel;
    Noch uit Eden en Ridwân kwam ik, noch stamde ik van Adam af.
    Op een plek, verder dan de verste plaats, in een streek zonder schaduw of spoor,
    Uitstijgend boven ziel en lichaam, daar woon ik opnieuw in de ziel van mijn Geliefde!
– Naar de Engelse vertaling van Nicholson,
    geciteerd in E.G. Browne’s A literary History of Persia

Hier bezingt de soefidichter de goddelijke bron, het uiteindelijke thuis van ons allen.
    Het Hooglied van Salomo in de Hebreeuwse bijbel bevat dezelfde suggestieve zinnelijke beeldspraak, hoewel de soefimystici een excuus voor hun taal hadden omdat zij, uit vrees voor de sterke arm van de moslim-regering, niet durfden schrijven wat die regering als onorthodoxe leringen zou hebben beschouwd, en daarom kozen ze het liefdeslied dat ongevaarlijk scheen te zijn. Schijnbaar beschrijft het Hooglied van Salomo niets anders dan de fysieke bekoorlijkheden van de meest beminde van de Hebreeuwse koning; en toch kan ieder die enigszins op de hoogte is van de manier waarop in symbolische geschriften beeldrijke taal wordt gebruikt, gemakkelijk tussen de regels door lezen en de innerlijke gedachte begrijpen.

Laten we ons naar het Verre Oosten wenden. De Chinezen worden beschouwd als de meest pragmatische, nuchter denkende mensen op onze aardbol; maar ondanks dat zal men verbaasd staan over de onthullingen die in de diverse takken van de oude Chinese literatuur zijn te vinden.
    Een van de grootste leraren van China was Lao-Tse, de grondlegger van het taoďsme, een van de edelste religies en filosofische stelsels van de hele wereld. Volgens de legende werd hij op bovennatuurlijke wijze verwekt, zoals dat ook over zoveel andere grote wereldleraren wordt beweerd. Zijn moeder droeg hem tweeënzeventig jaar voordat hij werd geboren, zodat zijn haar, toen hij tenslotte het fysieke levenslicht aanschouwde, als van ouderdom wit was en op grond hiervan stond hij later bekend onder de naam oude jongen’. Zijn biografen vertellen ons dat hij, toen zijn levenswerk was volbracht, in westelijke richting naar Tibet reisde en verdween; en men weet niet waar en wanneer hij is gestorven. Uit de weinige feiten die authentiek schijnen te zijn, en met terzijdestelling van de grote hoeveelheid mythologisch materiaal die rond zijn naam en persoonlijkheid is geweven, schijnt Lao-Tse een van de periodieke incarnaties te zijn geweest van een straal van wat in de esoterische traditie op mystieke wijze Mahâ-Vishńu wordt genoemd, met andere woorden een avatâra. Er schijnt geen enkele twijfel over te bestaan dat hij een van de minst begrepen afgezanten of boodschappers was van de heilige broederschap die uit eigen kring periodiek vertegenwoordigers uitzendt om een impuls tot spiritualiteit te geven.
    Zijn grote literaire werk wordt de Tao-teh-tjing genoemd, ‘Het boek van het doen van tao’. Tao betekent de ‘weg’ of het ‘pad’, en heeft nog andere mystieke betekenissen; teh betekent ‘deugd’. Maar hoewel tao de weg of het pad betekent, betekent het ook degene die de weg bewandelt, of hij die het pad volgt.

Het is de weg van tao nimmer uit persoonlijke motieven te handelen; zaken te regelen zonder de last ervan te voelen; te proeven zonder zich van de smaak bewust te zijn; het grote als klein en het kleine als groot te beschouwen; onrecht met vriendelijkheid te beantwoorden.
Tao-teh-tjing, hfst. lxiii

De laatste zin van dit opmerkelijke boek is in de volgende vorm gegoten:

Het is het tao van de hemel goed te doen en niemand kwaad te doen; het is het tao van de wijze te doen en niet te streven.
– hfst. lxxxi

De betekenis van deze logisch tegengestelden is: erger u nergens aan; maak uzelf volstrekt geen zorgen; maar leef en handel zonder meer! Hier wordt heel aanschouwelijk het verschil onder woorden gebracht tussen het onontwikkelde inzicht van de gewone mens en de spirituele wijsheid van de wijze. De wijze weet dat alles wat zich in het heelal bevindt in de mens is, omdat de mens een onafscheidelijk deel van het kosmische geheel is; en de mens beneemt zichzelf het licht, belemmert zijn eigen vooruitgang met aldoor strijdvaardig te streven en voortdurend zijn spirituele, intellectuele en fysieke spieren te spannen, waardoor hij zijn krachten uitput door ijdele en onbetekenende ideeën na te jagen. Lao-Tse zei: ‘Wees wat binnenin u is. Doe hetgeen u gezegd wordt door dat wat binnenin u is.’ Dit is het geheim van tao.
    Tot zover het mystieke denken van het oude China zoals dit werd toegelicht aan de hand van de leringen over het tao. Gebrek aan ruimte belet ons een beeld te geven van nog meer lagen van Chinees mystiek denken met voorbeelden uit andere bronnen, zoals uit het mahâyânaboeddhisme. Alleen al deze Chinese boeddhistische literatuur vormt een goudmijn van diepe mystieke filosofie.
    Men dient zich tot India te wenden om de duidelijkste voorbeelden te vinden van de archaďsche traditie die haar doordringende invloed gedurende de laatste drie of vier millennia overal in Azië heeft doen gelden, maar sinds de tijd van Anquetil Duperron ook de volkeren van het westen met het verstrijken van de eeuwen steeds krachtiger heeft beďnvloed. Maar zelfs in India hebben de moderne vertegenwoordigers van de vroegere filosofische religies een deel van hun oorspronkelijke zuiverheid verloren. Al kunnen China en Tibet goudmijnen van esoterische kennis worden genoemd die de intuďtieve onderzoeker daaruit dient op te delven, met nog meer recht kan deze kwalificatie worden toegekend aan de schitterende literatuur van het oude Hindoestan. Misschien is iets van het edelste van het archaďsche mystieke denken van India belichaamd in die over blijfselen van een nu bijna vergeten verleden die de Upanishads worden genoemd. In deze Upanishads, juwelen van ongeëvenaarde schoonheid, wordt de esoterische leer zorgvuldig voor oppervlakkige nieuwsgierigheid verborgen gehouden onder het kleed van allegorie, parabel en symbool.
    Om een voorbeeld te geven van hoe de kennis in de Upanishads wordt overgedragen, wijzen we op het volgende werkelijk gebeurde of denkbeeldige geval van Uddâlaka-Âruńi, een van de grote brahmaanse leraren van dit gedeelte van de cyclus van vedische literatuur; Uddâlaka-Âruńi is bezig zijn zoon, Svetaketu, die hem om kennis vraagt, te onderwijzen:

    ‘Breng mij van ginds een vrucht van de nyagrodhaboom.’
    ‘Hier is er een, heer!’
    ‘Breek haar open.’
    ‘Zij is nu opengebroken, heer!’
    ‘Wat zie je erin?’
    ‘Deze zaden, uiterst klein.’
    ‘Maak er een open.’
    ‘Het is opengemaakt, heer.’
    ‘Wat zie je erin?’
    ‘Helemaal niets, heer!’
    Toen zei de vader: ‘Mijn kind, die heel subtiele essentie die je daarin niet ziet, uit diezelfde essentie bestaat deze enorme nyagrodhaboom. Geloof het, mijn kind. Dat wat deze subtiele essentie is – daarin heeft al wat bestaat zijn zelf. Het is het werkelijke; het is het zelf; en jij, Svetaketu, bent het!’
    ‘Alstublieft, heer, leer mij nog meer’, zei het kind.
    ‘Zo zij het, mijn zoon’, antwoordde de vader. ‘Strooi dit zout in water, en kom dan morgenochtend bij me.’
    Het kind deed wat hem was opgedragen. (De volgende ochtend) zei de vader tegen hem: ‘Breng me het zout dat je gisteravond in het water hebt gestrooid.’
    Het kind zocht ernaar maar vond het niet, want het was opgelost. De vader zei toen: ‘Proef het water aan de oppervlakte. Hoe smaakt het?’
    De zoon antwoordde: ‘Het is zout.’
    ‘Proef het uit het midden. Hoe smaakt het?’
    De zoon antwoordde: ‘Het is zout.’
    ‘Proef het van de bodem. Hoe smaakt het?’
    Het kind antwoordde: ‘Het is zout.’
    De vader zei toen: ‘Je mag het weggooien, en kom dan bij me terug.’ Dat deed de jongen; maar het zout blijft altijd hetzelfde.
    Toen zei de vader: ‘Ook hier in deze persoon zie je niet het werkelijke, mijn kind; maar toch is het daarin wel degelijk aanwezig. Dat wat deze subtiele essentie is – daarin heeft al wat bestaat zijn zelf. Het is het werkelijke; het is het zelf; en jij, Svetaketu, bent het!
    ‘Als iemand deze grote boom die hier voor ons staat in de wortel zou aantasten, zou deze weliswaar bloeden, maar hij zou blijven leven. Als hij zijn stam treft, zou de boom weliswaar bloeden, maar toch blijven leven. Als hij zijn top treft, zou de boom weliswaar bloeden, maar toch blijven leven. Doortrokken van het levende zelf houdt de boom stand, neemt zijn voedsel in zich op en verheugt zich.
    ‘Maar als het leven [dat het levende zelf is] een van zijn takken verlaat, dan sterft die tak; als het een andere tak verlaat, sterft ook die. Als het een derde tak verlaat, sterft die derde eveneens. Als het de hele boom verlaat, dan sterft de hele boom. O mijn kind, onthoud op precies dezelfde manier het volgende.’ Zo sprak de vader opnieuw.
    ‘Dit lichaam schrompelt ineen en sterft wanneer het levende zelf het verlaat; maar het levende zelf sterft niet.
    ‘In dat wat zijn subtiele essentie is – heeft al wat bestaat zijn zelf. Het is het werkelijke. Het is het zelf, en jij, Svetaketu, bent het.’
    ‘Alstublieft, heer, leer me nog meer’, zei het kind.
    ‘Zo zij het, mijn zoon’, antwoordde de vader.
Chhândogya-Upanishad, vi, 12-13, 11

Al de verschillende filosofische stelsels van Hindoestan verdienen zorgvuldige studie, maar het is hier slechts nodig te wijzen op de zes darsana’s of ‘zienswijzen’ waaraan het genie van de hindoegeest het leven heeft geschonken. Het voornaamste van deze is de Vedânta, letterlijk het ‘einde van de Veda’s’, die zelf drie scholen heeft ontwikkeld: de ‘Advaita-Vedânta’ of ‘niet-dualistische’, waarvan Sankarâchârya de voornaamste exponent was; de ‘Dvaita-Vedânta’ of ‘dualistische’ en de ‘gewijzigde niet-dualistische’ school die de ‘Visishta-Advaita’ wordt genoemd. Ondanks al de intrinsieke waarde van deze verschillende ‘zienswijzen’ of denkstelsels bereikt geen hiervan een hoger niveau van esoterische lering dan de leer van Gautama de Boeddha. Of men nu onderzoek doet in de literatuur van de zuidelijke of hînayânaschool dan wel zich wendt tot de meer mystieke ontwikkeling van het mahâyâna zoals men die in Centraal- en Noord-Azië aantreft, men kan zonder voorbehoud verklaren dat het boeddhisme, in het bij zonder de noordelijke tak ervan, in zijn diverse heilige geschriften een innerlijke betekenis heeft die even krachtig en vitaal is als die van alle andere grote wereldreligies.

Terwijl allegorieën, parabels en symbolen verheven waarheden verbergen, hebben ze universele functies te vervullen bij de overdracht van filosofische en religieuze kennis. Sommige van deze allegorieën zijn vaak primitief, mogelijk zelfs weerzinwekkend; maar dit gevoel ontstaat doordat we mentaal automatisch verwerpen wat ons onbekend is en ons daarom niet aanstaat.
    Welk symbool zou immers onaangenamer kunnen zijn dan dat van de slang zoals deze in Genesis op primitieve wijze wordt voor gesteld? Toch staan de Hebreeuwse geschriften in het gebruik van de slang als symbool van een geestelijke leraar niet alleen, omdat de hindoeliteratuur bijna ontelbare gevallen kent waarin de slang, nâga of sarpa genoemd, als metaforische aanduiding wordt gebruikt voor grote leraren of wijzen, voor zowel geesten van het licht als van de duisternis. De bewoners van Pâtâla – dat niet alleen een ‘hel’ maar ook de regionen betekent van de antipoden van het hindoeschier eiland – worden inderdaad nâga’s genoemd; en van Arjuna wordt in het Mahâbhârata (I, sl. 7788-9) verteld dat hij naar Pâtâla reist en daar huwt met Ulűpî, de dochter van Kauravya, koning van de Nâga’s in Pâtâla.
    Waarom zou men de slang in zowel de Hebreeuwse als de christe lijke geschriften ‘leugenaar’ en ‘bedrieger’ hebben genoemd, en aan de duivel, die meelijwekkende mythische figuur van de middel eeuwse theologie, de titel ‘slang van verzoeking’ en ook ‘vader van de leugen’ hebben gegeven? Waarom zou men hebben gedacht dat de slang in de Hof van Eden, die het eerste mensenpaar tot kwaad doen heeft verleid, een belichaming of het symbool van satan was? Of waarom zou men anderzijds de slang, die zich langzaam kronkelend voortbeweegt, hebben gekozen als het symbool van wijsheid, en tevens als benaming hebben gebruikt voor een ingewijde zoals in het gezegde dat aan Jezus de Christus zelf wordt toegeschreven: ‘Wees dan wijs zoals slangen en onschuldig zoals duiven’ (Matth. 10:16)?
    Het antwoord is eenvoudig. Evenals de krachten van de natuur op zichzelf neutraal zijn en pas door het gebruik of misbruik ervan door mensen ‘goed’ of ‘slecht’ worden, precies zo wordt ook een natuur lijke entiteit, wanneer zij in de symboliek als zinnebeeld wordt gebruikt, toepasbaar in een goede of een slechte betekenis. Dit feit wordt geďllustreerd in het Sanskriet waar ingewijden, zowel van het pad van de rechterhand als van de linkerhand, worden aangeduid met woorden die slangachtige kenmerken weergeven. De broeders van het licht worden aangeduid als nâga’s; terwijl de broeders van de duisternis of van de schaduw meer toepasselijk met sarpa’s worden aangeduid, afgeleid van s(r)p dat ‘kruipen’ betekent, of op listige en heimelijke manier ‘sluipen’ en daarom metaforisch ‘bedriegen’ door sluwheid of insinuatie.
    De broeders van het licht en de zonen van de duisternis zijn brandpunten van macht, van subtiel denken en handelen, van wijsheid en energie. Dezelfde krachten van de natuur worden door beiden gebruikt – de ene klasse gebruikt deze vermogens voor onpersoonlijke en heilige doeleinden; de andere klasse maakt gebruik van dezelfde vermogens en energieën voor onheilige en boze doeleinden. De nâga’s, de spirituele ‘slangen’ van wijsheid en licht, op wie Jezus zinspeelde, zijn scherpzinnig, weldadig, wijs en begiftigd met het spirituele vermogen om het fysieke gewaad, de ‘huid’ of het lichaam af te werpen, wanneer de ingewijde oud is geworden, en naar welgevallen een ander nieuwer, jonger en sterker menselijk lichaam aan te nemen.
    De andere klasse, de sarpa’s, bedienen zich van misleiding, bedrog, zijn boosaardig waar het hun motieven en handelingen betreft, en daarom heel gevaarlijk; en toch gebruiken ze dezelfde vermogens als de eerstgenoemde klasse, maar voor kwade doeleinden.
    In dit gebruik van de figuur van de slang als de sluier van een verborgen betekenis, en de verdere uitwerking van de slangachtige kenmerken in de vorm van allegorieën en verhalen, is de oude manier om waarheden van de natuur te verhullen duidelijk te zien.


De Esoterische Traditie, blz. 31-52

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag