|
22 De esoterische
scholen De broederschap van grote zieners en wijzen, verenigd tot
een gemeenschappelijk doel en geleid door gemeenschappelijke idealen en esoterische
kennis, heeft miljoenen jaren zeker niet minder dan twaalf miljoen
bestaan als een vereniging van hoge adepten onder de directe inspiratie en leiding
van hun hiërarch of mahâgoeroe; met andere woorden, sinds op aarde het wortelras
verscheen dat aan ons eigen huidige vijfde wortelras voorafging.
De mensen van het vierde wortelras worden technisch
de ‘Atlantiërs’ genoemd niet dat ze zichzelf ‘Atlantiërs’ noemden,
want de verschillende groepen van subrassen gaven zichzelf namen die
sinds lang voor de geschiedenis verloren zijn gegaan, behalve in zoverre
dat bepaalde werken van de oudste literatuur naar hen verwijzen met
namen die volgens de opvattingen van alle wetenschappers van nu alleen
als bekende figuren uit de mythologie worden erkend.
Naarmate
de geologische tijdperken elkaar opvolgen, verheffen continenten zich op verschillende
delen van de aardbol boven de wateren, worden voor lange tijd door familierassen
die van elders komen bevolkt en verzinken weer in de oceanen. Ieder van die grote
continenten draagt zijn eigen reeks rassen en subrassen die, wanneer ze alle tezamen
als een groep of raseenheid worden beschouwd, in de moderne theosofie een wortelras
worden genoemd één van die eenheden is het Atlantische of vierde wortelras.
De naam ‘Atlantis’ wordt gegeven aan een onmetelijk continent dat met zijn aangrenzende
subcontinenten en eilanden eens min of meer de oppervlakte van de aardbol bedekte,
maar het voornaamste centrum lag waar nu de Atlantische Oceaan is. Het woord ‘Atlantis’
is ontleend aan de Timaeus van Plato, die met andere Griekse schrijvers
vaag verwees naar een eiland ongeveer van de omvang van het tegenwoordige Ierland
dat ooit in de Atlantische Oceaan had bestaan voorbij de Zuilen van Hercules,
de Straat van Gibraltar. Sommige Griekse schrijvers noemden dit eiland ‘Poseidonis’.
Dit eiland was slechts het laatst overgebleven deel van enige omvang dat nog bestond
in de lang vervlogen tijd waarover Plato schreef, ongeveer elf- of twaalfduizend
jaar v.Chr. Dit Atlantis van Plato was het geboorteland vanwaar eens kolonisten
vertrokken om de nijldelta te bevolken, een kolonisatie die duizenden jaren voortduurde.
De vroeg-Egyptische stammen waren afkomstig van deze eerste Atlantische kolonisten
die zich vermengden met immigranten uit wat de oude Grieken Aethiopia noemden,
dat het Zuid-India was van die periode die nu ver in het verleden ligt. Deze Indische
immigranten in Egypte waren op hun beurt afstammelingen van tot Indo-Europeanen
geworden Atlantiërs uit een Atlantisch onderras dat landen had gekoloniseerd die
nu grotendeels waren verzonken onder de wateren van de Indische Oceaan en van
de Stille Oceaan. Over deze tot Indo-Europeanen geworden
Atlantiërs wordt ook in de oude hindoeliteratuur gesproken, zoals in het Mahâbhârata,
onder de naam râkshasa’s. Het tegenwoordige Sri Lanka, een overblijfsel van het
oude Lankâ, was het noordelijke voorgebergte van een van deze Pacifisch-Atlantische
landmassa’s. De nu overgebleven eilanden van dat eens zo grote Atlantische landmassief,
de Azoren, de Canarische eilanden, en het eiland Madeira waren eens de omwolkte
bergtoppen van het archaïsche Atlantische continent. Ongeveer
vier of vijf miljoen jaar geleden bereikte dit Atlantische ras materieel gezien
zijn schitterende hoogtepunt. Ieder wortelras kenmerkt zich door zijn eigen karakteristieke
evolutie zowel in intellectueel als psychisch opzicht; en de voornaamste karakteristieke
eigenschap van alle Atlantische volkeren was materialisme. Stoffelijke dingen
werden meer vereerd dan geestelijke. Materialisme samen met een doelbewuste
beoefening van stoffelijke en psychische magie was het beleden geloof en
ideaal van alle verschillende onderrassen nadat het punt halverwege de periode
van de Atlantische beschaving was bereikt.
In dat verre verleden was de hele aardbol zo materialistisch
geworden, dat de mens niet alleen in zijn opvattingen maar ook in zijn
praktijken, zo was verzonken in het leven van de stof dat de influisteringen
van de god binnenin hem zijn ziel niet meer bereikten. Hoewel er in
al die eeuwen van opkomst en neergang van de verschillende Atlantische
beschavingen groepen en individuen waren die het leven van de geest
tot ontwikkeling brachten, bestond het gewone volk toch uit vurige aanhangers
en vaak werkelijke vereerders van duistere en boze krachten die de schaduwzijde
van de natuur vormen.
Stel u een bijzonder intelligent volk
voor, veel intelligenter dan wij van het vijfde ras, maar met een intelligentie
die volkomen materieel gericht is en vaak het kwade zoekt. Nadat zij het toppunt
bereikten van wat werkelijk een luisterrijke beschaving was, maar volkomen materieel
en grootser dan iets wat ons tegenwoordige vijfde ras tot nog toe heeft bereikt,
werden ze in hun razende vaart naar beneden, naar wereldomvattende toverij, alleen
gered door de onophoudelijke bemoeienissen van bepaalde wezens over wie we kunnen
spreken als geïncarneerde godheden. Het waren deze Groten en hun volgelingen die,
voor het behoud van de velen en voor de inwijding van de weinigen die deze waardig
waren, tenslotte tijdens een periode waarin een toppunt van kwaad en spirituele
verdorvenheid werd bereikt, de eerste echte spirituele mysteriescholen van deze
aardbol stichtten. Dit gebeurde geologisch gesproken korte tijd
vóór het Atlantische ras als ras ten onder ging. Bovendien werden
deze scholen opgericht om de wijsheidsleer van de goden aan het vijfde wortelras,
het onze, door te geven. Deze mysteriescholen werden met uiterste zorg tegen spirituele
infectie en tegen onwaardig lidmaatschap beschermd, zozeer dat in later eeuwen
zelfs het onbewuste verraad van de in de mysteriescholen gegeven leringen met
de dood werd gestraft. Die methode om de mysteriescholen te beschermen was absoluut
verkeerd, maar het was typisch Atlantisch: streng, wreed en impulsief, krachtig
en actief. Ook in die late tijd werd kracht vereerd en alle dingen die essentieel
stoffelijk waren werden nog verafgood. Toch moet men niet
denken dat dit algemeen van toepassing is op alle mysteriescholen. Enkele hebben
tot op de huidige dag iets van hun spiritualiteit behouden; sommige die heel vroeg
ontaardden en waarvan de namen al lang zijn vergeten, stierven de dood die ze
verdienden; anderen hielden een poos stand totdat ze niet langer zetels waren
van witte magie maar scholen van zwarte magie, en ze bleven bestaan zolang de
geschonden wetten van de natuur dat konden toestaan. Toch bleven enkele van deze
mysteriescholen tot ver in het vijfde wortelras bestaan, en één, vanaf het begin
de grootste ervan, bestaat nu nog de broederschap van de mahâtma’s.
De eerste vestiging van de mysteriescholen wordt gedateerd in die periode van
de Atlantische beschaving toen de enorme stormloop op absolute stof en haar duistere
en sombere krachten gestuit moest worden ter wille van de velen die nog genoeg
goeds in zich hadden om van de pogingen die aldus werden gedaan te kunnen profiteren.
Toch heeft dit betrekking op de feitelijke vestiging van de oude mysteriën als
scholen of esoterische colleges, die ieder onder de leiding stonden van een hiërarchie
van ingewijden die elkaar regelmatig opvolgden; dit was het eerste voorbeeld van
zo’n regelmatige opvolging in de geschiedenis van de aardbol tijdens deze vierde
ronde. Dit wordt met een Sanskrietwoord genoemd de guruparamparâ, of reeks
van elkaar opvolgende leraren; niet een ‘apostolische opvolging’ zoals de christelijke
kerk die kent als een verwrongen echo van wat oorspronkelijk werkelijkheid was,
maar als de feitelijke opvolging van ingewijde adepten.
Zo werden de mysteriescholen voor het eerst gevestigd. Maar dit betekent niet
dat de geestelijke leraren en leiders van de mensheid pas tijdens de periode van
Atlantische ontaarding voor het eerst hun verheven werk begonnen om de menigten
van mensen bij elkaar te brengen en te onderwijzen, want dit werk was feitelijk
al miljoenen jaren aan de gang, maar dit had meer betrekking op individuen dan
op de werkelijk gestichte scholen van geheim en formeel onderwijs. Ja, de hiërarchie
van mededogen is sindsdien altijd met dit verheven werk bezig geweest, en zelfs
vóór de tijd dat de mânasaputra’s langzaam incarneerden, en daarom kan het begin
van dit werk ongeveer halverwege het derde wortelras worden gesteld. Toen werd
begonnen om de in spiritueel en intellectueel opzicht allerhoogste ver tegenwoordigers
die de mensheid tot dan had voortgebracht samen te brengen en tot een actieve
groep te smeden.
De stille wachter van de bol werd door de spiritueel-magnetische
aantrekking van het gelijke tot het gelijke zelfs al vanaf het eerste
begin van het derde wortelras in staat gesteld bepaalde opmerkelijke
mensen tot het pad van licht aan te trekken, vroege voorlopers van de
algemene mânasaputrische ‘neerdaling’, om zo met deze mensen een brandpunt
van geestelijk en intellectueel licht op aarde te vormen; dit wijst
niet zozeer op een vereniging of een broederschap, als wel op een eenheid
van menselijke spirituele en intellectuele vlammen, bij wijze van spreken,
die toen op aarde het hart van de hiërarchie van mededogen vertegenwoordigden.
Terwijl de eeuwen voorbijgingen trok dit brandpunt langzaam andere mensen
tot zich, die door hun toevoegingen van energie de heilige vlam aanwakkerden,
en zo het heilige licht op aarde brandende hielden. In de daarop volgende
eeuwen bereikte de vermaterialisering van de mensheid haar hoogtepunt
in de zwakheden en verkeerde praktijken van het latere vierde wortelras;
en zo werd dit brandpunt van levende vlammen in de middelste en latere
periode van het vierde wortelras de eerste en heiligste van de ware
mysteriescholen, die bij het voortrollen van de eeuwen zich splitste
in kleinere brandpunten die ieder op hun eigen wijze de verschillende
onderrassen van het vierde wortelras verlichting schonken.
Het was juist via dit oorspronkelijke brandpunt
van levende vlammen dat nooit ontaardde, of zijn hoge status als het mystieke
centrum op aarde verloor dat de bovenaardse glorie van de hiërarchie van
mededogen rijkelijk stroomde, die nu wordt vertegenwoordigd door de broederschap
van de mahâtma’s. Zo gaat de grote broederschap in een ononderbroken lijn terug
op het oorspronkelijke brandpunt van licht van het derde wortelras.
Zo hebben de formele en officieel opgerichte mysteriescholen ongeveer vier of
vijf miljoen jaar bestaan, en spreidden zich als takken van de broederschap in
de buitenwereld uit, toen het hart en het denken van de mensen de juiste ontvankelijkheid
toonden om er de zaden van waarheid in te planten. In andere tijden, toen met
de woorden van Plato er voor de mensen perioden van geestelijke onvruchtbaarheid
aanbraken, werden de mysteriescholen uit de openbaarheid teruggetrokken, en werden
soms uiterst geheim, alleen bekend aan hen die door hun geestelijke, intellectuele
en psychische ontwikkeling tot deze scholen werden aangetrokken en die de leraren
in deze scholen tot deze ongewone mensen aantrokken. Toch
waren deze mysteriescholen, of ze nu geheim waren of min of meer bekend, door
de eeuwen heen de bronnen die impulsen en leidend licht gaven aan de grote menigte
mensen, die in de verschillende tijdperken de beschavingen hebben opgebouwd. Alles
wat van blijvende waarde was kwam uit deze scholen: de leringen gingen naar de
verschillende delen van de aardbol, en de mensen die de leringen belichaamden
en toelichtten; en dat was zo vanaf de vroegste perioden van de zelfbewuste mensheid
tot zelfs in vrij recente tijden in de geschiedenis van de mens.
Uit deze scholen kwam alles wat Rome groot heeft gemaakt op het gebied van wetgeving
en orde; alles wat groots en edel was in de beschavingen van Babylonië, van Egypte,
van Hindoestan, en eveneens van de oude volkeren van Noord-Europa, en het oude
Gallië en Brittannië met hun druïdische wijsheid.
Deze onthullingen van waarheid of nieuwe ‘openbaringen’ waren
soms algemeen verspreid en dan weer van zuiver plaatselijk karakter,
afhankelijk van de behoefte die de overhand had. Zelfs afzonderlijke
steden werden nu en dan centra waar die werden ontvangen. Efeze was
zo’n centrum, en ook Memphis in Egypte, en inderdaad tientallen andere
plaatsen op de aardbol waren op dezelfde manier gezegend. Eleusis en
Samothrace waren eens centra van licht en esoterische kennis. Maar nu
zijn ze alle slechts herinnering! Waarom doofde het licht? Alle menselijke
instellingen bereiken hun hoogtepunt en vervallen dan en gaan ten onder;
dat werd soms veroorzaakt doordat zij die verantwoordelijk waren voor
het licht het hun toevertrouwde niet trouw bleven. Geen kwade menselijke
of materiële macht op aarde zou ooit deze scholen ten val hebben kunnen
brengen of haar verval veroorzaken, wanneer ze zuiver en trouw waren
gebleven, want de macht van de broederschap het geestelijke zonnevuur
zou dan in en achter hen hebben gestaan.
In Eleusis, bijvoorbeeld, was het zover gekomen dat de inwijdingen en de leringen
alleen riten of lege vormen waren geworden, zoals de tegenwoordige christelijke
ceremoniën. Toch bleven ook in het ontaarde Griekenland de mysteriën van Eleusis
tot in late tijd bestaan. Ja, pas ten tijde van keizer Justinianus werd de esoterische
school in Athene die in haar essentie dezelfde was als die te Eleusis, in de zesde
eeuw bij keizerlijk decreet gesloten, waarschijnlijk op grond van een verzoekschrift
dat door de beschermers van de school zelf naar Constantinopel was gezonden; en
toen vluchtten zeven Griekse filosofen, oprechte, ernstige en goede mannen, en
de enige ‘getrouwen’ in die tijd, naar koning Chosroes van Perzië, om bescherming
tegen de tirannie van het keizerlijke Rome te zoeken. De Perzische koning ontving
hen gastvrij en omdat Rome in die tijd in oorlog was met Perzië, was, toen Perzië
won, een van de vredesvoorwaarden dat deze filosofen werd toegestaan naar hun
geboorteland terug te keren, en daar in vrede onderricht te geven.
Van de Romeinse keizers waren Hadrianus, Trajanus, en Augustus ingewijd te Eleusis,
maar in een tijd toen de Eleusinische mysteriën zelf bijna dood waren, spiritueel
gesproken. Deze keizers waren ingewijd in vormen en riten die nog in gebruik waren,
ongeveer zoals iemand die zich bij een kerkgenootschap kan aansluiten en op orthodoxe
manier door ‘handoplegging’ wordt bevestigd slechts een gebaar en
de communie ontvangt. Men zei dan dat hij was ‘ingewijd’. Niettemin ontvingen
zij iets, want zolang de mysteriën bestonden hadden de mensen die haar leidden
toch nog enkele kwijnende sprankjes van de oude waarheden, en konden ze hun handelingen
en riten tenminste met een schijn van het heilige vuur uit de archaïsche tijden
omhullen. Julianus de ‘Afvallige’ zo genoemd omdat
hij geen afstand wilde doen van de religie van zijn voorvaderen had werkelijk
een Leraar tot gids; maar zijn geval was ongewoon. In zijn tijd was het praktisch
met de mysteriën gedaan. De rampzalige fout die deze edelmoedige maar ongelukkige
keizer maakte, was zijn onnodige invasie van Perzië; en daar zit een merkwaardig
verhaal aan vast. Julianus de ingewijde moet in zijn hart hebben geweten dat het
aangaan van de Perzische oorlog niet te rechtvaardigen was en esoterisch verkeerd;
en toch werd keizer Julianus karmisch tot deze rampzalige gebeurtenis gedreven;
want in zekere zin schijnt het inderdaad dat hij in dit opzicht het niet geheel
kon helpen. Zijn geval was een van die bijzonder bedroevende voorbeelden waarin
een vroegere grote karmische fout hem in de ‘greep van de omstandigheden’ hield.
Hij kon uit twee dingen kiezen. Hij had tegen zijn raadgevers nee kunnen zeggen
en zich aan die beslissing houden; en dat zou voorlopig een eind aan de zaak hebben
gemaakt, en hij zou geen nieuwe esoterische fout hebben gemaakt. Of hij had ja
kunnen zeggen, zoals hij deed, en zich zo overgeven aan de drijvende maar niet
dwingende kracht van de keten van gebeurtenissen, en daarbij nog meer karma voor
zichzelf hebben opgehoopt, waarvoor hij waarschijnlijk eeuwen nodig zou hebben
om het uit te werken. Hij deed dat waarvan hij moet hebben geweten dat het in
één opzicht verkeerd was, en onmiddellijk werd hij het slachtoffer van een deel
van zijn ongelukkig karma. Hij werd door een van zijn eigen soldaten gedood, een
christelijke koningsmoord. Het voorval dat door de christelijke
kerkhistorici is opgetekend, is algemeen bekend, namelijk dat Julianus, nadat
de speer zijn zijde had doorboord, iets van zijn bloed in zijn hand nam en het
omhoog wierp en zei: ‘Galileeër, u heeft overwonnen!’ Als dit voorval waar is,
was het niet een erkenning dat Jezus was wat de latere christenen zeiden dat hij
was, de menselijke incarnatie van God, maar dat de dogmatische religieuze invloed
die een verdraaiing was van het voorbeeld en de leer van Jezus, in die en de volgende
eeuwen tijdelijk had overwonnen. Het was van Julianus de schrijnende wanhoop van
een groot en edel hart dat uitriep: ‘Ik heb mijn best gedaan en ik heb verloren.
U, dogmatische godsdienst, heeft gewonnen.’ Maar de kreet van zijn brekend hart
werd gericht tot zijn eigen Vader, die hem hoorde, en nu, na tweeduizend jaar
geestelijke verduistering en intellectuele duisternis, is de oude wijsheid bezig
haar rechtmatige plaats terug te krijgen. Eens zal Julianus van blaam worden gezuiverd,
en zal in de esoterische geschiedenis worden beschouwd als een van de meest ongelukkige
martelaren in de gelederen van de werkers voor de oude wijsheid.
De oorzaak van het verdwijnen van de mysteriën is altijd ontaarding, trouweloosheid
van de leerlingen geweest, en het ontbreken van een gebiedende en tot het hart
sprekende roep om licht. Waar vanuit het hart en de ziel werkelijk spiritueel
en intellectueel wordt gevraagd, daar komt onveranderlijk vanuit de broederschap
het antwoord in de vorm van een nieuwe bevestiging van de leer. Wanneer het verlangen
naar waarheid en meer licht vermindert, dan komt er geen leraar maar vaak
verschijnt er een vernietiger, die al of niet een werktuig kan zijn, misschien
onbewust voor hemzelf, van de geestelijke machten die de spirituele en intellectuele
veiligheid van de aardbol krachtig in handen hebben. Wanneer
de mensheid of een deel ervan, of zelfs een enkeling, spiritueel en intellectueel
in zo sterke bewoordingen een beroep doet, met zoveel geestkracht, als het ware
met de diepste vezels van het innerlijke leven, dan werkt ze in feite met het
geestelijke magnetisme van een leraar, en wordt de oproep altijd in de grote broederschap
gehoord, en in de wereld verschijnt een afgezant of boodschapper als haar vertegenwoordiger.
De mysteriën degenereerden altijd omdat mensen hoe langer hoe meer gewikkeld raakten
in zelfzucht en de egoïstische gewoonten van de fysieke wereld, en het innerlijke
contact, het innerlijke gevoel van gemeenschap met de spirituele krachten die
hierboven zijn genoemd, verloren. Deze mysteriescholen uit
de oudheid waren werkelijk universiteiten om mensen onderwijs te geven over hun
eigen aard en de wetmatigheden waaraan zij zijn onderworpen, en dus over het universum
waarvan zij de kinderen zijn. Oorspronkelijk waren al deze mysteriescholen heilige
instellingen en stonden op een hoog niveau; en de voorwaarden voor toelating waren
streng en moeilijk. Feitelijk waren ze een kopie van de broederschap van de grote
zieners zelf. Uit alle delen van de aardbol worden mensen die waardig zijn bevonden
ook nu tot deze broederschap aangetrokken en krijgen onderricht en training.
Bovendien worden deze chela’s of discipelen onderricht
over de hele voorgeschiedenis van onze planeet, en de werkelijke
en natuurlijke werkingen van de natuur op ons fysieke gebied,
zoals astronomie, chemie, meteorologie, geologie, zoölogie, en botanie,
en nog veel meer, maar deze ‘reeksen lessen’ worden als zijpaden van
de studie beschouwd om plaats te maken voor een groeiende kennis van
de natuur de structuur, wetten en werkingen van het heelal, en
zijn samenstellende hiërarchische beginselen. Het hele stelsel in deze
verwonderlijke universiteit van de ‘zonen van de vuurnevel’, zoals de
grote zieners soms worden genoemd, is volstrekt niet alleen maar het
overladen van het hersenverstand met min of meer nutteloze feiten zoals
dat in de gewone onderwijsinstellingen in onze beschaafde landen gebeurt.
Het is veeleer een vormen en oefenen van het bewustzijn en de
wil van de leerlingen zodat ze uit de eerste hand de feiten van
de natuur kunnen leren kennen door hun bewustzijn op het hart of de
kern van de dingen te richten, en zo als het ware tijdelijk die dingen
te worden, en onmiddellijk en precies te WETEN wat de dingen
werkelijk zijn, wat het verleden, en wat de toekomst ervan is. Ze leren
hoe ze het geestelijke oog moeten ontwikkelen, dat in de mystieke geschriften
van India het oog van Siva wordt genoemd, waarvan de vlammende blik
achter de sluiers van de stof doordringt tot in de meest verborgen afgronden
van het universele leven.
Ja, de hogere inwijdingen bestaan
bijna geheel uit het laten samensmelten van het bewustzijn van de kandidaat of
neofiet met de wezens en dingen die hij volledig moet kennen om op aarde
te worden wat de toekomstige bestemming van de monade kosmisch moet worden: een
zelfbewust zich identificeren van het eigen fundamentele wezen van de discipel
met al wat is. Deze werkwijze volgt het model van de grote
Kosmische universiteit van het heelal zelf, waarin ontelbare menigten entiteiten
in alle graden van evolutionaire ontwikkeling naar school gaan en de lessen van
het universele leven leren door te worden. Er is geen andere manier
om de werkelijkheid van de dingen te leren kennen dan door ze te worden, en dat
betekent een tijdelijk zich ermee vereenzelvigen. Hoe kan men werkelijk een ding
op zichzelf, de werkelijkheid ervan, anders leren kennen dan door een poos
dat ding te worden? Het idee is eenvoudig: we worden, tenminste tijdelijk, datgene
waarmee ons bewustzijn synchroon trilt; want dit betekent tenminste tijdelijk
een zich verenigen van identiteiten; en al klinkt het paradoxaal, die vereenzelviging
of samensmelting van beginselen en substanties is de enige werkelijke manier om
volledige en zuivere kennis van de waarheid te krijgen. Dit is zelfs voor de meeste
mensen helemaal niet iets buitengewoons of onbekends, zoals bijvoorbeeld wanneer
iemand zijn bewustzijn tijdelijk laat samenvloeien met het bewustzijn van een
ander mens of wezen; en de gewone uitingen hiervan noemen we ‘sympathie’. Door
onszelf te identificeren met spirituele wezens en idealen groeien we uit tot grotere
dingen, en evenzo door ons te identificeren met dingen lager dan de menselijke
staat, zakken we af tot lagere dingen. Alle pogingen tot innerlijke training hebben
ten doel om stap voor stap in toenemende graad vereenzelviging te bereiken met
de grote geestelijke machten op basis waarvan het heelal zelf is gebouwd en waardoor
het is gevormd. Training kan niet vroeg genoeg beginnen,
en dit is evenzeer van toepassing op het kind als op de training voor het chelaschap
en zijn levens van voorbereiding. Zoals W.Q. Judge schreef:
De strijd om het eeuwige ligt niet in een moedige daad, ook niet in honderden
ervan. Hij ligt in het voor altijd rustig en onafgebroken vergeten van het lagere
zelf. Begin er nu mee op uw huidige gebied. In u heeft u eenzelfde gids als de
meesters in zich hebben. Door eraan te gehoorzamen zijn zij geworden wat ze zijn.
Een van de voornaamste doelstellingen van zo’n training is het stimuleren van
het gevoel voor ethiek om in het leven van de discipel zó krachtig te worden,
dat de stem van het geweten de ogenblikkelijke en relatief feilloze raadgever
wordt die aangeeft welk pad de leerling op elk ogenblik zou moeten volgen. Hiermee
gepaard gaat de oefening om het intellect scherp te maken, snel handelend, en,
onder leiding van zijn morele gevoel, praktisch onfeilbaar in zijn oordeel.
Door pragmatische zaken wordt alleen het breinverstand geoefend, een uitstekend
werktuig maar een heel armzalige meester, en daar is niets tegen voorzover het
deze training betreft; maar dit is nadrukkelijk noch het oefenen van het gevoel
voor ethiek, noch van het ware intellect, het hogere mânasische vermogen in de
constitutie van de zich ontwikkelende discipel. Studies van de feiten en de filosofie
over de ronden en rassen bijvoorbeeld zijn waardevol omdat ze aanleiding geven
tot abstract denken, waarbij pragmatische zaken die gewoonlijk op zelfzuchtige
overwegingen zijn gebaseerd buiten beschouwing worden gelaten. Ja, vanaf het eerste
begin van zo’n training wordt de discipel zelf iedere dag van zijn leven aangespoord
zich in zijn denken en met een warm hart te vereenzelvigen niet alleen met anderen
maar met het heelal. Het is een bekend feit dat ieder mens die in zijn beroep
of in zaken slaagt, iemand is die zich ermee identificeert en dus trots wordt
op wat hij heeft bereikt; terwijl de mens die zichzelf ziet als een slaaf van
zijn geweten of van zijn plicht, iemand is die zijn ondergang tegemoet gaat. We
doen goed waar we het meest van houden, omdat we ons dan vereenzelvigen met wat
we doen. De hele kwestie van het zich oefenen in het chelaschap betekent een ernstige
les in de ingewikkelde aspecten van de menselijke psyche.
We hebben gezegd dat vanuit de broederschap een boodschapper of afgezant naar
de wereld wordt gestuurd met het doel opnieuw een grondtoon van spirituele waarheid
aan te slaan wanneer een oprechte roep uit het hart van de mensheid komt; maar
ook moet worden gezegd, zoals Krishña in de Bhagavad Gîtâ (4:7-8) aangeeft,
dat een avatâra komt in tijden van grote geestelijke onvruchtbaarheid, wanneer
de golven van materialisme hoog oprijzen. Maar in die tijden dat ontaarding en
moreel verval onder de mensen de overhand hebben, doet de broederschap, zelfs
wanneer er geen avatâra verschijnt, een speciale poging om tenminste een begin
te maken met een periode van geestelijke vruchtbaarheid.
Over de aard van de cyclische tijden waarop de grote leraren òf persoonlijk in
de wereld verschijnen òf een boodschapper sturen, kan men zeggen dat de grootste
leraren komen aan het begin of het einde van de langste cyclische perioden; de
boodschappers of afgezanten worden bij het begin of einde van de kortere cyclussen
gestuurd, en de leraren of boodschappers van middelgrote macht komen aan het begin
of het einde van middellange perioden.
Zo heeft bijvoorbeeld ieder wortelras, waarvan er
zeven in een bolmanvantara zijn, zijn eigen ras-boeddha en deze
wortelrassen duren miljoenen jaren. Een voorbeeld van de kortere of
middellange tijdsperioden zijn de regelmatig terugkerende reeksen van
de messiaanse cyclussen, die ieder 2160 jaar duren. In een precessiecyclus
of groot jaar van 25.920 jaren zijn er twaalf van die messiaanse cyclussen;
en de lezer zal natuurlijk opmerken dat een messiaanse cyclus van 2160
jaar juist de helft is van de heilige getalsvolgorde 4320; deze cijfers
432 gevolgd door een of meer nullen staan bij onderzoekers van de literatuur
van de oudheid bekend als de heilige en geheime getalsvolgorde waarmee
men in Babylonië en India vertrouwd was. H.P. Blavatsky was een boodschapper
die zo’n messiaanse cyclus heeft geopend, en ongeveer 2160 jaar geleden
eindigde een vorige messiaanse cyclus of er begon een nieuwe
met het leven en werk van de avatâra Jezus de Christus.
De leden van de broederschap zijn eeuwig wakker en
waakzaam, en fungeren voortdurend als een beschermmuur (om de term van
H.P. Blavatsky te gebruiken) rond de mensheid, en beschutten haar tegen
gevaren van zowel kosmisch als aards karakter. De mensheid weet weinig
van wat ze aan de grote wijzen en zieners te danken heeft. Bovendien
zijn deze grote zieners de beheerders van de onuitsprekelijk mooie formulering
van de leringen, die in deze tijd theosofie wordt genoemd; en wanneer
de tijd daarvoor heel gunstig is, of wanneer de mensheid een nieuwe
inspiratie nodig heeft, sturen ze uit hun midden een boodschapper.
Deze boodschappers
of afgezanten zijn niet altijd leden van de broederschap zelf; want dit werk wordt
vaak aan chela’s opgedragen; en deze chela’s zijn weer van verschillende graad
of niveau. Alleen bij zeldzame gelegenheden verschijnt een volwaardig lid van
de broederschap persoonlijk onder de mensen, en dit alleen wanneer daaraan een
bijzonder grote behoefte bestaat. Veel vaker wordt een goed geïnstrueerde chela
uitgezonden; en het is goed dit te zeggen, omdat een juist begrip van deze weinige
eenvoudige feiten heel wat ongerechtvaardigde kritiek zou hebben voorkomen op
meer dan één van de chela-boodschappers die hun werk zo goed mogelijk hebben gedaan,
en daarna werden teruggeroepen toen het werk was gedaan waarvoor ze werden uitgezonden.
Van eeuw tot eeuw verschijnen deze boodschappers wanneer de
wereld een vernieuwende stroom van de innerlijke spirituele zon nodig
heeft die het lot van onze planeet bestuurt en leidt; en ze stichten
misschien een nieuwe religie, of een nieuwe filosofie, of een van beide
met een sterk wetenschappelijk stempel, die blijft bestaan totdat het
verval intreedt wanneer de levenskracht die eerst uit het hart van de
grote stichter was gevloeid uitgeput raakt. Dan komt de periode voor
een nieuwe stimulans.
In de oude literatuur vindt men verslagen
van waar zienerschap of ware profetie ook al zijn maar enkele ervan aan
de knagende tand des tijds ontkomen. Ze beschrijven gewoonlijk de komst van een
grote cyclus van ontaarding, maar men vindt er altijd ook de belofte in van een
volgende geestelijke ontwaking. Drie van die profetieën zijn misschien interessant,
en worden hieronder weergegeven. De eerste is van de apostel Petrus; de tweede
is uit het Vishñu-Purâña, een van de meest populaire werken in zijn soort
in India; en de derde behoort tot wat gewoonlijk de hermetische literatuur van
Egypte wordt genoemd. Ten eerste uit de Tweede Brief
van Petrus (3:3-13): In de laatste dagen zullen er spotters
met spotternij komen, die naar hun eigen begeerten wandelen en zeggen: Waar blijft
de belofte van zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles
zoals het vanaf het begin van de wereld is geweest. Want moedwillig vergeten ze
dat de hemelen er sinds lang geleden zijn geweest, en een aarde, die uit en door
het water bestaat . . . waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door
het water. Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn volgens hetzelfde woord
toegerust met vuur dat wordt bestemd voor de dag van het oordeel en van de vernietiging
van de goddeloze mensen. . . . Maar de dag van de geest
zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met veel lawaai aan hun einde
komen en de elementen zullen door gloeiende hitte vergaan, en de aarde en de werken
daarin zullen worden blootgelegd . . . de hemelen zullen branden en vergaan en
de elementen zullen door gloeiende hitte smelten. Maar . . . we zien uit naar
nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont. Petrus
verwart hier verschillende leringen van de oude wijsheid over wat komen zal wanneer
het tegenwoordige evolutietijdperk zal zijn voltooid, en ook wanneer de zonnepralaya
zal zijn gekomen. Petrus verwart bijvoorbeeld het verzinken van het Atlantische
continent met zaken die betrekking hebben op het eerste verschijnen en het uiteindelijke
verdwijnen van het zonnestelsel, in verband waarmee ‘water’ vaak wordt gebruikt
als een symbolische voorstelling van de velden van de ruimte de Griekse
chaos. Deze verwijzing van Petrus naar gebeurtenissen op
aarde en in de kosmos, waarop in de Griekse filosofie vaak wordt gedoeld, toont
heel duidelijk de neopythagorische en neoplatonische oorsprong van denkbeelden
die deze apostel in zijn eigen vrij vage profetie verwerkte.
De tweede illustratie heeft betrekking op het verloop van het kaliyuga of de duistere
eeuw, die ongeveer vijfduizend jaar geleden is begonnen, en waarvan de archaïsche
werken zeggen dat ze 432.000 jaar zal duren. Dit citaat uit het Vishñu-Purâña
geeft feiten die tot op zekere hoogte evenzeer van toepassing zijn op onze tijd
als dat ze dat over duizenden jaren zullen zijn: Dan zullen er
vorsten zijn die over de aarde heersen, koningen, ruw van ziel, met een gewelddadig
karakter, en altijd geneigd tot valsheid en slechte daden. Ze zullen vrouwen,
kinderen en koeien doden, ze zullen de eigendommen van hun onderdanen roven, ze
zullen slechts beperkte macht hebben; ook zullen ze in de regel niet lang regeren,
maar snel opkomen en weer verdwijnen; ze zullen kort leven en hun eerzucht zal
niet te verzadigen zijn; ook zullen ze niet erg vroom zijn. De volkeren van de
verschillende landen die zich met hen vermengen zullen eveneens verdorven worden;
en omdat onwaardige mannen het toezicht zullen hebben over de prinsen, terwijl
geen acht wordt geslagen op de edeler mannen, zal het volk ten onder gaan. Wijsheid
en vroomheid zullen van dag tot dag afnemen en tenslotte zal de hele periode ontaarden.
In die dagen zal alleen bezit de maatschappelijke positie bepalen; rijkdom alleen
zal worden vereerd; liefdesavonturen van hartstochtelijke aard zullen de enige
band tussen de geslachten vormen; leugens zullen het enige middel zijn om een
proces te winnen; vrouwen zullen alleen voorwerpen zijn van zinnelijke aantrekking.
Alleen om haar mineralen zal de aarde vereerd worden; het brahmaanse koord zal
het enige teken van de brahmaan zijn; uiterlijk vertoon zal het enige onderscheid
vormen tussen de verschillende klassen van mensen; oneerlijkheid zal het enige
middel zijn om zich een bestaan te verschaffen; zwakheid zal de oorzaak zijn van
afhankelijkheid; dreigementen en egoïsme zullen in de plaats komen van ware lering;
vrijgevigheid zal als vroomheid worden aangemerkt; uiterlijke wassingen zullen
in de plaats komen van werkelijke innerlijke zuivering; instemming alleen zal
de plaats van het huwelijk innemen; schitterende kleding zal waardigheid betekenen;
en water, dat zich slechts op een afstand bevindt, zal als een heilige bron worden
beschouwd. Van alle rangen in het leven zullen de sterksten de teugels van het
bewind in handen nemen in een zo laaggezonken land. Het volk dat steunt onder
de zware last van de belastingen hen door hebzuchtige heersers opgelegd, zal naar
de dalen van de bergen vluchten, en zal blij zijn als voedsel wilde honing, kruiden,
wortels, vruchten, bladeren en bloemen te vinden; de mensen zullen zich alleen
met boombast kleden en blootgesteld zijn aan koude, regen, wind en zon. Het leven
van de mensen zal tot drieëntwintig jaar worden verkort. In kaliyuga zal het verval
aldus steeds groter worden, totdat het mensengeslacht bijna zal zijn uitgestorven.
Het vervolg van deze profetie waarvan men al heel veel bewijzen van de waarheid
ervan kan zien, is niet alleen maar pessimistisch:
Wanneer men zich niet meer aan de voorschriften van de Veda’s
en de wetboeken zal houden, en het einde van het kaliyuga zal naderen,
dan zal een deel van de godheid die in haar eigen spirituele natuur
in de staat van brahman leeft, en die het begin en het eind is [van
alles] en alles omvat, weer op deze aarde verschijnen, en zal als de
kalkin-avatâra die de acht bovenmenselijke vermogens bezit geboren worden
in de familie van een eminente brahmaan uit het dorp in Sambhala, genaamd
Vishñu-Yasas. Hij zal door zijn onweerstaanbare macht alle mlechchha’s
en dieven overwinnen en allen die zich aan ongerechtigheid hebben gewijd.
Dan zal hij op aarde gerechtigheid herstellen en de zielen van hen die
aan het einde van kaliyuga leven, zullen zo helder als kristal zijn.
De mensen die aldus door de invloeden van dat uitzonderlijke tijdperk
zijn veranderd, zullen de zaden zijn van de toekomstige mensheid en
ze zullen zich ontwikkelen tot een ras dat de plichten van het kritayuga
[de eeuw van zuiverheid] zal vervullen en zich aan haar wetten zal houden.
Boek iv, hfst. 24
In sommige opzichten is de volgende profetie
uit het oude Egyptische hermetische boek de interessantste van de drie, omdat
waar het profetisch op doelde geschiedenis is geworden. Men zegt dat het een profetie
is van een Egyptische wijze die voorzag wat er van Egypte zou worden zodra het
ten onder was gegaan. De meeste, zo niet alle zogenaamde ‘hermetische’ geschriften
die door wetenschappers nu gewoonlijk aan Egyptische bronnen worden toegeschreven,
worden beschouwd als voortbrengselen van schrijvers die in het Grieks-Egyptische
tijdperk hebben geleefd. Ook al zou het waar zijn dat deze hermetisch-Egyptische
boeken door Alexandrijnen, Grieken of half-Grieken werden geschreven, de gedachten
die erin staan gaan terug tot ver in de Egyptische oudheid.
Weet u niet, Asklepios, dat Egypte het beeld van de hemelen
is, of liever dat het de projectie hier beneden is van de dingen daar
boven? Ja, het is waar, dit land is een tempel van het Kosmische plan.
Toch is er iets dat u moet weten, omdat wijzen de dingen zouden moeten
voorzien: er zal een tijd komen waarin zal blijken dat de Egyptenaren
vergeefs zo vroom de godheid hebben vereerd en dat al hun heilige aanroepingen
geen vrucht hebben gedragen en onverhoord zijn gebleven. De godheid
zal dan de aarde verlaten en naar de hemelen terugkeren; ze zal Egypte,
haar oude verblijf, verlaten; ze zal het land beroofd van haar religie
en ontdaan van de tegenwoordigheid van de goden achterlaten. Vreemdelingen
zullen het land overstromen en niet alleen zullen de heiligdommen worden
verwaarloosd, maar wat veel erger is, religie, vroomheid en de verering
van de goden zullen worden verboden en door de wet gestraft. Dan zal
dit land, geheiligd door zoveel tempels en altaren, met graftomben worden
overdekt en de dood zal er heersen. Egypte! Egypte! Slechts duistere
legenden zullen van uw religie overblijven, en het nageslacht zal weigeren
daaraan geloof te hechten; slechts woorden, in steen gebeiteld, zullen
overblijven om getuigenis van uw toewijding af te leggen! De Scyth,
de Indiër of een andere dichtbij wonende vreemdeling zal over Egypte
heersen. De godheid zal naar de hemelen terugkeren, en de mensen, aldus
in de steek gelaten, zullen omkomen; en ook Egypte zal doods en verlaten
zijn; door mensen en goden opgegeven!
U roep ik aan, heiligste der rivieren, u voorzeg
ik het naderende onheil! . . . Het aantal doden zal dat der levenden
te boven gaan; en als in het land nog enkele bewoners zullen overblijven
die de Egyptische taal spreken, dan zullen ze zich als vreemdelingen
voelen.
Verhandeling over inwijdingen, Deel IX
Hoe merkwaardig is deze profetie vervuld! Hermes die de
spreker zou zijn, voorziet in het vervolg van zijn profetie echter rooskleuriger
dagen wanneer de godheid naar Egypte zal terugkeren. Hij slaat dus dezelfde grondtoon
aan van optimisme en hoop op herstel tot betere en zelfs grootsere dingen dan
in het verleden zijn geweest, als in de voorspelling in het Vishñu-Purâña.
Deze grote wijzen of meesters zijn in hun werk voor de mensheid nooit ontmoedigd
geraakt door het feit dat het stelsel van waarheden die zij met cyclische tussenpozen
opnieuw bekendmaken, perioden van ontaarding zou moeten doormaken. Bestuurd door
geestelijke wezens die nog groter zijn dan zij, doen ze dit verheven werk on onderbroken
in de wervelende cyclussen van de tijd. Miljoenen en miljoenen lijdende mensenzielen
hebben door het werk van de wereldleraren hulp en leiding ontvangen en, bij die
gelegenheden waarbij zij of hun boodschappers openlijk onder de mensen verschijnen,
door het voorbeeld van hun edele en zelfopofferende levens.
Het is echter een van de droevigste feiten dat alle grote figuren onveranderlijk
eerst verkeerd zijn begrepen, vaak streng vervolgd, gewoonlijk bespot en geminacht,
en soms ook het slachtoffer zijn gemaakt van de haat van de mensen tegen alles
wat nieuw is. Verder dat diezelfde mensen na zich van een grote figuur te hebben
ontdaan, zoals enkele voorbeelden in de geschiedenis laten zien, na verloop van
enkele jaren hem tot de rang van de godheden beginnen te verheffen, hem gaan vereren
en zich voor hem als voor een god neerbuigen; en door dat te doen verloren ze
de edele boodschap die hij aan de wereld bracht gewoonlijk uit het oog. Zo is
het vuur van persoonsverering, en dit is beslist niet wat de grote leraren verlangen.
In het geval van de grote Syrische wijze Jezus hebben zijn vereerders hun edele
meester niet alleen tot een god verheven, maar tot de werkelijke figuur van de
tweede persoon van hun drieëenheid; en hoewel er in het geval van Gautama de Boeddha
niet zo’n buiten gewone apotheose heeft plaatsgehad, wordt zelfs hij in sommige
delen van de wereld met een vurige toewijding vereerd die, ofschoon misschien
veredelend door de zelfvergetelheid die ze opwekt, vol strekt niet in overeenstemming
is met de verheven leer van zelf beheersing, plicht en universele liefde.
Zuiver persoonlijke toewijding voor en vurige aanbidding van een menselijke persoonlijkheid,
hoe edel en groot hij misschien ook is, zijn ongewenst. Zoals een hond zijn meester
tot het eind van de wereld zal volgen met een zelfverzaking die iets van het goddelijke
mist alleen omdat ze tot één object is begrensd, en niet universeel is, zo hebben
de mensen ook de gewoonte zich alleen te wijden aan die ene wereldleraar, tot
wiens familie ze, om zo te zeggen, toevallig behoren. In
deze bekende feiten zien we de reden waarom een volk, onder wie een boodschapper
misschien verschijnt, niet geneigd is de hun gebrachte boodschap aan te nemen.
De menselijke natuur is een merkwaardig geheel van tegenstellingen. Ze roept geestdriftig
om meer licht, maar ze moet het licht naar haar model hebben, en dit model is
haar eigen vooroordeel en voorkeur. Ze roept om hulp, maar ze hoont en verwerpt
de helper wanneer die komt, tenzij de hulp op de gebruikelijke manier wordt gegeven.
De vooruitgang van de beschaving is niets anders dan een
reeks overwinningen van obstakels die onnodig op de weg van de menselijke ontwikkeling
zijn geworpen. Ze is slechts een opeenvolging van waarheden die eerst bijna onveranderlijk
worden verworpen en later worden herontdekt en ter harte genomen.
De verschillende boodschappen die door alle grote wereldleraren aan de mensheid
zijn gezonden hebben ook voor ons, of wij al dan niet tot hun tijd of tot
hun ras behoren, een diepe betekenis waar wij als mens een aangeboren recht op
hebben, want deze boodschappen zijn van universeel belang. Hoe kan iemand van
wie de ideeën over religie en broederschap onder de mensen alleen al door kunstmatige
geografische grenzen beperkt zijn, de machtige golf van sympathie, de zuivere
intellectuele genoegens en de versterking van morele kracht voelen, die tot hem
komen van wie de geest in contact probeert te komen met de geest en ziel van anderen
die nu in andere delen van de wereld leven? Hoewel het licht van
de toekomstige godheid al op het voorhoofd van de groteren onder de leraren en
gidsen van de mensheid schittert, horen ze nog steeds tot de menselijke familie,
en hun lot is dus onafscheidelijk verbonden met de toekomst van de mensheid.
De wijze oude moslim kalief Al Mâmûn, die leefde in de negende eeuw en kalief
was van 813 tot 833, schreef over deze grote leraren: Deze mensen
waren Gods uitverkorenen, de beste en nuttigste werkers van God, die hun levens
hebben gegeven voor de evolutie van hun denkvermogens; want de leraren van wijsheid
zijn de ware verlichte geesten en wetgevers van de wereld, die zonder hun hulp
weer tot onwetendheid en barbarisme zou vervallen. De wijzen en
zieners zijn als de zaaier in de christelijke gelijkenis die zaden van universele
wijsheid uitstrooit op de vleugels van het denken. Sommige van de zaden vallen
aan de kant van de weg; andere worden door vogels opgegeten; weer andere vallen
op droge en door de zon verschroeide plaatsen; maar nog andere vallen op goede
menselijke bodem, schieten daarin wortel en groeien (zie Matth., 13:3-8).
Deze mahâtma’s of grote wijzen werken onophoudelijk
onder de mensen, hoewel ze zich slechts zelden, wanneer de tijd er rijp
voor is, openlijk onder de menigte begeven. Onophoudelijk letten ze
erop wat er zich innerlijk afspeelt in het hoofd en het hart van de
mensen en wat ze uiterlijk hebben voortgebracht. Ze bestuderen de toestanden
in de wereld en doen hun best de moeilijke omstandigheden in het leven
te verbeteren en de mensheid tegen naderende psychische en andere gevaren
te beschermen. Ze staan op de evolutieladder zo hoog dat ze in één blik
aan het licht of de aura rond een mens kunnen zien waar hij staat, en
dus weten ze ogenblikkelijk of een mens gereed is hun aanmoediging te
ontvangen. Natuurlijk kunnen ze niet helpen wanneer de mensen de aangeboden
hulp bewust of onbewust verwerpen. En toch werken ze eeuw na eeuw aanhoudend
en onverschrokken verder. Ze zijn vaak in de studeerkamer of het laboratorium
van de ernstige wetenschappelijke onderzoeker, onzichtbaar en onbekend,
en zaaien in hun denken een vruchtbaar idee, fluisteren hem een edele
gedachte in, maar alleen als de spirituele en psychische achtergrond
van die persoon ontvankelijk is voor deze ideeën.
Zo zijn
er leidende geesten in en achter de wereld van de mensen; maar zelfs deze grote
zieners werken nooit tegen de natuur in, en ook niet tegen de wil van de mensheid;
want als ze van hun spirituele, intellectuele of psychische vermogens gebruikmaakten
enkel om mannen en vrouwen te dwingen paden te volgen die de mensheid niet zelf
heeft gekozen, dan zouden deze wijzen niet samenwerken met de langzaam voortrollende
stroom van de evolutie, maar zouden als drijvers zijn van domweg voortgedreven
vee. De natuur staat geen voortdurende slavernij toe, noch
heeft ze veel aan alleen maar parasieten. Ze tracht mensen tot ontwikkeling te
brengen, en de Groten werken samen met de grote moeder aan hetzelfde doel. Ze
geven dus leiding; ze waken over en beschermen onophoudelijk de wil van de evoluerende
mensen, maar ze leggen die nooit aan banden. Ze zien geen grotere morele mislukking
dan het slaafs buigen van het geweten voor de opdrachten van een ander, ongeacht
hoe groot of wijs die is; want het is een deel van hun streven de mensen vrij
te maken vrijwillige helpers en medewerkers van henzelf.
Ze zenden ideeën de wereld in: ideeën die wezenlijk
machtiger zijn dan alles wat de beschaving kent; ideeën die in werkelijkheid
beschavingen vormen en hervormen, en die indien ze door lagere geesten
worden misbruikt hen zelfs kunnen vernietigen. Tegen dit misbruik waken
ze voortdurend. Men moet echter nooit denken dat de leraren hun boodschappers
uitzenden om zich te bemoeien met de politieke onrust of om onenigheden
in banen te leiden die mogelijk op bloedvergieten uitlopen of op het
verscheuren van de banden van genegenheid en liefde tussen mensen, wat
leidt tot gebroken harten. Als ze zich ooit zouden bezighouden met de
politieke onrust in een bepaalde tijd, dan doen ze dat alleen als vredestichters.
Volgens de esoterische traditie wordt een leraar vanuit de broederschap gezonden
telkens wanneer er een voldoende aantal mensenharten gereed zijn, en op zulke
momenten worden verenigingen of genootschappen gesticht om aan de mensheid het
grote stelsel van filosofische, religieuze en wetenschappelijke leringen gebaseerd
op de geheime structuur en de wetten van het heelal over te brengen. Maar de eerste
leer die aan de aspirant naar wijsheid wordt gegeven is altijd: Vind dat wonder
in uzelf, dat altijd gereed is en op u wacht. Probeer! Dat is de weg. De ethische
beginselen doen het hart en het verstand van de innerlijke mens opengaan: ze breken
de deuren van de gevangenis open waar de innerlijke mens vastzit in de ketenen
van mâyâ. Het in praktijk brengen van deze spirituele deugden en eigenschappen
maakt de mens sterk, oefent zijn hoogste vermogens, waardoor ze in het dagelijks
leven actief gaan functioneren. De kandidaat die aspireert
naar de archaïsche wijsheid wordt altijd verteld: Er is een weg om waarheid te
verkrijgen. Geen klop, tenzij het de juiste is, wordt gehoord. Het kloppen zelf
betekent in de eerste plaats het leven te leiden. Men moet komen met vrede in
het hart en met een zo sterk verlangen naar licht dat geen belemmeringen de moedige
ziel zullen afschrikken. Men moet aan de buitenste poort komen, gereed de minachting
van de wereld te trotseren, die lacht en beschimpt omdat ze niet beter weet, ongeveer
zoals kinderen lachen wanneer ze een waarheid horen die ze niet begrijpen.
Het is een grote troost dat de mysteriescholen nog bestaan. De meesters vormen
niet alleen dezelfde broederschap die er als een organisch genootschap sinds het
midden van het derde wortelras op aarde is geweest, maar velen van hen, bijna
allen, zijn de gereïncarneerde ego’s van de Groten van de broederschap die in
vroegere eeuwen leefden; maar het is ook waar dat van tijd tot tijd discipelen
en chela’s tot het peil van hun leraren opstijgen en hun plaats in de grote broederschap
innemen.
Door alle eeuwen heen wordt dus het licht van de
heilige wijzen overgebracht, terwijl de meesters elkaar opvolgen en
de guruparamparâ of opvolging van geestelijke leraren vormen; en van
tijd tot tijd bereiken gefluisterde mededelingen over hun bestaan de
grote massa. Deze opeenvolging van de grote leraren in esoterische lijn
die dateert uit de Atlantische tijd, ja zelfs uit de tijd van Lemurië
tot nu toe, is met verschillende namen aangeduid: het doorgeven van
het woord, of de overbrenging van licht, de ‘gouden keten’, of de ‘hermetische
keten’, enz. Sommige Griekse filosofische mystici en dichters stelden
zich voor dat deze hermetische keten van Vader Zeus omlaagging via een
reeks of lijn van geestelijke wezens en vervolgens via bepaaldeç
uitverkoren en hoogstaande mensen naar de gewone mens.
De oude Grieken en Romeinen hadden
een prachtige gelijkenis ontleend aan een van hun sporten om dit mystieke feit
voor te stellen. In de fakkelloop rende de fakkeldrager van de ene streep naar
de volgende. Bij het bereiken van het einde van zijn traject overhandigde hij
de brandende fakkel die hij droeg aan degene die daar wachtte; deze nam onmiddellijk
de wedren over en overhandigde de toorts aan degene die op hem wachtte. Veel Griekse
en Latijnse schrijvers zagen deze sportbeoefening in de arena of het stadium als
een symbool van het doorgeven van het licht van de ene eeuw naar de volgende,
en als verwijzing naar de geestelijke fakkeldragers die de toorts van waarheid
heel de eindeloze tijd door van hand tot hand doorgeven.
Elk van de oude mysteriescholen van ieder land van de aardbol en in elk tijdvak
had een opvolging van leraren die waren getraind en door hun training bevoegd
waren om op hun beurt onderricht te geven; en zolang deze overdracht van het licht
van de waarheid in een land een werkelijkheid was, was het in elk opzicht een
echte geestelijke instelling, die in de wereld ontzaglijk veel goeds deed. Er
was dus een opvolging van leraren in de mysteriescholen van zelfs Griekenland
en Rome, hoewel de ontaarding zich al vroeg openbaarde in Samothrace, Eleusis,
en elders in de landen rond de Middellandse Zee. Op dezelfde esoterische feiten
berust de beroemde opvolging van de ‘levende boeddha’s’ van Tibet die een werkelijkheid
is, maar van een nogal bijzondere soort, en ze is in geen geval wat westerse onderzoekers
ten onrechte denken of vaak hebben begrepen dat ze is. De
occulte overdracht van gezag en licht van leraar op leraar is een geestelijk feit,
gebaseerd op werkelijke inwijding en training door de leraren, en niet op formele
of traditionele gebruiken. Min of meer verwrongen kopieën van deze hermetische
keten bestaan in verschillende exoterische sekten zoals in de ‘apostolische opvolging’
van de christelijke kerk. Toen deze apostolische opvolging louter een vorm werd,
alleen maar een kwestie van verkiezing tot het ambt, was het oorspronkelijke goddelijke
licht natuurlijk al verdwenen; en deze opvolging werd slechts een gepleisterd
graf waarin enkele idealen van langgeleden gestorven mensen lagen.
Hieraan kan worden toegevoegd dat niet alleen de speciale boodschappers van de
meesters met vaste cyclische tussenpozen in de geschiedenis verschijnen, maar
er zijn ook wat men kleine boodschappers kan noemen individuen die min
of meer onbewust zijn van het werk waarvoor ze zijn uitgezonden. Er zijn anderen
die zich maar vaag bewust zijn van hun inspiratie, en velen zijn zich geheel onbewust
van het feit dat ze instrumenten zijn van de grote leraren. Het verschijnen van
die spirituele en intellectuele leiders onder de mensen is aan iedereen bekend
die de geschiedenis bestudeert. Giordano Bruno, bijvoorbeeld, kan een van deze
vaag bewuste menselijke instrumenten worden genoemd, die door hun boodschap en
werk het filosofische denken van Europa diepgaand hebben beïnvloed.
Men moet niet denken dat de boodschappers of afgezanten, hoe hoog ze als mensen
ook staan, bijzonder begunstigde kinderen van de natuur zijn. Wat hen van hun
medemensen onderscheidt is dat ze zich in de loop van vele levens hebben gebracht
tot een meer volledige vereniging met hun eigen spirituele vermogens dan de meeste
mensen. Iedere man of vrouw heeft de mogelijkheden in zich om in zekere mate in
het klein een boodschapper van de waarheid te zijn voor zijn medemensen; en in
feite is hij dat precies in die mate waarin het individu zich verbindt met het
geestelijke deel van zijn eigen constitutie en zo voor anderen een overbrenger
wordt van de bijzondere boodschap waarvan hijzelf het instrument van overdracht
is. Zijn leven op aarde is niet geheel compleet tenzij deze individuele boodschap
van hemzelf is overgedragen aan anderen. Dit betekent natuurlijk niet dat een
oproep wordt gedaan om de geest van egoïsme in de mens te versterken, want dat
zou absoluut noodlottig zijn voor het overbrengen van zijn individuele geestelijke
boodschap aan anderen. Men ziet hier een opvallend contrast tussen de werking
van de spirituele individualiteit in de mens en het individualisme dat uit het
egoïstische denken voortkomt. Het eerste is verheffend; het laatste is zowel dwaas
als vernederend. Het is de plicht van de mens ernaar te streven een leider te
zijn in dingen die verheffen en inzicht geven, die anderen aanmoedigen en hen
licht en hulp geven. Een van de doelstellingen van de theosofische beweging is
de spirituele individualiteit in haar leden wakker te roepen, en in hen de drang
op te wekken om een leidende rol te spelen bij het bekendmaken van de leringen
van de oude wijsheid, door onder hun medemensen voorbeelden van onpersoonlijk
leiderschap te worden in de zaak van de goden. Een boodschapper
van de meesters moet niet alleen naar zijn boodschap maar ook naar zijn karakter
worden beoordeeld, omdat het voor de duivel een van de simpelste zaken in de wereld
is de werken van god te kopiëren om een afgezaagde christelijke zegswijze
te gebruiken. Terwijl het heel goed mogelijk is dat een vat dat ruikt naar gezouten
vis geurige rozenolie bevat, zal zo’n tegenstrijdigheid zeldzaam zijn! Een mens
munt niet uit alleen omdat hij verheven gedachten heeft, noch omdat hij mooie
woorden zegt. Een mens is alleen groot naarmate deze dingen zich in zijn dagelijks
leven manifesteren. Iemand is een waar leraar zowel door zijn voorbeeld als door
zijn voorschriften. Holle vaten klinken het hardst; maar uit het volle vat haalt
men de stromen die ons voeden en sterken. Door de eeuwen heen hebben vele mannen
en vrouwen ernaar gestreefd persoonlijke en uitverkoren discipelen van de Groten
te worden, maar van hen kan men zeggen: ‘Velen zijn geroepen, maar weinigen zijn
uitverkoren’ (Matth. 22:14). Discipelschap bestaat uit handelen.
Wanneer de leraren van de mensheid onder de mensen zoeken naar het materiaal waaruit
discipelen worden gemaakt, zien ze uit naar de zeldzame combinatie van de eigenschappen
van toewijding, intellectuele kracht en een ontluikend geestelijk inzicht; en
als deze drie eigenschappen in een mens sterk genoeg zijn, trekken ze door een
soort geestelijk magnetisme de persoonlijke aandacht van een of meer van de grote
zieners. Iedere nieuwe geestelijke geboorte vindt plaats door de acute pijn van
het betreden van een nieuw soort leven. De discipel is een voorloper van het ras;
hij is een pionier en hakt zijn weg door de wildernis van het menselijk leven;
hij maakt een weg niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hen die na hem komen.
De tijd zal komen waarop hij tenslotte het niveau bereikt van geestelijke kennis,
en dan een meester wordt van leven en van wijsheid. De glorie van de hiërarchie
van mededogen begint door zijn wezen te stromen en openbaart zich zelfs in zijn
lichaam, zodat alleen al zijn tegenwoordigheid onder zijn vrienden als een zegening
is. Voor ieder normaal mens zal er een tijd komen waarop
hij de drang zal voelen het eenzame maar schone pad van het chelaschap te volgen;
ook iedere ware discipel realiseert zich dat dit pad van betrekkelijke of tijdelijke
eenzaamheid alleen wordt gevolgd tot het punt waar de discipel een meester over
het leven wordt. Daarna wordt hij een onophoudelijk actief dienaar van de wet
van kosmisch mede dogen en een dienaar van de mensheid in de zin dat hij zijn
hele leven en al wat in hem is wijdt aan het doen ontwaken van het geestelijke
en intellectuele bewustzijn van zijn medemensen. Dit is
de leer geweest van alle grote mysteriescholen; en hoewel hun aantal nu niet zo
groot is als in gunstiger tijden, bestaan ze nog steeds in bijna iedere ras-eenheid
op de bol als vertakkingen van het hoofdcentrum van geestelijk licht van onze
aarde. Al deze scholen zijn loyaliteit verschuldigd en zijn ondergeschikt aan
de moederschool die in een van de meest ontoegankelijke delen van Hoog Tibet haar
werkzaamheden verricht. Ieder van die mysteriescholen heeft
haar eigen speciale werk te doen in het ras of het volk waarvan ze het spirituele
en intellectuele hart is, hoewel volkomen onbekend aan de menigten te midden waarvan
ze is gevestigd. Voor deze scholen worden altijd afgelegen en betrekkelijk ontoegankelijke
plaatsen uitgekozen; want boven alles zijn ze centra van geestelijk licht, en
misschien hebben ze geen gebouwen van enige omvang waar bijeenkomsten worden gehouden.
Want bijeenkomsten kunnen onder het aangezicht van vader zon worden gehouden,
of mogelijk onder de violette koepel van de nacht. Men zou misschien een lid van
deze scholen in de straten van een van onze grote steden kunnen ontmoeten, en
aan hem voorbijgaan zonder te weten of te beseffen hoe men vlak langs een half-godmens
is gegaan.
De discipelen van deze scholen zijn allen bezig zich
te oefenen, en deze oefening is het forceren of versnellen of
‘verkorten’ van de evolutionaire groei. Het gaat erom dat de
leerling in plaats van tevreden te zijn met de langzame groei die plaatsvindt
naarmate de eeuwen verstrijken, tot intensieve en stimulerende oefening
komt en zo zijn evolutionaire loop zeer bekort.
Bij elke stap vooruit worden we ons meer en meer
bewust dat we op dit pad naar de goden niet alleen zijn. Anderen hebben vóór ons
het pad betreden: een lange stoet van de grootste geesten en denkers van vroegere
eeuwen; toch zijn ze nog onze lotgenoten, omdat ze door innerlijke spirituele
banden met ons verbonden zijn. Ook nu waken ze over ons. Door dit pad te volgen,
voelen we een vreemde en wonderlijke zielsverwantschap met deze Groten van wie
de innerlijke god hun denken en hun hele natuur zo verlicht dat het heelal hun
sfeer van bewustzijn en hun thuis is.
|