4
Hoe het ene het vele wordt Het heelal is een levend organisme,
opgebouwd uit op elkaar inwerkende krachten die in en door de verschillende graden
van etherische substanties heenwerken, die zelf niets anders dan verdichte of
gekristalliseerde krachten zijn. Ieder van die krachten is zelf een manifestatie
van een intelligentie; en collectief vormen die krachten het energie-aspect van
die enorme verzameling intelligente wezens die als eenheid de collectieve derde
logos van de kosmos vormen. Deze kosmische logoi waarbij elk de vormende
of ‘scheppende’ logos van zijn eigen hiërarchie is zijn in feite ontelbaar
in hun activiteiten in de gebieden van de oneindigheid.
Het kleine, op hetzij infinitesimale of kosmische schaal, weer spiegelt het grote
want één universeel identiek bewustzijn loopt door alles heen, één universeel
gemeenschappelijk leven; en dit fundamenteel een eenheid vormende stelsel van
de kosmische wet doordringt daarom alle manifestatie. De
kosmische logos is nog iets meer dan alleen een verzameling entiteiten die aldus
in hun onscheidbare vereniging een wezen vormen dat hen allen omvat en groter
is dan elk van hen. De logos is zelf een individu, een kosmische geest en wordt
daarom een kosmische hiërarch genoemd de hoogste geest voor zijn eigen
hiërarchie, want hij is de bron en oorsprong ervan, het alomvattende individu
dat binnen de omvang van zijn eigen wezen de menigten kleinere wezens bevat door
middel waarvan hij leeft en zich tot uitdrukking brengt.
Hier komen we bij een van de moeilijkste problemen in de esoterische filosofie:
Hoe het ene het vele wordt in de loop van zijn manifestaties in een manvantara,
desondanks ervan gescheiden blijft, en gedurende de hele manvantarische periode
hoger dan zijn ver schillende samenstellende delen. Zoals Krishña het omschrijft
in de Bhagavad-Gîtâ: Ik manifesteer dit heelal met delen
van mijzelf en blijf er toch van gescheiden en erboven verheven.
10:42 Evenzo is de mens in zijn zevenvoudige of tienvoudige
constitutie een hiërarchische verzameling van grote menigten wezens waarover de
geest van zijn constitutie als de hiërarch of logos de leiding heeft; hij blijft
gescheiden en afzonderlijk van zijn kinderen die hij gedurende elke incarnatie
emaneert; toch vormen die menigten wezens als geheel de constitutie van de mens
of het voertuig voor zijn geest. Bewustzijn is zowel essentieel
als dat het een eenheid vormt, en tijdens de manifestatie is het toch deelbaar
in kleinere bewustzijnspunten. Zoals het kosmische bewustzijn zich bijna automatisch
in druppeltjes of kleinere samenstellende individuen van zichzelf verdeelt, zo
is ook de mens, als spiegel van het universele grote, een bewustzijn dat een eenheid
vormt en dat tijdens zijn incarnaties uit zijn eigen wezen menigten bewustzijnsatomen
uitwerpt, druppeltjes van zichzelf die toch elk hun eigen ingeboren individualiteit
hebben. Daarom is zes zevende van de constitutie van de mens onzichtbaar, want
deze delen functioneren op veel etherischer gebieden van het kosmische zijn dan
de fysieke sfeer. Dezelfde gedachtegang volgend zijn de onzichtbare sferen van
het heelal zes zevende van het kosmisch geheel. Onze eigen aarde
heeft zeven bollen, die onlosmakelijk met de zogeheten zeven heilige planeten
van het zonnestelsel zijn verbonden, en met de respectieve zevenvoudige werelden
of bollen die tot elk van de zeven heilige planeten behoren. Die heilige zeven
planeten vormen samen met de aarde een bijzondere hiërarchie binnen het totale
rijk van de zon, want in hun oorsprong, bestemming en evolutionaire ontwikkeling
zijn ze nauw met elkaar verbonden. De fysieke bollen die
wij verspreid in de velden van de ruimte kunnen zien, worden elk door zes onzichtbare,
hogere bollen ver gezeld; ze vormen een zogenaamde keten. Dit is ook het geval
voor elke zon of ster, of planeet, en elke maan van iedere planeet. Met de zwervende
radicalen in de melkweg en in ons eigen zonnestelsel, respectievelijk nevelvlekken
en kometen geheten, is het evenzo gesteld: elk heeft een zevenvoudige constitutie
evenals de mens. Volgens de esoterische traditie heeft een keten twaalf bollen,
maar voor studiedoeleinden wordt gewoonlijk het getal zeven gebruikt.
Elk van die ketens is een kosmische eenheid of kosmisch individu, zoals bijvoorbeeld
de planeetketen aarde. De andere zes bollen van onze aardketen zijn onzichtbaar
en ongrijpbaar voor onze fysieke zintuigen, en bestaan twee aan twee op drie hogere
en dus etherischer gebieden van het zonnestelsel dan het fysieke gebied waarop
onze aardbol zich bevindt. Onze aardbol is dus de laagste van alle zeven bollen
van de aardketen: op de neergaande boog gaan er drie bollen aan vooraf en drie
bollen komen erna op de opgaande boog van de evolutie. In
het Vishñu-Purâña, een oud hindoegeschrift, zijn de onzichtbare werelden
in veertien loka’s verdeeld, waarvan er zeven tot de hogere klasse of reeks
behoren en zeven tot de lagere, tala’s genoemd; in dit schema wordt de
aarde gezien als het punt halverwege. 
Loka, dat ‘plaats’ of ‘streek’ betekent, wordt
gebruikt om een wereld of gebied mee aan te duiden; rûpa betekent ‘vorm’.
Dit woord wordt hier in technische zin gebruikt en duidt een atomair of monadisch
aggregaat aan rond het centrale inwonende bewustzijn, dat aldus een voertuig of
overbrenger ervoor vormt. Arûpa betekent ‘vormloos’, maar geeft niet aan
dat er geen enkele soort ‘vorm’ is. Het wil slechts zeggen dat de ‘vormen’ in
arûpawerelden van een spiritueel type zijn, etherischer dan de ‘vormen’
in de rûpaloka’s. Rûpaloka’s zijn werelden
waarin de lichaamsvorm of het voertuig min of meer duidelijk is samengesteld uit
etherische of fysieke materie; in de arûpaloka’s, de spirituele werelden
of gebieden, moet men zich het voertuig of de overbrenger daarentegen voorstellen
als een omringend omhulsel van energetische substantie, waarbij de entiteiten
tenminste in de hogere delen ervan, gehuld zijn in lichamen van licht,
hoewel natuurlijk niet de licht-stof van onze fysieke wereld. Hoewel de hoogste
drie rûpaloka’s en dat geldt in nog grotere mate voor de drie arûpa of spirituele
sferen, voor ons in de laagste of bhûrloka betrekkelijk onstoffelijk zijn, zijn
ze toch in alle gevallen even substantieel of hebben ze ogenschijnlijk een even
vaste vorm voor hun respectieve bewoners als onze fysieke sfeer dat voor ons is.
De zeven loka’s in dit diagram, de drie arûpa en de vier rûpa, omvatten alle gemanifesteerde
heelallen, van de spirituele sferen tot aan die met materieel de grootste dichtheid,
en zelfs die (hoewel deze in dit diagram niet wordt geschetst) waarnaar wordt
verwezen als het mysterie van de ‘achtste sfeer’. Over laatstgenoemde kan verder
niets worden gezegd, alleen dat deze nog materiëler is dan onze aarde, en misschien
het best kan worden omschreven als de sfeer van ‘absolute’ materie het
laagst mogelijke stadium in onze eigen thuishiërarchie waarin materie de grootste
dichtheid en fysieke samenpakking heeft bereikt. Beneden dit stadium begint een
nieuwe hiërarchie; evenzo zouden we boven onze huidige thuishiërarchie, als we
bewust langs de verschillende sporten van de levensladder konden opklimmen, door
het daar bestaande layacentrum kunnen heendringen om het laagste stadium van de
volgende hiërarchie boven de onze binnen te gaan. De stralende
driehoek, in het bovenstaand diagram de parârûpa loka’s genoemd, geeft in symbolische
vorm de gezamenlijke top van onze eigen thuishiërarchie weer, en is voor ons onze
goddelijke wereld. Deze goddelijke wereld moet niet alleen worden gezien als het
levende zaad waaruit tijdens de kosmische manifestatieperioden de zeven lager
gelegen graden voortkomen, maar ze is ook het spirituele doel waarin alles tenslotte
weer zal worden opgelost, als zo’n hiërarchie de loop van zijn evolutie heeft
afgesloten. Strikt genomen is iedere hië rarchie uit tien stadia samengesteld;
of als de hoogste als dezelfde wordt beschouwd als de laagste van de eerstvolgende
hogere hiërarchie, hebben we negen graden of stadia afdalend in opeen volgende
werelden of gebieden. Het verschil tussen zeven en tien, of zeven en negen, is
daarom slechts een kwestie van gezichtspunt en manier van tellen en heeft op zichzelf
geen betekenis. Hieraan kan terloops worden toegevoegd dat
er oosterse yogî’s zijn die de loka’s en tala’s meer als centra in het menselijk
lichaam opvatten dan als gebieden of sferen in het heelal; met de juiste instructie
zal stimulering van die centra iemand in staat stellen meer kennis van alle bestaansgebieden
te verwerven. Maar deze leer is ontoereikend omdat ze onvolkomen is; ze is alleen
waar omdat die innerlijke centra organen zijn of, als het ware, einden van ‘elektriciteitsdraden’,
waarvan de andere einden in het kosmische weefsel zijn bevestigd en van de substantie
daarvan zijn. De leer van de grote wijzen is dat de universele kosmos in de zin
van een illusie of mâyâ buiten de mens bestaat, hoewel de essentie van de mens
en de essentie van het heelal één zijn. |
satyaloka | 1
| atala | | taparloka
| 2 |
vitala | | janarloka |
3 | sutala | |
maharloka | 4
| rasâtala | | svarloka
| 5 |
talâtala | | bhuvarloka |
6 | mahâtala | |
bhûrloka | 7
| pâtâla |
In de theosofie
worden de in de bovenstaande tabel gegeven termen in een ruimere betekenis gebruikt
dan in het brahmaanse stelsel. Ze plaatst onze fysieke sfeer niet alleen in de
laagste of bhûrloka, maar rekent daartoe ook ons zonnestelsel, in feite ons hele
fysieke thuis-heelal. Deze verschillende loka’s en tala’s staan niet los
van het heelal, en ze bestaan in het heelal niet alleen maar als een samengestelde
structuur die ervan verschilt. Als het mogelijk was, wat niet het geval is, de
loka’s en tala’s te vernietigen, dan zou dit het heelal zelf vernietigen; want
de loka’s en tala’s zijn het heelal. Deze loka’s en tala’s zijn evenmin
waterdichte afdelingen van de natuur; van de hoogste tot de laagste doordringen
ze elkaar, werken ze op elkaar in, en samen vormen ze het kosmische organisme.
Ze zijn dus een organische eenheid. Bovendien herhaalt
elke ondergeschikte hiërarchie volkomen getrouw in zich wat er in het groot bestaat;
en als een integrerend deel van het kosmische geheel bevat deze in zich alle wetten,
substanties, functies en eigenschappen die het kosmische geheel bevat. Zoals de
melkweg is opgebouwd uit loka’s en tala’s die alle op een galactische schaal met
elkaar zijn verbonden, zo is ieder zonnestelsel daarin opgebouwd uit loka’s en
tala’s die functioneren en structureel zijn gevormd volgens het voorbeeld van
de grotere hiërarchie, de melkweg. Volgens dezelfde regel van analogie herhaalt
elke planeet in ons zonnestelsel in het klein hetzelfde structurele stelsel van
loka’s en tala’s, want zo’n planetair stelsel leeft in en is gevormd uit dezelfde
substanties en krachten, en wordt beheerst door dezelfde wetten die in de grotere
hiërarchie, het zonnestelsel, van kracht zijn. Iedere zichtbare
planeet is op dit laagste of fysieke gebied van het zonnestelsel slechts de vertegenwoordiger
van een planeetketen die uit zeven gemanifesteerde bollen en vijf relatief ongemanifesteerde
bollen is samengesteld. De zeven gemanifesteerde bollen behoren tot de rûpaloka’s
of materiële werelden, terwijl de vijf relatief ongemanifesteerde bollen behoren
tot de arûpaloka’s of spirituele sferen. In De Geheime Leer (1:201) vindt
men een interessant diagram dat een indicatie geeft van hoe de levenskrachten
en monaden van de maanketen naar de aardketen reizen. De
volgende kolommen met rûpaloka’s en de zeven gemanifesteerde bollen van onze planeetketen
zullen leerzaam zijn:  Bij
dit vergelijken van loka’s en bollen is het van belang te bedenken dat geen enkel
zonnegebied een op zichzelf staande loka is die afzonderlijk functioneert. Bijvoorbeeld,
waar staat aangegeven dat bollen A en G tot de maharloka behoren, moet men niet
denken dat daar alleen de mahar-eigenschap actief is. In werkelijkheid doordringen
de loka’s elkaar, zodat op ieder kosmisch gebied de zeven loka’s en zeven tala’s
niet alleen afzonderlijk duidelijk aanwezig zijn, maar ook in sterke mate actief;
maar op elk zonnegebied heeft een van de loka’s en een van de tala’s een overheersende
invloed. De bhûrloka van onze fysieke wereld (of van het fysieke zonnestelsel
of de melkweg) bevat dus evengoed alle andere loka’s en tala’s die ermee zijn
verbonden en gelijk tijdig en in harmonie erdoorheen werken, maar de bhûr-eigenschap
is hier overheersend; en omdat de bhûr-karakteristiek overheerst, wordt hij gewoonlijk
bhûrloka genoemd, en de overeenkomstige tala wordt pâtâla genoemd. Dezelfde regel
geldt voor de andere kosmische gebieden. Laten wij nog eens
bollen A en G nemen, die op en in de mahar loka met de corresponderende tala bestaan.
Beide bollen, A en G, hebben de overheersende maharloka karakteristiek; niettemin
zijn ze helemaal doortrokken van de invloeden en functies en kenmerken van de
zes andere loka’s en tala’s, waarbij iedere loka een overeenkomstige lagere pool
of tala heeft. De substantie, functies en kenmerken van
deze loka’s en tala’s worden stap voor stap materiëler als we van satyaloka naar
bhûrloka langs de schaal naar beneden gaan. Toch heeft satyaloka zijn corres ponderende
fysieke eigenschappen, want de hoogste of meest etherische delen van bhûrloka
doordringen hem; zo heeft ook bhûrloka de functies, eigenschappen en kenmerken
van satyaloka, omdat deze in zijn ‘laagste’ aspecten de bhûrloka doordringt. Iedere
wereld, elk gebied, iedere sfeer, is dus samengesteld uit alle zeven loka’s met
hun corres ponderende tala’s; niettemin is ieder gekenmerkt door de overheer sende
functies, substanties en krachten die behoren tot de bijzondere loka en tala die
daar het sterkst naar voren komen. De mens is zelf een duidelijk
voorbeeld daarvan. In zijn tegenwoordige gemanifesteerde leven is hij een bhûrloka-pâtâla
wezen. Maar de etherische delen van zijn constitutie bevatten toch ook de essenties
die tot alle andere loka’s en tala’s behoren. De macrokosmos herhaalt zich
in de microkosmos een van de edelste en verhevenste leringen van de
esoterische traditie. Er bestaat onder vooraanstaande wetenschappers
de neiging om het heelal en alles wat erin is af te leiden uit een vóórkosmische
substantie-energie, die mensen zoals Jeans, Eddington, Einstein, Planck en Younghusband
hebben proberen te omschrijven als een kosmische wiskundige of kosmische kunstenaar
het heelal komt volgens hen voort uit denkvermogen of bewustzijn dat actieve
intelligentie en kunstenaarstalent op kosmische schaal bezit. Dat is inderdaad
een belangrijke gevolgtrekking het is geheel in overeenstemming met de
leer van de esoterische filosofie dat het hele gemanifesteerde zijn en leven zich
heeft ontwikkeld uit kosmisch denken. Zo kan zelfs een atoom, en alle minutiae
van de atoomstructuur waaruit onze grofstoffelijke wereld is opgebouwd, volgens
strikte logica belichaamd DENKEN worden genoemd.
Als we ons daarom laten leiden door de hoofdgedachte, zullen we gemakkelijker
begrijpen hoe de hele structuur van het heelal stap voor stap ‘omlaag’ wordt ontvouwd
of ontwikkeld uit de ene kosmische oorsprong. In het begin van het gemanifesteerde
leven, hetzij van een melkweg, een zonnestelsel of planeet, ontrolden zich vanuit
satyaloka alle daaropvolgende loka’s op de neergaande boog. Daarbij was elke loka
onafscheidelijk verenigd met zijn bijbehorende tala. Uit satyaloka ontrolde zich
de eerstvolgende loka, taparloka. Uit tapar loka, die tevens de weerspiegelde
krachten en essentie van zijn ouder, satyaloka, bevat, ontrolde op precies gelijke
wijze janarloka. Deze bevat dus niet alleen de eigen kenmerken, maar omvat in
mindere mate ook de kenmerken of essenties van zijn ouder, taparloka, en van zijn
grootouder satyaloka. Op precies dezelfde manier verloopt het ontvouwen of ontwikkelen
van een heelal, zonnestelsel of planeet door de opeenvolgende loka’s en tala’s
heen, waarbij tenslotte de laagste, de bhûrloka, wordt bereikt: onze fysieke wereld.
Na het bereiken van de onderkant van de ladder, wanneer de evolutie in een bepaalde
hiërarchie het ontvouwen in de richting van de materie op de neergaande boog heeft
beëindigd, begint het tegenovergestelde proces: involutie volgt op evolutie. Het
hele enorm boeiende schouwspel van de gemanifesteerde hiërarchie begint zich dan
in te rollen, omhoog te gaan langs de lichtende boog. De laagste delen van bhûrloka
beginnen hun energie naar verfijndere vormen weg te stralen, waarbij die uitstraling
geleidelijk opklimt langs de graden van bhûrloka, tot bhûrloka tenslotte in straling
verdwijnt, en in bhuvarloka wordt teruggetrokken. Op zijn beurt begint dan bhuvarloka
met het proces van ontbinding, van het uitstralen, en gaat zo door tot hij in
de volgende, hogere loka, svarloka wordt teruggetrokken. Het proces van terugtrekken
zet zich gestaag voort tot tenslotte, als alle lagere loka’s en tala’s zijn teruggetrokken,
satyaloka wordt bereikt. Dan begint daar hetzelfde proces tot ook deze tenslotte
heengaat uit het gemani fes teerde bestaan naar wat in het Sanskriet de amûlamûla
heet, de ‘wortel loze wortel’, mûlaprakriti of wortelnatuur, de substantieel-
spirituele oerbron, die bij het begin van manifestatie de bron en oorsprong van
alles was. De stoïcijnen verkondigden ditzelfde proces van
het heelal dat zich ontplooit in zijn complexe patronen tot het einde van de mogelijk
heden voor dit kosmische tijdvak; dan volgt onmiddellijk het begin van de terugtocht
naar de geest, die plaatsvindt door precies het tegenovergestelde van wat het
ontrollen tot stand had gebracht. Het heelal wordt dus opgerold, en tenslotte
komt de tijd dat het heelal met alle menigten entiteiten terugkeert in de essentie
van de kosmische geest om daar in onvoorstelbaar geluk te rusten, tot de tijd
aanbreekt om een nieuwe wereldperiode te beginnen, een nieuwe evolutie op een
hoger gebied. In de Hebreeuwse en christelijke geschriften
kan men eveneens duidelijke verwijzingen naar dit proces vinden, vooral naar het
involutieproces, dat de christenen de jongste dag of dag des oordeels noemden,
wanneer alles zal zijn verdwenen en de laatste rekeningen zullen worden vereffend.
En de hele menigte van de hemel zal zijn opgelost, en de hemelen zullen worden
samengerold als een boekrol. Jesaja, 34:4
En de hemel week terug als een boekrol, die wordt opgerold.
Openbaring, 6:14 Om een beeld van de evolutie te geven
wordt hier het aanschouwelijke voorbeeld gebruikt van het ontrollen van een boekrol,
die één deel bevat van het kosmische boek van het leven; het omgekeerde proces
of involutie wordt uitgebeeld als het oprollen van het levensboek waardoor alles
heengaat, en wat er was is niet langer te aanschouwen. De zeven
heilige planeten werden door de Ouden zo genoemd omdat ze met onze aarde een planetaire
familie vormen; ze zijn veel nauwer met elkaar verbonden dan met de talloze andere
werelden die in het zonnestelsel en de universele Kosmos bestaan. Want er zijn
letterlijk tientallen planeetketens in het zonnestelsel, sommige veel hoger en
andere lager dan de planeetketen van de aarde. Binnen ons zonnestelsel bestaan
hele planeetketens waarvan wij zelfs niet de laagste bol zien; want in die gevallen
bevinden die laagste bollen zich boven ons vierde kosmische gebied, zoals er ook
planeetketens zover beneden ons vierde kosmische gebied zijn dat zelfs de hoogste
bollen ervan zich lager dan dit gebied bevinden. Toch zijn al die planeet ketens
evenzeer samenstellende delen van het universele zonnestelsel als onze aarde,
Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, enz. Hoe onzichtbaar zo’n planeetketen voor ons
ook is, zij vormt een integrerend deel van een organisch geheel van ketens die
hun respectieve rol spelen in de vele tienduizenden stadia van het kosmische leven;
allemaal zijn ze de woonplaatsen van wezens sommige in evolutionaire ontwikkeling
veel hoger dan wij, en andere veel lager. Alle fysieke lichamen
die we aan de hemel zien, zijn vierde gebiedsbollen, bollen die bestaan op het
vierde kosmische gebied; hierop is geen enkele uitzondering, althans wat ons zonnestelsel
betreft. Zelfs vader zon, die niet echt een fysiek lichaam is, d.w.z. de zon die
onze fysieke ogen kunnen zien, is een bol van het vierde gebied. Niettemin is
het een materieel lichaam van zeer etherische aard, in de zesde en zevende, of
hoogste, toestand van materie die zich als licht en dus als straling manifesteert.
De zeven heilige planeten zijn Saturnus, Jupiter, Mars, de zon als plaatsvervanger
van een verborgen planeet, Venus, Mercurius, en de maan, eveneens als substituut
voor een verborgen planeet. Ze zijn alle erg nauw verbonden met niet alleen de
lotsbestemming van de mens, maar ook met het lot van ieder wezen van elke soort
of graad dat in of op de aarde leeft. Die acht planeetketens, waaronder de aarde,
zijn het heilige achttal van de Ouden, zo vaak vermeld in de klassieke literatuur
van Griekenland en Rome. Feitelijk zijn er niet slechts zeven heilige planeten,
maar twaalf; omdat de leringen in verband met de vijf hoogste van dit twaalf voudige
stelsel zo buiten gewoon moeilijk zijn, worden er in de Griekse en Latijnse literatuur
gewoonlijk maar zeven genoemd. Er zijn dus twaalf bollen
in onze planeetketen aarde; elk van deze bollen wordt opgebouwd door een van de
twaalf heilige planeten of planeetketens in het bijzonder, en door alle in het
algemeen. Onze fysieke aardbol die de vierde bol van onze planeetketen is, werd
vooral opgebouwd, beschermd en in zekere zin bestuurd door de planeet Saturnus,
in die functie en activiteit bijgestaan door onze fysieke maan. Hoewel elk van
de twaalf bollen van de planeetketen aarde de bijzondere bescherming van een van
de twaalf heilige planeten ontvangt, heeft ieder van de elf andere heilige planeten
in het verleden op een soortgelijke manier bijgedragen aan de vorming van die
bol van onze keten; bij dat werk en die leiding kwam de overheersende invloed
echter van die heilige planeet van de twaalf die de voornaamste beschermer is
van de bol die zij leidt. Als we het over de zeven heilige
planeten hebben, moeten we veel eer denken aan de bezielende godheden ervan dan
aan alleen de fysieke lichamen die we als lichtpunten zien. De planeetgeest van
onze aarde is niet de fysieke rotsachtige aarde, hoewel deze leven heeft, maar
de levenskracht die haar bezielt en bijeenhoudt. Dat leven is de vitale manifestatie
van de planeetgeest van de aarde die onze bol via dit allesdoordringende leven
bovendien met zaden van het denk vermogen vervult. Onze aarde is een bol, de zon
en de sterren zijn bollen, want ieder is het zichtbare of fysieke lichaam dat
uitdrukking geeft aan de vitale en mentale energie die erin actief is en erachter
staat. De innerlijke elementen of beginselen van elke bol zijn zelf bolvormig;
en het uiterlijke of fysieke omhulsel weerspiegelt getrouw de innerlijke of oorzakelijke
samengestelde structuur. Voortdurend stromen er van binnenuit krachten naar onze
bol, en zelf zendt onze bol op zijn beurt voortdurend krachten uit. Deze circulaties
van energetische substantie of materie kunnen de verschillende vormen van straling
worden genoemd, waarbij het gaat om radioactiviteit in al haar verschillende vormen.
Wetenschappers spreken over de mogelijkheid dat materie verdwijnt of oplost in
een uitbarsting van energie of kracht. Om in te zien hoe revolutionair
dit is ten opzichte van de oude wetenschap, is het genoeg zich een van haar voornaamste
pijlers te herinneren: de zogenaamde wet van behoud van energie, die in essentie
zegt dat het heelal een vaststaande hoeveelheid energie bevat, waaraan niets kan
worden toegevoegd en waarvan geen jota kan worden afgedaan omdat in zo’n heelal
de energie alleen van vorm verandert. Dit is een wetenschappelijke
leer die de esoterische filosofie nooit in de zuiver mechanische of materialistische
vorm waarin ze werd verkondigd heeft kunnen aanvaarden; het doet dan ook genoegen
te zien dat latere ontdekkingen van de wetenschap een nieuw licht op deze kwestie
werpen. Hoewel het in een universeel kosmische betekenis relatief waar kan zijn
dat ieder kosmisch lichaam een gesloten systeem is, op zich min of meer toereikend
wat de krachten en substanties aangaat die erin werken, is het altijd de leer
geweest dat elke kosmische eenheid of organisme, hoe uitgestrekt of hoe klein
ook, slechts een deel is van een meeromvattend kosmisch leven waarin zo’n deel
of kleiner gesloten stelsel bestaat; van dit meeromvattende kosmische leven ontvangt
de kleinere eenheid onophoudelijk stromen krachten en substanties in een ononderbroken,
nooit eindigende toevloed; en die staat ze in gelijke mate af of geeft ze terug
aan het omringende of omvattende kosmische reservoir. Beschouw
de constitutie van de mens. Dan zien we een samengesteld wezen dat uit een aantal
verschillende substanties en krachten bestaat die zich van het goddelijke, door
vele tussenliggende stadia, tot het fysieke lichaam van de mens uitstrekken. In
zekere zin is hij dus een gesloten systeem; toch ontvangt hij onophoudelijk een
doorgaande stroom van krachten en substanties uit het omringende heelal die hem
voeden en hem opbouwen, en die hij overal in zijn constitutie gebruikt. Tegelijkertijd
zendt hij onophoudelijk en op dezelfde manier de krachten en substanties die hij
heeft ontvangen en gebruikt, terug naar de omringende sfeer.
Hoewel iedere planeetketen als eenheid een gesloten stelsel is, ontvangt een keten
volgens de regel van analogie die overal geldt vanuit het zonnestelsel,
d.w.z. van de zon en van de andere planeetketens, toch onophoudelijk een toevloed
van zowel kracht als substantie, en deze worden gebruikt voor opbouw en ervaring
en worden tenslotte uitgeworpen of teruggezonden om hun interplanetaire en intersolaire
circulaties voort te zetten. Het door theosofen verwerpen
van de wetenschappelijke leer over het behoud van energie is gebaseerd op het
feit dat die leer volkomen mechanistisch is, een voortbrengsel van het materialisme
uit een nu achterhaald wetenschappelijk tijdperk, en dat ze het heelal beschouwt
als een gesloten stelsel van energieën en materie die als geheel onbezield zijn
en een gevoelloos, verstandeloos mechaniek vormen. Zo’n heelal bestaat alleen
uit het fysieke heelal en erkent geen spirituele bron of achtergrond van intelligentie
en bewustzijn. Toch is er één manier om deze puur wetenschappelijke theorie te
bekijken, namelijk de opvatting waarin de volstrekte oneindigheid als het ‘heelal’
wordt gezien, als het thuis en het onbeperkte veld van onbegrensd bewustzijn,
dat zich verdeelt in letterlijk een oneindig aantal hiërarchieën van lagere bewustzijnen;
en dat uit die grenze loze oneindigheid de ontelbare gemanifesteerde levensvormen
te voorschijn komen. Het ‘gesloten stelsel’, heelal genoemd, zou volgens laatstgenoemde
opvatting eenvoudig de grenzeloze oneindigheid zijn, met alle mogelijke energieën
en substanties die door de oneindigheid kunnen worden omvat. Bij een dergelijke
opvatting kunnen geen krachten van buitenaf aan het oneindige worden toegevoegd,
want er is geen buiten; het kan ook niets van zijn voorraad krachten kwijt raken
omdat er geen ‘buiten’ is waar zulke uitgaande krachten heen zouden kunnen vloeien.
Maar om in verband met de oneindigheid over een ‘gesloten stelsel’ te spreken
is in elk opzicht duidelijk misplaatst en een logische ongerijmdheid.
Op gelijke wijze kunnen we de andere wetenschappelijke wet, namelijk van de wisselwerking
van krachten of energieën, slechts met zeer veel reserve erkennen; en deze opmerking
geldt ook voor de wetenschappelijke theorie van de entropie, de theorie dat de
beschikbare voorraad energie in het heelal voortdurend naar een lager niveau vloeit,
zodat tenslotte de beschikbare energievormen verdwijnen en er verder geen mogelijkheid
is voor inherente beweging in het stelsel, omdat alles dan op een dood energiepeil
zou komen. Deze verschillende wetenschappelijke leringen
kunnen echter wel gehanteerd worden in ‘gesloten stelsels’ die men overal aantreft,
omdat zulke ‘gesloten stelsels’ zowel in omvang als in tijd beperkt zijn. Zelfs
het idee van een ‘gesloten stelsel’, dat aan deze wetenschappelijke theorieën
ten grondslag ligt, is echter onjuist en in strijd met de natuur. Zo’n stelsel
is als een klok die zichzelf niet meer kan opwinden zodra hij is afgelopen of
‘geëntropieerd’ dit beeld voldoet wel binnen de vier muren van een studeerkamer
of een laboratorium, maar wijkt volkomen af van wat men in de natuur zelf aantreft.
Op zijn best is een natuurlijk organisch of zogenaamd ‘gesloten stelsel’ een energie-
of substantiestelsel van de tweede orde, want wat zijn eigen inherente of scheppende
stroom energieën misschien ook is, hij is omgeven door een meeromvattend stelsel
van de eerste orde en wordt door energieën en substanties daarvan geheel doordrongen.
Natuurlijk wordt zo’n omvattend stelsel van de eerste orde zelf een stelsel van
de tweede orde omdat er een nog groter stelsel is waardoor het wordt omringd en
gevoed. Zo is de natuur: het ene stelsel binnen het andere; ieder is noodzakelijk
voor alle, en alle werken ze op elkaar in. De theorie van
de entropie is afgeleid van de eerdergenoemde zogenaamd wetenschappelijke wetten.
Maar als die entropie in het heelal op waarheid zou berusten, waarom heeft ze
dan nog niet de kosmische dood of ‘warmtedood’ waarover men het heeft, tot stand
gebracht? Daarvoor was immers een eeuwigheid beschikbaar! Die vraag is vanuit
het standpunt van de materialistische wetenschap niet te beantwoorden. De wetenschappelijke
theorieën, bekend als behoud van energie, behoud van materie, de wisselwerking
van energieën, en de daarvan afhankelijke theorie weergegeven met de term entropie,
zijn daarom allemaal hoogstens secundaire of voorwaardelijke ‘wetten’.
Kortom, de esoterische filosofie leert dat ieder gesloten stelsel een heelal,
melkweg, zonnestelsel, zon of planeet een individu is dat als eenheid een
eigen denkvermogen, karakter, leven en type bezit. Omdat het met goddelijk-spirituele
wortels in het grenzeloze heelal is verankerd, ontvangt het in zijn hoogste delen
een aanhoudende stroom goddelijk-spirituele krachten en substanties, die de hele
structuur of het weefsel ervan doordringen, het opbouwen, stimuleren en inspireren
en die tenslotte in verschillende vormen uit het stelsel worden weggestraald in
stromen van invloed of energie. De leidende zielen van de zeven
heilige planeten zijn de kosmokratores of ‘wereldbouwers’ die door Griekse filosofen
van de oudheid worden vermeld. Deze kosmokratores hebben onze wereld en onze hele
planeetketen opgebouwd. Op precies dezelfde manier is onze eigen planeetketen
een kosmokrator of wereldbouwer die bij het opbouwen en leiden van een andere
zevenvoudige planeetketen helpt overal in het heelal is activiteit en wisselwerking,
alles grijpt in elkaar en werkt op elkaar in. Van het begin tot het einde van
het zonnemanvantara werken alle planeetketens samen aan de opbouw van elkaars
structuren en vervullen elkaar met de kenmerkende energieën en stralingen die
eigen zijn aan elk van die vormgevende eenheden of kosmokratores.
Het zonnestelsel is een levende organische entiteit, met het hart en het brein
verenigd in de zon; dit stelsel bestaat uit organen, evenals in het klein het
lichaam van de mens een organisme is met organen en al wat erbij hoort, zoals
vlees en beenderen, zenuwen en pezen, enz. Evenzo is elke planeet van het zonnestelsel
een levende entiteit. Onze maan schijnt echter een uitzondering te zijn, want
het is een lijk, hoewel haar deeltjes even levend en actief zijn als de deeltjes
in een menselijk lijk. Hoewel een dood en ontbindend wezen, is ze een keten van
zeven manen die eens een levend organisme waren; zeven dode lichamen die nu vertegenwoordigen
wat eens de levende maanketen was. De vroegere planeetketen waarvan de maan vele
eonen geleden in haar eerste verschijning de wederbelichaming was, had zich in
haar samenstellende levensatomen opgelost, die zich door psychomagnetische aantrekkingskracht
eeuwen later verzamelden om de dan nieuwe maanketen in haar geheel opnieuw te
vormen. Lang voor wij van de aarde onze zevende ronde hebben bereikt, zal onze
maan en al haar bollen zich geheel hebben opgelost. Dit betekent eenvoudig dat
de samenstellende levensatomen ervan dan zijn ontbonden en uiteengevallen, zoals
de atomen van elk ontbindend fysiek lijk; al die dan ontbonden maanatomen zullen
door dezelfde psychomagnetische krachten die eens de maanketen en later de aardketen
opbouwden, naar de aarde worden getrokken. Wanneer onze
aarde haar zevende ronde zal hebben bereikt en gereed is om haar levensessenties
dat betekent haar massa’s levensatomen in ‘neutrale’ of layacentra
in de ruimte te projecteren teneinde het (toekomstige) kind van de aardketen te
vormen, zal deze aarde de maan zijn of worden van haar (toekomstige) kind, de
keten in wording, de nakomeling van de aardketen. Maar onze aardbol zal dan dood
zijn, zoals de maan nu; naarmate de eeuwen verstrijken zal onze aardketen op haar
beurt langzaam uit elkaar vallen; ze zal miljoenen en miljoenen atomen verliezen
tot tenslotte de dode lichamen van alle bollen waaruit onze aardketen bestaat
op hun beurt in de ruimte zullen zijn verdwenen; alle atomen waaruit ze zijn samengesteld
zullen zijn weggevloeid om zich bij die nieuwe belichaming, de toekomstige keten,
te voegen. Planeetketens volgen elkaar dus regelmatig op, op precies dezelfde
manier als de reïncarnaties van een mens elkaar opvolgen.
De natuur herhaalt zich overal in haar werkingen, hoewel geen twee processen in
alle bijzonderheden gelijk zijn. Ieder atoom in het fysieke lichaam van een mens
uitgezonderd atomen die als gast op doortocht zijn was hetzelfde
atoom dat op een of ander tijdstip heeft bijgedragen om zijn fysieke lichaam te
maken in zijn vorige belichaming op aarde. Ieder atoom dat dit fysieke lichaam
helpt maken zal, nadat de mens is gestorven en weer naar de aarde terugkeert,
mee helpen om het nieuwe lichaam van die mens te vormen. Dezelfde grondregel geldt
voor planeetketens en ook voor de zonneketen, de zevenvoudige of nauwkeuriger
de twaalfvoudige bollenketen van de zon. De dichters van
de Griekse en Romeinse oudheid zeiden dat vader zon wordt omgeven door zeven stralen
of stralende krachten; eigenlijk twaalf stralen, namelijk de twaalf grote machten
of stralende krachten die uit zijn hart en brein stromen; elk van die stralen
is de spiritueel-actieve middelaar bij de opbouw van een bol in de planeetketen,
hoewel daarbij geholpen door alle andere elf stralen. Er bestaat dan ook een heel
nauw verband tussen de twaalf huizen van de dierenriem, de twaalf heilige planeten
van ons zonnestelsel en de twaalf bollen van elke planeetketen in het zonnestelsel,
in feite met het universele zonnestelsel zelf. Omdat de kosmische natuur een organisch
wezen is, zal duidelijk zijn dat daarin niets kan worden uitgesloten van wat bestaat
of plaatsheeft binnen het gebied dat ze bestrijkt. Zo staat iedere bol van onze
eigen planeetketen onder de speciale leiding van zijn eigen bijzondere of meest
nauw ermee verbonden deel van de dierenriem; en hetzelfde geldt voor elk van de
twaalf heilige planeten. Neptunus en Uranus worden niet
tot de twaalf heilige planeten gerekend, hoewel deze twee planeten natuurlijk
wel tot het universele zonnestelsel behoren. Het is evenmin juist te veronderstellen
dat Neptunus en Uranus tot de vijf hogere planeetketens behoren die met de vijf
hogere bollen van onze planeetketen aarde zijn verbonden. Bovendien moeten we
eraan denken een duidelijk onderscheid te maken tussen het universele zonnestelsel,
waarmee wordt bedoeld elk ding of wezen binnen het rijk van de zon, en die bijzondere
groep planeten in het zonnestelsel die het nauwst met de lotsbestemming van de
aarde en haar bewoners is verbonden. 
Evenals zes huizen van de dierenriem psychomagnetisch en zelfs spiritueel tegengestelden
zijn van de andere zes huizen van de dierenriem, omdat ze in zekere zin een weerspiegeling
ervan zijn, zo zijn de vijf lagere bollen van de planeetketen aarde weerspiegelingen
van de vijf hogere bollen van de twaalf die de planeetketen aarde vormen; ze bewegen
zich rond de twee middelste bollen die zo de naven om de centrale as vormen.
Waar werd gezinspeeld op tegenover elkaar staande tekens van de dierenriem en
tegenover elkaar staande bollen van een planeetketen, worden planeten in de esoterische
astrologie soms als geschikte plaatsvervangers voor andere gebruikt, omdat de
spirituele en psychische overeenkomsten wat betreft de samenstellende delen van
elk van die paren van machten erg groot zijn. Er bestaat inderdaad een ware astrologie,
een grootse en edele wetenschap gebaseerd op de verborgen en verheven werkingen
van de natuur, die in oude tijden de ware ‘wetenschap van de sterren’ was, maar
ze omvatte toen veel meer dan wat nu voor astrologie doorgaat. De westerse astrologie
is daarvan maar een overblijfsel, een paar gehavende resten van de oude astrologische
wijsheid samen met heel recente astrologische hypothesen die voortkomen uit de
verbeelding of de intuïtie. De oude wijsheid-astrologie
hield zich niet alleen bezig met invloeden van de planeten, zon, maan en sterren,
op de aarde en dus op het leven van de mens, maar ze behandelde die hemellichamen
in de eerste plaats als volledig bezielde wezens. Ze toonde overtuigend aan dat
wij met hen en met alle andere wezens in het heelal een gemeenschappelijke oorsprong
hebben niet alleen hoe ze ons beïnvloeden, maar ook in welke karmische
betrekking wij tot hen staan, zowel in het verleden als in de toekomst. Maar de
tegenwoordige astrologen zijn gewoonlijk grotendeels overgeleverd aan gissingen,
hoe oprecht en van goede wil ze ook zijn. Ze hebben allen een bepaald wiskundig
systeem op grond waarvan ze het juiste antwoord op hun vragen proberen af te leiden.
Ze geloven evenals iedere onderzoeker van de esoterische traditie dat we met de
sterren, de zon en de planeten nauw zijn verbonden. Niet alleen werken alle hemellichamen,
waaronder nevelvlekken en kometen, op ons in, maar in ons handelen reageren we
op hen; en we komen er vandaan en gaan er naartoe op onze zwerftochten langs de
circulaties in het heelal. De dichter Francis Thompson zegt
het zo: Alle dingen nabij of ver
zijn onzichtbaar met elkaar verbonden
door onsterfelijke macht, zodat u geen bloem
kunt aanraken zonder een ster te beroeren.
‘The Mistress of Vision’
Het is waar dat zelfs de gedachte van een mens het overeenkomstige lichaam van
iedere hemelbol zachtjes kan beroeren; want ook de zwakste trilling of het kleinste
stroompje energie heeft in het grootse organisme van de universele natuur een
daarmee overeenkomstig gevolg; en het wezen dat dit heeft voortgebracht ondervindt
daarvan een reactie die in omvang even groot is als de veroorzakende handeling
of impuls de essentie van de leer van karma. Over
de uitspraak dat Neptunus en Uranus niet tot de twaalf heilige planeten behoren:
Uranus is een lid van het universele zonnestelsel feitelijk een integrerend
deel ervan; maar gezien zijn oorsprong is Neptunus dat in dit zonnemanvantara
niet. De planeet Neptunus is wat we een ‘ingevangene’ kunnen noemen. Wetenschappelijk
onderzoek wijst erop dat bepaalde scheikundige atomen die uit punten of golfjes
elektrische energie zijn samengesteld, soms elektrisch hongerig worden, waarschijnlijk
door het verlies van een elektron; een voorbij komend elektron wordt dan door
zo’n atoom gevangen, en daardoor wordt het stabiel, elektrisch verzadigd. Atomen
raken soms elektronen kwijt die om een of andere vreemde reden uit het atoom schijnen
te worden weggerukt, en gaan dan rondzwerven in de atomaire ruimten, op grote
afstand buiten het atoom. Dan wordt het atoom opnieuw ‘hongerig’. Het is merkwaardig
dat volgens deze scheikundige theorie de elektrische polariteit van een atoom
verandert als het een zwervend of ronddwalend elektron opvangt en zo elektrisch
verzadigd raakt. Op ongeveer dezelfde manier kunnen we Neptunus een ingevangene
noemen. Het is eigenlijk geen planeet van ons zonnestelsel. Het zou ongetwijfeld
juist zijn Neptunus als een gevangen komeet van een bepaalde leeftijd te beschouwen;
want er zijn verschillende soorten ‘kometen’. Feitelijk zijn kometen slechts het
eerste stadium in de evolutionaire ontwikkeling van alle planeten en ook van alle
zonnen; er zijn namelijk planetaire en solaire of kosmische kometen d.w.z.
kometen die planeten rondom een zon worden en kometen die zonnen worden.
De komeet van Encke, bijvoorbeeld, als ze nog bestaat, en die van De Vico en van
Biela zijn drie kometen die van oorsprong tot ons zonnestelsel behoren. Eeuwenlang
hebben ze regelmatige elliptische banen rond de zon gevolgd; naarmate de tijd
verstrijkt zouden die ellipsen meer cirkelvormig moeten worden; als die kometen
dan niet voor het bereiken van die ontwikkelingsperiode zijn vernietigd, zullen
ze zich tenslotte als een fatsoenlijke kind-planeet vestigen. Ze zijn wat we kunnen
noemen planeten in een toestand voorafgaand aan hun eerste planetaire ronde
wederbelichamingen van vroegere planeetketens die nu terugkeren voor een nieuwe
manvantarische cyclus in het zonnestelsel. Omdat Neptunus
is ingevangen, is hij niet op dezelfde manier verbonden met de twaalf huizen van
de dierenriem als de echte planeten; hoewel Neptunus geen genetische band met
ons zonnestelsel heeft, verandert hij de polariteit ervan, en heeft daardoor een
krachtige invloed op alles in het zonnestelsel en zal die blijven uitoefenen zolang
hij een van de lichamen ervan is. Neptunus is een levende entiteit en door zijn
aderen stroomt als het ware hetzelfde kosmische levensbloed dat door onze aderen
stroomt. Wij hebben er karmische betrekkingen mee, anders zou hij nooit door onze
zon en het bijbehorende gezin van planeetketens zijn gevangen. Neptunus is eveneens
een planeetketen, maar we zien alleen die bol van de Neptunusketen die zich op
hetzelfde gebied bevindt als waarop wijzelf zijn. Iedere
zichtbare of onzichtbare bol van de zeven (of twaalf) bollen die een planeetketen
vormen, heeft zijn eigen bewoners. Deze zeven verschillende klassen die wij levensgolven
kunnen noemen, zijn alle als karmische eenheid en in hun lotsbestemming nauw met
elkaar verbonden en vormen zo een aparte groep van verwante entiteiten, waarbij
elk van die groepen zeer nauw in evolutionaire ontwikkeling is verbonden met haar
eigen planeetketen. Bovendien zijn de verschillende substanties en energieën waaruit
zo’n bol is samengesteld in feite het product van de menigten zich ontwikkelende
populaties die op deze bollen werken en deze gebruiken, zoals de substanties en
energieën die het lichaam van een mens vormen het product van zijn eigen innerlijke
en onzichtbare substanties en energieën zijn, die in hun samenhang zijn zevenvoudige
constitutie vormen plus de omzwervende levensatomen of monadische entiteiten
die op een bepaald moment door zijn verschillende voertuigen circuleren en zo
helpen om deze op te bouwen. In de loop van hun gemeenschappelijke
evolutiereis door de tijd, gaan de zeven families of levensgolven achtereenvolgens
van bol tot bol van de keten; zo doen ze ervaring op van de krachten en de soorten
materie en bewustzijn op al de verschillende gebieden waarop een keten leeft en
waaruit ze zelf is opgebouwd. Onze eigen aardketen is hiervan een voorbeeld: Alle
monaden die van de maanketen overkwamen waren (en zijn) in zeven grote klassen
te verdelen, die de grote levensstroom vormen die in zeven kleinere stroompjes
wordt verdeeld, waarbij elk stroompje een monadische familie is en toch zijn ze
alle met elkaar verbonden. De levensgolf van de mensen, die een van deze zeven
monadische families of klassen is, brengt tientallen miljoenen jaren op elk van
de zeven bollen van onze aardketen door. Dan verlaat de levensgolf zo’n bol om
over te gaan naar de daaropvolgende bol en gaat daarna in regelmatige volgorde
verder langs alle bollen. Op elke volgende bol brengt de levensgolf weer een lange
periode van tientallen miljoenen jaren door na een betrekkelijk korte rustperiode
tussen twee bollen; de majestueuze cyclus van evolutionaire ontwikkeling gaat
zo stap voor stap vooruit langs de hele planeetketen en langs elk van de zeven
(of twaalf) bollen waaruit deze bestaat. Op elk van deze
bollen functioneert de menselijke levensgolf op een manier die past bij de toestanden
en omstandigheden die daar heersen, precies zoals wij nu op deze aarde functioneren,
een materiële wereld waar de toestanden en omstandigheden overeenkomstig materieel
zijn. De omstandigheden en toestanden op de hogere bollen van onze keten zijn
veel etherischer; op de hoogste zijn ze feitelijk quasi-spiritueel. Bovendien
zijn de tijdperken die een levensgolf langs de neergaande en opgaande boog op
de meer etherische bollen doorbrengt veel langer dan de perioden die zo’n levensgolf
op de meer materiële bollen, zoals onze aarde, doorbrengt.
De zes andere stroompjes of monadische families, die behoren tot de grote levensstroom
die van de maan overkwam, zijn ook bezig zich te ontwikkelen op alle zeven (of
twaalf) bollen van de aardketen; maar ze evolueren niet allemaal in dezelfde periode
op één bol. Met andere woorden, ze verschijnen niet tegelijkertijd op een bepaalde
bol. Er zijn levensgolven die ons zijn voorgegaan; en er zijn andere die na ons
komen, op andere bollen van onze keten. Maar elk van de zeven klassen of families
die de grote levensgolf vormen moet langs alle zeven bollen van de aardketen gaan;
en elke gang daarlangs vormt voor die levensgolf een planetaire of keten-ronde.
Deze zeven levensgolven of populaties van onze aardketen gaan in de loop van hun
enorm lange evolutiereis zeven keer rond de aardketen; het volbrengen van deze
planetaire evolutie vergt miljarden jaren. Omdat de populaties van de zeven bollen
van onze aardketen in hun oorsprong en bestemming zo nauw met elkaar zijn verbonden,
vormen ze een aparte groep. De mens, het individu, evolueert met zijn eigen bijzondere
levensgolf, die in de loop van de evolutie op een bol is verdeeld in kleinere
groepen die we naties kunnen noemen. Een natie is met andere naties verbonden
die samen één mensen familie vormen; de families van de aarde evolueren alle samen
en vormen de aardpo pulatie. De zeven populaties van onze aardketen evolueren
alle samen en vormen één planetaire hiërarchie; met de zeven hiërarchieën van
de zeven heilige planeten, die eveneens alle onderling zijn verbonden, vormen
ze een zonnehiërarchie een Kosmische eenheid op nog grotere schaal. Dit
is één deel van wat de Hebreeuwse profeet Ezechiël bedoelde toen hij het verhaal
van zijn visioen van ‘wielen binnen wielen’ vertelde alle rondwentelend
als afzonderlijke individuen, maar op grotere schaal toch een eenheid vormend
van wezens in beweging. Wanneer een zich ontwikkelend wezen een
kosmische wereld of kosmisch gebied heeft doorlopen, gaat het als een beginneling,
als een geestelijk kind, een nieuwe en hogere wereld van de kosmische hiërarchie
binnen. Wanneer de mensenmenigte het hoogste stadium van dit tegenwoordige wereldstelsel
of de hiërarchie heeft bereikt, zal ze uitgroeien tot volledig ontwikkelde goden,
dhyâni-chohans. Na een lange periode van bevrijding van zelfs maar de schaduw
van lijden en pijn die behoren tot de materiële sferen, maken ze zich gereed een
hoger stelsel van werelden binnen te gaan. Dit is de bestemming van alle evoluerende
levens, onder wie de mens: eindeloze groei, eindeloze duur waarin ze alle delen
van alle wereldstelsels leren kennen ze leren door individuele ervaring
en laten niets achter waarnaar ze moeten terugkeren. Het
gaat in alles om uitbreiding van bewustzijn. Ons menselijke bewustzijn, dat beperkt
is tot deze aarde en toch vage voorstellingen heeft van een zonneleven, stelt
ons in staat door onze telescopen naar buiten in het melkwegstelsel te kijken
en naar de andere in de ruimte verspreide heelallen voorbij de melkweg. We hebben
daarover gedachten, maar het blijven gedachten; die galactische werelden
zijn niet werkelijk in wording in ons bewustzijn. Maar ons bewustzijn breidt
zich wel voortdurend door evolutie uit: het ontplooit zich zelfbewust, eerst om
alles in het zonnestelsel te begrijpen en dan eonen later de melkweg te omvatten
om zich tenslotte te begeven in de nog grotere uitgestrektheden in de grenzeloze
gebieden van de Kosmische ruimte. Kosmische ruimte, hoe
uitgestrekt ook, is in zekere zin begrensd, want het grenzeloze bestaat uit oneindig
veel verzamelingen van zulke Kosmische ruimten of heelallen. Maar bewustzijn per
se is in zijn essentie vrij van beperkingen, en kan dus tot kosmische
afmetingen worden uitgebreid; of omgekeerd, het kan worden ingekrompen tot de
omvang van een elektron. De mens kan zijn bewustzijn zover concentreren dat het
geschikt is een elektron te bewonen, en toch in nog grotere diepten van zijn wezen
even vrij zijn als de tomeloze wind; want bewustzijn kan nooit door fysieke uitgebreidheid
worden begrensd. Op sommige elektronen, zelfs van onze fysieke
materie, zijn er entiteiten even bewust als wij, die mogelijk goddelijke gedachten
hebben. De oorzaak hiervan is dat alle vormen van gemanifesteerde substantie aan
de kosmische intelligentie zijn ontsprongen; en dus is ieder mathematisch punt
van het heelal evenzeer vervuld met kosmisch bewustzijn als het heelal zelf, omdat
het erin geworteld is. Zo komt het dat bewustzijn evengoed functioneert en actief
is in het elektron en zijn eventuele bewoners, als in elk ander deel van de ruimtelijke
uitgebreidheid, al is het zo groot als een melkwegstelsel of van nog grotere afmetingen.
Wij mensen zijn nog zeer onvolkomen in onze evolutionaire groei. Er bestaan wezens
op andere planeten van ons zonnestelsel men zou ze geen ‘mensen’ noemen,
toch zijn ze in evolutionair opzicht verder gevorderd dan wij mensen die
goddelijker gedachten hebben dan wij. Er zijn ook wezens of entiteiten die de
zon en het stelsel van bollen in haar eigen keten bewonen; de zon en haar bollen
hebben dan ook bewoners die goddelijke gedachten denken, want zij hebben een goddelijk
of zonnebewustzijn. Laten we kort de schaal van bestaande
wezens bekijken: eerst is er het heelal dat we een Kosmische cel kunnen noemen;
dan verzamelingen van zulke heelallen die uit sterrengroepen en nevelvlekken bestaan
en die men Kosmische moleculen kan noemen. In onze eigen melkweg hebben we dan
in de andere richting groepen zonnestelsels, elk samengesteld uit een zon of zonnen
en vergezellende planeten, die we ons kunnen voorstellen als Kosmische atomen
de zon of zonnen zijn dan de Kosmische protonen en de planeten Kosmische
elektronen. Onze aarde die zo’n Kosmisch elektron is, is uit menigten entiteiten
opgebouwd, gevormd uit chemische atomen die op hun beurt bestaan uit atomaire
protonen en elektronen; ze zijn zo een voorbeeld van het Kosmische patroon van
de zich herhalende manifestatie. Het kleine weerspiegelt het grote overal; het
atoom weerspiegelt en kopieert het heelal. Het universele leven of de Kosmische
bewustzijn-kracht-substantie, die de innerlijke en al-toereikende oorzaak is van
ons eigen thuis-heelal waarin en waardoorheen dit Kosmische leven werkt, is de
vitale activiteit van een onbegrijpelijk grootse Kosmische entiteit; evenals de
levensactiviteit die door het fysieke lichaam van de mens stroomt de laagste vorm
van het vitaal-bewuste cement is dat alle krachten en vermogens van de constitutie
van de mens tot een geïndividualiseerde eenheid samenbindt.
Zo’n onmetelijke Kosmische entiteit van supergalactische afmetingen zou ons kunnen
beschouwen en zich afvragen: ‘Kunnen zulke oneindig kleine wezentjes gedachten
hebben? Is hun bewustzijn vrij zoals het mijne?’ Ja, want bewustzijn of kosmisch
denkvermogen is het werkelijke hart, de essentie van de wezens en dingen; en als
de mens zich met zuiver bewustzijn verbindt, gaat hij het hart van het heelal
binnen, dat nergens in het bijzonder is omdat het overal is. De hindoe-Upanishads
geven deze gedachte prachtig weer: añîyân añîyasâm, ‘kleiner dan het kleinste
atoom’ en dat is hetzelfde als wanneer men zegt: uitgestrekter dan het heelal,
want dit is bewustzijn-denkvermogen-leven-substantie.
Hoe komt het dat het hart van het heelal overal is? Dat komt omdat ons thuis-heelal
een Kosmische hiërarchie is: een op zichzelf staande entiteit die reikt van haar
hoogste deel, haar goddelijke wortel, en door vele tussenliggende graden van bewustzijnen
en substanties en krachten zich uitstrekt tot haar laagste deel, dat eveneens
materie is voor die Kosmische hiërarchie. De goddelijke wortel is haar goddelijke
hië rarch, en de zichtbare en onzichtbare werelden vormen samen het lichaam voor
deze inwonende godheid, van wie de hartslagen de diastole en systole van het heelal
zijn. Bovendien is iedere entiteit in die Kosmische hiërarchie
zelf een ondergeschikte hiërarchie; want ze is een op zichzelf staand wezen of
een ‘gesloten stelsel’, met haar eigen hoogste en laagste deel en alle tussenliggende
graden van materie en krachten, en volgt aldus getrouw het patroon van de Kosmische
hiërarchie waarin ze zich beweegt, leeft en haar bestaan heeft. Het zonnestelsel
is een van die lagere hiërarchieën, opgebouwd als een kopie, een herhaling van
de grotere en grootsere Kosmische ouder. Verder is in een zonnestelsel elke planeet
afzonderlijk evenals het centrale lichtgevende hemel lichaam, de zon, een voorbeeld
van een kleinere hiërarchie die is opgebouwd naar het model van de hiërarchische
ouder die haar bevat. En op elk zo’n planeet, bijvoorbeeld onze aarde, is elk
zelfstandig wezen een nog kleinere hiërarchie, juist omdat het een op zichzelf
staande entiteit is. De mens is een voorbeeld daarvan, want
hij is een wezen met een hoogste en een laagste deel, en alle tussenliggende graden
van bewustzijn en substantie, die samen zijn spirituele, psychische en vitale
activiteiten omvatten. Maar door dit alles werkt en leeft het dominerende zelf,
de opperheer van alles, het eigen spirituele won der lijke wezen van de mens.
Dit wonderlijke wezen is de hoogste leider, bron en oorsprong van het fundamentele
bewustzijn van zijn hiërarchie. Omdat het aantal hiërarchieën
in het heelal in feite oneindig is, zijn er ook oneindig veel wonderlijke wezens.
Er is een wonderlijk wezen, de stille wachter, voor de broederschap van mededogen;
er is een wonderlijk wezen voor onze bol, de hoogste spirituele leider, die in
dit geval dezelfde is als de hiërarch of het wonderlijke wezen van de broederschap
van mededogen. Er is een wonderlijk wezen of stille wachter voor onze planeetketen.
Er is een wonderlijk wezen of stille wachter voor ons zonnestelsel; zijn woning
is de zon. Er is een wonderlijk wezen of stille wachter voor de melkweg, voor
ons thui s- heelal, en zo steeds verder. Als ons denken
in de andere richting gaat, is er een stille wachter of wonderlijk wezen voor
elk atoom; en er is een stille wachter voor iedere menselijke entiteit
de eigen innerlijke god van de mens, de boeddha in hem, de immanente christus.
Die kern van zijn wezen is een goddelijke vonk van de goddelijke zonne-entiteit
die het hele zonnestelsel bezielt, en in wie ‘we leven, bewegen, en ons bestaan
hebben’ (Handelingen, 17:28). We zijn kinderen van
het bewustzijn-leven van de zon, zoals de ontelbare levens die de atomen van ons
fysieke lichaam samenstellen, leven, bewegen en hun bestaan hebben in hun opperheer,
de mens; zo zijn we door dit zonnewezen van kosmische afmeting verbonden met nog
grotere ruimten, met krachten en substanties die over en door de Kosmische ruimte
wijd zijn verbreid. In een hiërarchie is iedere schakel
van wezenlijk belang voor die hiërarchie. Kijk eens naar vader zon: alles in zijn
rijk valt onder zijn jurisdictie en toch dragen alle wezens individueel een bepaalde
verantwoordelijkheid. Vanuit zijn hart worden alle stromen denk vermogen en leven
uitgezonden tot in de verste gebieden van het zonnestelsel. Elk atoom reageert
spontaan en onvermijdelijk op de stille opdrachten die uit het hart van de zon
vloeien. De planeten zijn toch ook individuen, en daarom ieder verantwoordelijk
binnen haar eigen sfeer? Zijn wij mensen niet aan deze moederplaneet gebonden
zoals de moederplaneet gebonden is aan het zonnestelsel? En is vader zon niet
slechts een schakel in de opklimmende keten van wezens bestaande binnen de leidende
en besturende invloed van een nog grootsere Kosmische intelligentie dan de zon?
De grote Amerikaanse filosoof Emerson verwoordt het denken van de oudheid uit
het archaïsche oosten in zijn verhandeling over ‘De overziel’:
. . . die overziel waarin ieders eigen wezen is besloten en tot één wordt met
alle andere levens; . . . We leven met tussenpozen, in verdeeldheid, in gedeelten,
in deeltjes. Ondertussen is er in de mens de ziel van het geheel; de wijze stilte;
de universele schoonheid, waarmee elk gedeelte en deeltje evenzeer is verbonden;
het eeuwig Ene. . . . het hart in u is het hart van alles;
nergens in de natuur is er een klep, muur of tussenschot; één bloed stroomt ononderbroken
in een eindeloze rondgang door alle mensen, zoals al het water van de aardbol
één zee is en, welbeschouwd, is er maar één getij. Laat
de mens dan leren wat heel de natuur en al zijn denken openbaart, en dit ter harte
nemen; namelijk, dat het hoogste in hem woont, dat de bronnen van de natuur zich
in zijn eigen ziel bevinden. En Plotinus, de neoplatonische filosoof,
verduidelijkt deze gedachte in zijn ‘De drie oorspronkelijke essenties’ (V, i,
2-4): Door de kosmische geest is dit wereldstelsel, zo oneindig
veelvormig en gevarieerd, één groot geheel. Door deze geest is het heelal zelf
een godheid; wijzelf en al het andere zijn wat we in het edelste deel van ons
wezen zijn krachtens deze allesdoordrin gende kosmische geest. Onze individuele
geest is identiek met deze kosmische geest, en door deze zijn ook de goden zelf
goddelijke wezens. . . . De essentie van de geest is dus onvergelijkelijk veel
hoger dan alles wat vorm heeft. Door de kosmische geest overal te eren, houden
wij ook onze eigen individuele geest in ere . . . maar boven deze goddelijke geest
staat iets nog verhevener en nog goddelijker, de oorsprong en bron van eerstgenoemde.
. . . Alles wat eeuwig leeft is bevat in dat nog meer goddelijke. Daarin is niets
dan de goddelijkste intelligentie; alles is goddelijkheid; hier is inderdaad het
thuis van iedere individuele geest in eeuwige vrede. Tenslotte
zegt Vergilius, de ingewijde dichter, in zijn Aeneis (Bk. VI, vs. 724-7):
Ten eerste weet: in de hemel, de aarde, zee en land,
De bleke bol der maan, in heel de sterrenstoet, Is een ziel
die dit stelsel voedt. De vlam van dat stralend verstand,
Brandt overal, in ieder deel. Zij beroert het machtige geheel.
Hier zien we de geest van het archaïsche pantheïsme, dat in zijn oorspronkelijke
betekenis de leer is dat er achter en binnenin alle wezens en dingen een goddelijke
essentie is die leeft, zich beweegt en werkt in een ontelbare veelheid van stralen
van leven-bewustzijn: eeuwig bewustzijn-leven-substantie, superspiritueel, waaruit
het hele universum voortkomt en waarheen het te zijner tijd na verloop van eeuwen,
zal terugkeren. Vanuit één gezichtspunt is de esoterische
traditie in wezen pantheïstisch, maar nooit op de manier waarop het pantheïsme
in westerse landen verkeerd wordt begrepen. Ja, iedere filosofie of religie die
in haar theologische structuur het basisidee van een allesdoordringende godheid
bevat, die tegelijkertijd overal is en in essentie buiten de tijd staat en geen
ruimtelijke betrekkingen heeft, is de facto pantheïstisch. Zelfs het christendom
is pantheïstisch, hoewel deze grondgedachte zo versluierd en ontkracht is dat
er weinig meer van over is dan de vage uitspraak dat ‘God oneindigheid is’. Als
de godheid oneindigheid is, kan zij vanzelfsprekend niet een persoon zijn, want
persoonlijkheid sluit beperking in; hoewel wordt verklaard dat de God van het
christendom ‘zonder lichaam, delen of hartstochten’ is, en hij niettemin als de
oneindigheid wordt beschouwd, moet hij ex hypothesi wel zo aldoordringend
zijn als de meest strenge abstracte pantheïsten zouden wensen.
De Europese filosofie schijnt tegenwoordig te neigen tot een soort pantheïstische
uitdrukkingswijze. Hetzelfde kan worden gezegd van de idealen van de meest vooruitziende
mensen van de wetenschap: het holisme van Smuts, dat blijkbaar het holenmerisme
(of het goddelijke overal in alle delen) van de oude Griekse filosofie is, en
de interessante pantheïstische bespiegelingen van Younghusband, of ook de metafysische
dromen van Jeans en Eddington die ‘een wiskundige’ of ‘een kunstenaar’ op de ‘achtergrond’
waarnemen al deze voorbeelden tonen aan dat het menselijk denken zich geen
godheid kan voorstellen die anders is dan allesdoordringend, zowel in de spirituele
als in de fysieke werelden, en daardoor in wezen pantheïstisch van aard is.
De God van de christenen is een schepper, een demiurg, en deze is in de grenzeloze
ruimten van de oneindigheid tenslotte een grote-kleine god, want scheppende of
demiurgische activiteit houdt immers onmiddellijk beperking in, want deze is beperkte
activiteit binnen iets groters; terwijl DAT of tat
van de vedische wijzen evenmin een schepper als een niet-schepper is. Het woord
DAT verwijst eenvoudig naar een abstractie zonder eigenschappen
of kenmerken een poging de peilloze diepten van de oneindigheid en grenzeloze
duur aan te duiden grenzeloze ruimte en oneindige tijd. Als we DAT
door eigenschappen of hoedanigheden begrenzen, brengen we daardoor een onlogisch
begrip in ons eerste postulaat, want DAT is ondenkbaar
en onuitsprekelijk, en kan daarom niet worden omschreven. Dit betekent niet dat
al de uitgestrekte gebieden van ruimte en duur, tussen het ondenkbare en bijvoorbeeld
ons mensen, Kosmische leegte is zonder denkvermogen en bewustzijn, leven en substantie.
Het tegenovergestelde is nadrukkelijk de waarheid: deze eindeloze gebieden van
de ruimte zijn vol met ontelbare hiërarchieën goddelijke atomen die zich uitstrekken
van de goden, door de verschillende hiërarchieën van lagere entiteiten heen, tot
aan de mensen en beneden de mensen tot andere kleinere hiërarchieën van wezens.
Alles is bezield met leven en denken en intelligentie. Elk nietig atoom dat zijn
eigen grondtoon zingt (want ieder atoom is eeuwig in trilling en elke trilling
brengt een klank voort), alle wezens overal, in alle diepten van de grenzeloze
ruimte, en alle hemellichamen zoals ze hun baan doorlopen, zijn slechts kinderen
van het Kosmische leven, kroost van het grenzeloze. De christelijke
godheid is een ontwikkeling ten goede vergeleken met de donderende Jehova van
de joden, die van de geur van het offer hield en wiens hart verbitterd in toorn
ontstak. In veel opzichten is hij gelijk aan de exoterische Zeus van de Grieken
of Jupiter van de Romeinen maar dan in de loop van de Middeleeuwen ontwikkeld
tot de christelijk-theologische godheid van nu, die ongeveer de meest kleurloze
schijnt te zijn die een bang mens had kunnen uitdenken.* [*Het
christelijke denkbeeld dat hun God drie personen in één godheid is, is slechts
een echo van de oude mystieke leringen van de mysteriescholen. In oude tijden
waren er vele triaden, en de christelijke drieëenheid of drievuldigheid is daarvan
slechts een onvolkomen en verminkte kopie. Onder de christenen bestaat zo weinig
overeenstemming over de essentiële kenmerken van hun eigen godheid, dat de vraag
over de volgorde van de personen uit de godheid een klip werd die de vroege kerk
in tweeën deed splitsen; die twee delen werden de huidige Grieks-orthodoxe kerk
en de kerk van Rome. De Griekse kerk leert dat uit de Vader de Heilige Geest ontstond,
en uit deze twee de Zoon. De Roomse kerk volgde het geloof dat uit de Vader de
Zoon voortkwam, en uit deze twee de Heilige Geest; dit is de historische oorsprong
van de befaamde ‘Filioque-passage’, die betekent ‘en uit de Zoon’.]
Een groot verlies van esoterische en mystieke waarheid in het westen is het veronderstelde
gescheiden bestaan van de individuele mens en de godheid die het heelal vervult.
Het heelal is ons thuis. Wij zijn broeders; we zijn verwant aan de goden, want
hun leven is ons leven, hun bewustzijn is ons bewustzijn, hun oorsprong en bestemming
is de onze; en wat zij zijn, zijn wij in essentie. Wat de
mensen geest noemen is de top of ook het zaad of noumenon van een of andere hiërarchie.
Evenzo is wat men materie of substantie noemt in één opzicht de meest ontwikkelde
uitdrukkingsvorm van dezelfde geest in zijn uitstraling naar omlaag, in
elke hiërarchie. Geest is de eerste bron waaruit de evolutionaire activiteit voortkomt
die door middel van zijn eigen inherente en spontaan opwellende energieën
de manifestatie in de kosmische ruimten van zo’n hiërarchie teweegbracht. Tussen
ten eerste, de oorsprong of geest, en ten tweede, het resultaat of de materie,
bevinden zich al de tussenliggende reeksen van hiërarchische stadia. Deze hiërarchieën
bestaan dus niet alleen maar in de Kosmos en in geen enkel opzicht onafhankelijk
van of eenvoudig als uitdrukkingen van de Kosmos. Zij zijn in feite
de Kosmos zelf, want niet alleen vullen en bezielen ze hem, maar de Kosmos of
het heelal is wat hij is, omdat hij die hiërarchieën is.
In het geval van de mens is het net zo: zijn geest is de oorspronkelijke bron
waaruit zijn constitutie in afdalende graden van verdichting van de substantie
voortvloeit tot het fysieke lichaam wordt bereikt. Niettemin is de geest in de
mens niet zijn lichaam; zoals Krishña zegt, de geest brengt de hele mens tot stand
met delen van zichzelf, en blijft toch apart en afzonderlijk op zijn eigen gebied.
Aldus wordt het ene het vele of de hiërarchische
eenheid nu een atoom, een mens, een bol of de verst afgelegen melkweg in de ruimte
is. |