§ 12

De theogonie van de scheppende goden


   Voor een volledig begrip van de gedachte die ten grondslag ligt aan iedere oude kosmologie, is het nodig alle grote religies van de oudheid in een vergelijkende analyse te bestuderen, want alleen op deze manier kan de grondgedachte duidelijk worden gemaakt. Als de exacte wetenschap bij het herleiden van de werkingen van de natuur tot hun uiteindelijke en oorspronkelijke bronnen zo’n hoge vlucht zou kunnen nemen, zou zij deze gedachte de hiërarchie van krachten noemen. Er was oorspronkelijk één transcendentale en filosofische opvatting. Maar de hoofdgedachte werd geleidelijk versluierd door een weelderig groeiende menselijke verbeelding, naarmate de stelsels iedere eeuw meer en meer de eigenaardigheden van de volkeren begonnen te weerspiegelen en naarmate de laatsten na hun scheiding verschillende groepen gingen vormen, waarvan elk zich ontwikkelde volgens eigen nationale of stamtraditie. Terwijl in sommige landen aan de krachten, of liever aan de intelligente machten van de natuur goddelijke eer werd bewezen, waarop zij nauwelijks aanspraak konden maken, wordt in andere – zoals nu in Europa en de beschaafde landen – zelfs de gedachte dat een dergelijke kracht ‘intelligent’ zou kunnen zijn, absurd gevonden en voor onwetenschappelijk uitgemaakt. Daarom voelt men zich gesterkt door mededelingen zoals men die aantreft in de Inleiding van Asgard and the Gods: Tales and Traditions of our Northern Ancestors, door W.S.W. Anson. De schrijver merkt op blz. 3 op: ‘Hoewel in Midden-Azië of aan de oevers van de Indus, in het land van de piramiden en op het Griekse en Italiaanse schiereiland en zelfs in het noorden, waarheen de Kelten, Germanen en Slaven zijn getrokken, de religieuze voorstellingen van de mensen verschillende vormen hebben aangenomen, is toch de gemeenschappelijke oorsprong ervan nog waarneembaar. We wijzen op dit verband tussen de verhalen over de goden en de diepzinnige gedachte die daarin ligt opgesloten en de waarde daarvan, zodat de lezer kan zien dat het geen toverwereld van een grillige fantasie is die zich voor hem opent, maar dat . . . Leven en natuur de basis vormden van het bestaan en het handelen van deze godheden.’ En hoewel een occultist of beoefenaar van de oosterse esoterie onmogelijk kan instemmen met het vreemde idee dat ‘de religieuze denkbeelden van de beroemdste volkeren uit de oudheid in verband staan met het begin van de beschaving bij de Germaanse rassen’, is hij toch verheugd om bijvoorbeeld de volgende waarheden aan te treffen: ‘Deze sprookjes zijn geen zinloze verhalen, die zijn geschreven om nietsnutten te vermaken; zij belichamen de diepzinnige religie van onze voorouders . . .’
   Inderdaad. Niet alleen hun religie, maar ook hun geschiedenis. Want een mythe, in het Grieks μῦθοϛ, betekent mondelinge overlevering, die van mond tot mond van de ene generatie op de andere werd overgebracht; en zelfs in de moderne etymologie betekent het woord een fabelachtige mededeling, die een belangrijke waarheid inhoudt; een verhaal over een buitengewone persoon, van wie de biografie als gevolg van de verering door opeenvolgende generaties met een rijke volksverbeelding werd overdekt, maar die niet helemaal een fabel is. Evenals onze voorouders, de oorspronkelijke Ariërs, geloven we stellig in de persoonlijkheid en intelligentie van meer dan één natuurkracht die verschijnselen teweegbrengt.
   Naarmate de tijd verstreek, raakte de archaïsche leer wat meer op de achtergrond; en die volkeren verloren het hoogste en Ene beginsel van alle dingen min of meer uit het oog, en begonnen de abstracte eigenschappen van de ‘oorzaakloze oorzaak’ over te dragen op de veroorzaakte gevolgen – die op hun beurt oorzakelijk waren geworden – de scheppende krachten van het Heelal: bij de grote volkeren gebeurde dit uit vrees de idee te ontheiligen; bij de kleinere, omdat ze er niet in slaagden deze te begrijpen, of omdat ze het filosofische bevattingsvermogen misten dat nodig was om deze in al haar ongerepte zuiverheid te bewaren. Maar behalve de laatste Ariërs, die nu Europeanen en christenen zijn geworden, blijken alle volkeren deze verering in hun kosmogonieën te hebben. Zoals Thomas Taylor1, de meest intuïtieve vertaler van Griekse fragmenten aantoont, heeft geen enkel volk ooit het Ene beginsel opgevat als de rechtstreekse schepper van het zichtbare Heelal, want geen verstandig mens zou denken dat een ontwerper en architect het gebouw dat hij bewondert, met eigen handen heeft gebouwd. Volgens Damascius (Περὶ ᾶρχῶν) noemde men het Ene beginsel ‘de onbekende duisternis’. De Babyloniërs gingen stilzwijgend aan dit beginsel voorbij: ‘Die god’, zegt Porphyrius in Περὶ ἀποχῆϛ ἐμψύχων, ‘die boven alle dingen is, behoort men niet toe te spreken, noch met uitgesproken woorden, noch met innerlijke taal . . .’ Hesiodus begint zijn theogonie met: ‘De Chaos werd van alle dingen het eerst voortgebracht’2, waaruit men kan afleiden dat men aan de oorzaak of de voortbrenger ervan met eerbiedig stilzwijgen moet voorbijgaan. Homerus gaat in zijn gedichten niet verder dan de Nacht, die hij door Zeus laat vereren. Volgens alle theologen van de oudheid en de leringen van Pythagoras en Plato is Zeus, de directe schepper van het heelal, niet de hoogste god; evenmin als Sir Christopher Wren in zijn fysieke menselijke aspect de geest in hem is, die zijn grote kunstwerken heeft voortgebracht. Homerus zwijgt daarom niet alleen over het eerste beginsel, maar ook over de twee beginselen die direct op het eerste volgen, de Aether en de Chaos van Orpheus en Hesiodus en het begrensde en de oneindigheid van Pythagoras en Plato3. . . . Proclus zegt over dit hoogste beginsel: ‘Het is . . . de eenheid van alle eenheden en boven de eerste adyta . . . onuitsprekelijker dan alle stilte en occulter dan alle essentie . . . verborgen te midden van de kenbare goden.’ (Ibid.)
   Men zou nog iets kunnen toevoegen aan wat Thomas Taylor in 1797 schreef, namelijk dat de ‘joden blijkbaar niet hoger zijn gekomen . . . dan tot de directe schepper van het heelal’, want ‘Mozes plaatst een duisternis op de afgrond, zonder zelfs maar aan te geven dat er een oorzaak voor haar bestaan was’4. De joden hebben in hun bijbel (een zuiver esoterisch, symbolisch boek) hun zinnebeeldige godheid nooit zo diep onteerd als de christenen, toen deze Jehova als hun enige levende en toch persoonlijke God aannamen.
   Dit eerste of liever ene beginsel werd ‘de cirkel van de hemel’ genoemd, weergegeven door het heilige symbool van een punt binnen een cirkel of een gelijkzijdige driehoek, waarbij het punt de logos is. Zo wordt in de Rig Veda, waarin Brahmā zelfs niet wordt genoemd, de kosmogonie voorafgegaan door de hiranyagharba, ‘het gouden ei’ en prajāpati (later Brahmā), uit wie alle hiërarchieën van ‘scheppers’ voortvloeien. De monade of het punt is het oorspronkelijke en is de eenheid waaruit het hele getallenstelsel voortkomt. Dit punt is de Eerste Oorzaak, maar aan dat waaruit het voortvloeit of liever, waarvan het de uitdrukking, de logos is, wordt stilzwijgend voorbijgegaan. Op zijn beurt was het universele symbool, het punt binnen de cirkel, nog niet de architect, maar de oorzaak van die architect; en de laatste stond tot het punt in precies dezelfde betrekking als het punt zelf tot de omtrek van de cirkel, die volgens Hermes Trismegistus niet kan worden bepaald. Porphyrius toont aan dat de monade en de duade van Pythagoras overeenkomen met Plato’s oneindige en eindige in ‘Philebus’ – of wat Plato het ἄπειρον en πέραϛ noemt. Alleen het laatste (de moeder) is werkelijk, het eerste is de ‘oorzaak van alle eenheid en de maat van alle dingen’ (Vit. Pyth., blz. 47); zo laat men zien dat de duade (Mulaprakriti, de sluier) de moeder van de logos is en tegelijkertijd zijn dochter – d.w.z. het voorwerp van zijn waarneming – de voortgebrachte voortbrengster en de secundaire oorzaak ervan. Bij Pythagoras keert de monade naar stilte en duisternis terug, zodra deze de triade heeft ontwikkeld, waaruit de overige zeven van de 10 (tien) getallen voortvloeien die aan het gemanifesteerde heelal ten grondslag liggen.
   Hetzelfde vindt men in de Noorse kosmogonie. ‘In het begin was er een grote afgrond (Chaos), dag noch nacht bestond; de afgrond was Ginnungagap, de gapende kloof, zonder begin en zonder einde. Al-vader, de ongeschapene, de ongeziene, woonde in de diepte van de ‘afgrond’ (ruimte) en wilde, en wat werd gewild kwam tot bestaan.’ (Zie Asgard and the Gods.) Evenals in de hindoekosmogonie wordt de evolutie van het heelal verdeeld in twee bedrijven, in India de prakriti- en padma-scheppingen genoemd. Voordat de warme stralen die uit het ‘Huis van het heldere licht’ stromen, leven wekken in de grote wateren van de Ruimte, worden de elementen van de eerste schepping zichtbaar en hieruit wordt de reus Ymir (ook Orgelmir) gevormd – de uit de Chaos gedifferentieerde oerstof (letterlijk ziedende klei). Dan komt de koe Audumla, de voedster5, uit wie Buri (de voortbrenger) wordt geboren, die bij Bestla, de dochter van de ‘IJs-reuzen’ (de zonen van Ymir), drie zonen had, Odin, Willi en We of ‘geest’, ‘wil’ en ‘heiligheid’. (Vergelijk het Ontstaan van de oorspronkelijke rassen, in dit boek.) Dit vond plaats toen de duisternis nog in de Ruimte heerste, toen de asen, de scheppende machten (Dhyan-Chohans) nog niet tot ontwikkeling waren gekomen en de Yggdrasil, de boom van het heelal van Tijd en Leven, nog niet was gegroeid en er nog geen Walhalla of Hal van de Helden was. De Scandinavische scheppingslegenden van onze aarde en wereld beginnen met de tijd en het menselijke leven. Alles wat daaraan voorafgaat, is voor hen ‘duisternis’, waarin Al-Vader, de oorzaak van alles, woont. Zoals de bewerker van Asgard and the Gods opmerkt, bevatten deze legenden wel het denkbeeld van die al-vader, de oorspronkelijke oorzaak van alles, maar ‘hij wordt in de gedichten nauwelijks genoemd’; niet, zoals de bewerker denkt, omdat vóór de prediking van het evangelie het denkbeeld ‘zich niet kon verheffen tot een duidelijke conceptie van het eeuwige’, maar tengevolge van het heel esoterische karakter ervan. Daarom beginnen alle scheppende goden of persoonlijke godheden bij de tweede fase van de kosmische evolutie. Zeus wordt geboren in en uit Kronos – de tijd. Ook Brahmā is het voortbrengsel en de uitstraling van Kala, ‘eeuwigheid en tijd’; Kala is een van de namen van Vishnu. We ontdekken dan ook dat Odin de vader van de goden en de asen is, evenals Brahmā de vader van de goden en de asura’s is, en vandaar ook de androgyne aard van alle belangrijke scheppende goden, van de tweede monade van de Grieken tot de Sephiroth Adam Kadmon, de Brahmā of Prajāpati-Vāch van de Veda’s en tot de androgyn van Plato, die slechts een andere versie is van het Indiase symbool.
   De beste metafysische definitie van de oorspronkelijke theogonie in de geest van de aanhangers van de Vedanta kan men vinden in de Notes on the Bhagavad-Gita door T. Subba Row. (Zie Theosophist van februari 1887.) Parabrahmam, het onbekende en het onkenbare, zoals de spreker zijn toehoorders meedeelt:

   ‘. . . Is geen ego, en ook geen niet-ego, en evenmin bewustzijn . . . het is zelfs niet atma’ . . . ‘maar hoewel zelf geen voorwerp van kennis, is het toch in staat als basis en oorzaak te dienen voor alle soorten objecten en alle soorten bestaan die een voorwerp van kennis worden. Het is de ene essentie, waaruit een centrum van energie tot bestaan komt . . .’, dat hij logos noemt.

   Deze logos is de Sabda Brahmam van de hindoes, die hij zelfs niet Īśvara (de ‘heer’ God) zal noemen, opdat de term de geest van de mensen niet in verwarring zal brengen. Maar het is de Avalokiteśvara van de hindoes, het Woord van de christenen in zijn werkelijke esoterische betekenis, niet in zijn theologische vervorming.

   ‘Het is’, zegt hij, ‘de jñātā of het ego in de Kosmos, en elk ander ego . . . is er slechts de weerspiegeling en manifestatie van . . . Tijdens de pralaya bestaat het in een latente toestand in de schoot van Parabrahmam. . . .’ (Tijdens het manvantara) ‘heeft het een eigen bewustzijn en individualiteit . . .’ (Het is een centrum van energie, maar) . . . ‘zulke centra zijn bijna ontelbaar in de schoot van Parabrahmam. Men moet niet veronderstellen dat zelfs de logos de schepper is, of dat deze maar een enkel centrum van energie is . . . hun aantal is bijna oneindig.’ ‘Dit ego’, voegt hij eraan toe, ‘is het eerste dat in de Kosmos verschijnt, en is het doel van alle evolutie. Het is het abstracte ego’ . . . dit is de eerste manifestatie (of aspect) van Parabrahmam’. ‘Wanneer dit eenmaal tot bewust bestaan komt . . . . ziet het vanuit zijn objectieve standpunt Parabrahmam als Mulaprakriti.’ ‘Houdt dit alstublieft in gedachten’, merkt de spreker op, ‘want dit is de wortel van de hele moeilijkheid over purusha en prakriti, die de verschillende schrijvers over de Vedanta-filosofie ondervinden. Deze Mulaprakriti is voor hem (de logos) even stoffelijk als ieder stoffelijk voorwerp dit voor ons is. Deze Mulaprakriti is evenmin Parabrahmam als de verzameling eigenschappen van een zuil die zuil zelf is; Parabrahmam is een onvoorwaardelijke en absolute werkelijkheid, en Mulaprakriti is een soort sluier die erover is geworpen. Parabrahmam op zichzelf kan niet worden gezien zoals het is. De logos ziet het met een sluier erover, en die sluier is de machtige uitgestrektheid van de kosmische stof. . . .’ ‘Nadat Parabrahmam enerzijds is verschenen als het ego en anderzijds als Mulaprakriti, werkt het als de ene energie door middel van de logos.’

   En de spreker legt aan de hand van een mooie vergelijking uit wat hij bedoelt met deze werking van iets dat niets is, hoewel het het al is. Hij vergelijkt de logos met de zon, waaruit licht en warmte stralen, maar waarvan de energie, het licht en de warmte in een onbekende toestand in de Ruimte bestaan en alleen als zichtbaar licht en warmte door de Ruimte worden verspreid, waarbij de zon daarvan slechts het agens is. Dit is de eerste drievoudige hypostase. De viervoudige wordt gevormd door het energie gevende licht dat door de logos wordt uitgestraald.
   De Hebreeuwse kabbalisten geven het weer in een vorm die esoterisch met die van de Vedanta overeenkomt. Zij leerden dat ain-soph niet kon worden begrepen of gelokaliseerd of genoemd, hoewel het de oorzaakloze oorzaak van alles is. De naam – ain-soph – is dus een ontkenning, ‘het ondoorgrondelijke, het onkenbare en het onnoembare’. Zij stelden het daarom voor als een grenzeloze cirkel, een bol, waarvan het menselijke verstand met de grootste inspanning alleen nog maar de welving kon waarnemen. Met de woorden van iemand die veel van het kabbalistische stelsel heeft ontraadseld, en wel heel diepgaand in een van de betekenissen ervan, in zijn numerieke en meetkundige esoterie: ‘Sluit uw ogen en probeer vanuit uw eigen waarnemingsbewustzijn in elke richting tot de uiterste grenzen te denken. U zult ontdekken dat lijnen of stralen van waarneming zich in alle richtingen even ver uitstrekken, zodat de uiterste inspanning van het waarnemingsvermogen zal eindigen in de welving van een bol. De begrenzing van deze bol zal een grote cirkel moeten zijn, en de directe gedachtestralen naar alle richtingen moeten rechtlijnige stralen van de cirkel zijn. Dit moet dan menselijkerwijs gesproken het uiterste, alomvattende begrip van het gemanifesteerde Ain-Soph zijn, dat tot uitdrukking komt als een meetkundige figuur, namelijk als een cirkel met zijn gekromde omtrek en rechte middellijn, die in stralen is verdeeld. Daarom is een meetkundige figuur de eerste herkenbare schakel tussen het Ain-Soph en het verstand van de mens6.’
   Deze grote cirkel (die door de oosterse esoterie wordt teruggebracht tot het punt binnen de grenzeloze cirkel) is de Avalokiteśvara, de logos of het woord, waarover Subba Row spreekt. Maar deze cirkel of gemanifesteerde god is, behalve door zijn gemanifesteerde heelal, aan ons even onbekend als het ene, hoewel hij door ons hoogste begripsvermogen gemakkelijker wordt, of liever kan worden, bevat. Deze logos, die tijdens pralaya in de schoot van Parabrahmam slaapt – evenals ons ‘ego latent (in ons) is tijdens sushupti, dat is slaap’ – en die Parabrahmam niet anders kan kennen dan als Mulaprakriti – een kosmische sluier, ‘de machtige uitgestrektheid van de kosmische stof’ – is dus slechts een orgaan in de kosmische schepping waardoor de energie en de wijsheid van Parabrahmam heenstralen, die aan de logos even onbekend is als aan ons. Omdat bovendien de logos even onbekend is aan ons als Parabrahmam dat in werkelijkheid is aan de logos, hebben zowel de oosterse esoterie als de Kabbala – om de logos binnen het bereik van ons begripsvermogen te brengen – de abstracte synthese omgezet in concrete beelden; nl. in de weerspiegelingen of veelvoudige aspecten van die logos of Avalokiteśvara, Brahmā, Ormazd, Osiris, Adam-Kadmon, of hoe men deze maar wil noemen – en die aspecten of manvantarische uitstralingen zijn de Dhyan-Chohans, de Elohim, Deva’s, Amshaspends, enz. Volgens Subba Row verklaren de metafysici de wortel en de kiem van de laatstgenoemden als de eerste manifestatie van Parabrahmam, ‘de hoogste drie-eenheid die we kunnen begrijpen’, namelijk Mulaprakriti (de sluier), de logos en de bewuste energie of de kracht en het licht7 ‘van die laatstgenoemden’; of – ‘stof, kracht en het ego, of de ene wortel van het zelf, waarvan iedere andere soort zelf slechts een manifestatie of een weerspiegeling is’. Alleen in dit ‘licht’ (van bewustzijn) van mentale en fysieke waarneming kan het praktische occultisme dit met behulp van meetkundige figuren zichtbaar maken. Deze figuren zullen bij nauwkeurige bestudering niet alleen een wetenschappelijke verklaring opleveren van het werkelijke, objectieve bestaan8 van de ‘zeven zonen van de goddelijke Sophia’, die dit licht van de logos is, maar ook zullen zij door middel van andere nog niet ontdekte sleutels aantonen dat deze ‘zeven zonen’ en hun talloze emanaties – verpersoonlijkte centra van energie – wat de mensheid betreft een absolute noodzaak zijn. Stelt men die terzijde, dan zal het mysterie van het Zijn en de Mensheid nooit worden ontraadseld en zelfs niet dicht worden benaderd.
   Door dit licht wordt alles geschapen. Deze wortel van het verstandelijke zelf is ook de wortel van het fysieke Zelf, want dit licht is in onze gemanifesteerde wereld de omzetting van Mulaprakriti, in de Veda’s aditi genoemd. In zijn derde aspect wordt het Vāch9, de dochter en de moeder van de logos, zoals Isis de dochter en de moeder is van Osiris, die Horus is; en Mout, de dochter, echtgenote en moeder van Ammon, in het Egyptische maansymbool. In de Kabbala is Sephira dezelfde als Shekinah; zij is in een andere synthese de echtgenote, dochter en moeder van de ‘hemelse mens’, Adam Kadmon, en is zelfs identiek met hem, zoals Vāch identiek is met Brahmā en de vrouwelijke logos wordt genoemd. In de Rig Veda is Vāch de ‘mystieke spraak’, door middel waarvan occulte kennis en wijsheid aan de mens worden overgebracht; daarom zegt men dat Vāch ‘de rishi’s is binnengegaan’. Zij is ‘door de goden voortgebracht’; zij is de goddelijke Vāch – de ‘koningin van de goden’; en – evenals Sephira met de sephiroth – werkt zij met de prajāpati’s samen bij hun scheppingswerk. Bovendien wordt zij ‘de moeder van de Veda’s’ genoemd, ‘omdat Brahmā deze door middel van haar kracht (als mystieke spraak) heeft geopenbaard en tevens het heelal heeft voortgebracht’ – d.w.z. door spraak en woorden (samengevat in het ‘woord’) en getallen10.
   Maar uit het feit dat men Vāch ook de dochter van Daksha noemt – ‘de god die in alle kalpa’s leeft’ – blijkt haar mayavische karakter: tijdens de pralaya verdwijnt zij, opgenomen in de ene, alles verslindende straal.
   Maar er zijn in de universele esoterie, de oosterse en de westerse, twee verschillende aspecten in al die personificaties van de vrouwelijke natuurkracht of van de natuur, het noumenale en het fenomenale. Het ene is haar zuiver metafysische aspect, zoals dat door de geleerde spreker in zijn Notes on the Bhagavad-Gita wordt beschreven; het andere is aards en stoffelijk en tegelijk, van het standpunt van een praktische, menselijke opvatting en van het occultisme, goddelijk. Het zijn alle de symbolen en personificaties van de Chaos, de ‘grote diepte’ of de oorspronkelijke wateren van de Ruimte, de ondoordringbare sluier tussen het onkenbare en de logos van de schepping. ‘Terwijl hij zich door zijn geest met Vāch verbond, schiep Brahmā (de logos) de oorspronkelijke wateren.’ In de Kathaka Upanishad staat het nog duidelijker: ‘Prajāpati was dit Heelal. Vāch was zijn helpster. Hij verbond zich met haar . . . zij bracht deze wezens voort en ging Prajāpati weer binnen11.’
   We wijzen hier terloops op een van de vele onrechtvaardige smetten die door vrome en goede zendelingen in India op de religie van dat land worden geworpen. Deze allegorie – in het Satapatha Brāhmana – namelijk dat Brahmā, als vader van de mensen, het werk van de voortplanting heeft verricht door incestueuze omgang met zijn eigen dochter Vāch, die ook Sandhya (schemering) en Satarupa (de honderdvormige) wordt genoemd, wordt de brahmanen voortdurend voor de voeten geworpen als een veroordeling van hun ‘afschuwelijke, valse religie’. Afgezien van het feit – dat de Europeanen voor het gemak vergeten – dat de aartsvader Lot aan dezelfde misdaad schuldig is in menselijke vorm, terwijl Brahmā of liever Prajāpati in de vorm van een hert incest pleegde met zijn dochter, die de vorm van een hinde (rohit) had, laat de esoterische lezing van Genesis (hfst. iii) hetzelfde zien. Bovendien heeft de Indiase allegorie beslist een kosmische en geen fysiologische betekenis, omdat Vāch een omzetting is van Aditi en Mulaprakriti (Chaos), en Brahmā een omzetting van Narayana, de geest van god die de natuur binnengaat en bevrucht; er is daarom in het begrip helemaal niets fallisch.
   Zoals al is gezegd, is Aditi-Vāch de vrouwelijke logos of het ‘woord’, verbum; en Sephira in de Kabbala is hetzelfde. Al deze vrouwelijke logoi zijn in hun noumenale aspect wisselwerkingen van licht, geluid en ether, waaruit blijkt hoe goed de Ouden op de hoogte waren, zowel van de natuurwetenschap (zoals wij die nu kennen) als van het ontstaan van die wetenschap in de geestelijke en astrale sferen.

   ‘Onze oude schrijvers hebben gezegd dat er vier soorten Vāch zijn . . . para, pasyanti, madhyama, vaikhari (een bewering die is te vinden in de Rig-Veda en de Upanishads) . . . Vaikhari Vāch is wat wij uitspreken.’ Het is geluid, spraak, en dat wat voor een van onze stoffelijke zintuigen begrijpelijk en objectief wordt, en onder de wetten van waarneming valt. Dus: ‘Elke soort vaikhari-Vāch bestaat in haar madhyama- . . . pasyanti- en tenslotte in haar para-vorm . . . Deze pranava12 noemt men Vāch, omdat deze vier beginselen van de grote Kosmos corresponderen met deze vier vormen van Vāch . . . De hele Kosmos in zijn objectieve vorm is vaikhari-Vāch; het licht van de logos is de madhyama-vorm; en de logos zelf de pasyanti-vorm; terwijl Parabrahmam het para-aspect (boven het noumenon van alle noumena) van die Vāch is.’ (Notes on the Bhagavad-Gita.)

   Zo zijn Vāch, Shekinah of de ‘muziek van de sferen’ van Pythagoras één, als we onze voorbeelden ontlenen aan de drie (schijnbaar) meest uiteenlopende religieuze filosofieën van de wereld – die van de Hindoes, de Griekse en de Chaldeeuws-Hebreeuwse. Deze personificaties en allegorieën kunnen, evenals in de esoterie, worden beschouwd onder vier (hoofd-) en drie (sub-) aspecten, of samen zeven. De para-vorm is het altijd subjectieve en latente licht en geluid, die eeuwig in de schoot van het onkenbare bestaan; wanneer het wordt overgebracht in de verbeeldingskracht van de logos of zijn latente licht, wordt het pasyanti genoemd; en als het de uitdrukkingsvorm van dat licht is geworden, is het madhyama.
   De Kabbala geeft de definitie als volgt: ‘Er zijn drie soorten licht, en dat (het vierde) wat de andere doordringt; (1) het heldere en doordringende, het objectieve licht, (2) het weerkaatste licht en (3) het abstracte licht. De tien sephiroth, de drie en de zeven, worden in de Kabbala de 10 woorden genoemd, d-brim (dabarim), de getallen en de uitstralingen van het hemelse licht, dat zowel Adam Kadmon als Sephira is, of (Brahmā) Prajāpati-Vāch. Licht, geluid en getal zijn in de Kabbala de drie scheppingsfactoren. Parabrahmam kan alleen worden gekend door middel van het lichtende punt (de logos), dat Parabrahmam niet kent, maar alleen Mulaprakriti. Evenzo kende Adam Kadmon alleen Shekinah, hoewel hij het voertuig van Ain-Soph was. En als Adam Kadmon is hij in de esoterische interpretatie het totaal van het getal tien, de sephiroth (zelf een drie-eenheid, of de drie eigenschappen van de onkenbare godheid in Een)13. ‘Toen de hemelse mens (of logos) voor het eerst de vorm van de kroon14 (kether) aannam en zich met Sephira vereenzelvigde, liet hij daaruit (uit de kroon) zeven schitterende lichten voortkomen’, die in totaal tien maakten; toen Brahmā-Prajāpati, hoewel identiek met Vāch, van haar werd gescheiden, liet hij ook de zeven rishi’s, de zeven Manu’s of prajāpati’s van die kroon uitgaan. In de exoterie zal men altijd 10 en 7 vinden voor de sephiroth of voor de prajāpati; in de esoterie wordt altijd 3 en 7 gegeven, die ook 10 opleveren. Alleen als zij in de gemanifesteerde sfeer zijn verdeeld in 3 en 7, vormen zij , het androgyne, en of het gemanifesteerde en gedifferentieerde teken X.
   Dit zal de onderzoeker helpen begrijpen waarom Pythagoras de godheid (de logos) als het centrum van eenheid en de ‘bron van harmonie’ beschouwde. Wij zeggen dat deze godheid de logos was, niet de monade, die in eenzaamheid en stilte woont, omdat Pythagoras leerde dat de eenheid, die immers ondeelbaar is, geen getal is. En daarom werd ook van de kandidaat, die zich aanmeldde voor toelating tot zijn school, verlangd dat hij als voorbereiding daarop de rekenkunde, sterrenkunde, meetkunde en muziek had bestudeerd, die als de vier onderdelen van de wiskunde werden beschouwd15. Dit verklaart verder waarom de pythagoreeërs beweerden dat de leer van de getallen – in de esoterie de belangrijkste – door de hemelse godheden aan de mens was geopenbaard; dat de wereld uit de Chaos tevoorschijn was geroepen door geluid of harmonie, en opgebouwd volgens de beginselen van de muzikale verhoudingen; dat de zeven planeten die het lot van de stervelingen beheersen, een harmonieuze beweging hebben ‘en intervallen die overeenkomen met die in de muziek, waardoor verschillende geluiden ontstaan, die zo volmaakt harmonieus zijn dat ze de liefelijkste melodie voortbrengen, die voor ons onhoorbaar is, alleen al door de grootsheid van het geluid, dat onze oren niet kunnen opvangen’. (Censorinus.)
   In de theogonie van Pythagoras waren de hiërarchieën van de hemelse menigten en goden genummerd en werden met behulp van getallen uitgedrukt. Pythagoras had de esoterische wetenschap in India bestudeerd, daarom zeggen zijn leerlingen: ‘De monade (de gemanifesteerde) is het beginsel van alle dingen. Uit de monade en de onbepaalde duade (de Chaos) kwamen getallen voort; uit getallen, punten; uit punten, lijnen; uit lijnen, oppervlakken; uit oppervlakken, lichamen; hieruit vaste lichamen met vier elementen – vuur, water, lucht, aarde; uit al deze, omgezet (en in wisselwerking staand) en totaal veranderd, bestaat de wereld.’ (Diogenes Laertius in Vit. Pythag.)
   En dit kan, indien het al niet het hele mysterie ontraadselt, in elk geval een tipje oplichten van de sluier van die wonderbaarlijke allegorieën, die over Vāch is geworpen, de geheimzinnigste van alle godinnen van de brahmanen; zij die wordt genoemd ‘de melodieuze koe die als melk levensonderhoud en water geeft’ (de aarde met al haar mystieke krachten); en verder ook zij ‘die ons voedsel en onderhoud levert’ (de stoffelijke aarde). Isis is ook de mystieke Natuur en ook de aarde; wegens haar koehorens wordt zij vereenzelvigd met Vāch. Laatstgenoemde wordt, nadat zij in haar hoogste vorm is erkend als para, aan het lagere of stoffelijke einde van de schepping – vaikhari. Daarom is zij de mystieke, hoewel stoffelijke natuur, met al haar magische werkwijzen en eigenschappen.
   Bovendien is zij als godin van de spraak en van het geluid en als omzetting van aditi, in een bepaald opzicht de Chaos. In elk geval is zij de ‘moeder van de goden’; en de echte gemanifesteerde theogonie moet beginnen bij Brahmā (Īśvara of de logos) en Vāch, en bij Adam Kadmon en Sephira. Daarbuiten is alles duisternis en abstracte speculatie. De zieners, profeten en adepten in het algemeen hebben met de Dhyan-Chohans of de goden vaste grond onder de voeten. Hetzij als aditi, of als de goddelijke sophia van de Griekse gnostici, is zij de moeder van de zeven zonen: de ‘engelen van het aangezicht’, van de ‘diepte’ of de ‘grote groene’ van het Dodenboek. Het Boek van Dzyan (kennis door meditatie) zegt:

De grote moeder lag met de en de en het , de tweede en de 16 in haar schoot, gereed om deze voort te brengen, de dappere zonen van de (of 4.320.000, de cyclus), van wie de twee ouders de en het . (punt) zijn.’

   Bij het begin van elke cyclus van 4.320.000 daalden de zeven (of volgens enkele volkeren acht) grote goden af om de nieuwe orde van zaken te vestigen en de stoot te geven tot de nieuwe cyclus. Die achtste god was de verbindende cirkel of logos, in het exoterische dogma van zijn menigte afgescheiden en afgezonderd, evenals de drie goddelijke hypostasen van de oude Grieken nu in de kerken als drie afzonderlijke personen worden beschouwd. ‘De machtigen verrichten hun grote werken en laten, telkens als zij onze mayavische sluier (atmosfeer) binnendringen, eeuwigdurende monumenten na als herinnering aan hun bezoek’, zegt een toelichting17. Zo leert men ons dat de grote piramiden onder hun directe toezicht werden gebouwd, ‘toen Dhruva (in die tijd de Poolster) zich in zijn laagste stand bevond en de Krittika (de Pleiaden) over zijn hoofd heen keken (op dezelfde meridiaan stonden, maar hoger) om het werk van de reuzen te kunnen volgen’. Omdat de eerste piramiden werden gebouwd aan het begin van een siderisch jaar, onder Dhruva (Alpha Polaris), moet het meer dan 31.000 jaar (31.105) geleden zijn. Bunsen had gelijk toen hij aan Egypte een ouderdom van meer dan 21.000 jaar toeschreef, maar het feit dat hij dit toegeeft, put de waarheid en de feiten over deze vraag nauwelijks uit. ‘De verhalen van Egyptische priesters en anderen over de optekening van de tijd in Egypte, beginnen er nu minder als leugens uit te zien voor allen die zijn ontsnapt aan de slavernij van de bijbel’, schrijft de auteur van The Natural Genesis. ‘Onlangs heeft men in Sakkarah inscripties gevonden die melding maken van twee Sothiscyclussen . . . die toen, dat is nu ongeveer 6000 jaar geleden, werden opgetekend. Toen Herodotus in Egypte was, hadden de Egyptenaren dus – zoals nu bekend is – al tenminste vijf verschillende Sothiscyclussen van 1461 jaar waargenomen. De priesters vertelden de Griekse onderzoeker dat zij de tijd al zó lang hadden berekend, dat de zon twee keer was opgegaan waar deze toen onderging, en tweemaal was ondergegaan waar deze toen opkwam. Dit . . . kan alleen als een natuurfeit zijn verwezenlijkt doordat twee precessiecyclussen zijn doorlopen, of een tijdperk van 51.736 jaar.’ (Deel II, blz. 318. Maar zie ook ons Deel II, chronologie van de brahmanen.)
   Mor Isaac (zie Kirchers Oedipus, deel ii, blz. 425) toont aan dat de oude Syriërs hun wereld van de ‘heersers’ en ‘actieve goden’ op dezelfde manier omschreven als de Chaldeeën. De laagste wereld was de ondermaanse, de onze, bewaakt door de ‘Engelen’ van de eerste of laagste orde; de volgende in rang was Mercurius, bestuurd door de ‘aartsengelen’; dan kwam Venus met als goden de vorsten; de vierde wereld was die van de zon, het domein en gebied van de hoogste en machtigste goden van ons stelsel, de zonnegoden van alle volkeren; de vijfde was Mars, beheerst door de ‘krachten’; de zesde – die van Bel of Jupiter – werd geregeerd door de heerschappijen; de zevende – de wereld van Saturnus – door de tronen. Dit zijn de werelden van de vormen. Daarboven komen de vier hogere, die weer zeven zijn, omdat de hoogste drie ‘onnoembaar en onuitspreekbaar’ zijn. De achtste, die bestaat uit 1122 sterren, is het domein van de Cherubijnen; de negende, die behoort aan de bewegende en – tengevolge van hun afstand – talloze sterren, is het gebied van de Serafijnen. Kircher, die Mor Isaac aanhaalt, zegt over de tiende dat deze is samengesteld ‘uit onzichtbare sterren die, zoals men zei, voor wolken konden worden aangezien, zo opeengehoopt zijn ze in het gebied dat wij de Via Straminis, de Melkweg, noemen’; en hij haast zich te verklaren dat ‘dit de sterren van Lucifer zijn, die samen met hem bij een vreselijke schipbreuk zijn verzwolgen’. Wat er na en voorbij de tiende wereld komt (onze viervoudige, of de arupa wereld), wisten de Syriërs niet. ‘Zij wisten alleen maar dat daar de uitgestrekte en onbegrijpelijke oceaan van het oneindige begint, de verblijfplaats van de ware godheid zonder grens of einde.’
   Champollion toont hetzelfde geloof aan bij de Egyptenaren. Nadat Hermes over de vader-moeder en zoon heeft gesproken, van wie de geest (collectief het goddelijke fiat) het Heelal vormt, zegt hij: ‘Er werden ook zeven middelaars gevormd, om de stoffelijke (of gemanifesteerde) werelden binnen hun respectievelijke cirkels te bevatten, en de werking van deze middelaars werd het noodlot genoemd.’ Verder noemt hij zeven en tien en twaalf orden op; maar het zou te ver voeren om hierover bijzonderheden te geven.
   Omdat dr. Weber en anderen verklaren dat het Rig Vidhana, het Brahmanda Purāna en dergelijke boeken – of deze nu de magische werkzaamheid van de mantra’s uit de Rig-Veda, of de toekomstige kalpa’s beschrijven – moderne compilaties zijn, ‘waarschijnlijk slechts uit de tijd van de Purāna’s’, is het nutteloos de lezer naar de mystieke verklaringen daarvan te verwijzen, en kan men evengoed eenvoudig de archaïsche boeken aanhalen die aan de oriëntalisten volkomen onbekend zijn. Deze boeken geven een verklaring van wat de geleerden zo verbijstert, namelijk dat de saptarshi, de ‘verstandgeboren zonen’ van Brahmā, in het Satapatha Brāhmana met een bepaalde reeks van namen worden aangeduid, in het Mahābhārata met een andere reeks, en dat het Vayu Purāna zelfs negen in plaats van zeven rishi’s noemt, door de namen Bhrigu en Daksha aan de lijst toe te voegen. Maar hetzelfde gebeurt in elk exoterisch geschrift. De geheime leer geeft een lange genealogie van de rishi’s, maar verdeelt ze in veel klassen. Evenals de goden van de Egyptenaren, werden ook de Indiase hiërarchieën van rishi’s in zeven en zelfs twaalf klassen verdeeld. De eerste drie groepen zijn de goddelijke, de kosmische en de ondermaanse goden. Dan komen de zonnegoden van ons stelsel, de goden van de planeten, van de onderwereld en de zuiver menselijke goden – de helden en de manoushi.
   Tegenwoordig houden we ons echter alleen bezig met de pre-kosmische, goddelijke goden, de prajāpati’s of de ‘zeven bouwers’. Deze groep vindt men onmiskenbaar in elke kosmogonie. Wegens het verlies van Egyptische archaïsche documenten moeten wij – omdat volgens Maspero ‘het voor de studie van de religieuze evolutie in Egypte beschikbare materiaal en de historische gegevens niet volledig en heel vaak ook niet begrijpelijk zijn’ – een beroep doen op de oude hymnen en inscripties op de graven, om een gedeeltelijke en indirecte bevestiging te krijgen van de mededelingen die in de Geheime Leer worden gedaan. Eén ervan laat in elk geval zien dat Osiris, evenals Brahmā-Prajāpati, Adam Kadmon, Ormazd en zoveel andere logoi, het hoofd en de synthese was van de groep ‘scheppers’ of bouwers. Voordat Osiris de ‘ene’ en hoogste god van Egypte werd, werd hij in Abydos vereerd als het hoofd en de leider van de hemelse menigte van bouwers die behoorden tot de hoogste van de drie orden. In de hymne die in de votiefzuil van een graf in Abydos (3de register) is gebeiteld, wordt Osiris als volgt aangeroepen: ‘Gegroet zijt gij, Osiris, oudste zoon van Sib; gij, de grootste, gesteld boven de zes goden, geboren uit de godin Noo (het oerwater); gij, de grote gunsteling van uw vader Ra, vader van de vaderen, koning van de duur, meester in de eeuwigheid . . . die alle kronen hebt verzameld zodra deze uit de schoot van uw moeder werden geboren, en die de uraeus (slang of naja)18 op uw hoofd hebt gezet; veelvormige god, van wie de naam onbekend is en die in steden en provincies veel namen heeft . . .’ Osiris, die uit het oorspronkelijke water tevoorschijn komt, gekroond met de uraeus, het slangensymbool van het kosmische vuur, en die de zevende is boven de zes oorspronkelijke goden die zijn voortgekomen uit de vader-moeder, Nou en Nout (het uitspansel), kan niemand anders zijn dan de voornaamste prajāpati, de voornaamste sephiroth, de voornaamste Amshaspend-Ormazd! Het staat vast dat laatstgenoemde zonne- en kosmische god aan het begin van de religieuze evolutie dezelfde plaats innam als de aartsengel ‘van wie de naam geheim was’. Deze Aartsengel was Michaël, de vertegenwoordiger op aarde van de verborgen joodse god; men zegt dat zijn ‘aangezicht’ de joden vóórging als een ‘vuurkolom’. Burnouf zegt: ‘De zeven Amshaspends, die stellig onze aartsengelen zijn, duiden ook de personificaties van de goddelijke Krachten aan’ (Comment on the Yaçna, blz. 174). En deze aartsengelen zijn daarom even ‘stellig’ de saptarishi van de hindoes, hoewel het bijna onmogelijk is elk in te delen bij zijn heidense prototype en parallel, omdat zij allen, zoals in het geval van Osiris, ‘in steden en provincies zoveel namen’ hebben. Enkele van de belangrijkste zullen wij in volgorde weergeven.
   Eén ding is dus ontegenzeglijk bewezen. Hoe meer men hun hiërarchieën bestudeert en over hun identiteit te weten komt, des te meer bewijzen verkrijgt men dat er geen enkele vroegere of tegenwoordige persoonlijke god is, die bekend is vanaf de eerste dagen van de geschiedenis, en die niet behoort tot de derde trap van de kosmische manifestatie. In elke religie vinden we de verborgen godheid die de grondslag legt; dan de straal daaruit, die in de oorspronkelijke kosmische stof valt (de eerste manifestatie); dan het androgyne resultaat, de tweevoudige mannelijke en vrouwelijke abstracte kracht, verpersoonlijkt (tweede trap); deze splitst zich tenslotte op de derde trap in zeven krachten, die door alle oude religies de scheppende machten en door de christenen de ‘Krachten van God’ worden genoemd. De latere verklaring en de abstracte metafysische omschrijvingen hebben de roomse en de griekse kerk nooit weerhouden deze ‘Krachten’ te vereren in de gedaanten en onder de verschillende namen van de zeven Aartsengelen. In het Boek van Druschim (blz. 59, 1ste verhandeling) in de talmoed worden deze groepen onderscheiden, en die kabbalistische verklaring is juist. Er staat:
   ‘Er zijn drie groepen (of orden) van sephiroth. 1. De sephiroth die de ‘goddelijke eigenschappen’ (abstract) worden genoemd. 2. De fysische of siderische sephiroth (persoonlijk) – één groep van zeven, de andere van tien. 3. De metafysische sephiroth, of perifrase van Jehova, die de eerste drie sephiroth zijn (kether, chochma en binah), terwijl de overige zeven de (persoonlijke) zeven geesten van de Tegenwoordigheid zijn’ (ook van de planeten).
   Dezelfde verdeling moet worden toegepast op de primaire, secundaire en tertiaire evolutie van de goden in elke theogonie, als men de betekenis esoterisch wil weergeven. Wij moeten de zuiver metafysische personificaties van de abstracte eigenschappen van de godheid niet verwarren met hun weerspiegeling – de siderische goden. Deze weerspiegeling is echter in werkelijkheid de objectieve uitdrukking van de abstractie: levende wezens en de modellen die volgens dat goddelijke prototype zijn gevormd. Bovendien zijn de drie metafysische sephiroth of ‘de perifrase van Jehova’ niet Jehova; deze laatste, met de toegevoegde titels van Adonai, Elohim, Sabbaoth en de talrijke namen die hem met kwistige hand zijn geschonken, is zelf de perifrase van de Shaddai, de Almachtige. De naam is inderdaad een uitvoerige omschrijving, een overladen figuur van joodse retoriek, en is door de occultisten altijd veroordeeld. Voor de joodse kabbalisten en zelfs voor de christelijke alchemisten en rozenkruisers was Jehova een geschikt scherm, verenigd door het samenvouwen van zijn vele panelen en gebruikt als substituut: want voor degenen die het geheim kenden, was de ene naam van een individuele sephiroth evengoed als iedere andere. Het tetragrammaton, het onuitsprekelijke, het siderische ‘totaal’, werd voor geen ander doel uitgevonden dan om de niet-ingewijden te misleiden en om het leven en de voortplanting te symboliseren19. De ware geheime en onuitsprekelijke naam – ‘het woord dat geen woord is’ – moet worden gezocht in de zeven namen van de eerste zeven uitstralingen, of de ‘zonen van het vuur’, in de geheime geschriften van alle grote volkeren, en zelfs in de Zohar, de kabbalistische leer van het kleinste van alle, het joodse volk. Dit woord, dat in iedere taal uit zeven letters is samengesteld, vindt men in de architectonische overblijfselen van elk groots bouwwerk in de wereld; van de cyclopische overblijfselen op het Paaseiland (een deel van een continent dat door de zee werd bedolven, en wel eerder vier miljoen jaar20 dan 20.000 jaar geleden) tot de oudste piramiden van Egypte.
   Wij zullen dieper op dit onderwerp moeten ingaan en praktische voorbeelden moeten geven om de in de tekst gedane beweringen te bewijzen.
   Voorlopig is het voldoende met enkele voorbeelden de waarheid aan te tonen van wat in het begin van deze monografie werd gezegd, namelijk dat geen enkele kosmogonie, met als enige uitzondering de christelijke, ooit de rechtstreekse schepping van onze aarde, van de mens of van iets wat daarmee in verband staat, heeft toegeschreven aan de Ene hoogste oorzaak, het universele goddelijke beginsel. Deze bewering geldt zowel voor de Hebreeuwse of de Chaldeeuwse Kabbala als voor Genesis, als deze laatste maar ooit volledig was begrepen, en – wat nog belangrijker is – goed was vertaald21. Overal is er òf een logos – inderdaad een ‘licht dat schijnt in de duisternis’ – òf de architect van de werelden staat esoterisch gezien in het meervoud. De Latijnse kerk die, paradoxaal als altijd, de titel van schepper alleen op Jehova toepast, neemt een heel Kyrie van namen aan voor de werkende krachten van laatstgenoemde, namen die het geheim verraden. Want als de genoemde krachten niets met de zogenaamde ‘schepping’ te maken hadden, waarom noemt men deze dan Elohim (Alhim) in het meervoud; ‘goddelijke werklieden’ en energieën (Ένέργειαι), gloeiende hemelse stenen (lapides igniti coelorum), en vooral ‘dragers van de wereld’ (Κοσμοκράτορεϛ), bestuurders of heersers van de wereld (rectores mundi), de ‘wielen’ van de wereld (rotae), Ophanim, vlammen en machten, ‘zonen van God’ (B’ne Alhim), ‘waakzame raadslieden’, enz.
   Er is vaak (en zoals gewoonlijk ten onrechte) beweerd dat China, een land dat bijna zo oud is als India, geen kosmogonie had. Men klaagt ‘dat Confucius deze niet kende en dat de boeddhisten hun kosmogonie uitbreidden zonder een persoonlijke god in te voeren’22. De Yi-King, ‘de essentie zelf van het denken in de oudheid en het gezamenlijke werk van de meest geëerde wijzen, geeft geen duidelijke kosmogonie’. Niettemin is er een en wel een heel bijzondere. Omdat echter Confucius geen toekomstig leven23 erkende en de Chinese boeddhisten het denkbeeld van één schepper verwerpen, en één oorzaak en de talloze gevolgen daarvan aanvaarden, worden zij door degenen die in een persoonlijke God geloven, verkeerd begrepen. Het ‘grote uiterste’ als het begin ‘van veranderingen’ (transmigraties) is de kortste en misschien de meest tot nadenken stemmende van alle kosmogonieën voor hen die, evenals de volgelingen van Confucius, de deugd ter wille van haarzelf liefhebben en onzelfzuchtig het goede proberen te doen zonder voortdurend uit te zien naar beloning en voordeel. Het ‘grote uiterste’ van Confucius brengt ‘twee figuren’ voort. Deze ‘twee’ brengen op hun beurt ‘de vier beelden’ voort; deze weer ‘de acht symbolen’. Men klaagt erover dat, hoewel de aanhangers van Confucius er ‘hemel, aarde en de mens in het klein’ in zien, . . . wij er alles in kunnen zien wat we maar willen. Ongetwijfeld, en dat geldt voor veel symbolen, vooral die van de latere religies. Maar wie iets weet over de occulte getaltekens, ziet in deze ‘figuren’ het symbool, hoe ruw ook, van een harmonieuze voortgaande evolutie van de Kosmos en zijn wezens, zowel de hemelse als de aardse. En iedereen die de numerieke evolutie in de oorspronkelijke kosmogonie van Pythagoras (een tijdgenoot van Confucius) heeft bestudeerd, zal altijd hetzelfde denkbeeld terugvinden in zijn triade, tetraktis en decade, die voortkomen uit de ene en enige Monade. Confucius wordt door zijn christelijke biograaf bespot, omdat hij voor en na deze passage over ‘waarzeggerij spreekt’, en hij wordt als volgt geciteerd: ‘De acht symbolen bepalen het geluk en het ongeluk en deze leiden tot grote daden. Er zijn geen beelden die nagebootst kunnen worden en die groter zijn dan hemel en aarde. Er zijn geen veranderingen, groter dan de vier jaargetijden (dit betekent noord, zuid, oost en west, enz.). Er zijn geen zwevende beelden, helderder dan de zon en de maan. In het voorbereiden van dingen voor het gebruik, is er niemand groter dan de wijze. Bij het bepalen van geluk en ongeluk is er niets groter dan de waarzegstrootjes en de schildpad24.’
   Daarom worden de ‘waarzegstrootjes’ en de ‘schildpad’, het ‘symbolische stel lijnen’ en de grote wijze die ze beschouwt terwijl ze één en twee worden, en twee vier worden en vier acht, en de andere stellen ‘drie en zes’, minachtend uitgelachen, alleen omdat zijn wijze symbolen verkeerd worden begrepen.
   Zo zullen de schrijver en zijn collega’s ongetwijfeld de stanza’s bespotten die in onze tekst worden gegeven, want zij geven precies hetzelfde denkbeeld weer. De oude archaïsche kaart van de kosmogonie staat vol lijnen in de stijl van Confucius, concentrische cirkels en punten. Toch stellen die alle de meest abstracte en filosofische begrippen van de kosmogonie van ons Heelal voor. In elk geval zal deze misschien beter aan de eisen en de wetenschappelijke doelstellingen van onze tijd beantwoorden dan de kosmogonische geschriften van Augustinus en de ‘eerwaarde Beda’, hoewel deze meer dan duizend jaar na die van Confucius werden uitgegeven.
   Confucius, een van de grootste wijzen van de oude wereld, geloofde in de oude magie en beoefende die zelf ‘als we de mededelingen van Kin-Yu aanvaarden’ . . . en ‘hij prees die hemelhoog in Yi-King’, vertelt zijn eerwaarde criticus. Niettemin leerden Confucius en zijn school zelfs in die tijd, d.w.z. 600 v.Chr., de bolvorm van de aarde en zelfs het heliocentrische stelsel; terwijl ongeveer driemaal 600 jaar na de Chinese filosoof de pausen van Rome ‘ketters’ bedreigden en zelfs verbrandden, omdat zij hetzelfde beweerden. Men lacht om hem als hij over de ‘heilige schildpad’ spreekt. Niemand die onbevooroordeeld is, kan echter veel verschil zien tussen een schildpad en een lam als kandidaten voor heiligheid, want beide zijn symbolen en niet meer. De os, de adelaar25, de leeuw en soms de duif zijn ‘de heilige dieren’ van de westerse bijbel; de eerste drie vindt men gegroepeerd rond de evangelisten, en het vierde (het menselijke gezicht) is een Serafijn, d.w.z. een vurige slang, waarschijnlijk de gnostische Agathodaemon26. Zoals werd verklaard, hebben de ‘heilige dieren’ en de vlammen of ‘vonken’ binnen de ‘heilige vier’ betrekking op de oervormen van alles wat in het Heelal wordt gevonden in de goddelijke gedachte, in de wortel, die de volmaakte kubus of de collectieve en individuele grondslag van de Kosmos is. Zij staan alle in occulte betrekking tot de oorspronkelijke kosmische vormen en de eerste verdichtingen, werking en evolutie ervan.
   In de vroegste exoterische hindoekosmogonieën is het zelfs niet de Demiurg die schept. Want in een van de Purāna’s staat: ‘De grote architect van de wereld geeft de eerste impuls tot de draaiende beweging van ons planetenstelsel, door achtereenvolgens over elke planeet en elk lichaam heen te stappen.’ Deze handeling ‘veroorzaakt dat elke bol om zichzelf heen gaat draaien, en alle rond de zon’. Hierna zijn het de brahmandica, de zonne- en maanpitri’s (de Dhyani-Chohans) ‘die tot het einde van de kalpa de zorg voor hun respectievelijke sferen (aarden en planeten) op zich nemen’. De scheppers zijn de rishi’s, van wie de meesten als de schrijvers van de mantra’s of hymnen van de Rig Veda worden beschouwd. Soms zijn het er zeven, soms tien, als zij prajāpati, de ‘Heer van de wezens’, worden; dan worden ze weer de zeven en de veertien Manu’s, als vertegenwoordigers van de zeven en veertien cyclussen van Bestaan (dagen van Brahmā’); zo komen zij met de zeven Aeonen overeen, als zij aan het einde van het eerste stadium van evolutie worden veranderd in de zeven sterre-rishi’s, de saptarshi, terwijl hun menselijke dubbelgangers op deze aarde verschijnen als helden, koningen en wijzen.
   Nadat de esoterische leer van het oosten zo de grondtoon had aangeslagen – die, zoals men kan zien, in zijn allegorische gewaad even wetenschappelijk als filosofisch en dichterlijk is – heeft elk volk haar voorbeeld gevolgd. Wij moeten uit de exoterische religies de grondgedachte naar boven brengen, vóór we ons wenden tot esoterische waarheden, opdat de laatstgenoemde niet worden verworpen. Bovendien kan elk symbool – in elke volksreligie – esoterisch worden gelezen, en het bewijs dat het goed werd gelezen, wordt geleverd door het om te zetten in de overeenkomstige getallen en meetkundige vormen – namelijk door de buitengewone overeenstemming daartussen – hoeveel de beelden en symbolen ook onderling verschillen. Want oorspronkelijk waren al deze symbolen gelijk. Neem bijvoorbeeld de inleidende zinnen in de verschillende kosmogonieën: in alle gevallen betreffen deze een cirkel, een ei of een hoofd. Duisternis wordt altijd in verband gebracht met dit eerste symbool en omringt het – zoals men ziet in het Hindoe-, Egyptische, Chaldeeuws-Hebreeuwse en zelfs in het Scandinavische stelsel – vandaar zwarte raven, zwarte duiven, zwarte wateren en zelfs zwarte vlammen; en ook de zevende tong van Agni, de vuurgod, die ‘Kali’ wordt genoemd, ‘de zwarte’, omdat deze een zwarte flikkerende vlam was. Twee zwarte duiven vlogen uit Egypte, zetten zich neer op de eiken van Dodona en gaven hun namen aan de Griekse goden. Noach laat na de zondvloed een zwarte raaf los, een symbool voor het kosmische pralaya, waarna de werkelijke schepping of evolutie van onze aarde en van de mensheid begon. De zwarte raven van Odin fladderden rond de godin Saga en ‘fluisterden tegen haar over het verleden en de toekomst’. Wat is de werkelijke betekenis van al die zwarte vogels? Zij staan alle in verband met de oorspronkelijke wijsheid die uit de pre-kosmische bron van alles stroomt, en die wordt gesymboliseerd door het hoofd, de cirkel en het ei; en zij hebben alle dezelfde betekenis en hebben betrekking op de oorspronkelijke archetypische mens (Adam Kadmon), de scheppende oorsprong van alle dingen, die is samengesteld uit de menigte van kosmische krachten – de scheppende Dhyan-Chohans, buiten wie alles duisternis is.
   Laten we te rade gaan bij de wijsheid van de Kabbala – zelfs al is die nu versluierd en verwrongen – om met haar getallentaal tenminste ongeveer de betekenis van het woord ‘raaf’ te verklaren. Dit is de getallenwaarde ervan, zoals die in de Source of Measures wordt gegeven.
   ‘Het woord raaf wordt maar één keer gebruikt, en wel als eth-h’orebv את־הערב = 678 of 113 x 6; terwijl de duif vijfmaal wordt genoemd. Haar waarde is 71, en 71 x 5 = 355. Zes elkaar snijdende middellijnen of de raaf zouden de omtrek van een cirkel van 355 in 12 delen of afdelingen verdelen; en 355 voor iedere eenheid door 6 gedeeld, zou gelijk zijn aan 213-0 of het hoofd (‘begin’) in het eerste vers van Genesis. Als men dit op dezelfde manier door 2 deelt of onderverdeelt, of de 355 door 12, zou dit 213-2 geven, of het woord b’rāsh ב־ראש, of het eerste woord van Genesis, voorafgegaan door een voorzetsel, dat astronomisch dezelfde geconcretiseerde algemene vorm betekent als hier wordt bedoeld.’
   Omdat nu de geheime lezing van het eerste vers van Genesis is: ‘In rash (b’rash) of het hoofd ontwikkelden zich goden, de hemelen en de aarde’ – is het gemakkelijk de esoterische betekenis van de raaf te begrijpen, zodra de daarmee overeenkomstige betekenis van de vloed (of de zondvloed van Noach) vaststaat. Wat ook de vele andere betekenissen van deze symbolische allegorie mogen zijn, de belangrijkste ervan is die van een nieuwe cyclus, een nieuwe Ronde (onze vierde Ronde)27. De ‘raaf’ of de eth-h’orebv levert dezelfde getallenwaarde op als het ‘hoofd’ en keerde niet naar de ark terug, terwijl de duif wel terugkwam en een olijftak meebracht. Als Noach, de nieuwe mens van het nieuwe Ras (met als prototype Vaivasvata Manu) zich erop voorbereidde de ark, de schoot (of argha) van de aardse natuur te verlaten, is hij het symbool van de zuiver geestelijke, geslachtloze en androgyne mens van de eerste drie Rassen, die voor eeuwig van de aarde verdwenen. Naar hun getallenwaarde zijn Jehova, Adam en Noach één in de Kabbala: op zijn hoogst is het dus de godheid, die op de Ararat (later de Sinaï) neerdaalt om voortaan langs natuurlijke weg in de mens, zijn beeld, te incarneren: de moederschoot, waarvan de ark, de berg (Sinaï), enz. in Genesis de symbolen zijn. De joodse allegorie is eerder astronomisch en zuiver fysiologisch, dan antropomorfistisch.
   En hierin ligt de kloof tussen de twee stelsels (het Arische en het Semitische), hoewel ze op dezelfde grondslag zijn gebouwd. Zoals door een exegeet van de Kabbala werd aangetoond, ‘was de grondgedachte van de filosofie van de Hebreeën, dat God alle dingen in zich bevatte en dat de mens zijn beeld was; man en ook vrouw (als androgynen)’; en dat ‘de meetkunde en de getallen (en de maten die op de sterrenkunde van toepassing zijn) in de woorden man en vrouw liggen besloten; en de schijnbare ongerijmdheid van zo’n opvatting werd weggenomen door het verband aan te tonen van man en vrouw met een bepaald getallen-, maten- en meetkundestelsel, door middel van de perioden van de zwangerschap, die de verbindingsschakel vormden tussen deze woorden en de aangetoonde feiten en die de gebruikte methode vervolmaakten’. Men redeneert dat, omdat de eerste oorzaak absoluut onkenbaar is, ‘het symbool van haar eerste begrijpelijke manifestatie het beeld was van een cirkel met zijn middellijn, om zo tegelijk het denkbeeld van meetkunde, fallisme en sterrenkunde over te brengen’; en dit werd tenslotte toegepast op de ‘betekenis van de menselijke voortplantingsorganen zonder meer’28. Daarom wordt de hele cyclus van gebeurtenissen van Adam en de aartsvaders tot Noach toe, toegepast voor fallische en sterrenkundige doeleinden, waarbij de ene de andere regelde, zoals bijvoorbeeld de maanperioden. Daarom ook begint hun genesis na het verlaten van de ark en het einde van de zondvloed – met het vierde Ras. Bij het Arische volk is dat anders.
   De oosterse esoterie heeft de ene oneindige godheid, de bevatter van alle dingen, nooit voor zulke doeleinden verlaagd; en dit blijkt uit de afwezigheid van Brahmā in de Rig Veda en de bescheiden plaats die daarin door Rudra en Vishnu wordt ingenomen, die eeuwen later de machtige en grote goden werden, de ‘oneindigen’ van de exoterische geloofsopvattingen. Maar zelfs deze drie, ook al mogen zij ‘scheppers’ zijn, zijn niet de directe scheppers en ‘voorouders van de mensen’. De laatstgenoemden blijken een nog lagere rang te bezetten en worden de prajāpati’s, de pitri’s (onze maanvoorouders), enz. genoemd, nooit de ‘ene oneindige god’. De esoterische filosofie zegt dat alleen de stoffelijke mens is geschapen naar het evenbeeld van de godheid; maar deze laatste behoort slechts tot ‘de lagere goden’. Alleen het hogere zelf, het ware ego, is goddelijk en is god.

 

Noten:

  1. Zie Magazine, april 1797.
  2. Ἤτοι μὲν πρώτιστα χάοϛ γένετ’; γένετο werd in de oudheid opgevat in de betekenis ‘was voortgebracht’ en niet eenvoudig was. (Zie Taylor’s Introd. to the Parmenides of Plato, blz. 260.)
  3. Het verwarren van het ‘begrensde’ met het ‘oneindige’ wordt door Kapila in zijn disputen met de brahmaanse yogi’s met spot overstelpt; deze beweren dat zij in hun mystieke visioenen de ‘Allerhoogste’ zien.
  4. Zie het artikel van T. Taylor in zijn Monthly Magazine, aangehaald in de Platonist, uitgegeven door T.M. Johnson, lid van de Theosophical Society, Osceola, Missouri. (Febr. nummer, 1887.
  5. Vāch – de ‘melodieuze koe, die als melk levensonderhoud en water geeft’ en die ons ‘voedsel en onderhoud’ levert, zoals beschreven in de Rig-Veda.
  6. Uit Masonic Review, juni 1886.
  7. In de Bhagavad-Gita daiviprakriti genoemd.
  8. Objectief in de wereld van maya natuurlijk; maar even werkelijk als wij zelf zijn.
  9. Men zou in het verloop van de kosmische manifestatie deze daiviprakriti strikt genomen de dochter van de logos moeten noemen, in plaats van zijn moeder.’ (Notes on the Bhagavad-Gita, blz. 305, Theosophist.)
  10. De wijzen die, evenals Stanley Jevons in deze tijd, een methode hebben uitgevonden om het onbegrijpelijke een tastbare vorm te geven, konden dit alleen doen door hun toevlucht te nemen tot getallen en meetkundige figuren.
  11. Dit verbindt Vāch en Sephira met de godin Kwan-Yin, de ‘barmhartige moeder’, en de goddelijke stem van de ziel, zelfs in het exoterische boeddhisme, en met het vrouwelijke aspect van Kwan-Shai-Yin, de logos, het woord van de schepping en tegelijk met de stem die volgens het esoterische boeddhisme hoorbaar tot de ingewijde spreekt. Bath Kol, de filia Vocis, de dochter van de goddelijke stem van de Hebreeën, die antwoordde vanaf haar genadetroon achter de tempelvoorhang, is – een gevolg.
  12. Pranava is evenals Om een mystieke term, die door de yogi’s tijdens de meditatie wordt uitgesproken; van de woorden die volgens de exoterische commentatoren, vyahriti’s, of ‘om, bhur, bhuva, svar’ (Om, aarde, uitspansel, hemel) worden genoemd, is pranava misschien het heiligste. Zij worden met ingehouden adem uitgesproken. Zie Manu II, 76-81, en de toelichting van Mitakshara op de Yājñavalkya-Smriti, i, 23. Maar de esoterische verklaring gaat veel verder.
  13. Deze drie-eenheid wordt bedoeld met de ‘drie stappen van Vishnu’; en dat betekent (omdat Vishnu in de exoterie wordt opgevat als het oneindige) dat uit Parabrahm Mulaprakriti, purusha (de logos) en prakriti voortkwamen; dit zijn de vier vormen (met haarzelf, de synthese) van Vāch. En in de Kabbala zijn ze Ain-Soph, Shekinah, Adam Kadmon en Sephirah, de vier – of de drie uitstralingen die, terwijl ze verschillend zijn – toch één zijn.
  14. Het Chaldeeuwse Boek van de Getallen. In de huidige versie van de Kabbala vervangt de naam Jehova die van Adam Kadmon.
  15. Justinus de Martelaar deelt ons mee, dat hij op grond van zijn onbekendheid met deze vier wetenschappen door de pythagoreeërs als kandidaat voor toelating tot hun school werd afgewezen.
  16. 31415 of π. De synthese of de in de logos en het punt verenigde menigte, die in het rooms-katholicisme de ‘engel van het aangezicht’ en in het Hebreeuws מִיכָאֵל wordt genoemd; ‘die (lijkt op, of dezelfde is als) God’ – de gemanifesteerde weergave.
  17. Omdat ze verschijnen bij het begin van de cyclussen en ook van elk siderisch jaar (van 25.868 jaar), ontvingen de Kabeiri of Kabarim hun naam in Chaldea, want deze betekent de maten van de hemel, van kob – maat van, en urim – hemelen.
  18. Dit Egyptische woord naja doet sterk denken aan de Naga, de slangengod van India. Brahmā, Siva en Vishnu zijn allen met naga’s gekroond en worden ermee in verband gebracht een teken van hun cyclische en kosmische karakter.
  19. De vertaler van de Qabbalah van Avicebron (Isaac Myer, LL. B. te Philadelphia) zegt over dit ‘totaal’: ‘De letter van kether is י (yod), van binah ה (hēh), samen yah, de vrouwelijke naam; de derde letter, die van hokhmah, is ו (vau), samen vormen deze יהו YHV van het tetragrammaton יהוה YHVH, en zijn in werkelijkheid de volledige symbolen van zijn krachtdadigheid. De laatste ה (hēh) van deze onuitsprekelijke naam heeft altijd betrekking op de zes lagere en de laatste, samen de zeven overblijvende sephiroth.’ . . . Het tetragrammaton is dus alleen heilig in zijn abstracte synthese. Als een viertal dat de lagere zeven sephiroth bevat, is het fallisch.
  20. Men zal deze bewering natuurlijk dwaas en absurd vinden en er eenvoudig om lachen. Maar als men gelooft dat Atlantis 850.000 jaar geleden tenslotte door de zee werd verzwolgen, zoals in Esoteric Buddhism wordt geleerd (het eerste geleidelijke verzinken begon tijdens het Eoceen), dan moet men de bewering ook aanvaarden voor het zogenaamde Lemurië, het vasteland van het derde Wortelras, dat eerst bijna door vuur werd vernietigd en toen is verzonken. De Toelichting zegt: ‘Toen de eerste aarde was gezuiverd door de negenenveertig vuren, kon haar bevolking, die uit vuur en water was geboren, niet sterven . . . enz.; de tweede aarde (met haar ras) verdween als damp in de lucht . . . op de derde aarde werd alles na de scheiding verteerd en verdween in de lagere diepte (de oceaan). Dit was tweemaal tweeëntachtig cyclische jaren geleden.’ Een cyclisch jaar noemen wij een siderisch jaar, en is gebaseerd op de precessie van de dag- en nachteveningen, of 25.868 jaar elk, en dit is dus in totaal gelijk aan 4.242.352 jaar. In Deel II zal men hierover meer details vinden. Ondertussen is deze leer belichaamd in de ‘Koningen van Edom’.
  21. Hetzelfde voorbehoud treft men aan in de talmoed en in elk nationaal religieus stelsel, of dit nu monotheïstisch of exoterisch polytheïstisch is. Uit het prachtige religieuze gedicht van de kabbalist rabbi Solomon Ben Gabirol in ‘de Kether Malchuth’, kiezen we enkele definities uit de Kippūrgebeden . . . ‘Gij zijt één, het begin van alle getallen en de grondslag van alle bouwsels; Gij zijt één, en in het geheim van uw eenheid raken de meest wijze mensen verloren, omdat zij het niet kennen. Gij zijt één, en uw eenheid is nooit verminderd en nooit vergroot en kan niet worden veranderd. Gij zijt één, maar niet als element van telling, want uw eenheid laat geen vermenigvuldiging, verandering of vorm toe. Gij bestaat; maar het begrip en het inzicht van stervelingen kunnen uw bestaan niet bereiken, en evenmin voor u het waar, het hoe en het waarom bepalen. Gij bestaat, maar alleen in uzelf, omdat er geen ander is die naast u kan bestaan. Gij bestaat vóór alle tijd en zonder plaats. Gij bestaat, en uw bestaan is zo diep en geheim dat niemand tot uw verborgenheid kan doordringen en deze kan ontdekken. Gij leeft, maar niet binnen een tijd die kan worden vastgesteld of gekend. Gij leeft, maar niet door een geest of een ziel, want gij zijt uzelf, de ziel van alle zielen’, enz. Er is een groot verschil tussen deze kabbalistische godheid en de bijbelse Jehova, de kwaadaardige en wraakzuchtige god van Abram, Izaäk en Jakob, die de eerste in verleiding bracht en met de laatste worstelde. Een aanhanger van de Vedanta zou zo’n Parabrahm slechts verwerpen.
  22. De eerw. Joseph Edkins, On Cosmogony, blz. 320. En zij hebben heel verstandig gehandeld.
  23. Als hij dit verwierp, dan was het op grond van wat hij de veranderingen van de mens noemt – met andere woorden, wedergeboorten en voortdurende transformaties. Hij ontzegde onsterfelijkheid aan de persoonlijkheid van de mens – evenals wij – maar niet aan de mens.
  24. De protestanten mogen hem uitlachen, maar de rooms-katholieken hebben niet het recht hem te bespotten zonder zich schuldig te maken aan godslastering en heiligschennis. Want meer dan 200 jaar geleden werd Confucius in China door de rooms-katholieken heilig verklaard, die daardoor onder de onwetende volgelingen van Confucius veel bekeerlingen hebben gemaakt.
  25. De dieren die in de bijbel als heilig worden beschouwd, zijn niet gering in aantal: de geit bijvoorbeeld, de Azaz-el of god van de overwinning. Zoals Aben Ezra zegt: ‘Als u in staat bent het mysterie van Azazel te begrijpen, zult u het mysterie van zijn naam (van God) te weten komen, want die heeft soortgelijke verbindingen in de geschriften. Ik zal u door een zinspeling een gedeelte van het mysterie meedelen; als u drieëndertig jaar oud zult zijn, zult u mij begrijpen.’ Hetzelfde geldt voor het mysterie van de schildpad. Een vrome Franse schrijver, vol vreugde over de dichterlijkheid van de bijbelse metaforen, die ‘gloeiende stenen’, ‘heilige dieren’, enz. met de naam Jehova verbindt, haalt de Bible de Vence aan (Deel XIX, blz. 318) en zegt: ‘Inderdaad zijn ze allen Elohim evenals hun god; want deze engelen nemen door een heilige toe-eigening de goddelijke naam van Jehova aan, elke keer dat zij hem vertegenwoordigen.’ (Pneumatologie, Deel II, blz. 294.) Niemand heeft er ooit aan getwijfeld dat de naam moet zijn aangenomen, toen de malachim (boodschappers) onder het mom van het Oneindige, het Ene Onkenbare, neerdaalden om met de mensen te eten en te drinken. Maar als de Elohim (en zelfs lagere wezens), die de godsnaam hebben aangenomen, werden en nog steeds worden vereerd, waarom moeten dezelfde Elohim dan duivels worden genoemd, als zij verschijnen onder de naam van andere goden?
  26. De keuze is merkwaardig en toont aan hoe paradoxaal de eerste christenen in hun voorkeur waren. Want waarom zouden zij deze symbolen van het Egyptische heidendom hebben gekozen, wanneer de adelaar nergens in het Nieuwe Testament voorkomt, behalve één keer, als Jezus hem een aaseter noemt (Matth. xxiv, 28), en deze in het Oude Testament onrein wordt genoemd? En wanneer de leeuw wordt vergeleken met satan, omdat beide om mensen brullen om ze te verslinden; en de ossen uit de tempel worden verdreven? Anderzijds wordt de slang, die als een voorbeeld van wijsheid naar voren wordt gebracht, nu beschouwd als het symbool van de duivel. De esoterische parel van de religie van Christus, die tot christelijke theologie is verlaagd, heeft inderdaad een vreemde en ongeschikte schelp gekozen om in te worden geboren en om uit te evolueren.
  27. Bryant heeft gelijk als hij zegt: ‘De barden van de druïden zeggen dat Noach, toen hij uit de ark (de geboorte van een nieuwe cyclus) kwam, na een verblijf daarin van een jaar en een dag, dat is 364 + 1 = 365 dagen, door Neptunus werd gelukgewenst met zijn geboorte uit de wateren van de zondvloed, en een gelukkig nieuwjaar werd toegewenst.’ Het ‘jaar’ of de cyclus was esoterisch het nieuwe mensenras dat na de scheiding van de geslachten uit de vrouw werd geboren, en dit is de secundaire betekenis van de allegorie; de oorspronkelijke betekenis is het begin van de vierde Ronde, of de nieuwe schepping.
  28. Een niet uitgegeven manuscript. (Maar zie Source of Measures.)

 


De Geheime Leer 1:465-88

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag