DEEL 1. AFDELING 2


§ 1

Symboliek en ideografie


‘Een symbool is altijd, voor wie er oog voor heeft, een meer of minder duidelijke openbaring van het goddelijke. Door alle symbolen spreekt iets van een goddelijke gedachte; ja, zelfs het hoogste teken waaronder mensen ooit samenkwamen en zich verenigden, het kruis zelf, had geen andere betekenis dan die er toevallig van buiten af werd ingelegd.’        – Carlyle

   De schrijfster heeft het grootste deel van haar leven besteed aan de studie van de verborgen betekenis van elke religieuze en niet-religieuze legende van alle volkeren, groot of klein – in het bijzonder van de tradities van het oosten. Zij behoort tot hen, die ervan overtuigd zijn dat geen enkel mythologisch verhaal, geen enkele gebeurtenis in de overgeleverde sagen van een volk, ooit volledig is verzonnen, maar dat elk van die verhalen een ware historische achtergrond heeft. In dit opzicht verschilt de schrijfster van mening met die kenners van de symboliek, hoe groot hun reputatie ook is, die in iedere mythe niets anders zien dan nòg een bewijs voor de neiging tot bijgeloof van de Ouden, en die geloven dat alle mythologieën zijn voortgekomen uit en gebaseerd zijn op zonnemythen. Gerald Massey, de dichter en egyptoloog, rekende op bewonderenswaardige manier met zulke oppervlakkige denkers af in een lezing over ‘Maan-aanbidding, vroeger en nu’. Zijn rake kritiek verdient een plaats in dit gedeelte van dit boek, omdat deze zo goed onze eigen gevoelens weergeeft, die wij al in 1875 openlijk hebben geuit, toen ‘Isis Ontsluierd’ werd geschreven.

   ‘De laatste dertig jaar heeft professor Max Müller in zijn boeken en lezingen, in de Times en in verschillende tijdschriften, als spreker voor het Royal Institution, op de kansel van Westminster Abbey en vanuit zijn leerstoel in Oxford verkondigd, dat de mythologie een ziekte van de taal is en dat de oude symboliek het resultaat was van zoiets als een primitieve verstandelijke afwijking.
   ‘Wij weten’, zegt Renouf, die Max Müller in zijn Hibbert-lezingen napraat, ‘wij weten dat de mythologie inderdaad de ziekte is die optreedt in een bijzonder stadium van de menselijke beschaving’. Zo luidt de oppervlakkige verklaring van de tegenstanders van de evolutieleer en zulke verklaringen worden nog steeds aanvaard door het Britse publiek, dat anderen voor zich laat denken. Professor Max Müller, Cox, Gubernatis en andere voorstanders van de zonnemythe, hebben de primitieve vormer van de mythen voor ons afgeschilderd als een soort gegermaniseerde hindoemetafysicus, die zijn eigen schaduw op een gedachtenevel werpt en op knap uitgedachte manier over rook of tenminste over een wolk spreekt, terwijl het hemelgewelf boven hem, evenals de koepel uit dromenland, wordt volgekrabbeld met de afbeeldingen van nachtmerries van inboorlingen! Zij stellen zich de vroege mens voor naar hun eigen gelijkenis en beschouwen hem als iemand met een verdorven neiging tot zelfbedrog of, zoals Fontenelle zegt, ‘geneigd tot het waarnemen van dingen die er niet zijn’. Zij hebben een verkeerde voorstelling gegeven van de primitieve of archaïsche mens, alsof deze vanaf het begin door zijn werkzame maar ongedisciplineerde verbeeldingskracht op idiote manier werd misleid en in allerlei onjuistheden geloofde, die door zijn eigen dagelijkse ervaring steeds regelrecht werden tegengesproken; een dwaze fantast te midden van die wrede werkelijkheid, die hem hardhandig ervaringen inprent, zoals de schurende ijsbergen hun afdruk maken op de rotsen onder de zee. Er moet nog worden gezegd, en dit zal eens worden erkend, dat deze gezaghebbende leraren niet dichter bij het begin van de mythologie en van de taal zijn gekomen dan Burns’ dichter Willie bij Pegasus. Mijn antwoord is: ‘Het is maar een droom van de metafysische theoreticus, dat de mythologie een ziekte van de taal was of van iets anders behalve zijn eigen hersenen.’ Deze zonaanbidders en weerprofeten hebben voor wat betreft de oorsprong en betekenis van de mythologie de plank volkomen misgeslagen! De mythologie was een primitieve manier om de eerste gedachten te vormen. Zij was gebaseerd op feiten in de natuur en kan nog steeds aan verschijnselen worden getoetst. Zij bevat niets dwaas of irrationeels als men haar beschouwt in het licht van de evolutie en als men haar manier van uitdrukken door middel van tekens volledig begrijpt. De dwaasheid ontstaat als men haar ten onrechte opvat als de geschiedenis van de mens of als goddelijke openbaring1. De mythologie is de schatkamer van de oudste wetenschap van de mens en voor ons is het belangrijkste dat, wanneer zij opnieuw op de juiste manier wordt geïnterpreteerd, zij de dood gaat betekenen voor al die onjuiste theologieën die zij onbewust in het leven heeft geroepen2. In het moderne taalgebruik wordt soms gezegd dat een bewering een mythe is naarmate zij minder waarheid bevat; maar de oude mythologie was geen stelsel of manier van vervalsing in die betekenis. Haar fabels waren middelen om feiten mee te delen; ze waren noch vervalsingen noch verzinsels. . . . Toen de Egyptenaren bijvoorbeeld de maan afbeeldden als een kat, waren ze niet zo onwetend te veronderstellen dat de maan een kat was; ook zag hun verwarde verbeelding in de maan geen enkele gelijkenis met een kat; evenmin was de kat-mythe slechts een of andere beeldspraak waarop werd voortgeborduurd; noch hadden ze de bedoeling om puzzels of raadsels op te geven. . . . Zij hadden het eenvoudige feit ontdekt, dat de kat in het donker kon zien en dat haar ogen ’s nachts geheel rond werden en dan het meeste licht gingen weerkaatsen. De maan was de zieneres aan de nachtelijke hemel en de kat was haar equivalent op aarde; en zo werd de aan allen bekende kat aangenomen als een vertegenwoordigster, een natuurlijk teken, een levende afbeelding van de maanschijf. . . . En hieruit volgde dat ook de zon, die ’s nachts neerkeek in de onderwereld, een kat kon worden genoemd, wat ook gebeurde, omdat ook hij in het donker zag. ‘Kat’ is in het Egyptisch mau, wat de ziener betekent, van mau, zien. Eén schrijver over de mythologie beweert dat de Egyptenaren ‘zich een grote kat voorstelden achter de zon, die de pupil is van het oog van die kat’. Maar dit is een modern verzinsel. Het is het stokpaardje van Max Müller. De maan als kat was het oog van de zon, omdat zij het zonlicht weerkaatste en omdat het oog het beeld in zijn spiegel weergeeft. De kat houdt in de vorm van de godin Pasht de wacht voor de zon, terwijl zij met haar poot de kop van de slang van de duisternis, die de eeuwige vijand van de zon wordt genoemd, neerdrukt en verplettert . . .’

   Dit is een heel nauwkeurige uiteenzetting van de maanmythe vanuit astronomisch gezichtspunt. De maanbeschrijving is echter het minst esoterische gedeelte van de maansymboliek. Voor een grondig begrip van de maankennis – als we dit zelfgemaakte woord mogen gebruiken – moet men zich op de hoogte stellen van meer dan haar astronomische betekenis. De maan (zie § IX, Deus Lunus) staat in nauw verband met de Aarde, zoals in Stanza VI van Deel I is aangetoond, en is meer direct betrokken bij alle geheimen van onze bol dan zelfs Venus-Lucifer, de occulte zuster en de alter-ego van de Aarde.
   Het onderzoek van de onvermoeibare westerse, en vooral Duitse, kenners van de symboliek in de 18de en 19de eeuw heeft iedere occultist en de meeste onbevooroordeelde personen laten inzien, dat zonder de hulp van de symboliek (met haar zeven takken, waarvan de moderne mens niets weet) geen enkel oud geschrift ooit juist kan worden begrepen. De symboliek moet worden bestudeerd vanuit elk van haar aspecten, want ieder volk had zijn eigen speciale manier van uitdrukken. Kortom, geen enkele Egyptische papyrus, geen enkele Indiase olla, geen Assyrisch kleitablet of Hebreeuwse boekrol moet men letterlijk lezen en aannemen.
   Elke onderzoeker weet dat nu. De voortreffelijke lezingen van G. Massey zijn op zichzelf al voldoende om iedere eerlijke christen ervan te overtuigen, dat het aannemen van de bijbel naar de dode letter erop neerkomt, dat men tot een grovere dwaling en bijgelovigheid vervalt dan tot nu toe ooit is opgekomen in het brein van een wilde van de Zuidzee-eilanden. Het feit echter, waarvoor zelfs de meest waarheidlievende en naar waarheid zoekende oriëntalisten – of zij nu indologen of egyptologen zijn – blind schijnen te blijven, is dat ieder symbool op papyrus of op een olla een diamant is met veel facetten, waarvan elk niet alleen op verschillende manieren kan worden uitgelegd, maar ook in verband staat met verschillende wetenschappen. Een voorbeeld hiervan is de zojuist geciteerde interpretatie van de maan, gesymboliseerd door de kat – een voorbeeld van siderisch-aardse beeldspraak; de maan heeft bij andere volkeren ook veel andere betekenissen.
   Zoals een geleerde vrijmetselaar en theosoof, wijlen Kenneth Mackenzie, heeft aangetoond in zijn Royal Masonic Cyclopaedia, bestaat er een groot verschil tussen een embleem en een symbool. Het eerstgenoemde ‘omvat een grotere reeks van denkbeelden dan een symbool, waarvan men eerder kan zeggen dat het één enkel bijzonder denkbeeld toelicht’. De symbolen (bijvoorbeeld de zon- en maansymbolen) van verschillende landen, die elk zo’n bijzonder denkbeeld of een reeks van denkbeelden weergeven, vormen te zamen een esoterisch embleem. Het laatstgenoemde is ‘een concreet zichtbaar beeld of teken, dat beginselen of een reeks van beginselen voorstelt, die kunnen worden herkend door degenen die een bepaald onderricht hebben ontvangen’ (ingewijden). Om het nog duidelijker te zeggen: een embleem is gewoonlijk een reeks van getekende figuren, die allegorisch worden opgevat en verklaard en waarin een gedachte in opeenvolgende panoramische beelden wordt verduidelijkt. Zo zijn de Purāna’s geschreven emblemen. Dit geldt ook voor het mozaïsche en het christelijke Testament, of de bijbel, en alle andere exoterische geschriften. Dezelfde autoriteit zegt:

   ‘Alle esoterische genootschappen, zoals dat van Pythagoras, van Eleusis, de Hermetische Broeders van Egypte, de rozenkruisers en de vrijmetselaars, hebben gebruikgemaakt van emblemen en symbolen. Veel van deze emblemen mogen niet aan het publiek bekend worden gemaakt, en een miniem verschil kan het embleem of symbool een heel andere betekenis geven. De magische zegels, die zijn gebaseerd op bepaalde eigenschappen van getallen, hebben een dergelijk karakter en hoewel ze in de ogen van de niet-ingewijden monsterachtig of belachelijk lijken, verschaffen ze aan degenen die zijn geoefend om ze te herkennen, een heel stelsel van leringen.’

   De bovengenoemde genootschappen zijn alle betrekkelijk modern, en geen daarvan gaat terug tot vóór de middeleeuwen. Het is dan ook des te meer nodig dat de leerlingen van de oudste archaïsche school er zorg voor dragen geen geheimen te onthullen die van veel groter belang zijn voor de mensheid (omdat zij in handen van de laatstgenoemde gevaarlijk zijn) dan alle zogenaamde ‘vrijmetselaarsgeheimen’ die nu, zoals de Fransen zeggen, ‘secrets de Polichinelle’ zijn geworden! Deze beperking kan echter alleen slaan op de psychologische of liever de psychofysiologische en kosmische betekenis van symbolen en emblemen, en zelfs dan nog maar gedeeltelijk. Een adept moet weigeren de omstandigheden en middelen mee te delen die leiden tot een wisselwerking van de elementen, hetzij psychisch of stoffelijk, die zowel schadelijke als gunstige gevolgen kan hebben. Maar hij is altijd bereid de ernstige onderzoeker het geheim mee te delen van het denken van de oudheid over alles wat verband houdt met onder mythologische symboliek verborgen geschiedenis, en zo enkele nieuwe bakens te zetten voor een terugblik in het verleden, omdat die nuttige informatie bevat met betrekking tot de oorsprong van de mens, de evolutie van de rassen en de kennis van de aardkorst. Toch hoort men tegenwoordig, niet alleen onder theosofen maar ook onder de weinige geïnteresseerde leken op dit gebied, vaak de klacht: ‘Waarom maken de adepten niet bekend wat zij weten?’ Hierop zou men kunnen antwoorden: ‘Waarom zouden ze dat doen, omdat men van te voren weet, dat geen man van de wetenschap de feiten die worden meegedeeld zal aanvaarden, zelfs niet als hypothese, laat staan als theorie of axioma. Heeft u zelfs maar het ABC van de occulte filosofie uit de Theosophist, Esoteric Buddhism, en andere boeken en tijdschriften aanvaard of geloofd? Is zelfs niet het weinige dat werd gegeven, belachelijk gemaakt en bespot en werd dit niet gesteld tegenover enerzijds de ‘dier-’ en ‘aaptheorie’ van Huxley-Haeckel en anderzijds de rib van Adam en de appel?’ Ondanks zo’n weinig benijdenswaardig vooruitzicht, worden er in dit boek een groot aantal feiten gegeven. En de oorsprong van de mens, de evolutie van de aardbol en van de rassen, zowel menselijk als dierlijk, worden hier nu zo volledig behandeld als voor de schrijfster mogelijk is.
   De bewijzen die ter bevestiging van de oude leringen naar voren werden gebracht, liggen wijdverspreid in de oude geschriften van de vroege beschavingen. De Purāna’s, de Zendavesta en de oude klassieken staan er vol van, maar niemand heeft zich ooit de moeite gegeven die feiten te verzamelen en met elkaar in verband te brengen. De reden hiervoor is dat al die gebeurtenissen op symbolische manier werden opgetekend en dat de grootste geleerden, de scherpzinnigste denkers onder de indologen en egyptologen, maar al te vaak door een of andere vooropgezette mening in verwarring werden gebracht, en nog vaker door eenzijdige opvattingen over de geheime betekenis. Maar zelfs een parabel is een gesproken symbool: een kort verhaal of een fabel, zoals sommigen denken. Volgens ons is deze echter een allegorische voorstelling van werkelijkheden uit het leven, gebeurtenissen en feiten. En evenals er uit een parabel altijd een moraal wordt afgeleid die een waarheid en een feit in het leven van de mens voorstelt, zo werd door degenen die op de hoogte waren van de priesterlijke wetenschappen, tot een historische ware gebeurtenis geconcludeerd uit bepaalde emblemen en symbolen, die in de oude tempelarchieven waren opgenomen. De religieuze en esoterische geschiedenis van ieder volk werd in symbolen vastgelegd; deze werd nooit met zoveel woorden weergegeven. Alle gedachten en emoties, alle geopenbaarde en verkregen geleerdheid en kennis van de vroege rassen kwamen door middel van beelden tot uitdrukking in allegorie en parabel. Waarom? Omdat het gesproken woord een kracht bezit, die de moderne ‘wijzen’ niet kennen, niet vermoeden en waarin zij niet geloven. Omdat geluid en ritme in nauw verband staan met de vier elementen van de Ouden en omdat een dergelijke trilling in de lucht ongetwijfeld overeenkomstige krachten zal opwekken, en een vereniging daarmee zal afhankelijk van de omstandigheden goede of kwade gevolgen teweegbrengen. Het werd geen onderzoeker ooit toegestaan om historische, religieuze of andere werkelijke gebeurtenissen op ondubbelzinnige manier uit te spreken, opdat de krachten die met die gebeurtenis samenhangen niet opnieuw zouden worden aangetrokken. Zulke gebeurtenissen werden alleen tijdens de inwijding verteld, en iedere leerling moest ze in overeenkomstige symbolen vastleggen, die hij zelf moest bedenken en die later door zijn Meester werden onderzocht, voordat zij tenslotte werden aanvaard. Zo kwam geleidelijk het Chinese alfabet tot stand, zoals daarvóór in het oude Egypte de priestersymbolen werden vastgesteld. In de Chinese taal, waarvan het alfabet in iedere taal3 kan worden gelezen en dat maar weinig minder oud is dan het Egyptische alfabet van Thoth, heeft ieder woord zijn overeenkomstige symbool in de vorm van een afbeelding. De taal bezit vele duizenden van die symbolische tekens, of logogrammen, die elk een heel woord aanduiden, want letters of een alfabet bestaan in de Chinese taal evenmin als in de Egyptische taal tot in een veel latere tijd.
   We zullen nu proberen de belangrijkste symbolen en emblemen te verklaren, want Deel II, dat het ontstaan van de mens behandelt, zou zonder een voorbereidende kennis van tenminste de metafysische symbolen erg moeilijk zijn te begrijpen.
   Het zou ook niet gerechtvaardigd zijn om een esoterische uiteenzetting te geven over symboliek, zonder de verschuldigde eer te bewijzen aan iemand die haar in deze eeuw de grootste dienst heeft bewezen door de belangrijkste sleutel te ontdekken tot de oude Hebreeuwse symboliek, die sterk is verweven met de leer van maten en gewichten en een van de sleutels vormt tot de eens universele mysterietaal. Wij betuigen onze dank aan Ralston Skinner uit Cincinnati, de schrijver van ‘The Hebrew-Egyptian Mystery and the Source of Measures’. Van nature een mysticus en kabbalist, heeft hij jarenlang in die richting gewerkt, en zijn inspanningen werden ongetwijfeld met veel succes bekroond. In zijn eigen woorden:

   ‘De schrijver is ervan overtuigd dat er een heel oude taal heeft bestaan, die in onze tijd en tot op heden verloren schijnt te zijn gegaan, maar waarvan de overblijfselen in overvloed aanwezig zijn. . . . De schrijver heeft ontdekt dat deze meetkundige verhouding (de integrale getalsverhouding van de middellijn van een cirkel tot de omtrek) de heel oude en waarschijnlijk goddelijke oorsprong was van de lengtematen. . . . Het lijkt vrijwel bewezen, dat hetzelfde stelsel van meetkunde, getallen, verhoudingen en maten bekend was en gebruikt werd op het continent van Noord-Amerika, zelfs voordat de afstammelingen van de Semieten het kenden. . . .’
   ‘Het eigenaardige van deze taal was, dat ze in een andere taal kon worden opgenomen en verborgen en niet kon worden opgemerkt, behalve met behulp van bijzonder onderricht. Letters en tekens voor lettergrepen hadden tegelijkertijd de kracht of de betekenis van getallen, van meetkundige figuren, afbeeldingen of ideogrammen en symbolen. Het bereiken van het daarmee beoogde doel zou beslist worden bevorderd door parabels in de vorm van verhalen of gedeelten van verhalen, terwijl dat doel ook afzonderlijk op verschillende onafhankelijke manieren kon worden uitgedrukt door middel van afbeeldingen op stenen of lemen constructies.’
   ‘Het volgende dient om een dubbelzinnigheid van het woord taal weg te nemen. In de eerste plaats betekent het woord het uitdrukken van gedachten door het menselijke spreken, maar het kan ook het uitdrukken van gedachten door een ander middel betekenen. Deze oude taal is in de Hebreeuwse tekst zo geformuleerd, dat men door het gebruik van de geschreven lettertekens, die de taal volgens de eerste definitie vormen, met opzet een heel afzonderlijke reeks van gedachten kan overbrengen, die verschillen van de denkbeelden die tot uitdrukking worden gebracht als men de klanktekens leest. Deze tweede taal geeft onder een sluier een reeks van gedachten weer, in de verbeelding gevormde kopieën van waarneembare dingen die men zich kan voorstellen en van dingen die tot de werkelijkheid kunnen worden gerekend zonder waarneembaar te zijn. Het getal 9 bijvoorbeeld kan als een werkelijkheid worden beschouwd, hoewel het geen waarneembaar bestaan heeft, en zo kan ook een omloop van de maan, los van de maan zelf die de omloop heeft gemaakt, een werkelijk denkbeeld doen ontstaan, ofschoon zo’n omloop niet iets wezenlijks heeft. Deze begrippentaal kan bestaan uit symbolen, die zich beperken tot willekeurige woorden en tekens, en kan een heel beperkte omvang hebben en volkomen waardeloos zijn, of zij kan een uitleg van de natuur in enkele van haar manifestaties zijn, die voor de menselijke beschaving van bijna onmetelijke waarde is. Een afbeelding van iets uit de werkelijkheid kan aanleiding geven tot gedachten over daarmee samenhangende onderwerpen, die als de spaken van een wiel in verschillende en zelfs tegenovergestelde richtingen wijzen, en die werkelijkheden voortbrengen op gebieden die geheel vreemd zijn aan de schijnbare strekking van wat men uit de eerste afbeelding kan aflezen. Uit een begrip kan een verwant begrip ontstaan, maar wanneer dit het geval is, moeten alle daaruit voortvloeiende gedachten, hoe schijnbaar onsamenhangend deze ook zijn, uit het oorspronkelijke denkbeeld voortkomen en harmonisch samenhangen of onderling zijn verbonden. . . . Zo zou uit een afbeelding van een voldoend fundamentele gedachte de voorstelling van de kosmos zelf kunnen voortvloeien, zelfs tot in de details van zijn bouw. Een dergelijk gebruik van de gewone taal is nu verouderd, maar de schrijver is zich gaan afvragen of zo’n taal ooit in een ver verleden de algemeen gebruikte wereldtaal is geweest die echter, naarmate zij meer en meer in haar geheime vormen werd gegoten, in het bezit kwam van een uitverkoren klasse of kaste. Hiermee bedoel ik dat de volkstaal of de landstaal zelfs vanaf het begin werd gebruikt als een voertuig voor het op deze bijzondere manier overbrengen van denkbeelden. Hiervoor zijn erg sterke bewijzen, en inderdaad schijnt het dat er in de geschiedenis van het mensenras, door oorzaken die we althans op dit moment niet kunnen achterhalen, een terugval of een verlies heeft plaatsgevonden vanuit een oorspronkelijke volmaakte taal en een volmaakt systeem van wetenschappen – zullen we maar volmaakt zeggen, omdat ze van goddelijke oorsprong en afkomst waren?’

   ‘Goddelijke oorsprong’ betekent hier niet een openbaring door een antropomorfe god op een berg te midden van donder en bliksem, maar zoals wij het begrijpen, een taal en een wetenschappelijk stelsel dat aan de vroege mensheid werd meegedeeld door een verder gevorderde mensheid, die zóveel hoger stond, dat zij aan die jeugdige mensheid goddelijk toescheen. Kortom, door een ‘mensheid’ uit andere sferen; een gedachte die niets bovennatuurlijks heeft, maar waarvan het aanvaarden of verwerpen afhangt van de mate van verwaandheid en arrogantie in de geest van degene aan wie deze wordt meegedeeld. Want als de beoefenaars van de moderne wetenschap maar zouden bekennen dat, hoewel zij niets weten – of liever, niets willen aannemen – over de toekomst van de ontlichaamde mens, deze toekomst, als hun ego’s eenmaal van hun grove lichamen zijn bevrijd, toch vol kan zijn van verrassingen en voor hen onverwachte openbaringen, dan zou het materialistische ongeloof minder kansen hebben dan nu het geval is. Wie van hen weet, of kan ons zeggen, wat er zou kunnen gebeuren wanneer de levenscyclus van deze bol is afgelopen en onze moeder aarde zelf in haar laatste slaap valt? Wie heeft de moed te beweren dat de goddelijke ego’s van onze mensheid – tenminste de uitverkorenen uit de menigten die naar andere sferen overgaan – niet op hun beurt de ‘goddelijke’ leraren zullen worden van een nieuwe mensheid, door hen voortgebracht op een nieuwe bol, die door de ontlichaamde ‘beginselen’ van onze aarde tot leven en werkzaamheid wordt geroepen? (Zie Stanza VI, Deel I, Afdeling I.) Dit alles kan in het VERLEDEN zijn gebeurd, en de vreemde verslagen hiervan zijn neergelegd in de ‘mysterietaal’ van de voorhistorische tijdperken, de taal die nu SYMBOLIEK wordt genoemd.

 

Noten:

  1. Voorzover het de goddelijke openbaring betreft, zijn wij het hiermee eens. Maar niet voorzover het betrekking heeft op de ‘geschiedenis van de mens’. . . . Want de meeste allegorieën en ‘mythen’ van India bevatten ‘geschiedenis’, en er liggen gebeurtenissen aan ten grondslag die werkelijk plaatsvonden.
  2. Wanneer de ‘onjuiste theologieën’ verdwijnen, zal men de ware feiten over de voorhistorie vinden, die vooral voorkomen in de mythologie van de Ariërs, dat zijn de oude hindoes, en zelfs van de Grieken vóór Homerus.
  3. Zo zal een Japanner, die geen woord Chinees verstaat en een Chinees ontmoet die nooit Japans heeft horen spreken, schriftelijk met hem communiceren en ze zullen elkaar volledig begrijpen, want hun schrift is symbolisch.

 


De Geheime Leer 1:329-37

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag