§ 2

De mysterietaal en haar sleutels


   Recente ontdekkingen door grote wiskundigen en kabbalisten bewijzen dus onomstotelijk dat iedere theologie, van de eerste en oudste tot aan de laatste, niet slechts uit een gemeenschappelijke bron van abstracte leringen is voortgekomen, maar uit één universele esoterische of ‘mysterie’taal. Deze geleerden bezitten de sleutel tot de universele taal van de oudheid en hebben deze, hoewel slechts één keer, met succes omgedraaid in de hermetisch gesloten deur die toegang geeft tot de Zaal van de Mysteriën. Het grote archaïsche stelsel, sinds voorhistorische tijden bekend als de heilige Wijsheid-wetenschap, een stelsel dat voorkomt en kan worden teruggevonden in alle oude en nieuwe religies, had, en heeft nog steeds, zijn universele taal. Dat is, zoals de vrijmetselaar Ragon vermoedde, de taal van de hiërofanten, die om zo te zeggen zeven ‘dialecten’ kent, die elk betrekking hebben op, en speciaal geschikt zijn voor, een van de zeven geheimen van de Natuur. Elk had zijn eigen symboliek. De Natuur kon zo, òf in haar geheel worden gelezen, òf naar een van haar bijzondere aspecten worden beschouwd.
   Het bewijs hiervoor ligt nog altijd in de grote moeilijkheden die de oriëntalisten in het algemeen, en de indologen en egyptologen in het bijzonder, ondervinden bij het interpreteren van de allegorische geschriften van de Ariërs en van de annalen van priesters uit het oude Egypte. Dit komt doordat ze nooit bedenken dat al de oude verslagen werden geschreven in een taal die vroeger universeel en aan alle volkeren bekend was, maar die nu door slechts enkelen wordt begrepen. Evenals de Arabische cijfers, die voor mensen uit alle landen duidelijk zijn, en evenals het Engelse woord and – voor de Fransman et, voor de Duitser und, enz. – dat voor alle beschaafde volkeren toch kan worden uitgedrukt door het eenvoudige teken &, zo hadden ook alle woorden van die mysterietaal dezelfde betekenis voor iedereen, ongeacht zijn nationaliteit. Verschillende mannen van betekenis zoals Delgarme, Wilkins en Leibnitz probeerden zo’n universele en filosofische taal opnieuw in te voeren, maar Demaimieux in zijn Pasigraphie is de enige die heeft bewezen dat het mogelijk is. Het stelsel van Valentinius, dat de ‘Griekse Kabbala’ wordt genoemd en is gebaseerd op combinaties van Griekse letters, kan als voorbeeld dienen.
   De vele facetten van de mysterietaal hebben geleid tot het aanvaarden van heel uiteenlopende dogma’s en riten in de exoterie van het kerkelijke rituaal. Deze vormen op hun beurt de oorsprong van de meeste dogma’s van de christelijke kerk, bijvoorbeeld de zeven sacramenten, de drie-eenheid, de opstanding, de zeven hoofdzonden en de zeven deugden. De zeven sleutels tot de mysterietaal hebben echter altijd berust bij de hoogste van de ingewijde hiërofanten van de oudheid, zodat slechts het gedeeltelijke gebruik van enkele van de zeven door het verraad van enige vroege kerkvaders – voormalige ingewijden van de tempels – door de nieuwe sekte van de Nazareners werd overgenomen. Enkele van de eerste pausen waren ingewijden, maar de laatste fragmenten van hun kennis zijn nu in handen van de jezuïeten gevallen, die er een stelsel van tovenarij van hebben gemaakt.
   Er wordt beweerd dat INDIA (niet binnen de tegenwoordige grenzen, maar met inbegrip van haar oude gebieden) het enige land in de wereld is dat onder haar zonen nog adepten heeft, die de kennis bezitten van alle zeven deelstelsels en de sleutel tot het hele stelsel. Na de val van Memphis begon Egypte die sleutels de een na de ander te verliezen en Chaldea had er in de dagen van Berosus nog maar drie overgehouden. Wat de Hebreeën betreft, uit al hun geschriften blijkt slechts een grondige kennis van de astronomische, meetkundige en numerieke stelsels voor het symboliseren van alle menselijke en in het bijzonder de fysiologische functies. Ze hebben de hogere sleutels nooit bezeten.
   Gaston Maspero, de grote Franse egyptoloog en opvolger van Mariette Bey, schrijft: ‘Elke keer dat ik mensen hoor spreken over de religie van Egypte, kom ik in de verleiding om te vragen welke Egyptische religie men bedoelt? Spreekt men over de Egyptische religie van de vierde dynastie, of over die uit de tijd van Ptolemeus? Gaat het over de religie van het gewone volk of van de geleerde mensen? Over de leer die in de scholen van Heliopolis werd onderwezen, of over de religie die leefde in de geest en in de opvattingen van de priesterklasse van Thebe? Want tussen de eerste graftombe van Memphis die de cartouche draagt van een koning van de derde dynastie, en de laatste stenen te Esnēh uit de tijd van Caesar Filippus, de Arabier, ligt een tussenpoos van tenminste vijfduizend jaar. Afgezien van de inval van de Herderskoningen, de Ethiopische en Assyrische overheersing, de Perzische verovering, de Griekse kolonisatie en haar duizend politieke omwentelingen, heeft Egypte tijdens die vijfduizend jaren talrijke wisselingen op zedelijk en verstandelijk gebied doorgemaakt. Hoofdstuk xvii van het Dodenboek, dat de uiteenzetting schijnt te bevatten van het wereldstelsel zoals dat in Heliopolis werd opgevat tijdens de eerste dynastieën, is ons slechts bekend uit enkele kopieën uit de tijd van de elfde en twaalfde dynastie. Elk vers daarvan werd al in die tijd op drie of vier verschillende manieren uitgelegd; zelfs zo verschillend, dat de demiurg volgens de ene school het zonnevuur, Ra-shoo, werd en volgens een andere het oorspronkelijke water. Vijftien eeuwen later was het aantal opvattingen aanzienlijk toegenomen. De denkbeelden over het heelal en over de krachten die het bestuurden, waren in de loop van de tijd gewijzigd. Het christendom heeft tijdens de nauwelijks 18 eeuwen van zijn bestaan de meeste van zijn dogma’s uitgewerkt, ontwikkeld en omgevormd; hoeveel keren kunnen de Egyptische priesters dan niet hun dogma’s hebben veranderd in de vijftig eeuwen die Theodosius scheiden van de koning-bouwers van de piramiden?’
   De eminente egyptoloog gaat hier volgens ons te ver. De exoterische dogma’s kunnen vaak zijn veranderd, de esoterische nooit. Hij houdt geen rekening met de heilige onveranderlijkheid van de oorspronkelijke waarheden, die alleen tijdens de inwijdingsmysteriën werden onthuld. De Egyptische priesters zijn veel vergeten, maar ze hebben niets veranderd. Het verlies van een groot gedeelte van de oorspronkelijke leringen was te wijten aan de plotselinge dood van de grote hiërofanten, die stierven voordat ze tijd hadden om alles aan hun opvolgers te openbaren, maar vooral aan het ontbreken van waardige erfgenamen van hun kennis. Toch hebben ze in hun rituelen en dogma’s de belangrijkste leringen van de geheime leer bewaard. Zo vindt men in het door Maspero aangehaalde zeventiende hoofdstuk dat (1) Osiris zegt dat hij toum is (de scheppende kracht in de natuur, die vorm geeft aan alle wezens, geesten en mensen), voortgebracht door zichzelf en bestaande uit zichzelf en voortgekomen uit noun, de hemelse rivier, die vader-moeder van de goden wordt genoemd, de oorspronkelijke godheid die chaos of de diepte is, door de ongeziene geest bevrucht. (2) Hij heeft shoo (de zonnekracht) gevonden op de trap in de Stad van de Acht (de twee kubussen van goed en kwaad) en hij heeft de kinderen van het oproer, de kwade beginselen in noun (chaos), vernietigd. (3) Hij is het vuur en het water, dat is noun de oerbron, en hij heeft uit zijn ledematen de goden geschapen – 14 goden (tweemaal zeven), zeven duistere en zeven lichte goden (de zeven geesten van de Tegenwoordigheid bij de christenen en de zeven duistere kwade geesten). (4) Hij is de wet van het bestaan en van het Zijn (v. 10), de bennoo (of feniks, de vogel van de opstanding in eeuwigheid), in wie de nacht volgt op de dag en de dag op de nacht – een toespeling op de periodieke cyclussen van de wederopstanding van de kosmos en reïncarnatie van de mens; want wat kan dit betekenen? ‘De reiziger die miljoenen jaren overbrugt in naam van de Ene, en de grote groene (oerwater of Chaos) de naam van de andere’ (v. 17); de ene verwekt miljoenen jaren na elkaar, en de andere verzwelgt ze om ze weer terug te geven. (5) Hij spreekt over de zeven Verlichten die hun Heer volgen, die recht doet (Osiris in Amenti).
   Men heeft nu aangetoond dat dit alles de bron en de oorsprong van de christelijke dogma’s is. Wat de joden door Mozes en andere ingewijden uit Egypte hadden, werd later al genoeg verward en verdraaid; maar wat de kerk van beide heeft overgenomen, is in toenemende mate verkeerd geïnterpreteerd.
   Toch is nu bewezen dat hun stelsel in deze bijzondere tak van de symboliek – namelijk de sleutel tot de geheimen van de astronomie in verband met die van voortbrenging en bevruchting – identiek is met die denkbeelden van oude religies, waarvan de theologie het fallische element heeft uitgewerkt. Het joodse stelsel van heilige maten, toegepast op religieuze symbolen is, voorzover het meetkundige en numerieke combinaties betreft, hetzelfde als dat van Chaldea, Griekenland en Egypte, omdat het door de joden in de eeuwen van hun slavernij en gevangenschap in die landen, is overgenomen1. Waaruit bestond dat stelsel? De schrijver van The Source of Measures is er innerlijk van overtuigd dat ‘de boeken van Mozes tot doel hadden om door een soort kunsttaal een meetkundig en numeriek stelsel van exacte wetenschap uiteen te zetten, dat zou moeten dienen als een grondslag van maten’. Piazzi Smyth heeft dezelfde opvatting. Enige geleerden vinden dat dit stelsel en die maten dezelfde zijn als bij de bouw van de grote piramide zijn gebruikt, maar dit is slechts gedeeltelijk het geval. ‘De grondslag van deze maten was de verhouding van Parker’, zegt R. Skinner in The Source of Measures.
   De schrijver van dit heel bijzondere boek zegt dat hij die grondslag heeft gevonden bij het toepassen van de verhouding van de omtrek van een cirkel tot de middellijn, beide in gehele getallen uitgedrukt. Bij deze verhouding, die door John Parker uit New York werd ontdekt, is de middellijn 6561 en de omtrek 20612. Hij zegt verder dat deze meetkundige verhouding de heel oude (en waarschijnlijk) goddelijke oorsprong vormde van wat nu door exoterisch gebruik en door praktische toepassingen de Britse lengtematen zijn geworden, ‘waarvan de basiseenheid, d.w.z. de inch, eveneens de grondslag was van een van de koninklijke Egyptische ellen en van de Romeinse voet. Hij heeft ook ontdekt dat er een gewijzigde vorm van deze verhouding bestond, namelijk met de getallen 113 en 355 (die in zijn boek wordt toegelicht); en dat terwijl deze laatste verhouding door haar oorsprong naar de ware verhouding pi of 20612 : 6561 verwees, zij ook als grondslag voor astronomische berekeningen diende. De schrijver ontdekte dat een stelsel van exacte wetenschap, meetkundig, numeriek en astronomisch, gebaseerd op deze verhoudingen en toegepast bij de bouw van de Grote Egyptische Piramide, deel uitmaakte van de diepere achtergrond van deze taal, zoals die voorkwam en was verborgen in het woordgebruik van de Hebreeuwse bijbeltekst. De inch en de dubbele voet van 24 inches, waarvan het gebruik wordt verklaard uit de elementen van de cirkel (zie de eerste bladzijden van Deel I) en de genoemde verhoudingen, bleken de basis of de grondslag te vormen van dit natuurlijke en Egyptische en Hebreeuwse stelsel van wetenschap. Bovendien schijnt het duidelijk genoeg, dat men aan het stelsel zelf een goddelijke oorsprong toeschreef en het voor een goddelijke openbaring aanzag. . . .’ Maar laten wij zien wat er wordt gezegd door de tegenstanders van de metingen van de piramide door prof. Piazzi Smyth.
   Petrie schijnt ze te ontkennen en korte metten te hebben gemaakt met de berekeningen van Piazzi Smyth met betrekking tot de bijbel. Dat doet ook Proctor, die al jarenlang elk vraagstuk over de oude kunsten en wetenschappen uit een samenloop van omstandigheden tracht te verklaren. Sprekend over ‘het grote aantal verhoudingen, die onafhankelijk zijn van de piramide en die tevoorschijn zijn gekomen terwijl de ‘piramidalisten’ probeerden de piramide in verband te brengen met het zonnestelsel . . .’, zegt hij: ‘Deze coïncidenties zijn veel merkwaardiger dan een of andere overeenkomst tussen de piramide en astronomische getallen: de eerstgenoemde (dat zijn die ‘coïncidenties’ die zouden blijven bestaan, zelfs als er geen piramide bestond) zijn even nauwkeurig en opmerkelijk als werkelijk; de laatstgenoemde, die alleen maar denkbeeldig zijn (?), zijn slechts tot stand gekomen door wat een schooljongen ‘geknoei’ zou noemen, en uit nieuwe metingen is nu gebleken dat het werk helemaal moet worden overgedaan’ (brief van Petrie aan de Academy, 17 dec. 1881). Naar aanleiding hiervan merkt Staniland Wake in zijn boek The Origin and Significance of the Great Pyramid (Londen, 1882) terecht op: ‘Het moeten echter meer dan alleen maar toevallige overeenkomsten zijn geweest, als de bouwers van de piramide de astronomische kennis hadden, die blijkt uit haar volmaakte oriëntatie en haar andere erkende astronomische kenmerken.’
   Ze bezaten die kennis ongetwijfeld, en op deze ‘kennis’ was het programma van de MYSTERIËN en van de reeks inwijdingen gebaseerd: zo werd de bouw van de piramiden mogelijk, de eeuwigdurende getuigenis en het onverwoestbare symbool van deze mysteriën en inwijdingen op aarde, zoals de banen van de sterren dit aan de hemel zijn. De cyclus van de inwijding was een weergave in het klein van die grote reeks kosmische veranderingen waaraan de astronomen de naam tropisch of siderisch jaar hebben gegeven. Evenals aan het einde van de cyclus van het siderische jaar (25.868 jaren) de hemellichamen terugkeren tot dezelfde stand ten opzichte van elkaar als zij aan het begin daarvan innamen, heeft ook de innerlijke mens aan het einde van de cyclus van inwijding zijn oorspronkelijke staat van goddelijke zuiverheid en kennis herkregen, van waaruit hij begon aan zijn cyclus van aardse incarnaties.
   Mozes, een ingewijde in de Egyptische Mysteriën, baseerde de religieuze mysteriën van de nieuwe natie die hij schiep, op dezelfde abstracte formule die was ontleend aan deze siderische cyclus. Hij symboliseerde die formule in de vorm en in de afmetingen van het tabernakel, dat hij in de woestijn zou hebben gebouwd. Op basis van deze gegevens kwamen de latere joodse hogepriesters tot de allegorie van de Tempel van Salomo – een gebouw dat nooit werkelijk heeft bestaan, evenmin als koning Salomo zelf, die eenvoudig een zonnemythe is, evenals de nog latere Hiram Abif van de vrijmetselaars, zoals Ragon duidelijk heeft aangetoond. Als dus de afmetingen van deze allegorische tempel, het symbool van de cyclus van inwijding, overeenstemmen met die van de Grote Piramide, komt dit doordat de eerstgenoemde werden ontleend aan de laatste, door middel van het tabernakel van Mozes.
   Dat onze schrijver ontegenzeglijk een en zelfs twee van de sleutels heeft ontdekt, wordt in het zojuist geciteerde boek volledig bewezen. Men hoeft het alleen maar te lezen om een steeds sterker wordende overtuiging te voelen, dat de verborgen betekenis van de allegorieën en gelijkenissen in beide Testamenten nu is onthuld. Het is echter tenminste even zeker, dat hij deze ontdekking veel meer aan zijn eigen genie heeft te danken dan aan Parker en Piazzi Smyth. Want, zoals zojuist werd aangetoond, is het niet zo zeker, dat de metingen van de grote piramide, die door de bijbelse ‘piramidalisten’ zijn verricht en als de juiste worden aangenomen, boven elke verdenking staan. Een bewijs hiervan is te vinden in het boek The Pyramids and Temples of Gizeh door F. Petrie, en ook in andere boeken die kortgeleden zijn geschreven om de genoemde berekeningen, die bevooroordeeld werden genoemd, te bestrijden. We leiden daaruit af dat bijna alle metingen van Piazzi Smyth verschillen van de latere en nauwkeuriger metingen door Petrie, die de inleiding van zijn boek besluit met de volgende woorden:
   ‘Over de resultaten van het hele onderzoek zullen misschien veel theoretici het eens zijn met een Amerikaan die, toen hij in Gizeh kwam, een overtuigd aanhanger was van de piramide-theorieën. Ik had het genoegen daar enkele dagen in zijn gezelschap door te brengen, en bij onze laatste gezamenlijke maaltijd zei hij op een droevige toon tegen mij: ‘Wel, Sir! Ik heb het gevoel alsof ik naar een begrafenis ben geweest. Laten we de oude theorieën in ieder geval een fatsoenlijke begrafenis geven, hoewel we moeten zorgen in onze haast geen gewonden levend te begraven.’’
   Wij hebben enkele vooraanstaande wiskundigen geraadpleegd over de berekening van wijlen J. Parker in het algemeen en over zijn derde stelling in het bijzonder. In hoofdzaak zeggen zij het volgende:
   De redenering van Parker berust meer op gevoels- dan op wiskundige overwegingen en is logisch niet overtuigend.
   Stelling III luidt:

   ‘De cirkel is de natuurlijke basis of het begin van elke oppervlaktemaat, en dat in de wiskunde hiervoor het vierkant wordt gebruikt, is kunstmatig en willekeurig.’

   Dit is een voorbeeld van een willekeurige stelling, waarop men bij wiskundige afleidingen niet veilig kan vertrouwen. Dezelfde opmerking is van toepassing, en zelfs in nog sterkere mate, op Stelling VII, die zegt:

   ‘Omdat de cirkel de oorspronkelijke vorm in de natuur is en dus de grondslag van de oppervlaktemaat, en omdat de cirkel wordt gemeten door de straal en zich tot het vierkant verhoudt als de halve omtrek tot de straal, zijn de omtrek en de straal en niet het kwadraat van de middellijn de enige natuurlijke en gewettigde elementen van de oppervlaktemaat, waarmee alle regelmatige vormen aan het vierkant en aan de cirkel gelijk worden gemaakt.’

   Stelling IX, waarop Parkers kwadratuur hoofdzakelijk berust, is een opmerkelijk voorbeeld van foutief redeneren. Zij luidt:

   ‘De cirkel en de gelijkzijdige driehoek zijn met betrekking tot alle elementen waaruit ze zijn opgebouwd, elkaars tegengestelde. Daarom staat de in een breuk uitgedrukte middellijn van een cirkel, die gelijk is aan de middellijn van een vierkant, in tegengestelde dubbele verhouding tot de middellijn van een gelijkzijdige driehoek waarvan het oppervlak één is’, enz.

   Als we even aannemen dat men kan zeggen dat een driehoek een straal heeft, zoals we ook spreken over de straal van een cirkel – want wat Parker de straal van de driehoek noemt, is de straal van de in de driehoek ingeschreven cirkel en dus volstrekt niet de straal van de driehoek – en als we voor het ogenblik de andere fantastische wiskundige stellingen aanvaarden die in zijn premissen zijn bijeengebracht, waarom moeten we dan concluderen dat, als de driehoek en de cirkel voor alle elementen waaruit ze zijn opgebouwd elkaars tegengestelden zijn, de middellijn van een bepaalde cirkel en die van een gegeven daaraan gelijkwaardige driehoek in tegengestelde dubbele verhouding staan? Welk noodzakelijk verband bestaat er tussen de premissen en de conclusie? Deze soort redenering is in de meetkunde onbekend en nauwgezette wiskundigen zouden deze niet aanvaarden.
   Of het archaïsche esoterische stelsel al of niet de oorsprong was van de Britse inch, doet er echter weinig toe voor de echte nauwgezette metafysicus. Evenmin wordt de esoterische interpretatie van de bijbel door Ralston Skinner onjuist, alleen doordat de afmetingen van de piramide niet overeenstemmen met die van de tempel van Salomo, van de ark van Noach, enz., of doordat Parkers kwadratuur van de cirkel door wiskundigen wordt verworpen. Want de interpretatie van Skinner berust voornamelijk op de kabbalistische methoden en de rabbijnse getallenwaarde van de Hebreeuwse letters. Maar het is uiterst belangrijk om vast te stellen of de maten, die werden gebruikt bij de ontwikkeling en de opbouw van de symbolische religie van de Ariërs, bij de bouw van hun tempels, bij de in de Purāna’s genoemde getallen en speciaal bij hun tijdrekening, hun astronomische symbolen, de duur van de cyclussen en bij andere berekeningen, al of niet dezelfde waren als de maten en symbolen die in de bijbel worden gebruikt. Want dit zal bewijzen dat de joden, tenzij ze hun heilige el en andere maten van de Egyptenaren (Mozes was door hun priesters ingewijd) hebben overgenomen, deze begrippen uit India hebben gekregen. In ieder geval hebben ze deze aan de vroege christenen doorgegeven. De ‘ware’ erfgenamen van de KENNIS, of de geheime wijsheid die men nog steeds in de bijbel kan vinden, zijn dus de occultisten en de kabbalisten, want alleen zij begrijpen zijn ware betekenis, terwijl niet-ingewijde joden en christenen zich vastklampen aan de buitenkant en de dode letter ervan. Door de schrijver van de Source of Measures is aangetoond, dat dit stelsel van maten ertoe leidde dat men kwam tot de godsnamen Elohim en Jehova, en tot hun aanpassing aan het fallisme, en dat Jehova een weinig geflatteerde kopie van Osiris is. Maar Skinner en Piazzi Smyth schijnen beide in de mening te verkeren dat (a) het stelsel van de israëlieten afkomstig is, omdat de Hebreeuwse taal de goddelijke taal is en dat (b) deze universele taal een directe openbaring is!
   De laatstgenoemde hypothese is alleen waar in de zin van de laatste alinea uit de voorafgaande paragraaf. We moeten het echter nog eens worden over de aard en het karakter van de goddelijke ‘openbaarder’. De beslissing over de oorsprong zal bij de niet-ingewijde natuurlijk afhangen (a) van bewijzen, zowel in als buiten de openbaring en (b) van de vooropgezette mening van iedere geleerde. Dit kan echter niet voorkomen dat de theïstische kabbalist en de pantheïstische occultist er ieder het zijne van denkt, en geen van beiden kan de ander overtuigen. De gegevens die de geschiedenis levert, zijn te schaars en te onbevredigend om een van beiden in staat te stellen aan de scepticus zijn gelijk te bewijzen.
   Aan de andere kant worden de traditionele bewijzen zo steevast verworpen, dat wij de hoop hebben opgegeven dit probleem in onze tijd op te lossen. Intussen zal de materialistische wetenschap zowel de kabbalisten als de occultisten zonder onderscheid uitlachen. Maar zodra deze kwellende vraag over de prioriteit terzijde is gesteld, zullen de filologie en de vergelijkende godsdienstwetenschap tenslotte aan het werk worden gezet en worden genoodzaakt de gemeenschappelijke aanspraken te erkennen2. In plaats van de schouders op te halen over het veronderstelde ‘mengelmoes van absurde verhalen en bijgeloof’, zoals de brahmaanse literatuur gewoonlijk wordt genoemd, zullen de grootste geleerden proberen de symbolische universele taal met haar numerieke en geometrische sleutels te leren. Maar ook hierin zullen ze nauwelijks slagen als ze geloven dat het joodse kabbalistische stelsel de sleutel bevat tot het hele mysterie: want dat is niet zo. Evenmin is er tegenwoordig een ander geschrift dat die sleutel in zijn geheel bevat, want zelfs de Veda’s zijn niet volledig. Iedere oude religie omvat maar een of twee hoofdstukken uit het hele boek van de oorspronkelijke archaïsche mysteriën. Alleen het occultisme van het oosten kan zich erop beroemen het volledige geheim met zijn zeven sleutels te bezitten. In dit boek zullen vergelijkingen worden gemaakt en er zal zoveel mogelijk in worden verklaard. De rest wordt overgelaten aan de persoonlijke intuïtie van de onderzoeker. Wanneer de schrijfster zegt dat het occultisme van het oosten het geheim bezit, wordt geen ‘volledige’ of zelfs maar benaderende kennis door haar opgeëist, wat absurd zou zijn. Wat ik weet, deel ik mee; wat ik niet kan uitleggen, moet de onderzoeker zelf ontdekken.
   Maar al veronderstelt men dat de universele mysterietaal nog eeuwenlang niet in haar geheel zal worden begrepen, zelfs dan is wat er tot nu toe door sommige geleerden in de bijbel is ontdekt, meer dan voldoende om de bewering wiskundig aan te tonen. Omdat het jodendom gebruikmaakt van twee van de zeven sleutels, en deze twee sleutels nu opnieuw zijn ontdekt, is het niet langer een zaak van persoonlijk speculeren en veronderstellen, en allerminst van ‘toeval’, maar van het juist interpreteren van de bijbelteksten, evenals ieder die bekend is met de rekenkunde een optelling of een totaal begrijpt en verifieert3. Nog een paar jaar en dit stelsel zal een einde maken aan de bijbelverklaring volgens de dode letter. Dit zal ook gebeuren met alle andere exoterische geloofsvormen, door de dogma’s in hun ware, naakte betekenis te laten zien.
   En dan zal deze onmiskenbare betekenis, hoe onvolledig ook, het mysterie van het Zijn ontsluieren en bovendien de moderne wetenschappelijke stelsels van de antropologie, de etnologie en vooral van de chronologie geheel veranderen. Het fallische element, dat in elke naam voor god en in ieder verhaal van het Oude (en in zekere mate ook van het Nieuwe) Testament voorkomt, kan na verloop van tijd ook de moderne materialistische opvattingen in de biologie en in de fysiologie ingrijpend wijzigen.
   Ontdaan van hun huidige weerzinwekkende grofheid, zullen zulke opvattingen over de natuur en over de mens, die steunen op de hemellichamen en hun geheimen, de evolutie van het menselijke denkvermogen ontsluieren en aantonen hoe natuurlijk zo’n gedachtegang was. Alleen door het daarin aanwezige element van stoffelijkheid en dierlijkheid zijn de zogenaamde fallische symbolen aanstootgevend geworden. Zulke symbolen waren alleen maar natuurlijk omdat ze ontstonden bij de archaïsche rassen die, zoals zij zelf wisten, voortkwamen uit androgyne voorouders, en in hun eigen ogen de eerste waarneembare manifestaties waren van de scheiding tussen de geslachten en van het daaruit voortgekomen mysterie om op hun beurt zelf te scheppen. Als ze door latere rassen zijn verlaagd, vooral door het ‘uitverkoren volk’, is dit niet van invloed op de oorsprong van die symbolen. De kleine Semitische stam, een van de kleinste vertakkingen, ontstaan uit de vermenging van het vierde en het vijfde onderras (het Mongools-Turaanse en het zogenaamde Indo-Europese, na het verzinken van het grote continent), kon de symboliek ervan slechts opvatten in de geest die eraan was gegeven door de volkeren waaraan zij was ontleend. Misschien was die symboliek in de begintijd van Mozes niet zo grof als ze later door de behandeling van Ezra is geworden, die de hele Pentateuch omwerkte. Want het symbolische verhaal van de dochter van de farao (de vrouw), van de Nijl (de grote Diepte en het Water) en van het pasgeboren jongetje, dat werd gevonden toen het in een biezen mandje daarin dreef, is oorspronkelijk niet voor of door Mozes samengesteld. In de Babylonische fragmenten op kleitabletten vindt men een vroegere versie van dit verhaal, in de geschiedenis van koning Sargon4, die veel eerder leefde dan Mozes. Wat volgt nu logisch hieruit? Heel beslist, dat we het recht krijgen om te zeggen, dat het verhaal dat door Ezra over Mozes wordt verteld, door deze werd vernomen toen hij in Babylon was en dat hij de allegorie van Sargon toepaste op de joodse wetgever. Kortom, dat Exodus nooit door Mozes werd geschreven, maar door Ezra is gereconstrueerd op basis van oude gegevens.
   En als dat zo is, waarom zou deze adept in de latere Chaldeeuwse en sabaeïsche fallus-eredienst er niet ook andere symbolen en tekens, die in fallisch opzicht nog veel grover zijn, aan hebben toegevoegd? Er wordt ons geleerd dat het oorspronkelijke geloof van de israëlieten totaal verschilde van dat wat de talmoedisten, en vóór hen David en Hizkia, eeuwen later ontwikkelden.
   Ondanks het exoterische element dat men nu in beide Testamenten aantreft, is dit alles ruim voldoende om de bijbel te rangschikken onder de esoterische boeken en om het geheime stelsel ervan in verband te brengen met de symboliek van India, Chaldea en Egypte. De hele reeks van bijbelse tekens en getallen, zoals die uit sterrenkundige waarnemingen zijn ontstaan – de astronomie en de theologie zijn immers nauw verwant – vindt men zowel in de exoterische als in de esoterische stelsels van India. Deze cijfers en hun symbolen, de tekens van de Dierenriem, de planeten, hun aspecten en knopen – deze laatste term is nu zelfs in onze moderne botanie opgenomen om mannelijke en vrouwelijke planten te onderscheiden (de eenslachtige, de veeltelige, de eenhuizige, de tweehuizige, enz.) – staan in de sterrenkunde bekend als sextielen, kwartielen, enz. en zijn eeuwen en eeuwen lang door de archaïsche volkeren gebruikt en hebben in zekere zin dezelfde betekenis als de Hebreeuwse getallen. De oudste vormen van elementaire meetkunde moeten beslist zijn ingegeven door waarneming van de hemellichamen en hun groeperingen. De meest archaïsche symbolen in de esoterie van het oosten zijn daarom een cirkel, een punt, een driehoek, een vlak, een kubus, een pentagram en een zeshoek en figuren in het platte vlak met verschillende zijden en hoeken. Dit bewijst dat de kennis en het gebruik van de meetkundige symboliek zo oud zijn als de wereld.
   Als we hiervan uitgaan, kunnen we gemakkelijk begrijpen hoe de natuur zelf de oorspronkelijke mensheid, ook zonder de hulp van haar goddelijke leraren, de eerste beginselen van een numerieke en meetkundige symbolentaal5 heeft kunnen bijbrengen. Men ziet dan ook, dat in ieder archaïsch symbolisch geschrift getallen en figuren worden gebruikt om gedachten uit te drukken en vast te leggen. Ze zijn steeds dezelfde, met slechts een paar variaties, die voortkomen uit de eerste figuren. Zo werden de evolutie en het onderlinge verband tussen de mysteries van de Kosmos, van de groei en de ontwikkeling daarvan – geestelijk en stoffelijk, abstract en concreet – het eerst opgetekend in meetkundige vormveranderingen. Iedere kosmogonie begon met een cirkel, een punt, een driehoek en een kubus, tot en met het getal 9, waarna het getal werd samengesteld uit de eerste lijn en een cirkel – de mystieke decade van Pythagoras, de som van alles, die de mysteries van de hele Kosmos betreft en tot uitdrukking brengt. In het hindoestelsel zijn deze mysteries, voor degene die de mystieke taal ervan kan begrijpen, honderd keer zo volledig uitgebeeld. De getallen 3 en 4, samen 7, alsmede 5, 6, 9 en 10 zijn de hoekstenen van de occulte kosmogonieën. Deze decade en haar duizenden combinaties vindt men overal op de aardbol. Men herkent ze zowel in de grotten en de rotstempels van Hindostan en Midden-Azië als in de piramiden en op de gedenkstenen van Egypte en Amerika; in de catacomben van Ozimandyas, op de grafheuvels in het met sneeuw bedekte gebergte van de Kaukasus, in de ruïnes van Palenque, op Paaseiland, overal waar de mens van de oudheid ook maar voet heeft gezet. De 3 en de 4, de driehoek en de kubus of het universele mannelijke en vrouwelijke symbool, die het eerste aspect weergeven van de zich ontwikkelende godheid, staan voor altijd afgebeeld in het Zuiderkruis aan de hemel, evenals in het Egyptische ansata-kruis. . . . Dit wordt heel goed uitgedrukt: ‘De uitgevouwen kubus toont een kruis van de tau- of Egyptische vorm, of van de vorm van het christelijke kruis. . . . Als men aan het eerstgenoemde een cirkel toevoegt, krijgt men het ansata-kruis . . . de getallen 3 en 4, die men van het kruis afleest, laten een vorm van de (Hebreeuwse) gouden kandelaar (in het Heilige der Heiligen) zien, en van de 3 + 4 = 7 en 6 + 1 = 7 dagen in de cyclus van de week, als 7 lichten van de zon. Zoals uit de week van de 7 lichten de maand en het jaar ontstonden, geeft deze ook de tijd van de geboorte aan. . . . Omdat de vorm van een kruis wordt verkregen door tevens gebruik te maken van de verhouding 113 : 355, wordt het symbool volledig door een mens aan het kruis te bevestigen6. Deze maat liet men samengaan met het idee van de oorsprong van het menselijke leven, en vandaar de fallische vorm7.’
   De stanza’s laten zien dat het kruis en deze getallen een belangrijke rol spelen in de archaïsche kosmogonie. We kunnen intussen voordeel trekken uit de bewijzen die door dezelfde schrijver zijn verzameld om aan te tonen dat de symbolen en hun esoterische betekenis over de hele wereld gelijk zijn. Hij noemt deze terecht de ‘oorspronkelijke sporen van die symbolen’.

   ‘Als men de aard van de getallenvormen vanuit een algemeen standpunt beschouwt . . . wordt het uiterst belangrijk te onderzoeken wanneer en waar het bestaan en het gebruik ervan voor het eerst bekend werden. Ging het om een openbaring in wat wij kennen als het historische tijdperk – een buitengewoon recente cyclus, wanneer men de ouderdom van het menselijke ras beschouwt? De tijd waarop de mens in het bezit ervan kwam, schijnt in feite nog verder in het verleden van de oude Egyptenaren te liggen, dan deze van ons verwijderd zijn.’
   ‘De Paaseilanden in het midden van de Grote Oceaan zien eruit als de overgebleven bergtoppen van een verzonken continent, want deze toppen zijn dicht bezaaid met cyclopische beelden, overblijfselen van de beschaving van een talrijk en beschaafd volk, dat noodzakelijk een uitgestrekt gebied moet hebben bewoond. Op de achterkant van deze beelden staat het ‘ansata-kruis’ en ook dit kruis, aangepast aan de menselijke vorm. Een volledige beschrijving, met een plaat die het land voorstelt met de dicht opeenstaande beelden, en ook met afbeeldingen van de beelden, vindt men in het januarinummer van 1870 van de Londense Builder.’
   ‘In een van de eerste nummers van de ‘Naturalist’, uitgegeven in Salem, Massachusetts, vindt men een beschrijving van een heel oud en merkwaardig beeldhouwwerk op de steile rotsen van de bergen van Zuid-Amerika dat, zoals wordt beweerd, veel ouder is dan de nu levende rassen. Het vreemde van deze afbeeldingen is, dat ze de omtrek laten zien van een mens die op een kruis8 ligt uitgestrekt, door middel van een reeks van tekeningen, waarin uit de vorm van een mens, die van een kruis tevoorschijn komt, maar zodanig dat het kruis kan worden beschouwd als de mens, en de mens als het kruis. Zo wordt symbolisch de onderlinge samenhang van de afgebeelde vormen weergegeven.’
   ‘Het is bekend dat de overlevering van de Azteken een heel volledig verslag van de zondvloed heeft nagelaten. . . . Baron Humboldt zegt dat we het land Aztalan, het oorspronkelijke land van de Azteken, op tenminste 42 graden noorderbreedte moeten zoeken; vanuit dat land kwamen ze tenslotte in de vallei van Mexico. In die vallei gaan de aarden grafheuvels van het verre noorden over in sierlijke stenen piramiden en andere bouwwerken, waarvan nu de overblijfselen worden gevonden. De overeenkomsten tussen de overblijfselen van de Azteken en die van de Egyptenaren zijn welbekend. . . . Na honderden ervan te hebben onderzocht, is Attwater ervan overtuigd dat zij kennis van de astronomie bezaten. Van een van de volmaaktste piramidevormige bouwwerken van de Azteken geeft Humboldt de volgende beschrijving:
   ‘De vorm van deze piramide (van Papantla), die zeven verdiepingen heeft, is spitser dan van elk ander soortgelijk monument dat tot nu toe is ontdekt, maar haar hoogte is niet opvallend; zij bedraagt slechts 57 voet en haar basis is aan elke zijde maar 25 voet. Ze is echter in één opzicht opmerkelijk: ze is geheel gebouwd van gehouwen stenen van buitengewone omvang, en heel fraai gevormd. Drie trappen leiden naar de top, de treden ervan zijn versierd met gebeeldhouwde hiërogliefen en kleine nissen, die volledig symmetrisch zijn aangebracht. Het aantal van deze nissen schijnt te wijzen op de 318 enkelvoudige en samengestelde tekens van de dagen van hun burgerlijke kalender.’’
   ‘318 is de gnostische waarde van Christus’, merkt de schrijver op, ‘en het beroemde aantal van de geoefende of besneden dienaren van Abraham. Wanneer men in aanmerking neemt dat 318 een abstracte en universele waarde is en een uitdrukking voor de waarde van de middellijn van een cirkel met omtrek één, wordt het gebruik ervan bij het samenstellen van de burgerlijke kalender duidelijk.’

   Men vindt gelijksoortige tekens, getallen en esoterische symbolen in Egypte, Peru, Mexico, op Paaseiland, in India, Chaldea en Midden-Azië. Gekruisigde mensen en symbolen van de evolutie van rassen uit goden; en toch verwerpt de wetenschap zowaar het denkbeeld van een ander mensenras dan naar onze gelijkenis is gevormd; de theologie houdt vast aan haar 6000 jaar van de schepping; de antropologie leert dat wij van de aap, en de geestelijkheid dat wij van Adam, 4004 v.Chr., afstammen!
   Moet men, uit angst voor de straf een bijgelovige dwaas of zelfs een leugenaar te worden genoemd, ervan afzien om – zo goed als maar mogelijk is – bewijzen te leveren, alleen omdat de dag nog niet is aangebroken, waarop al de ZEVEN SLEUTELS aan de wetenschap zullen worden overgegeven, of liever, aan de geleerden en onderzoekers op het gebied van de symboliek? Moeten we met het oog op de opzienbarende ontdekkingen van de geologie en de antropologie voor wat betreft de ouderdom van de mens – om te ontkomen aan de gebruikelijke straf voor iedereen die van de gebaande wegen van de theologie of van het materialisme afwijkt – vast blijven houden aan de 6000 jaar en de ‘bijzondere schepping’, of moeten we in onderdanige bewondering onze afstamming van de aap aanvaarden? Beslist niet, zolang bekend is dat de geheime geschriften de genoemde ZEVEN sleutels bevatten tot het mysterie van het ontstaan van de mens. Hoe gebrekkig, materialistisch en bevooroordeeld de wetenschappelijke theorieën ook mogen zijn, toch staan ze duizendmaal dichter bij de waarheid dan de grillen van de theologie. Voor iedereen, behalve de hardnekkigste kwezel en fanaticus, verkeren deze in doodstrijd9. We hebben dan ook geen andere keus dan òf blindelings de conclusies van de wetenschap aan te nemen, òf ons ervan los te maken, en haar zonder angst te trotseren en te verkondigen wat de Geheime Leer ons zegt, geheel bereid de gevolgen daarvan te dragen.
   Maar laten we nagaan of de wetenschap bij haar materialistische speculaties, en zelfs de theologie in haar doodstrijd en bij haar uiterste poging om de 6000 jaar na Adam in overeenstemming te brengen met de ‘geologische bewijzen van de ouderdom van de mens’ van Sir Charles Lyell, ons niet zelf onbewust de helpende hand bieden. Enkele heel geleerde onderzoekers van de etnologie erkennen al, dat deze wetenschap onmogelijk de verscheidenheid in het menselijke ras kan verklaren, tenzij de hypothese van de schepping van verschillende Adams wordt aangenomen. Zij spreken over ‘een blanke Adam en een zwarte Adam, een rode Adam en een gele Adam’10. Als zij hindoes waren die de wedergeboorten van Vamadeva uit het Linga Purāna opsomden, zouden ze niet veel meer kunnen zeggen. Want bij het opsommen van de herhaalde geboorten van Siva, geven ze hem in één kalpa een blank uiterlijk, in een andere kalpa een zwarte en in weer een andere kalpa een rode kleur, waarna de kumāra ‘vier jongelingen met een gele kleur’ wordt. Deze vreemde overeenstemming, zoals Proctor zou zeggen, pleit slechts voor hun wetenschappelijke intuïtie, omdat Siva-kumāra alleen maar allegorisch de menselijke rassen tijdens het ontstaan van de mens voorstelt. Maar dit leidde tot een ander blijk van intuïtie – nu in de kringen van de theologen. De onbekende schrijver van Primeval Man, die wanhopig probeert de goddelijke openbaring te beschermen tegen de meedogenloze en welsprekende ontdekkingen van de geologie en de antropologie, merkt op dat ‘het jammer zou zijn als de verdedigers van de bijbel ertoe zouden worden gebracht om òf de inspiratie van de Schrift prijs te geven òf de conclusies van de geologen te ontkennen’. Hij vindt een tussenweg. Ja, hij wijdt er zelfs een dik boek aan om te bewijzen dat ‘Adam niet de eerste mens11 was die op deze aarde werd geschapen’. . . . De opgegraven overblijfselen van de vóór-Adamse mens ‘versterken het bewijs van de waarheid van de Schrift, in plaats van ons vertrouwen erin te schokken’ (blz. 194). Hoe kan dat? Op de eenvoudigst denkbare manier, want de schrijver verklaart dat ‘wij’ (de geestelijkheid) voortaan ‘in staat zijn de geleerden aan hun studie over te laten, zonder te proberen ze aan banden te leggen uit angst voor ketterij’ . . . (dit moet ongetwijfeld een opluchting zijn voor Huxley, Tyndall en Sir C. Lyell). . . . ‘Het bijbelverhaal begint niet met de schepping, zoals gewoonlijk wordt verondersteld, maar met het vormen van Adam en Eva, miljoenen jaren nadat onze planeet was geschapen. De geschiedenis die daaraan voorafgaat is, voorzover het de Schrift betreft, nog niet geschreven.’ . . . ‘Misschien was er niet één, maar waren er wel twintig verschillende rassen op de aarde vóór de tijd van Adam, evenals er twintig verschillende mensenrassen op andere werelden kunnen zijn’ (blz. 55) . . . Wie of wat waren dan die rassen; de schrijver houdt immers nog steeds vol dat Adam de eerste mens van ons ras is? Het waren HET RAS EN DE RASSEN VAN SATAN! ‘Satan (is) nooit in de hemel (geweest); engelen en mensen (zijn) één soort.’ Het was het vóór-Adamse ras van de ‘engelen die zondigden’. We lezen dat satan ‘de eerste vorst van deze wereld was’. Toen hij tengevolge van zijn opstand was gestorven, bleef hij op aarde als een ontlichaamde geest, en verleidde Adam en Eva. ‘De eerste tijd van het satanische ras, en meer in het bijzonder tijdens het leven van satan (!!!), was misschien een tijdperk van patriarchale beschaving en betrekkelijke rust – een tijd van Tubal-Kaïns en Jubals, toen de wetenschappen en de kunsten probeerden in de vervloekte bodem wortel te schieten. . . . Wat een onderwerp voor een epos . . . (toen) er zich onvermijdelijke gebeurtenissen moeten hebben voorgedaan. Vóór ons zien we . . . de vrolijke minnaar uit de voortijd, die zijn blozende bruid het hof maakt in de dauw van de avond onder de Deense eiken, die toen groeiden waar nu geen eiken kunnen groeien – de grijze stamvader van de oudheid – het nageslacht uit de oertijd dat onschuldig aan zijn zijde speelt. . . . Duizend van die beelden doemen voor ons op!’ . . . (blz. 206-207).
   De terugblik op deze satanische ‘blozende bruid’ uit de tijd van satans onschuld, wordt niet minder dichterlijk naarmate deze wint aan oorspronkelijkheid. Integendeel. De christelijke bruid bloost tegenwoordig niet vaak voor haar vrolijke minnaars, en kan zelfs een morele les leren van deze dochter van satan, in de weelderige fantasie van haar eerste menselijke biograaf. Deze beschrijvingen – en om ze op hun ware waarde te schatten, moeten ze worden gelezen in het boek waarin ze voorkomen – worden alle naar voren gebracht om de onfeilbaarheid van de geopenbaarde Schrift te verzoenen met de Antiquity of Man van Sir C. Lyell en andere verderfelijke wetenschappelijke boeken. Maar dit neemt niet weg, dat blijkt dat er waarheid en feiten ten grondslag liggen aan de grilligheden, die de schrijver nooit heeft willen ondertekenen met zijn eigen naam of zelfs met een aangenomen naam. Zijn vóór-Adamse rassen – geen satanische, maar eenvoudig Atlantische, en daarvóór de hermafrodieten – worden immers in de bijbel genoemd, wanneer men deze esoterisch leest, en eveneens in de Geheime Leer. De ZEVEN SLEUTELS openen de mysteries uit het verleden en de toekomst van de zeven grote Wortelrassen en ook van de zeven kalpa’s. Hoewel de wetenschap het ontstaan van de mens en zelfs de esoterische geologie beslist zal verwerpen, evengoed als de satanische en vóór-Adamse rassen, moeten de geleerden, als ze geen andere uitweg zien uit hun moeilijkheden, toch tussen die twee kiezen, en we zijn er zeker van dat ondanks de Schrift, de archaïsche leer zal worden aanvaard zodra de mysterietaal bij benadering wordt beheerst.

 

Noten:

  1. Zoals we in Isis (Deel II, blz. 438-9, Eng. uitgave) hebben gezegd: ‘Tot op dit moment tasten de geschiedenis en de wetenschap, ondanks al het getwist over en het onderzoek naar de oorsprong van de joden, nog steeds daarover in het duister. Ze kunnen evengoed de verbannen Tchandala’s van het oude India zijn, de ‘metselaars’ die door Vina-Svata, Veda-Vyasa en Manu worden genoemd, als de Feniciërs van Herodotus of de Hyk-Sos van Josephus, of de afstammelingen van Pali-herders, of een vermenging van hen allen. De bijbel noemt de Tyriërs een verwant volk en maakt aanspraak op heerschappij over hen. . . . Maar wat ze ook geweest mogen zijn, niet lang na Mozes werden ze een gemengd volk, want volgens de bijbel huwden ze niet alleen vrijelijk met de Kanaänieten, maar met ieder ander volk of ras waarmee ze in aanraking kwamen.’
  2. Een voor een worden de aanspraken erkend, omdat de ene geleerde na de andere zich genoodzaakt ziet de verkondigde feiten van de Geheime Leer te erkennen – hoewel zij zelden of nooit toegeven dat hun beweringen al eerder zijn gedaan. In de gelukkige dagen toen Piazzi Smyth een autoriteit was op het gebied van de piramide van Gizeh, luidde zijn theorie, dat de portieren sarcofaag van de koningskamer ‘de maateenheid is voor de twee meest verlichte naties op aarde, Engeland en Amerika’, en dat deze niets anders dan een ‘graantrog’ was. Dit hebben wij in Isis Ontsluierd, dat toen juist was verschenen, heftig tegengesproken. De New Yorkse pers (vooral de ‘Sun’ en de ‘World’) kwam toen tegen ons in het geweer, omdat wij het waagden zo’n vermaarde geleerde te verbeteren en op fouten te betrappen. Op blz. 519 van Deel I (Engelse uitgave) hadden we gezegd dat Herodotus bij het bespreken van die piramide ‘er wel aan had kunnen toevoegen, dat haar uitwendige vorm het scheppende beginsel van de Natuur symboliseerde en ook een verduidelijking gaf van de beginselen van de meetkunde, wiskunde, astrologie en astronomie. Vanbinnen was zij een majestueuze tempel, in de donkere schuilhoeken waarvan de mysteriën werden uitgevoerd, en waarvan de muren vaak getuige waren geweest van de inwijdingen van leden van de koninklijke familie. De porfieren sarcofaag die professor Piazzi Smyth, ‘Astronomer Royal of Scotland’, tot een graantrog degradeert, was de doopvont waaruit de neofiet ‘opnieuw geboren’ tevoorschijn kwam, en een adept werd.’
       Er werd in die tijd om onze bewering gelachen. We werden ervan beschuldigd, dat we onze denkbeelden hadden ontleend aan de ‘waanzin’ van Shaw, een Engelse schrijver, die had volgehouden dat de sarcofaag was gebruikt voor het vieren van de mysteriën van Osiris (we hadden nooit van die schrijver gehoord!). En nu, zes of zeven jaar later, schrijft Staniland Wake op blz. 93 van zijn boek The Origin and Significance of the Great Pyramid het volgende:
       ‘De zogenaamde koningskamer, waarover een enthousiaste kenner van piramiden zegt: ‘De gepolijste wanden, de fijne materialen, de grootse afmetingen en de verheven plaats getuigen op welsprekende wijze van de glorie die nog moet komen’ – indien dit niet de kamer van de vervolmakingen in de graftombe van Cheops was, dan was het toch waarschijnlijk wèl de plaats waartoe de in te wijden kandidaat werd toegelaten nadat hij was gegaan door de nauwe gang naar boven en door de grote hal met haar lage eindgedeelte, als geleidelijke voorbereiding op het laatste stadium van de HEILIGE MYSTERIËN.’ Als Staniland Wake een theosoof was geweest, dan zou hij er misschien aan hebben toegevoegd, dat de nauwe gang naar boven die naar de koningskamer leidt, inderdaad een ‘nauwe poort’ had; dezelfde ‘nauwe poort’ die ‘tot het leven leidt’ of tot de nieuwe geestelijke wedergeboorte die Jezus bedoelt in Matth. vii, 13 e.v. Aan deze poort in de tempel van inwijding werd gedacht door de schrijver, die de woorden optekende die door een Ingewijde zouden zijn uitgesproken.
  3. Door de bijbel met behulp van de numerieke en meetkundige sleutels te lezen, ziet men alles wat wij in Isis hebben gezegd, bevestigd in Egyptian Mystery, or The Source of Measures.
  4. Op blz. 224 van zijn Assyrian Antiquities zegt George Smith: ‘In het paleis van Sennacherib in Kouyunjik heb ik nog een fragment van het merkwaardige verhaal van Sargon gevonden . . . in mijn vertaling uitgegeven in de Transactions of the Society of Biblical Archaeology, deel I, afdeling I, blz. 46.’ De hoofdstad van Sargon, de Babylonische Mozes, ‘was de grote stad Agadi, door de Semieten Akkad genoemd en in Genesis vermeld als de hoofdstad van Nimrod’. (Gen. x, 10) . . . ‘Akkad lag dichtbij de stad Sippara aan de Eufraat en ten noorden van Babylon.’ (Zie Isis Ontsluierd, deel II, blz. 442-3, Engelse uitgave.) Een andere merkwaardige coincidentie betreft het feit dat de bovengenoemde naburige stad Sippara dezelfde naam heeft als de vrouw van Mozes – Zipporah (Exodus ii). Natuurlijk is het verhaal een handig toevoegsel door Ezra, aan wie dit niet onbekend kon zijn geweest. Men vindt dit merkwaardige verhaal op brokstukken van kleitabletten uit Kouyunjik, en het luidt als volgt:
       1. Ik ben Sargona, de machtige koning, de koning van Akkad.
       2. Mijn moeder was een prinses, mijn vader kende ik niet. Een broer van mijn vader regeerde het land.
       3. In de stad Azupiran, die aan de rivier de Eufraat ligt,
       4. Werd mijn moeder, de prinses, zwanger van mij; onder moeilijke omstandigheden schonk ze mij het leven.
       5. Ze legde mij in een biezen mandje, met aardpek verzegelde ze mijn uitgang.
       6. Ze liet mij te water in de rivier, die mij niet liet verdrinken.
       7. De rivier droeg mij naar Akki, de waterdrager.
       8. Akki de waterdrager tilde mij met tederheid in het hart op, enz.
       En nu Exodus (ii): En toen zij (de moeder van Mozes) hem niet langer kon verbergen, nam ze voor hem een biezen mandje en smeerde dit in met leem en pek, en legde het kind erin en plaatste het tussen het riet aan de oever van de rivier.’
       ‘Men veronderstelt’, zegt G. Smith, ‘dat deze geschiedenis plaatsvond rond 1600 v.Chr., aanmerkelijk vroeger dan de tijd waarin Mozes vermoedelijk leefde. Omdat we weten dat de roem van Sargon tot in Egypte was doorgedrongen, is het heel aannemelijk dat dit verhaal in verband stond met de gebeurtenis waarover in Exodus ii wordt gesproken, want elke handeling die eens is verricht, heeft de neiging zich te herhalen.’ Maar nu professor Sayce de moed heeft gehad de tijden van de Chaldeeuwse en Assyrische koningen tweeduizend jaar vroeger te stellen, moet Sargon tenminste tweeduizend jaar vóór Mozes hebben geleefd. (Zie de lezingen van professor Sayce over dit onderwerp.) Deze erkenning geeft te denken, maar er ontbreken nog een of twee nullen aan de getallen.
  5. Over het feit dat de esoterische religie van Mozes verschillende keren de kop werd ingedrukt en dat de eredienst van Jehova, zoals die door David opnieuw was ingevoerd, daarvoor in de plaats werd gesteld, onder andere door Hizkia, kan men zijn geheugen opfrissen door blz. 436-42 (Engelse uitgave) van Deel II van Isis Ontsluierd te lezen. De Sadduceeën, die bijna alle hogepriesters van Judea leverden, moeten wel heel goede redenen hebben gehad om zich aan de wetten van Mozes te houden en de zogenaamde ‘Boeken van Mozes’, de Pentateuch van de Synagoge en de Talmoed te verwerpen.
  6. Denk ook hier aan de Wittoba van de hindoes, die in de ruimte werd gekruisigd; de betekenis van het ‘heilige teken’, de swastika; aan Plato’s in de Ruimte gekruisigde mens, enz.
  7. Source of Measures.
  8. Zie de verderop gegeven beschrijving van de vroegere Arische inwijding: van Visvakarma, die ‘Vikkārtana’, de van zijn stralen beroofde zon, op kruisvormige latten kruisigt.
  9. Men kan beter zeggen dat enkele van haar verdedigers hun verstand moeten hebben verloren. Want wat moet men wel denken wanneer, ondanks de absurditeiten van de naar de dode letter opgevatte bijbel, deze nog steeds in het openbaar en even vurig als altijd worden ondersteund, en wanneer men de theologen hoort volhouden, dat hoewel ‘de Schrift zich er zorgvuldig van onthoudt (?) om enige directe bijdrage te leveren aan de wetenschappelijke kennis, ze nooit zijn gestoten op een uitspraak die het licht van de VOORTGAANDE WETENSCHAP niet kan verdragen’! (Primeval Man, blz. 14.)
  10. Primeval Man Unveiled, or the Anthropology of the Bible, door de (onbekende) schrijver van de Stars and the Angels, 1870, blz. 195.
  11. Vooral gezien het bewijs dat door de bijbel zelf wordt geleverd in Hfst. iv van Genesis, vers 16 en 17, waarin staat dat Kaïn naar het land van Nod ging en daar een vrouw trouwde.

 


De Geheime Leer 1:337-55

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag