§ 8

De lotus als universeel symbool


   Er zijn geen oude symbolen zonder dat daaraan een diepe en filosofische betekenis is verbonden, en hun belang en waarde neemt nog toe met hun ouderdom. Zo’n symbool is de lotus. Dit is de bloem die aan de natuur en haar goden is gewijd, en zij geeft het abstracte en het concrete Heelal weer, omdat zij het symbool is van de voortbrengende krachten van zowel de geestelijke als de stoffelijke natuur. Zij werd vanaf de vroegste oudheid door de Arische Hindoes, de Egyptenaren en na hen door de Boeddhisten als heilig beschouwd; zij werd vereerd in China en Japan, en aangenomen als christelijk embleem door de Griekse en de Latijnse kerk, die er een boodschapper van maakten, evenals de christenen nu, die haar vervangen door de waterlelie1. Zij had en heeft nog haar mystieke betekenis, die bij elk volk op aarde gelijk is. Wij verwijzen de lezer naar Sir William Jones2. Bij de hindoes is de lotus het embleem van de voortbrengende kracht van de natuur, door de werking van vuur en water (geest en stof). ‘Eeuwige!’, zegt een vers in de Bhagavad Gita, ‘Ik zie Brahm de schepper, tronende in u boven de lotus!’; en Sir W. Jones toont aan dat, zoals al in de stanza’s werd opgemerkt, de zaden van de lotus, zelfs vóór zij ontkiemen, volmaakt gevormde bladeren bevatten, miniatuurvormen van wat zij eens als volgroeide planten zullen zijn. In India is de lotus het symbool van de vruchtbare aarde, en wat meer is, van de berg Meru. De vier engelen of genii van de vier hemelstreken (de maharadja’s, zie de stanza’s) staan elk op een lotus. De lotus is het tweevoudige type van de goddelijke en menselijke hermafrodiet, omdat hij om zo te zeggen een dubbel geslacht heeft.
   Volgens de hindoes ontwikkelde Brahmā zich uit de geest van vuur (of warmte), die alles wat wordt geboren uit water of uit de oorspronkelijke aarde opwekt, bevrucht, en tot een concrete vorm ontwikkelt (uit zijn ideële oervorm). De lotusbloem die, zoals men deze voorstelt, uit de navel van Vishnu groeit – de god die rust op de wateren van de ruimte en zijn slang van oneindigheid – is de meest aanschouwelijke allegorie die ooit is bedacht: het Heelal, dat zich ontwikkelt uit de centrale zon, het punt, de altijd verborgen kiem. Lakshmi, het vrouwelijke aspect van Vishnu3, die ook padma, de lotus wordt genoemd, wordt eveneens afgebeeld als drijvende op een lotusbloem bij de ‘schepping’; en tijdens het ‘karnen van de oceaan’ van de ruimte komt zij uit de ‘melkzee’ tevoorschijn, zoals Venus uit het schuim.

‘. . . Dan, gezeten op een lotus
Steeg de stralende godin van de schoonheid,
            de onvergelijkelijke Srī
Op uit de golven . . .’

zingt een Engelse oriëntalist en dichter (Sir Monier Williams).
   De gedachte die aan dit symbool ten grondslag ligt, is heel mooi, en laat bovendien dezelfde afkomst zien in alle religieuze stelsels. Zowel in de vorm van de lotus als van de waterlelie gaat het om hetzelfde filosofische denkbeeld – namelijk de emanatie van het objectieve uit het subjectieve; de goddelijke ideeënvorming, die overgaat van de abstracte in de concrete of zichtbare vorm. Want zodra de duisternis – of liever wat ‘duisternis’ is voor de onwetenden – is verdwenen in haar eigen rijk van eeuwig licht en slechts haar goddelijke gemanifesteerde ideatie achterlaat, wordt het verstand van de scheppende logoi geopend, en zij zien in de ideële wereld (die tot nu toe was verborgen in de goddelijke gedachte) de archetypische vormen van alles. Door het kopiëren en uitbouwen of vervormen daarvan verkrijgen ze dan vergankelijke en transcendente vormen.
   In dit stadium van actie is de demiurg4 nog niet de architect. Geboren in de schemering van de handeling moet hij eerst het plan waarnemen, om goed de ideële vormen te zien die liggen begraven in de schoot van de eeuwige ideatie, zoals de toekomstige lotusbladeren, de onbevlekte bloembladen, zijn verborgen in het zaad van die plant. . . .
   In hoofdstuk lxxxi van het Rituaal (Dodenboek), getiteld ‘De transformatie tot de lotus’ roept de god, die als een hoofd uit deze bloem tevoorschijn komt, uit: ‘Ik ben de zuivere lotus, die uit de Lichtende oprijst. . . . Ik breng de boodschappen van Horus over. Ik ben de zuivere lotus, die van de zonnevelden komt. . . .’
   Het denkbeeld van de lotus kan men zelfs vinden in het elohistische eerste hoofdstuk van Genesis, zoals in Isis wordt gezegd.
   In dit denkbeeld moeten wij de oorsprong en de verklaring zoeken van het vers in de joodse kosmogonie dat luidt: ‘En God zei: Laat de aarde voortbrengen . . . de vruchtboom die vrucht draagt naar zijn aard, en waarvan het zaad daarin is.’ In alle oorspronkelijke religies is de ‘zoon van de vader’ de scheppende god – d.w.z. zijn zichtbaar gemaakte gedachte; en vóór het christelijke tijdperk werd de drie-enige godheid, van de Trimurti van de hindoes tot de drie kabbalistische hoofden uit de geschriften zoals de joden die verklaren, in de allegorieën van alle volkeren volledig omschreven en bevestigd.
   Dit is de kosmische en ideële betekenis van dit grootse symbool bij de oosterse volkeren. Maar gebruikt bij de praktische en exoterische eredienst – die ook een esoterische symboliek had – werd de lotus in de loop van de tijd de drager en houder van een meer aards denkbeeld. Geen enkele dogmatische religie kon ooit ontkomen aan het daarin aanwezige seksuele element, en tot nu toe wordt de morele schoonheid van het gronddenkbeeld erdoor besmet. Het volgende is ontleend aan het kabbalistische manuscript dat eerder werd genoemd:

   ‘Hetzelfde werd aangeduid door de lotus, die groeide in de wateren van de Nijl. Zijn manier van groeien maakte hem bijzonder geschikt als symbool van de voortplanting. De lotusbloem, die als gevolg van haar rijping de draagster is van het zaad voor de voortplanting, gaat door het vruchtwater, dat is de rivier de Nijl, heen, en is door middel van een lange koordvormige stengel, de navelstreng, met behulp van een placenta-achtige hechting verbonden met moeder aarde, of de schoot van Isis. Niets kan eenvoudiger zijn dan dit symbool, en om de bedoeling ervan volkomen duidelijk te maken, wordt er soms een kind bij afgebeeld dat in de bloem zit of eruit tevoorschijn komt5. Zo worden Osiris en Isis, de kinderen van Chronos, of de eindeloze tijd, door de ontwikkeling van hun natuurkrachten in deze voorstelling de ouders van de mens onder de naam Horus. . . .’ (zie § 10, ‘Deus Lunus’.)
   ‘Wij kunnen niet genoeg nadruk leggen op het gebruik van deze voortplantingsfunctie als basis voor een symbolische taal en een wetenschappelijke kunsttaal. Nadenken over deze gedachte leidt onmiddellijk tot beschouwingen over het onderwerp van de scheppende oorzaak. Men kan zien dat de Natuur tijdens haar werk een wonderbaarlijk levend mechanisme heeft gemaakt, dat wordt bestuurd door een daarmee verbonden levende ziel; de ontwikkeling en levensgeschiedenis van die ziel, wat betreft haar herkomst, haar heden en bestemming, gaan alle pogingen van het menselijke verstand om deze te begrijpen, te boven6. De pasgeborene is een steeds terugkerend wonder, een bewijs dat in de werkplaats van de baarmoeder een denkende scheppende kracht is opgetreden om een levende ziel aan een stoffelijk werktuig te verbinden. Het wonderbaarlijke van dit feit verleent een gewijde heiligheid aan alles wat in verband staat met de voortplantingsorganen, als plaats waar de godheid woont en duidelijk opbouwend optreedt.’

   Dit is een juiste weergave van de gronddenkbeelden van de oudheid, van de zuiver pantheïstische opvattingen, onpersoonlijk en eerbiedig, van de archaïsche filosofen uit de voorhistorische tijden. Maar dit is niet het geval wanneer deze denkbeelden worden toegepast op de zondige mensheid, op de grove begrippen verbonden aan de persoonlijkheid. Daarom zullen alle pantheïstische filosofen de opmerkingen die op het bovenstaande volgen en die het antropomorfisme van de joodse symboliek vertegenwoordigen, gevaarlijk vinden voor de heiligheid van de ware religie, en alleen passend bij onze materialistische tijd, die het rechtstreekse gevolg is van dat antropomorfistische karakter. Want dit is de grondtoon van de hele geest en essentie van het Oude Testament. Het manuscript dat de symboliek van de kunsttaal van de bijbel behandelt, gaat verder:

   ‘De plaats van de baarmoeder moet daarom worden beschouwd als de heiligste plaats, het sanctum sanctorum, en de ware tempel van de levende god7. Door de man werd het bezit van de vrouw altijd beschouwd als een wezenlijk deel van hemzelf, om twee tot één te maken, dat hij zorgvuldig als iets heiligs bewaakte. Zelfs noemde men dat deel van het huis of van de woning, dat was bestemd als verblijf van de vrouw, de penetralia, het geheime of heilige; en vandaar de gelijkenis van het Heilige der Heiligen in gewijde bouwwerken, dat was ontleend aan het denkbeeld van de heiligheid van de voortplantingsorganen. Door de beschrijving door middel van een gelijkenis tot het uiterste door te voeren8, wordt dit gedeelte van het huis in de heilige boeken omschreven als gelegen ‘tussen de dijen van het huis’, en soms wordt dit denkbeeld verwerkelijkt bij de bouw van de grote deuropening van de kerken, die naar binnen wordt geplaatst tussen aan weerszijden gebouwde steunpilaren.’

   Een dergelijke ‘tot het uiterste doorgevoerde’ gedachte heeft nooit bij de oude oorspronkelijke Ariërs bestaan. Dit blijkt uit het feit dat de vrouwen in de tijd van de Veda’s niet van de mannen gescheiden in penetralia of ‘zenana’s’ werden geplaatst. Hun afzondering begon toen de mohammedanen – de volgende erfgenamen van de Hebreeuwse symboliek na de christelijke kerkelijke macht – het land hadden veroverd en geleidelijk hun zeden en gewoonten aan de hindoes hadden opgedrongen. De vrouw in de voor- en na-vedische tijd was even vrij als de man; en de religieuze symboliek van de oude Ariërs was nooit met onreine aardse gedachten vermengd. Het denkbeeld en de toepassing ervan zijn zuiver Semitisch. Dit wordt bevestigd door de schrijver van de genoemde hoogst geleerde en kabbalistische openbaring zelf, wanneer hij de bovenaangehaalde passages besluit door eraan toe te voegen:

   ‘Indien men aan deze organen als symbolen van scheppende kosmische werkingen het denkbeeld van de oorsprong van de maten en van de tijdperken kan hechten, dan moet inderdaad bij de bouw van de tempels als woningen van de godheid of van Jehova, het gedeelte dat wordt aangeduid als het Heilige der Heiligen, of de allerheiligste plaats, zijn naam ontlenen aan de erkende heiligheid van de voortplantingsorganen, beschouwd als symbolen van maten zowel als van de scheppende oorzaak. Bij de oude wijzen was er geen naam en geen denkbeeld en geen symbool voor een eerste oorzaak.’ . . . .

   Heel beslist niet. Het is beter er geen enkele gedachte aan te wijden en het voor altijd naamloos te laten, zoals de vroegere pantheïsten deden, dan de heiligheid van dat ideaal van de idealen te verlagen door zijn symbolen neer te halen tot zulke antropomorfe vormen! Ook hier ziet men de reusachtige kloof tussen het Arische en het Semitische religieuze denken: twee tegengestelde polen – oprechtheid en geheimhouding. Voor de brahmanen, die aan de natuurlijke voortplantingsfuncties van de mensheid nooit een element van ‘erfzonde’ hebben toegekend, is het een religieuze plicht een zoon te hebben. In de oudheid trok een brahmaan die zijn taak als menselijke schepper had volbracht, zich terug in de wildernis en bracht de rest van zijn leven door in religieuze meditatie. Hij had als sterfelijk mens en als medewerker met de natuur zijn plicht tegenover deze vervuld en wijdde voortaan al zijn gedachten aan het geestelijke onsterfelijke deel van zichzelf, terwijl hij het aardse als slechts een illusie beschouwde, een voorbijgaande droom – en dat is het ook. Bij de Semiet was het anders. Hij bedacht een verleiding van het vlees in een hof van Eden, en liet zijn God (esoterisch de verzoeker en de heerser van de Natuur) voor altijd een daad vervloeken, die in het logische programma van die natuur lag9. Dit is alles exoterisch, zoals het voorkomt onder de dekmantel en de dode letter van Genesis en de rest; maar tegelijkertijd beschouwde hij esoterisch de veronderstelde zonde en de val als een zo heilige daad, dat hij het orgaan, de bedrijver van de erfzonde, koos als het meest passende en heiligste symbool van die God, die de werking ervan – zoals hij laat zien – brandmerkt als ongehoorzaamheid en eeuwigdurende zonde!
   Wie kan ooit de paradoxale diepten van de Semitische geest doorgronden? En dit paradoxale element, minus de innerlijkste betekenis ervan, is nu geheel overgegaan in de christelijke theologie en dogma’s!
   Of de eerste kerkvaders de esoterische betekenis van het Hebreeuwse (Oude) Testament kenden, of dat slechts enkelen van hen ervan wisten, terwijl de anderen onbekend bleven met het geheim, moet het nageslacht uitmaken. Eén ding staat in ieder geval vast. Omdat de esoterie van het Nieuwe Testament volkomen overeenstemt met die van de Hebreeuwse boeken van Mozes en omdat tevens een aantal zuiver Egyptische symbolen en heidense dogma’s in het algemeen – bijvoorbeeld de drie-eenheid – in de synoptische evangeliën en in Johannes zijn opgenomen, wordt het duidelijk dat aan de schrijvers van het Nieuwe Testament, wie zij ook waren, bekend was dat die symbolen dezelfde waren. Zij moeten zich ook bewust zijn geweest dat de Egyptische esoterie ouder is, want zij hebben verschillende symbolen gebruikt die zuiver Egyptische opvattingen en geloofspunten weergeven – zowel in hun uiterlijke als in hun innerlijke betekenis – en die niet in de joodse canon zijn te vinden. Een ervan is de waterlelie in de handen van de Aartsengel op de oudste afbeeldingen van zijn verschijning aan de maagd Maria; en deze symbolische voorstellingen worden nog steeds bewaard in de iconografie van de Griekse en Roomse kerk. Zo hebben water, vuur, het kruis, zowel als de duif, het lam en andere heilige dieren met al hun combinaties, esoterisch dezelfde betekenis, en ze moeten zijn aanvaard als een verbetering van het judaïsme zonder meer.
   Want de lotus en het water behoren tot de oudste symbolen, en zijn in oorsprong zuiver Arisch, hoewel zij bij het aftakken van het vijfde ras gemeengoed werden. Laten wij een voorbeeld geven. Letters zowel als getallen waren alle mystiek, in combinatie en elk afzonderlijk. De heiligste van alle is de letter M. Deze is zowel vrouwelijk als mannelijk, of androgyn, en is tot een symbool van het water gemaakt, of oorspronkelijk de grote diepte. Het is een mystieke letter in alle talen, oosterse en westerse, en stelt symbolisch de golven voor: . In de Arische en ook in de Semitische esoterie heeft deze letter altijd de wateren voorgesteld. Zo betekent in het Sanskriet makara – het tiende teken van de Dierenriem – een krokodil, of liever een watermonster, dat altijd met water in verband wordt gebracht. De letter ma is gelijkwaardig aan en komt overeen met het getal 5 – dat is samengesteld uit een tweevoud, het symbool van de twee gescheiden geslachten, en uit het drievoud, het symbool van het derde leven, het nageslacht van het tweevoud. Dit wordt ook vaak gesymboliseerd door een vijfhoek, een heilig teken en een goddelijk monogram. Maitreya is de geheime naam van de vijfde Boeddha en de Kalki-Avatar van de brahmanen – de laatste messias, die zal komen op het hoogtepunt van de Grote Cyclus. De M is ook de beginletter van het Griekse Metis of goddelijke wijsheid; van Mimra, het ‘woord’ of de logos en van Mithras (de Mihr), van de monade en van mysterie. Deze zijn alle geboren in en uit de grote Diepte en zijn de zonen van Maya – de moeder; in Egypte Mouth, in Griekenland Minerva (goddelijke wijsheid), Maria of Miriam, Myrrha, enz.; van de moeder van de christelijke logos, en van Maya, de moeder van Boeddha. Madhava en Madhavi zijn de titels van de belangrijkste goden en godinnen van het hindoepantheon. Tenslotte is mandala in het Sanskriet ‘een cirkel’ of een bol (de tien afdelingen van de Rig Veda). De heiligste namen in India beginnen gewoonlijk met deze letter – van mahat, het eerste gemanifesteerde intellect, en Mandara, de grote berg die door de goden wordt gebruikt om de oceaan te karnen, tot Mandakin, de hemelse Ganga (Ganges), Manu, enz.
   Moet men dit een samenloop van omstandigheden noemen? Dan is het inderdaad een vreemd toeval, als wij zien dat zelfs Mozes – gevonden in het water van de Nijl – deze symbolische medeklinker in zijn naam heeft. En de dochter van de farao ‘noemde hem Mozes . . . omdat’, zei ze, ‘ik hem uit het water heb getrokken’ (Exod. ii, 10)10. Bovendien is de Hebreeuwse heilige naam van God, toegepast op deze letter M, Meborach, de ‘heilige’ of de ‘gezegende’, en de naam voor het water van de zondvloed is M’bul. Een herinnering aan de ‘drie Maria’s’ bij de kruisiging en het verband tussen hen en mar, de zee of het water, kan dit voorbeeld besluiten. Daarom wordt in de joodse leer en in het christendom de messias altijd in verband gebracht met water, doop, de vissen (het teken van de Dierenriem dat in het Sanskriet Meenam heet) en zelfs met de Matsya- (vis-)Avatar en de lotus – het symbool van de baarmoeder, of met de waterlelie, wat hetzelfde is.
   Hoe ouder onder de overblijfselen van het oude Egypte de votiefsymbolen en emblemen van de opgegraven voorwerpen zijn, des te meer treft men lotusbloemen en water aan in verband met de zonnegoden. De god Khnoom – de vochtige kracht – water dat, zoals Thales leerde, het beginsel van alle dingen is, zit op een troon, omgeven door een lotus (Saïtisch tijdperk, Serapeum). De god Bes staat op een lotus, gereed om zijn nakomelingen te verslinden. (Ibid, Abydos.) Thot, de god van mysterie en wijsheid, de heilige schrijver van Amenti, zit met de zonneschijf als hoofdbedekking, met een stierenkop (de heilige stier van Mendes is een vorm van Thot) en een menselijk lichaam op een opengebloeide lotus. (IVde dynastie.) Tenslotte rust de godin Hiquet in de gedaante van een kikvors op de lotus en toont zo haar verband met het water aan. En uit de ondichterlijke vorm van dit kikvorssymbool, ongetwijfeld de oudste van hun Egyptische godheden, hebben de egyptologen tevergeefs geprobeerd haar mysterie en haar functies te ontraadselen. Uit het feit dat dit symbool door de eerste christenen in de kerk werd aangenomen, blijkt dat zij het beter kenden dan onze hedendaagse oriëntalisten. De ‘kikvors- of padgodin’ was een van de voornaamste kosmische godheden die met de schepping in verband stonden, wegens haar amfibische aard en vooral door haar schijnbare wederopstanding na lange eeuwen van eenzaam leven, opgesloten tussen oude muren, rotsen, enz. Niet alleen nam ze deel aan de opbouw van de wereld, samen met Khnoom, maar ze had ook te maken met het dogma van de wederopstanding11. Dit symbool moet een heel diepzinnige en heilige betekenis hebben gehad, omdat de eerste Egyptische christenen het in hun kerken aannamen ondanks het gevaar dat zij van een walgelijke vorm van dierenverering zouden worden beschuldigd. Een kikvors of een pad, die zat in een lotusbloem, of zonder dat laatste embleem, werd gekozen als vorm voor de kerklampen, waarop de woorden ‘Ik ben de opstanding’, ‘Ἐγώ εἰμι ἀνάστασιϛ’, waren gegraveerd12. Deze kikvorsgodinnen vindt men ook op alle mummies.

 

Noten:

  1. In de christelijke religie verschijnt de Aartsengel Gabriël op elke afbeelding van de Aankondiging aan de Maagd Maria, met in zijn hand een boeketje waterlelies. Dit boeketje, dat vuur en water voorstelt, of het denkbeeld van schepping en voortplanting, symboliseert precies dezelfde gedachte als de lotus in de hand van de bodhisat, die aan Maha-Maya, de moeder van Gautama, de geboorte van Boeddha, de Verlosser van de wereld, aankondigt. Zo werden ook Osiris en Horus door de Egyptenaren steeds samen met de lotusbloem afgebeeld, omdat deze twee zonne- of vuurgoden waren (de heilige geest wordt nog altijd voorgesteld door ‘vurige tongen’) (Handelingen).
  2. Sir William Jones, Dissertations Relating to Asia.
  3. Lakshmi is Venus-Aphrodite, en evenals deze kwam zij tevoorschijn uit het schuim van de oceaan met een lotus in haar hand. In het Rāmāyana wordt zij Padma genoemd.
  4. In de esoterische filosofie is de demiurg of logos, opgevat als de schepper, slechts een abstracte term, een denkbeeld, zoals ‘leger’. Evenals dit laatste de allesomvattende uitdrukking is voor een lichaam van actieve krachten of werkende eenheden – soldaten – is de demiurg het kwalitatieve samenstel van een menigte scheppers of bouwers. Burnouf, de grote oriëntalist, begreep deze gedachte volkomen toen hij zei dat Brahmā de aarde niet schept, evenmin als de rest van het heelal. ‘Nadat hij zich uit de ziel van de wereld had ontwikkeld en is gescheiden van de eerste oorzaak, lost hij op in de natuur en laat deze uit hemzelf tevoorschijn komen. Hij staat niet boven de natuur, maar is ermee vermengd; Brahmā en het Heelal vormen één wezen, waarvan elk deeltje in essentie Brahmā zelf is, die uit hemzelf voortkwam.’
  5. In de Indiase Purāna’s worden Vishnu, de eerste, en Brahmā, de tweede logos, of de ideële en de praktische schepper, respectievelijk voorgesteld als degene die de lotus manifesteert en degene die eruit tevoorschijn komt.
  6. Maar niet de ‘pogingen’ van de geoefende psychische vermogens van een ingewijde in de metafysica van het oosten, en de mysteriën van de scheppende Natuur. Het zijn de niet-ingewijden van vroegere eeuwen, die het zuivere ideaal van de kosmische schepping hebben verlaagd tot een embleem van alleen menselijke voortplanting en seksuele functies. Het is nu en in de toekomst de taak van de esoterische leringen en van de ingewijden, de oorspronkelijke opvatting terug te verkrijgen en in ere te herstellen, die door theologische en kerkelijke ijveraars zo droevig werd ontwijd door een grove en ruwe toepassing op exoterische dogma’s en personificaties. De stille verering van de abstracte of noumenale Natuur, de enige goddelijke manifestatie, is de enige veredelende religie van de mensheid.
  7. De woorden van de oude ingewijde in de oorspronkelijke mysteriën van het christendom: ‘Weet gij niet dat gij de tempel van God zijt’ (I Korinthen iii, 16) konden toch beslist niet in deze zin op mensen worden toegepast? Deze betekenis kan de Hebreeuwse samenstellers van het Oude Testament voor ogen hebben gestaan, en dit was onmiskenbaar ook zo. En dit is de afgrond die ligt tussen de symboliek van het Nieuwe Testament en de joodse canon. Deze kloof zou zijn gebleven en steeds breder zijn geworden, als het christendom – in het bijzonder en het meest opvallend de Latijnse kerk – die niet had overbrugd. Het hedendaagse pausdom heeft deze nu helemaal overspannen door zijn dogma van de twee onbevlekte ontvangenissen en het antropomorfistische en tegelijk afgodische karakter dat het aan de moeder van zijn God heeft toebedeeld.
  8. Dit was alleen het geval in de Hebreeuwse bijbel en bij zijn slaafse navolgster, de christelijke theologie.
  9. Hetzelfde denkbeeld komt exoterisch tot uiting in de gebeurtenissen in Egypte. De Heer God beproeft de farao zwaar en ‘kwelt hem met grote plagen’, opdat de koning niet aan zijn straf zou ontkomen, en zo een voorwendsel zou verschaffen voor een nieuwe triomf van zijn ‘uitverkoren volk’.
  10. Zelfs tot de zeven dochters van de priester in Midian toe, die kwamen om water te putten en die Mozes hun kudde lieten drenken; voor deze dienst geeft de Midianiet aan Mozes Zippora (sippara = de glinsterende golf) tot vrouw. (Exod., ii.) Dit alles heeft dezelfde geheime betekenis.
  11. Bij de Egyptenaren was het de opstanding bij de wedergeboorte na 3000 jaar van zuivering, hetzij in devachan of in ‘de velden van zaligheid’.
  12. Dergelijke ‘kikvorsgodinnen’ zijn te zien in het Bulaq-Museum te Caïro. Voor de mededeling over de kerklampen en de inscripties is de geleerde oud-directeur van het Bulaq-Museum, Gaston Maspero, verantwoordelijk. (Zie zijn Guide du Visiteur au Musée de Bulaq, blz. 146.)

 


De Geheime Leer 1:414-22

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag