STANZA 4

Toelichting

      1. . . . LUISTERT, GIJ ZONEN VAN DE AARDE, NAAR UW LEERMEESTERS – DE ZONEN VAN HET VUUR (a). WEET DAT ER NOCH EERSTE NOCH LAATSTE IS, WANT ALLES IS ÉÉN GETAL, VOORTGEKOMEN UIT GEEN GETAL (b).

     (a) Deze termen, de ‘zonen van het vuur’, de ‘zonen van de vuurnevel’ en dergelijke, moeten worden verklaard. Ze hangen samen met een groot fundamenteel en universeel mysterie, en het is niet gemakkelijk die samenhang duidelijk te maken. Er is een passage in de Bhagavadgita (hfst. viii), waarin Krishna symbolisch en esoterisch spreekt en zegt: ‘Ik zal de tijden (de omstandigheden) noemen . . . waarop de toegewijden die (uit dit leven) heengaan, nooit zullen terugkeren (worden herboren), of waarop ze wel terugkomen (om weer te incarneren). Het vuur, de vlam, de dag, de heldere (voorspoedige) veertien dagen, de zes maanden van de noordelijke zonnestilstand – zij die daarin heengaan (sterven) en het Brahman kennen (de yogi’s), gaan naar Brahman. Maar als de toegewijde sterft in rook, in de nacht, in de donkere (rampspoedige) veertien dagen, in de zes maanden van de zuidelijke zonnestilstand, dan gaat hij naar het maanlicht (of de woonplaats van de maan, ook het astrale licht), en keert hij terug (wordt hij herboren). Men zegt dat deze twee paden, het heldere en het donkere, in deze wereld (of grote kalpa, ‘eeuw’) eeuwig zijn. Langs het ene gaat de mens en komt nooit terug; langs het andere komt hij terug.’ Deze benamingen nu, ‘vuur’, ‘vlam’, ‘dag’, de ‘heldere veertien dagen’, enz., evenals ‘rook’, ‘nacht’, enz., die slechts leiden naar het einde van het pad van de maan, zijn zonder kennis van de esoterie onbegrijpelijk. Het zijn allemaal namen van verschillende godheden, die de kosmisch-psychische krachten beheersen. Wij spreken vaak over de hiërarchie van de ‘vlammen’ (zie Deel II), de ‘zonen van het vuur’, enz. Sankaracharya, de grootste van de esoterische meesters van India, zegt dat vuur een godheid betekent die over de tijd (kala) heerst. De bekwame vertaler van de Bhagavadgita, Kashinath Trimbak Telang, M.A. te Bombay, erkent dat hij ‘geen helder begrip heeft van de betekenis van deze verzen’ (blz. 81, voetnoot). Voor de kenner van de occulte leer zijn ze daarentegen heel duidelijk. Deze verzen staan in verband met de mystieke betekenis van de zonne- en maansymbolen: de pitri’s zijn maangodheden en onze voorouders, omdat ze de stoffelijke mens schiepen. De agnishvatha’s, de kumara’s (de zeven mystieke wijzen), zijn zonnegodheden, hoewel de eerstgenoemden ook pitri’s zijn, en ze zijn de ‘vormgevers van de innerlijke mens’. (Zie Deel II.) Het zijn:
     ‘De zonen van het vuur’, omdat zij de eerste wezens zijn (in de Geheime Leer worden ze ‘denkvermogens’ genoemd), die evolueerden uit het Oorspronkelijke Vuur. ‘De Heer is een verterend vuur’ (Deuteronomium IV, 24); ‘De Heer (Christos) zal met zijn machtige engelen worden geopenbaard in vlammend vuur . . .’ (2 Thess. 1, 7, 8). De Heilige Geest daalde neer op de apostelen als ‘verdeelde tongen van vuur’ (Handelingen II, 3); Vishnu zal als laatste Avatar terugkeren op Kalki, het witte paard, te midden van vuur en vlammen, en Sosiosh zal eveneens op een wit paard neerdalen in een ‘wervelwind van vuur’. ‘En ik zag de hemel zich openen, en zie, een wit paard, en Hij die daarop zat . . . wordt het Woord van God genoemd’ (Openb. XIX, 11-13) te midden van vlammend vuur. Vuur is aether in zijn zuiverste vorm en wordt daarom niet als stof beschouwd, maar het is de eenheid van aether – de tweede gemanifesteerde godheid – in zijn universaliteit. Er zijn echter twee ‘vuren’ en in de occulte leer wordt daartussen een onderscheid gemaakt. Het eerste, of het zuiver vormloze en onzichtbare vuur, verborgen in de centrale geestelijke zon, wordt (metafysisch) ‘drievoudig’ genoemd, terwijl het vuur van de gemanifesteerde Kosmos zevenvoudig is, zowel in het Heelal als in ons zonnestelsel. ‘Het vuur van kennis verbrandt alle handelingen op het gebied van de illusie’, zegt de toelichting. ‘Daarom worden zij die het hebben verkregen en zijn bevrijd, ‘vuren’ genoemd.’ Sprekend over de zeven zintuigen, die worden gesymboliseerd door hotri’s, priesters, zegt de brahmaan in de Anugita: ‘Zo zijn deze zeven, (zintuigen, reuk en smaak, kleur, geluid, enz.) de oorzaken van de bevrijding’, en in het commentaar wordt hieraan toegevoegd: ‘Van deze zeven moet het Zelf vrij worden. ‘Ik’ (heb hier geen eigenschappen) moet het Zelf betekenen en niet de brahmaan die spreekt.’ (‘Sacred Books of the East’, uitgegeven door Max Müller, Deel VIII, blz. 278.)

     (b) De uitdrukking ‘Alles is één getal, voortgekomen uit geen getal’ heeft weer betrekking op die universele en filosofische leerstelling, die zojuist is verklaard in Stanza III (Toelichting no. 4). Wat absoluut is, is natuurlijk ‘geen getal’, maar in zijn latere betekenis is het van toepassing op de Ruimte en op de tijd. Het betekent dat niet alleen ieder tijdsdeeltje een stukje is van een groter tijdsdeel, tot aan de langste tijdsduur die het menselijke verstand zich kan indenken, maar ook dat iets dat is gemanifesteerd niet anders kan worden opgevat dan als een deel van een groter geheel. Het totaal is dan het ene gemanifesteerde Heelal, dat voortkomt uit het ongemanifesteerde of Absolute – dat wij het Niet-zijn of ‘geen getal’ noemen, om het te onderscheiden van het zijn of ‘het ene getal’.


STANZA 4. Vervolg

      2. WEET WAT WIJ DIE AFSTAMMEN VAN DE OORSPRONKELIJKE ZEVEN, WIJ DIE ZIJN GEBOREN UIT DE OORSPRONKELIJKE VLAM, VAN ONZE VADEREN HEBBEN GELEERD (a).

     (a) Dit wordt verklaard in Deel II, en de naam ‘oorspronkelijke vlam’ bevestigt wat wordt gezegd in de eerste alinea van de voorafgaande toelichting op Stanza IV.
     Het onderscheid tussen de ‘oorspronkelijke’ en de volgende zeven bouwers is dit: de eerstgenoemden zijn de straal en de rechtstreekse uitstraling van de eerste ‘Heilige Vier’, de Tetraktis, dat wil zeggen het eeuwig Zelfbestaande Ene (let wel, eeuwig in essentie, niet in manifestatie, en duidelijk verschillend van het universele ENE). De ‘oorspronkelijken’ sluimeren tijdens het pralaya en zijn werkzaam tijdens het manvantara; zij komen voort uit ‘vader-moeder’ (geest-hyle of Ilus), terwijl het andere gemanifesteerde Viertal en de Zeven voortkomen uit alleen de moeder. Deze laatste is de onbevlekte maagd-moeder die, wanneer zij te voorschijn komt uit haar laya- of ongedifferentieerde toestand, door het universele MYSTERIE wordt overschaduwd, niet bevrucht. In werkelijkheid zijn ze natuurlijk alle één, maar hun aspecten op de diverse bestaansgebieden zijn verschillend. (Zie Afdeling II, ‘De theogonie van de scheppende goden’.)
     De eerste ‘oorspronkelijken’ zijn de hoogste wezens op de ladder van het Bestaan. Het zijn de Aartsengelen van het christendom, zij die weigeren te scheppen of liever zich te vermenigvuldigen – zoals Michaël in laatstgenoemd stelsel, en zoals de oudste ‘uit verstand geboren zonen’ van Brahma (Veddha’s).


STANZA 4. Vervolg

      3. UIT DE UITSTRALING VAN LICHT – DE STRAAL VAN DE EEUWIGE DUISTERNIS – SCHOTEN DE WEER ONTWAAKTE KRACHTEN (Dhyan-Chohans) DE RUIMTE IN; DE EEN UIT HET EI, DE ZES EN DE VIJF (a). DAARNA DE DRIE, DE EEN, DE VIER, DE EEN, DE VIJF – DE TWEEMAAL ZEVEN, HET GEHEEL (b). EN DIT ZIJN DE ESSENTIES, DE VLAMMEN, DE ELEMENTEN, DE BOUWERS, DE GETALLEN, DE ARUPA (vormlozen), DE RUPA (met lichamen), EN DE KRACHT VAN DE GODDELIJKE MENS – HET GEHEEL. EN UIT DE GODDELIJKE MENS KWAMEN DE VORMEN VOORT EN DE VONKEN, DE HEILIGE DIEREN EN DE BOODSCHAPPERS VAN DE HEILIGE VADEREN (de pitri's) BINNEN DE GEHEILIGDE VIER1.

     (a) Dit heeft betrekking op de heilige wetenschap van de getallen: inderdaad zo heilig en zo belangrijk voor de studie van het occultisme, dat het onderwerp, zelfs in een omvangrijk boek als dit, maar vluchtig kan worden genoemd. Het mysterie van het gehele Heelal is gebouwd op de hiërarchieën en de juiste getallen van deze wezens, die (voor ons) onzichtbaar zijn, behalve bij heel zeldzame gelegenheden. De kumara’s bijvoorbeeld worden de ‘vier’ genoemd, hoewel het er in werkelijkheid zeven zijn, omdat Sanaka, Sananda, Sanatana en Sanat-kumara de voornaamste Vaidhatra (hun geslachtsnaam) zijn, omdat zij voortkomen uit het ‘viervoudige mysterie’. Om alles met voorbeelden duidelijker te maken, moeten wij ons wenden tot leerstellingen die aan enkele van onze lezers meer vertrouwd zijn, namelijk de brahmaanse.
     Volgens Manu is Hiranyagarbha Brahma, de eerste mannelijke godheid, die werd gevormd door de niet waarneembare oorzaakloze OORZAAK in een ‘gouden ei, schitterend als de zon’, zoals de Hindu Classical Dictionary zegt. ‘Hiranyagarbha’ betekent gouden of liever ‘stralende moederschoot’, of ei. Deze betekenis komt slecht overeen met het adjectief ‘mannelijk’. De esoterische betekenis van de zin is ongetwijfeld duidelijk genoeg. In de Rig Veda wordt gezegd: ‘DAT, de ene Heer van alle wezens . . . het ene bezielende beginsel van goden en mensen’, ontstond in het begin in de gouden moederschoot, Hiranyagarbha, het wereld-ei of het gebied van ons Heelal. Dat wezen is zonder twijfel androgyn, en de allegorie van Brahma, die zich in tweeën verdeelt en zich in een van zijn helften (de vrouwelijke Vach) herschept als Viraj, is hiervoor een bewijs.
     ‘De een uit het ei, de zes en de vijf’ geven het getal 1065, de waarde van de eerstgeborene (later de mannelijke en vrouwelijke Brahma-prajapati), die overeenkomt met respectievelijk de getallen 7 en 14 en 21. De prajapati’s zijn evenals de sephiroth, slechts zeven in aantal, met inbegrip van de samengestelde sephira van het drievoud waaruit zij ontstaan. Uit Hiranyagarbha of prajapati, de drie-eenheid (de oorspronkelijke vedische Trimurti: Agni, Vayu en Surya) ontstaan zo de andere zeven, of weer tien, als we de eerste drie, die in één bestaan, en één in drie, afzonderlijk houden. Alle zijn echter begrepen in dat ene ‘allerhoogste’ parama, dat guhya of ‘geheim’ wordt genoemd, en sarvatma, de ‘overziel’. ‘De zeven Heren van het Zijn liggen verborgen in sarvatma, zoals gedachten in één brein.’ Dat geldt ook voor de sephiroth. Hun aantal is òf zeven, als men van de bovenste triade af telt, met kether aan het hoofd, òf tien – exoterisch. In het Mahabharata zijn de prajapati’s 21 in aantal, of tien, zes en vijf (1065), drie keer zeven2.

     (b) ‘De drie, de een, de vier, de een, de vijf’ (in totaal twee keer zeven) staan voor 31415 – de getalshiërarchie van de Dhyan-Chohans van verschillende orden en van de innerlijke of omschreven wereld3. Wanneer dit getal wordt geplaatst op de rand van de grote cirkel ‘verder niet’ (zie Stanza V), ook de Dhyanipasa genoemd, het ‘koord van de engelen’, het ‘koord’ dat de wereld van verschijnselen scheidt van de noumenale Kosmos (die niet valt binnen het bereik van ons tegenwoordige objectieve bewustzijn), dan blijft dat getal, mits het niet wordt vergroot door verwisseling en expansie, altijd anagrammatisch en kabbalistisch 31415, want het is zowel het getal van de cirkel als van de mystieke swastika, nogmaals de twee keer zeven. Want hoe de twee reeksen cijfers ook worden opgeteld, een voor een of kruiselings, van rechts naar links of omgekeerd, hun totaal is altijd veertien. Wiskundig stellen de cijfers de welbekende berekening voor, namelijk dat de verhouding van de middellijn tot de omtrek van een cirkel is als 1 : 3,1415, of de waarde van π (pi), zoals deze verhouding wordt genoemd. Het symbool π wordt altijd in wiskundige formules gebruikt om dit uit te drukken. Deze verzameling cijfers moet dezelfde betekenis hebben, omdat de verhoudingen 1 : 314.159 en ook 1 : 3 : 1.415.927 in de geheime berekeningen worden uitgewerkt om de verschillende cyclussen en tijdperken van de ‘eerstgeborene’ uit te drukken, of 311.040.000.000.000 met breuken, en dezelfde uitkomst 13.415 opleveren op een manier waarmee wij ons nu niet bezighouden. Verder kan worden aangetoond dat Ralston Skinner, de schrijver van The Source of Measures, het Hebreeuwse woord Alhim in dezelfde getalswaarde leest, door, zoals gezegd, de nullen weg te laten en door verwisseling – 13.514, want א (a) is 1; ל (l) is 3 (of 30); ה (h) is 5; י (i) is 1 (10); en ם (m) is 4 (40) – anagrammatisch dus 31.415, zoals hij uitlegt.
     Terwijl dus in de metafysische wereld de cirkel met een punt in het midden geen getal heeft en anupadaka (ouderloos en zonder getal) wordt genoemd – men kan er namelijk geen enkele berekening mee uitvoeren – wordt in de gemanifesteerde wereld het wereld-ei of de wereldcirkel omschreven binnen de groepen die men de lijn, de driehoek, de vijfhoek, de tweede lijn en de kubus noemt (of 13514). Wanneer de punt een lijn heeft voortgebracht en zo een middellijn wordt die de androgyne logos weergeeft, worden de cijfers 31415, of een driehoek, een lijn, een kubus, de tweede lijn en een vijfhoek. ‘Wanneer de zoon zich van de moeder scheidt, wordt hij de vader’, want de middellijn stelt de Natuur of het vrouwelijke beginsel voor. Daarom wordt er gezegd: ‘In de wereld van het zijn, bevrucht de ene punt de lijn – de maagdelijke schoot van de Kosmos (de eivormige nul) – en de onbevlekte moeder schenkt het leven aan de vorm die alle vormen verenigt.’ Prajapati wordt de eerste voortbrengende man genoemd, en de ‘echtgenoot van zijn moeder’4. Dit geeft de grondgedachte voor alle latere goddelijke zonen, geboren uit onbevlekte moeders. Deze gedachte wordt duidelijk bevestigd door het veelbetekenende feit dat Anna (de naam van de moeder van de maagd Maria) die, zoals de rooms-katholieke kerk nu leert, haar dochter op onbevlekte manier ter wereld bracht (‘Maria zonder zonden ontvangen’), is afgeleid van het Chaldeeuwse Ana, hemel of astraal licht, anima mundi. Daarom wordt Anaitia, Devi-durga, de vrouw van Siva, ook Annapurna en Kanya, de maagd, genoemd. Haar esoterische naam is ‘Uma-Kanya’ en dit betekent de ‘maagd van licht’, het astrale licht in een van zijn veelvoudige aspecten.

     (c) De deva’s, pitri’s, rishi’s, de sura’s en de asura’s, de daitya’s en aditya’s, de danava’s en gandharva’s, enz. hebben alle hun synoniemen in onze Geheime Leer, evenals in de Kabbala en in de Hebreeuwse engelenleer, maar het heeft geen zin hun oude namen hier te noemen, omdat dit alleen maar tot verwarring zou leiden. Veel ervan kunnen ook nu nog worden aangetroffen, zelfs in de christelijke hiërarchie van goddelijke en hemelse machten. Al die Tronen en Heerschappijen, Machten en Vorsten, Cherubijnen, Serafijnen en demonen, de verschillende bewoners van de sterrenwereld, zijn hedendaagse kopieën van archaïsche oervormen. Zelfs de symboliek in hun namen, als deze in het Grieks en het Latijn zijn overgebracht en gerangschikt, is voldoende om dit duidelijk te maken, zoals later in verschillende gevallen zal worden bewezen.
     De ‘heilige dieren’ komen zowel in de bijbel als in de Kabbala voor en zij hebben hun betekenis (en wel een heel diepzinnige) op de bladzijde van de oorsprong van het leven. In de Sepher Jezirah wordt gezegd dat ‘God de troon van zijn glorie graveerde in de Heilige Vier, de ophanim (wielen of wereldsferen), de Serafijnen5, de heilige dieren en de dienende engelen, en uit deze drie (lucht, water en vuur of ether) vormde hij zijn woning’. Zo werd de wereld gemaakt ‘door middel van drie Serafijnen – Sepher, Saphar en Sipur’, of ‘door middel van getal, getallen en getelden’. Met behulp van de astronomische sleutel worden deze ‘heilige dieren’ de tekens van de Dierenriem.


STANZA 4. Vervolg

      4. DIT WAS HET LEGER VAN DE STEM – HET GODDELIJKE ZEVENVOUD. DE VONKEN VAN DE ZEVEN ZIJN ONDERWORPEN AAN EN DE DIENAREN VAN DE EERSTE, TWEEDE, DERDE, VIERDE, VIJFDE, ZESDE EN DE ZEVENDE VAN DE ZEVEN (a). DEZE (‘vonken’) NOEMT MEN BOLLEN, DRIEHOEKEN, KUBUSSEN, LIJNEN EN VORMGEVERS; WANT ZO IS DE EEUWIGE NIDANA – DE OI-HA-HOU (de omzetting van de letters van Oeaohoo)6 (b).

     (a) Ook deze sloka geeft een korte analyse van de hiërarchieën van de Dhyan-Chohans, in India deva’s (goden) genoemd, of de bewuste intelligente krachten in de Natuur. Met deze hiërarchie komen de feitelijke typen overeen waarin de mensheid kan worden verdeeld, want de mensheid als geheel is in werkelijkheid een verstoffelijkte, hoewel nog onvolmaakte uitdrukking daarvan. Het ‘leger van de stem’ is een term die nauw is verbonden met het mysterie van geluid en spraak, als een gevolg en uitvloeisel van de oorzaak – de goddelijke gedachte. Zoals P. Christian, de geleerde schrijver van ‘The History of Magie’ en van ‘L’Homme Rouge des Tuileries’, het prachtig uitdrukt, bepalen de door ieder individu gesproken woorden, evenals zijn naam, grotendeels zijn toekomstige lot. Waarom? Omdat:

     ‘Wanneer onze ziel (denkvermogen) een gedachte schept of oproept, grift het teken dat die gedachte weergeeft, zich in het astrale fluïdum, dat de vergaarbak en om zo te zeggen de spiegel is van alle manifestaties van het zijn.’
     ‘Het teken drukt de idee uit: de idee is de (verborgen of occulte) kracht van het teken.’
     ‘Het uitspreken van een woord is het oproepen van een gedachte, en deze naar buiten brengen: het magnetische vermogen van de menselijke spraak is het begin van iedere manifestatie in de occulte wereld. Bij het uitspreken van een naam wordt niet alleen het wezen (een entiteit) omschreven, maar het wordt ook onder de invloed geplaatst van, en uitgeleverd aan, een of meer occulte krachten, door het uiten van het woord (verbum). Voor ieder van ons zijn de dingen wat het (woord) ervan maakt, terwijl het ze noemt. Het woord (verbum) of de spraak van ieder mens is, terwijl hij zich daarvan geheel onbewust is, een ZEGEN of een VLOEK. Dit is de reden waarom onze tegenwoordige onwetendheid over de eigenschappen of kenmerken van de IDEE en eveneens over de kenmerken en eigenschappen van de STOF, ons vaak noodlottig is.’
     ‘Ja, namen (en woorden) zijn òf WELDADIG òf SCHADELIJK, ze zijn in zekere zin vergiftig of heilzaam, al naar gelang van de verborgen invloeden die de Opperste Wijsheid heeft verbonden met hun elementen, dat wil zeggen met de LETTERS waaruit ze zijn samengesteld en de GETALLEN die met deze letters corresponderen.’

     Als esoterische lering, die wordt aanvaard door alle oosterse scholen van het occultisme, is dit volkomen waar. In het Sanskriet, evenals in het Hebreeuws en in alle andere alfabetten, heeft iedere letter haar occulte betekenis en haar redelijke verklaring. Zij is een oorzaak en een gevolg van een voorafgaande oorzaak, en een combinatie daarvan brengt heel vaak het meest magische gevolg teweeg. Vooral de klinkers bevatten de meest occulte en geweldige krachten. De mantra’s (die esoterisch meer een magisch dan een religieus karakter hebben) worden door de brahmanen gezongen, evenals de Veda’s en andere geschriften.
     Het ‘leger van de stem’ is de oervorm van de ‘menigte van de logos’ of het ‘WOORD’ van de Sepher Jezirah, dat in de Geheime Leer ‘het ene getal, voortgekomen uit geen-getal’ wordt genoemd – het Ene eeuwige Beginsel. De esoterische theogonie begint met het Ene, dat gemanifesteerd en dus niet eeuwig is in zijn aanwezigheid en in zijn bestaan, hoewel wèl eeuwig in zijn essentie; het getal van de getallen en de getelden – de laatste komen voort uit de stem, de vrouwelijke Vach, Satarupa ‘met de honderd vormen’, of de Natuur. Uit dit getal 10, of scheppende natuur, de moeder – de occulte ‘nul’ die, in verbinding met de eenheid ‘1’ (één) of de levensgeest, altijd voortbrengt en vermenigvuldigt – kwam het gehele Heelal voort.
     In de Anugita wordt een gesprek weergegeven (hfst. VI, 15) tussen een brahmaan en zijn vrouw over de oorsprong van de spraak en de occulte eigenschappen daarvan7. De vrouw vraagt hoe de spraak ontstond en wat er het eerst was, spraak of verstand. De brahmaan zegt haar dat de apana (bezielende adem) gaat heersen en het verstand – dat geen spraak of woorden begrijpt – in de toestand van apana brengt en zo het verstand opent. Dan vertelt hij haar een verhaal, een gesprek tussen de spraak en het verstand. ‘Beide gingen naar het Zelf van het Zijn (d.i. tot het individuele hogere Zelf, zoals Nilakantha denkt, of tot Prajapati, volgens de commentator Arjuna Misra) en vroegen hem hun twijfel weg te nemen en te beslissen, welk van de twee voorafging aan de ander en welk hoger stond. Hierop zei de heer: ‘Het verstand staat hoger.’ Maar de spraak antwoordde het Zelf van het Zijn en zei: ‘Ik voldoe werkelijk aan uw wensen’, waarmee zij bedoelde dat hij door te spreken, kreeg wat hij wenste. Daarop zei het Zelf haar weer, dat er twee verstanden zijn, het ‘beweeglijke’ en het ‘onbeweeglijke’. ‘Het onbeweeglijke is bij mij’, zei hij, ‘het beweeglijke ligt op uw terrein’ (d.i. van de spraak) op het gebied van de stof. U staat hoger dan dat gebied. Maar omdat, o schone, u persoonlijk bent gekomen om met mij te spreken (op de manier waarop u dit deed, nl. hooghartig), daarom, o Sarasvati, zult u nooit spreken na een (diepe) uitademing.’ ‘De godin van de spraak’ (Sarasvati, een latere vorm of aspect van Vach, die tevens de godin is van de geheime wetenschap of de esoterische wijsheid) ‘woonde inderdaad altijd tussen de prana en de apana. Maar, o edele, terwijl zij meeging met de apana-wind (levenschenkende lucht), hoewel gedwongen en zonder de prana (uitademing), snelde zij naar Prajapati (Brahma) en zei: ‘Wees mij genadig, o eerwaardige heer!’ Toen verscheen de prana opnieuw en voedde de spraak. En daarom spreekt de spraak nooit na (een diepe of bezielende) uitademing. Zij maakt steeds geluid of is geluidloos. Van deze twee staat de geluidloze hoger dan de geluidgevende (spraak). . . . De (spraak) die door middel van de prana in het lichaam wordt voortgebracht en dan in apana overgaat (wordt getransformeerd) en daarna wordt opgenomen door de udana (de stoffelijke spraakorganen) . . . verblijft tenslotte in de samana (‘bij de navel in de vorm van geluid, als de stoffelijke oorzaak van alle woorden’, zegt Arjuna Misra). Zo sprak voorheen de spraak. Het verstand onderscheidt zich dus door zijn onbeweeglijkheid, en de godin (de spraak) door haar beweeglijkheid.’
      Deze allegorie ligt ten grondslag aan de occulte wet die stilzwijgen voorschrijft over de kennis van bepaalde geheime en onzichtbare zaken, die alleen waarneembaar zijn voor het geestelijke verstand (het 6de zintuig), en die niet kunnen worden uitgedrukt door ‘luide’ of gesproken taal. Volgens Arjuna Misra verklaart dit hoofdstuk uit de Anugita de pranayama of het regelen van de adem bij yoga-oefeningen. Maar als men niet vooraf de twee hogere zintuigen – waarvan er zeven zijn, zoals zal worden aangetoond – heeft verkregen of tenminste volledig heeft begrepen, behoort deze methode eerder tot de lagere yoga. De zogenaamde hatha werd en wordt nog door de arhats afgekeurd. Die is nadelig voor de gezondheid en alleen kan deze zich nooit tot raj yoga ontwikkelen. Dit verhaal werd aangehaald om te laten zien dat in de aloude metafysica verstandelijke wezens of liever ‘intelligenties’ onafscheidelijk waren verbonden met onze fysieke of mentale zintuigen of functies. De occulte bewering dat er in de mens en in de natuur zeven zintuigen zijn, evenals er zeven bewustzijnstoestanden bestaan, wordt bevestigd in hetzelfde boek, hoofdstuk vii, over pratyahara (het bedwingen en regelen van de zintuigen; pranayama is het bedwingen en regelen van de ‘levenswinden’ of de adem). De brahmaan spreekt in dat boek ‘over het bestaan van de zeven offerpriesters (hotri’s)’. Hij zegt: ‘De neus en de ogen, de tong, de huid en het oor als vijfde (of reuk, gezicht, smaak, gevoel en gehoor), het denk- en het begripsvermogen zijn de zeven afzonderlijk geplaatste offerpriesters’, die ‘hoewel ze in een heel kleine ruimte wonen, elkaar (toch) niet waarnemen’ op dit zintuiglijke gebied; geen van hen, behalve het denkvermogen. Want het denkvermogen zegt: ‘De neus ruikt niet zonder mij, het oog merkt geen kleur op, enz. Ik ben de eeuwige leider te midden van alle elementen (d.i. zintuigen). Zonder mij komen de zintuigen nooit tot uiting, maar zijn als een lege woning of als vuren, waarvan de vlammen zijn uitgedoofd. Zonder mij zijn de wezens, evenals half droge, half vochtige brandstof, geen van alle in staat eigenschappen of voorwerpen waar te nemen, zelfs als de zintuigen zich inspannen8.’
      Dit heeft natuurlijk alleen betrekking op het denkvermogen op het gebied van de zintuigen. Het geestelijke denkvermogen (het hogere deel of aspect van het onpersoonlijke MANAS) neemt geen kennis van de zintuigen in de fysieke mens. Hoe goed de Ouden bekend waren met de wisselwerkingen tussen de krachten en met al de kortgeleden ontdekte verschijnselen van mentale en fysieke vermogens en functies en met nog veel meer geheimen, kan men vaststellen als men de hoofdstukken vii en viii leest van dit onschatbare boek (op het gebied van de filosofie en de mystieke leer). Neem bijvoorbeeld de twist tussen de zintuigen, welk van hen het hoogste staat en hun keuze van Brahman, de heer van alle schepselen, als scheidsrechter. ‘U bent alle het grootst en niet het grootst’, of zoals A. Misra zegt, verheven boven de objecten, en geen van alle onafhankelijk van de ander. ‘U bezit alle elkaars eigenschappen. Elk is het grootst op zijn eigen gebied en alle ondersteunen elkaar. Er is er een, die niet beweegt (levenswind of adem, de zogenaamde ‘yoga inademing’, die de adem is van het Ene of hogere ZELF). Dat is het (of mijn) eigen Zelf, verzameld in talrijke (vormen).’
      Deze adem, stem, zelf of ‘wind’ (pneuma?) is de synthese van de zeven zintuigen, noumenaal alle lagere godheden en esoterisch – het zevental en het ‘leger van de STEM’.

      (b) Vervolgens zien wij dat de kosmische stof zich verspreidt en zich tot elementen vormt en zich groepeert tot de mystieke vier binnen het vijfde element – ether, de bekleding van akasa, de anima mundi of moeder van de Kosmos. ‘Punten, lijnen, driehoeken, kubussen, cirkels’ en tenslotte ‘bollen’ – waarom of hoe? Omdat, zegt de Toelichting, dit de eerste natuurwet is en omdat de Natuur in al haar manifestaties meetkundig te werk gaat. Er is – niet alleen in de oerstof, maar ook in de gemanifesteerde stof van ons gebied van verschijnselen – een inherente wet, met behulp waarvan de Natuur haar meetkundige vormen en later ook haar samengestelde elementen met elkaar in verband brengt, en waarin geen plaats is voor ongeluk of toeval. Het is een grondwet van het occultisme, dat er in de Natuur geen rust of ophouden van beweging voorkomt9. Wat rust schijnt, is slechts de verandering van de ene vorm in de andere; de verandering van substantie gaat gepaard met die van vorm – zo leert de occulte natuurkunde, die de ontdekking van de ‘wet van behoud van de stof’ een aanzienlijke tijd blijkt te zijn vóór geweest. De aloude Toelichting10 op Stanza IV zegt:

‘De moeder is de vurige vis van het leven. Zij schiet haar kuit en de adem (beweging) verwarmt en verlevendigt deze. De korreltjes (van de kuit) worden al snel tot elkaar aangetrokken en vormen het stremsel in de oceaan (van de Ruimte). De grotere klonten smelten samen en ontvangen nieuwe kuit – in vurige punten, driehoeken en kubussen, die rijpen. Op de vastgestelde tijd scheiden enkele klonten zich af en nemen de bolvorm aan, een proces dat zij alleen kunnen uitvoeren als de andere hen niet hinderen. Daarna treedt wet no. * * * in werking. Beweging (de adem) wordt de wervelwind en brengt hen aan het draaien11.’


STANZA 4. Vervolg

       5. . . . DIE IS:
      ‘DUISTERNIS’, HET GRENZELOZE OF HET NIET-GETAL, ADI-NIDANA SVABHAVAT: DE (voor x, de onbekende grootheid):
            I. DE ADI-SANAT, HET GETAL, WANT HIJ IS ÉÉN.
            II. DE STEM VAN HET WOORD, SVABHAVAT, DE GETALLEN, WANT HIJ IS EEN EN NEGEN12.
            III. HET ‘VORMLOZE VIERKANT’. (arupa) (b)
      EN DEZE DRIE, OMSLOTEN DOOR DE (grenzeloze cirkel), ZIJN DE HEILIGE VIER; EN DE TIEN ZIJN HET ARUPA (subjectieve, vormloze) HEELAL (c); DAN KOMEN DE ‘ZONEN’, DE ZEVEN STRIJDERS, DE ENE, DE WEGGELATEN ACHTSTE EN ZIJN ADEM DIE DE LICHTMAKER (bhaskara) IS (d).


      (a) Letterlijk vertaald betekent ‘Adi-sanat’ de eerste of ‘oeroude’, een naam die de kabbalistische ‘Oude van Dagen’ en de ‘Heilige Oude’ (Sephira en Adam Kadmon) vereenzelvigt met Brahma de schepper, die behalve zijn andere namen en titels ook Sanat wordt genoemd.
      Svabhavat is de mystieke essentie, de plastische wortel van de stoffelijke Natuur – ‘getallen’ wanneer gemanifesteerd; het getal in zijn eenheid van substantie op het hoogste gebied. De naam wordt gebruikt door de boeddhisten en is een synoniem voor de viervoudige anima mundi, de kabbalistische ‘wereld van de archetypen’, waaruit de ‘scheppende, vormende en stoffelijke werelden’ voortkomen, de scintillae of vonken – de verschillende andere werelden, die zich in de laatste drie bevinden. De werelden zijn alle onderworpen aan heersers of regeerders – rishi’s en pitri’s bij de hindoes, engelen bij de joden en de christenen, goden bij de Ouden in het algemeen.

      (b) Dit betekent dat de ‘grenzeloze cirkel’ (de nul) alleen dan een getal wordt, als een van de negen cijfers eraan voorafgaat en zo de waarde en het vermogen ervan aangeeft, waarbij het woord of de logos in vereniging met STEM en geest13 (de uiting en de bron van het Bewustzijn) de negen cijfers vertegenwoordigt en dus, met de nul, de decade vormt die het gehele Heelal in zich bevat. De triade vormt binnen de cirkel de Tetraktis of heilige vier: het vierkant binnen de cirkel is het machtigste van alle magische figuren.

      (c) De ‘ene verworpene’ is de zon van ons stelsel. De exoterische voorstellingswijze hiervan is in de oudste Sanskrietgeschriften te vinden. In de Rig Veda is aditi – ‘de grenzeloze’ of oneindige Ruimte, door Max Müller vertaald door ‘het zichtbare oneindige, zichtbaar voor het blote oog (!!), de eindeloze uitgestrektheid buiten de aarde, achter de wolken, achter de hemel’ – het equivalent van ‘Moeder-Ruimte’, even oud als ‘Duisternis’. Zij wordt heel terecht ‘de moeder van de goden’, DEVA-MATRI, genoemd, omdat uit haar kosmische moederschoot alle hemellichamen van ons stelsel – zon en planeten – werden geboren. Zij wordt daarom allegorisch als volgt omschreven: ‘Acht zonen werden uit het lichaam van aditi geboren; met zeven naderde zij de goden, maar wierp de achtste, Marttanda, onze zon, weg.’ De zeven zonen, die de aditya’s worden genoemd, zijn kosmisch of astronomisch de zeven planeten; en dat de zon niet werd meegerekend, toont duidelijk aan dat de hindoes misschien een zevende planeet hebben gekend – en in feite ook kenden – zonder die Uranus te noemen14. Maar esoterisch en theologisch, om zo te zeggen, zijn de aditya’s in hun oorspronkelijke en oudste betekenis de acht, en de twaalf grote goden van het hindoepantheon. ‘De zeven staan de stervelingen toe hun woningen te zien, maar zij vertonen zich alleen aan de arhats’, zegt een oud spreekwoord; ‘hun woningen’ staat hier voor planeten. De oude Toelichting geeft een allegorie en verklaart deze:

‘Acht huizen werden door de moeder gebouwd. Acht huizen voor haar acht goddelijke zonen; vier grote en vier kleine. Acht schitterende zonnen, naar hun leeftijd en verdienste. Bal-ilu (Marttanda) was niet tevreden, hoewel zijn huis het grootst was. Hij begon (te werken) zoals de reusachtige olifanten doen. Hij ademde (zoog) in zijn maag de levenslucht van zijn broeders. Hij probeerde ze te verslinden. De vier grote waren ver weg, ver, op de grens van hun rijk15. Zij werden niet beroofd (getroffen) en lachten. Doe het ergste wat u kunt, heer, u kunt ons niet bereiken, zeiden ze. Maar de kleine weenden. Zij klaagden bij de moeder. Zij verbande Bal-i-lu naar het midden van haar rijk, vanwaar hij niet weg kon. (Sindsdien) waakt en dreigt hij (slechts). Hij vervolgt hen, terwijl hij langzaam om zijn as draait. Zij wenden zich snel van hem af en hij volgt van verre de richting waarin zijn broeders zich bewegen op het pad dat rond hun huis gaat16. Vanaf die dag voedt hij zich met het zweet van het lichaam van de moeder. Hij vult zich met haar adem en afval. Daarom verwierp zij hem.’

      Terwijl dus de ‘verstoten zoon’ onze zon is, hebben de ‘zon-zonen’ kennelijk – zoals hierboven is aangetoond – niet alleen betrekking op onze planeten, maar op de hemellichamen in het algemeen. Surya, zelf slechts een weerspiegeling van de centrale geestelijke zon, is de oervorm van al die lichamen die zich na hem ontwikkelden. In de Veda’s wordt hij Loka-Chakshuh genoemd, ‘het oog van de wereld’ (onze planetenwereld), en hij is een van de drie voornaamste godheden. Hij wordt zowel de zoon van Dyaus als van Aditi genoemd, omdat er geen onderscheid wordt gemaakt met betrekking tot, of geen ruimte wordt gelaten voor, de esoterische betekenis. Zo wordt hij afgebeeld als getrokken door zeven paarden, en ook door één paard met zeven hoofden. Het eerste slaat op zijn zeven planeten, het laatste op hun gemeenschappelijke oorsprong uit het ene kosmische Element. Dit ‘ene Element’ wordt in figuurlijke zin ‘VUUR’ genoemd. De Veda’s (de Aitareya-Brahmana volgens Haug eveneens, blz. i) zeggen ‘dat het vuur werkelijk alle godheden is’. (Narada in de Anugita).
      De betekenis van de allegorie is duidelijk, want we hebben zowel de Toelichting van Dzyan als de moderne wetenschap om deze te verklaren, hoewel die twee in meer dan één opzicht verschillen. De occulte leer verwerpt de hypothese die is ontstaan uit de nevelvlektheorie, dat de (zeven) grote planeten zich hebben ontwikkeld uit de centrale massa van de zon – in ieder geval niet van onze zichtbare zon. De eerste verdichting van kosmische stof vond natuurlijk plaats rondom een centrale kern, de vader-zon daarvan; maar ons wordt geleerd, dat onze zon zich alleen maar eerder afscheidde dan al de andere, toen de roterende massa zich samentrok, en daarom hun oudere, grotere broer is, niet hun vader. De acht aditya’s, ‘de goden’, zijn allen gevormd uit de eeuwige substantie (komeetstof17 – de moeder) of de ‘wereldstof’ die zowel het vijfde als het zesde KOSMISCHE beginsel is, de upadhi of grondslag van de universele ziel, evenals in de mens, de microkosmos, manas18 de upadhi van buddhi vormt19.

      (d) Er bestaat een heel gedicht over de strijd tussen de groeiende planeten, die voorafging aan het ontstaan van de wereld, voordat de Kosmos uiteindelijk werd gevormd. Dit verklaart de schijnbaar verstoorde stand van verscheidene planetenstelsels. Het vlak, waarin de satellieten van enkele planeten (bijvoorbeeld van Neptunus en Uranus, waarvan zoals men zegt de Ouden niets wisten) zich bewegen, staat scheef, waardoor deze een schijnbaar retrograde beweging vertonen. Deze planeten worden de strijders, de architecten genoemd, en worden door de roomse kerk aanvaard als de leiders van het hemelse leger, wat wijst op dezelfde tradities. Er wordt ons geleerd dat de zon, na te zijn geëvolueerd uit de kosmische Ruimte en vóór de uiteindelijke vorming van de voornaamste planeten en de transformatie van de planetaire nevel tot een ring, zoveel mogelijk kosmische levenskracht naar de diepte van zijn massa trok en zijn zwakkere ‘broeders’ dreigde te verslinden, voordat de wet van aantrekking en afstoting zich geheel had gestabiliseerd. Daarna begon hij zich te voeden met ‘het afval en het zweet van de moeder’, met andere woorden met die delen van de ether (de ‘adem van de universele ziel’), over het bestaan en de samenstelling waarvan de wetenschap nog volstrekt niets weet. Gezien het feit dat een dergelijke theorie is geopperd door Sir William Grove (zie ‘Correlation of the Physical Forces’, 1843, blz. 81 en ‘Address to the British Association’, 1866) – die redeneerde dat de stelsels ‘geleidelijk veranderen door toevoegingen of onttrekkingen aan de atmosfeer, of door vermeerderingen en verminderingen, veroorzaakt door de nevelstof’ . . . en verder dat ‘de zon misschien tijdens de beweging door de Ruimte gasvormige stof verdicht, waardoor warmte kan ontstaan’ – schijnt de archaïsche leer zelfs in deze tijd voldoende wetenschappelijk te zijn20. W. Mattieu Williams veronderstelde dat de verspreide stof of ether, die de warmtestralingen van het Heelal opvangt, daardoor in de diepten van de zonnemassa wordt getrokken. Daaruit verdringt hij de vroeger verdichte en voor wat de warmte betreft, uitgeputte ether, waardoor hij wordt samengeperst en zijn warmte afstaat, wordt dan op zijn beurt in verdunde en afgekoelde toestand uitgedreven, om een nieuwe voorraad warmte op te nemen die, zoals Williams veronderstelt, op deze manier door de ether wordt opgenomen en door de zonnen van het Heelal opnieuw wordt verdicht en verspreid21.
      Dit is ongeveer de beste benadering van de occulte leer die de wetenschap zich ooit heeft voorgesteld, want het occultisme verklaart het uit de ‘dode adem’ die door Marttanda werd teruggegeven, en uit het feit dat hij zich voedde met het ‘zweet en afval’ van ‘Moeder Ruimte’. Wat Neptunus22, Saturnus en Jupiter maar weinig kon beïnvloeden, zou betrekkelijk kleine ‘huizen’ zoals Mercurius, Venus en Mars hebben gedood. Omdat Uranus niet bekend was vóór het einde van de achttiende eeuw, moet de naam van de vierde planeet, die in de allegorie wordt genoemd, voor ons nog een geheim blijven.
      De ‘adem’ van al de ‘zeven’ heet bhaskara (licht makend), omdat alle planeten in hun oorsprong kometen en zonnen waren. Zij ontwikkelden zich uit de oorspronkelijke Chaos (nu het noumenon van de niet oplosbare nevelvlekken) tot manvantarisch leven, door aggregatie en opeenhoping van de eerste differentiaties van de eeuwige stof, volgens de mooie zinswending in de Toelichting: ‘Zo kleedden de zonen van het licht zich in het weefsel van de duisternis.’ Zij worden allegorisch ‘de hemelslakken’ genoemd, omdat hun (voor ons) vormloze INTELLIGENTIES ongezien hun sterre- en planeethuizen bewonen en die als het ware bij hun omloop met zich meedragen, zoals slakken dat doen. De leer van een gemeenschappelijke oorsprong van alle hemellichamen en planeten werd, zoals wij zien, door de archaïsche astronomen onderwezen vóór Kepler, Newton, Leibnitz23, Kant, Herschel en Laplace. Warmte (de adem), aantrekking en afstoting – de drie grote factoren van beweging – zijn de omstandigheden waaronder alle leden van dit hele oorspronkelijke gezin worden geboren, zich ontwikkelen en sterven, om opnieuw te worden geboren na een ‘nacht van Brahma’, waarin de eeuwige stof periodiek terugkeert tot haar aanvankelijke ongedifferentieerde toestand. De sterkst verdunde gassen kunnen de moderne natuurkundige nog geen idee geven van de aard van die stof. De onzichtbare vonken van oeratomen, in het begin krachtcentra, differentiëren zich tot moleculen, en worden zonnen, die geleidelijk objectief – gasvormig, stralend en kosmisch – worden. Tenslotte geeft de ene ‘wervelwind’ (of beweging) de stoot tot de vorm en tot de eerste beweging, die wordt beheerst en onderhouden door de nooit rustende ademingen – de Dhyan-Chohans.


STANZA 4. Vervolg

      6. . . . DAN DE TWEEDE ZEVEN, DIE DE LIPIKA’S ZIJN, VOORTGEBRACHT DOOR DE DRIE (woord, stem en geest). DE VERSTOTEN ZOON IS ÉÉN. DE ‘ZOON-ZONNEN’ ZIJN TALLOOS.

      De lipi-ka’s, van het woord lipi, ‘geschrift’, betekent letterlijk de ‘schrijvers’24. Deze goddelijke wezens zijn op mystieke manier verbonden met karma, de wet van de vergelding, want ze zijn de griffiers of geschiedschrijvers, die op de (voor ons) onzichtbare tafelen van het astrale licht, ‘de grote beeldengalerij van de eeuwigheid’, een getrouw verslag afdrukken van iedere handeling en zelfs gedachte van de mens, van alles dat was, is of ooit zal zijn in het Heelal van de verschijnselen. Zoals in ‘Isis’ werd gezegd, is dit goddelijke en ongeziene schilderij het BOEK VAN HET LEVEN. Omdat de lipika’s het ideële plan van het heelal, op basis waarvan de ‘bouwers’ na iedere pralaya de Kosmos weer ontwikkelen, uit het passieve universele denkvermogen in de objectiviteit projecteren, zijn zij het ook die een parallel vormen met de zeven engelen van de Goddelijke Tegenwoordigheid; de christenen zien die engelen in de zeven ‘planeetgeesten’ of de ‘geesten van de sterren’. Want zij zijn de rechtstreekse schrijvers van de eeuwige Verbeeldingskracht of, zoals Plato het noemde, de ‘goddelijke gedachte’. Het Eeuwige Verslag is geen fantastische droom, want dezelfde verslagen komen voor in de wereld van de grove stof. ‘Er valt nooit een schaduw op een muur zonder daarop een blijvend spoor achter te laten, dat men zichtbaar kan maken met behulp van de daarvoor geschikte methode’, zegt dr. Draper. . . . ‘De afbeeldingen van onze vrienden of van landschappen kunnen op de gevoelige plaat voor het oog zijn verborgen, maar zij kunnen onmiddellijk tevoorschijn worden gebracht zodra de juiste ontwikkelaars worden toegepast. Een geestverschijning is verborgen op een zilver- of glasplaat, totdat wij deze door onze necromantie in de zichtbare wereld te voorschijn laten komen. Op de wanden van onze particuliere vertrekken, waar wij denken dat geen indringer toegang heeft en onze rust niet kan worden verstoord, bestaan de sporen van al onze daden, schaduwen van alles wat wij hebben gedaan25.’ Dr. Jevons en dr. Babbage geloven dat iedere gedachte de hersendeeltjes verplaatst, ze in beweging brengt en ze door het Heelal verspreidt, en zij denken dat ‘ieder deeltje van de bestaande stof een register moet zijn van alles wat is gebeurd’. (Principles of Science, Deel II, blz. 455.) Zo begon de oude leer burgerrecht te krijgen in de speculaties van de wetenschappelijke wereld.
      De veertig ‘assessoren’ die in het gebied van amenti als aanklagers van de ziel voor Osiris staan, behoren tot dezelfde klasse van godheden als de lipika’s en zouden als overeenkomstig worden beschouwd, indien de esoterische betekenis van de Egyptische goden niet zo slecht zou worden begrepen. De god Chitra-Gupta van de hindoes – die het verslag van het leven van iedere ziel opleest uit zijn register, dat Agra-Sandhani wordt genoemd – en de ‘assessoren’, die hun verslag lezen in het hart van de gestorvene, dat een open boek wordt voor (hetzij) Yama, Minos, Osiris of Karma, zijn alle evenzoveel kopieën en varianten van de lipika’s en hun astrale registers. De lipi-ka’s zijn niettemin godheden die niet zijn verbonden met de dood, maar met het eeuwige leven.
      Omdat de lipika’s zijn verbonden met het lot van ieder mens en met de geboorte van ieder kind, waarvan het leven al in het astrale licht is geschetst – niet als noodlot, maar alleen omdat de toekomst, evenals het VERLEDEN, altijd leeft in het HEDEN– kan men ook zeggen dat zij de wetenschap van de horoscopie beïnvloeden. Wij moeten de waarheid van de laatste erkennen, of wij willen of niet. Want, zoals een van de moderne adepten van de astrologie opmerkte: ‘Nu de fotografie ons de chemische invloed van het sterrenstelsel heeft onthuld, door op de gevoelige plaat van het toestel miljarden sterren en planeten vast te leggen, die tot dan toe de pogingen van de krachtigste telescopen om ze te ontdekken hadden verijdeld, wordt het gemakkelijker te begrijpen hoe ons zonnestelsel bij de geboorte van een kind zijn hersenen – die nog door geen enkele indruk zijn aangeraakt – kan beïnvloeden en wel op een bepaalde manier en in overeenstemming met de aanwezigheid in het zenit van het een of andere sterrenbeeld van de Dierenriem26.’

 

Noten:

  1. De 4, in de occulte getallenleer weergegeven door de Tetraktis, het heilige of volmaakte vierkant, is voor de mystici van ieder volk en ras een heilig getal. Het heeft dezelfde betekenis in het Brahmanisme, het Boeddhisme, de Kabbala en in de Egyptische, Chaldeeuwse en andere getallenstelsels.
  2. In de Kabbala zijn dezelfde cijfers (1065) een waarde van Jehova(h), omdat de numerieke waarden van de drie letters die zijn naam vormen, jod, vau en twee keer he, respectievelijk zijn 10 (י), 6 (ו) en 5 (ה), of weer drie keer zeven, 21. ‘Tien is de moeder van de ziel, want leven en licht zijn daarin verenigd’, zegt Hermes. ‘Want het getal één is geboren uit de geest en het getal tien uit de stof (chaos, vrouwelijk); de eenheid heeft de tien gemaakt en de tien de eenheid’ (Het Boek van de Sleutels). ‘Met behulp van de temura, de anagrammatische methode van de Kabbala, en de kennis van 1065 (21), kan men een alomvattende wetenschap verkrijgen over de Kosmos en zijn geheimen’ (Rabbi Yogel). De rabbi’s beschouwen de getallen 10, 6 en 5 als de heiligste van alle.
  3. Er kan de lezer worden medegedeeld, dat een Amerikaanse kabbalist nu hetzelfde getal heeft ontdekt voor de Elohim. Het bereikte de joden vanuit Chaldea. Zie ‘Hebrew Metrology’ in de Masonic Review, juli 1885, McMillan Lodge, no. 141.
  4. Wij vinden dezelfde uitdrukking in Egypte. Mout betekent onder andere ‘moeder’ en dit toont de rol die haar in de triade van dat land werd toegekend. ‘Zij was evengoed de moeder als de vrouw van Ammon’, en een van de voornaamste titels van deze god was ‘de echtgenoot van zijn moeder’. De godin Mout, of Mut, wordt aangeroepen als ‘onze vrouw’, de ‘koningin van de hemel’ en van ‘de aarde’ en zij ‘deelde dus deze titels met de andere moedergodinnen, Isis, Hathor, enz.’ (Maspero).
  5. Dit is een letterlijke vertaling uit de Afdelingen IX en X: ‘Tien getallen zonder wat? Een: de geest van de levende God . . . die leeft in eeuwigheid! Stem en geest en woord, en dit is de Heilige Geest. Twee: geest uit geest. Hij ontwierp en hakte daarmee tweeëntwintig basisletters uit, drie moeders en zeven dubbele en twaalf enkele, en uit hen één geest. Drie: water uit geest; hij ontwierp en hakte daarmee het woeste en het lege, modder en aarde. Hij ontwierp ze als een bloembed, hakte ze als een muur, bedekte ze als een plaveisel. Vier: vuur uit water. Hij ontwierp en hakte daarmee de troon van glorie en de wielen, en de serafijnen en de heilige dieren en de dienende engelen, en op deze drie grondvestte hij zijn woning, zoals is gezegd: hij maakt zijn engelen geesten en zijn dienaren vurige vlammen!’ De woorden ‘grondvestte hij zijn woning’ tonen duidelijk aan dat in de Kabbala, evenals in India, de godheid als het Heelal werd beschouwd, en oorspronkelijk niet de buiten-kosmische god was die hij nu is.
  6. De letterlijke betekenis van het woord is bij de oosterse occultisten van het noorden een ronddraaiende wind, een wervelwind, maar in dit geval is het een term die de onophoudelijke en eeuwige kosmische beweging betekent, of liever de kracht die deze doet bewegen en die stilzwijgend als de godheid wordt aanvaard, maar nooit wordt genoemd. Het is het eeuwige karana, de altijd werkzame oorzaak.
  7. De Anugita vormt een deel van de Asvamedha Parvan van het ‘Mahabharata’. De vertaler van de Bhagavadgita, uitgegeven door Max Müller, beschouwt deze als een voortzetting van de Bhagavadgita. Het origineel is een van de oudste Upanishads.
  8. Hieruit blijkt dat de tegenwoordige metafysici, gevoegd bij alle vroegere en tegenwoordige Hegels, Berkeleys, Schopenhauers, Hartmanns, Herbert Spencers en zelfs de moderne hylo-idealisten, niet meer zijn dan zwakke kopieerders van de grijze oudheid.
  9. De kennis van deze wet stelt de arhat in staat – en helpt hem – zijn siddhi’s of verschillende verschijnselen tot stand te brengen, zoals het laten uiteenvallen van de stof en het overbrengen van voorwerpen van de ene plaats naar de andere.
  10. Dit zijn toelichtingen uit de oudheid op de stanza’s, vergezeld van moderne verklarende woordenlijsten, omdat de toelichtingen in hun symbolische taal gewoonlijk even moeilijk zijn te begrijpen als de stanza’s zelf.
  11. In een polemisch wetenschappelijk boek, ‘The Modern Genesis’, bekritiseert de schrijver, de eerw. W.B. Slaughter, het standpunt van de astronomen en zegt: ‘Het is te betreuren dat de verdedigers van deze (nevelvlek)theorie niet dieper zijn ingegaan op de bespreking daarvan (van het begin van de rotatie). Niemand verwaardigt zich ons er een redelijke verklaring voor te geven. Hoe geeft het afkoelings- en samentrekkingsproces een draaiende beweging aan de massa?’ Dit vraagstuk wordt uitvoerig behandeld in het Aanhangsel. De materialistische wetenschap kan het nooit oplossen. ‘Beweging is eeuwig in het ongemanifesteerde, en periodiek in het gemanifesteerde’, zegt een occulte lering. Dit is het geval ‘wanneer warmte, veroorzaakt door het neerdalen van de VLAM in de oerstof, haar deeltjes doet bewegen, en die beweging wordt een wervelwind’. Een druppel vloeistof neemt de bolvorm aan doordat de atomen ervan om zichzelf ronddraaien in hun laatste, onoplosbare en noumenale essentie; onoplosbaar, althans voor de natuurwetenschap.
  12. En dit is tien of het volmaakte getal, toegepast op de ‘Schepper’, de naam die wordt gegeven aan de gezamenlijke scheppers die door de monotheïsten tot Eén worden samengevoegd, want de ‘Elohim’, Adam Kadmon of sephira – de Kroon – zijn de androgyne synthese van de 10 sephiroth die in de gepopulariseerde Kabbala het symbool van het gemanifesteerde Heelal vormen. De esoterische kabbalisten echter volgen de oosterse occultisten en scheiden de bovenste driehoek van de sephiroth (of sephira, chochmah en binah) van de rest, waardoor er zeven sephiroth overblijven. Aan de term svabhavat wordt door de oriëntalisten de betekenis gegeven van de universele plastische stof die door de Ruimte is verspreid, misschien met een half oog op de ether van de wetenschap. Maar de occultisten identificeren svabhavat met ‘VADER-MOEDER’ op het mystieke gebied (zie boven).
  13. ‘In vereniging met de geest en de stem’ heeft betrekking op de abstracte gedachte en de concrete stem, of de manifestatie daarvan, het gevolg van de Oorzaak. Adam Kadmon of tetragrammaton is de logos in de Kabbala. Daarom komt in laatstgenoemde deze triade overeen met de hoogste driehoek van kether, chochmah en binah. Dit laatste is een vrouwelijk vermogen en tegelijk de mannelijke Jehova, omdat het deel heeft aan de natuur van chochmah, of de mannelijke wijsheid.
  14. De Geheime Leer zegt, dat de zon een centrale ster is en geen planeet. Toch kenden en vereerden de Ouden zeven grote goden, de zon en de aarde niet meegerekend. Welke ‘mysteriegod’ beschouwden ze afzonderlijk? Natuurlijk niet Uranus, die pas in 1781 door Herschel werd ontdekt. Maar kon hij niet onder een andere naam bekendstaan? De schrijver van ‘Maçonnerie Occulte’ zegt: ‘Toen de occulte wetenschappen door middel van astronomische berekeningen hadden ontdekt, dat het aantal planeten zeven moest zijn, kwamen de Ouden ertoe de zon in de toonladder van de hemelse harmonieën in te voeren en hem de lege plaats te laten innemen. Telkens wanneer zij een invloed constateerden die geen verband hield met een van de zes bekende planeten, schreven zij die daarom aan de zon toe. De fout was alleen schijnbaar van belang, maar was het voor de praktische uitkomsten niet, ook al vervingen de oude astrologen Uranus door de zon, die een betrekkelijk bewegingloze centrale ster is, die alleen om haar as draait en tijd en maat regelt, en die niet van haar ware functies is af te brengen.’ . . . De benaming van de dagen van de week is dus fout. ‘De zon-dag zou uranus-dag (Urani dies, Urandi) moeten zijn’, voegt de geleerde schrijver Ragon eraan toe.
  15. Planetenstelsel.
  16. De sterrenkunde leert ons, dat ‘de zon altijd in dezelfde richting om zijn as draait, als waarin de planeten in hun banen rondgaan’.
  17. Volgens de occulte wetenschap bezit deze essentie van komeetstof kenmerken die totaal verschillen van alle chemische of fysische eigenschappen die de moderne wetenschap kent. In haar oervorm buiten de zonnestelsels is zij homogeen. Zodra zij de grenzen van het gebied van onze aarde overschrijdt, aangetast door de dampkring van de planeten en de reeds samengestelde interplanetaire stof, differentieert zij zich volledig. Zo is ze alleen in onze gemanifesteerde wereld heterogeen.
  18. Manas, het denkende beginsel, of de menselijke ziel.
  19. Buddhi, de goddelijke ziel.
  20. Sterk hiermee overeenkomende denkbeelden vindt men bij W. Mattieu Williams, ‘The Fuel of the Sun’, bij dr. C. William Siemens, ‘On the Conservation of Solar Energy’ (Nature, XXV, blz. 440-444, van 9 maart 1882) en ook bij dr. P. Martin Duncan, ‘Address of the President of the Geological Society’, Londen, mei 1877.
  21. Zie ‘Comparative Geology’, door Alexander Winchell, LL.D., blz. 56.
  22. Als wij over Neptunus spreken, doen wij dit niet als occultist, maar als Europeaan. De ware oosterse occultist zal volhouden dat, hoewel er in ons stelsel veel tot dusver onontdekte planeten zijn, Neptunus niet tot ons stelsel behoort, ondanks zijn schijnbare betrekking tot onze zon en de invloed daarvan op Neptunus. Men zegt dat deze betrekking mayavisch, denkbeeldig, is.
  23. Noot vert. Deze naam wordt meestal geschreven als Leibniz. Wij laten echter in dit boek de schrijfwijze van H. P. B. staan. Zie ook dit Deel, blz. 628 van de Engelse nummering (zie in de marge), voetnoot.
  24. Dit zijn de vier ‘onsterfelijken’, die in de Atharva Veda de ‘wachters’ of bewakers van de vier hemelstreken worden genoemd (zie hfst. lxxvi, 1-4 e.v.).
  25. Draper, ‘Conflict between Religion and Science’, blz. 132 en 133.
  26. Les Mystères de l’Horoscope, blz. XI.

 


De Geheime Leer 1:117-36

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag