‘De kennis van deze onderwereld,
Zeg, vriend, is zij waar of niet?
Welke sterveling wil het onware weten?
Welke sterveling kende ooit het ware?’


Aanhangsels bij deel 1

§ 1

Redenen voor het opnemen van deze aanhangsels

 

   Nadat veel van de leringen die in de voorafgaande zeven stanza’s en toelichtingen voorkomen, door enkele westerse theosofen zijn bestudeerd en kritisch onderzocht, heeft men geconcludeerd dat bepaalde occulte leringen, vanuit het gebruikelijke standpunt van de moderne wetenschappelijke kennis, in gebreke blijven. Het scheen dat het aanvaarden ervan op onoverkomelijke bezwaren stuitte en dat, gezien de wetenschappelijke kritiek, ze opnieuw moesten worden overwogen. Enkele vrienden waren al geneigd te betreuren, dat het zo vaak nodig was de beweringen van de moderne wetenschap in twijfel te trekken. Zij waren van mening – en ik herhaal hier slechts hun argumenten – dat ‘zich verzetten tegen de leerstellingen van haar knapste vertegenwoordigers, in de ogen van de westerse wereld gelijkstond met het uitlokken van een voortijdige nederlaag’.
   Het is daarom wenselijk om eens en voor altijd het standpunt uiteen te zetten dat de schrijfster, die het op dit punt niet met haar vrienden eens is, wenst te verdedigen. Zolang de wetenschap blijft wat zij volgens prof. Huxley is, namelijk ‘georganiseerd gezond verstand’, zolang haar conclusies worden getrokken uit juiste vooronderstellingen – en zolang haar generalisaties berusten op een zuiver inductieve basis – verwelkomt iedere theosoof en occultist haar bijdragen op het gebied van de kosmologische wet met eerbied en met gepaste bewondering. Tussen de leringen van de occulte en de zogenaamd exacte wetenschap kan geen enkele tegenspraak bestaan, wanneer de conclusies van laatstgenoemde op onbetwistbare feiten zijn gebaseerd. De occultisten eisen alleen dan het recht op die theorieën te bestrijden en te betwijfelen, als de vurigste verdedigers daarvan de grenzen van de waargenomen verschijnselen overschrijden om door te dringen tot de geheimen van het Zijn, en proberen de vorming van de Kosmos en zijn levende krachten los te maken van de geest en alles toe te schrijven aan blinde stof. Het spreekt vanzelf dat de wetenschap het mysterie van het heelal dat ons omringt, niet kan ontsluieren. Het is waar dat de wetenschap verschijnselen kan verzamelen, classificeren en erover generaliseren. Maar de occultist, die redeneert vanuit erkende metafysische gegevens, verklaart dat de moedige onderzoeker, die zou willen doordringen tot de diepste geheimen van de Natuur, boven de beperkingen van de zintuigen moet uitstijgen en zijn bewustzijn moet overbrengen naar het gebied van de noumena en de sfeer van de eerste oorzaken. Om dit te bereiken, moet hij vermogens ontwikkelen die in de constitutie van de verschillende vertakkingen van ons huidige vijfde Wortelras in Europa en Amerika nog geheel sluimerend zijn, behalve in een paar zeldzame en uitzonderlijke gevallen. Hij kan op geen andere denkbare manier de feiten verzamelen waarop hij zijn beschouwingen zal baseren. Blijkt dit niet zowel uit de beginselen van de inductieve logica als van de metafysica?
   Anderzijds zal de schrijfster, wat zij ook doet, nooit in staat zijn zowel de waarheid als de wetenschap tevreden te stellen. Het is onmogelijk de lezer een systematische en ononderbroken presentatie van de archaïsche stanza’s te geven. Er moesten 43 verzen of śloka’s worden weggelaten tussen de 7de (die al werd gegeven) en de 51ste. Deze 43 śloka’s vormen het onderwerp van Deel II, hoewel ze zijn genummerd vanaf 1, om het lezen en het verwijzen gemakkelijker te maken. Het verschijnen van de mens op aarde beslaat alleen al het genoemde aantal stanza’s. Deze beschrijven in detail zijn eerste evolutie uit de menselijke Dhyāni-Chohans, de toestand van de bol in die tijd, enz. Een aanzienlijke ruimte wordt in beslag genomen door een groot aantal namen, die betrekking hebben op scheikundige stoffen en mengsels, die nu geen verbindingen meer met elkaar vormen, en daarom aan de latere vertegenwoordigers van ons vijfde Ras onbekend zijn. Omdat ze eenvoudig onvertaalbaar zijn en in ieder geval onverklaarbaar zouden blijven, worden ze weggelaten, tegelijk met de namen, die niet openbaar mogen worden gemaakt. Niettemin zal iedere beoefenaar en verdediger van de dogmatische materialistische wetenschap die dit toevallig leest, zelfs door het weinige dat wordt gegeven, worden geprikkeld.
   Wij stellen daarom voor, de al gegeven stanza’s te verdedigen, voordat wij ons met andere gaan bezighouden. Ze zijn niet in volkomen overeenstemming of harmonie met de moderne wetenschap – dit weten wij allen. Kwamen ze echter evenveel overeen met de opvattingen van de moderne wetenschap als een lezing van Sir W. Thomson, dan zouden ze toch zijn verworpen. Want zij verkondigen een geloof in bewuste machten en spirituele entiteiten, in aardse, half-intelligente en heel intellectuele krachten op andere gebieden1, en in wezens die om ons heen wonen in sferen die men niet door een telescoop of microscoop kan waarnemen. Het is daarom noodzakelijk de zienswijze van de materialistische wetenschap te onderzoeken: haar opvattingen over de ‘elementen’ te vergelijken met de opvattingen van de Ouden, en de fysieke krachten, zoals deze volgens moderne begrippen bestaan, te analyseren, vóórdat de occultisten erkennen dat ze ongelijk hebben. We zullen ons bezighouden met de constitutie van de zon en de planeten en met de occulte kenmerken van wat men deva’s en genii noemt, die tegenwoordig door de wetenschap kracht of ‘bewegingsvormen’ worden genoemd, en we zullen zien of de esoterische opvatting al of niet is te verdedigen (zie het hfst. ‘Goden, monaden en atomen’). Een onbevooroordeelde denker zal, ondanks pogingen tot het tegendeel, in Newtons ‘agens, stoffelijk of onstoffelijk’ (van zijn derde brief aan Bentley) het werkende beginsel ontdekken dat de zwaartekracht veroorzaakt. In zijn persoonlijke, werkende god vindt men evenveel van de metafysische deva’s en genii als in Keplers angelus rector die iedere planeet bestuurt, en de species immateriata waardoor volgens die sterrenkundige de hemellichamen in hun banen worden voortbewogen.
   In Deel II zullen we gevaarlijke onderwerpen openlijk moeten benaderen. Wij moeten ons dapper tegenover de wetenschap opstellen en tegen de materialistische geleerdheid, het idealisme, het hylo-idealisme, het positivisme en de alles ontkennende moderne psychologie in, verklaren dat de ware occultist gelooft in de ‘Heren van het Licht’ en dat hij gelooft in een zon die, evenals miljarden andere zonnen, de woning of het voertuig is van een god en van een menigte goden. Die zon is beslist niet alleen maar een ‘daglamp’ die beweegt overeenkomstig de natuurwet en evenmin slechts een van die zonnen, die volgens Richter ‘. . . zonnebloemen van een hoger licht’ zijn.
   In deze kwestie zullen natuurlijk de occultisten het onderspit delven. Bij de discussie zullen zij in eerste instantie worden beschouwd als domkoppen en worden voorzien van meer dan één van de gebruikelijke benamingen die worden gegeven aan degenen, die door het oppervlakkig oordelende publiek, dat zelf niets weet over de grote waarheden die aan de natuur ten grondslag liggen, van middeleeuws bijgeloof worden beschuldigd. Het zij zo. Terwijl zij zich bij voorbaat aan iedere kritiek onderwerpen om verder te kunnen gaan met hun taak, maken zij alleen aanspraak op het voorrecht aan te tonen dat de natuurkundigen evenveel met elkaar overhoop liggen over hun speculaties, als de laatstgenoemde met de leringen van het occultisme.
   De zon is stof en de zon is geest. Onze voorouders, de ‘heidenen’, evenals hun hedendaagse opvolgers, de parsi’s, waren en zijn in hun tijd wijs genoeg om in hem het symbool van goddelijkheid te zien, en tegelijkertijd daarbinnen de stralende god van geestelijk en aards licht te voelen, die door het materiële symbool wordt verborgen. Zo’n geloof wordt nu alleen maar als bijgeloof beschouwd door een grof materialisme, dat godheid, geest en ziel ontkent en geen intelligentie buiten het menselijke verstand erkent. Maar als te veel verkeerd bijgeloof, voortgebracht door ‘kerkendom’ – zoals Lawrence Oliphant het noemt – ‘van de mens een dwaas maakt’, dan maakt te veel scepticisme hem krankzinnig. Wij geven de voorkeur aan de beschuldiging van dwaasheid door te veel te geloven, boven die van een krankzinnigheid die alles ontkent, zoals het materialisme en het idealisme doen. Daarom zijn de occultisten er volkomen op voorbereid te ontvangen wat hun toekomt van de kant van het materialisme, en de ongunstige kritiek het hoofd te bieden die over dit boek zal worden uitgestort, niet omdat wij het schrijven, maar omdat wij geloven wat erin staat.
   Daarom zullen wij de ontdekkingen, hypothesen en onvermijdelijke bezwaren, die door de wetenschappelijke critici naar voren zullen worden gebracht, moeten voorzien, respectievelijk opheffen. We zullen ook moeten aantonen hoeveel de occulte leringen afwijken van de ware wetenschap en of de oude dan wel de moderne theorieën de meest logische en filosofisch juiste zijn. De eenheid en de onderlinge samenhang van alle delen van de Kosmos waren aan de Ouden bekend, voordat zij aan de moderne astronomen en filosofen duidelijk werden. En als zelfs de uiterlijke en zichtbare gedeelten van het Heelal en hun samenhang alleen maar kunnen worden verklaard in de woorden die in de natuurwetenschap worden gebruikt door de aanhangers van de mechanische theorie van het Heelal, dan volgt daaruit dat geen enkele materialist, die ontkent dat de ziel van de Kosmos (die behoort tot het terrein van de metafysische filosofie) bestaat, het recht heeft dat verboden metafysische terrein te betreden. Dat de natuurwetenschap probeert en ook werkelijk bezig is er binnen te dringen, bewijst nog eens dat ‘macht recht is’ en anders niet.
   Er is nog een goede reden voor deze Aanhangsels. Omdat in deze tijd slechts een bepaald gedeelte van de geheime leringen kan worden bekendgemaakt, zouden deze zelfs door theosofen nooit worden begrepen, indien zij zonder enige uitleg of toelichting zouden worden gepubliceerd. Daarom moeten zij tegenover de speculaties van de moderne natuurwetenschap worden gesteld. Archaïsche axioma’s moeten naast moderne hypothesen worden gezet en de vergelijking moet aan de scherpzinnige lezer worden overgelaten.
   Dit boek zal natuurlijk, behalve de wetenschappers, ook iedere materialist tegen zich krijgen als het gaat over de ‘zeven bestuurders’, zoals Hermes de ‘zeven bouwers’ noemt. Deze ‘zeven bouwers’ zijn de geesten die de werking van de natuur leiden en waarvan de bezielde atomen in hun eigen wereld de schaduwen zijn van hun oorspronkelijke beginselen in de astrale gebieden. Maar deze tegenstand kan niet meer dan tijdelijk zijn. De mensen hebben overal om gelachen en elk impopulair idee eerst verworpen en het tenslotte toch aanvaard. Materialisme en scepticisme zijn euvels die in de wereld moeten blijven zolang de mens zijn huidige grove vorm niet heeft afgelegd om de vorm aan te nemen die hij tijdens het eerste en het tweede ras van deze Ronde had. Tenzij het scepticisme en onze tegenwoordige natuurlijke onwetendheid in evenwicht worden gebracht door intuïtie en een natuurlijke spiritualiteit, zal ieder wezen dat door zulke gevoelens wordt getroffen, in zichzelf niet meer zien dan een bundel vlees, beenderen en spieren, met daarbinnen een lege zolderkamer die dient om zijn gewaarwordingen en gevoelens op te slaan. Sir Humphry Davy was een groot wetenschapper, die evengoed thuis was in de natuurkunde als welke theoreticus van onze tijd dan ook, en toch had hij een afkeer van het materialisme. Hij zegt: ‘Met afschuw hoorde ik in de ontleedkamers de opvatting van de fysiologen, dat de stof zich geleidelijk zou hebben afgescheiden, gevoelig werd voor prikkels en waarnemingen, door haar eigen inherente kracht de nodige organen verkreeg en zich tenslotte verhief tot verstandelijk bestaan.’ Het verwijt, dat zij alleen spreken over wat zij kunnen zien en beoordelen op basis van hun fysieke zintuigen, treft echter niet het meest de fysiologen. De materialistische denkbeelden van astronomen en natuurkundigen zijn volgens ons zelfs nog veel onlogischer dan die van de fysiologen, en dit moeten we bewijzen. Miltons

. . . . . . . . . . . . . ‘Etherisch licht,
Het begin van de dingen, zuivere kern,’

werd bij de materialisten alleen maar

. . . . . . . . . . . . ‘Eerste vreugdebrenger, licht,
Van alle stoffelijke wezens het eerste en het beste.’

Voor de occultisten is het zowel geest als stof. Achter de ‘bewegingsvorm’, die nu als ‘de eigenschap van de stof’ en niets anders wordt gezien, nemen zij het stralende noumenon waar. Het is de ‘geest van het licht’, de eerstgeborene van het eeuwige zuivere element, waarvan de energie (of uitstraling) is opgeslagen in de zon, de grote levensgever van de fysieke wereld, zoals de verborgen geestelijke zon de licht- en levensgever is van de spirituele en psychische gebieden. Bacon was een van de eersten die de grondtoon van het materialisme aansloeg. Hij deed dit niet alleen door zijn inductieve methode (die nieuw leven werd ingeblazen op grond van een slecht begrepen Aristoteles), maar ook door de algemene strekking van zijn geschriften. Hij keert de volgorde van de verstandelijke evolutie om als hij zegt: ‘De eerste schepping van god was het licht van de zintuigen, de laatste was het licht van de rede; zijn sabbat-werk is sindsdien de verlichting van de geest.’ Het is juist andersom. Het licht van de geest is de eeuwige sabbat van de mysticus of occultist, en hij besteedt weinig aandacht aan het licht van alleen de zintuigen. De betekenis van de allegorische zin ‘fiat lux’ is, wanneer deze esoterisch wordt weergegeven: ‘Laten er zonen van licht zijn.’ Dat zijn de noumena van alle verschijnselen. De rooms-katholieken interpreteren de passage dus terecht als een verwijzing naar engelen, en zij interpreteren haar verkeerd als zij er de betekenis aan toekennen van machten die door een antropomorfe God zijn geschapen, die zij verpersoonlijken als de altijd donderende en straffende Jehova.
   Deze wezens zijn de ‘zonen van het licht’, omdat ze worden uitgestraald door die oneindige oceaan van licht en daarin uit zichzelf zijn voortgebracht. De ene pool van deze oceaan is de zuivere geest, die verloren gaat in de absoluutheid van het Niet-zijn, en de andere pool is de stof, waarin deze oceaan, naarmate deze afdaalt in manifestatie, zich verdicht en kristalliseert tot een telkens grovere vorm. Daarom is in de stof – hoewel zij in een bepaalde betekenis slechts het bedrieglijke bezinksel van dat licht is, waarvan de ledematen de scheppende krachten zijn – toch de ziel daarvan volledig aanwezig; dat wil zeggen van dat beginsel, dat niemand – zelfs niet de ‘zonen van het licht’, die uit de absolute duisternis ervan zijn voortgekomen – ooit zal kennen. De gedachte wordt door Milton mooi en naar waarheid uitgedrukt. Hij begroet het heilige licht, dat is de

‘. . . Vrucht van de hemel, eerstgeborene,
En van de Eeuwige de eveneens eeuwige straal;
. . . Want god is licht,
En verbleef eeuwig nooit anders dan
In niet genaderd licht, en woonde toen in u,
Heldere glans van heldere ongeschapen essentie.’

 

Noot:

  1. De werking van hun verstand is natuurlijk van heel andere aard dan die wij ons op aarde kunnen voorstellen.

 


De Geheime Leer 1:521-8

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag