§ 12

Oeroude gedachten in een modern kleed

 

   De hedendaagse wetenschap is het oude denken in verwrongen vorm, meer niet. We hebben echter gezien wat intuïtieve wetenschappers denken en waarmee zij zich bezighouden; en nu zullen we de lezer nog enkele bewijzen geven voor het feit dat meer dan één lid van de Royal Society onbewust tot de bespotte geheime wetenschappen nadert.
   Wat de kosmogonie en de oorspronkelijke stof betreft, zijn de hedendaagse speculaties onmiskenbaar oeroude gedachten, verbeterd door tegenstrijdige theorieën van recente oorsprong. Maar de hele grondslag behoort tot de archaïsche sterrenkunde en natuurkunde van Griekenland en India, die toen altijd filosofie werden genoemd. In alle Arische en Griekse beschouwingen treft men het begrip aan van een allesdoordringende, ongeorganiseerde en homogene stof of Chaos, die door de hedendaagse wetenschappers is herdoopt in ‘neveltoestand van de wereldstof’. Wat Anaxagoras in zijn Homoiomereia ‘Chaos’ noemde, wordt nu door Sir W. Thomson ‘oorspronkelijk fluïdum’ genoemd. De Hindoe- en Griekse atomisten – Kanāda, Leucippus, Democritus, Epicurus, Lucretius, enz. – ziet men nu als in een heldere spiegel weerkaatst in de gedaanten van de voorstanders van de hedendaagse atoomtheorie, te beginnen bij de monaden van Leibniz en eindigend bij de ‘wervelende atomen’ van Sir W. Thomson1. Het is waar dat de deeltjestheorie van vroeger is verworpen en dat de golftheorie haar plaats heeft ingenomen. Maar de vraag is of deze laatste zo stevig is gefundeerd dat zij niet kan worden onttroond, zoals haar voorgangster? Het metafysische aspect van het licht werd in Isis Ontsluierd volledig behandeld:

   ‘Licht is de eerstgeborene en de eerste uitstraling van het allerhoogste, en licht is leven, zegt de evangelist en de kabbalist. Beide zijn elektriciteit – het levensbeginsel, de anima mundi, die het heelal doordringt, de elektrische bezieler van alle dingen. Licht is de grote proteïsche magiër, en onder de goddelijke wil van de architect2, of beter de architecten, de ‘bouwers’ (gezamenlijk Een genoemd), schonken zijn veelsoortige, almachtige golven het leven aan iedere vorm en aan ieder levend wezen. Uit zijn uitzettende elektrische schoot komen stof en geest voort. In zijn stralen ligt het begin van alle natuurkundige en scheikundige werking en van alle kosmische en geestelijke verschijnselen; het bezielt en ontbindt; het geeft leven en veroorzaakt de dood, en vanuit zijn oorspronkelijke punt kwamen geleidelijk de ontelbare werelden, zichtbare en onzichtbare hemellichamen, tot bestaan. Aan de straal van deze eerste moeder, één in drie, ‘ontstak god’ volgens Plato ‘een vuur dat we nu de zon noemen’3, en dat niet de oorzaak is van licht en ook niet van warmte, maar alleen het brandpunt of, zoals we misschien kunnen zeggen, de lens waardoor de stralen van het oorspronkelijke licht worden verstoffelijkt en geconcentreerd op ons zonnestelsel. Deze stralen brengen alle wisselwerkingen van krachten teweeg.’

   Dit is de ether, zoals deze hierboven werd uitgelegd volgens de opvatting van Metcalfe, die door dr. Richardson werd overgenomen, behalve dat eerstgenoemde enige details van de hedendaagse golftheorie aanvaardde. We zeggen niet dat we die theorie verwerpen, maar beweren alleen dat deze moet worden aangevuld en omgewerkt. Maar de occultisten zijn in dit opzicht beslist niet de enige ketters; want Robert Hunt F.R.S. merkt in zijn Researches on Light in its Chemical Relations op:

   . . . ‘de golftheorie geeft geen verklaring voor de resultaten van zijn experimenten. Sir David Brewster toont in zijn Treatise on Optics aan ‘dat de kleuren van het plantenleven ontstaan . . . uit een bijzondere aantrekkingskracht die de deeltjes van die lichamen uitoefenen op de verschillend gekleurde lichtstralen’ en ‘dat door het zonlicht de gekleurde plantensappen ontstaan en de kleuren van de lichamen veranderen, enz. . . .’ Hij merkt op dat het niet gemakkelijk is om in te zien ‘dat zulke gevolgen kunnen worden teweeggebracht door alleen maar de trilling van een etherische middenstof’. En hij zegt dat hij ‘door deze reeks feiten wordt gedwongen te redeneren alsof licht stoffelijk (?) is’. Prof. Josiah P. Cooke van de Harvard Universiteit zegt dat hij ‘het niet eens kan zijn . . . met degenen die de golftheorie van het licht beschouwen als een vaststaand beginsel van de wetenschap’4. De leerstelling van Herschel, dat de intensiteit van het licht, in feite van elke golfbeweging, ‘omgekeerd evenredig is met het kwadraat van de afstand tot het lichtgevende lichaam’, berokkent, als deze juist is, grote schade aan de golftheorie, als zij deze al niet volkomen omverwerpt. Dat hij gelijk heeft, werd herhaaldelijk bewezen door proeven met lichtmeters; en hoewel men haar sterk begint te betwijfelen, leeft de golftheorie nog steeds.’ (Isis Ontsluierd.)

   Op deze opmerking van Sir D. Brewster – ‘dat hij wordt gedwongen te redeneren alsof licht stoffelijk is’ – valt heel wat te antwoorden. Licht is in één opzicht beslist even stoffelijk als de elektriciteit zelf. En als elektriciteit niet stoffelijk is, als deze alleen maar ‘een bewegingsvorm’ is, hoe komt het dan dat ze kan worden opgeslagen in de accumulatoren van Faure? Helmholtz zegt dat elektriciteit even atomair moet zijn als stof; en W. Crookes F.R.S. ondersteunde deze opvatting in zijn toespraak tot de scheikunde-afdeling van de British Association, waarvan hij voorzitter was (in Birmingham, 1886). Helmholtz zegt het volgende (in zijn Faraday Lectures, 1881):

   ‘Als we de hypothese aanvaarden dat de elementaire substanties zijn samengesteld uit atomen, moeten we wel tot de conclusie komen dat ook elektriciteit, zowel positieve als negatieve, uit bepaalde elementaire delen bestaat, die zich gedragen als atomen van elektriciteit.’

   Hier moeten we herhalen wat al in Hoofdstuk 9 is gezegd. Er is maar één wetenschap die het moderne onderzoek vanaf dit moment naar het ene pad kan leiden dat zal voeren tot de ontdekking van de hele tot dusver occulte waarheid, en dat is de jongste van alle – de scheikunde, zoals deze nu is hervormd. Er is geen andere, de sterrenkunde niet uitgezonderd, die de wetenschappelijke intuïtie zo feilloos kan leiden als de scheikunde. Twee bewijzen hiervoor zijn in de wereld van de wetenschap te vinden – twee grote scheikundigen, van wie elk tot de grootsten in zijn eigen land behoort, en dit zijn Crookes en wijlen prof. Butlerof: de ene gelooft vast in abnormale verschijnselen; de andere was een even vurige spiritist als een groot kenner van de natuurwetenschappen. Het is duidelijk dat het wetenschappelijk geoefende denkvermogen van de scheikundige bij het nadenken over de uiteindelijke deelbaarheid van de stof en bij de tot dusver vruchteloze jacht op het element met een negatief atoomgewicht, zich onweerstaanbaar aangetrokken moet voelen tot die altijd versluierde werelden, tot die geheimzinnige andere zijde, waarvan de onpeilbare diepten zich schijnen te sluiten bij de nadering van de te materialistische hand die graag haar sluier zou willen wegtrekken. ‘Het is het onbekende en het altijd onkenbare’, waarschuwt de monist-agnosticus. Volstrekt niet, antwoordt de volhardende scheikundige: ‘We zijn op het spoor en worden niet ontmoedigd, en we zouden graag het geheimzinnige gebied betreden, dat onwetendheid als onbekend aanmerkt5.’
   Enkele regels aan het slot van zijn lezing over het ‘ontstaan van de elementen’ – twee of drie zinnen – bewijzen dat de grote wetenschapper zich bevindt op de koninklijke weg naar de grootste ontdekkingen. Al enige tijd heeft hij de ‘oorspronkelijke protyle’ in bescherming genomen en hij kwam tot de conclusie dat ‘degene die de sleutel grijpt, enkele van de diepste geheimen van de schepping zal mogen ontsluiten’. De protyle, zo legt die grote scheikundige uit:

   ‘. . . is een woord analoog aan protoplasma, om het denkbeeld weer te geven van de oorspronkelijke oerstof die bestond vóór de evolutie van de chemische elementen. Het woord dat ik zo vrij was voor dit doel te gebruiken, is samengesteld uit πρό eerder dan) en ὕλη (de stof waarvan de dingen zijn gemaakt). Het is nauwelijks een nieuw gevormd woord, want Roger Bacon schreef 600 jaar geleden in zijn Arte Chymiae: ‘De elementen zijn uit ὕλη gevormd en elk element is omgezet in de aard van een ander element.’

   De kennis van Roger Bacon kwam niet door inspiratie tot deze wonderbaarlijke oude magiër6, maar doordat hij oude boeken op het gebied van magie en alchemie had bestudeerd en een sleutel tot de werkelijke betekenis van de woorden bezat. Maar laten wij zien wat Crookes zegt over de protyle, de naaste buur van de onbewuste Mūlaprakriti van de occultisten:

   . . . ‘Laten we beginnen bij het ogenblik waarop het eerste element ontstond. Vóór die tijd was er geen stof zoals wij die kennen. Het is even onmogelijk zich stof voor te stellen zonder energie, als energie zonder stof; vanuit één gezichtspunt zijn het verwisselbare termen. Vóór de geboorte van de atomen konden al die vormen van energie, die zich manifesteren wanneer stof op stof inwerkt, niet bestaan7 – ze waren slechts als latente vermogens in de protyle opgesloten. Tegelijk met de schepping van de atomen, komen al die eigenschappen en kenmerken waardoor men het ene scheikundige element van het andere kan onderscheiden, tot bestaan, volledig voorzien van energie.’ (Toespraak van de voorzitter, blz. 16).

   Met alle verschuldigde eerbied voor de grote kennis van de spreker, zouden de occultisten het anders uitdrukken. Zij zouden zeggen dat er nooit een atoom wordt ‘geschapen’, want atomen zijn eeuwig in de schoot van het Ene Atoom – ‘het atoom van de atomen’ – tijdens het manvantara opgevat als de jagad-yoni, de stoffelijke oorzakelijke baarmoeder van de wereld. Pradhāna (onveranderde stof), dat wat de eerste vorm van prakriti is, of de stoffelijke zichtbare en ook onzichtbare natuur, en purusha, geest, zijn eeuwig één; en slechts tijdens pralaya en als ze zich buiten alle bewustzijnsgebieden van het bestaande bevinden, zijn ze nirupādhi (zonder bijkomende kenmerken en eigenschappen). Het atoom, zoals de hedendaagse wetenschap dit kent, is onafscheidelijk van purusha, die geest is, maar nu in de wetenschap ‘energie’ heet. Het protyle-atoom is niet verbrijzeld of vervluchtigd: het is eenvoudig overgegaan naar dat gebied, dat geen gebied is, maar de eeuwige toestand van alles boven de gebieden van illusie. Purusha en pradhāna zijn beide eeuwig onveranderlijk en onvernietigbaar, of aparināmin en avyaya; en tijdens de māyāvische perioden kunnen beide vyaya en parināmin worden genoemd, of dat wat kan uitzetten, voorbijgaan en verdwijnen, en wat kan worden ‘veranderd’. In deze betekenis moeten we purusha natuurlijk zien als iets heel anders dan Parabrahman. Niettemin is wat in de wetenschap ‘energie’ of ‘kracht’ wordt genoemd en door Metcalfe wordt opgevat als een tweevoudige kracht, in feite nooit alleen energie en kan dit ook niet zijn; want het is de substantie van de wereld, haar ziel, de allesdoordringende ‘sarvaga’, in verbinding met kāla, ‘tijd’. Deze drie zijn tijdens het manvantara de drie-eenheid in één, de almachtige Eenheid, die op het gebied van de illusie (māyā) als drie verschillende dingen werkt. In de orfische filosofie in Griekenland werden zij Phanes, Chaos en Chronos genoemd – de triade van de occulte filosofen van die tijd.
   Maar zie hoe dicht Crookes het ‘onkenbare’ benadert, en welke ‘mogelijkheden’ er in zijn ontdekkingen zijn om de occulte waarheden te aanvaarden. Sprekend over de evolutie van de atomen vervolgt hij:

   ‘Laten we even stilstaan bij het eind van de eerste volledige trilling en het resultaat onderzoeken. We vonden reeds de elementen van water, ammoniak, koolzuur, de dampkring, het planten- en dierenleven, fosfor voor de hersenen, zout voor de zeeën, klei voor de vaste aarde . . . fosfaten en silicaten voldoende voor een wereld en haar bewoners, die niet zoveel verschillen van wat wij tegenwoordig kennen. Inderdaad, de menselijke bewoners zouden in een toestand van meer dan arcadische eenvoud moeten leven, en de afwezigheid van calciumfosfaat zou onaangenaam zijn voor wat de beenderen betreft8 . . . Aan het lagere eind van de ontwikkelingslijn . . . zien we een groot hiaat . . . Deze oase, en de lege gebieden die eraan voorafgaan en die erop volgen, kunnen met grote waarschijnlijkheid worden toegeschreven aan de bijzondere manier waarop onze aarde zich tot een lid van ons zonnestelsel ontwikkelde. Als dit zo is, kan het zijn dat deze lege gebieden alleen op onze aarde voorkomen en niet in het heelal in het algemeen.’

   Dit rechtvaardigt verschillende beweringen in de occulte boeken.
   Ten eerste: ‘Men kan noch van de sterren noch van de zon zeggen dat ze zijn samengesteld uit die aardse elementen waarmee onze scheikundigen bekend zijn – hoewel ze alle aanwezig zijn in het uiterlijke kleed van de zon – en nog een menigte elementen die tot dusver aan de wetenschap onbekend zijn.’
   Ten tweede: Onze bol heeft zijn eigen speciale laboratorium aan de buitenste rand van zijn dampkring; elk atoom en elke molecule die er doorheen gaat, verandert en verschilt dan van zijn oorspronkelijke aard.
   Ten derde: Hoewel geen enkel element dat op onze aarde aanwezig is, ooit in de zon zou kunnen ontbreken, zijn er veel andere die òf onze bol nog niet hebben bereikt, òf daarop nog niet zijn ontdekt. ‘Sommige kunnen in bepaalde sterren en hemellichamen tijdens het vormingsproces ontbreken; of deze elementen kunnen, hoewel ze erin aanwezig zijn, vanwege hun huidige toestand nog niet reageren op de gebruikelijke wetenschappelijke proeven9.’ Crookes spreekt over een element met een nog lager atoomgewicht dan waterstof, een element dat, voorzover het onze aarde betreft, zuiver hypothetisch is . . . hoewel het in overvloed voorkomt in de chromosfeer van de zon – het helium. De occulte wetenschap voegt eraan toe dat niet een van de elementen, die door de scheikunde als zodanig worden beschouwd, in werkelijkheid die naam verdient.
   We vinden ook hier dat Crookes goedkeurend spreekt over ‘het zwaarwegende argument van dr. Carnelly ten gunste van de samengestelde natuur van de zogenaamde elementen, op grond van hun analogie met de samengestelde radicalen’! Binnen de historische tijd en in de zogenaamde beschaafde landen is tot dusver alleen de alchemie erin geslaagd om een werkelijk element of een deeltje homogene stof te verkrijgen, het mysterium magnum van Paracelsus. Maar dit was vóór de tijd van Lord Bacon10.

   ‘Laten we nu het bovenste gedeelte van het schema beschouwen. Bij waterstof met atoomgewicht = 1 is er weinig plaats voor andere elementen, behalve misschien voor het hypothetische helium. Maar wat gebeurt er als we ‘door de spiegel’ heengaan en de nullijn overschrijden op zoek naar nieuwe beginselen, wat zullen we aan de andere kant van de nul vinden? Dr. Carnelly vraagt om een element met een negatief atoomgewicht; er is hier volop plaats en genoeg speelruimte voor een schaduwreeks van zulke onstoffelijkheden. Helmholtz zegt dat elektriciteit waarschijnlijk even atomair is als stof; is elektriciteit een van die negatieve elementen en de lichtgevende ether een ander? Stof zoals wij die nu kennen, bestaat hier niet; de energievormen die optreden in de bewegingen van de stof, zijn tot nu toe slechts latente mogelijkheden. Een substantie met een negatief gewicht is niet ondenkbaar11. Maar kunnen we ons een duidelijk beeld vormen van een stof die zich met andere stoffen verbindt in verhoudingen die zijn uit te drukken door negatieve waarden van eigenschappen12?’
   ‘Een ontstaan van de elementen zoals hier is geschetst, zou niet tot ons kleine zonnestelsel zijn beperkt, maar zou waarschijnlijk in elk centrum van energie dat nu zichtbaar is als een ster, dezelfde algemene volgorde van de gebeurtenissen doorlopen.’
   ‘Vóór de geboorte van de atomen kon er geen druk worden uitgeoefend om ze elkaar te laten aantrekken; maar aan de buitenkant van de sfeer van de vuurnevel, waarbinnen alles protyle is – aan die rand waarop de geweldige krachten die te pas komen bij de geboorte van een scheikundig element, zich volledig laten gelden – zou de hevige hitte vergezeld gaan van een zwaartekracht die voldoende is om de nieuw geboren elementen te beletten de ruimte in te vliegen. Naarmate de temperatuur toeneemt, nemen ook de uitzetting en de moleculaire beweging toe; de moleculen hebben de neiging uit elkaar te vliegen en hun scheikundige affiniteiten worden verzwakt; maar de enorme druk van de zwaartekracht van de massa atomaire stof buiten wat ik kortheidshalve de geboorteschil wil noemen, zou de werking van de warmte tegengaan.’
   ‘Buiten de geboorteschil zou een ruimte zijn waarin geen scheikundige werking kan plaatsvinden, omdat de temperatuur daar ligt boven wat het dissociatiepunt voor verbindingen wordt genoemd. In deze ruimte zouden de leeuw en het lam naast elkaar liggen; fosfor en zuurstof zouden zich vermengen zonder zich te verbinden; waterstof en chloor zouden geen neiging tot nauwere banden vertonen; en zelfs fluor, dat krachtige gas dat de scheikundigen pas in de afgelopen paar maanden hebben geïsoleerd, zou vrij en ongebonden rondzweven.’
   ‘Buiten deze ruimte van vrije atomaire stof zou een ander omhulsel zijn, waarin de gevormde scheikundige elementen zouden zijn afgekoeld tot het verbindingspunt, en nu zou de opeenvolging van gebeurtenissen plaatsvinden, die door Mattieu Williams in Fuel of the Sun zo levendig werd beschreven, en zijn hoogtepunt bereiken in de vaste aarde en het begin van de geologische tijd’ (blz. 19).

   Dit is in strikt wetenschappelijke maar mooie taal de beschrijving van de evolutie van het gedifferentieerde Heelal in de geheime leringen. De geleerde besluit zijn toespraak met woorden, waarvan elke zin is als een lichtflits afkomstig van achter de donkere sluier van stoffelijkheid, die tot dusver over de exacte wetenschappen lag, en een stap voorwaarts naar het sanctum sanctorum van het occulte. (Zie hfst. 15, ‘Goden, monaden en atomen’.) Zo zegt hij:

   ‘We hebben een blik geworpen op de moeilijkheid om een element te omschrijven; we hebben ook de weerstand opgemerkt van veel vooraanstaande natuurkundigen en scheikundigen tegen de gebruikelijke betekenis van de term element; we hebben overwogen hoe onwaarschijnlijk het is dat ze eeuwig bestaan13, of dat ze door toeval ontstaan. Als overblijvend alternatief hebben we geopperd dat hun oorsprong ligt in een evolutieproces zoals dat van de hemellichamen volgens Laplace en van de planten en dieren op onze bol volgens Lamarck, Darwin en Wallace14. In de algemene rangschikking van de elementen zoals wij die kennen, hebben we een opvallende benadering gezien van die van de organische wereld15. Bij gebrek aan een direct bewijs voor de ontbinding van een element hebben we een indirect bewijs gezocht en gevonden . . . Vervolgens hebben we aandacht besteed aan het ontstaan van de elementen; en tenslotte hebben we een overzicht gegeven van een schema over hun oorsprong, dat voortvloeide uit de methode van prof. Reynolds om het periodieke systeem toe te lichten16 . . . Als we alle bovenstaande overwegingen opsommen, durven we inderdaad niet positief te beweren dat onze zogenaamde elementen zijn ontwikkeld uit één oorspronkelijke stof; maar we kunnen, denk ik, beweren dat de schaal van de bewijzen behoorlijk ten gunste van deze theorie doorslaat.’

   Terwijl de inductieve wetenschap met haar afdelingen sterrenkunde, natuurkunde en scheikunde schuchter voortgaat met het blootleggen van de geheimen van de Natuur, zoals die doorwerken op ons aardse gebied, keert zij dus met haar ontdekkingen van (a) de oorsprong van onze wereld van de verschijnselen en (b) de manier waarop de lichamen werden gevormd die het heelal samenstellen, terug naar de tijd van Anaxagoras en de Chaldeeën. En omdat zij voor haar kosmogonische hypothesen moet teruggaan naar de opvattingen van de vroegste filosofen en hun stelsels – stelsels die alle waren gebaseerd op de stellingen van een universele geheime leer over de oerstof en haar eigenschappen, functies en wetten – hebben we daarom niet het recht te hopen dat het niet lang meer zal duren, of de wetenschap zal meer waardering tonen voor de wijsheid van de Ouden dan tot dusver?
   Ongetwijfeld zou de occulte filosofie veel kunnen leren van de hedendaagse exacte wetenschap; maar anderzijds zou de laatstgenoemde op meer dan één manier voordeel kunnen trekken uit de oude kennis, en voornamelijk op het gebied van de kosmogonie. Een voorbeeld vormt de mystieke – alchimistische en transcendentale – betekenis van de vele onweegbare stoffen die de interplanetaire ruimte vullen en die, terwijl ze elkaar doordringen, aan het lagere einde de rechtstreekse oorzaak zijn van het ontstaan van die natuurverschijnselen die zich door (zogenaamde) trilling manifesteren. Kortom, alleen de kennis van de werkelijke (niet de hypothetische) aard van ether – of liever van het ākāśa – en van andere mysteriën, kan leiden tot het kennen van krachten. Tegen die substantie verzet de materialistische school van de natuurkundigen zich zo heftig, vooral in Frankrijk17, en de exacte wetenschap moet deze niettemin verdedigen. Zij kunnen deze niet opzijschuiven zonder het risico te lopen om als een hedendaagse Samson de zuilen van de tempel van de wetenschap omver te trekken en onder het dak ervan te worden bedolven.
   De theorieën die zijn gebaseerd op het verwerpen van kracht buiten en onafhankelijk van de zuivere stof, zijn alle onjuist gebleken. Zij omvatten niet het hele terrein en kunnen dat ook niet, en veel wetenschappelijke gegevens blijken dus onwetenschappelijk te zijn. ‘Ether bracht het geluid voort’, staat in de Purāna’s en men lacht om deze bewering. Het zijn luchttrillingen, zo verbetert men ons. En wat is lucht? Zou deze kunnen bestaan als er geen etherische tussenstof in de Ruimte was om zijn moleculen te ondersteunen? De zaak staat er eenvoudig zo voor. Het materialisme kan niet het bestaan van iets buiten de stof erkennen, omdat met het aanvaarden van een onweegbare kracht – de bron en de oorsprong van alle stoffelijke krachten – men feitelijk andere intelligente krachten zou moeten aannemen, en dat zou de wetenschap te ver voeren. Want dan zou zij vervolgens moeten aanvaarden dat er in de mens een nog spirituelere kracht aanwezig is, die ditmaal volledig onafhankelijk is van alle soorten stof waarover de natuurkundigen iets weten. Daarom is de hele sterren- en onzichtbare Ruimte, afgezien van de hypothetische ether van de Ruimte en grofstoffelijke lichamen, volgens de materialisten één grenzeloze leegte in de natuur – blind, niet intelligent en nutteloos.
   En nu is de volgende vraag: Wat is die kosmische substantie, en in hoeverre kan men een vermoeden krijgen van haar aard, of haar de geheimen ontrukken, en zich zo gerechtigd voelen haar een naam te geven? Hoever is vooral de hedendaagse wetenschap in de richting van die geheimen gekomen, en wat doet zij om ze op te lossen? De laatste liefhebberij van de wetenschap, de ‘nevelvlektheorie’, kan ons misschien een antwoord op deze vraag geven. Laten we dan de geloofsbrieven van de nevelvlektheorie onderzoeken.

 

Noten:

  1. De wervelingen van elementalen, die op gang zijn gebracht door het denkvermogen, zijn er in hun tegenwoordige gedaante niet op vooruitgegaan.
  2. Men heeft mij vaak aangevallen omdat ik in Isis uitdrukkingen heb gebruikt die duiden op een geloof in een persoonlijke en antropomorfe god. Dit is niet mijn bedoeling. Kabbalistisch gesproken is ‘architect’ de algemene naam voor de sephiroth, de bouwers van het Heelal, evenals ‘universeel denkvermogen’ het gezamenlijke denkvermogen van de Dhyāni-Chohans aanduidt.
  3. Timaeus.
  4. Modern Chemistry.
  5. ‘Toespraak van de voorzitter’, door Crookes te Birmingham: ‘Er is maar één onbekende – het diepste substraat van de geest (Ruimte). Wat niet het Absolute en het Ene is, is, hoe ver ook verwijderd van de fysieke zintuigen, krachtens die differentiatie altijd toegankelijk voor het spirituele denkvermogen van de mens, dat een schittering is van het niet differentieerbare geheel.’ (Practical Lessons on the Occult.)
  6. Wat de schrijfster van dit boek tien jaar geleden in Isis Ontsluierd (Deel I) zei, schijnt dus wel profetisch. Er staat letterlijk: ‘Veel van deze mystici kwamen, door na te volgen wat hun werd geleerd in sommige verhandelingen, die in het geheim van de ene generatie op de andere werden overgeleverd, tot ontdekkingen die zelfs in onze moderne tijd van exacte wetenschappen niet gering zouden worden geacht. Roger Bacon, de monnik, werd uitgelachen als kwakzalver, en nu rekent men hem algemeen tot degenen die ‘aanspraak maken’ op het bezit van magische kunsten; maar zijn ontdekkingen werden niettemin aanvaard en worden nu gebruikt door diegenen die hem het meest bespotten. Roger Bacon behoorde rechtens, zo niet feitelijk, tot die Broederschap, die al diegenen omvat die de occulte wetenschappen bestuderen. Hij leefde in de dertiende eeuw en was dus bijna een tijdgenoot van Albertus Magnus en Thomas van Aquino; iedereen beschouwde zijn ontdekkingen – zoals buskruit en optische glazen en zijn mechanische constructies – als evenzoveel wonderen. Hij werd ervan beschuldigd dat hij een verbond met de duivel had gesloten.’
  7. Juist; ‘die vormen van energie . . . die zich manifesteren’ . . . in het laboratorium van de scheikundige en de natuurkundige; maar er zijn andere vormen van energie, verbonden met andere vormen van stof, die bovenzinnelijk zijn, maar toch bekend aan de adepten.
  8. De occultisten beweren juist dat zulke werelden op andere bewustzijnsgebieden bestaan. De geheime wetenschap leert dat het oorspronkelijke ras geen beenderen had (zie Deel II), en dat er (voor ons) onzichtbare werelden zijn, die evenals de onze zijn bevolkt, en ook bevolkingen van Dhyāni-Chohans hebben.
  9. Five Years of Theosophy, blz. 258 e.v.
  10. Crookes zegt in dezelfde toespraak: ‘Het eerste raadsel dat we in de scheikunde tegenkomen, is: ‘Wat zijn de elementen?’ Geen van de pogingen die tot dusver zijn gedaan om een element te omschrijven of te verklaren, voldoet aan de eisen van het menselijke intellect. De leerboeken zeggen ons dat een element ‘een stof is die men niet heeft kunnen ontleden’; dat het ‘iets is dat wel kan worden vermeerderd maar niet verminderd’, of ‘een stof die met elke scheikundige verandering in gewicht toeneemt’. Dergelijke definities zijn dubbel onbevredigend: ze zijn voorlopig en ze zijn misschien morgen in een gegeven geval niet meer toepasbaar. Ze zijn niet gebaseerd op een eigenschap van de dingen die men wil omschrijven, maar op de beperktheid van de menselijke vermogens. Het zijn bekentenissen van verstandelijk onvermogen.’
  11. De spreker haalt Sir George Airy aan, die zegt (in Faraday’s Life and Letters, Deel II, blz. 354): ‘Ik kan mij gemakkelijk voorstellen dat er een groot aantal stoffen rondom ons is, die niet onderhevig zijn aan deze wederzijdse inwerking en daarom niet zijn onderworpen aan de wet van de zwaartekracht.’
  12. De Vedāntafilosofie bevat een dergelijk beeld; maar dat is dan geen fysica, maar metafysica, die door Tyndall ‘dichtkunst’ en ‘verbeelding’ wordt genoemd.
  13. Begrijpen we goed: in de vorm die ze nu hebben?
  14. En in het bijzonder en oorspronkelijk volgens Kapila en Manu.
  15. Dit is een wetenschappelijke bevestiging van de eeuwige wet van overeenstemming en analogie.
  16. Deze methode om de wet van de periodieke classificatie van elementen toe te lichten, wordt in de woorden van Crookes, voorgesteld door prof. Emerson Reynolds van de universiteit van Dublin, die . . . ‘erop wijst dat in elke periode de algemene eigenschappen van de elementen vrijwel regelmatige verschillen vertonen, totdat we het zevende element bereiken, dat een meer of minder opvallend contrast vormt met zowel het eerste element van dezelfde periode als met het eerste van de volgende. Zo vormt chloor, het zevende element van de derde periode van Mendelejew, een scherp contrast zowel met natrium, het eerste element van dezelfde reeks, als met kalium, het eerste element van de volgende reeks; terwijl anderzijds natrium en kalium nauw overeenkomen. De zes elementen waarvan de atoomgewichten tussen die van natrium en kalium inliggen, verschillen stap voor stap in eigenschappen totdat chloor, het tegengestelde van natrium, wordt bereikt. Maar van chloor naar kalium, het analogon van natrium, is er een sprongsgewijze verandering in eigenschappen . . . Als we dus een – meer of minder uitgesproken – tegenstelling in eigenschappen opmerken tussen het eerste en het laatste element van elke reeks, dan moeten we wel het bestaan toegeven van een punt van gemiddelde afwijking binnen elk stelsel. In het algemeen bezit het vierde element van elke reeks de eigenschap die we van een overgangselement zouden verwachten . . . Daarom meent prof. Reynolds dat in een grafische voorstelling het vierde element van een periode – bijvoorbeeld silicium – aan de top van een symmetrische curve kan worden geplaatst, die voor die bepaalde periode de richting zal weergeven waarin de eigenschappen van de reeks elementen variëren bij toenemende atoomgewichten.’
       Nu geeft de schrijfster nederig toe volkomen onbekend te zijn met de hedendaagse scheikunde en haar geheimen. Maar zij is tamelijk goed op de hoogte van de occulte leer van de overeenkomsten van typen en antitypen in de natuur, en van de volmaakte analogie als een fundamentele wet van het occultisme. Daarom waagt zij het een opmerking te maken die elke occultist zal opvallen, hoe de orthodoxe wetenschap die ook zal bespotten. Deze methode van toelichten van de periodieke wet in het gedrag van de elementen is, of deze in de scheikunde nog een hypothese is of niet, een wet in de occulte wetenschappen. Iedere belezen occultist weet dat de zeven en de vier – hetzij in een zevenvoudige keten van werelden, de zevenvoudige hiërarchie van engelen of in de constitutie van mens, dier, plant of van het atoom van een mineraal – dat de genoemde zeven en de vier bij de geometrisch en wiskundig uniforme werkingen van de onveranderlijke wetten van de Natuur altijd een speciale en eigen rol spelen in het zevenvoudige stelsel. Van de sterren die hoog aan de hemel flonkeren tot de vonken die uit elkaar spatten in het eenvoudige vuur van de primitieve mens in zijn bos; van de hiërarchieën en de essentiële constitutie van de Dhyāni-Chohans – afgestemd op een goddelijker bevattingsvermogen en een verhevener gebied van waarneming dan waar de grootste westerse psycholoog ooit van heeft gedroomd – tot de classificatie van soorten onder de laagste insecten in de Natuur; en tenslotte van werelden tot atomen, van groot tot klein, gaat alles in het heelal cyclisch en zevenvoudig voort met zijn spirituele en fysieke evolutie, waarbij de nummers zeven en vier (dit laatste is het keerpunt) zich op dezelfde manier gedragen als volgens die periodieke wet van de atomen. De Natuur maakt nooit sprongen. Als Crookes hierbij opmerkt dat hij niet ‘wenst te concluderen dat de open plaatsen in de tabel van Mendelejew en in zijn grafische voorstelling ervan (het diagram dat de evolutie van de atomen laat zien) noodzakelijk betekenen dat er werkelijk elementen bestaan om die open plaatsen in te nemen; want deze hiaten betekenen misschien alleen dat er bij de geboorte van de elementen een mogelijkheid bestond voor de vorming van een element dat op die plaats zou passen’ – dan zou een occultist eerbiedig opmerken dat die laatste hypothese alleen houdbaar is als de zevenvoudige rangschikking van de atomen niet wordt aangetast. Dit is de ene wet en een onfeilbare methode, die degene die haar volgt altijd succes oplevert.
  17. Een groep deskundigen op het gebied van elektriciteit heeft onlangs geprotesteerd tegen de nieuwe theorie van Clausius, de beroemde professor aan de universiteit van Bonn. De aard van het protest ziet men in de handtekening, die luidt ‘Jules Bourdin, in naam van de groep deskundigen op het gebied van de elektriciteit, die de eer had in 1881 aan prof. Clausius te zijn voorgesteld en van wie de strijdkreet (cri de ralliement) is à bas l’éther’ – weg met zelfs de ether; zij willen een universele leegte, ziet u!

 


De Geheime Leer 1:639-49

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag