§ 13

Wetenschappelijke en esoterische bewijzen voor en

bezwaren tegen de moderne nevelvlektheorie1

 

   De laatste tijd heeft men de esoterische kosmogonie herhaaldelijk bestreden met het spook van deze theorie en de daaruit voortkomende hypothesen. ‘Kunnen uw adepten deze heel wetenschappelijke leer ontkennen?’, vraagt men. ‘Niet geheel’, is het antwoord, ‘maar de uitspraken van de wetenschappers zelf doden haar; en er blijft voor de adepten niets over om te ontkennen’.
   Om van de wetenschap een alomvattend geheel te maken, is het inderdaad nodig zowel de spirituele en psychische als de fysieke Natuur te bestuderen. Anders zal het altijd met haar gaan zoals met de anatomie van de mens, die vanouds door de niet-ingewijden werd benaderd vanuit het standpunt van zijn omhulsel, terwijl zij van het inwendige niets wisten. Zelfs Plato, de grootste filosoof van zijn land, maakte zich vóór zijn inwijding schuldig aan beweringen als zouden vloeistoffen door de longen in de maag terecht komen. Zonder metafysica is werkelijke wetenschap niet toelaatbaar, zoals H.J. Slack zegt.
   De nevelvlekken bestaan, en toch is de nevelvlektheorie onjuist. Een nevelvlek bestaat in een toestand van volkomen dissociatie van elementen. Zij is gasvormig en bovendien nog iets anders, dat nauwelijks in verband kan worden gebracht met gassen, zoals die aan de natuurwetenschap bekend zijn, en zij is lichtgevend. Maar dat is alles. De tweeënzestig ‘samenlopen van omstandigheden’, die door prof. Stephen Alexander2 zijn opgesomd en die de nevelvlektheorie bevestigen, kunnen alle door de esoterische wetenschap worden verklaard, hoewel wij, omdat dit geen boek over sterrenkunde is, nu geen poging doen om deze te weerleggen. Laplace en Faye komen dichter bij de juiste theorie dan wie ook; maar in de huidige theorie blijft er weinig van de beschouwingen van Laplace over, alleen de hoofdlijnen. Niettemin ‘is er in de theorie van Laplace niets hypothetisch’, zegt John Stuart Mill; ‘ze is een voorbeeld van verantwoord redeneren van het tegenwoordige gevolg naar zijn vroegere oorzaak; ze veronderstelt niets meer dan dat objecten die werkelijk bestaan, de wetten gehoorzamen waarvan men weet dat alle aardse objecten die op ze lijken, ze gehoorzamen’. (System of Logic, blz. 229.)
   Deze uitspraak van een voortreffelijke logicus als Mill zou waardevol zijn, als men slechts kon bewijzen dat ‘aardse objecten die lijken op . . .’ hemelse objecten die op zo’n afstand liggen als de nevelvlekken – in werkelijkheid op die objecten lijken en niet alleen in schijn.
   Een andere van occult standpunt onjuiste opvatting in de moderne theorie is de hypothese dat de planeten alle van de zon zijn afgescheiden; dat zij been zijn van zijn been en vlees van zijn vlees. De zon en de planeten zijn daarentegen slechts broers uit één schoot, omdat zij dezelfde nevelvlek-oorsprong hadden, hoewel op een andere manier dan door de hedendaagse sterrenkunde wordt aangenomen.
   De vele bezwaren die door sommige tegenstanders van de moderne nevelvlektheorie worden gemaakt tegen de homogeniteit van de oorspronkelijke diffuse stof, op grond van de uniformiteit in de samenstelling van de vaste sterren, betreffen in het geheel niet de vraag van die homogeniteit, maar alleen de genoemde theorie. Onze zonne-nevel is misschien niet volledig homogeen, of beter gezegd, slaagt er misschien niet in zich als zodanig aan de sterrenkundigen voor te doen, en kan toch de facto homogeen zijn. De sterren verschillen inderdaad in hun samenstellende bestanddelen en laten zelfs elementen zien die op aarde geheel onbekend zijn; dit heeft niettemin geen invloed op het feit dat de oerstof – d.w.z. stof zoals zij zelfs in haar eerste differentiatie uit haar layatoestand3 verscheen – nog steeds homogeen is, op onmetelijke afstanden, in de diepten van de oneindigheid en eveneens op punten die zich niet ver van de grenzen van ons zonnestelsel bevinden.
   Tenslotte wordt er door de geleerden die bezwaar maken tegen de ‘nevelvlektheorie’ (hoe onjuist deze ook is en daarom, onlogisch genoeg, noodlottig voor de hypothese van de homogeniteit van de stof) geen enkel feit naar voren gebracht dat kritiek kan doorstaan. De ene fout leidt tot de andere. Een onjuiste vooronderstelling zal natuurlijk tot een onjuiste conclusie leiden, hoewel een ontoelaatbare gevolgtrekking niet noodzakelijk invloed heeft op de geldigheid van de hoofdstelling van het syllogisme. Men kan dus alle bijkomstigheden en alle gevolgtrekkingen uit het bewijsmateriaal van spectra en lijnen eenvoudig als iets voorlopigs beschouwen en alle details aan de natuurwetenschap overlaten. Het is de plicht van de occultist zich bezig te houden met de ziel en de geest van de kosmische Ruimte en niet alleen met haar bedrieglijke uiterlijk en gedrag. De officiële natuurwetenschap heeft als plicht om haar omhulsel – volgens het materialisme het Ultima Thule van het Heelal en de mens – te analyseren en te bestuderen.
   Met dit laatste heeft het occultisme niets te maken. De occulte kosmogonie zou zich alleen kunnen bezighouden met de theorieën van geleerden als Kepler, Kant, Oersted en Sir W. Herschel, die geloofden in een spirituele wereld, en zij zou kunnen proberen daarmee tot een bevredigend compromis te komen. Maar de opvattingen van die natuurkundigen verschilden enorm van de meest recente denkwijzen. Kant en Herschel speculeerden in hun geest over de oorsprong en de uiteindelijke bestemming, maar ook over de tegenwoordige toestand van het Heelal, gezien vanuit een veel filosofischer en psychischer standpunt. Daarentegen verwerpen de moderne kosmologie en sterrenkunde alles wat in de richting gaat van onderzoek naar de geheimen van het bestaan. Het resultaat is zoals men kon verwachten: volledige mislukking en onontwarbare tegenstrijdigheden in duizend en één formuleringen van zogenaamde wetenschappelijke theorieën, en in deze theorie evengoed als in alle andere.
   De nevelhypothese, die de theorie omvat van het bestaan van een oorspronkelijke in een nevelachtige toestand verspreide stof is, zoals iedereen weet, niet van recente datum in de sterrenkunde. Anaximenes van de Ionische school verkondigde al dat de hemellichamen waren gevormd door de steeds toenemende verdichting van een oorspronkelijke vóór het ontstaan van de Kosmos aanwezige stof, die bijna een negatief gewicht had en in een bijzonder verfijnde toestand door de Ruimte was verspreid.
   Tycho Brahe, die de Melkweg als een etherische substantie zag, dacht dat de nieuwe ster die in 1572 in Cassiopeia verscheen, uit die stof was gevormd. (Progymnasmata, blz. 795.) Kepler geloofde dat de ster van 1606 eveneens was gevormd uit de etherische substantie die het heelal vult (De stellâ novâ in pede Serpentarii, blz. 115). Hij schreef het verschijnen van een lichtgevende ring rond de maan tijdens de totale zonsverduistering die in 1605 in Napels werd waargenomen, toe aan diezelfde ether. (Hypothèses Cosmogoniques, C. Wolf.) Nog later, in 1714, werd het bestaan van een lichtgevende stof erkend door Halley (Philosophical Transactions). Tenslotte publiceerde dit tijdschrift in 1811 de beroemde hypothese van de eminente sterrenkundige Sir W. Herschel over de omzetting van de nevelvlekken in sterren (zie Philosophical Transactions van 1811, blz. 269 e.v.), waarna de nevelvlektheorie door de koninklijke academies werd aanvaard.
   Men kan in Five Years of Theosophy op blz. 245 een artikel vinden, getiteld ‘Ontkennen de adepten de nevelvlektheorie?’ Het daar gegeven antwoord is: ‘Nee, zij ontkennen haar algemene stellingen niet, en ook niet dat de wetenschappelijke hypothesen de waarheid benaderen. Ze ontkennen slechts zowel de volledigheid van de huidige theorie, als de volkomen onjuistheid van de vele zogenaamd ‘onhoudbaar gebleken’ oude theorieën, die elkaar tijdens de laatste eeuw zo snel hebben opgevolgd.’
   Dit werd destijds als ‘een ontwijkend antwoord’ betiteld. Zo’n gebrek aan eerbied voor de officiële wetenschap, zo redeneerde men, moet worden gerechtvaardigd door het aanbieden, ter vervanging van de orthodoxe speculatie, van een andere theorie, die vollediger is en met een steviger grondslag. Hierop is maar één antwoord; het is nutteloos opzichzelfstaande theorieën te geven over dingen die behoren tot een volledig en samenhangend stelsel en die, als ze van het voornaamste deel van de leringen werden losgemaakt, noodzakelijk hun essentiële samenhang zouden verliezen en dus van geen nut zouden zijn als men ze onafhankelijk zou bestuderen. Om de occulte opvattingen over de nevelvlektheorie te kunnen waarderen en aanvaarden, moet men het hele esoterische kosmogonische stelsel bestuderen. En de tijd is nauwelijks aangebroken dat men van de sterrenkundigen kan vragen om fohat en de goddelijke bouwers te aanvaarden. Zelfs de ontegenzeglijk juiste vermoedens van Sir W. Herschel, die niets ‘bovennatuurlijks’ hadden, dat de zon (misschien) overdrachtelijk een ‘vuurbol’ kan worden genoemd, en zijn vroegere beschouwingen over de aard van wat nu de wilgenbladtheorie van Nasmyth wordt genoemd – leidden ertoe dat om die grootste van alle sterrenkundigen slechts werd geglimlacht door andere, minder grote collega’s, die in zijn denkbeelden alleen maar ‘ingebeelde fantastische theorieën’ zagen en zien. Voordat men het hele esoterische stelsel zou kunnen bekendmaken en dit door de sterrenkundigen zou worden gewaardeerd, zouden zij moeten terugkeren naar enkele van die ‘verouderde denkbeelden’, niet alleen naar die van Herschel, maar ook naar de dromen van de oudste hindoesterrenkundigen, en zouden zij hun eigen theorieën moeten prijsgeven, die niet minder ‘fantastisch’ zijn omdat zij later ontstonden: in het ene geval bijna 80 jaar en in het andere geval vele duizenden jaren later. Vóór alles zouden zij hun opvattingen dat de zon vast is en gloeiend heet, moeten verwerpen; want de zon ‘gloeit’ ontegenzeglijk, maar ‘brandt’ niet. Dan wordt er met betrekking tot de opvattingen van Sir W. Herschel meegedeeld, dat die ‘objecten’, zoals hij de ‘wilgenbladeren’ noemde, de onmiddellijke bronnen van het licht en de warmte van de zon zijn. En hoewel de esoterische leer deze niet zo opvat als hij – nl. als ‘organismen, die deelhebben aan de natuur van het leven’, want de zonne‘wezens’ zullen zich niet in het brandpunt van een telescoop plaatsen – beweert deze toch dat het gehele Heelal vol is van dergelijke ‘organismen’, meer of minder bewust en actief naar gelang van de nabijheid of de afstand van hun gebieden tot ons bewustzijnsgebied; en tenslotte dat de grote sterrenkundige gelijk had toen hij bij zijn beschouwing over die veronderstelde ‘organismen’ zei, dat ‘we weten dat de werking van de levenskracht in staat is tegelijk warmte, licht en elektriciteit te ontwikkelen’. Want op gevaar af door de hele wereld van natuurkundigen te worden uitgelachen, houden de occultisten vol dat al de ‘krachten’ van de wetenschappers hun oorsprong hebben in het levensbeginsel, collectief het ene leven van ons zonnestelsel – dat ‘leven’ dat een deel, of beter gezegd een van de aspecten van het Ene Universele leven is.
   We mogen daarom, evenals in het beschouwde artikel waarin op gezag van de adepten werd beweerd dat het ‘voldoende is om een résumé te maken van wat de zonne-natuurkundigen niet weten’, – en we houden dit vol – ons standpunt over de moderne nevelvlektheorie en de kennelijke onjuistheid ervan, omschrijven door eenvoudig de feiten aan te geven die met deze theorie in haar huidige vorm lijnrecht in tegenspraak zijn. Om te beginnen, wat leert deze ons?
   Als we de bovengenoemde hypothesen samenvatten, wordt duidelijk dat de theorie van Laplace – die nu bovendien geheel onherkenbaar is gemaakt – ongelukkig was. In de eerste plaats postuleert hij de kosmische stof, die in een diffuse nevelachtige toestand verkeert, ‘zo fijn dat haar aanwezigheid nauwelijks kon worden vermoed’. Hij doet geen poging om in het geheim van het zijn door te dringen, behalve waar het de directe evolutie van ons kleine zonnestelsel betreft.
   Of men dus zijn theorie met betrekking tot de kosmologische vraagstukken die het eerst moeten worden opgelost, aanvaardt of verwerpt, men kan alleen maar zeggen dat hij het mysterie een beetje verder heeft teruggeschoven. Laplace doet geen poging een antwoord te geven op de eeuwige vragen: ‘Waar komt de stof zelf vandaan, en de evolutiedrang die haar cyclische samenvoegingen en ontbindingen bepaalt; waar komen de verfijnde symmetrie en orde vandaan, waarin de oorspronkelijke atomen zich rangschikken en groeperen?’ Het enige waarmee we worden geconfronteerd, is een schets van de vermoedelijke algemene beginselen waarop het werkelijke proces zoals hij aanneemt is gebaseerd. En wat zegt deze nu beroemde aantekening over het genoemde proces? Wat heeft hij gegeven dat zo wonderbaarlijk nieuw en origineel is, dat in ieder geval de beginselen ervan moesten dienen als basis voor de moderne nevelvlektheorie? Het volgende geeft weer wat men kan afleiden uit verschillende boeken op het gebied van de sterrenkunde.
   Laplace dacht dat, tengevolge van de condensatie van de atomen van de oorspronkelijke nevelvlek, de nu gasvormige of misschien deels vloeibare massa volgens de ‘wet’ van de zwaartekracht een draaiende beweging kreeg. Naarmate de snelheid van deze draaiing toenam, nam deze massa de vorm aan van een dunne schijf; toen tenslotte de middelpuntvliedende kracht groter werd dan die van de cohesie, raakten enorme ringen los van de rand van de rondwervelende gloeiende massa’s; deze ringen moesten zich tengevolge van de zwaartekracht (zoals men aannam) samentrekken tot bolvormige lichamen, die nog steeds dezelfde baan zouden moeten beschrijven, die eerder werd ingenomen door de buitenrand waarvan zij waren afgescheiden. (‘Laplace stelde zich voor dat de buiten- en binnenzones van de ring met dezelfde hoeksnelheid zouden ronddraaien, zoals bij een vaste ring het geval zou zijn; maar het beginsel van gelijke oppervlakken vereist dat de binnenzones sneller ronddraaien dan de buitenzones.’4) Doordat de snelheid van de buitenste rand van elke planeet in wording die van de binnenste overtreft, zegt hij, treedt een draaiing om de as op. De dichtere lichamen zouden het laatst worden afgeworpen; en tenslotte werpen de nieuw-afgescheiden bollen in het eerste stadium van hun vorming op hun beurt een of meer satellieten af . . . Laplace zegt, als hij de geschiedenis van het verbreken en het tot planeten worden van de ringen formuleert:

   ‘Bijna altijd moet elke ring van dampen in talloze massa’s zijn uiteengevallen die, terwijl ze met een bijna gelijke snelheid bewegen, moeten zijn doorgegaan met op dezelfde afstand van de zon rond te wentelen. Deze massa’s moeten de vorm van een afgeplatte bol hebben aangenomen, met een draaiingsbeweging in dezelfde richting als hun omloop, omdat de binnenste moleculen (die dichter bij de zon zijn) in feite minder snelheid zouden hebben dan de buitenste. Dit moeten dan evenzoveel planeten in gasvormige toestand zijn geworden. Maar als een hiervan voldoende krachtig was om achtereenvolgens door haar aantrekking alle andere rond haar middelpunt te verenigen, moet de ring van dampen op die manier zijn omgezet in een enkele bolvormige dampmassa die rond de zon wentelt in dezelfde richting als zij om haar as wentelt. Dit laatste geval komt meer voor, maar het zonnestelsel laat het eerste geval zien bij de vier kleine planeten die zich tussen Jupiter en Mars bewegen.’

   Hoewel men niet veel mensen zal vinden die ‘de grootse gewaagdheid van deze hypothese’ willen ontkennen, is het onmogelijk voorbij te gaan aan de onoverkomelijke moeilijkheden die ermee zijn verbonden. Waarom vinden we bijvoorbeeld dat de satellieten van Neptunus en Uranus een retrograde beweging vertonen; dat Venus, hoewel deze dichter bij de Zon staat, een geringere dichtheid heeft dan de Aarde? En ook dat de verder weg gelegen Uranus een grotere dichtheid heeft dan Saturnus? Hoe komt het dat er zoveel verschillen zijn in de helling van de assen en banen van de veronderstelde nakomelingen van de centrale bol; dat men zulke verrassende variaties in de omvang van de planeten kan aantreffen; dat de dichtheid van de satellieten van Jupiter een factor 0,288 groter is dan van de planeet zelf; dat de verschijnselen van meteoren- en kometenstelsels nog onverklaard zijn gebleven? Om de woorden van een Meester aan te halen: ‘Zij (de occultisten) constateren dat de middelpuntvliedende theorie van westerse oorsprong niet in staat is alles te verklaren. Dat deze zonder hulp geen verklaring kan geven voor het ontstaan van elke bol die is afgeplat aan de polen, en ook niet de duidelijk blijkende moeilijkheden kan verklaren, zoals bijvoorbeeld de relatieve dichtheid van sommige planeten. Hoe kan een berekening van de middelpuntvliedende kracht bijvoorbeeld verklaren waarom Mercurius, waarvan de omwentelingssnelheid, zoals men zegt, maar ongeveer een-derde is van die van de Aarde, en waarvan de dichtheid slechts ongeveer een-vierde groter is dan die van de Aarde, een afplatting aan de polen zou hebben die meer dan tien keer zo groot is als die van de Aarde? En verder, waarom Jupiter, waarvan men zegt dat de omwentelingssnelheid aan de evenaar ‘zevenentwintig keer groter dan, en de dichtheid slechts ongeveer één-vijfde van die van de Aarde’ is, een polaire afplatting zou hebben die zeventien keer groter is dan die van de Aarde? Of waarom Saturnus, waar de middelpuntzoekende kracht moet worstelen met een snelheid aan de evenaar die 55 keer groter is dan die van Mercurius, een polaire afplatting zou hebben die maar drie keer groter is dan die van Mercurius? Als kroon op de bovenstaande tegenstrijdigheden vraagt men ons te geloven in de centrale krachten, zoals die door de hedendaagse wetenschap worden onderwezen, zelfs als men ons vertelt dat de stof aan de evenaar van de Zon, met meer dan vier keer de middelpuntvliedende snelheid aan de evenaar van de Aarde, en met slechts ongeveer één-vierde van de zwaartekracht van de equatoriale stof, geen enkele neiging heeft vertoond om aan de zonne-evenaar uit te zetten en ook niet de minste afplatting van de polen van de Zon laat zien. Met andere en duidelijker woorden, de Zon, waar de middelpuntvliedende kracht inwerkt op stof met maar één-vierde van de dichtheid van de Aarde, heeft helemaal geen polaire afplatting! We zien dat dit bezwaar door meer dan één sterrenkundige wordt gemaakt, maar zover de ‘adepten’ weten, is het nooit op bevredigende manier verklaard.’
   ‘Daarom zeggen zij (de adepten) dat de grote geleerden van het westen, die . . . nagenoeg niets weten van komeetstof, middelpuntvliedende en middelpuntzoekende krachten, de aard van de nevelvlekken of de fysieke samenstelling van de zon, de sterren of zelfs de maan, onvoorzichtig zijn om met zoveel zelfvertrouwen te spreken over de ‘centrale massa van de zon’, die planeten, kometen en wat al niet de ruimte in slingert . . .’ ‘Wij beweren dat hij (de zon) alleen het levensbeginsel ontwikkelt, de ziel van die lichamen, dat hij dit in ons zonnestelsel als de ‘universele levengever’ schenkt en terugontvangt . . . in oneindigheid en eeuwigheid; dat het zonnestelsel evengoed de microkosmos van de ene macrokosmos is, als de mens dit eerstgenoemde is in vergelijking met zijn eigen kleine zonnekosmos5.’
   Het kenmerkende vermogen dat alle kosmische en aardse elementen bezitten, om in zichzelf een regelmatige en harmonische reeks van gevolgen, een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen teweeg te brengen, is een onweerlegbaar bewijs dat zij door een intelligentie buiten of binnen hen worden bezield, of dat zij deze binnen of achter de gemanifesteerde sluier verbergen. Het occultisme ontkent niet de zekerheid van de mechanische oorsprong van het Heelal; het beweert alleen maar dat het absoluut noodzakelijk is dat er de een of andere soort werktuigkundige achter die elementen staat (of erin) – voor ons een dogma. De Kosmos en alles wat erin is, werd niet opgebouwd door de toevallige hulp van de atomen van Lucretius, die zelf wel beter wist. De Natuur zelf spreekt zo’n theorie tegen. Men kan geen beroep doen op de hemelruimte die stof bevat die zo ijl is als ether om, met of zonder aantrekkingskracht, de algemene beweging van de sterrenmenigten te verklaren. Hoewel de volmaakte onderlinge overeenstemming van hun omwentelingen duidelijk wijst op de aanwezigheid van een mechanische oorzaak in de Natuur, was Newton, die van alle mensen het meeste recht had om te vertrouwen op zijn gevolgtrekkingen en opvattingen, niettemin gedwongen de gedachte te verlaten om ooit uit de wetten van de bekende Natuur en haar stoffelijke krachten de oorspronkelijke impuls te verklaren die aan de miljoenen bollen was gegeven. Hij erkende volledig de beperkingen die de werking van de natuurkrachten scheiden van die van de intelligenties, die de onveranderlijke wetten vaststellen en in werking stellen. En als een newton die hoop moest opgeven, welke hedendaagse materialistische pygmee heeft dan het recht te zeggen: ‘Ik weet het beter’?
   Om volledig en begrijpelijk te worden, moet een kosmogonische theorie beginnen met een oorspronkelijke substantie met een verstandelijke en goddelijke aard, die door de hele grenzeloze Ruimte is verspreid. Die substantie moet de ziel en de geest zijn, de synthese en het zevende beginsel van de gemanifesteerde Kosmos, en om hiervoor als geestelijke upādhi te dienen, moet er een zesde beginsel zijn, zijn voertuig – oorspronkelijke fysieke stof om zo te zeggen, hoewel zijn aard voor altijd aan onze beperkte normale zintuigen zal ontgaan. Het is voor een sterrenkundige gemakkelijk om, als hij over fantasie beschikt, een theorie te vormen over het ontstaan van het heelal uit de chaos, door er eenvoudig de beginselen van de mechanica op toe te passen. Maar zo’n heelal zal altijd voor zijn wetenschappelijke menselijke schepper een monster van Frankenstein blijken te zijn; het zal hem eindeloos verbijsteren. Toepassing van alleen mechanische wetten kan de theoreticus nooit buiten de objectieve wereld brengen; en evenmin zal het de mens de oorsprong en de uiteindelijke bestemming van de Kosmos onthullen. Dit is het punt waartoe de nevelvlektheorie de wetenschap heeft gebracht. De nuchtere waarheid is dat deze theorie de tweelingzuster is van die over de ether, en dat beide het product van de noodzakelijkheid zijn; de ene is even onmisbaar om het overbrengen van het licht te verklaren, als de andere om het probleem van de oorsprong van de zonnestelsels op te lossen. Ze houden zich bezig met de vraag, hoe dezelfde homogene stof6 aan de wetten van Newton kon gehoorzamen en daarbij lichamen kon laten ontstaan – de zon, de planeten en hun satellieten – die aan dezelfde soort bewegingen zijn onderworpen en uit zulke heterogene elementen zijn gevormd.
   Heeft de nevelvlektheorie geholpen het probleem op te lossen, zelfs als zij alleen wordt toegepast op lichamen die als onbezield en stoffelijk worden beschouwd? Wij zeggen: beslist niet. Welke vorderingen heeft zij gemaakt na 1811, toen het artikel van Sir W. Herschel, dat voor het eerst feiten gaf die op waarneming waren gebaseerd en dat het bestaan van nevelvlekstof aantoonde, de ‘zonen’ van de Royal Society liet ‘juichen van vreugde’? Daarna heeft een nog grotere ontdekking de verificatie en bevestiging van de veronderstelling van Herschel door middel van spectraalanalyse mogelijk gemaakt. Laplace had de een of andere oorspronkelijke ‘wereldstof’ nodig om het denkbeeld van een voortgaande wereldevolutie en groei te bewijzen. Hier is het, zoals het tweeduizend jaar geleden werd aangeboden.
   De ‘wereldstof’, nu nevelvlekken, was sinds de vroegste oudheid bekend. Anaxagoras leerde dat het na differentiatie ontstane mengsel van heterogene substanties bewegingloos en ongestructureerd bleef, totdat tenslotte ‘het denkvermogen’ – de gezamenlijke Dhyāni-Chohans, zeggen wij – erop begon in te werken en er beweging en orde in bracht (Aristoteles, Physica, viii, 1). Het eerste deel van de theorie wordt nu overwogen; dat over de tussenkomst van een of ander ‘denkvermogen’ wordt verworpen. De spectraalanalyse onthult het bestaan van nevelvlekken die geheel uit gassen en lichtgevende dampen bestaan. Is dit de oorspronkelijke nevelvlekstof? De spectra onthullen, zo zegt men, de fysieke toestand van de stof die kosmisch licht uitstraalt. De spectra van de oplosbare en de onoplosbare nevelvlekken blijken heel verschillend te zijn, de spectra van laatstgenoemde laten zien dat zij fysiek uit gloeiend gas of damp bestaan. De heldere lijnen van één nevelvlek onthullen de aanwezigheid daarin van waterstof en van andere bekende en onbekende stoffelijke substanties. Hetzelfde geldt voor de dampkring van de zon en de sterren. Hieruit volgt rechtstreeks dat een ster wordt gevormd door verdichting van een nevelvlek; en dat dus zelfs de metalen op aarde zijn gevormd door verdichting van waterstof of een andere oorspronkelijke stof, misschien een verre nicht van ‘helium’ of een nog onbekende stof? Dit is niet in strijd met de occulte leringen. En de scheikunde probeert dit probleem op te lossen; vroeg of laat moet zij hierin slagen, en dan de esoterische leer nolens volens aanvaarden. Maar als dit gebeurt, zal het de nevelvlektheorie zoals die nu luidt, vernietigen.
   Intussen kan de sterrenkunde, als zij als een exacte wetenschap moet worden beschouwd, op geen enkele manier de huidige theorie van de afstamming van de sterren aanvaarden – terwijl het occultisme dat op zijn eigen manier wel doet, door deze verwantschap anders uit te leggen – omdat de sterrenkunde daarvoor geen enkel fysiek gegeven heeft. De sterrenkunde zou de scheikunde met het bewijzen hiervan vóór kunnen zijn, als zij een planetaire nevelvlek met een spectrum van drie of vier heldere lijnen kon aanwijzen, die zich geleidelijk verdicht en verandert in een ster met een spectrum dat geheel is bedekt met een aantal donkere lijnen. Maar ‘het vraagstuk van de veranderlijkheid van de nevelvlekken, zelfs met betrekking tot hun vorm, is nog een van de mysteries van de sterrenkunde. De waarnemingsgegevens die men tot dusver bezit, zijn te recent en te onzeker om ons in staat te stellen enige uitspraak te doen.’ (Cosmogonical Hypotheses van Wolf.)
   Na de ontdekking van de spectroscoop heeft de magische kracht daarvan maar één enkele transformatie van een ster van deze soort aan zijn adepten onthuld; en zelfs die liet precies het tegenovergestelde zien van wat nodig was als bewijs ten gunste van de nevelvlektheorie, namelijk – een ster die zichzelf veranderde in een planetaire nevelvlek. Zoals in The Observatory (Deel I, blz. 185) wordt meegedeeld, vertoonde de tijdelijk zichtbare ster die in november 1876 in het sterrenbeeld de Zwaan verscheen en werd ontdekt door J.F.J. Schmidt, een spectrum dat werd onderbroken door heel heldere lijnen. Geleidelijk verdwenen het continue spectrum en de meeste lijnen, en er bleef tenslotte één enkele heldere lijn over, die bleek samen te vallen met de groene lijn van de nevelvlek.
   Hoewel deze metamorfose niet onverenigbaar is met de hypothese dat sterren zijn ontstaan uit nevelvlekken, berust dit ene opzichzelfstaande geval niettemin op geen enkele waarneming, en allerminst op directe waarneming. De gebeurtenis kan verschillende andere oorzaken hebben gehad. Sterrenkundigen zijn geneigd te denken dat onze planeten tenderen naar de zon te vallen; waarom zou die ster dan niet zijn opgelaaid tengevolge van een botsing van zulke vallende planeten of, zoals velen vermoeden, door het passeren van een komeet? In ieder geval geeft het enige bekende voorbeeld van een sterrentransformatie na 1811 geen steun aan de nevelvlektheorie. Bovendien zijn de sterrenkundigen het over deze theorie, zoals over alle andere, niet eens.
   In onze eigen tijd, voordat Laplace er ooit aan had gedacht, was Buffon de eerste die de hypothese opstelde dat de planeten en hun satellieten hun oorsprong vinden in de schoot van de zon; de gelijkheid van de beweging van de planeten had hem namelijk sterk getroffen. Hij vond onmiddellijk voor dat doel een speciale komeet uit, die door een krachtige, zijdelingse stoot de hoeveelheid stof zou hebben losgescheurd die voor de vorming van de planeten nodig was. Laplace liet de ‘komeet’ tot haar recht komen in zijn Exposition du Système du Monde. (Noot VII.) Maar het denkbeeld werd aangegrepen en zelfs verbeterd door de opvatting dat zich met tussenpozen uit de centrale massa van de zon planeten ontwikkelen, die blijkbaar gewichtloos zijn en geen invloed hebben op de beweging van de zichtbare planeten – en die kennelijk evenmin bestaan als de gelijkenis van Mozes met het mannetje in de maan.
   Maar de moderne theorie is ook een variatie op de stelsels die door Kant en Laplace zijn uitgewerkt. Beiden meenden dat bij het ontstaan van de dingen alle stof die nu deel uitmaakt van de samenstelling van de planeetlichamen, was verspreid over de hele ruimte die het zonnestelsel inneemt – en zelfs daarbuiten. Het was een nevelvlek van uiterst geringe dichtheid, waarvan de verdichting geleidelijk de verschillende lichamen in onze stelsels voortbracht door middel van een mechanisme dat tot dusver nooit is verklaard. Dit is de oorspronkelijke nevelvlektheorie, een onvolledige maar getrouwe herhaling – een kort hoofdstuk uit het grote boek van de universele esoterische kosmogonie – van de leringen van de Geheime Leer. En beide stelsels, dat van Kant en dat van Laplace, verschillen veel van de moderne theorie, die overloopt van tegenstrijdige sub-theorieën en fantastische hypothesen.
   De Leraren zeggen7: ‘De essentie van komeetstof en van de stof waaruit de sterren zijn opgebouwd, heeft heel andere scheikundige of natuurkundige eigenschappen dan die de westerse wetenschap nu kent. Terwijl de spectroscoop heeft aangetoond (aan de hand van de scheikundige werking van aards licht op de opgevangen stralen) dat aardse en sterrenstof vermoedelijk overeenkomen, heeft men de scheikundige werkingen, die eigen zijn aan de in verschillende mate ontwikkelde bollen van de ruimte, niet ontdekt en heeft men ook niet bewezen dat ze gelijk zijn aan de werkingen die op onze eigen planeet worden waargenomen.’ Crookes zegt bijna hetzelfde in het fragment dat uit zijn lezing ‘Elements and Meta-Elements’ is aangehaald.

   ‘Op zijn hoogst’, merkt C. Wolf8 op, ‘zou de nevelvlekhypothese, met W. Herschel ter ondersteuning van haar stellingen, kunnen wijzen op het bestaan van planetaire nevelvlekken in verschillende graden van verdichting, en van spiraalvormige nevelvlekken met verdichtingskernen in de uitlopers en in het centrum9. Maar de kennis over wat de nevelvlekken met de sterren verbindt, is ons nog ontzegd; en omdat we niet beschikken over rechtstreekse waarnemingen, wordt ons zelfs belet deze vast te stellen, al is het maar op grond van analogie in de scheikundige samenstelling.’

   Zelfs als de geleerden, terwijl ze de moeilijkheid terzijde laten die voor hen voortvloeit uit zo’n ontegenzeglijke verscheidenheid en heterogeniteit van stof in de samenstelling van de nevelvlekken, met de Ouden erkenden dat de oorsprong van alle zichtbare en onzichtbare hemellichamen moet worden gezocht in één oorspronkelijke homogene wereldstof, in een soort pre-protyle10, dan is het duidelijk dat dit geen einde zou maken aan hun verwarring. Tenzij ze ook toegeven dat ons tegenwoordige zichtbare Heelal slechts het sthūla-śarīra, het grove lichaam is van de zevenvoudige Kosmos, zullen ze voor een ander probleem komen te staan; vooral als ze durven volhouden dat de nu zichtbare lichamen van de Kosmos het gevolg zijn van de verdichting van die ene en enige oorspronkelijke stof. Want alleen al door waar te nemen, zien ze dat de werkingen die het tegenwoordige Heelal voortbrachten, veel ingewikkelder zijn dan die theorie ooit zou kunnen omvatten.
   In de eerste plaats zijn er twee verschillende soorten onoplosbare nevelvlekken – zoals de wetenschap zelf leert.
   De telescoop kan die twee niet van elkaar onderscheiden, maar de spectroscoop wel en deze toont daarom een essentieel verschil in hun fysieke samenstelling11.
   ‘Sommige hiervan’, zegt Wolf, ‘hebben een spectrum van drie of vier heldere lijnen, andere een continu spectrum. De eerste zijn gasvormig, de andere bestaan uit een poederachtige stof. De eerste moeten een echte dampkring vormen: tot deze moet de zonne-nevelvlek van Laplace worden gerekend. De laatste vormen een totaal van deeltjes die als onafhankelijk kunnen worden beschouwd, en waarvan de rotatie gehoorzaamt aan de wetten van het innerlijke gewicht: hiertoe behoren de nevelvlekken die door Kant en Faye zijn aangenomen. Op grond van de waarnemingen mogen we zowel de ene als de andere soort aan het begin van de planetaire wereld plaatsen. Maar als we proberen verder in de tijd terug te gaan, tot de oorspronkelijke chaos die alle hemellichamen heeft voortgebracht, moeten we eerst het werkelijke bestaan van deze twee soorten nevelvlekken verklaren. Als de oorspronkelijke chaos een koud lichtgevend gas12 was, zou men kunnen begrijpen hoe het inkrimpen daarvan, veroorzaakt door aantrekkingskracht, dit gas kon hebben verwarmd en lichtgevend gemaakt. We moeten verklaren waarom dit gas zich verdicht tot een toestand van gloeiende deeltjes waarvan de aanwezigheid in bepaalde nevelvlekken ons door de spectroscoop wordt onthuld. Als de oorspronkelijke chaos uit zulke deeltjes was samengesteld, waardoor gingen bepaalde gedeelten ervan dan over in de gasvormige toestand, terwijl andere hun oorspronkelijke toestand hebben bewaard? . . .’
   Zo luidt de samenvatting van de bezwaren tegen en de moeilijkheden bij het aanvaarden van de nevelvlektheorie, die door de Franse geleerde naar voren worden gebracht; deze besluit zijn interessante hoofdstuk door te verklaren:
   ‘Het eerste deel van het kosmogonische vraagstuk – wat is de oorspronkelijke stof van de chaos; en hoe bracht die stof de zon en de sterren voort? – blijft zo tot op heden behoren tot het gebied van de romantiek en van de verbeelding alleen13.’
   Als dit het laatste woord van de wetenschap over dat onderwerp is, tot wie moet men zich dan wenden om te weten te komen wat de nevelvlektheorie ons zou moeten leren? Wat houdt deze theorie eigenlijk in? Wat zij inhoudt, schijnt niemand met zekerheid te weten. Wat zij niet inhoudt, vernemen we van de geleerde schrijver van World-Life. Hij deelt ons mee:
   (I.) Zij is ‘geen theorie over de evolutie van het Heelal . . . maar alleen en in de eerste plaats een verklaring over het ontstaan van de verschijnselen van het zonnestelsel, en houdt daarnaast een coördinatie in van de voornaamste verschijnselen in de wereld van de sterren en van de nevelvlekken, zover de menselijke blik daarin kon doordringen.’
   (II.) ‘De kometen zijn volgens haar niet betrokken bij die bepaalde evolutie die het zonnestelsel heeft voortgebracht.’ (Volgens de esoterische leer wel. Zij zegt dit, omdat ook zij de kometen erkent als vormen van kosmisch bestaan, die zijn verbonden met eerdere stadia van de evolutie van de nevelvlek; en zij schrijft de vorming van alle werelden voornamelijk aan de kometen toe.)
   (III.) ‘Zij ontkent niet dat er een voorafgaande geschiedenis van de lichtgevende vuurnevel is’ – het secundaire evolutiestadium in de Geheime Leer . . . ‘en maakt er geen aanspraak op dat zij een absoluut begin heeft bereikt.’ En de nevelvlektheorie acht het zelfs mogelijk dat deze ‘vuurnevel vroeger in een koude, niet-lichtgevende en onzichtbare toestand heeft bestaan’ . . .
   (IV.) ‘En tenslotte: zij beweert niet de oorsprong van de dingen te onthullen, maar alleen een stadium in de geschiedenis van de stof’ . . . en zij laat ‘de filosoof en theoloog even vrij als altijd om naar de oorsprong van de bestaansvormen te zoeken14.’
   Maar dit is niet alles. Zelfs de grootste filosoof van Engeland – Herbert Spencer – keerde zich tegen deze fantastische theorie door te zeggen (a) ‘het probleem van het bestaan wordt er niet door opgelost’; (b) de nevelvlekhypothese ‘werpt geen licht op de oorsprong van de verspreide stof’, en (c) ‘de nevelvlekhypothese (zoals deze nu luidt) vereist een eerste oorzaak’15.
   Wij vrezen dat het laatste meer is dan waarop onze hedendaagse natuurkundigen hadden gerekend. Het schijnt dus dat deze arme ‘hypothese’ zelfs in de wereld van de metafysici nauwelijks hulp of bevestiging kan verwachten.
   Met het oog op dit alles geloven de occultisten dat zij het recht hebben hun filosofie aan te bieden, hoe verkeerd begrepen en doodverklaard deze op dit moment ook mag zijn. En zij houden vol dat dit onvermogen van de wetenschappers om de waarheid te ontdekken, geheel is toe te schrijven aan hun materialisme en hun minachting voor de transcendentale wetenschappen. Hoewel de wetenschappelijke denkers in onze eeuw nog even ver van de ware en juiste evolutieleer zijn als altijd, blijft er misschien toch enige hoop voor de toekomst, omdat we een andere grote wetenschapper aantreffen die ons daarvoor een zwak lichtpuntje geeft.
   In een artikel in Popular Science Review (Deel XIV, blz. 252) over ‘Recente onderzoekingen naar de kleinste levensvormen’ zegt H.J. Slack, F.C.S., Sec. R.M.S.: ‘Er is een duidelijke convergentie van alle wetenschappen, van de natuurkunde tot de scheikunde en de fysiologie, naar de een of andere evolutie- en ontwikkelingsleer, waarvan de feiten van het darwinisme deel zullen uitmaken, maar over de vraag hoe deze leer er tenslotte zal uitzien, zijn er weinig aanknopingspunten, en misschien zal deze leer pas door het menselijke denkvermogen vorm krijgen als zowel het metafysische als het fysische onderzoek veel verder is gevorderd.’
   Dit is inderdaad een gelukkige voorspelling. Dan breekt misschien de tijd aan waarop de ‘natuurlijke selectie’, zoals verkondigd door Darwin en Herbert Spencer, in haar uiteindelijke gedaante slechts een deel zal vormen van onze oosterse evolutieleer, dat is die van Manu en Kapila, esoterisch verklaard.

 

Noten:

  1. Noot vert. Tegenwoordig wordt de nevelvlektheorie ook wel ‘nevelhypothese’ genoemd. Wij achten dit in het kader van de bovenstaande tekst uit 1888 een minder passende term.
  2. Smithsonian Contributions, xxi, Art. 1, blz. 79-97.
  3. Voorbij de nullijn van werkzaamheid.
  4. World-Life. Prof. Winchell wijst in zijn boek op een groot aantal fouten van Laplace; maar als geoloog is hij zelf in zijn ‘sterrenkundige beschouwingen’ niet onfeilbaar.
  5. Five Years of Theosophy, blz. 249-50: ‘Ontkennen de adepten de nevelvlektheorie?’
  6. Als de sterrenkundigen zich bij de huidige stand van hun kennis zonder meer hadden gehouden aan de hypothese van Laplace, die eenvoudig over de vorming van het planetenstelsel ging, dan zou er na een tijd misschien iets tevoorschijn zijn gekomen dat de waarheid benadert. Maar de twee delen van het algemene probleem, dat van de vorming van het heelal of de vorming van de zonnen en de sterren uit de oorspronkelijke stof, en vervolgens dat van de ontwikkeling van de planeten rondom hun zon, berusten op heel verschillende natuurfeiten en dit wordt zelfs door de wetenschap zo gezien. Het zijn de tegenovergestelde polen van het zijn.
  7. Five Years of Theosophy.
  8. Lid van het Instituut, sterrenkundige van het observatorium, Parijs, Cosmogonical Hypotheses.
  9. Maar de spectra van deze nevelvlekken heeft men nog nooit vastgesteld. Alleen als ze inderdaad worden aangetroffen met heldere lijnen, mag men ze als argument aanvoeren.
  10. Men moet de ‘protyle’ van Crookes niet beschouwen als de oorspronkelijke stof waaruit de Dhyāni-Chohans overeenkomstig de onveranderlijke natuurwetten ons zonnestelsel hebben geweven. Deze protyle kan zelfs niet de eerste prima-materia van Kant zijn, die volgens deze grote denker bij het vormen van de werelden werd opgebruikt en die dus niet langer in een diffuse toestand bestond. Het is een tussen-fase in de voortgaande differentiatie van de kosmische substantie uit haar gewone ongedifferentieerde toestand. Protyle is dan het aspect dat door de stof wordt aangenomen op het midden van haar overgang naar volledige objectiviteit.
  11. ‘De vraag van de oplosbaarheid van de nevelvlekken is vaak op een al te bevestigende manier beantwoord en geheel tegengesteld aan de denkbeelden van de beroemde onderzoeker van de spectra van deze sterrenbeelden – Huggins. Elke nevelvlek waarvan het spectrum alleen heldere lijnen bevat, is gasvormig, zo zegt men, en dus onoplosbaar; elke nevelvlek met een continu spectrum moet met een voldoend krachtig instrument tenslotte in sterren kunnen worden opgelost. Deze veronderstelling is zowel met de verkregen resultaten als met de spectroscopische theorie in strijd. De nevelvlek in de Lier, de Halter-nevelvlek en het middengedeelte van de nevelvlek van Orion, schijnen oplosbaar te zijn en vertonen een spectrum van heldere lijnen; de nevelvlek in de Jachthonden is niet oplosbaar en geeft een continu spectrum. Dit komt doordat de spectroscoop ons wel op de hoogte stelt van de fysieke toestand van de stof waaruit de sterren bestaan, maar ons geen idee geeft over hun aggregatietoestanden. Een nevelvlek die is gevormd uit gasvormige bollen (of zelfs zwak lichtgevende kernen, omringd door een krachtige dampkring) zou een lijnenspectrum geven en toch oplosbaar zijn; dat schijnt de toestand te zijn van het gebied van Huggins in de nevelvlek van Orion. Een nevelvlek die is gevormd uit vaste of vloeibare gloeiende deeltjes, een echte wolk, zal een continu spectrum geven, maar zal onoplosbaar zijn.’ (C. Wolf, Cosmogonical Hypotheses.)
  12. Zie Stanza III over ‘Licht of de koude vlam’ en Toelichting no. 8, waar wordt uitgelegd dat de ‘moeder’ (Chaos) een koud vuur, een koude straling is, kleurloos, vormloos en zonder enige eigenschap. ‘Beweging is het Ene Eeuwige zijn en bevat de mogelijkheden van iedere eigenschap in de manvantarische werelden’, wordt er gezegd.
  13. Hypotheses Cosmogoniques, C. Wolf, 1886.
  14. World-Life, blz. 196.
  15. Westminster Review, XX, 27 juli 1868.

 


De Geheime Leer 1:650-65

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag