§ 16

Cyclische evolutie en karma

 

   De spirituele evolutie van de innerlijke, onsterfelijke mens vormt de grondstelling van de occulte wetenschappen. Om zich zelfs maar een zwakke voorstelling van zo’n proces te maken, moet de onderzoeker geloven (a) in het ene universele leven, onafhankelijk van de stof (of wat de wetenschap als stof beschouwt); en (b) in de individuele intelligenties, die de verschillende manifestaties van dit beginsel bezielen. Huxley gelooft niet in ‘levenskracht’, anderen wel. Het boek Concerning Protoplasm van dr. J.H. Hutchinson Sterling heeft van deze dogmatische ontkenning niet veel heel gelaten. Prof. Beale heeft ook besloten ten gunste van een levensbeginsel; en uit de lezingen van dr. B.W. Richardson over de ‘zenuwether’ is al genoeg aangehaald. De meningen zijn dus verdeeld.
   Het ene leven staat in nauw verband met de ene wet die de wereld van het Zijn beheerst – karma. Exoterisch gezien is dit eenvoudig en letterlijk ‘handeling’, of liever een ‘gevolg-teweegbrengende oorzaak’. Esoterisch gezien is het echter met zijn vèrreikende morele gevolgen iets heel anders. Het is de onfeilbare wet van de vergelding. Men doet vergeefse moeite als men tegen degenen die niets weten over de werkelijke betekenis, de eigenschappen en het enorme belang van deze eeuwige onveranderlijke wet, zegt dat geen theologische definitie van een persoonlijke godheid een beeld kan geven van dit onpersoonlijke, maar toch altijd aanwezige en actieve beginsel. Men kan het ook geen voorzienigheid noemen. Want de voorzienigheid verheugt zich bij de theïsten (in elk geval bij de protestantse christenen) in het bezit van een persoonlijk mannelijk geslacht, terwijl zij bij de rooms-katholieken een vrouwelijke macht is. ‘De goddelijke voorzienigheid matigt zijn zegeningen om een betere werking daarvan te verzekeren’, zegt Wogan ons. Inderdaad matigt ‘Hij’ ze, wat karma, een geslachtloos beginsel, niet doet.
   In de eerste twee Afdelingen hebben we aangetoond dat bij het eerste trillen van het opnieuw ontstaande leven, svabhavat, ‘de veranderlijke uitstraling van de onveranderlijke duisternis, die onbewust is in eeuwigheid’, bij elke wedergeboorte van de Kosmos overgaat van een passieve toestand naar een van intense activiteit; dat het zich differentieert en dan door middel van die differentiatie begint te werken. Dit werk is karma.
   De cyclussen zijn ook onderworpen aan de gevolgen die door deze activiteit ontstaan. ‘Het ene kosmische atoom wordt zeven atomen op het gebied van de stof, en elk wordt in een energiecentrum omgezet; datzelfde atoom wordt zeven stralen op het gebied van de geest, en de zeven scheppende natuurkrachten, die van de wortel-essentie uitstralen . . . volgen, de ene het rechter-, de andere het linkerpad, gescheiden tot het einde van de kalpa en toch nauw met elkaar verbonden. Wat verenigt ze? Karma.’ De atomen die uit het centrale punt zijn uitgestraald, emaneren op hun beurt nieuwe energiecentra, die onder de latente adem van fohat hun werk van binnen naar buiten beginnen en zich vermenigvuldigen tot andere kleinere centra. Deze vormen in de loop van de evolutie en de involutie op hun beurt de wortels of de oorzaken van nieuwe gevolgen, van werelden en ‘mensendragende’ bollen tot de geslachten, soorten en klassen van alle zeven rijken1 (waarvan wij er maar vier kennen). Want ‘de gezegende werkers hebben in de eeuwigheid het Thyan-kam ontvangen’ (‘De aforismen van Tson-ka-pa’).
   ‘Thyan-kam’ is de macht of de kennis om de impulsen van de kosmische energie in de goede richting te leiden.
   De ware boeddhist, die geen ‘persoonlijke god’ en geen ‘vader’ en ‘schepper van hemel en aarde’ erkent, gelooft wel in een absoluut bewustzijn, ‘ādi-buddhi’; de boeddhistische filosoof weet dat er planeetgeesten zijn, de ‘Dhyāni-Chohans’. Maar hoewel hij het bestaan van ‘spirituele levens’ erkent, zijn zelfs deze, omdat ze tijdelijk zijn in de eeuwigheid, volgens zijn filosofie ‘de māyā van de dag’, de illusie van een ‘dag van Brahmā’, een kort manvantara van 4.320.000.000 jaar. Over het ‘Yin-Sin’ mogen mensen niet speculeren, want de Heer Boeddha heeft al zulke onderzoekingen streng verboden. Ook al zijn de Dhyāni-Chohans en alle onzichtbare wezens – de zeven centra en hun directe uitstralingen, de kleinere energiecentra – de directe weerspiegeling van het ene licht, toch staan de mensen veraf van deze wezens, omdat het geheel van de zichtbare Kosmos bestaat uit ‘uit zichzelf voortgebrachte wezens, de voortbrengsels van karma’. Terwijl zij dus een persoonlijke god opvatten ‘als slechts een enorme schaduw die door de verbeelding van onwetende mensen op de leegte van de ruimte is geworpen’2, verkondigen zij dat maar ‘twee dingen (objectief) eeuwig zijn, namelijk ākāśa en nirvāna’; en dat deze in werkelijkheid een zijn, maar indien verdeeld slechts een māyā. ‘De boeddhisten ontkennen de schepping en kunnen zich geen schepper voorstellen.’ ‘Alles is uit ākāśa (of op onze aarde svabhavat) voortgekomen, gehoorzamend aan een inherente wet van beweging, en verdwijnt na een bepaalde tijd te hebben bestaan. Er is nog nooit iets uit niets ontstaan.’ (Buddhist Catechism.)
   Als men een brahmaan die de Advaita-Vedānta volgt, zou vragen of hij in het bestaan van God gelooft, zal hij hoogstwaarschijnlijk hetzelfde antwoord geven dat ook Jacolliot kreeg: ‘Ik zelf ben God’; een boeddhist (vooral een Singalees) zou eenvoudig lachen en antwoorden: ‘Er is geen God, geen schepping’. Toch is de basis van de filosofie van de Advaita- en die van de boeddhistische geleerden dezelfde, en beiden hebben eenzelfde eerbied voor het dierlijke leven, want beiden geloven dat elk schepsel op aarde, hoe klein en nederig het ook is, ‘een onsterfelijk deel is van de onsterfelijke stof’ – want stof heeft voor hen een heel andere betekenis dan voor een christen of een materialist – en dat elk schepsel is onderworpen aan karma.
   Het antwoord van de brahmaan zou ook zijn opgekomen bij iedere filosoof uit de oudheid, bij iedere kabbalist en gnosticus van vroegere tijden. Het bevat de ware geest van de Delfische en kabbalistische geboden, want de esoterische filosofie loste eeuwen geleden het vraagstuk op van wat de mens was, is en zal zijn; van de oorsprong en de levenscyclus van de mens – eindeloos in zijn duur van opeenvolgende incarnaties of wedergeboorten – en tenslotte van zijn opneming in de bron waaruit hij voortkwam.
   Maar we kunnen de natuurwetenschap nooit vragen om de mens als het raadsel van het verleden of van de toekomst aan ons uit te leggen; want geen filosoof kan ons zelfs zeggen wat de mens is, zoals zowel de fysiologie als de psychologie hem kennen. Omdat men twijfelde of de mens ‘een god of een beest’ was, brengt men hem nu met laatstgenoemde in verband en leidt men hem van een dier af. Ongetwijfeld kan de taak van het analyseren en classificeren van de mens als een aards dier aan de wetenschap worden overgelaten, waarvoor juist de occultisten eerbied en achting hebben. Zij erkennen haar bestaansrecht en het bewonderenswaardige werk dat zij verricht, de vooruitgang die is geboekt in de fysiologie en zelfs – in zekere mate – in de biologie. Maar de innerlijke, spirituele, psychische en zelfs morele natuur van de mens kan niet worden overgeleverd aan de welwillende genade van een ingeworteld materialisme; want zelfs de hoogste psychologische filosofie van het westen is bij haar huidige onvolledigheid en neiging tot een duidelijk agnosticisme, niet in staat recht te doen aan de innerlijke mens, vooral niet aan zijn hogere vermogens en gewaarwordingen en aan bepaalde bewustzijnstoestanden. Autoriteiten zoals Mill trekken een dikke streep over de weg naar die bewustzijnstoestanden en zeggen: ‘Tot hier en niet verder zult u gaan.’
   Geen occultist zou ontkennen dat de mens – evenals de olifant en de microbe, de krokodil en de hagedis, het grassprietje of het kristal – in zijn fysieke vorming het eenvoudige product is van de evolutiekrachten van de natuur, via een eindeloze reeks van transformaties; maar hij stelt de zaak toch anders voor.
   Elke mysticus en iedereen die gelooft in een goddelijke ziel komt innerlijk in opstand, niet tegen de zoölogische en antropologische ontdekkingen die zijn gebaseerd op de fossielen van mens en dier, maar alleen tegen de ongemotiveerde conclusies die steunen op vooropgezette theorieën, en die men aanpast aan bepaalde vooroordelen. De vooronderstellingen kunnen al of niet waar zijn; en omdat sommige van deze theorieën maar een kort leven leiden, moeten de gevolgtrekkingen daaruit van de materialistische evolutionisten altijd eenzijdig zijn. Toch ontvangen de meeste wetenschappers op grond van zo’n heel kortstondig gezag vaak overdreven eerbewijzen, waar zij deze het minst verdienen3.
   Om de werking van karma bij de periodieke vernieuwingen van het Heelal voor de onderzoeker duidelijker en begrijpelijker te maken, als deze toekomt aan het probleem van de oorsprong en de evolutie van de mens, moet hij nu met ons de esoterische invloed van de karmische cyclussen op de universele ethiek onderzoeken. De vraag is: hebben die geheimzinnige tijdsindelingen, die door de hindoes yuga’s en kalpa’s en door de Grieken zo aanschouwelijk – κύκλοϛ – ‘cyclus’, ring of cirkel worden genoemd, enige invloed op, of enig direct verband met, het menselijke leven? Zelfs de exoterische filosofie verklaart dat deze eeuwigdurende tijdscyclussen altijd, periodiek en intelligent, in ruimte en eeuwigheid, in zichzelf terugkeren. Er zijn ‘cyclussen van stof’4 en er zijn ‘cyclussen van spirituele evolutie’, raciale, nationale en individuele cyclussen. Kunnen esoterische beschouwingen ons een nog dieper inzicht verschaffen in de werkingen hiervan?
   Deze gedachte wordt prachtig uitgedrukt in een heel knap wetenschappelijk boek:

   ‘De mogelijkheid om tot een begrip te komen van een stelsel van coördinatie, dat in tijd en ruimte zoveel verder gaat dan het gebied van de menselijke waarnemingen, is een omstandigheid waaruit het vermogen van de mens blijkt om de beperkingen van de veranderende en onbestendige stof te boven te komen, en om zijn superioriteit boven alle onstabiele en vergankelijke zijnsvormen te laten gelden. De opeenvolging van de gebeurtenissen en het onderlinge verband van gelijktijdig bestaande dingen vertoont een bepaalde orde, waar het denkvermogen van de mens greep op krijgt; en met deze als leidraad beweegt hij zich voorwaarts of achteruit door lange tijdperken van stoffelijke geschiedenis, waarvan de menselijke ervaring nooit kan getuigen. Gebeurtenissen ontstaan en ontwikkelen zich. Zij hebben een verleden dat is verbonden met hun heden, en wij hebben een gerechtvaardigd vertrouwen dat er een toekomst is vastgesteld die op een soortgelijke manier zal zijn verbonden met het heden en het verleden. Deze continuïteit en eenheid van de geschiedenis herhalen zich voor onze ogen in alle denkbare stadia van vooruitgang. De verschijnselen leveren ons de basis voor de generalisatie van twee wetten, die inderdaad beginselen van wetenschappelijke voorspelling zijn; en alleen hierdoor dringt het denkvermogen van de mens door tot de verzegelde verslagen van het verleden en de ongeopende bladzijden van de toekomst. De eerste hiervan is de wet van de evolutie of, in voor ons doel geschikte bewoordingen, de wet van de in wisselwerking staande opeenvolging of de georganiseerde geschiedenis in het individu, toegelicht in de veranderende fasen van elk tot ontwikkeling komend stelsel van gevolgen . . . Deze gedachten roepen ons het onmetelijke verleden en de onmetelijke toekomst van de geschiedenis van de stof direct voor de geest. Zij schijnen bijna vergezichten in de oneindigheid te bieden, en het menselijke intellect een bestaan en een inzicht te verschaffen, vrij van de beperkingen van tijd en ruimte en eindige oorzakelijkheid, en dit intellect te verheffen tot het niveau van de Hoogste Intelligentie, die haar woonplaats in de eeuwigheid heeft.’ (World-Life, blz. 535 en 548.)

   Volgens de leringen verandert māyā, of de bedrieglijke schijn van de ordening van gebeurtenissen en handelingen op deze aarde, en varieert met de volkeren en plaatsen. Maar de hoofdzaken van iemands leven zijn altijd in overeenstemming met het ‘sterrenbeeld’ waaronder men is geboren of, zouden we eigenlijk moeten zeggen, met de eigenschappen van het bezielende beginsel ervan of de godheid die er de leiding over heeft, of we die nu een Dhyāni-Chohan noemen, zoals in Azië, of een Aartsengel, zoals in de Griekse en Latijnse kerken. In de oude symboliek werd altijd verondersteld dat de zon (hoewel de spirituele en niet de zichtbare zon werd bedoeld) de voornaamste Verlossers en Avatāra’s uitzond. Vandaar de verbindende schakel tussen de Boeddha’s, de Avatāra’s en zoveel andere incarnaties van de hoogste zeven. Hoe dichter de sterveling, van wie de persoonlijkheid door zijn eigen persoonlijke godheid (het zevende beginsel) als aardse verblijfplaats was gekozen, zijn oervorm ‘in de hemel’ benaderde, des te beter het voor hem was. Want bij iedere wilsinspanning tot loutering en tot vereniging met die ‘Zelf-god’, breekt een van de lagere stralen en komt de spirituele entiteit van de mens steeds hoger, aangetrokken tot de straal die de eerste vervangt, totdat de innerlijke mens, van straal tot straal gaande, in de ene en hoogste straal van de Moeder-zon wordt getrokken. Zo ‘lopen de lotgevallen van de mensheid inderdaad gelijk op met de getalvormen’, omdat de afzonderlijke eenheden van die mensheid alle voortkomen uit dezelfde bron – de centrale zon en zijn schaduw, de zichtbare zon. Want de dag- en nachteveningen en zonnestilstanden, de perioden en verschillende fasen van de baan van de zon, sterrenkundig en numeriek uitgedrukt, zijn slechts de concrete symbolen van de eeuwig levende waarheid, hoewel zij voor niet-ingewijde stervelingen toch abstracte denkbeelden schijnen. En dit verklaart de merkwaardige numerieke overeenkomsten met meetkundige verhoudingen, die door verschillende schrijvers zijn aangetoond.
   Ja, ‘ons lot staat in de sterren geschreven’! Maar hoe nauwer de vereniging tussen de sterfelijke weerspiegeling mens en zijn hemelse oervorm, des te minder gevaarlijk zijn de uiterlijke omstandigheden en de opeenvolgende reïncarnaties – waaraan Boeddha’s noch Christussen kunnen ontkomen. Dit is geen bijgeloof en het is allerminst fatalisme. Dit laatste betekent een blinde koers van de een of andere nog blindere kracht, en de mens heeft tijdens zijn verblijf op aarde een vrije wil. Hij kan het lot dat hem beheerst niet ontlopen, maar hij heeft de keus tussen twee paden die hem in die richting leiden, en hij kan het einddoel van ellende – indien iets dergelijks zijn bestemming is – bereiken, òf in het sneeuwwitte kleed van de martelaar, òf in de besmeurde kleding van een vrijwilliger op het pad van de ongerechtigheid; want er zijn uiterlijke en innerlijke omstandigheden die het bepalen van onze wil met betrekking tot onze daden beïnvloeden, en het ligt in onze macht het ene of het andere pad te volgen. Wie in karma gelooft, moet in de lotsbestemming geloven die ieder mens van zijn geboorte tot zijn dood draad voor draad om zich heen weeft, zoals een spin haar web. Deze lotsbestemming wordt geleid, hetzij door de hemelse stem van de onzichtbare oervorm buiten ons, of door de ons meer vertrouwde astrale of innerlijke mens, die maar al te vaak de kwade genius is van het belichaamde wezen dat mens wordt genoemd. Deze beide stimuleren de uiterlijke mens, maar een van hen moet overwinnen; en vanaf het eerste begin van het onzichtbare gevecht treedt de strenge en onverbiddelijke wet van compensatie in werking en neemt haar loop, terwijl zij getrouw de wisselvalligheden van dat gevecht volgt. Wanneer de laatste draad is geweven en de mens als het ware is gewikkeld in het net van zijn eigen maaksel, wordt hij geheel beheerst door zijn zelfgemaakte lot. Het houdt hem dan vast als een onbeweeglijke schelp tegen de onwrikbare rots, of het voert hem weg als een veer in een wervelwind die door zijn eigen daden is ontstaan, en dit is karma.
   Een materialist die de periodieke scheppingen van onze bol besprak, heeft het in één zin uitgedrukt. ‘Het hele verleden van de aarde is niets dan een ontplooid heden.’ Dit was Büchner, die nauwelijks vermoedde dat hij een axioma van de occultisten herhaalde. Het is ook helemaal waar, zoals Burmeister (aangehaald in Force and Matter) opmerkt, dat ‘het historische onderzoek van de ontwikkeling van de aarde heeft aangetoond dat het nu en het toen op dezelfde basis steunen; dat het verleden op dezelfde manier werd ontwikkeld als het heden voortrolt; en dat de krachten die werkzaam waren, altijd dezelfde bleven’.
   De ‘krachten’ – eigenlijk hun noumena – zijn natuurlijk dezelfde; daarom moeten de waarneembare krachten ook dezelfde zijn. Maar hoe kan men zo stellig weten dat de eigenschappen van de stof niet zijn veranderd onder invloed van de proteïsche evolutie? Hoe kan een materialist met zoveel vertrouwen beweren, zoals Rossmassler, dat ‘deze eeuwige overeenstemming in de essentie van verschijnselen het zeker maakt dat vuur en water te allen tijde dezelfde vermogens bezaten en deze altijd zullen bezitten’? Wie zijn zij ‘die de raad verduisteren met woorden zonder kennis’, en waar waren de Huxleys en Büchners toen de grondslagen van de aarde werden gelegd door de grote Wet? Het is een grondbeginsel van de occulte filosofie, deze zelfde homogeniteit van de stof en onveranderlijkheid van de natuurwetten, waarop het materialisme zo sterk aandringt; maar die eenheid berust op de onscheidbaarheid van geest en stof, en als de twee zouden worden gescheiden, zou de hele Kosmos terugvallen tot chaos en niet-zijn. Het is daarom volstrekt onjuist, en slechts een bewijs te meer van de grote verwaandheid van onze tijd, om (zoals de wetenschappers) te beweren dat alle grote geologische veranderingen en omwentelingen werden teweeggebracht door gewone en bekende natuurkrachten. Want deze krachten waren alleen maar de werktuigen en laatste hulpmiddelen voor het bereiken van bepaalde doeleinden; zij werken periodiek en schijnbaar mechanisch door middel van een innerlijke impuls die is vermengd met hun stoffelijke natuur, maar daar toch buiten staat. Elke belangrijke werking van de Natuur heeft een doel; deze werkingen zijn alle cyclisch en periodiek. Maar omdat spirituele krachten gewoonlijk worden verward met zuiver fysieke, wordt het bestaan van de eerstgenoemde door de wetenschap ontkend en die krachten blijven daardoor aan haar onbekend, omdat ze niet zijn onderzocht5.

   Hegel zegt: ‘De geschiedenis van de wereld begint met haar algemene doel, de verwezenlijking van de Idee van de geest – maar in een impliciete vorm (an sich), dat wil zeggen als Natuur; een verborgen, heel diep verborgen onbewust instinct, en het hele proces van de geschiedenis . . . is erop gericht deze onbewuste impuls tot een bewuste te maken. Terwijl zij in de vorm van een zuiver natuurlijk bestaan verschijnen, vertonen de natuurlijke wil (wat men de subjectieve kant noemt), fysiek verlangen, instinct, hartstocht, persoonlijk belang, mening en subjectieve opvatting, zich spontaan bij het eerste begin. Deze uitgebreide verzameling van wilsuitingen, belangen en activiteiten vormen de instrumenten en middelen van de wereldgeest om zijn doel te bereiken; om dit tot bewustzijn en verwezenlijking te brengen. En dit doel is niets anders dan zichzelf te vinden – tot zichzelf te komen – en zichzelf in concrete werkelijkheid te aanschouwen. Men zou er echter een strijdvraag van kunnen maken (of liever, dat is al geschied), of die manifestaties van levenskracht van de kant van individuen en volkeren, waarin zij hun eigen doeleinden zoeken en bevredigen, tegelijkertijd de middelen en instrumenten zijn van een hogere macht, van een hoger en omvangrijker doel, waarvan zij niets weten – en die zij onbewust verwerkelijken – . . . over dit punt heb ik mijn opvatting al bij het begin bekendgemaakt en onze hypothese . . . en onze opvatting verdedigd, dat de rede de wereld beheerst en dus ook haar geschiedenis heeft beheerst. Ten opzichte van dit onafhankelijke, universele en substantiële bestaan is al het andere ondergeschikt, daaraan dienstbaar en een middel voor de ontwikkeling ervan6.’

   Geen metafysicus of theosoof zou bezwaar kunnen maken tegen deze waarheden, die alle zijn belichaamd in de esoterische leringen. Er is een voorbeschikking in het geologische leven van onze bol, evenals in de geschiedenis van het verleden en de toekomst van rassen en volkeren. Deze is nauw verbonden met wat wij karma noemen, en westerse pantheïsten ‘nemesis’ en ‘cyclussen’. De wet van de evolutie voert ons nu langs de opgaande boog van onze cyclus, wanneer de gevolgen opnieuw zullen samensmelten met de (nu geneutraliseerde) oorzaken, en weer die oorzaken worden, en alle dingen die door eerstgenoemde zijn beïnvloed, hun oorspronkelijke harmonie zullen herkrijgen. Dit zal de cyclus van onze speciale ‘Ronde’ zijn, een moment in de duur van de grote cyclus of het mahāyuga.
   De waardevolle filosofische opmerkingen van Hegel blijken hun toepassing te vinden in de leringen van de occulte wetenschap, die aantoont dat de natuur altijd werkt met een bepaald doel, waarvan de gevolgen altijd tweevoudig zijn. Dit werd gezegd in onze eerste occulte boeken, in Isis Ontsluierd, Deel 1, blz. 34 (Engelse uitgave), met de volgende woorden:

   Evenals onze planeet elk jaar eenmaal om de zon draait en tegelijk in elke vierentwintig uur één keer om haar eigen as wentelt en zo kleinere cirkels beschrijft binnen een grotere, zo wordt binnen de grote saros het werk van de kleinere cyclische perioden volbracht en opnieuw begonnen.
   De omwenteling van de fysieke wereld gaat volgens de leer van de Ouden vergezeld van een soortgelijke omwenteling in de wereld van het verstand – want de spirituele evolutie van de wereld verloopt evenals de fysieke volgens cyclussen.
   Zo zien we in de geschiedenis een regelmatige afwisseling van eb en vloed in het getij van de menselijke vooruitgang. De grote koninkrijken en keizerrijken van de wereld raken, nadat ze het hoogtepunt van hun bloei hebben bereikt, weer in verval, overeenkomstig dezelfde wet waardoor zij tot aanzien kwamen; totdat de mensheid, nadat ze het laagste punt heeft bereikt, zich weer doet gelden en nogmaals opklimt, waarbij volgens deze wet van cyclisch opklimmende vooruitgang, het bereikte iets hoger ligt dan het punt vanwaar zij daarvóór was afgedaald.

   Maar deze cyclussen – wielen binnen wielen, zo veelomvattend en vindingrijk gesymboliseerd door de verschillende Manu’s en Rishi’s in India en door de Kabiri in het westen7beïnvloeden de hele mensheid niet op een en dezelfde tijd – zoals wordt verklaard in de Rassenindeling van de cyclussen (zie subsectie 6). Vandaar, zoals we zien, de moeilijkheid om ze te begrijpen en van elkaar te onderscheiden voor wat betreft hun fysieke en spirituele gevolgen, zonder een grondige kennis van hun samenhang met en hun inwerking op de respectievelijke situaties van volkeren en rassen in hun bestemming en evolutie. Men kan dit stelsel niet begrijpen, als de spirituele werking in deze perioden – voorbeschikt om zo te zeggen door de karmische wet – wordt gescheiden van hun fysieke verloop. De berekeningen van de beste astrologen zouden niet uitkomen of in ieder geval gebrekkig blijven, tenzij deze tweevoudige werking diepgaand in de beschouwing wordt betrokken en er in overeenstemming daarmee wordt gehandeld. En die grondige beheersing kan alleen door inwijding worden verkregen.
   De grote cyclus omvat de vooruitgang van de mensheid vanaf het verschijnen van de oorspronkelijke mens met een etherische vorm. De cyclus gaat door de innerlijke cyclussen van zijn (d.i. van de mens) voortgaande evolutie heen, van het etherische afdalend naar het half-etherische en het zuiver fysieke: tot aan de verlossing van de mens van zijn rokken van vellen en stof, waarna deze zijn loop voortzet, naar beneden en dan weer opwaarts, om zich te sluiten bij het hoogtepunt van een Ronde, wanneer de manvantarische ‘slang haar eigen staart verslindt’ en zeven kleinere cyclussen zijn doorlopen. Dit zijn de grote raciale cyclussen die alle volkeren en stammen die tot dat speciale ras behoren, evenveel beïnvloeden; maar binnen zo’n cyclus zijn er kleinere cyclussen van naties en stammen, die onafhankelijk van elkaar verlopen. Zij worden in de esoterie van het oosten de karmische cyclussen genoemd. Sinds in het westen de heidense wijsheid werd verworpen, omdat deze zou zijn voortgekomen uit en ontwikkeld door de duistere machten van wie men aanneemt dat ze voortdurend in oorlog zijn en strijd voeren met de kleine stamgod Jehova, is daar de volledige en ontzagwekkende betekenis van de Griekse nemesis (of karma) geheel vergeten. Anders zouden de christenen beter de diepe waarheid hebben begrepen, dat Nemesis geen eigenschappen heeft; dat, terwijl de gevreesde godin als beginsel absoluut en onveranderlijk is, wij het zelf zijn – volkeren en individuen – die haar tot handeling brengen en de stoot geven in de richting waarin ze werkt. Karma-nemesis is de schepper van volkeren en stervelingen, maar als zij eenmaal zijn geschapen, maken zij van haar een furie of een belonende engel. Inderdaad:

‘Wijs zijn degenen die Nemesis vereren’8

   – zoals het koor tot Prometheus zegt. En even onverstandig zijn zij die geloven dat de godin door welke offers en gebeden ook, gunstig kan worden gestemd, of dat haar wiel kan worden afgebracht van het pad dat het eenmaal heeft ingeslagen. ‘De drievormige schikgodinnen en de altijd waakzame furiën’ zijn alleen op aarde haar attributen, en ze zijn door onszelf voortgebracht. Van de paden van haar kringloop is geen terugkeer mogelijk; toch hebben wij die paden zelf gemaakt, want wij zelf, collectief of individueel, bereiden ze voor. Karma-Nemesis is synoniem met voorzienigheid, zonder vooropgezet plan, goedheid en iedere andere eindige eigenschap en kwalificatie, die zo onfilosofisch aan deze laatste wordt toegeschreven. Een occultist of een filosoof zal niet spreken over de goedheid of wreedheid van de voorzienigheid, maar hij zal deze vereenzelvigen met karma-Nemesis en verkondigen dat zij niettemin de goeden beschermt en over hen waakt in zowel dit als toekomstige levens, en dat zij de boosdoener bestraft – ja, zelfs tot in zijn zevende wedergeboorte. Kortom, zolang de gevolgen van de door hem veroorzaakte verstoring van zelfs het kleinste atoom in de oneindige wereld van de harmonie niet volledig zijn vereffend. Want het enige gebod van karma – een eeuwig en onveranderlijk gebod – is volkomen harmonie, zowel in de wereld van de stof als in de wereld van de geest. Het is dus niet karma dat beloont of straft, maar wij belonen of straffen onszelf, al naar gelang wij met de natuur samenwerken en door middel van haar handelen, en ons houden aan de wetten waarop die harmonie berust, of – die wetten overtreden.
   De wegen van karma zouden ook niet ondoorgrondelijk zijn als de mensen gezamenlijk en in harmonie zouden handelen, in plaats van in verdeeldheid en strijd. Eén deel van de mensheid noemt ze de duistere en ingewikkelde wegen van de voorzienigheid, terwijl een ander deel er de werking van een blind noodlot en een derde er alleen maar toeval in ziet, zonder leiding door goden of duivels. Onze onwetendheid over die wegen van karma zou ongetwijfeld verdwijnen, als we deze slechts aan de juiste oorzaak zouden toeschrijven. Met de juiste kennis, of in ieder geval met de vaste overtuiging dat onze buren er evenmin naar streven om ons te benadelen, als wij de bedoeling zouden hebben om hen kwaad te doen, zou tweederde van het kwaad in de wereld in het niet verdwijnen. Als niemand zijn broeder kwaad deed, zou karma-Nemesis geen reden hebben tot handelen, en geen wapens om te gebruiken. De voortdurende aanwezigheid in ons midden van alle elementen van strijd en tegenstelling en de verdeling van rassen, volkeren, stammen, gemeenschappen en individuen in Kaïns en Abels, wolven en lammeren, zijn de voornaamste oorzaken van de ‘wegen van de voorzienigheid’. We vormen deze talrijke kronkelwegen van ons lot dagelijks met eigen handen, terwijl we ons verbeelden dat we een spoor volgen op de koninklijke hoofdweg van fatsoen en plicht, en klagen dan dat die wegen zo ingewikkeld en duister zijn. We zijn verbijsterd over het mysterie dat we zelf hebben gemaakt en over de raadsels van het leven die we maar niet oplossen, en we beschuldigen dan de grote sfinx dat ze ons verslindt. Maar er is werkelijk geen ongeval in ons leven, geen ongeluksdag en geen tegenspoed, die niet kan worden herleid tot onze eigen daden in dit of in een ander leven. Als men de wetten van harmonie overtreedt of, zoals een theosofische schrijver het uitdrukt, ‘de wetten van het leven’, moet men erop zijn voorbereid tot de chaos te vervallen die men zelf heeft voortgebracht. Want volgens dezelfde schrijver ‘is de enige conclusie waartoe men kan komen, dat deze levenswetten zichzelf wreken, en dus dat elke wrekende engel slechts een symbool van hun reactie is’.
   Als er dus iemand hulpeloos tegenover deze onveranderlijke wetten staat, dan zijn wij dat niet, de scheppers van ons lot, maar veeleer die engelen, de bewakers van de harmonie. Karma-Nemesis is niets anders dan het (spirituele) dynamische gevolg van oorzaken die zijn voortgebracht en krachten die tot activiteit zijn gekomen door onze eigen daden. Het is een wet van occulte dynamica dat ‘een gegeven hoeveelheid energie, aangewend op het spirituele of astrale gebied, veel grotere gevolgen teweegbrengt dan dezelfde hoeveelheid, toegepast op het fysieke, objectieve bestaansgebied’.
   Deze toestand zal voortduren totdat de spirituele intuïties van de mens volledig zijn ontplooid, wat niet zal gebeuren voordat we onze dikke rokken van stof geheel en al hebben afgeworpen; totdat we van binnenuit beginnen te handelen, in plaats van altijd impulsen van buitenaf te volgen; nl. die worden voortgebracht door onze fysieke zintuigen en ons grove zelfzuchtige lichaam. Tot dan is eenheid en harmonie het enige middel tegen het kwaad van het leven – een broederschap van de daad, en niet alleen altruïsme in naam. Het onderdrukken van één slechte oorzaak zal niet één, maar een groot aantal slechte gevolgen wegnemen. En als een broederschap of zelfs een aantal broederschappen niet in staat zou zijn te voorkomen dat volkeren elkaar nu en dan naar de keel vliegen, dan zal toch de eenheid van denken en handelen en filosofisch onderzoek naar de mysteriën van het zijn, altijd enkelen – die proberen te begrijpen wat tot dan toe voor hen een raadsel was gebleven – ervan weerhouden nog meer oorzaken te scheppen in een wereld die al zo vol is van ellende en kwaad. Kennis van karma geeft de overtuiging dat als

‘. . . de deugd wordt gekweld en de ondeugd zegeviert
De mensheid tot atheïsten wordt gemaakt’9,

dat alleen zo is doordat die mensheid altijd haar ogen heeft gesloten voor de grote waarheid dat de mens zelf zijn eigen verlosser en zijn eigen vernietiger is; dat hij de hemel en de goden, de schikgodinnen en de voorzienigheid niet hoeft te beschuldigen van de schijnbare onrechtvaardigheid die te midden van de mensheid heerst. Maar laat hij zich liever dit stukje Griekse wijsheid herinneren en het herhalen, dat de mens waarschuwt zich ervan te onthouden Dat te beschuldigen, dat

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Rechtvaardig, maar geheimzinnig ons zonder falen leidt
Langs niet aangegeven wegen van schuld naar straf . . .’

die nu de paden en de hoofdweg zijn waarop de grote Europese volkeren voortgaan. Elk volk en elke stam van de westerse Ariërs had, evenals hun oosterse broeders van het vijfde Ras, zijn gouden en zijn ijzeren eeuw, zijn periode van betrekkelijke onverantwoordelijkheid of de satya-eeuw van zuiverheid, terwijl nu verschillende van hen hun ijzeren eeuw hebben bereikt, het kali-yuga, een tijdperk zwart van verschrikkingen . . .
   Anderzijds is het waar dat men de exoterische cyclussen van elk volk op de juiste manier heeft afgeleid van de bewegingen van de sterren en daarvan afhankelijk heeft gemaakt. Deze bewegingen zijn onafscheidelijk verbonden met het lot van volkeren en mensen. Maar in zuiver fysieke zin kent Europa geen andere cyclussen dan de astronomische en maakt in overeenstemming daarmee zijn berekeningen. Ook wil het niets horen over andere dan denkbeeldige cirkels of banen in de sterrenhemel

‘Met centrisch en excentrisch gekrabbelde
Cirkel en bijcirkel, baan binnen baan . . .’

   Maar voor de heidenen betekenden de cyclussen iets meer dan alleen maar een opeenvolging van gebeurtenissen, of een periodieke tijdruimte van langere of kortere duur; bij hen, zoals Coleridge het uitdrukt, ‘. . . was tijd, cyclische tijd, de abstractie van de godheid . . .’, die ‘godheid’ die zich manifesteerde in samenhang met en alleen door karma en die karma-nemesis zelf was. Want die cyclussen werden in het algemeen gekenmerkt door terugkerende gebeurtenissen van een afwisselender en verstandelijker aard dan die men kan zien in de periodieke terugkeer van de seizoenen of van bepaalde constellaties. De moderne wijsheid stelt zich tevreden met sterrenkundige berekeningen en voorspellingen die zijn gebaseerd op onfeilbare wiskundige wetten. De oude wijsheid voegde aan de koude schil van de astronomie de bezielende elementen van haar ziel en geest toe – de astrologie. En omdat de bewegingen van de sterren werkelijk nog andere gebeurtenissen op aarde regelen en bepalen dan de groei van aardappelen en de periodieke ziekte van dat nuttige gewas (een bewering die, omdat deze niet wetenschappelijk kan worden verklaard, slechts belachelijk wordt gemaakt, maar toch aanvaard), moet men erkennen dat die gebeurtenissen vooraf worden bepaald door eenvoudige sterrenkundige berekeningen. Zij die in astrologie geloven, zullen onze bedoeling begrijpen, sceptici zullen om dat geloof lachen en het denkbeeld bespotten. Zo sluiten zij als een struisvogel hun ogen voor hun eigen lot . . .10.
   Dit komt doordat hun kleine zogenaamde historische periode hun geen ruimte laat voor vergelijking. De sterrenhemel ligt vóór hen; en hoewel hun spirituele oog nog niet is geopend en het atmosferische stof van aardse oorsprong hun het zicht ontneemt en dit beperkt tot de grenzen van de fysieke stelsels, laten ze toch niet na de bewegingen van meteoren en kometen waar te nemen en hun gedrag op te merken. Ze registreren de periodieke komst van die zwervers en ‘vlammende boodschappers’ en voorspellen dienovereenkomstig aardbevingen, meteoorregens, het verschijnen van bepaalde sterren, kometen, enz. Zijn ze daarom waarzeggers? Nee, het zijn geleerde sterrenkundigen.
   Waarom zou men dan even geleerde occultisten en astrologen niet geloven, wanneer zij op grond van hetzelfde wiskundige beginsel de terugkeer van een of andere cyclische gebeurtenis voorspellen? Waarom zou men de bewering dat zij het weten, belachelijk maken? Hun voorvaderen en voorgangers hebben honderdduizenden jaren lang de terugkeer van zulke gebeurtenissen opgetekend, en de conjunctie van dezelfde sterren zal dan ook onvermijdelijk, indien niet dezelfde dan toch overeenkomstige gevolgen teweegbrengen. Worden de voorspellingen bespot wegens de beweerde honderdduizenden jaren van waarneming en de miljoenen jaren van het bestaan van de menselijke rassen? De hedendaagse wetenschap wordt op haar beurt wegens haar veel bescheidener geologische en antropologische cijfers uitgelachen door degenen die zich aan de chronologie van de bijbel houden. Zo regelt karma zelfs de menselijke spot op wederzijdse kosten van sekten, geleerde genootschappen en individuen. Bij de prognose van dergelijke toekomstige gebeurtenissen, die alle worden voorspeld op gezag van cyclische terugkeer, speelt echter geen enkel paranormaal verschijnsel een rol. Het is geen vooruitzien en ook geen profetie, evenmin als het aankondigen van een komeet of een ster, een aantal jaren vóór deze verschijnt. Het zijn eenvoudig kennis en wiskundig juiste berekeningen, die de wijzen uit het oosten in staat stellen te voorspellen, bijvoorbeeld dat Engeland aan de vooravond van een of andere ramp staat; dat Frankrijk zo’n punt in zijn cyclus nadert en dat Europa in het algemeen wordt bedreigd met of beter gezegd aan de vooravond staat van een grote ramp, waartoe het in zijn cyclus van ras-karma is gebracht. De betrouwbaarheid van de informatie hangt natuurlijk ervan af of men de bewering van een enorme historische waarnemingsperiode aanvaardt of verwerpt. Ingewijden uit het oosten houden vol dat zij verslagen hebben bewaard over de ontwikkeling van de rassen en over gebeurtenissen van universeel belang vanaf het begin van het vierde Ras, terwijl gegevens over wat daaraan voorafging op overlevering berusten. Bovendien zullen degenen die geloven in zienerschap en occulte vermogens, geen moeite hebben om tenminste het algemene karakter van de gegeven informatie te aanvaarden, zelfs al zijn dat overleveringen, wanneer deze laatste eenmaal met behulp van helderziendheid en esoterische kennis zijn getoetst en verbeterd. Maar in dit geval baseren wij ons niet in hoofdzaak op zo’n metafysisch geloof, maar geven wij een bewijs op grond van materiaal dat voor iedere occultist volkomen wetenschappelijk is – de verslagen die ontelbare eeuwen door middel van de Dierenriem zijn bewaard.
   Er is nu ruimschoots aangetoond dat zelfs horoscopen en de officiële astrologie niet helemaal op fictie berusten en dat sterren en sterrenbeelden dus een occulte en geheimzinnige invloed hebben op en verband houden met individuen. En als zij invloed hebben op laatstgenoemden, waarom dan niet op volkeren, rassen en de mensheid als geheel? Ook dit wordt beweerd op gezag van de verslagen over de Dierenriem. Wij zullen daarom onderzoeken in hoeverre de Dierenriem bij de Ouden bekend was en in hoeverre deze door de mensen van nu is vergeten.

 

Noten:

  1. Zie Stanza VI (Deel I) met Toelichting.
  2. Buddhist Catechism, door H.S. Olcott, voorzitter van de Theosophical Society.
  3. We verwijzen degenen die deze uitspraak als ongepast of oneerbiedig tegenover de erkende wetenschap beschouwen, naar het boek van James Hutchinson Stirling over ‘Protoplasm’, dat een verdediging inhoudt van een levensbeginsel tegen de aanhangers van de moleculaire theorie – Huxley, Tyndall, Vogt, en Co. – en wij vragen hun te onderzoeken of het al of niet waar is dat de wetenschappelijke vooronderstellingen misschien niet altijd juist zijn, maar dat zij niettemin worden aanvaard om een gaping of leemte in een of ander dierbaar materialistisch stokpaardje aan te vullen. Bij het bespreken van het protoplasma en de organen van de mens, zoals ‘Huxley die opvat’, zegt de schrijver: ‘Waarschijnlijk hebben we met betrekking tot enige continuïteit van kracht, vorm of substantie in het protoplasma genoeg lacunes gezien. Ja, zelfs kan men Huxley zelf aanhalen als bewijs hiervoor. Niet zelden erkent hij in zijn artikel een waarschijnlijkheid, waar alleen zekerheid op haar plaats zou zijn. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Het is meer dan waarschijnlijk dat wanneer de plantenwereld grondig wordt onderzocht, wij zullen ontdekken dat alle planten dezelfde krachten bezitten.’ Wanneer een conclusie met beslistheid wordt aangekondigd, is het nogal teleurstellend als men, zoals hier, hoort dat de vooronderstellingen nog moeten worden verzameld’ (!!) . . . Hier is nog een passage, waarin men ziet dat hij de poten onder zijn eigen stoel wegzaagt. Nadat hij ons heeft gezegd dat alle vormen van protoplasma uit koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof ‘in een heel ingewikkelde verbinding’ bestaan, gaat hij verder: ‘Aan deze ingewikkelde combinatie, waarvan de aard nooit nauwkeurig is vastgesteld (!!), heeft men de naam proteïne gegeven.’ Dit is van de kant van Huxley duidelijk een identificatie van protoplasma en proteïne; en wat over het ene wordt gezegd, is noodzakelijk ook waar voor het andere, en hieruit volgt, dat hij toegeeft dat de aard van het protoplasma nooit nauwkeurig werd vastgesteld, en dat zelfs in zijn ogen in deze zaak nog geen uitspraak is gedaan. Deze erkenning wordt nog versterkt door de woorden: ‘Als we deze term – proteïne – met de voorzichtigheid gebruiken die strikt genomen voortvloeit uit onze betrekkelijke onwetendheid inzake de dingen waarvoor deze staat’ . . . enz. (blz. 33 en 34, als antwoord aan Huxley in Yeast).
       Dit is de eminente Huxley, de koning van de fysiologie en de biologie, van wie is aangetoond dat hij blindemannetje speelt met vooronderstellingen en feiten. Wat zouden de ‘lagere godheden’ van de wetenschap hierna wel niet kunnen doen!
  4. ‘The Cycles of Matter’, de naam die door prof. Winchell is gegeven aan een artikel dat hij in 1860 heeft geschreven.
  5. Wetenschappers zullen zeggen: Wij ontkennen ze, omdat iets dergelijks nooit binnen het bereik van onze ervaring is gekomen. Maar, zoals Charles Richet, de fysioloog, zegt: ‘Laat dat zo zijn, maar heeft u dan tenminste het tegendeel bewezen? . . . Ontken in geen geval a priori. De huidige wetenschap is niet ver genoeg gevorderd om u dat recht te geven.’ (‘La suggestion mentale et le calcul des probabilités.’)
  6. ‘On World History’, in Philosophy of History, blz. 26 (Engelse vertaling van Sibree).
  7. Deze symboliek verhindert niet dat deze nu schijnbaar mythische personen ooit eens de aarde hebben geregeerd in de menselijke vorm van werkelijk levende, hoewel eigenlijk goddelijke en op goden lijkende mensen. De mening van kolonel Vallencey (en ook van Graaf De Gobelin) dat ‘de namen van de Kabiri alle allegorisch schijnen te zijn en niet meer (?) hebben betekend dan een almanak voor de wisselingen van de seizoenen – samengesteld voor de werkzaamheden in de landbouw’ (Collect. de Reb. Hibern., no. 13, praef. sect. 5), is even absurd als zijn bewering dat Aeon, Kronos, Saturnus en Dagon alle één zijn, nl. de ‘aartsvader Adam’. De Kabiri waren de leraren van de mensheid in de landbouw, omdat zij de heersers waren over de seizoenen en kosmische cyclussen. Daarom waren zij het, die als planeetgeesten of ‘engelen’ (boodschappers) de mysteriën van de kunst van de landbouw regelden.
  8. Die karma-Nemesis vrezen zou beter zijn.
  9. Dryden.
  10. Maar niet allen, want er zijn wetenschappers die de waarheid beginnen te ontdekken. Zo lezen we het volgende: ‘Waarop we onze blik ook richten, overal ontmoeten we een mysterie . . . alles in de Natuur is voor ons het onbekende . . . Toch zijn ze talrijk, die oppervlakkige denkers, voor wie niets door natuurkrachten kan worden voortgebracht, behalve de feiten die lang geleden bekend werden, geheiligd in boeken en min of meer handig gegroepeerd met behulp van theorieën waarvan de korte levensduur nu wel hun ontoereikendheid had moeten aantonen . . . Ik matig mij niet aan het mogelijke bestaan van onzichtbare wezens te bestrijden, die een andere natuur hebben dan de onze en die in staat zijn stof in beweging te brengen. Diepzinnige filosofen hebben dit in alle tijden erkend, als een gevolg van de grote wet van de continuïteit die het Heelal regeert. Kan de ontwikkeling van dat intellect, dat op de een of andere manier uit het niet-zijn (néant) tevoorschijn komt en dat geleidelijk de mens bereikt, plotseling bij de mens ophouden om pas in het oneindige, in de hoogste bestuurder van de wereld, weer te verschijnen? Dit is niet erg waarschijnlijk.’ Daarom . . . ‘ontken ik evenmin het bestaan van geesten als van de ziel, en probeer bepaalde feiten zonder deze hypothesen te verklaren . . .’. The Non Defined Forces, Historical and Experimental Researches, blz. 3. Het bovenstaande werd geschreven door A. de Rochas, een bekende wetenschapper in Frankrijk; zijn boek is een van de tekenen van de tijd. (Parijs, Masson, Boulevard St. Germain, 1887.)

 


De Geheime Leer 1:703-18

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag